Inbreng verslag schriftelijk overleg : Inbreng verslag schriftelijk overleg over wijziging en verlenging van de subsidieregeling opvang kinderen van ouders met een trekkend/varend bestaan 2027-2032
2026D41403 INRBENG VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
In de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport bestond bij enkele fracties
behoefte een aantal vragen en opmerkingen voor te leggen aan de Minister van Langdurige
Zorg, Jeugd en Sport over de Wijziging en verlenging van de subsidieregeling opvang
kinderen van ouders met een trekkend/varend bestaan 2027–20321.
De voorzitter van de commissie,
Mohandis
Adjunct-griffier van de commissie,
Heller
Inhoudsopgave
I.
Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de PRO-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie
II.
Reactie van de Minister
I. Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
De leden van de D66-fractie hebben met veel interesse kennisgenomen van de brief van
de Minister met onderliggende stukken over de Wijziging en verlenging van de subsidieregeling
opvang kinderen van ouders met een trekkend/varend bestaan 2027–2032. Momenteel hebben
deze leden hier geen vragen of opmerkingen over.
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het ontwerpbesluit
en de bijbehorende brief. Zij hebben geen verdere vragen of opmerkingen.
Vragen en opmerkingen van de leden van de PRO-fractie
De leden van de PRO-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de wijziging
en verlenging van de subsidieregeling opvang kinderen van ouders met een trekkend
of varend bestaan. Zij hebben nog enkele vragen over de uitwerking.
De leden van de PRO-fractie vragen of de verwachte ontwikkeling van het aantal kinderen
per internaatlocatie voor ieder jaar van 2027 tot en met 2031 met de Kamer gedeeld
kan worden. Welke aannames liggen aan deze prognose ten grondslag en hoe groot is
de onzekerheidsmarge? Kan daarnaast per locatie inzichtelijk gemaakt worden wat het
nieuwe financieringsmodel naar verwachting betekent voor de subsidie in 2027, afgezet
tegen 2026? Welke locaties gaan erop voor- of achteruit en met welke bedragen? Kan
tevens aangegeven worden of beide exploitanten met de voorgestelde bedragen een sluitende
meerjarenbegroting kunnen opstellen?
De leden van de PRO-fractie begrijpen de wens om vaste kosten beter te erkennen, maar
vragen waarom precies 11 procent van de totale subsidie als vaste component is aangemerkt.
In hoeverre doet dit historische percentage recht aan de werkelijke, actuele vaste
kosten, waaronder huisvesting, onderhoud, energie, verzekeringen en beveiliging? Is
een stresstest uitgevoerd voor verschillende krimpscenario’s en onverwachte kostenstijgingen?
Zo ja, wat waren de uitkomsten hiervan? Zo nee, waarom niet? Hoe wordt voorkomen dat
de variabele bijdrage van 35.000 euro per kind in de praktijk onvoldoende is om de
benodigde personele bezetting en begeleiding te bekostigen?
De leden van de PRO-fractie vragen voorts hoe de wegingsfactor van 1,75 voor locaties
met minder dan twintig kinderen is bepaald. Welke alternatieven zijn doorgerekend
en waarom biedt juist deze factor volgens de Minister een solide financiële basis?
Klopt het dat de verdeling mede zo is vormgegeven dat de subsidie tussen de twee bestaande
exploitanten ongeveer gelijk blijft aan de huidige verdeling? Hoe verhoudt dit doel
zich tot het uitgangspunt dat de financiering moet aansluiten bij de daadwerkelijke
kosten en ondersteuningsbehoeften per locatie?
De leden van de PRO-fractie hebben zorgen over de nieuwe ondergrens van zes kinderen
per locatie. In de toelichting wordt deze grens gepresenteerd als een doelmatigheidsnorm,
terwijl uit de evaluatie niet blijkt dat het getal zes uit een inhoudelijke analyse
volgt. Kan nader onderbouwd worden waarom een locatie met vijf kinderen per definitie
niet doelmatig genoeg zou zijn en een locatie met zes kinderen wel? Is daarbij gekeken
naar regionale spreiding, reisafstanden, denominatie, de aansluiting op scholen met
specifieke expertise en de gevolgen voor broertjes en zusjes? Welke kinderrechtentoets
of belangenafweging op grond van artikel 3 van het VN-Kinderrechtenverdrag is bij
deze keuze gemaakt? Kan per bestaande locatie aangegeven worden hoe dicht deze bij
de grens van zes kinderen zit en welke locaties naar verwachting tijdens de looptijd
van de regeling onder die grens kunnen komen? Hoeveel kinderen zouden in elk van die
scenario’s moeten verhuizen en hoe groot worden hun reisafstanden naar ouders en school?
Hoe wordt voorkomen dat onzekerheid over het voortbestaan van een kleine locatie ertoe
leidt dat ouders hun kind daar niet meer inschrijven, waardoor een zichzelf versterkende
neerwaartse spiraal ontstaat? Is overwogen om te werken met een meerjarige gemiddelde
bezetting in plaats van één peildatum, of om gemotiveerd maatwerk mogelijk te maken
wanneer het belang van kinderen of de regionale bereikbaarheid daarom vraagt? Zo nee,
waarom niet?
De leden van de PRO-fractie vragen tevens waarom de overgangsperiode voor een locatie
met drie tot zes kinderen maximaal twee opeenvolgende subsidiejaren bedraagt. Wat
gebeurt er wanneer na die periode geen reëel, passend alternatief beschikbaar is?
Wie beoordeelt of een alternatief passend is en aan welke criteria wordt dit getoetst?
Is de Minister eventueel bereid om vast te leggen dat een locatie niet sluit voordat
voor ieder betrokken kind een duurzaam en passend alternatief is gevonden, waarbij
continuïteit van onderwijs, sociale relaties, begeleiding en contact met de ouders
zwaarwegend worden meegewogen?
De leden van de PRO-fractie constateren dat een exploitant voor een kleine locatie
aannemelijk moet maken dat de activiteiten binnen de exploitatiebegroting kunnen worden
uitgevoerd. Hoe wordt voorkomen dat deze voorwaarde leidt tot bezuinigingen op personeel,
begeleiding of onderhoud om de begroting sluitend te krijgen? Welke minimale kwaliteitseisen
en personele normen gelden en wie houdt daarop toezicht? De toelichting noemt onder
meer circa 35 vierkante meter binnenruimte per kind, voldoende fte per kind en doorlopend
goed onderhoud. Waarom zijn deze uitgangspunten niet als concrete, toetsbare normen
in de regeling vastgelegd? Hoe wordt beoordeeld of de veiligheid en kwaliteit daadwerkelijk
op orde zijn?
De leden van de PRO-fractie lezen in de evaluatie dat personeelskrapte, vergrijzing
en zwaardere ondersteuningsvragen de continuïteit en kwaliteit van de begeleiding
onder druk kunnen zetten. Tegelijkertijd vielen pedagogische kwaliteit, individuele
leerprestaties en de ontwikkeling en het welzijn van kinderen buiten de reikwijdte
van de evaluatie. Op welke informatie baseert de Minister dan de conclusie dat de
voorgestelde financiering toereikend is om goede begeleiding te blijven bieden? Is
de Minister bereid de pedagogische kwaliteit, de sociaal-emotionele ontwikkeling en
de ervaringen van kinderen structureel te laten volgen, zonder de internaten met onnodige
administratieve lasten op te zadelen? Hoe wordt de toegang tot passende jeugdhulp
georganiseerd wanneer kinderen extra ondersteuning nodig hebben en hoe wordt voorkomen
dat verschillen tussen gemeenten tot ongelijke hulp leiden?
De leden van de PRO-fractie vinden dat kinderen niet alleen onderwerp van beleid moeten
zijn, maar ook zelf moeten kunnen meepraten over beleid dat hun dagelijks leven raakt.
Zijn kinderen en jongeren die in een internaat verblijven rechtstreeks betrokken bij
de evaluatie en bij de vormgeving van deze wijzigingsregeling? Zo ja, op welke wijze,
hoeveel kinderen zijn gehoord en wat is met hun inbreng gedaan? Zo nee, waarom niet?
Is de Minister bereid bij de uitvoering en eerstvolgende evaluatie een structurele
en leeftijdsadequate vorm van kinder- en jongerenparticipatie te organiseren, naast
de betrokkenheid van ouders, scholen en exploitanten?
Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie
De leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van de voorgenomen wijziging en verlenging
van de Subsidieregeling opvang kinderen van ouders met een trekkend/varend bestaan.
Deze leden zijn positief over de verlenging van de regeling tot 1 januari 2032. De
internaten vervullen een belangrijke functie voor kinderen van ouders met een trekkend
of varend bestaan. Uit de evaluatie blijkt bovendien dat zij kinderen een veilige
en stabiele leefomgeving bieden en bijdragen aan continuïteit in het onderwijs en
de sociale omgeving.
De leden van de PVV-fractie hebben echter grote zorgen over de introductie van een
minimum van zes kinderen per internaat-locatie om structureel voor subsidie in aanmerking
te komen.
De leden van de PVV-fractie vragen de Minister allereerst waarop de keuze voor precies
zes kinderen is gebaseerd. Zij vragen welke concrete financiële of bedrijfsmatige
berekening hieraan ten grondslag ligt. Ook vragen zij de Minister waarom een locatie
met zes kinderen wel als doelmatig wordt beschouwd en een locatie met vijf kinderen
uiteindelijk niet. Deze leden vragen de Minister of per locatie is onderzocht wat
de daadwerkelijke minimale exploitatiekosten zijn.
De leden van de PVV-fractie vragen de Minister inzichtelijk te maken hoeveel van de
huidige acht internaat-locaties op dit moment rond of onder deze grens van een minimum
van zes kinderen zitten. Zij vragen de Minister welke locaties volgens de huidige
prognoses in de periode 2027–2032 het risico lopen onder de grens van zes kinderen
te komen.
De leden van de PVV-fractie wijzen erop dat de Minister zelf benadrukt hoe belangrijk
stabiliteit, onderwijscontinuïteit en de sociale omgeving voor deze kinderen zijn.
Zij vragen de Minister hoe wordt voorkomen dat een kind vanwege een administratieve
bezettingsgrens zijn vertrouwde internaat, school en sociale omgeving moet verlaten.
Ook vragen zij of voorafgaand aan het vaststellen van de grens van zes kinderen is
onderzocht welke gevolgen eventuele sluiting van locaties heeft voor de regionale
en landelijke spreiding van internaten. Zo ja, kan de Minister deze analyse met de
Kamer delen? Ook vragen zij welke maximale reisafstand de Minister nog redelijk acht
voor kinderen en hun ouders.
De leden van de PVV-fractie vragen de Minister te garanderen dat ook kinderen van
kermisexploitanten en circusartiesten, die terecht binnen de doelgroep van de regeling
blijven vallen, daadwerkelijk toegang houden tot een redelijk bereikbaar internaat
wanneer kleinere locaties zouden verdwijnen.
De leden van de PVV-fractie begrijpen dat doelmatig met publieke middelen moet worden
omgegaan, maar vinden dat financiële doelmatigheid niet automatisch zwaarder mag wegen
dan continuïteit, bereikbaarheid en het belang van het kind.
Zij vragen daarom waarom is gekozen voor een harde overgangstermijn van maximaal twee
aansluitende subsidiejaren voor locaties met drie tot zes kinderen. Ook vragen zij
waarom de Minister geen mogelijkheid krijgt om ook daarna gemotiveerd subsidie te
blijven verstrekken wanneer behoud van een locatie vanwege de geografische ligging,
regionale spreiding of bijzondere omstandigheden noodzakelijk is.
De leden van de PVV-fractie vragen welke ontwikkeling de Minister tot 2032 verwacht
in het totale aantal kinderen dat gebruikmaakt van de internaten. Zij vragen de Minister
of is onderzocht of de zes-kinderenregel bij een verder dalend aantal kinderen kan
leiden tot een domino-effect waarbij achtereenvolgens meerdere kleinere locaties verdwijnen
en uiteindelijk slechts enkele grotere internaten overblijven.
De leden van de PVV-fractie vragen de Minister daarom nadrukkelijk of zij bereid is
de regeling zodanig aan te passen dat bereikbaarheid, regionale spreiding, continuïteit
en het belang van het kind doorslaggevend kunnen zijn bij de beslissing om een kleine
locatie ook bij minder dan zes kinderen te blijven subsidiëren.
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
De leden van de CDA-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de Wijziging en
verlenging van de subsidieregeling opvang kinderen van ouders met een trekkend/varend
bestaan 2027–2032. Het betreft een belangrijke regeling, die internaten in staat stelt
schippers-, circus- en kermiskinderen huisvesting, verzorging en opvoeding te bieden.
Deze leden zijn blij dat gehoor is gegeven aan de wens om tot een stabieler financieringsmodel
te komen. Deze leden hebben nog een enkele vraag. Eerder hebben deze leden gevraagd
naar de mogelijkheid van meerjarige subsidietoekenning, ook gezien de behoefte aan
voorspelbaarheid. Klopt het dat dit geen onderdeel is van de wijziging van de subsidieregeling
en zo ja, waarom niet?
Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie
De leden van de BBB-fractie hebben de Wijziging en verlenging van de subsidieregeling
opvang kinderen van ouders met een trekkend/varend bestaan 2027–2032 met instemming
gelezen. Zij zijn verheugd dat de regeling blijft bestaan en waarderen de inzet van
de Minister om de regeling ook open te houden voor kinderen van kermis- en circusfamilies.
Deze leden hebben vooralsnog verder dus geen vragen of opmerkingen.
II. Reactie van de Minister
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
M. Mohandis, voorzitter van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport -
Mede ondertekenaar
M. Heller, adjunct-griffier
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.