Inbreng verslag schriftelijk overleg : Inbreng verslag schriftelijk overleg over de geannoteerde Agenda informele Raad Algemene Zaken - Cohesie 14-15 september in Dublin
2026D41487 INBBRENG VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
Binnen de vaste commissie voor Europese Zaken heeft een aantal fracties de behoefte
vragen en opmerkingen voor te leggen over de brief van de Minister van Economische
Zaken en Klimaat d.d. 2 september 2026 inzake de geannoteerde agenda informele Raad
Algemene Zaken – Cohesie 14–15 september Dublin en de brief van de Minister van Economische
Zaken en Klimaat d.d. 15 juni 2026 inzake het verslag informele Raad Algemene Zaken
– Cohesie 4–5 juni 2026 (Kamerstuk 21 501-08, nr. 1034).
De voorzitter van de commissie,
Van Meetelen
Adjunct-griffier van de commissie,
Moonen
Inhoudsopgave
I
Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie
II
Reactie van de Minister van Economische Zaken en Klimaat
I. Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
De leden van de D66-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de geannoteerde
agenda die besproken gaat worden op 14 en 15 september en het verslag van de Raad
Algemene Zaken (Cohesie) die op 4 en 5 juni jl. plaatsvond. Deze leden hebben hierover
nog enkele vragen en opmerkingen.
De leden van de D66-fractie zijn verheugd met het standpunt van de Europese Commissie
dat iedere Europeaan het recht heeft om te kunnen blijven wonen in de regio die men
thuis noemt. Hoe denkt de Minister de aanstaande right to stay strategie in te kunnen zetten om doorbraken te realiseren voor Nederlanders in heel
Nederland, mede in het licht van de kabinetsreactie op het rapport «Elke regio telt»
(Kamerstuk 29 697, nr. 114)?
De leden van de D66-fractie hebben vernomen dat het kabinet voornemens is de uitvoering
van het cohesiebeleid bij een ander departement te beleggen. Klopt dat? Is de Minister
het ermee eens dat een wisseling van departement er niet toe mag leiden dat regio’s
en gesprekspartners minder betrokken worden bij de uitvoering van Europese fondsen?
De leden van de D66-fractie vragen of de Minister de zienswijze deelt dat hoogwaardige
participatie van regio’s, het maatschappelijk middenveld en andere gesprekspartners
bijdraagt aan de kwaliteit, het eigenaarschap en de effectiviteit van de Nederlandse
plannen voor Europese fondsen.
De leden van de D66-fractie onderschrijven de noodzaak van het moderniseren van het
cohesiebeleid en vinden dat dat hand in hand kan gaan met verregaande grensoverschrijdende
samenwerking en partnerschap met regio’s. Deelt de Minister de mening dat de nieuwe
architectuur van de Nationale en Regionale Partnerschapsprogramma’s (NRPP) er niet
toe mag leiden dat er minder grensoverschrijdende samenwerking is die bijdraagt aan
de economische, sociale en territoriale cohesie van de Unie?
De leden van de D66-fractie zijn van mening dat onnodige administratieve lasten bij
Europese projecten afleiden van de inhoud van die projecten. Deze leden zijn verheugd
dat het kabinet aandacht heeft voor het beperken van administratieve lasten en zich
actief inzet voor de uitvoerbaarheid voor begunstigden. Hoe zet de Minister zich hiervoor
in?
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de geannoteerde
agenda voor de Informele Raad Algemene Zaken Cohesie d.d. 14–15 september 2026. Zij
hebben aanleiding gezien tot het stellen van enkele vragen.
De leden van de VVD-fractie vinden het belangrijk dat stilgestaan wordt bij het cohesiebeleid
nu na de huidige begrotingsperiode een nieuw cohesiebeleid vormgegeven zal moeten
worden. Is de Minister bereid om in de discussie in te brengen dat we kritisch zullen
moeten kijken naar de opbrengst van het huidige cohesiebeleid en de mate waarin we
überhaupt weten wat daar de resultaten van zijn? Kan de Minister cijfers delen over
de effectiviteit van het cohesiebeleid in de afgelopen jaren of aan het voorzitterschap
vragen of die cijfers er kunnen komen?
De leden van de VVD-fractie zien het risico dat onder het Ierse voorzitterschap door
een coalitie van landen wordt getracht cohesiebeleid te gaan koppelen aan concurrentievermogen,
en te betogen dat cohesiebeleid volledig overeind moet blijven, zo niet uitgebreid
omdat het essentieel zou zijn voor concurrentievermogen, terwijl daar onvoldoende
onderbouwing van is met feiten en cijfers. Deelt de Minister deze zorg? Het resultaatsgerichte
financieringsmodel is een kopie van het Coronaherstelfonds. Is de Minister ermee bekend
dat uit rapporten van de Europese Rekenkamer en publicaties van wetenschappers, zoals
prof. Beetsma, blijkt dat de beloofde structurele hervormingen zijn uitgebleven en
dat strategische investeringen in de praktijk grotendeels bestonden uit de vervanging
van bestaande apparatuur? Is ook bekend dat grensoverschrijdende infrastructuur vaak
helemaal ontbrak? Waarom kiest de Minister er bij deze discussie niet voor om naast
vereenvoudiging ook veel steviger in te zetten op de afbouw van cohesiegelden ten
behoeve van innovatie, veiligheid en grensoverschrijdende infrastructuur?
De leden van de VVD-fractie vragen wat de Minister vindt van het feit dat cohesiebeleid
en het belang daarvan nu ook lijkt te worden uitgelegd in relatie tot het principe
van right to stay. Vindt de Minister dat de cohesiemiddelen moeten aansluiten bij de (regionale) arbeidsmarkt
met oog op het principe van right to stay?
Verder zijn de leden van de VVD-fractie benieuwd wat de stand van zaken is rond de
mededeling van de Commissie over de oostelijke grensregio’s van de EU. Is inmiddels
meer duidelijkheid verkregen over de budgettaire gevolgen van de voorgestelde maatregelen,
waaronder de EastInvest-faciliteit en mogelijke uitzonderingen op de staatssteunregels?
De leden van de VVD-fractie vragen naar de appreciatie van de Minister van de op 10 juni
2026 door de Europese Commissie gepubliceerde strategie voor eilanden en strategie
voor kustgemeenschappen. Wat is haar inzet ten aanzien van deze strategieën?
Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie
De leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van de geannoteerde agenda voor de
informele Raad Algemene Zaken Cohesie van 14 en 15 september 2026 en hebben hierover
enkele vragen.
De leden van de PVV-fractie vragen de Minister wat de overgang naar betaling op basis
van mijlpalen en doelstellingen concreet betekent voor Nederland. Wie bepaalt uiteindelijk
of een mijlpaal of doelstelling is gehaald, en welke rechtsmiddelen of politieke mogelijkheden
heeft Nederland wanneer de Commissie betalingen tegenhoudt? Deze leden vragen de Minister
of het nieuwe financieringsmodel de Europese Commissie meer macht geeft om betalingen
aan lidstaten op te schorten, te vertragen of aan voorwaarden te verbinden. Zij vragen
of de Minister kan uitsluiten dat cohesiegeld zo een politiek drukmiddel van de Commissie
kan worden.
De leden van de PVV-fractie vragen het kabinet om een volledig overzicht van de verwachte
gevolgen van het nieuwe cohesiemodel voor Nederland, inclusief de Nederlandse afdrachten,
ontvangsten, uitvoeringskosten en financiële risico’s.
De leden van de PVV-fractie constateren dat de Europese Rekenkamer eerder zorgen heeft
geuit over fraudebestrijding, controle en de betrouwbaarheid van prestatiegegevens
bij vergelijkbare systematiek. Deze leden vragen welke lessen uit het ERK-rapport
volgens de Minister eerst moet worden verwerkt voordat Nederland kan instemmen met
toepassing van deze systematiek op het toekomstige cohesiebeleid.
De leden van de PVV-fractie vragen de Minister hoe wordt voorkomen dat Nederland als
nettobetaler meer risico loopt dan lidstaten die relatief veel cohesiemiddelen ontvangen.
Deze leden vragen welke garanties er zijn dat Nederlandse belastingbetalers niet opdraaien
voor fouten, fraude of slecht beheer.
De leden van de PVV-fractie vragen of de Minister bereid is zich te verzetten tegen
een model waarin Europese middelen afhankelijk worden gemaakt van brede, door de Commissie
vastgestelde hervormingen of beleidsdoelen die buiten het doel van het cohesiebeleid
vallen.
Deze leden vragen waarom de Minister niet inzet op het afbouwen of beëindigen van
traditioneel cohesiebeleid en welke belemmeringen er zijn om het cohesiebeleid substantieel
terug te dringen. Indien de Minister niet bereid is voor afbouw of beëindiging te
pleiten, verzoeken zij de Minister precies toe te lichten welk Nederlands belang daarmee
wordt gediend, hoeveel Nederland naar verwachting aan dit beleid bijdraagt en ontvangt
en waarom Nederlandse belastingbetalers moeten blijven meebetalen aan landen elders
in Europa.
Tot slot vragen de leden van de PVV-fractie de Minister welke rol de Tweede Kamer
krijgt bij de Nederlandse inzet voor mijlpalen, doelstellingen en voorwaarden in het
toekomstige NRPP. Deze leden vragen of de Minister kan toezeggen dat de Kamer vooraf
wordt geïnformeerd voordat Nederland akkoord gaat met verplichtingen die gevolgen
kunnen hebben voor nationaal beleid of Nederlandse middelen.
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de geannoteerde agenda voor de
informele Raad Algemene Zaken – Cohesie van 14 en 15 september 2026. Deze leden hebben
hier enkele vragen bij.
Uitdagingen bij de uitvoering onder het nieuwe resultaatgerichte financieringsmodel
De leden van de CDA-fractie steunen de beweging naar een meer resultaatgerichte Europese
begroting. Kan de Minister aangeven welke concrete lessen uit de Herstel- en Veerkrachtfaciliteit
Nederland wil vastleggen als voorwaarden voor het nieuwe financieringsmodel? Zet de
Minister daarbij in op één heldere verantwoordingssystematiek, eenvoudige en goed
meetbare mijlpalen en controles die in verhouding staan tot de risico’s?
Voor de leden van de CDA-fractie is vereenvoudiging alleen geslaagd wanneer die ook
merkbaar is voor alle ontvangers van Europese middelen. Dit sluit ook aan bij de bredere
inzet uit het coalitieakkoord om administratieve lasten terug te dringen en regels
eenvoudiger en beter uitvoerbaar te maken. Kan de Minister daarom aangeven hoe zij
gaat beoordelen of het nieuwe model in de praktijk daadwerkelijk minder administratieve
lasten oplevert? Is de Minister bereid hiervoor vooraf concrete uitgangspunten te
laten vaststellen?
Versterking van regionale concurrentiekracht door cohesiebeleid
De leden van de CDA-fractie steunen de inzet om cohesiebeleid sterker te verbinden
met het Europese concurrentievermogen. Sterke regio’s, goede bereikbaarheid, voldoende
vakmensen en sterke regionale innovatieclusters zijn voor deze leden voorwaarden voor
een concurrerend Europa. Kan de Minister toelichten hoe zij in de onderhandelingen
de balans wil bewaken tussen de klassieke cohesiedoelstelling en de sterkere focus
op Europees concurrentievermogen? Hoe voorkomt zij dat middelen vooral terechtkomen
bij regio’s die al het sterkst zijn, terwijl grensregio’s, landelijke regio’s en andere
gebieden achterblijven?
De leden van de CDA-fractie zien veel kansen wanneer Europees geld aansluit bij bestaande
regionale economische ecosystemen. Het coalitieakkoord zet nadrukkelijk in op regionale
innovatieclusters, samenwerking tussen bedrijven en kennisinstellingen, Europese cofinanciering
en beroepsonderwijs als ruggengraat van regionale economieën. Is de Minister het ermee
eens dat het cohesiebeleid daarom vooral moet aansluiten bij de economische kracht
en arbeidsmarkt van een regio, in plaats van overal dezelfde Europese prioriteiten
toe te passen? Hoe wil de Minister dit uitgangspunt terug laten komen in de Nederlandse
inzet?
De leden van de CDA-fractie vragen daarnaast naar de verhouding met het voorgestelde
Europees Concurrentievermogenfonds. Beide instrumenten kunnen investeringen in innovatie,
productiviteit en economische ontwikkeling ondersteunen. Waar ziet de Minister concrete
mogelijkheden voor samenwerking en cofinanciering? En hoe wordt voorkomen dat verschillende
Europese fondsen naast elkaar vergelijkbare programma’s financieren, met opnieuw extra
regels en loketten voor ondernemers en regio’s?
Update EU-strategieën voor eilanden en voor kustregio’s
De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de op 10 juni 2026 gepubliceerde
Europese strategieën voor eilanden en voor kustgemeenschappen. De Europese Commissie
wil hiermee de economische en maatschappelijke kansen van deze regio’s beter benutten.
Hoe beoordeelt de Minister de twee strategieën? Welke concrete meerwaarde bieden deze
volgens haar bovenop het bestaande EU-beleid? Welke mogelijkheden ziet de Minister
om binnen de toekomstige Nationale en Regionale Partnerschapsplannen rekening te houden
met de specifieke uitdagingen en kansen van eilanden en kustregio’s?
De leden van de CDA-fractie constateren dat Nederland tijdens de vorige informele
Cohesieraad aandacht heeft gevraagd voor de Landen en Gebieden Overzee (LGO’s), waaronder
Caribisch Nederland. Deze leden vragen of de Minister kan aangeven in hoeverre deze
Nederlandse inzet is teruggekomen in de uiteindelijke eilandstrategie. Welke vervolgstappen
zijn nodig om de positie van de LGO’s binnen het Europese cohesie- en regionaal beleid
voldoende te waarborgen? Het kabinet heeft eerder aangegeven dat de strategieën voldoende
aandacht moeten hebben voor Caribisch Nederland en de Waddeneilanden. Deze leden vragen
hoe de Minister de uiteindelijke strategieën op dit punt beoordeelt. Welke concrete
kansen bieden zij voor deze Nederlandse eilanden en waar ziet de Minister nog tekortkomingen?
Eilanden bieden volgens de eerdere bespreking in de Raad ook kansen op het gebied
van energie, de blauwe economie, duurzaam toerisme en defensie/veiligheid. Zij vragen
op welke van deze terreinen de Minister de meeste kansen ziet voor Nederland en het
Koninkrijk.
Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie
De leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van de geannoteerde agenda voor de
informele Raad Algemene Zaken Cohesiebeleid van 14 en 15 september en het verslag
van de informele Raad van 4 en 5 juni 2026. Zij hebben hierover enkele vragen.
De leden van de BBB-fractie lezen dat de Europese Commissie stelt dat iedere Europeaan
het recht moet hebben om te kunnen blijven wonen in de regio die hij of zij thuis
noemt. Deze leden onderschrijven dat uitgangspunt. Mensen zouden niet uit hun dorp
of regio moeten worden verdreven omdat banen verdwijnen, woningen niet te vinden zijn
of basisvoorzieningen steeds verder van huis komen te liggen. Uit het verslag blijkt
dat Nederland bij de uitwerking van het right to stay vooral de nadruk legt op het creëren van economische kansen en het versterken van
de concurrentiekracht van regio’s. Andere lidstaten leggen juist de nadruk op investeringen
in voorzieningen. Kan de Minister precies uitleggen wat de Minister onder het creëren
van economische kansen verstaat? Aan welke concrete investeringen en resultaten denkt
de Minister daarbij?
De leden van de BBB-fractie vragen waarom de Minister economische kansen en investeringen
in voorzieningen presenteert als twee verschillende richtingen. Zijn bereikbare zorg,
goed onderwijs, openbaar vervoer, betaalbare woningen en digitale bereikbaarheid niet
juist voorwaarden voor economische ontwikkeling? Wat heeft een regio aan nieuwe economische
kansen wanneer werknemers er geen woning kunnen vinden, de huisarts verdwijnt, de
school sluit en het openbaar vervoer wordt afgebouwd? Op welke onderzoeken of praktijkervaringen
baseert het kabinet zijn keuze om binnen het right to stay niet de nadruk te leggen op het behoud en versterken van voorzieningen? Erkent de
Minister dat het verdwijnen van voorzieningen, zeker in landelijke en grensregio’s,
een belangrijke reden kan zijn waarom jongeren, gezinnen en ondernemers vertrekken?
De geannoteerde agenda voor de informele Raad Algemene Zaken Cohesie van 14 en 15 september
2026 spreekt opnieuw uitgebreid over concurrentiekracht, innovatie en transities,
maar nauwelijks over het right to stay en het voorzieningenniveau in regio’s. Is de Minister bereid om tijdens de Raad (opnieuw)
uit te dragen dat regionale concurrentiekracht niet alleen draait om innovatie en
productiviteit, maar ook om leefbaarheid en bereikbare basisvoorzieningen? Zo nee,
waarom niet?
Ten slotte vragen de leden van de BBB-fractie de Minister om zich ervoor in te zetten
dat regio’s zelf, samen met hun inwoners en ondernemers, kunnen bepalen welke investeringen
nodig zijn om wonen, werken en leven in de regio daadwerkelijk mogelijk te houden.
II. Reactie van de Minister van Economische Zaken en Klimaat
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
R.F. van Meetelen, voorzitter van de vaste commissie voor Europese Zaken -
Mede ondertekenaar
J.H.R. Moonen, adjunct-griffier
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.