Stenogram : Discriminatie, racisme en mensenrechten
3 Discriminatie, racisme en mensenrechten
Vergaderjaar 2025-2026
Vergaderingnummer 80
Te raadplegen sinds
2026-08-25Inhoudsopgave
Gerelateerde informatie
Toon alle stukken over dossier30950Toon alle items in vergaderingHandelingen TK 2025-2026, 80
Discriminatie, racisme en mensenrechten
Aan de orde is het tweeminutendebat Discriminatie, racisme en mensenrechten (CD d.d. 21/05).
De voorzitter:
Aan de orde is het tweeminutendebat Discriminatie, racisme en mensenrechten. Daarvoor heet ik de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van harte welkom, evenals de leden, de mensen op de publieke tribune en iedereen die dit debat op afstand volgt. Het is een tweeminutendebat met één termijn van de zijde van de Kamer. Daarvoor hebben zich elf leden ingeschreven.
Als eerste ga ik het woord geven aan het lid Bamenga. Hij voert het woord namens de fractie van D66. Gaat uw gang.
De heer Bamenga (D66):
Dank u wel, voorzitter. In Wijdenes is vorige week een restaurant in vlammen opgegaan. Op de muren stonden discriminerende teksten geschreven, die ik hier niet zal herhalen. Een walgelijke actie, waar de politie gelukkig bovenop zit, maar helaas ook een actie die in een patroon past van discriminerende incidenten. Juist nu is het belangrijk om als overheid het goede voorbeeld te geven. Ik hoop dat we snel een uitgebreid debat kunnen voeren over de stevige aanbevelingen van de staatscommissie.
Over één aanbeveling heb ik alvast een motie. Juist omdat de discriminatietoets voorlopig niet verplicht is, wil ik de minister extra aansporen om serieus werk te maken van dit instrument.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de regering heeft besloten het gebruik van de discriminatietoets vrijwillig te laten en een projectteam aanstelt om het gebruik hiervan te stimuleren;
overwegende dat de aangenomen motie-Van Nispen c.s. (30950, nr. 439) de regering reeds heeft verzocht ervoor te zorgen dat de toets door publieke dienstverleners zal worden gebruikt;
van mening dat de discriminatietoets een waardevol instrument is tegen institutionele discriminatie en daarom zo breed mogelijk dient te worden toegepast;
verzoekt de regering om bij het onder de aandacht brengen van de discriminatietoets bij overheidsorganisaties die deze nog niet gebruiken, met uitzondering van organisaties die een eigen, kwalitatief vergelijkbaar instrument hanteren, te streven naar toepassing door zo veel mogelijk tot alle organisaties,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Bamenga, Verkuijlen, Tseggai, Ceder en Van Baarle.
Zij krijgt nr. 548 (30950).
De heer Bamenga (D66):
Dan de volgende motie over Ketikoti.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de provincies Zeeland, Drenthe, Groningen, Noord-Holland, Zuid-Holland en Utrecht hebben besloten jaarlijks ter gelegenheid van Ketikoti de vlag te hijsen;
overwegende dat de herdenking van het slavernijverleden en de viering van Ketikoti voor veel Nederlanders een belangrijk moment is;
verzoekt de regering de mogelijkheden te onderzoeken voor een aanpassing van de vlaginstructie uit 2013 voor rijksgebouwen om daar de Herdenking Slavernijverleden / Ketikoti in op te nemen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Bamenga, Ceder en Van Baarle.
Zij krijgt nr. 549 (30950).
De heer Bamenga (D66):
Dank u wel.
De voorzitter:
Hartelijk dank voor uw inbreng. Dan gaan we nu luisteren naar de heer Van Baarle. Hij voert het woord namens de fractie van DENK. Gaat uw gang.
De heer Van Baarle (DENK):
Voorzitter.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
verzoekt de regering de Wet gedeeltelijk verbod gezichtsbedekkende kleding, ook wel bekend als het boerkaverbod, in te trekken,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van Baarle.
Zij krijgt nr. 550 (30950).
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat uit de meest recente discriminatiecijfers blijkt dat het aantal meldingen van discriminatie bij zowel de politie als de antidiscriminatievoorzieningen aanzienlijk is toegenomen;
overwegende dat de aanpak van discriminatie en racisme vraagt om structurele inzet, continuïteit en voldoende middelen;
verzoekt de regering zich ervoor in te zetten om het antidiscriminatiebeleid, waaronder het Nationaal Programma tegen Discriminatie en Racisme, de Nationaal Coördinator tegen Discriminatie en Racisme en de ondersteuning van antidiscriminatievoorzieningen, uit te zonderen van eventuele rijksbrede bezuinigingen, taakstellingen of ombuigingen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van Baarle.
Zij krijgt nr. 551 (30950).
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de Nationale Herdenking Slavernijverleden tijdens Ketikoti op 1 juli van groot belang is voor veel mensen in Suriname, de Caribische delen van het Koninkrijk en Europees Nederland;
overwegende dat 1 juli wel wordt erkend als nationale herdenkingsdag, maar nog geen nationale feestdag is;
verzoekt de regering om in overleg met sociale partners en nazaten van tot slaaf gemaakten tot een concreet voorstel te komen om van 1 juli, Ketikoti, een nationale feestdag te maken,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van Baarle.
Zij krijgt nr. 552 (30950).
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
verzoekt de regering om een gericht nationaal plan tegen moslimhaat op te stellen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van Baarle.
Zij krijgt nr. 553 (30950).
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de VNG waarschuwt dat het wetsvoorstel Bijstand bij discriminatie onvoldoende recht doet aan de rol van gemeenten;
verzoekt de regering de rol van gemeenten in de aanpak van discriminatie wettelijk te verankeren door lokaal antidiscriminatiebeleid verplicht te stellen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van Baarle.
Zij krijgt nr. 554 (30950).
De heer Van Baarle (DENK):
Tot slot, voorzitter.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de Staatscommissie tegen Discriminatie en Racisme adviseert om de Discriminatietoets Beleidsprocessen en de Discriminatietoets Publieke Dienstverlening in te voeren voor de gehele publieke sector;
verzoekt de regering om het periodiek doorlopen van de Discriminatietoets Beleidsprocessen en de Discriminatietoets Publieke Dienstverlening verplicht te stellen voor de publieke sector,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van Baarle.
Zij krijgt nr. 555 (30950).
De heer Van Baarle (DENK):
Dank u wel, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u. Ik weet niet of het een record is, zeven moties in twee minuten, maar het zal in de buurt komen. Dan geef ik het woord aan mevrouw Beckerman. Zij voert het woord namens de fractie van de Socialistische Partij.
Mevrouw Beckerman (SP):
Voorzitter. Dat was een knappe prestatie, maar ik heb niet helemaal goed kunnen luisteren. Ik hoop dat ik niet een motie heb die dubbel is, maar we gaan het zien, en anders lossen we dat op.
Voorzitter. Overheden gebruiken steeds vaker algoritmes en data om burgers en risicogroepen in te delen, bijvoorbeeld bij toeslagen, DUO-controles of politieonderzoeken. Dit kan verregaande consequentie hebben voor mensen die onterecht als risico of zelfs als fraudeur uit het systeem rollen. We hebben ook voorbeelden genoemd in het debat. Meer dan 50 algoritmes van de Belastingdienst bleken discriminerend en in strijd met de wet, bijvoorbeeld. Maar we hebben er meer gezien, ook bij DUO. De overheid presenteert profilering heel vaak als een soort technische keuze, maar de commissie zegt dat het eigenlijk een politieke en normatieve keuze is, die raakt aan grondrechten en democratie. Daarom zegt de Staatscommissie tegen Discriminatie en Racisme nu dat we moeten stoppen met lopende toepassingen van datagedreven profilering en de verdere inzet moeten beperken, zolang de overheid niet kan garanderen dat deze systemen eerlijk zijn en geen mensenrechten schenden. Daarom de volgende motie.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat datagedreven profilering schade kan veroorzaken, met name waar het gaat om de gelijkheid en gelijkwaardigheid van (groepen) burgers;
overwegende dat profilering weliswaar aan kaders en beperkingen is gebonden, maar dat deze in de praktijk vaak onvoldoende tegenwicht bieden;
verzoekt de regering uitvoering te geven aan de aanbevelingen van de Staatscommissie tegen Discriminatie en Racisme in het rapport Principes voor profilering,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Beckerman.
Zij krijgt nr. 556 (30950).
Mevrouw Beckerman (SP):
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan gaan we door naar het lid Ceder. Hij voert het woord namens de ChristenUnie. Gaat uw gang.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Dank u wel, voorzitter. We staan er dit jaar bij stil dat het 75 jaar geleden is sinds de eerste Molukse KNIL-militairen naar Nederland zijn gekomen. Dat is, denk ik, ook een goed moment — dat vindt een groot deel van de Kamer ook — om met elkaar te verkennen wat dat betekent, niet alleen in het verleden, maar ook vandaag de dag nog. We weten dat er een eerste generatie is van mensen die toentertijd zijn overgekomen, maar dat het er elk jaar steeds minder worden. Het is daarom goed om daar een stap in te zetten als overheid. De afgelopen weken heb ik, maar ook vele anderen, gesprekken gevoerd met de Molukse gemeenschappen om te kijken wat een eerste stap daarin zou kunnen zijn. Vandaar de volgende motie, waarvan ik ook hoop dat we kunnen bouwen aan die gedeelde toekomst met elkaar.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat het in 2026 75 jaar geleden is dat de eerste Molukse KNIL-militairen onder erbarmelijke omstandigheden in Nederland kwamen;
overwegende dat er van de eerste generatie Molukkers in Nederland steeds minder mensen in leven zijn, maar dat de Molukse gemeenschap met meer dan 75.000 burgers een belangrijk onderdeel is van de Nederlandse samenleving;
overwegende dat er herhaalde oproepen zijn geweest uit de maatschappij om recht te doen aan deze groep, zoals de breed ondertekende brief van burgemeesters uit 2021, de brief van oud-premier Van Agt aan de koning en brieven van de Molukse gemeenschap zelf;
overwegende dat er meerdere initiatieven in de Kamer lopen (zoals het aangekondigde rondetafelgesprek van de commissie voor VWS) om de situatie rond de Molukse gemeenschap bespreekbaar te maken;
overwegende dat historisch en cultuurwetenschappelijk onderzoek inzichtelijk kan maken wat zich sinds de koloniale betrokkenheid en het dekolonisatieproces heeft afgespeeld, welke doorwerking dit voor de Molukse gemeenschap tot op de dag van vandaag heeft en welke rol de Nederlandse Staat hierin heeft gespeeld;
verzoekt de regering:
-een onafhankelijk onderzoek te doen naar het verleden, de komst en het 75-jarig verblijf van de Molukkers in Nederland en de doorwerking van deze geschiedenis naar het heden, en de uitkomsten daarvan uiterlijk in het eerste kwartaal van 2027 te presenteren met als uiteindelijk doel te komen tot een proces van erkenning en een passend gebaar dat recht doet aan de gemeenschap en de gemeenschap versterkt;
-een consultatietraject in te gaan en in gesprek te gaan met de Molukse gemeenschap in al haar diversiteit, en hierbij lopende initiatieven van de Kamer te betrekken;
-een verkenning te initiëren voor een nationale agenda over hoe op gepaste wijze recht kan worden gedaan aan de Molukse gemeenschap, en de resultaten hiervan in het tweede kwartaal van 2027 aan de Kamer te presenteren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Ceder, Vliegenthart, Bamenga, Tijs van den Brink, Dassen, Markuszower, Van der Plas, Nanninga, Struijs, Van Baarle, Jimmy Dijk, Teunissen, Diederik van Dijk en Verkuijlen.
Zij krijgt nr. 557 (30950).
De heer Ceder (ChristenUnie):
Dank u wel, voorzitter.
De voorzitter:
De heer Verkuijlen heeft een interruptie, terwijl hij al heeft meegetekend, maar gaat uw gang.
De heer Verkuijlen (VVD):
Ik heb even behoefte aan enige verduidelijking van de heer Ceder. We hebben de motie gesteund omdat de manier waarop de KNIL-militairen na de Tweede Wereldoorlog in Nederland zijn opgevangen, echt diepe sporen in die gemeenschap heeft nagelaten. Er zit echter ook een donkere bladzijde in de Molukse geschiedenis hier in Nederland die diepe sporen heeft getrokken in de Nederlandse samenleving en waar ook getraumatiseerde slachtoffers van zijn. Ik ben benieuwd of de heer Ceder deze bladzijde ook wil meenemen in dat onafhankelijke onderzoek dat hij voorstelt.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Dat is een goede vraag. Wat mij betreft nemen we alle bladzijdes mee. Ik denk dat het belangrijk is om een zo neutraal mogelijk historisch verhaal neer te leggen. Voor sommigen zal dat betekenen dat je ook kijkt naar de situatie voordat de eerste KNIL-militairen aankwamen, om de situatie daarna te begrijpen. Maar u heeft gelijk; wat mij betreft bestaan er geen taboes. Dit is voor mij een eerste stap naar het met elkaar bespreekbaar maken hiervan. Ik hoop dat het in ieder geval leidt tot verkennende gesprekken met elkaar. Uiteindelijk hoop ik dat, daar waar we met elkaar vinden dat je ook recht moet doen aan het verleden, aan welke kant dan ook, we dat met elkaar ook doen. Wat mij betreft is dat er dus natuurlijk ook een onderdeel van.
Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Ik sta niet onder die motie, en dat is omdat ik mij zorgen maak over de uiteindelijke uitkomst hiervan, namelijk dat we moeten of willen overgaan tot individuele financiële compensatie. We weten vanuit allerlei andere compensatietrajecten hoe ongelofelijk ingewikkeld dat is, omdat de overheid zich altijd heeft te houden aan het gelijkheidsbeginsel en andere juridische voorwaarden, en je dan uiteindelijk terecht kunt komen in grote teleurstelling van mensen in de overheid. Is het de bedoeling van de heer Ceder om uiteindelijk uit te komen in een individueel financieel compensatietraject?
De heer Ceder (ChristenUnie):
Mevrouw Keijzer heeft gelijk dat we teleurstelling moeten voorkomen. Wat ik vraag — dat kunt u in de motie zien — is om een eerste stap te maken, wetende dat er wel degelijk losse eindjes zijn. Dat speelt op verschillende vlakken. Je hebt vandaag de dag nog steeds de Molukse wijken waar best nog wel wat uitdagingen zijn. Wat betreft het eerherstel voor de KNIL-militairen: dat zijn nog lopende zaken, daar zitten losse eindjes. Hoe we ook naar de situatie kijken, dat moeten we gewoon met elkaar constateren. Ik wil niet vooruitlopen op de situatie, omdat ik niet denk dat dat aan ons is en ik ook niet denk dat je dat als Kamer alleen moet doen; je moet het gesprek met elkaar aangaan. Ik heb het ook gekoppeld aan een historisch onderzoek, waardoor we ook echt wel zullen weten waar we het over hebben met elkaar. Dit is niet bedoeld om ergens op vooruit te lopen, maar wel om een beginstap te maken in het voeren van dat gesprek met elkaar. Ik denk dat dat heel waardevol is. Ik heb in mijn motie ook aangegeven dat het kabinet uiterlijk volgend jaar moet komen met wat ze hebben opgehaald. Het is uiteraard zo dat wij daar als Kamer bij betrokken zullen zijn, ook over wat dat dan betekent. Ik ben het echter met u eens dat wij geen georganiseerde teleurstelling met elkaar moeten creëren. Dat is geenszins mijn bedoeling. Ik hoop juist vanaf deze plek een beweging te maken die we de afgelopen decennia nog niet hebben kunnen maken. Ik proef dat daar nu wel momentum voor is en ik voel me hierin gesteund door een meerderheid van de Kamer. Ik hoop ook op steun van mevrouw Keijzer bij de stemmingen.
De voorzitter:
Nogmaals dank voor uw bijdrage. We gaan nu door naar de heer Schenk, die spreekt namens de fractie van Forum voor Democratie.
De heer Schenk (FVD):
Dank, voorzitter. Een week of twee, drie geleden spraken wij in het commissiedebat over dit onderwerp. Ik heb toen stilgestaan bij de meest gebagatelliseerde en minst erkende vorm van racisme in Nederland, namelijk antiblank racisme. Het ging over kleurenquota die gewild zijn door ambtenaren op ministeries, over de waardering voor de inzet van Kick Out Zwarte Piet en Black Lives Matter, over het vieren van Diversity Day en, nog ernstiger, het werving-en-selectiebeleid van de overheid, waarbij actief ingezet wordt op de vertegenwoordiging van minderheden. In feite komt het erop neer dat je, wanneer je een blanke Hollander bent, niet wordt aangenomen terwijl je wel perfecte startkwalificaties hebt.
Gisteren hebben we het eindrapport van de Staatscommissie tegen Discriminatie en Racisme gezien. Ik vind het bizar wat daarin staat. In feite wordt meer racisme richting blanke Nederlanders voorgesteld. Al het beleid dat ik net noemde, moet worden geïntensiveerd. Het gaat alle schaamte voorbij dat met Nederlands belastinggeld wordt gewerkt aan zulk links broddelwerk. Blanke Nederlanders betalen in dit land voor hun eigen vernedering. Dat maakt deze motie enorm nodig.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat binnen de Rijksoverheid beleid wordt gevoerd gericht op het vergroten van de vertegenwoordiging van specifieke groepen op basis van afkomst, huidskleur, geslacht of andere identiteitskenmerken;
overwegende dat functies binnen de overheid uitsluitend op basis van kwaliteit, geschiktheid en vakbekwaamheid behoren te worden vervuld;
overwegende dat de overheid het goede voorbeeld dient te geven door iedere sollicitant gelijk te behandelen;
verzoekt de regering bij werving en selectie binnen de Rijksoverheid afkomst, huidskleur, geslacht en andere identiteitskenmerken geen rol te laten spelen en uitsluitend te selecteren op kwaliteit, geschiktheid en vakbekwaamheid,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Schenk.
Zij krijgt nr. 558 (30950).
De heer Schenk (FVD):
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank voor uw inbreng. Een ogenblik. U heeft nog een interruptie van de heer Clemminck.
De heer Clemminck (JA21):
Ik denk dat ik met de heer Schenk deel dat wij ook tegen positieve discriminatie zijn. Degene die het beste gekwalificeerd is, moet bijvoorbeeld bij een sollicitatie de baan krijgen. Is de heer Schenk het met mij eens dat dat in theorie ook kan betekenen dat er misschien tien mensen van kleur in een bepaald team terechtkomen, omdat dat dat uiteindelijk de tien beste mensen waren?
De heer Schenk (FVD):
Vanzelfsprekend. Dat is volgens mij ook precies waar mijn motie toe oproept, namelijk om te selecteren op vakbekwaamheid en geschiktheid. Wij willen juist niet kijken naar welke kleur iemand heeft, maar iedereen gelijk behandelen. Dat is wat er nu juist niet gebeurt in het werving-en-selectiebeleid van de Rijksoverheid. Ik probeer dat hier dus recht te zetten.
De voorzitter:
Nogmaals dank voor uw inbreng. Meneer Clemminck, u bent aan de beurt. U gaat spreken namens de fractie van JA21. Gaat uw gang.
De heer Clemminck (JA21):
Voorzitter, dank u wel. Ik heb een aantal moties.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat Nederland al beschikt over wetgeving, meldpunten, toezichthouders en bewindspersonen om discriminatie tegen te gaan;
verzoekt de regering de functie en het bureau van de Nationaal Coördinator tegen Discriminatie en Racisme op te heffen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Clemminck.
Zij krijgt nr. 559 (30950).
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat uit verschillende onderzoeken, zoals de global antisemitism survey van de Anti-Defamation League en het Pew Global Attitudes Project van het Pew Research Center, blijkt dat antisemitisme in islamitische landen veel vaker voorkomt dan in onze eigen regio;
constaterende dat daderstudies en politiestatistieken uit binnen- en buitenland aantonen dat jongeren met een islamitische achtergrond oververtegenwoordigd zijn bij fysiek straatgeweld tegen lhbtiq+-personen;
overwegende dat het voor het bestrijden van Jodenhaat en intolerantie ten opzichte van lhbtiq+-personen van belang is om te weten wat precies de oorzaak is van deze problemen, zodat ze beter kunnen worden geadresseerd;
verzoekt de regering onderzoek te laten doen naar de opvattingen, houdingen en gedragingen van Nederlanders ten aanzien van Joden en lhbtiq+-personen, uitgesplitst naar religieuze en culturele achtergronden, zodat een vergelijking mogelijk is,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Clemminck.
Zij krijgt nr. 560 (30950).
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de Nationaal Coördinator tegen Discriminatie en Racisme een nationale aanpak moslimdiscriminatie heeft aangekondigd en daarvoor een programmaleider wil aanstellen;
overwegende dat discriminatie van moslims, waar die plaatsvindt, onaanvaardbaar is en binnen de bestaande rechtsstaat moet worden bestreden;
overwegende dat het optuigen van een afzonderlijke nationale aanpak voor één specifieke groep echter vraagt om een duidelijke probleemanalyse, een toets op proportionaliteit, een financiële onderbouwing en meetbare doelstellingen;
overwegende dat bestaande instrumenten, zoals antidiscriminatievoorzieningen, politie, Openbaar Ministerie, onderwijsinspectie en regulier antidiscriminatiebeleid, reeds mogelijkheden bieden om discriminatie te melden, te onderzoeken en aan te pakken;
verzoekt de regering de Kamer, voordat er verder uitvoering wordt gegeven aan de nationale aanpak moslimdiscriminatie, een onderbouwing te sturen waarin ten minste wordt ingegaan op:
1. de aard, omvang en ontwikkeling van moslimdiscriminatie in Nederland;
2. de mate waarin sprake is van een probleem dat niet via bestaande instrumenten kan worden aangepakt;
3. de verhouding tot bestaand antidiscriminatiebeleid;
4. de kosten, personele inzet en looptijd van de aanpak;
5. de concrete doelstellingen en meetbare indicatoren;
6. de wijze waarop de aanpak wordt geëvalueerd;
verzoekt de regering de verdere uitvoering van de nationale aanpak moslimdiscriminatie aan te houden, de Kamer over deze onderbouwing te informeren en hierover te debatteren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Clemminck en Keijzer.
Zij krijgt nr. 561 (30950).
De heer Clemminck (JA21):
Dank u wel, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel. Mevrouw Keijzer wil nog een interruptie plaatsen.
Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Ik heb als eenpitter maar 1 minuut en 20 seconden spreektijd. Mag ik onder deze motie? Ik vind 'm fantastisch.
De heer Clemminck (JA21):
Zeer welkom.
Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Die wil ik medeondertekenen. Dank u.
De voorzitter:
Dan zullen we uw naam toevoegen. Op mijn lijstje heeft u anderhalve minuut, mevrouw Keijzer. We gaan nu luisteren naar mevrouw Tseggai. Zij heeft het genoegen om als eerste formeel in de Tweede Kamer te spreken namens de fractie PRO. Dat staat voor Progressief Nederland. Gaat uw gang.
Mevrouw Tseggai (PRO):
Wat een eer, voorzitter. Nu moet ik er wel op oefenen dat ik na dertien jaar PvdA gezegd te hebben, waarvan de laatste tweeënhalf jaar GroenLinks-PvdA, namens de fractie van Progressief Nederland spreek.
Voorzitter. Ik heb een paar weken geleden, toen we het debat over discriminatie hadden, al mijn ongenoegen geuit over het feit dat er maar liefst vijf bewindspersonen betrokken zijn bij de aanpak van discriminatie en racisme en dat wij ook een tweede bewindspersoon hadden uitgenodigd voor het debat, namelijk de bewindspersoon die verantwoordelijk is voor arbeidsmarktdiscriminatie, maar dat die er niet bij was. Dit is een terugkerend probleem. De staatscommissie heeft eergisteren in haar rapport ook te kennen gegeven dat het goed zou zijn als er een centrale coördinatie en aanpak is van discriminatie en racisme. Daarom heb ik de volgende motie.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat volgens de Staatscommissie tegen Discriminatie en Racisme in Nederland sprake is van diepgewortelde en structurele discriminatie en racisme;
van mening dat de aanpak van discriminatie en racisme snel fundamentele verbetering behoeft en dat de door de staatscommissie voorgestelde actieagenda daarbij goede diensten kan bewijzen;
constaterende dat de verantwoordelijkheid voor de aanpak van discriminatie en racisme over vijf ministeries is verdeeld en dat daardoor de slagkracht versnippert;
verzoekt de regering om het advies van de staatscommissie te volgen en te voorzien in de borging van een duurzame aanpak van discriminatie door de centrale regie, coördinatie en actie te versterken, bijvoorbeeld door dit bij de minister-president, de minister van Algemene Zaken, te beleggen, en de Kamer hierover te informeren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Tseggai.
Zij krijgt nr. 562 (30950).
Mevrouw Tseggai (PRO):
Dank u wel.
De voorzitter:
Hartelijk dank. Dan gaan we luisteren naar de heer Van den Brink. Hij voert het woord namens de CDA-fractie. Gaat uw gang.
De heer Tijs van den Brink (CDA):
Dank u wel, voorzitter. Ik ben tevreden met de beantwoording van de minister in het commissiedebat. Ik heb daarom geen motie, maar wel een korte inbreng.
Als christendemocraten geloven wij dat alle mensen uniek, relationeel en gelijkwaardig zijn, en ook als gelijkwaardig moeten worden behandeld. De overheid dient in te grijpen als er gediscrimineerd wordt, maar het bestrijden van discriminatie is niet een taak van de overheid alleen. Minstens zo belangrijk is hoe wij als samenleving daarmee en met elkaar omgaan. Wij moeten elkaar aanspreken en bevragen.
Voorzitter. We moeten ook eerlijk zijn: niet alles wat discriminatie lijkt, is ook discriminatie. Kritiek op ideeën en religiekritiek is toegestaan in ons land. Dat moet zo blijven. Dat is niet altijd leuk, maar dat hoort bij een vrije en open samenleving. De rechtsstaat beschermt mensen tegen discriminatie, maar die beschermt ideeën en religies niet tegen kritiek. Ik roep het kabinet op om dat scherp in het oog te houden bij het ontwikkelen van beleid tegen discriminatie.
Tot slot. Collega Ceder heeft in zijn bijdrage gesproken over de Molukse gemeenschap. Die gemeenschap verdient een proces dat leidt tot erkenning en een passend gebaar dat recht doet aan de gemeenschap en de gemeenschap versterkt. Daarom heeft de CDA-fractie de motie van meneer Ceder medeondertekend.
Mevrouw Tseggai (PRO):
Ik had toch gehoopt — dat hoopte ik de vorige keer bij het commissiedebat al — op iets meer reflectie van het CDA op het probleem van discriminatie en racisme, bijvoorbeeld ook op hoe het is beschreven door de staatscommissie. Ik vraag me daarom af hoe het CDA reflecteert op dat rapport van de staatscommissie.
De heer Tijs van den Brink (CDA):
Volgens mij hebben we gisteren besloten dat daar een apart debat over komt. Dan gaan we het daar grondig over hebben.
Mevrouw Tseggai (PRO):
Dat snap ik, maar ik sla er even op aan omdat de heer Van den Brink stelt dat niet alles door de overheid opgelost hoeft te worden en dat dat ook door de samenleving kan gebeuren. Daar ben ik het mee eens. Wij bespreken hier hoe hard je mag rijden in Nederland, maar we moeten ons met z'n allen aan de maximumsnelheid houden. Maar dat betekent dan toch niet dat het CDA geen ideeën heeft over de verkeersveiligheid? Daarom had ik gehoopt dat het CDA zelf ook ideeën zou hebben bij de aanpak van discriminatie en racisme.
De heer Tijs van den Brink (CDA):
Daar hebben we het in het debat inderdaad over gehad. Toen heb ik verwezen naar het regeerakkoord, waarin we afspraken gemaakt hebben over de bestrijding van discriminatie, en toen heb ik aangegeven dat wij die afspraken van harte ondersteunen.
De voorzitter:
U heeft twee interrupties gehad, mevrouw Tseggai. Er komt een apart debat. Dank voor uw inbreng, meneer Van den Brink. We gaan door met de heer Verkuijlen. Hij voert het woord namens de VVD-fractie. Gaat uw gang.
De heer Verkuijlen (VVD):
Voorzitter, aangezien u net mevrouw Tseggai feliciteerde, moet ik u ook feliciteren, want u zit als eerste voor namens PRO hier in de plenaire zaal. Felicitaties daarmee.
De voorzitter:
De voorzitter is neutraal. Die hoort niet bij een fractie.
De heer Verkuijlen (VVD):
Ik weet het, maar toch. Gisteren heeft de staatscommissie — dat is hier al aan de orde geweest — geconstateerd dat discriminatie door de overheid actief aangepakt moet worden. Dat is ook de reden geweest waarom wij de motie van de heer Bamenga mede ingediend hebben. Maar ik vraag hier ook vandaag even aandacht voor een ander perspectief. Dat heb ik ook in het debat gedaan. Het Openbaar Ministerie constateert dat in 2025 645 discriminatiefeiten zich afspeelden tijdens werk of gezagsuitoefening. Daarvan waren er 568 gericht op personen met een publieke functie. Het gaat hierbij om ambtenaren. Zij zijn onderdeel van de overheid. Ik wil graag van de minister weten hoe hij daarop reflecteert en welke acties hij voornemens is daarop te nemen.
Dank u wel.
De voorzitter:
Hartelijk dank voor uw inbreng. Dan gaan we naar de heer Flach, die het woord voert namens de fractie van de Staatkundig Gereformeerde Partij, ook wel bekend als de SGP, een partij die inmiddels meer dan 108 jaar bestaat. Gaat uw gang.
De heer Flach (SGP):
We kijken terug op een debat dat stevig was en waarin we behoorlijk botsten met verschillende opvattingen. Daar zijn die debatten ook voor. Ik heb in dat debat aandacht gevraagd voor het doorslaan van het begrip "discriminatie" en het waarnemen van discriminatie achter iedere struik. Dat kan ook leiden tot inflatie van dat begrip. Ook heb ik aandacht gevraagd voor de verwarring tussen begrippen en heb ik opgeroepen om het woord "islamofobie" niet meer te gebruiken, omdat dat samenhangt met kritiek op een religie en dat zou gewoon moeten kunnen. Daarom dien ik de volgende motie in.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de Verenigde Naties in 2022 door middel van een resolutie een internationale dag voor de bestrijding van islamofobie hebben uitgeroepen;
overwegende dat deze resolutie onderkent dat er ook sprake is van discriminatie en geweld tegen Joden en christenen en dat de EU bezwaar heeft gemaakt tegen de exclusieve aandacht voor de islam;
voorts overwegende dat het woord "islamofobie" ten onrechte kritiek op de islam en discriminatie van moslims verwart en islamkritiek op voorhand in een kwaad daglicht stelt;
verzoekt de regering zich in het overheidsbeleid en in de praktijk van overheidsdiensten en -instanties bewust afzijdig te houden van vermelding en erkenning van de internationale dag voor de bestrijding van islamofobie en tevens het gebruik van het woord "islamofobie" te vermijden,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Flach.
Zij krijgt nr. 563 (30950).
Dank voor uw inbreng. Tot slot is in de termijn van de Kamer het woord aan mevrouw Keijzer, die spreekt namens mevrouw Keijzer. Gaat uw gang.
Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Dank, voorzitter. Stel, iemand wil een vereniging oprichten voor jonge homo's. Mag ik daar als 57-jarige heteroseksuele vrouw bij? Volgens het laatste rapport van de staatscommissie niet. Als ik me gekrenkt voel, is dat straks de maatstaf voor discriminatie. Niet de intentie, maar het gevoel wordt leidend. Daarmee draai je de rechtsstaat om. Het vermoeden van onschuld verdwijnt en de beschuldigde moet bewijzen dat het niet zo is. Te gek om los te lopen. En het rapport zelf: fouten. Het hof heeft in de casus die over mij ging, gezegd dat er geen sprake is van groepsbelediging; het rapport zegt van wel. Helaas, wederom een gekleurd rapport, en nog wel van een staatscommissie. Dat doet mij zeer.
Ik heb één motie.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat identiteitspolitiek mensen reduceert tot kenmerken als huidskleur, afkomst of seksuele voorkeur;
overwegende dat een mens altijd meer is dan één aspect van zijn identiteit en dat beleid juist uit moet gaan van de gelijkwaardigheid van iedere burger;
overwegende dat beleid zoals diversity, equity and inclusion (DEI) de nadruk legt op verschillen tussen mensen en daarmee polarisatie in de hand werkt;
verzoekt de regering te stoppen met beleid gericht op DEI en te kiezen voor beleid dat uitgaat van gedeelde normen, waarden en taal,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Keijzer.
Zij krijgt nr. 564 (30950).
Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Waar dat DEI-beleid toe kan leiden, hebben we recent gezien in het Verenigd Koninkrijk met de dood van Henry Nowak. Ik hoop dan ook op een "oordeel Kamer" van deze minister, want die weg moeten we niet op met elkaar.
Dank u.
De voorzitter:
Dank voor uw inbreng. Dit was de termijn van de zijde van de Kamer. We gaan tien minuten schorsen en dan krijgen we een appreciatie van de zeventien ingediende moties. We zijn even geschorst.
De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.
De voorzitter:
Ik heropen de vergadering. Aan de orde is de voortzetting van het tweeminutendebat Discriminatie, racisme en mensenrechten. We zijn toe aan de termijn van de zijde van de regering. Ik geef het woord aan de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.
Minister Heerma:
Dank u, voorzitter. Er zijn flink veel moties en ik heb nog een vraag van de VVD-fractie. Ik ga de moties in de volgorde waarop ze zijn ingediend, van een beoordeling voorzien.
Ik begin bij de eerste motie van D66, de motie-Bamenga c.s. op stuk nr. 548, over de discriminatietoets. Daarin wordt verzocht te streven naar een zo breed mogelijke toepassing. Ik kan deze motie oordeel Kamer geven, ook indachtig het commissiedebat dat we twee weken geleden met elkaar gehouden hebben.
Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Interessant. Hoe verhoudt zich dit tot de nieuwe definitie van "discriminatie" in het rapport van de staatscommissie? Daarin staat wat ik heb gezegd, namelijk dat het discriminatie is als je je gekrenkt voelt. Is dat dit? Ziet dat dan ook op de discriminatie van de blanke of witte man?
Minister Heerma:
Mevrouw Keijzer, we hebben hier in het debat uitgebreid met elkaar over gesproken. Dit betreft de discriminatietoets die we gaan uitvoeren, zoals ik al heb aangegeven. Dat doen we dus niet conform een eerder advies van de staatscommissie om die direct verplicht te stellen. Op het rapport dat deze week is verschenen komen we nog met een uitgebreide kabinetsreactie. Dat heb ik ook aangegeven. In de Kamer is ook besloten dat daar een apart debat over wordt gehouden. Deze discriminatietoets is geen reactie op het rapport van afgelopen maandag, maar iets wat al loopt. De link die mevrouw Keijzer hier legt, zie ik dus niet.
De voorzitter:
Afrondend, mevrouw Keijzer.
Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Nou, dan gaan we maar dat debat doen. Maar dan zal ik tegen deze motie stemmen, omdat ik geen idee heb welke definitie van discriminatie hier van toepassing is.
Minister Heerma:
Het staat elke fractie vrij om te stemmen, maar de discussie over de discriminatietoets loopt al langer en deze motie verwijst volgens mij ook naar vragen die in dat debat gesteld zijn. Ik kan haar dus oordeel Kamer geven.
De voorzitter:
Nu de motie op stuk nr. 549.
Minister Heerma:
Dan de motie op stuk nr. 549 van de heren Bamenga, Ceder en Van Baarle. Die verzoekt naar de vlaginstructie te kijken. Voor veel Nederlanders is de herdenking van het slavernijverleden en de viering van Ketikoti een belangrijk moment. Met de excuses uitgesproken in 2022 en in 2023 op 1 juli door de koning tijdens zijn speech is dit moment gemarkeerd. Het staat iedere rijksorganisatie vrij om de vlag te hijsen. Voor rijksgebouwen geldt een vlaginstructie uit 2013. Daar refereerde de heer Bamenga aan. Het kabinet zal onderzoeken of een herziening van de vlaginstructie wenselijk is en de Kamer hierover informeren. In dat kader kan ik deze motie oordeel Kamer geven.
De voorzitter:
In dit tempo gaan we wel een probleem krijgen. We hebben inderdaad nog een wetsbehandeling met daarin veel amendementen en ook andere agendapunten.
Minister Heerma:
En nog een commissiedebat ...
De voorzitter:
Ik vind het dus niet zo handig dat leden op ieder oordeel gaan interrumperen. Ik geef de heer Schenk nu nog wel de gelegenheid, maar ik roep u op terughoudend te zijn. De heer Schenk.
De heer Schenk (FVD):
Ik zal proberen het kort te houden. Ik vraag me af wat dit in de praktijk betekent voor de uitvoering. Welke vlag wordt er dan bijvoorbeeld gehesen als hieraan uitvoering gegeven wordt?
Minister Heerma:
Daar kan ik vrij makkelijk over zijn. Wat ik heb aangegeven, is dat de vlaginstructie wordt herzien. En de vlag die wij doorgaans hijsen, is de Nederlandse vlag. Maar de vlaginstructie wordt nu dus herzien. Daar zullen we de Kamer over informeren en daarom laat ik deze motie aan het oordeel van de Kamer.
De voorzitter:
U vervolgt uw betoog.
Minister Heerma:
Dan de moties, volgens mij zes, van de heer Van Baarle. Dit was toch een Guinness-Book-of-Recordspoging in twee minuten! Altijd respect voor de snelheid waarmee dat kan. Dat betekent niet dat ik alle moties oordeel Kamer kan geven; eerder het omgekeerde.
De eerste motie van de heer Van Baarle, die op stuk nr. 550, heeft betrekking op het intrekken van de wet op gezichtsbedekkende kleding. Deze motie moet ik ontraden. Het regeerakkoord gaat uit van een versterkte handhaving op dit punt.
Dan de motie rondom het antidiscriminatiebeleid en dit uitzonderen van eventuele bezuinigingen, de motie op stuk nr. 551. Daar heeft de heer Van Baarle mij volgens mij in het commissiedebat ook naar gevraagd. U zult begrijpen dat ik in dit debat geen beleidsterreinen kan gaan uitzonderen van een rijksbrede taakstelling. Als ik dat wel zou gaan doen, en andere bewindslieden ook, zouden we bij elk beleidsterrein dit soort moties krijgen. Dus ik moet deze motie ontraden.
De heer Van Baarle (DENK):
Ik had natuurlijk het liefst een motie ingediend waarin ik had gezegd: "uitzonderen". Maar ik heb de minister in het commissiedebat gehoord en in de motie staat daarom "om zich ervoor in te zetten". Er is een aantal van die beleidsterreinen, bijvoorbeeld het bestrijden van kinderarmoede, waarvan we met elkaar zeggen: ook al hebben we een uitdaging als Rijksoverheid, je wilt gewoon voorkomen dat daar een taakstelling bij neerslaat. De minister kan toch wel zeggen dat hij met die inspanning aan de slag gaat?
Minister Heerma:
Ook in verwijzing naar het debat: ik snap dat de heer Van Baarle een bepaalde formulering heeft, maar ik moet deze motie ontraden, ook indachtig wat ik in het debat gezegd heb.
De voorzitter:
De minister vervolgt zijn betoog.
Minister Heerma:
Ik sloeg mijn blaadje net om, voorzitter.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 552.
Minister Heerma:
De heer Van Baarle dient ook een motie in over Ketikoti, met het verzoek om in overleg met sociale partners een concreet voorstel te doen om daarvan een nationale feestdag te maken. Deze motie moet ik het oordeel "ontijdig" geven. Tijdens het commissiedebat Slavernijverleden op 11 juni 2025 heeft mijn ambtsvoorganger toegezegd dit vraagstuk te onderzoeken. Het Herdenkingscomité Slavernijverleden is met deze opdracht aan de slag gegaan. Richting het einde van het jaar, in Q4 van 2026, levert het herdenkingscomité haar advies op. Ik zal de Kamer daarover begin 2027 informeren, maar ik moet deze motie op stuk nr. 552 nu als ontijdig beoordelen.
De volgende motie van de heer Van Baarle verzoekt de regering om een gericht nationaal programma tegen …
De voorzitter:
Ik moet u even onderbreken, want eigenlijk moet ik dan vragen aan de indiener of hij bereid is de motie aan te houden. Nee. Dan gaan we door. Dan blijft het oordeel "ontijdig". Gaat u door met de motie op stuk nr. 553.
Minister Heerma:
De heer Van Baarle heeft een motie waarin hij verzoekt om een gericht nationaal plan tegen moslimdiscriminatie. Ook deze moet ik het oordeel "ontijdig" geven. In december vorig jaar is de kabinetsreactie op het Nationaal onderzoek moslimdiscriminatie verzonden. Hierin worden maatregelen aangekondigd die moslimdiscriminatie bestrijden. Dit kabinet blijft deze maatregelen ook uitvoeren. Ook heeft de NCDR begin dit jaar aangekondigd met een plan te komen voor een aanpak van moslimdiscriminatie in samenwerking met gemeenschappen. Ik verwacht dat dit advies ons bouwstenen zal bieden die de aanpak van moslimdiscriminatie ten goede komen.
De voorzitter:
De heer Van Baarle wil deze motie ook niet aanhouden, geloof ik. Nee. Dan gaan we naar de motie op stuk nr. 554.
Minister Heerma:
Die motie van de heer Van Baarle verzoekt om de aanpak van discriminatie wettelijk te verankeren en lokaal antidiscriminatiebeleid verplicht te stellen. Deze motie moet ik ontraden. Ik begrijp de wens van de heer Van Baarle, maar ik heb tijdens het commissiedebat ook aangegeven dat er op dit moment geen financiële middelen zijn om een nieuwe taak effectief uit te kunnen voeren. Daarnaast wil ik nogmaals benadrukken dat gemeentes in het licht van artikel 1 van de Grondwet een eigen verantwoordelijkheid hebben in het voorkomen en aanpakken van discriminatie en racisme in de gemeentes en dat veel gemeentes dit ook al doen. Ik moet deze motie dus ontraden.
De heer Van Baarle (DENK):
De minister geeft aan dat hij het verzoek begrijpt, maar dat er geen middelen voor zijn. Betekent dat dat de minister zegt dat hij het ermee eens is, maar dat hij het niet doet, omdat er geen financiën zijn?
Minister Heerma:
Nee, dat is niet wat ik zeg. Wat ik aangeef, is het eerlijke antwoord. Er zijn hier op dit moment geen middelen voor. In het licht van artikel 1 van de Grondwet hebben gemeentes al een verantwoordelijkheid en heel veel gemeentes vullen die ook al in. Deze motie komt ook op naar aanleiding van de herziening van de antidiscriminatievoorzieningen. In algemene zin geldt ook dat we met gemeentes een discussie hebben over de balans tussen ambities, taken, middelen en uitvoeringskracht. Ook in dat kader moet ik deze motie ontraden.
De voorzitter:
De minister vervolgt zijn betoog.
Minister Heerma:
De motie op stuk nr. 555 is ook van de heer Van Baarle. Die verzoekt om de discriminatietoets verplicht te stellen. Ik heb de motie van de heer Bamenga oordeel Kamer gegeven. Ik moet deze motie ontraden. Ik heb in het commissiedebat drie redenen gegeven waarom ik de toets nu niet verplicht wil stellen en, verwijzend naar dat debat en de redenen die ik gegeven heb, moet ik deze motie ontraden.
Dan de motie van mevrouw Beckerman op stuk nr. 556. Die verzoekt, onder verwijzing naar de Staatscommissie tegen Discriminatie en Racisme, uitvoering te geven aan de principes van het rapport Principes voor profilering. Deze motie moet ik het oordeel "ontijdig" geven. Het kabinet neemt de waarschuwingen over de risico's van risicoprofilering die de staatscommissie in het rapport schetst uiterst serieus. We ondernemen al acties om deze risico's tegen te gaan en werken continu aan het verbeteren van transparantie en de verantwoording van de werkwijze. Het kabinet hecht groot belang aan het rapport van de staatscommissie en zal in een kabinetsreactie op het eindrapport uitgebreid ingaan op de aanbevelingen, maar het is nu te vroeg om te zeggen dat we die allemaal gaan overnemen. Er komt een kabinetsreactie. Er is ook al steun in uw Kamer om er een apart debat over te hebben, dus deze motie moet ik nu als "ontijdig" bestempelen.
De voorzitter:
Wil mevrouw Beckerman de motie ook aanhouden?
Mevrouw Beckerman (SP):
Volgens mij praten we over twee verschillende dingen. De minister heeft het volgens mij — corrigeer me als ik het verkeerd heb — over het rapport dat maandag is uitgekomen. Wij hebben het hier specifiek over een aanbeveling die we ook al genoemd hebben in het commissiedebat en die van een eerder moment is. Ik snap het oordeel "ontijdig" als je het hebt over het rapport van maandag. Deze motie refereert aan een oudere aanbeveling, die ook uitgebreid bevraagd en besproken is in het commissiedebat. Daarom begrijp ik het "ontijdig" even niet. Dit gaat echt over datagedreven risicoprofilering.
Minister Heerma:
Op een aantal rapporten die de staatscommissie heeft gemaakt, is nog geen kabinetsreactie gegeven, waaronder dit rapport. Daarom hebben we aangegeven dat we bij de reactie op het eindrapport de brede kabinetsreactie meenemen. Dat geldt hier ook voor, dus ik zal toch mijn oordeel "ontijdig" moeten handhaven.
De voorzitter:
Wil mevrouw Beckerman 'm aanhouden?
Mevrouw Beckerman (SP):
Ik laat 'm heel even staan en denk er even over na.
De voorzitter:
Dan is het oordeel: ontijdig. Dan gaan we naar de motie op stuk nr. 557.
Minister Heerma:
De motie op stuk nr. 557 is de lange motie van de heer Ceder. Ik kan niet anders zeggen dan dat die ook zeer breed ondertekend is in de Kamer. Het was het hoofdonderwerp van de inbreng van de heer Ceder tijdens het commissiedebat. Ik wil deze motie oordeel Kamer geven. Het kabinet vindt het van belang om op een waardige manier stil te staan bij 75 jaar Molukkers in Nederland. Dit is een geschiedenis die erkenning verdient. Hiervoor dient een zorgvuldig proces te worden ingericht om te bezien hoe, in aanvulling op wat er al gebeurt, tegemoetgekomen kan worden aan de Molukse gemeenschap. Ik laat deze motie dus oordeel Kamer, indien ik de motie zo mag interpreteren dat de nationale agenda volgt uit de uitkomsten van het onafhankelijk onderzoek en het consultatietraject, en dat hierbij de primaire focus ligt op de periode rond de Tweede Wereldoorlog tot nu, mede gelet op de uitkomsten van een onderzoek, die binnen een jaar dienen te worden gepresenteerd.
Dan de motie op stuk nr. 558 van de heer Schenk van Forum voor Democratie. Ik ga zeggen dat het oordeel op deze motie "overbodig" is. Binnen het Rijk wordt geen voorkeursbeleid bij aanname toegepast. Het beleid binnen het Rijk is toegespitst op gelijke kansen en het tegengaan van arbeidsmarktdiscriminatie. De aanpak bij werving en selectie is gericht op objectieve werving en selectie op basis van functie-eisen die relevant zijn voor die specifieke functie. Deze motie is dus "overbodig".
Dan de eerste motie van de heer Clemminck, op stuk nr. 559, met betrekking tot het opheffen van het bureau van de Nationaal Coördinator tegen Discriminatie en Racisme. Deze motie moet ik ontraden. Uit de evaluatie van de NCDR, die uw Kamer in het najaar van 2024 heeft gekregen, volgt dat de NCDR een waardevolle aanvulling is op het stelsel voor de aanpak van discriminatie. Ik zie geen reden om dat instituut op te heffen. Het regeerakkoord zegt ook dat we de Nationaal Coördinator wettelijk gaan verankeren. Ik geef deze motie dus het oordeel "ontraden".
Dan de motie op stuk nr. 560 van de heer Clemminck, over onderzoek laten doen naar religieuze en culturele achtergronden ten aanzien van haat richting Joden en lhbtiq+-personen. We hebben het hier in het commissiedebat ook over gehad. Ik wil deze motie ontraden. Discriminatie moet aangepakt worden, ongeacht de culturele achtergrond van mensen die zich hier schuldig aan maken. Ik ben dus geen voorstander van een apart onderzoek hiernaar. Dat was ook mijn antwoord in het commissiedebat. Ik geef deze motie dus het oordeel "ontraden". Dat zal de heer Clemminck niet verrassen.
Dan de lange motie van de heer Clemminck, en inmiddels ook van het lid Keijzer, op stuk nr. 561, over het aanhouden van de aanpak. Ook deze motie moet ik ontraden. Het bestaan van moslimdiscriminatie is voldoende aangetoond in allerlei onderzoeken. In de kabinetsreactie op het Nationaal onderzoek moslimdiscriminatie is al vermeld dat er waar nodig zowel generieke als specifieke inzet wordt gedaan. De NCDR heeft op grond van signalen en onderzoeken aangegeven aan de slag te gaan. Daarnaast is er grond om specifiek met een plan te komen. Het plan wordt aangeboden aan het kabinet. Daarna zal het kabinet gaan kiezen wat we gaan doen. Ik geef deze motie dus het oordeel "ontraden".
Dan de motie op stuk nr. 562 van het lid Tseggai van de fractie van PRO. Ik geloof dat ik nu de eerste ben die de fractie officieel zo mag noemen; ik heb het stiekem al een paar keer smokkelend gedaan, gisteren tijdens het vorige tweeminutendebat. Deze motie verzoekt om — het is een onderwerp waar mevrouw Tseggai zich volgens mij al meerdere malen over geuit heeft — in lijn met de staatscommissie de coördinatie neer te leggen bij, in dit geval, de minister-president. Dat is niet wat de staatscommissie zegt. De coördinerende rol ligt bij het ministerie van BZK. Ik zal me onverminderd blijven inzetten op deze rol. Bij de invulling van deze rol neem ik de adviezen van de staatscommissie ter harte. Daar komt dus ook nog een uitgebreide kabinetsreactie op. Daarnaast geldt dat elk departement ook verantwoordelijk is voor de eigen portefeuille, zoals ook staat in artikel 44 van de Grondwet. Het verandert niets als je de coördinerende rol bij de minister-president neerlegt. Ik wil deze motie dus ontraden.
Dan de motie …
De voorzitter:
Een ogenblik.
Mevrouw Tseggai (PRO):
Het gaat mij er vooral om dat het bij één departement komt te liggen. Ik weet niet of de minister nu vooral valt over het feit dat ik in de motie het ministerie van Algemene Zaken als voorbeeld heb genoemd. Ik zou het fijn vinden om hier een uitgebreidere appreciatie op te krijgen, misschien ook van het ministerie van Algemene Zaken.
Minister Heerma:
Ik had de motie ook het oordeel "ontijdig" kunnen geven. Die gaat net als sommige andere moties in op de adviezen van de staatscommissie, waar een uitgebreide kabinetsreactie op en een apart debat over zal komen. Ik kan me voorstellen dat mevrouw Tseggai wil dat we er in dat debat uitgebreid op terugkomen. Maar indachtig het commissiedebat, waarin ik ook al duidelijk heb aangegeven dat hier enerzijds coördinatie is en dat er anderzijds simpelweg sprake is van de werking van onze Grondwet en de ministeriële verantwoordelijkheid, wil ik toch handhaven dat ik de motie ontraad. Tegelijkertijd heb ik er alle begrip voor dat mevrouw Tseggai dit debat opnieuw en uitgebreider wil voeren na de kabinetsreactie op het rapport van de staatscommissie. Dan zullen we ook uitgebreid ingaan op dit punt, wat volgens mij haar aanvullende vraag was.
De voorzitter:
Afrondend, mevrouw Tseggai.
Mevrouw Tseggai (PRO):
De minister houdt de appreciatie nu op "ontraden". Dan houd ik 'm even aan.
De voorzitter:
Op verzoek van mevrouw Tseggai stel ik voor haar motie (30950, nr. 562) aan te houden.
Daartoe wordt besloten.
De voorzitter:
Dan gaan we naar de motie op stuk nr. 563 van de heer Flach.
Minister Heerma:
Ja. De motie van de heer Flach gaat deels over een gesprek dat wij in het commissiedebat hadden. Ik wil deze motie ontraden. De motie kent twee elementen. Ik heb over het tweede element al aangegeven dat, los van het feit dat ik niet kan garanderen dat de term nooit gebruikt wordt, het kabinet in beginsel de term "moslimdiscriminatie" hanteert en niet de term "islamofobie". Tegelijkertijd is het zo dat de VN deze dag heeft uitgeroepen. Dat is een feitelijkheid die we niet kunnen ontwijken of stilzwijgen. Ik ben ook niet bij machte om hier te zeggen dat overheidsinstanties of departementen daar nooit naar zouden mogen verwijzen. Dat zou ik dus ook niet verstandig vinden. Er kan aan gerefereerd worden, net zoals dat ook kan gebeuren met andere dagen die de VN heeft uitgeroepen.
De heer Flach (SGP):
Het gaat hier niet om overgevoeligheid van mijzelf of van mijn partij. Ik heb bewust genoemd dat ook de EU bezwaar gemaakt heeft, omdat dit raakt aan de vrijheid van meningsuiting. Satirische programma's draaien helaas voor een groot gedeelte op allerlei spottende opmerkingen over het christendom. Dat mag al decennialang. Dat doet mij pijn, maar het is wel toegestaan. Datzelfde geldt voor de islam. Door die dag zo in te stellen, verbijzonder je die godsdienst ten opzichte van andere, terwijl we het hebben over een heel ander begrip. Het ontraden door de minister heeft dus ook een bepaalde betekenis. Daarmee zegt de regering namelijk: wat ons betreft mag die ene unieke term voor die ene specifieke godsdienst ook bestaan en daar distantiëren wij ons niet van. Ik zie dat toch als een inperking van de vrijheid van meningsuiting.
Minister Heerma:
Ik zie dat toch echt niet zo. Wij hebben dit debat ook in commissieverband gevoerd. Ik heb daarin ook uitgelegd welke positie Nederland daarin heeft en welke positie de EU daarin heeft, maar ik heb ook uitgelegd dat wanneer de VN dan toch een dag uitroept, we daar niet opnieuw specifiek bezwaar tegen gaan maken. Het is een feit dat het is gebeurd. Het verzoek is om ons afzijdig te houden van vermelding van die internationale dag. Dat is wat de motie vraagt. De dag is er feitelijk en dat kan vermeld worden. Wat betreft het tweede heb ik ook uitgelegd dat wij uitgaan van de term "moslimdiscriminatie" en dat de term "islamofobie" vanuit het kabinet dus niet gebruikt wordt.
De voorzitter:
Afrondend.
De heer Flach (SGP):
Ja, afrondend. Met alle respect voor wat de minister zegt, vind ik dit toch een wat slappe reactie. Het is namelijk vrij dubieus tot stand gekomen. Doordat het kabinet hier dan eigenlijk een beetje mak in volgt, gaan we ook mee in die verbijzondering van één godsdienst ten opzichte van andere godsdiensten. Dat je de ene groep, die een bepaalde godsdienst aanhangt, vrijwaart van kritiek op die religie, terwijl dat bij andere godsdiensten niet zo is, is in z'n aard al discriminatie. Ik kan nu volgens mij niks veranderen aan het oordeel van de minister, maar ik verzoek hem toch wel om zich hier nader op te bezinnen, want volgens mij past dit pad dat we ingaan echt niet bij hoe wij omgaan met de vrijheid van meningsuiting.
Minister Heerma:
Het staat de heer Flach vrij om deze oordelen te hebben. Dit is onderwerp geweest van het debat dat wij in commissieverband al hadden. Door het uitroepen van een "dag van" door de VN verandert niet een heel juridisch kader. Deze dag wijzigt niet de interpretatie van de Grondwet of van het EVRM. Ik kan dus niet delen wat de heer Flach hierover zegt. Ik ontraad de motie.
De voorzitter:
Kort, mevrouw Keijzer.
Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Ik heb toch een vraag. Een fobie is een psychische aandoening met een irrationele overmatige angst. Vindt de minister dat islamofobie als fenomeen bestaat in Nederland? Is dat een probleem? Ik ben wel benieuwd wat de minister daarvan vindt.
Minister Heerma:
Mevrouw Keijzer verwijst nu naar een debat dat ik al met de heer Flach heb gevoerd in het commissiedebat. Ik heb uitgelegd dat wij de term "islamofobie" in beginsel niet gebruiken, omdat die over angst gaat. Wij gaan uit van de term "moslimdiscriminatie". Als wij als overheid communiceren, spreken wij over moslimdiscriminatie.
De voorzitter:
Afrondend, mevrouw Keijzer.
Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Dan concludeer ik maar dat de minister op mijn vraag of dat iets is wat bestaat en of dat een probleem in Nederland is, zegt dat dat niet zo is omdat men spreekt van moslimdiscriminatie. Klopt dat?
Minister Heerma:
Over de term "islamofobie" is al discussie geweest sinds die vijftien à twintig jaar geleden opkwam. Die discussie kan ook afleiden van het feit dat het fenomeen "moslimdiscriminatie" echt bestaat en echt een probleem is. Ik geef dus aan dat wij als kabinet uitgaan van de term "moslimdiscriminatie" en de term "moslimfobie" niet gebruiken, omdat die tot verwarring leidt in het debat.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Ik denk dat het belangrijk is om moslimdiscriminatie aan te pakken. Ik herken wel iets van het ongemak. Als je het reduceert of juist vergroot tot het niveau "fobie" kom je in een ongemakkelijk werkveld. Ik ben ook woordvoerder Buitenlandse Zaken. Als je kritiek hebt op landen waar shariawetgeving geldt, ontstaat de vraag waar het discriminatie is, waar het fobie is en waar het gewoon een terechte uitwisseling is van argumenten bij een verschil van mening. Mijn vraag is of het klopt dat de minister vindt dat de termen "moslimdiscriminatie" en "islamofobie" niet hetzelfde betekenen en er wel degelijk een verschil is.
Minister Heerma:
Ik heb in het commissiedebat bij herhaling uitgelegd dat dit de reden is waarom wij de term "moslimdiscriminatie" hanteren en niet "islamofobie". Die leidt tot verwarring over wat het betekent. De heer Flach koppelt het in zijn motie aan de dag die de VN heeft uitgeroepen. Daar hebben wij als EU en als Nederland een andere positie in gehad, maar in de motie wordt ook gevraagd om er niet naar te verwijzen en dat moet ik echt ontraden.
De voorzitter:
Afrondend, de heer Ceder.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Dat van de dag snap ik. Ik snap dat de minister zegt dat dat buiten zijn macht is vastgesteld. Ik begrijp de argumentatie. Ik heb wel behoefte — dat kan ook per brief — aan een kabinetsstandpunt over de vraag of islamofobie gelijkstaat aan moslimdiscriminatie en of er een verschil zit in interpretatie en reikwijdte. Daar wordt in de samenleving en in partijen verschillend over gedacht. Zou het kabinet daar een brief over kunnen sturen? Ik vraag dit omdat er in de samenleving en in het parlement heel verschillende interpretaties over bestaan. Dan krijg je heel ingewikkelde discussies met elkaar. Ik heb daar dus wel behoefte aan.
Minister Heerma:
Ik heb eigenlijk geen behoefte om een brief toe te zeggen over een term die we niet gebruiken. Ik was hier tijdens het commissiedebat heel helder over: wij gebruiken deze term niet; wij gebruiken de term "moslimdiscriminatie". Ik heb er geen behoefte aan om een aparte brief te sturen om uit te leggen dat we een term niet gebruiken en waarom we hem niet gebruiken.
De voorzitter:
Heeft u echt een andere vraag, meneer Clemminck? Ik merk dat er een zekere herhaling is. Er is een duidelijk oordeel gegeven over de motie. De heer Clemminck.
De heer Clemminck (JA21):
Ik ben toch wat in verwarring en teleurgesteld in het antwoord en de appreciatie van de motie door de minister. De minister zegt dat het kabinet de term niet gebruikt, zonder eigenlijk aan te geven waarom dan precies niet. Hij wil daar ook geen brief over sturen. Hij vindt het blijkbaar wel acceptabel dat overheidsdiensten de term zouden kunnen gebruiken in hun communicatie naar burgers. Wat voor beeld geeft dat aan burgers van Nederland wanneer zij overheidscommunicatie krijgen waarin die term wel wordt gebruikt, terwijl hij zegt dat het kabinet de term niet wil gebruiken?
Minister Heerma:
Wat ik aangeef, is dat wij in onze communicatie deze term niet gebruiken. Dat doen we niet, omdat de term juist tot verwarring en dat debat leidt. Daarom heb ik in het commissiedebat gezegd dat wij uitgaan van de term "moslimdiscriminatie". Dat was in het commissiedebat een duidelijk antwoord. Dat is het nu nog steeds. Ik wil nu ook geen brief sturen waarin we een soort omgekeerde taalgids maken. Er worden nu dingen gezegd, maar het is het beste om het via de microfoon te doen. De motie vraagt meerdere dingen. De motie vraagt om iets dat ik al heb aangegeven in het debat: wij gebruiken die term niet. Er wordt ook iets gezegd over die dag van de VN en dat daar niet naar verwezen mag worden. Die dag is er feitelijk. Daar kan naar verwezen worden. Ik ontraad deze motie.
De heer Van Baarle (DENK):
De definitie die aan het woord "islamofobie" wordt gegeven door het College voor de Rechten van de Mens is: een manier van denken die de angst voor de islam of moslims uitdrukt en voedt en moslims als groep problematiseert en als een bedreiging ziet op basis van hun religie. Volgens mij willen we in geen enkel geval, of het nou gaat om de lhbti-gemeenschap, de dag tegen homofobie of een dag tegen islamofobie, of, you name it, christenfobie of andere vormen van angsten, een religie of een groep in de samenleving met angst bejegenen en als dreiging zien. Dat willen we in geen enkel geval, ook niet als het gaat om de islam en moslims. Ik hoop dat de minister dát kan onderschrijven. Het gaat mij ook niet zozeer om een definitiekwestie. Volgens mij is het feit dat er sprake is van een fobie in de richting van een religie of een groep in de samenleving op zichzelf al problematisch, om wie het ook gaat. Dat zullen we moeten bestrijden.
Minister Heerma:
Discriminatie is strafbaar en moet worden bestreden. De vraag van de heer Van Baarle raakt precies aan de reden waarom deze term ook tot verwarring leidt. Je mag ergens angst voor hebben. Als we angst en discriminatie te veel met elkaar vermengen, krijgen we ook deels het debat dat we hier nu voeren. Wij gebruiken de term moslimdiscriminatie en dat willen wij bestrijden. Dat wil de heer Van Baarle ook, want daar heeft hij veel moties over ingediend. Ik ontraad deze motie vanwege de overwegingen die samenhangen met het eerste deel ervan.
De voorzitter:
Tot slot de motie op stuk nr. 564 van mevrouw Keijzer.
Minister Heerma:
Niet helemaal tot slot, voorzitter.
De voorzitter:
U heeft ook nog een vraag; dat klopt.
Minister Heerma:
De heer Verkuijlen heeft geen motie ingediend, maar heeft natuurlijk wel recht op een antwoord. Dit is niet de eerste keer dat een motie wordt ingediend om te stoppen met beleid gericht op diversiteit en inclusie, het zogenoemde DEI-beleid. Volgens mij heeft mevrouw Keijzer deze motie, toen zij nog tot de BBB-fractie behoorde, eerder ook ingediend. Ik moet deze motie ontraden. Het beleid binnen het Rijk dat is toegespitst op het creëren en waarborgen van gelijke kansen en het voorkomen van racisme en discriminatie is in lijn met artikel 1 van de Grondwet. De overheid moet in verbinding staan met de samenleving en deze zo goed mogelijk vertegenwoordigen en bedienen. Hiervoor is een representatief medewerkersbestand, dat aansluit bij de samenleving in haar verscheidenheid, noodzakelijk. De Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid heeft dit ook aanbevolen in het rapport Deskundige overheid uit 2025. Ook de staatscommissie beveelt dit aan in haar eindrapport, waarop wij nog met een aparte kabinetsreactie zullen komen. Dit betekent dat de overheid een goede mix van perspectieven, achtergronden, oriëntaties en kennis in huis moet hebben. Op dit moment is dat nog niet het geval. Medewerkers en potentiële medewerkers geven dat ook aan. Het is en blijft daarom nodig om effectief diversiteits- en inclusiebeleid te voeren.
Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Korte vraag, voorzitter. Het DEI-beleid ziet op niveaus van slachtofferschap en onderdrukking, waarbij de blanke man altijd de dader is. Daar moet je van af willen, want dat leidt bijvoorbeeld tot situaties zoals we die nu in het Verenigd Koninkrijk zien. Iets doen aan discriminatie? Helemaal mee eens. Maar dit is iets anders. Deelt de minister dat?
Minister Heerma:
Ik deel niet alles wat mevrouw Keijzer hier zegt. Dat is ook de reden waarom ik de motie ontraad. Ik denk wel degelijk dat het van belang is om het beleid voort te zetten dat, onder meer door de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid, wordt aanbevolen en dat gericht is op diversiteit. Daarom moet ik deze motie ontraden.
De voorzitter:
Dan nog de beantwoording van de vraag van de heer Verkuijlen.
Minister Heerma:
De heer Verkuijlen stelt een vraag die raakt aan verschillende beleidsterreinen en aan best veel inzet. Ik deel de zorg over de stijging van het aantal discriminatiefeiten tegen personen met een publieke taak. Dat geldt overigens ook voor intimidatie, bedreiging en geweld. Dat is een onderwerp waar wij veel vaker over spreken. Het is echt onacceptabel. Als het toch gebeurt, of als sprake is van een andere vorm van intimidatie of verbale agressie, is het essentieel dat medewerkers goed worden opgevangen, dat de nazorg goed is ingericht en dat de dader een passende en duidelijke reactie krijgt op het gedrag. Voor ambtenaren is dit belegd in het programma Veilige Publieke Dienstverlening. Dat werkt volgens een drietrapsraket: preventie, handelen bij incidenten en nazorg. In de zogenoemde Eenduidige Landelijke Afspraken staat dat aangiften van strafbare feiten die betrekking hebben op agressie en geweld tegen medewerkers met een publieke taak altijd worden opgenomen en met prioriteit worden opgepakt. Op dit moment worden deze Eenduidige Landelijke Afspraken herzien, zodat zij beter aansluiten bij de praktijk. Daarbij zal hier ook naar worden gekeken. Voor politieke ambtsdragers geldt het programma Weerbaar Bestuur. Het Ondersteuningsteam Weerbaar Bestuur verzorgt bewustwordings- en trainingssessies, evenals bijbehorende hulpmiddelen en stappenplannen voor gemeenteraden en colleges. Daarnaast biedt het ondersteuningsteam advies en ondersteuning na incidenten. Daarbij wordt gebruikgemaakt van ervaringsdeskundigen en experts. Wat ik de heer Verkuijlen wil toezeggen, is dat wij in de kabinetsreactie op het rapport van de staatscommissie, hoewel de staatscommissie hierover geen specifiek advies over geeft, ook aandacht zullen besteden aan dit onderdeel en zijn vraag zullen meenemen.
De voorzitter:
Hartelijk dank aan de minister. Dit is het einde van het tweeminutendebat.
De beraadslaging wordt gesloten.
De voorzitter:
We gaan dinsdag 16 juni aanstaande stemmen over de ingediende moties. Ik schors voor een enkel ogenblik, om even de gelegenheid te geven aan de sprekers in het volgende debat, met dezelfde minister, over de Kieswet.
De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.