Memorie van toelichting : Memorie van toelichting
Tweede Kamer der Staten-Generaal
InhoudsopgaveGeraamde uitgaven en ontvangstenA. Artikelsgewijze toelichting bij het begrotingswetsvoorstelB. Artikelsgewijze toelichting bij de begrotingsartikelen1. Leeswijzer2. Beleidsagenda2.1 Beleidsprioriteiten2.2 Belangrijkste beleidsmatige mutaties2.3 Planning Strategische Evaluatie Agenda2.4 Overzicht risicoregelingen3. Beleidsartikelen3.1 Artikel 1 Duurzame economische ontwikkeling, handel en investeringenA. Algemene doelstellingB. Rol en verantwoordelijkheidC. BeleidswijzigingenD. Budgettaire gevolgen van beleidE. Toelichting op de financiële instrumenten3.2 Artikel 2 Duurzame ontwikkeling, voedselzekerheid, water en klimaatA. Algemene doelstellingB. Rol en verantwoordelijkheidC. BeleidswijzigingenD. Budgettaire gevolgen van beleidE. Toelichting op de financiële instrumenten3.3 Artikel 3 Sociale vooruitgangA. Algemene doelstellingB. Rol en verantwoordelijkheidC. BeleidswijzigingenD. Budgettaire gevolgen van beleidE. Toelichting op de financiële instrumenten3.4 Artikel 4 Vrede veiligheid en duurzame ontwikkelingA. Algemene doelstellingB. Rol en verantwoordelijkheidC. BeleidswijzigingenD. Budgettaire gevolgen van beleidE. Toelichting op de financiële instrumenten3.5 Artikel 5 Multilaterale samenwerking en overige inzetA. Algemene doelstellingB. Rol en verantwoordelijkheidC. BeleidswijzigingenD. Budgettaire gevolgen van beleidE. Toelichting op de financiële instrumenten6. BijlagenBijlage 1: ZBO's en RWT'sBijlage 2: SubsidieoverzichtBijlage 3: Evaluatie- en overig onderzoekBijlage 4: Meerjarige juridische verplichtingenBijlage 5: Factsheets revolverende fondsen
37 020 XVII Vaststelling van de begrotingsstaat van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking voor het jaar 2027
Nr. 2 MEMORIE VAN TOELICHTING
Vergaderjaar 2026–2027
GERAAMDE UITGAVEN EN ONTVANGSTEN
Figuur 1 Geraamde uitgaven verdeeld over beleidsartikelen en niet-beleidsartikelen (bedragen x € 1 mln.). Totaal € 3.925
Figuur 2 Geraamde ontvangsten verdeeld over beleidsartikelen en niet-beleidsartikelen (bedragen x € 1 mln.). Totaal € 45
A. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING BIJ HET BEGROTINGSWETSVOORSTEL
Wetsartikel 1
De begrotingsstaten die onderdeel zijn van de Rijksbegroting, worden op grond van artikel 2.3, eerste lid, van de Comptabiliteitswet 2016 elk afzonderlijk bij de wet vastgesteld.
Het wetsvoorstel strekt ertoe om de onderhavige begrotingsstaat/begrotingsstaten voor het aangegeven jaar vast te stellen.
Alle voor dit jaar vastgestelde begrotingswetten tezamen vormen de Rijksbegroting voor dat jaar. Een toelichting bij de Rijksbegroting als geheel is opgenomen in de Miljoenennota.
Met de vaststelling van dit wetsartikel worden de uitgaven, verplichtingen en de ontvangsten vastgesteld. De in de begrotingsstaat opgenomen begrotingsartikelen worden in onderdeel B van deze memorie van toelichting toegelicht (de zogenoemde begrotingstoelichting).
De Minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking S.W. Sjoerdsma
B. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING BIJ DE BEGROTINGSARTIKELEN
1. Leeswijzer
Deze leeswijzer gaat in op de opbouw van de beleidsagenda, de beleidsartikelen en de overige onderdelen van de begroting. In tegenstelling tot de meeste begrotingen, wordt de begroting voor BHOS grotendeels in lopende prijzen getoond in verband met de koppeling aan het bni.
Algemeen
Buitenlandse betrekkingen zijn een zaak van het Koninkrijk der Nederlanden: Nederland in Europa, Aruba, Curaçao en Sint Maarten, alsmede de Nederlandse openbare lichamen in het Caribisch gebied (Bonaire, Sint Eustatius en Saba). Waar deze begroting spreekt over «Nederland» of «Nederlands» wordt daarmee bedoeld: «(van) het Koninkrijk der Nederlanden», tenzij het gaat om zaken die specifiek het land Nederland betreffen, zoals het EU-lidmaatschap en ontwikkelingssamenwerking. Voor de uitvoering van het programma maken de Minister van Buitenlandse Zaken en de Staatssecretaris Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking gebruik van het apparaat van het Ministerie van Buitenlandse Zaken.
BeleidsagendaIn de beleidsagenda zijn de hoofddoelen van het beleid voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking voor het jaar 2027 opgenomen en waar mogelijk wordt ook ingegaan op risico’s. Op deze manier geeft het kabinet aan welke resultaten het beoogt te bereiken en welke beleidsdoelen worden geprioriteerd. Inzicht in en aandacht voor doelen, resultaten en risico’s is van belang om weloverwogen beleidskeuzes te kunnen maken. De belangrijkste budgettaire mutaties die samenhangen met de keuzes van het kabinet zijn opgenomen in een tabel. Hiermee wordt invulling gegeven aan de moties Van der Lee c.s. (Kamerstuk 36740, nr. 7), Hoogeveen (Kamerstuk 36945, nr. 17) en Van der Lee c.s. (Kamerstuk 36740, nr. 8) over doelen, resultaten, prioriteiten en risico’s in begrotingsstukken. De hoofddoelen en risico’s zijn nader uitgewerkt in de beleidsartikelen, met daarbij ook nadere toelichting op de voornemens op dat specifieke beleidsterrein.
De beleidsagenda wordt gevolgd door een overzicht van de meerjarenplanning beleidsdoorlichtingen en sluit af met een overzicht van de risicoregelingen en de toelichting hierop. De openbaarheidsparagraaf is niet in deze begroting opgenomen, omdat de begroting voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking een programmabegroting betreft. De openbaarheidsparagraaf die is opgenomen in de begroting van Buitenlandse Zaken is onverkort van toepassing.
Beleidsartikelen
In de beleidsartikelen staan de volgende onderdelen per begrotingsartikel verder uitgewerkt:
A. Algemene doelstelling
Elk beleidsartikel begint met de algemene doelstelling (titel van het beleidsartikel) met een korte toelichting.
B. Rol en verantwoordelijkheid
De rol en de verantwoordelijkheid van de Minister wordt beschreven aan de hand van de volgende categorieën: stimuleren, financieren, regisseren en uitvoeren. Op de beleidsterreinen voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking heeft de Minister een stimulerende, faciliterende of regisserende rol en slechts in sommige gevallen een uitvoerende rol.
C. Beleidswijzigingen
Dit is een overzicht van belangrijke wijzigingen als gevolg van nieuw kabinetsbeleid, evaluatie of voortschrijdend inzicht. Daar waar sprake is van beleidswijzigingen die in beleidsnotities zijn verschenen, is verwezen naar de betreffende notitie met het kamerstuk.
D1. Tabel Budgettaire gevolgen van beleid
In het kader van «verantwoord begroten» presenteren departementen de financiële inzet op instrumentniveau. Het aantal activiteiten en het aantal financiële instrumenten van de begroting voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking is aanzienlijk. In sommige gevallen zijn de instrumenten nog niet bekend, omdat de programma’s na het verschijnen van de begroting starten en dan duidelijk wordt hoe financiering plaatsvindt. Voor deze onderdelen is het verwachte instrument gekozen. Daarnaast geldt voor de gehele BHOS-begroting dat er niet gestuurd wordt op instrumenten maar op te bereiken resultaten. Dit kan betekenen dat de gebruikte instrumenten (subsidies, bijdragen etc.) voor hetzelfde instrumentonderdeel van jaar tot jaar kunnen verschillen. Dit is bij een aantal artikelen zichtbaar. Tevens betekent dit dat voor hetzelfde instrumentonderdeel meerdere instrumenten mogelijk zijn.
Per beleidsartikel is een tabel budgettaire gevolgen van beleid opgenomen. Na deze tabellen wordt een toelichting op de mutaties gegeven. Hierbij worden per artikel de mutaties die groter of gelijk zijn aan de ondergrenzen in onderstaande staffel conform de Rijksbegrotingsvoorschriften toegelicht. De wijzigingen van de verplichtingen worden alleen toegelicht wanneer ze groter zijn dan 10% ten opzichte van de stand in de 1e suppletoire begroting op artikelniveau.
Tabel: Ondergrenzen conform Rijksbegrotingsvoorschriften
Omvang begrotingsartikel (stand ontwerpbegroting) in € miljoen
Beleidsmatige mutaties (ondergrens in € miljoen)
Technische mutaties (ondergrens in € miljoen)
< 50
1
2
=> 50 en < 200
2
4
=> 200 < 1000
5
10
=> 1000
10
20
D2. Budgetflexibiliteit
Conform de rijksbrede begrotingsvoorschriften is per begrotingsartikel aangegeven welk percentage van de programmauitgaven juridisch is vastgelegd, welk percentage bestuurlijk is gebonden, het percentage dat beleidsmatig is gereserveerd almede het percentage dat nog niet is ingevuld/vrij te besteden. De peildatum hiervoor is 1 januari 2027. Daarnaast wordt het onderdeel juridisch verplicht op het niveau van Financieel Instrument toegelicht. Conform de toezegging aan kamerlid Ram in zijn rol als rapporteur tijdens de behandeling van de begroting BHOS 2024 d.d. 31 januari 2024 (TZ202402-026) bevat bijlage 4 een meerjarig overzicht van de juridisch verplichte budgetten, inclusief een toelichting.
E. Toelichting op de instrumenten
Per artikelonderdeel wordt inzicht gegeven in de financiële instrumenten, zoals die zijn opgenomen in de tabel onder D1.
Overige onderdelen van de begroting
Na de vijf beleidsartikelen volgen vijf bijlagen: (1) rechtspersonen met een wettelijke taak en zelfstandige bestuursorganen; (2) het subsidieoverzicht; (3) evaluatie en overig onderzoek; (4) meerjarige juridische verplichtingen; en (5) factsheets revolverende fondsen.
Open data/transparancy
Nederland heeft zich met 106 andere (landen)partners aangesloten bij het Open Government Partnership en met 1500 andere organisaties aangesloten bij het International Aid Transparency Initiative (IATI). Het toegankelijk maken en beschikbaar stellen van informatie hoort daarbij. Via de data tools op de IATI website wordt inzicht gegeven in de budgetten en activiteiten voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking.
Stopzetten online portaal ontwikkelingssamenwerking
Het online Portaal voor Ontwikkelingssamenwerking, ook wel het OS-portaal, is per 15 augustus 2026 stopgezet. Dit besluit is genomen om kosten te besparen, zeker gezien het beperkte gebruik van de site. Het ministerie van Buitenlandse Zaken kan op een efficiëntere manier aan verplichtingen rond openbaarheid en transparantie voldoen, zonder de inzet van middelen die een zelfstandige website vergt.
– Informatie over de Nederlandse ontwikkelingssamenwerkingsactiviteiten — gefilterd naar land, regio, partner en sector — is beschikbaar via D-Portal, het International Aid Transparancy Initiative (IATI) portaal waarop ook andere donoren, ontwikkelingsbanken en NGO's hun data ontsluiten.
– Algemene beleidsinformatie over ontwikkelingssamenwerking is te vinden op Rijksoverheid.nl: Ontwikkelingssamenwerking.
– Aan de wettelijke publicatieplicht voor evaluatieonderzoek wordt voldaan via publicatie door de Directie Internationaal Onderzoek en Beleidsevaluatie (IOB) op iob-evaluatie.nl. Voor evaluaties op activiteitenniveau geldt dat uitvoerende partnerorganisaties deze publiceren via IATI.
– Het volledige begrotingsoverzicht van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking (BHOS) is te vinden via www.rijksfinancien.nl, waar alle begrotingsstukken worden gepubliceerd.
De relatie met de HGIS-nota
Samen met de departementale begrotingen wordt ook de HGIS-nota aan de Staten-Generaal gepresenteerd. Deze omvat naast de HGIS-uitgaven en ontvangsten van Buitenlandse Zaken en Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking ook buitenlanduitgaven en ontvangsten van de andere ministeries. Deze bundeling bevordert de samenhang en samenwerking die voor een geïntegreerd en coherent buitenlandbeleid van belang zijn. De nota over de HGIS bevat een overzicht van de belangrijkste programma’s en uitgaven voor het buitenlandbeleid, waaronder een overzicht van de begrotingsontwikkelingen binnen de HGIS en bijlagen die alle buitenlanduitgaven overzichtelijk presenteren, zoals een totaaloverzicht van de buitenlanduitgaven die als officiële ontwikkelingssamenwerking (ODA) kwalificeren. In de HGIS-nota wordt daarnaast op hoofdlijnen inzicht gegeven in de internationale klimaatfinanciering 2027 en de internationale inspanningen op migratie in 2027.
Motie Schouw
In juni 2011 is de motie Schouw ingediend en aangenomen. Deze motie zorgt ervoor dat de landenspecifieke aanbevelingen van de Raad op grond van de nationale hervormingsprogramma's een eigenstandige plaats krijgen in de departementale begrotingen. In de beleidsagenda wordt ingegaan op de uitwerking van de aanbeveling.
Groeiparagraaf
In zowel de begroting als het jaarverslag wordt in de leeswijzer onder het kopje «Groeiparagraaf» kort aangegeven wat de belangrijkste verbeteringen in de begroting zijn ten opzichte van het vorige jaar. In dit onderdeel wordt dus niet vooruit gekeken naar nog te realiseren verbeteringen. Er zijn dit jaar geen ontwikkelingen hierop.
2. Beleidsagenda
2.1 Beleidsprioriteiten
Een integrale, waarde gedreven en realistische inzet van Nederland in de wereld
De internationale verhoudingen zijn in flux, waardoor de wereld ingrijpend verandert voor landen, economieën en burgers. Dit onderstreept het belang van een breed, geïntegreerd buitenlandbeleid om onze veiligheid, welvaart en vrije manier van leven te beschermen. In de beleidsbrief Buitenlandse Zaken 2026 heeft het kabinet de hoofdlijnen van het Nederlandse buitenlandbeleid uiteengezet: een realistische koers, sterk verankerd in onze waarden, met een samenhangende inzet van doelen en instrumenten: diplomatie, handel, ontwikkelingssamenwerking en defensie.
Deze Memorie van Toelichting volgt deze aan de hand van dezelfde uitgangspunten en geeft een eerste toelichting van wat dit betekent voor de inzet van de BHOS-begroting.
Sterker in Europees verband
De EU staat voor onze veiligheid en welvaart en voor het beschermen en versterken van bepalende waarden als democratie en rechtsstaat. Door nauwer samen op te trekken met EU-partners en door middel van gezamenlijke financiële inzet, vergroten we de invloed van de EU in multilaterale fora. In EU-verband werken we aan een sterkere koppeling tussen ontwikkelingssamenwerking, handel, en investeringen. Ook verbinden we Nederlandse kennis en kunde aan Global Gateway-projecten met een nadruk op hefboomwerking. We richten ons op het creëren van een mondiaal gelijk speelveld. Nederlandse bedrijven hebben belang bij open markten, duidelijke regels en eerlijke concurrentie. Via de EU zet Nederland in op afspraken in multilateraal, plurilateraal en bilateraal verband en treden we op tegen marktverstoringen. Verder sturen we op scherpe Nederlandse inzet van ODA-middelen aanvullend aan of binnen EU-programmering, om versnippering te voorkomen en geopolitieke impact te vergroten. Nederland kiest bewust voor een «Team Europe» aanpak waar dat effectiever is.
Beschermen van de internationale orde
Dit kabinet zet zich samen met gelijkgezinde landen nadrukkelijk in voor de bescherming van de internationale orde. De VN blijft het belangrijkste mondiale platform waar landen elkaar treffen, posities worden uitgesproken en normerende afspraken worden gemaakt, waaronder over gendergelijkheid en klimaatverandering. Nederland maakt dan ook deel uit van een internationale alliantie ter bescherming van het VN-Ontwikkelingssysteem. De VN-hervormingsagenda heeft een grote impuls gekregen met de lancering van het UN80-initiatief. Nederland zet onder meer in op een betere uitvoering op landenniveau, behoud van het normatieve mandaat bij structuuraanpassingen, en maakt strategische keuzes om de belangen van het Koninkrijk en de EU in het multilaterale te verdedigen. Nederland blijft zich inzetten voor de Agenda2030 en de Duurzame Ontwikkelingsdoelen. Daarnaast streven we naar het behalen van de afspraken uit het VN Funding Compact.
De Wereldhandelsorganisatie (WTO) is voor Nederland de kern van het op open en op regels gebaseerde multilaterale handelssysteem. De Internationale Financiële Instellingen vormen een belangrijke stabiliserende factor in de internationale orde, ook tegen de achtergrond van groeiende uitdagingen voor ontwikkelingsfinanciering.
Brede samenwerking
Het kabinet zet in op langdurige relaties met partners, gebaseerd op gelijkwaardigheid en wederzijds voordeel. Deze partnerschappen zijn verschillend van aard. Met sterke partnerschappen, met oog voor mens en milieu, wordt Europa weerbaarder, kan het meer tegenwicht bieden aan economische invloed van andere grote blokken en draagt het bij aan groei en welvaart in het mondiale Zuiden.
Het kabinet onderkent de kracht en meerwaarde van het maatschappelijk middenveld en herstelt de relatie met maatschappelijke organisaties. De versterking van het Nederlandse, internationale en lokale maatschappelijk middenveld is een belangrijke pijler van het Nederlandse buitenlandbeleid. Het kabinet heeft daarbij nadrukkelijk aandacht voor lokaal eigenaarschap, gelijkwaardigheid en duurzame versterking van lokale capaciteit.
We zorgen dat de economische diplomatie en het handelsinstrumentarium zo goed mogelijk aansluiten op de behoeften van het bedrijfsleven, in de belangrijkste gevestigde én opkomende markten. We geven extra aandacht aan sectoren die bijdragen aan een duurzaam en weerbaar Nederlands verdienvermogen.
Ontwikkelingssamenwerking
Het kabinet investeert weer in ontwikkelingssamenwerking. Ons hoofddoel is om bij te dragen aan sociaaleconomische ontwikkeling van landen in het Mondiale Zuiden en hulp aan mensen in nood, overeenkomstig de ODA-definitie. We zetten weer in op samenwerking, voorbij hulp. Gelijkwaardigheid en wederzijds voordeel zijn hierbij ons uitgangspunt. Zo dragen we ook bij aan de drie doelstellingen van de beleidsbrief Buitenlandse Zaken: veiligheid, vrijheden en welvaart. Het kabinet verbindt de financiële en programmatische inzet aan deze doelstellingen. Bijvoorbeeld door te investeren in gezondheid en omkomen voor democratische waarden, maar ook door vrouwenrechten, gendergelijkheid en klimaat weer nadrukkelijker een plek te geven in het beleid.
De veranderende wereldorde heeft een weerslag op de samenwerking tussen Nederland en landen in het mondiale Zuiden. Allen zijn we erop gebrand afhankelijkheden af te bouwen en relaties te diversifiëren. Wereldwijd staan de beschikbare ODA-middelen onder druk. Het mondiale Zuiden is daarenboven sterk gemotiveerd soevereiniteit te vergroten en de hulpafhankelijkheid af te bouwen. Samenwerking voor wederzijds voordeel vraagt enerzijds om flexibiliteit en anderzijds om voorspelbare lange termijnrelaties. In deze context is het relevant om te verkennen hoe het ontwikkelingssamenwerking stelsel zich in de nabije toekomst kan ontwikkelen. Zo maakt Nederland deel uit van de Future of Development Cooperation Coalition, een breed internationaal initiatief gericht op de toekomst van ontwikkelingssamenwerking. Ook heeft het kabinet de Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV) gevraagd om dit najaar met een advies hierover te komen.
Beleidscoherentie
Om een geloofwaardige samenwerkingspartner te zijn voor landen in het Mondiale Zuiden en middelen doelmatig uit te geven, moet Nederland bewust zijn van de negatieve effecten die nationale beleidskeuzes in deze landen kunnen hebben. Het is een Rijksbrede verantwoordelijkheid om te zorgen dat beleid coherent is en dat negatieve effecten worden gemitigeerd. Daarom blijft het kabinet inzetten op beleidscoherentie voor ontwikkeling
Verantwoordelijkheid nemen voor veiligheid
Veiligheid van het Koninkrijk is sterk verbonden met veiligheid in de rest van de wereld. In 2025 leefde een kwart van de wereldbevolking in fragiliteit. Het Kabinet blijft zich inzetten voor het versterken van de veiligheid van mensen wereldwijd, inclusief van de allerarmsten. Veiligheid begint bij bescherming van mensen in nood. De kloof tussen teruglopende financiering en hoge noden dwingt hulporganisaties tot ingrijpende keuzes en scherpe prioritering. Meerjarige en flexibele voorfinanciering is belangrijk om hulp slimmer te organiseren en middelen zo effectief mogelijk in te zetten. Hier blijft het kabinet op inzetten en verhoogt tegelijkertijd het humanitaire hulpbudget.
Nederland zet in op conflictpreventie door bemiddeling in bijvoorbeeld de Hoorn van Afrika. Ook blijft het kabinet, met oog voor de lokale context, investeren in een functionerende rechtsorde en (civiele) veiligheidssector, in de Hoorn, West- en Noord-Afrika en het Midden-Oosten. Een democratische rechtsorde zorgt voor wetten en regels die mensen en bedrijven beschermen en die het mogelijk maken onrecht aan te kaarten. Het is daarmee een belangrijk instrument om conflicten te voorkomen of op een vreedzame manier te beslechten. Hierbij staan de behoeften van burgers en bedrijven centraal.
In landen in conflict blijft Nederland zich inzetten voor de handhaving van het internationaal oorlogsrecht en bescherming van hulpverleners en werkt Nederland, complementair aan militaire missies, met civiele inzet ter bescherming van burgers. In alle fragiele situaties wordt noodhulp zoveel mogelijk gekoppeld aan de eerste stappen naar ontwikkeling en (weder)opbouw, onder meer door inzet op overgangsrecht, humanitaire ontmijning en vredesopbouw. Hierdoor draagt Nederland ook in fragiele contexten bij aan de randvoorwaarden voor meer welvaart en vrijheid.
Conflict en instabiliteit leidt ook tot ontheemding. Vorig jaar waren ruim 117 miljoen mensen ontheemd, waarvan ruim 36 miljoen buiten het eigen land. Nederland investeert in het bieden van duurzame bescherming en sociaaleconomisch perspectief aan vluchtelingen in de regio van herkomst. Programmering is gericht op het versterken van zelfredzaamheid en veerkracht, zodat de afhankelijkheid van externe hulp in elke fase van ontheemding wordt verkleind. Waar mogelijk werken we met gastlanden aan inclusie van ontheemden in nationale systemen, om zo toegang tot onderwijs, zorg, banen en financiële dienstverlening mogelijk te maken. Zo worden ook kwetsbare gastgemeenschappen betrokken, wat bijdraagt aan draagvlak in opvanglanden. De noodzaak tot onveilige terugkeer of doorreis naar derde landen, waaronder Europa, wordt zo verkleind.
Daarnaast streeft het kabinet naar een effectief, humaan en toekomstbestendig asiel- en migratiesysteem met als doel het beperken van irreguliere migratie, het bevorderen van bescherming van migranten en vluchtelingen en verbeteren van terugkeersamenwerking. We doen dit in samenwerking met de EU en partnerlanden. Het succes van de implementatie van Asiel en Migratiepact is mede afhankelijk van samenwerking met deze landen. Nederland investeert daarom verder via een whole-of-government-benadering in brede, gelijkwaardige bilaterale migratiepartnerschappen gericht op het wederzijds belang met landen van opvang, herkomst en doorreis. Daarnaast werken we in EU-verband aan innovatieve oplossingen voor migratiemanagement gestoeld op mensenrechten.
Geïntegreerde buitenlandbeleid: Oekraïne
Nederland steunt Oekraïne moreel, militair, financieel, humanitair en sociaaleconomisch onverminderd en meerjarig. Deze inzet is tweeledig: het blijven steunen van Oekraïne en het opvoeren van de druk op Rusland. Hierbij zijn politieke, militaire en niet-militaire steun onlosmakelijk met elkaar verbonden: een geïntegreerde inzet leidt tot onderlinge versterking. Nederland draagt bij daar waar de noden het hoogst zijn, op basis van de internationale Rapid Damage and Needs Assessment (RDNA). Inzet verloopt via bilaterale programma’s, de EU en multilaterale ontwikkelingsbanken. Prioriteiten voor Nederland op het gebied van herstel en wederopbouw zijn herstel van energie-infrastructuur, drinkwatervoorzieningen, woningen en ziekenhuizen, verlichting van de humanitaire en sociale noden, gezondheidszorg, humanitaire ontmijning en ondersteuning van de private sector. Daarbij positioneren we ook het Nederlandse bedrijfsleven om met kennis en kunde bij te dragen. Via de BZ-begroting draagt Nederland bij aan veiligheidssteun en democratie en rechtsstaat. Daarnaast speelt Nederland een centrale rol bij het streven naar gerechtigheid voor Oekraïne. Nederland ondersteunt Oekraïne op het onomkeerbare pad richting toekomstig EU- en NAVO-lidmaatschap.
Vrijheden als basis voor veiligheid en welvaart
Voor het eerst in meer dan twee decennia zijn er wereldwijd meer autocratieën dan democratieën1. Deze wereldwijde democratische terugval is zichtbaar in landen en multilaterale fora, bijvoorbeeld als beperking van pers- en artistieke vrijheid, teruggang in vrouwenrechten, gendergelijkheid, en seksuele en reproductieve rechten en gezondheid (SRGR), aantasting van de onafhankelijke rechtsmacht en verspreiding van desinformatie. Dit raakt de Nederlandse kernwaarden én heeft negatieve gevolgen voor de internationale stabiliteit en veiligheid
Nederland zet zich in voor het opkomen van democratische waarden met gelijkgestemde landen en in samenwerking met maatschappelijke organisaties en burgerinitiatieven. Dit doen we bijvoorbeeld door specifieke programmering gericht op versterking van democratie en het maatschappelijk middenveld en tijdens ons voorzitterschap van de Raad van Europa in 2027. Ook onderzoeken we met welke (nieuwe) bondgenoten we de samenwerking op dit terrein kunnen vergroten.
Het kabinet staat pal voor vrouwenrechten, gendergelijkheid en SRGR. We nemen onze verantwoordelijkheid en zetten ons actief in om in internationale afspraken te beschermen en bevorderen. Nederland bouwt aan coalities in Europees en multilateraal verband en zet zich in voor een ambitieus Europees gender actie plan. Naast deze diplomatieke inzet, steunt Nederland internationale en maatschappelijke organisaties die zich inzetten voor de bescherming van deze rechten en het bevorderen van dienstverlening.
Op vrouwenrechten en gendergelijkheid is daarbij extra aandacht voor lokaal eigenaarschap; versterking van de economische positie van vrouwen; tegengaan van gender gerelateerd geweld; de rol van vrouwen in vrede, veiligheid en wederopbouw; en het bestrijden van (online) desinformatie over vrouwenrechten en gendergelijkheid. Gendermainstreaming wordt toegepast op het gehele buitenlandbeleid. We beogen dat 85% van alle ODA-uitgaven bijdraagt aan gendergelijkheid.
De Nederlandse mondiale gezondheidsstrategie 2023-2030 blijft het kader voor de Nederlandse inzet op mondiale gezondheid en SRGR. De inzet richt zich op goede zorg voor vrouwen en meisjes, of het nu gaat om toegang tot veilige bevallingen, anticonceptie, veilige abortus, goede moeder- en kindzorg of het tegengaan van hiv/aids. Hierdoor worden levens gered en kunnen vrouwen en meisjes zelf keuzes maken over hun leven en toekomst. Toegang tot basisgezondheidszorg, inclusief SRGR, draagt daardoor ook bij aan het tegengaan van infectieziekten en pandemieën. Nederland bouwt hierbij voort op decennia aan ervaring, expertise en samenwerkingsverbanden op het terrein van SRGR.
Geïntegreerd buitenlandbeleid: Straat van Hormuz
Het conflict met Iran en de voortdurende (dreiging van) belemmering van de vrije doorvaart in de Straat van Hormuz hebben grote gevolgen voor de Golfregio, fragiele landen daarbuiten, en de wereldwijde welvaart. Humanitaire noden stijgen als gevolg van de toenemende voedsel- en energieprijzen, en hulpoperaties worden duurder. De crisis is daarmee een regionale veiligheids- en humanitaire crisis en een bredere economische en ontwikkelingsschok.
Naast het onderzoeken van militaire betrokkenheid in internationaal coalitieverband bij het waarborgen van vrije doorvaart in de Straat van Hormuz, spant Nederland zich diplomatiek ook in voor de ondersteuning van (humanitaire) initiatieven voor vrije doorvaart. Dat betreft onder meer de inzet van de VN op dit gebied en richt zich bovendien op het mitigeren van humanitaire consequenties in de regio en elders als gevolg van het conflict. Nederland intensiveert de relaties met de Golfstaten als cruciale partners voor veiligheid en stabiliteit in de bredere regio en als strategische partners op het gebied van economie, energietransitie en het veiligstellen van de toekomstige leveringszekerheid van schone energie. Vanzelfsprekend staan we via ons postennet ter plaatse klaar voor Nederlandse burgers en bedrijven in de regio.
Welvaart versterken – wereldwijd
Het Nederlandse beleid voor ontwikkelingssamenwerking, handel en investeringen richt zich op een dubbele doelstelling: het versterken van duurzame economische ontwikkeling in lage- en middeninkomenslanden en het vergroten van het Nederlandse verdienvermogen. Het kabinet intensiveert deze inzet en koppelt dit aan een bredere geopolitieke en -economische strategie ter versterking van economische veiligheid, strategische autonomie en duurzame geopolitieke partnerschappen. Aandacht gaat uit naar aanpakken van afhankelijkheden, versterken van handelsketens en benutten van strategische kansen, met focus op markten en sectoren waar Nederlandse kennis en kunde aantoonbare meerwaarde bieden. We doen dit samen met overheden, bedrijven, kennisinstellingen en maatschappelijke organisaties in de diamantbenadering (Dutch Diamond). Er wordt opnieuw actief ingezet op financiering van beroeps- en hoger onderwijs en gerichte opleidingsbeurzen.
Nederland investeert in de samenwerking binnen de EU via Global Gateway en Delegated Cooperation om investeringen op te schalen, meer geopolitieke focus aan te brengen, en de Europese positie te versterken. Via «Team NL» dragen we bij aan Europese investeringsprogramma’s en de positionering van Nederlandse bedrijven en kennisinstellingen. In partnerlanden wordt ingezet op verbetering van het ondernemingsklimaat, versterking van waardeketens en vergroting van toegang tot financiering. Het financiële instrumentarium van onder meer Invest International (II), RVO en FMO wordt ingezet om private investeringen te mobiliseren en toegang van Nederlandse bedrijven tot opkomende markten te vergroten.
Toegang tot kritieke grondstoffen is cruciaal voor de Nederlandse en Europese energietransitie, digitale transitie en defensie‑industrie. In 2027 wordt ingezet op verduurzaming en diversificatie van transparante en verantwoorde grondstoffenketens. Centraal staan het bevorderen van duurzame economische ontwikkeling en lokale waardetoevoeging, het ondersteunen van artisanale en kleinschalige mijnbouwers, het verbeteren van arbeidsomstandigheden en milieunormen en het diversifiëren van het aanbod van kritieke grondstoffen. Nederland trekt hierbij zoveel mogelijk op in EU-verband en betrekt Nederlandse bedrijven en expertise.
Wereldwijd neemt honger en de dreiging van watertekorten nog steeds toe, versterkt door conflict, klimaatverandering en verlies van biodiversiteit. Met de Nederlandse kennis en kunde op deze onderwerpen zijn we internationaal van betekenis. Het kabinet zoekt daarbij de samenhang op water, voedsel en klimaat en bouwt op de inzet van de Dutch Diamond. We versterken de samenwerking met de EU en individuele landen zodat we de krachten kunnen bundelen en effectiever kunnen optreden. Komend jaar worden de voorbereidingen voortgezet voor de nieuwe VN- waterconferentie en de 50e vergadering van het Antarcticaverdrag van 2028. Door de Nederlandse reputatie op water en voedselzekerheid versterken programma’s op deze terreinen het vertrouwen met andere landen en bevorderen zij daarmee ook samenwerking op andere onderwerpen. Ook in 2027 reageert Nederland op actuele voedseltekorten, klimaatrampen en ambities van partnerlanden voor inclusieve groene groei.
Het kabinet herstelt en versterkt internationaal de positie van Nederland als partner voor een ambitieuze klimaatagenda. Ook zet het kabinet zich weer actiever in op het gebied van hernieuwbare energie. In 2027 richt het kabinet zich daarbij onder andere op het verder versterken van haar rol als koploper bij samenwerking op adaptatie, onder andere via voedselzekerheid en water.
Geïntegreerd buitenlandbeleid: Zuid-Afrika
Zuid-Afrika en Nederland zijn belangrijke partners op de terreinen van handel en economie, politiek en cultuur. Ook zijn we gelijkgezind m.n. op mensenrechten, waaronder LBHTIQ+-rechten en gendergelijkheid en staan we samen pal voor het multilaterale systeem. In het partnerschap worden gesprekken op basis van gelijkwaardigheid en wederzijdse belangen gevoerd. Door de goede relatie zijn ook lastigere onderwerpen bespreekbaar. Denk bijvoorbeeld aan de oorlog in Oekraïne of hoe Nederland zich verhoudt tot het koloniale en slavernijverleden en de doorwerking daarvan. Door nauw samen op te trekken kunnen we op de middellange termijn allebei onze afhankelijkheid van grootmachten verminderen. Zuid-Afrika is rijk aan kritieke grondstoffen en een potentieel exportland van duurzame energie (groene waterstof) richting Nederland en Europa, en heeft onze markten nodig voor de eigen economische transitie.
Handels- en investeringsagenda
Afhankelijkheden en economische veiligheid
De aanpak van afhankelijkheden staat hoog op de agenda van dit kabinet. Het kabinet maakt Nederland en Europa weerbaar tegen economische dwang, bij schokken, en bij conflictdreiging. We beperken risicovolle strategische afhankelijkheden door diversificatie van handelspartners, innovatie en gerichte investeringen. Zodat de productie niet geconcentreerd blijft in enkele landen.
Tegelijkertijd zijn waardeketens in onze moderne economie zeer complex en sterk met het buitenland verbonden. Afhankelijkheden van het buitenland zijn inherent aan onze open en vrije economie, die ons veel welvaart brengt. Het kabinet staat daarom voor een realistische koers rondom afhankelijkheden. Hetgeen betekent dat het kabinet inzet op internationaal samenwerken (met onze EU-partners en daarbuiten), erkent dat we niet alle afhankelijkheden volledig kunnen en willen afbouwen, en dat we moeten focussen op het opbouwen van onze eigen strategische relevantie.
Het kabinet wil dat gevoelige technologie niet in verkeerde handen terechtkomt. Nederland beschikt over hoogtechnologische en sterk exportgerichte bedrijven. Deze aanwezigheid is van strategische waarde. Samen met de EU-lidstaten en andere internationale partners zet Nederland zich in voor veilige handel, waarbij ruimte blijft voor bedrijven om zich te ontwikkelen. Het kabinet bevordert de nationale veiligheid in relatie tot buitenlandse handel en investeringen op verschillende manieren, waaronder: exportcontrole van strategische goederen en technologieën, kennisveiligheid, investeringstoetsing en versterking van de defensie-industrie. We blijven prioriteit leggen bij de uitvoering en naleving van sancties, inclusief het tegengaan van sanctieomzeiling.
Versterken internationaal verdienvermogen
De wereldwijde inzet van het postennetwerk en de uitvoeringsorganisaties RVO, II en Atradius Dutch State Business (ADSB)) om bedrijven te ondersteunen is van groot belang. We doen dit zowel gevraagd als pro-actief en zorgen ervoor dat Nederlandse bedrijven optimaal bijdragen aan ons internationale verdienvermogen. Voor een aantal sectoren van belang voor ons verdienvermogen (nu en in de toekomst) en voor de weerbaarheid van de Nederlandse economie is er gerichte inzet nodig in een aantal markten; denk aan sectoren als halfgeleiders in Taiwan en Zuid-Korea, Life Sciences & Health in Zwitserland en grondstoffen in Zuid-Afrika.
Het kabinet zet in op een economisch postennetwerk dat wereldwijd goed is ingericht om Nederlandse bedrijven optimaal te ondersteunen. Dat betekent dat er voldoende mensen op een post moeten zitten om de ambities in het betreffende gastland te kunnen verwezenlijken en deze mensen moeten de kennis en middelen hebben om hun werk zo goed mogelijk te doen. Daarnaast is een goed gefinancierd stelsel van uitvoeringsorganisaties van belang om het Nederlandse bedrijfsleven optimaal te ondersteunen bij het borgen van het internationale verdienvermogen, de Nederlandse strategische belangen en bijdragen aan de dubbele doelstelling.
Verantwoorde en transparante ketens
Het kabinet helpt Nederlandse bedrijven om internationale normen inzake IMVO zo eenvoudig en effectief mogelijk toe te passen. Internationaal maatschappelijk verantwoord ondernemen (IMVO) is essentieel voor transparante en veerkrachtige waardeketens waarin mens en milieu worden gerespecteerd. Dit doen we onder meer via het MVO-steunpunt, sectorale samenwerking, en via de posten. Daarbij zet het kabinet nationaal en in de EU in op versterkte samenhang van IMVO-gerelateerde wetgeving, bijvoorbeeld in het toezicht. Dit draagt bij aan een gelijk speelveld en biedt Nederlandse bedrijven kansen om hun verdienvermogen te vergroten.
In 2027 wordt de samenhang tussen IMVO-beleid en ontwikkelingssamenwerking versterkt, zodat partnerlanden beter toegang krijgen tot internationale markten, risico’s in waardeketens worden verminderd, en leveringszekerheid vergroot. Via samenwerking met maatschappelijke organisaties, vakbonden en lokale partners wordt gepaste zorgvuldigheid door Nederlandse bedrijven vergemakkelijkt, de capaciteit van producenten en andere ketenactoren versterkt, en maatschappelijke dialoog bevorderd. Hiermee draagt Nederland bij aan transparante en duurzame waardeketens en aan het beperken van mogelijke negatieve neveneffecten van Europees IMVO-beleid op ontwikkelingslanden. Dit draagt ook bij aan duurzame economische ontwikkeling in partnerlanden. Met deze inzet onderscheiden Nederland en de EU zich van andere internationale spelers.
Nieuwe handels- en investeringsverdragen
Nederland voert een actief handelsbeleid om de positie van Nederlandse bedrijven te versterken, het verdienvermogen te vergroten en onze geo-economische weerbaarheid te verhogen. Toenemend protectionisme en geopolitieke spanningen maken markttoegang complexer en onderstrepen het belang van diversificatie van handelspartners en toeleveringsketens, in het bijzonder voor essentiële producten en kritieke grondstoffen.
Het kabinet heeft dan ook een positieve grondhouding ten aanzien van nieuwe handels- en investeringsverdragen, en andere vormen van handelsafspraken. Deze verbeteren de wederzijdse markttoegang, vergroten keuze, drukken de prijzen voor consumenten, en dragen bij aan diversificatie. Daarbij zet Nederland in op handelsverdragen met goede afspraken over duurzaamheid.
Bovendien zijn handelsafspraken in de huidige geopolitieke context tevens een instrument om relaties met landen en regio’s te versterken. Tegelijkertijd blijft Nederland zich in EU-verband inzetten voor een open, voorspelbaar en op regels gebaseerd multilateraal handelssysteem, met een centrale rol voor de WTO.
Het kabinet zet zich in om als EU collectief een vuist te maken tegen oneerlijke handelspraktijken. Het bewaken en bevorderen van een internationaal gelijk speelveld is noodzakelijk voor het succes van onze ondernemers. Waar nodig steunt Nederland de inzet van handelsdefensieve maatregelen om concurrentievervalsing, marktverstorende praktijken en andere oneerlijke handelspraktijken tegen te gaan.
2.2 Belangrijkste beleidsmatige mutaties
Belangrijkste beleidsmatige uitgavenmutaties t.o.v. vorig jaar (bedragen x € 1.000)
Art.
2026
2027
2028
2029
2030
2031
Stand begroting 2026
3.572.210
3.747.335
3.802.968
3.974.112
4.105.228
0
Belangrijkste mutaties
Totaal mutaties eerste suppletoire begroting 2026
335.427
‒ 425.041
‒ 312.903
‒ 202.926
‒ 412.304
3.684.832
Mutaties Coalitieakkoord
Maatregel 4: Dekking steun Oekraïne vanuit BHO-begroting
5.4
0
‒ 419.000
0
0
0
0
Maatregel 61: Efficiencytaakstelling
div.
0
‒ 498
‒ 970
‒ 1.580
‒ 2.099
‒ 2.099
Maatregel 62: Vernieuwing Rijksdienst: slagvaardige overheid
div.
0
0
0
‒ 1.881
‒ 4.734
‒ 4.734
Maatregel 63: Subsidietaakstelling
div.
0
‒ 16.524
‒ 16.524
‒ 16.524
‒ 16.524
‒ 16.524
Maatregel 69: actualisatie ODA-toerekening eerstejaars asielopvang
5.4
620.000
‒ 106.000
‒ 201.000
‒ 235.000
‒ 257.000
‒ 257.000
Mutaties Eerste suppletoire begroting
Mutaties als gevolg van nieuwe asielraming (MPP)
div.
107.500
39.000
0
0
‒ 53.000
‒ 58.000
Overboekingen andere begrotingen
div.
‒ 82.528
‒ 29.407
‒ 16.659
1.040
1.291
1.291
Kasschuif op artikel 5.4 a.g.v. bijstelling asiel
5.4
‒ 545.000
245.000
75.000
225.000
0
0
Bijstelling ODA-budget o.b.v. bni-ontwikkeling n.a.v. CEP 2026
5.4
‒ 79.672
‒ 100.211
‒ 87.515
‒ 87.081
‒ 86.953
‒ 114.506
Rijksbrede taakstelling prijsbijstelling
5.4
‒ 14.975
‒ 15.924
‒ 17.133
‒ 18.991
Mutaties Nota van Wijziging
div.
330.000
8.500
18.000
10.000
8.000
5.000
Overige mutaties (incl. extrapolatie)
div.
‒ 14.873
‒ 45.901
‒ 83.235
‒ 96.900
‒ 1.285
4.131.404
Totaal mutaties ontwerpbegroting 2027
‒ 66.646
603.031
981.103
935.589
422.130
40.684
1. Overheveling intensivering ontwikkelingssamenwerking Coalitieakkoord
5.4
0
12.000
317.000
257.000
442.000
55.500
2. Intensivering Miljoenennota 2027 ontwikkelingssamenwerking
5.4
0
217.839
295.439
301.666
0
0
3. Inzet niet-militaire steun aan Oekraïne van Aanvullende Post
5.3
0
231.000
321.000
326.250
0
0
4. Inzet intensivering niet-militaire steun aan Oekraïne Miljoenennota 2027
5.3
0
149.000
89.000
89.000
0
0
5. Niet-militaire steun OEK (NvW) naar FIN-begroting tbv EIB en Wereldbank
5.3
‒ 60.000
0
0
0
0
0
6. Aanvullende taakstelling Rijk
div.
0
0
0
0
0
‒ 947
7. Slagvaardige overheid
div.
0
0
‒ 944
‒ 1.046
0
Overige mutaties
div.
‒ 6.646
‒ 6.808
‒ 40.392
‒ 37.281
‒ 19.870
‒ 13.869
Stand ontwerpbegroting 2027
3.840.991
3.925.325
4.471.168
4.706.775
4.115.054
3.725.516
Toelichting
1. De intensiveringsmiddelen op de Aanvullende Post worden overgeheveld naar de BHOS-begroting.
2. Het kabinet voegt ODA-middelen toe aan de BHOS begroting. Deze middelen zijn relevant voor de koppeling van het ODA-budget aan het BNI.
3. De middelen die bij het Coalitieakkoord vrijgemaakt zijn voor niet-militaire steun aan Oekraïne worden overgeheveld van de Aanvullende Post naar de departementale begrotingen.
4. Het kabinet voegt ODA-middelen toe aan de BHOS begroting. Deze middelen zijn relevant voor de koppeling van het ODA-budget aan het BNI. Een deel van deze middelen wordt ingezet voor de niet-militaire ODA-steun aan Oekraïne.
5. Een deel van de niet-militaire steun aan Oekraïne dat versneld beschikbaar is gesteld middels de Nota van Wijziging op de Eerste suppletoire begroting BHO 2026 wordt overgeboekt naar het Ministerie van Financiën ten behoeve van de inzet via de EIB en de Wereldbank.
6. De BHOS-begroting daalt door de aanvullende efficiencytaakstelling op de Rijksoverheid, zoals verwerkt in de Miljoenennota 2027.
7. De BHOS-begroting daalt door de versnelling van de taakstelling vernieuwing Rijksdienst en slagvaardige overheid, zoals verwerkt in de Miljoenennota 2027.
Belangrijkste beleidsmatige ontvangstenmutaties t.o.v. vorig jaar (bedragen x € 1.000)
Art.
2026
2027
2028
2029
2030
2031
Stand begroting 2026
48.354
44.749
42.908
41.922
41.919
Belangrijkste mutaties
Totaal mutaties eerste suppletoire begroting 2026
678
405
41
960
937
42.665
1) Extrapolatie
div.
41.916
2) Overige mutaties
5.20
678
405
41
960
937
749
Totaal mutaties ontwerpbegroting 2027
0
0
0
0
0
0
Stand ontwerpbegroting 2027
49.032
45.154
42.949
42.882
42.856
42.665
2.3 Planning Strategische Evaluatie Agenda
Planning Strategische Evaluatie Agenda
Thema/Periodieke rapportage
Eerstvolgende Periodieke rapportage
Begrotingsartikelen
1
2
3
4
5
Duurzame economische ontwikkeling, handel en investeringen
2029
x
Duurzame ontwikkeling, voedselzekerheid, water en klimaat
2030
x
Sociale ontwikkeling
2032
x
Vrede, veiligheid en duurzame ontwikkeling
2032
x
Migratie, opvang in de regio, migratiesamenwerking
2030
x
Multilaterale samenwerking en overige inzet
2032
x
Voor een verdere onderbouwing van de strategische evaluatie agenda zie «Bijlage 3: Strategische Evaluatie Agenda»
2.4 Overzicht risicoregelingen
Tabel 1 Overzicht verstrekte garanties (bedragen x € 1.000)
Artikel
Omschrijving
Uitstaande
Geraamd te
Geraamd te
Uitstaande
Geraamd te
Geraamd te
Uitstaande
Garantie-plafond (jaarlijks)
Totaal plafond
garanties 2025
verlenen 2026
vervallen 2026
garanties 2026
verlenen 2027
vervallen 2027
garanties 2027
1. Duurzame economische ontwikkeling, handel en investeringen
FOM
0
0
0
0
0
0
0
0
0
1. Duurzame economische ontwikkeling, handel en investeringen
DGGF
106.926
50.000
0
156.926
50.000
0
206.926
0
675.000
1. Duurzame economische ontwikkeling, handel en investeringen
DRIVE
49.795
55.000
0
104.795
55.000
0
159.795
55.000
1. Duurzame economische ontwikkeling, handel en investeringen
DTIF
16.344
24.000
0
40.344
24.000
0
64.344
0
140.000
5. Multilaterale samenwerking
IS-NIO
54.209
10.000
44.209
10.000
34.209
0
44.209
5. Multilaterale samenwerking
African Development Bank
2.277.077
2.277.077
2.277.077
0
2.277.077
5. Multilaterale samenwerking
Asian Development Bank
1.210.213
1.210.213
1.210.213
0
1.251.588
5. Multilaterale samenwerking
Inter American Development Bank
280.051
280.051
280.051
0
291.448
Totaal
3.994.615
129.000
10.000
4.113.615
129.000
10.000
4.232.615
55.000
4.679.322
Tabel 2 Overzicht uitgaven en ontvangsten garanties (bedragen x € 1.000)
Artikel
Omschrijving
Uitgaven 2025
Ontvangsten 2025
Stand risico voorziening 2025
Saldo 2025
Uitgaven 2026
Ontvangsten 2026
Stand risico voorziening 2026*
Saldo 2026
Uitgaven 2027
Ontvangsten 2027
Stand risico voorziening 2027*
Saldo 2027
1. Duurzame economische ontwikkeling, handel en investeringen
FOM
0
0
16.422
0
0
0
16.422
0
0
0
16.422
0
1. Duurzame economische ontwikkeling, handel en investeringen
DTIF
‒ 696
7.362
36.659
6.666
10.000
7.000
33.659
‒ 3.000
5.000
7.000
35.659
2.000
1. Duurzame economische ontwikkeling, handel en investeringen
DRIVE
0
711
19.079
711
0
0
19.079
0
0
0
19.079
0
1. Duurzame economische ontwikkeling, handel en investeringen
DGGF
‒ 11.474
7.085
44.610
‒ 4.389
5.000
7.000
46.610
2.000
5.000
7.000
48.610
2.000
5. Multilaterale samenwerking
IS-NIO
0
1.117
36.395
1.117
657
35.738
657
503
35.235
503
Totaal
‒ 12.170
16.275
153.165
4.105
15.000
14.657
151.508
‒ 343
10.000
14.503
155.005
4.503
FOM
De Faciliteit Opkomende Markten (FOM) is medio 2016 opgegaan in het Dutch Trade and Investment Fund (DTIF). De regeling is in 2024 afgebouwd en de laatste transacties zijn beëindigd. De resterende middelen in de risico voorziening worden toegevoegd aan het DTIF.
DGGF
Het DGGF bestaat uit drie onderdelen:
– Onderdeel 1 voorziet in het financieren van Nederlands midden- en kleinbedrijf dat ontwikkelingsrelevante investeringen wil doen in lage- en middeninkomenslanden.
– Onderdeel 2 financiert het lokaal midden- en kleinbedrijf in lage- en middeninkomenslanden.
– Onderdeel 3 voorziet in het financieren en verzekeren van het Nederlandse midden- en kleinbedrijf dat wil exporteren naar lage- en middeninkomenslanden.
Binnen alle drie de onderdelen van het DGGF is het mogelijk om garanties te verstrekken, waarvoor kostendekkende premies worden betaald. Voor onderdeel 2 dat uitgevoerd wordt door PwC en Triple Jump houdt de fondsbeheerder zelf een reserve aan ter grootte van de verstrekte garanties, waardoor het begrotingsrisico voor BHOS nihil is.
Om een buffer op te kunnen bouwen en de schommelingen in de tijd op te kunnen vangen wordt voor onderdeel 1 en 3 van het DGGF gebruik gemaakt van het instrument 'interne begrotingsreserve'. De reserve wordt gevuld vanuit de middelen die voor de onderdelen 1 en 3 van het DGGF beschikbaar zijn voor garanties. De uiteindelijke hoogte van de begrotingsreserve is gerelateerd aan de hoogte van de garantieplafonds die voor de onderdelen 1 en 3 per onderdeel van het DGGF zijn vastgesteld, respectievelijk 1:2 en 1:3. Het garantieplafond voor de onderdelen 1, 2 en 3 is vastgesteld op EUR 675 miljoen.
De voorwaarden van het DGGF zijn medio 2018 aangepast voor steun op maat aan Nederlandse bedrijven die willen opereren in risicovolle landen. Daarnaast zijn de financierings- en ondersteuningsmogelijkheden voor het midden- en kleinbedrijf verruimd en zullen Nederlandse investeerders, exporteurs en startups beter en sneller worden bediend en waar nodig technische assistentie krijgen. Overigens is het risicoprofiel van de regeling door deze aanpassingen niet gewijzigd.
Onderdeel 1 (uitvoerder Invest International Public Programmes B.V.)
Met ingang van 1 oktober 2021 is de uitvoering van DGGF Onderdeel 1 overgedragen door RVO.NL aan Invest International Public Programmes B.V.
Als een commerciële partij (vaak een bank) bereid is mee te financieren zal er worden getracht een garantie in te zetten als instrument. Met dit instrument zal de overheid borg staan voor een percentage van de financiering die een bank, lokaal dan wel Nederlands, geeft. De Nederlandse staat neemt een deel van de risico’s over, waardoor een bank eerder geneigd zal zijn financiering te verschaffen. Ook is het mogelijk dat de overheid borg staat voor een gedeelte van de financiering in het geval van een tekort aan onderpand van de Nederlandse mkb’er.
De inzet van het DGGF is om in het geval van lokale banken samen te werken met zogenaamde netwerkbanken, zijnde banken met een uitgebreid netwerk en/of vele vestigingen in DGGF-landen.
DGGF onderdeel 2 (Price Waterhouse Coopers / Triple Jump)
Het totaal beschikbare kasbudget van DGGF onderdeel 2 is EUR 409 miljoen. Om de fondsbeheerder in de gelegenheid te stellen dit budget volledig in te kunnen zetten zullen zij, conform het toetsingskader, voor een hoger bedrag contracten moeten kunnen aangaan met intermediaire fondsen. Het gaat hier dus om een overcommitteringsruimte in de vorm van een garantie aan de fondsbeheerder van maximaal EUR 100 miljoen (garantieplafond). De fondsbeheerder zal zelf een reserve aanhouden voor het verstrekken van garanties aan intermediaire fondsen.
Onderdeel 3 (uitvoerder Atradius)
De aanvullende EKV, die bij onderdeel 3 van het DGGF wordt verstrekt, werkt hetzelfde als de reguliere EKV. De politieke en commerciële risico's van exporttransacties worden verzekerd. Er kan aanspraak worden gemaakt op de polis als één van de gedekte schadeoorzaken leidt tot non-betaling van de vordering. De waaier van specifieke verzekeringen (bijvoorbeeld, exporteurs- en bankpolis, werkkapitaaldekking en garantiedekkingen etc.) die bij de EKV worden gevoerd, kunnen ook onder onderdeel 3 van het DGGF worden verzekerd. Met onderdeel 3 van het DGGF wordt een aanvulling geboden op de mogelijkheden onder de reguliere EKV voor ontwikkelingsrelevante exporttransacties. De noodzaak is er in gelegen dat een aantal exporttransacties nu geen doorgang vindt, terwijl die wel ontwikkelingsrelevant zijn. Daarnaast biedt onderdeel 3 van het DGGF financiering voor kleine transacties (tot EUR 5 miljoen) waarvoor geen bankfinanciering verkregen kan worden. In die gevallen wordt de financiering ook verzekerd.
DRIVE
Met ingang van 1 oktober 2021 is de uitvoering van DRIVE overgedragen door RVO.NL aan Invest International Public Programmes B.V.
Met DRIVE worden investeringen in publieke infrastructuurprojecten gefaciliteerd die bijdragen aan een goed ondernemingsklimaat en de ontwikkeling van de private sector in lage- en middeninkomenslanden. DRIVE doet dit middels:
– Het verstrekken van subsidies met of zonder terugbetalingsverplichting (lening of a fonds perdu) aan het bedrijfsleven.
– Het doen van schenkingen aan overheidsorganen in ontwikkelingslanden.
– Het verstrekken van garanties en is er aanvullende EKV beschikbaar.
De voorwaarden voor het verstrekken van garanties zijn in 2022 aangepast. Het garantieplafond voor DRIVE is vastgesteld op EUR 55 miljoen per jaar tot en met 2027. Daarnaast kan Atradius bij deze transacties het kredietrisico van de commerciële tranches verzekeren. Ter afdekking van de risico’s en ter compensatie van de mismatch in de tijd tussen (premie)inkomsten en uitgaven (ten behoeve van schades), is afgesproken een interne begrotingsreserve aan te houden volgens de hefboom 1:3. Tevens is bij de start van DRIVE besloten tot een minimale omvang van de begrotingsreserve van EUR 12,5 miljoen ter dekking van het extra financiële risico dat de Staat kan gaan lopen door het verstrekken van garanties en verzekeringen.
DTIF
Het DTIF bestaat uit twee onderdelen:
– Onderdeel 1 voorziet in het financieren van Nederlandse bedrijven die willen investeren in het buitenland.
– Onderdeel 2 voorziet in het verschaffen van werkkapitaal aan en het verdisconteren van wissels en Letters of Credit van Nederlandse exporterende bedrijven.
Met ingang van 1 oktober 2021 is de uitvoering van DTIF Onderdeel 1 overgedragen door RVO.NL aan Invest International Public Programmes B.V.
Het Dutch Trade and Investment Fund (DTIF) is een garantieregeling. Het DTIF verstrekt financieringen (garanties, leningen, wissels) voor directe investeringen en export van Nederlandse bedrijven, indien banken en andere financiële instellingen deze financiering niet bieden, en er wordt voldaan aan de criteria die gelden voor publieke interventie. Het DTIF is non-ODA en is beschikbaar voor landen die niet worden bediend door het DGGF. Hierdoor verbetert de synergie tussen de handels- en OS-agenda. Ten behoeve van het DTIF wordt de bestaande (garantie)regeling FOM afgebouwd. Het totale budget bedraagt EUR 170 miljoen. Het garantieplafond is vastgesteld op EUR 140 miljoen. Er wordt een kostendekkende premie geheven en de regeling is in 2025 geëvalueerd. Ter afdekking van de risico’s en ter compensatie van de schommelingen in de tijd tussen (premie)inkomsten en uitgaven (ten behoeve van schades), is een begrotingsreserve ingesteld. Deze begrotingsreserve wordt gevuld op basis van de hefboom 1:4. Tevens is bij de start van DTIF besloten tot een minimale omvang van de begrotingsreserve van EUR 5 miljoen ter dekking van het extra financiële risico dat de Staat kan gaan lopen door het verstrekken van garanties en verzekeringen.
NIO
De NIO is in 1965 opgericht als volledige dochter van de Nationale Investeringsbank. Deze was destijds een volledige staatsbank en is in 1945 opgericht om de Marshall hulp te kanaliseren naar het Nederlandse bedrijfsleven. Het doel van de dochteronderneming NIO was leningen te verstrekken aan ontwikkelingslanden onder gunstige voorwaarden zodat deze landen, die destijds geen toegang hadden tot de reguliere kapitaalmarkt, in staat werden gesteld ontwikkelingsrelevante investeringen te doen. Deze leningen hadden een lange looptijd en een lage rente. Deze zogenaamde bilaterale concessionele leningen waren destijds een onderdeel van het Nederlandse ontwikkelingssamenwerkingsbeleid. In een overeenkomst die in 1993 is gesloten tussen de minister voor Ontwikkelingssamenwerking en NIO is geregeld dat de Staat garant staat voor de financiering van NIO. De Staat heeft zich jegens NIO verplicht om middelen ter beschikking te stellen in het geval NIO niet zelfstandig in staat is om (her)financiering aan te trekken op de kapitaalmarkt voor reeds verstrekte leningen wegens incidentele krapte. Tevens heeft de Staat zich verplicht om de NIO te compenseren in geval debiteuren in gebreke blijven, voor zover dat ertoe zou leiden dat de NIO zelf niet in staat is om aan zijn verplichtingen te voldoen. Eind jaren negentig is de Nationale Investeringsbank geprivatiseerd en in 2000 zijn de aandelen NIO overgenomen door FMO. Na 2001 zijn geen nieuwe concessionele leningen door NIO verstrekt. NIO bleef vanaf dat moment verantwoordelijk voor het beheer van de afgesloten leningen. In 2010 heeft De Staat de aandelen van FMO overgenomen. Premieheffing is niet van toepassing en de komende jaren zijn gericht op de volledige afbouw van de portefeuille.
Regionale Ontwikkelingsbanken
AfDB (African Development Bank)
De garanties voor de Afrikaanse Ontwikkelingsbank Groep zijn in SDR vastgesteld. Inmiddels kent de Afrikaanse Ontwikkelingsbank 81 lidstaten: 54 regionale en 27 niet-regionale leden. De Bank verstrekt niet-concessionele leningen aan kredietwaardige Afrikaanse landen. De bank heeft aandelenkapitaal waarvan 6% daadwerkelijk ingelegd (paid-in capital), de andere 94% geldt als garantiekapitaal (callable capital). De AfDB richt zich op een specifiek terrein (armoedebestrijding, inclusieve groei, duurzame ontwikkeling) dat onvoldoende wordt gedekt door commerciële banken. Nederland heeft een aandeel van 0,884% in de Bank. Op basis van het garantiekapitaal is de AfDB in staat goedkoop geld aan te trekken op kapitaalmarkten en dit door te lenen aan landen voor ontwikkelingsdoeleinden. Premieheffing is niet van toepassing.
AsDB (Asian Development Bank)
De garanties voor de Aziatische Ontwikkelingsbank (AsDB) zijn in SDR vastgesteld. De AsDB werd in 1966 opgericht door een groep van 31 landen, waaronder Nederland. Sindsdien is het gegroeid naar 69 lidstaten: 50 regionale en 19 niet-regionale. De AsDB heeft als mandaat het bevorderen van economische groei en regionale samenwerking in Azië en de Stille Oceaan regio. Sinds 1999 is de overkoepelende doelstelling van de bank armoedebestrijding. De bank heeft aandelenkapitaal waarvan 5% daadwerkelijk ingelegd (paid-in capital), de andere 95% geldt als garantiekapitaal (callable capital). Nederland heeft een aandeel van 1,11% in de Bank. Het aandeel garantiekapitaal wordt door lidstaten vastgesteld tijdens afspraken over kapitaalverhogingen. Premieheffing is niet van toepassing.
IDB (Inter-American Development Bank)
De garanties voor de Inter-American Development Bank (IDB) zijn in USD vastgesteld. De IDB-Groep, opgericht in 1959, bestaat naast de IDB (de publieke poot) uit IDB Invest (de private sector poot), en het IDB Lab (de innovatie poot). De IDB heeft als mandaat het bevorderen van economische groei in Latijns-Amerika en het Caribisch gebied. De IDB heeft 48 lidstaten waarvan 26 lenende landen. Naast Canada en de VS zijn de overige 20 lidstaten ‘niet regionale landen’ buiten het westelijk halfrond, waaronder Nederland (sinds 1976). De Bank wordt gefinancierd op basis van het aandelenkapitaal, waarvan lidstaten een deel inleggen en een deel in de vorm van garanties verstrekken. De IDB verstrekt leningen aan de nationale overheden en aan particuliere bedrijven in de regionale landen. Het Nederlandse stemaandeel bedraagt 0,20% in de publieke tak van de IDB-Groep (IDB), 0,64% in de private tak van de IDB-Groep (IDB Invest), en 0,31% in IDB Lab. Premieheffing is niet van toepassing.
3. Beleidsartikelen
3.1 Artikel 1 Duurzame economische ontwikkeling, handel en investeringen
A. Algemene doelstelling
We versterken onze welvaart, wereldwijd. Daarbij hebben we een dubbele doelstelling: het versterken van duurzame economische ontwikkeling in lage- en middeninkomenslanden en het vergroten van het Nederlandse verdienvermogen. Volgend uit de beleidsbrief worden diplomatie, ontwikkelingssamenwerking, handel en investeringen gericht ingezet ter versterking van welvaart. Hier in Nederland en elders in de wereld.
Nederland intensiveert de samenwerking met partnerlanden in Afrika, Azië en Latijns-Amerika vanuit gelijkwaardigheid, gebaseerd op wederzijdse materiële en immateriële belangen. Deze samenwerking richt zich op versterking van lokale economieën, verduurzaming van waardeketens, vergroting van wederzijds verdienvermogen en betere toegang tot regionale en internationale markten. Klimaat en gender worden hierbij dwarsdoorsnijdend toegepast, zodat de inzet ook bijdraagt aan inclusieve en klimaatbestendige ontwikkeling. Met deze inzet én effectief gebruik van een duurzaam en goed gefinancierd handels- en financieringsinstrumentarium, draagt Nederland bij aan duurzame economische ontwikkeling, sterkere handelsrelaties en een stevigere geopolitieke positie in strategisch belangrijke regio’s. We streven naar zo groot mogelijke effectiviteit van dit beleid. Dit doen we door ons te baseren op beschikbaar bewijs, het volgen van resultaten op bijvoorbeeld aantal banen ondersteund door programma’s op het gebied van privatesectorontwikkeling (streefwaarde 565.000) en aantal bedrijven met een ondersteund plan voor investering, handel of dienstverlening (streefwaarde 16.000), en door te leren en bijsturen tijdens de uitvoering, en evalueren achteraf.
Door te werken aan een toekomstbestendig handels- en investeringssysteem, gebaseerd op hoge internationale standaarden, Internationaal Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen (IMVO), draagt het beleid onder dit artikel ook bij aan het bevorderen van vrijheden wereldwijd. Door internationale standaarden onderdeel te maken van een toekomstbestendig handels- en investeringssysteem dienen markten deze vrijheden te respecteren. Ten behoeve van de veiligheid geven we vorm aan het beleid en uitvoering van exportcontrole, als ook het ontwikkelen, uitvoeren en toezichthouden op sancties op technologie en goederen.
B. Rol en verantwoordelijkheid
Het vergt een kabinetsbrede inspanning om deze doelstellingen te verwezenlijken. De minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking werkt hiertoe in het bijzonder samen met de minister van Buitenlandse Zaken, de minister van Financiën, de staatssecretaris van Financiën, de minister van Economische Zaken en Klimaat, de minister van Klimaat en Groene Groei, de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid en de minister en staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat en de AIVD en MIVD.
De minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking is verantwoordelijk voor:
Financieren
– Het financieren van de jaarlijkse verdragscontributie van het Koninkrijk aan de Wereldhandelsorganisatie (WTO) en de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) en daarnaast enkele programma’s binnen de WTO gericht op een betere integratie van ontwikkelingslanden in de WTO.
– Het financieren van het National Contact Punt (NCP) voor de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen belast met voorlichting over de OESO-richtlijnen, en het behandelen van klachten met betrekking tot het nakomen van de OESO-richtlijnen door Nederlandse bedrijven.
– Het financieren van het MVO-steunpunt voor het bedrijfsleven, van een instrument voor het bevorderen van sectorale samenwerking op het gebied van IMVOE, en van aanloopkosten voor IMVO-wetgeving.
– Het voeren van een op maat gesneden en onderling samenhangend financieel instrumentarium gericht op export- en investeringsbevordering voor het Nederlands bedrijfsleven en het bedrijfsleven in ontwikkelingslanden, handelsfacilitatie en markttoegang.
– Het financieel ondersteunen van het Nederlandse en lokale bedrijfsleven om met eigentijdse oplossingen bij te dragen aan wereldwijde maatschappelijke vraagstukken en de Nederlandse economie.
– In het licht van internationale ontwikkelingen en toenemende concurrentie internationaal inzetten op een verbetering van het gelijk speelveld in het financieel instrumentarium gericht op export- en investeringsbevordering en banengroei in Nederland.
– Het (co)financieren van programma’s ter versterking van de Global Gateway-strategie en vergroten van impact door het opschalen met EU Delegated Cooperation.
Stimuleren
– Het bevorderen van IMVO door het Nederlandse bedrijfsleven met een doordachte mix van verplichtende en vrijwillige maatregelen, waaronder het bijdragen aan (de ontwikkeling van) Europese IMVO-wetgeving, het stimuleren van sectorale samenwerking en het stellen van IMVO-voorwaarden in het kader van het BHOS-bedrijfsleveninstrumentarium en het inkoopbeleid van de overheid.
– Het vanuit de dubbele doelstelling in lage- en middeninkomenslanden werken aan het bevorderen van werkgelegenheid door het ondersteunen van banen in de formele en informele sector van het mkb, het bevorderen van ondernemerschap door het ondersteunen van bedrijven in lage en midden-inkomenslanden via businessplannen voor investering, handel of dienstverlening, en het stimuleren van ketenverduurzaming.
– Het stimuleren van het bedrijfsleven en kennisinstellingen, in Nederland en in ontwikkelingslanden, om met hun internationale activiteiten bij te dragen aan oplossingen voor maatschappelijke uitdagingen, waaronder de SDG’s van de VN.
– Het stimuleren van goed bestuur in de vorm van goede wet- en regelgeving, betrouwbare instituties en actoren en verbeterde belastingregimes in lage- en middeninkomenslanden.
– Het bevorderen van handel in gevestigde en opkomende markten en het wereldwijd faciliteren en ondersteunen van Nederlandse bedrijven om zaken te doen op buitenlandse markten. Met behulp van kennis en informatie, contacten en netwerken, positionering en belangenbehartiging (incl. financiering). Hierbij is speciale aandacht voor het Nederlandse midden- en kleinbedrijf, startups/scaleups, ondernemers en clustergewijze samenwerking van bedrijven op buitenlandse markten.
– Bijdragen aan het stimuleren van een aantrekkelijk internationaal vestigingsklimaat voor buitenlandse investeringen in Nederland via economische diplomatie, ten behoeve van een versterkt internationaal verdienvermogen van Nederland.
– Het stimuleren van de kennis en expertise bij bedrijven op het terrein van exportcontrole via voorlichtingsactiviteiten.
Regisseren
– Een actieve bijdrage leveren aan het ondersteunen en bevorderen van een op regels gebaseerd mondiaal handels- en investeringssysteem, met oog voor het gelijke speelveld, open markten, open strategische autonomie, economische weerbaarheid en veiligheid en dwarsdoorsnijdende thema’s, zoals digitalisering, onder meer via de WTO, OESO en G20.
– Het bevorderen van duurzame bilaterale handelsakkoorden van de EU met derde landen en effectieve implementatie van deze handelsakkoorden.
– Het bevorderen van internationale kaders voor IMVO via de VN, OESO en EU.
– Het bevorderen en optimaliseren van publiek-private samenwerking op het terrein van internationaal ondernemen.
– Het regisseren van de inzet van het handels en financieringsinstrumentarium in samenhang met ontwikkelingsprogramma’s, met bijzondere aandacht voor combinatielanden en Global Gatewayprojecten.
– Het vorm en inhoud geven aan economische diplomatie, economische missies en inkomende en uitgaande bezoeken, en het opstellen en bewaken van de afgestemde economische reisagenda van het kabinet.
– Het invulling geven aan de internationale dimensie van het topsectorenbeleid.
– Het inhoud geven aan de mede-beleidsverantwoordelijkheid voor de Exportkredietverzekering (EKV) met de minister van Financiën.
– Het inzetten nationaal en in internationale exportcontroleregimes op het controleren en waar nodig beheersen van sensitieve technologieën. Het versterken van de adviesrol ten aanzien van andere departementen op het gebied van exportcontrole, bijvoorbeeld op het thema kennisveiligheid.
Uitvoeren
– Het behandelen van klachten van Nederlandse bedrijven in het buitenland, onder andere over oneerlijke concurrentie.
– Het uitvoeren van controle op de export van strategische goederen, zoals in de EU en internationale kaders overeengekomen.
– Nationale implementatie en uitvoering van EU sancties op goederen en technologie.
– Het aansturen van het Netherlands Foreign Investment Agency (NFIA) met als oogmerk het aantrekken van buitenlandse investeerders naar Nederland, samen met de minister van Economische Zaken (EZ).
– Het doen uitvoeren van het toezicht op de naleving van de Conflictmineralenverordening.
– Het voorbereiden van het toezicht op de naleving van de Corporate Sustainability Due Diligence Directive (CSDDD) en de Anti-dwangarbeidverordening.
– Het aansturen en vormgeven van de inzet van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) op het gebied van handelsbevordering en private sectorontwikkeling; het strategisch aansturen van de Nederlandse ontwikkelingsbank FMO en het direct aansturen van de regelingentaak van Invest International en de beleidsmatige aansturing op afstand van de investeringstaak van Invest International.
– Het vormgeven van economische diplomatie, inclusief combitracks, economische missies en strategische partnerschappen, en het coördineren van de economische reisagenda van het kabinet.
– Het Uitvoeren van programma’s op het gebied van private sectorontwikkeling met andere donoren en internationale financiële instellingen, en het bevorderen van EU-samenwerking via versterking van de Global Gateway-strategie, Team Europe Initiatieven en Delegated Cooperation.
C. Beleidswijzigingen
Met de Beleidsbrief Buitenlandse Zaken wordt het beleid voor ontwikkelingssamenwerking en buitenlandse handel in 2027 verder geïntegreerd vormgegeven, met een expliciete focus op wederzijdse economische belangen en duurzame partnerschappen. De dubbele doelstelling – duurzame economische ontwikkeling in partnerlanden en versterking van het Nederlandse verdienvermogen – wordt daarbij structureel gekoppeld aan een bredere geo-economische strategie. De inzet richt zich op het aanpakken van de afhankelijkheden op het gebied van grondstoffen, energie en technologie, het versterken van weerbare handelsketens en het benutten van kansen in strategische sectoren. Bij de programmering van activiteiten, landenkeuzes en instrumenten wordt daarom systematisch beoordeeld in hoeverre deze bijdragen aan zowel ontwikkelingsimpact als het Nederlandse en Europese verdienvermogen op de langere termijn.
De inzet op handelsbevordering en economische diplomatie richt zich vanaf 2027 op vier categorieën van zowel brede als gerichte inzet. Onder brede inzet valt: wereldwijde inzet door alle posten in hun gastland en inzet op bepaalde focuslanden. Gerichte inzet vindt plaats op combilanden en markten met specifieke sectorale focus. Hiermee ligt de focus op landen en sectoren waar nu of in de toekomst het meeste verdienvermogen zit, die voor de weerbaarheid van ons land van belang zijn, of waar de handelsinzet bijdraagt aan bredere Nederlandse belangen in de bilaterale relatie. Daarbij wordt de inzet van het kabinet om via het postennet wereldwijd ondersteuning te bieden aan het bedrijfsleven gecontinueerd. Deze focuslanden en sectorale markten zijn mede gebaseerd op het rapport-Wennink, het nieuwe EZ-industriebeleid, en het coalitieakkoord. De publiek-private samenwerking, samenwerking met multilaterale ontwikkelingsbanken en vraag-gestuurde financieringsinstrumenten blijft ongewijzigd onderdeel van het beleidsinstrumentarium. Deze instrumenten worden in 2027 gericht ingezet voor het mobiliseren van private investeringen, het versterken van duurzame economische ontwikkeling in partnerlanden en het vergroten van de internationale positie van Nederlandse bedrijven en kennisinstellingen in strategische markten en waardeketens. Daarnaast wordt geïntensiveerd in opleidingsbeurzen, vrouwelijk ondernemerschap en grondstoffen, vooral in de combinatielanden.
D. Budgettaire gevolgen van beleid
Tabel 3 Budgettaire gevolgen van beleid art. 1 Duurzame economische ontwikkeling, handel en investeringen (bedragen x € 1.000)
2025
2026
2027
2028
2029
2030
2031
Art.
Verplichtingen
466.721
482.152
425.250
499.147
568.386
484.050
444.947
Uitgaven
653.706
627.617
641.119
680.369
705.715
650.422
625.861
1.1
Duurzaam handels- en investeringssysteem, inclusief MVO
24.393
32.264
34.036
35.938
37.563
37.404
37.349
Subsidies (regelingen)
8.440
16.012
16.864
18.704
21.757
21.674
21.647
MVO en beleidsondersteuning (ODA)
4.876
9.872
8.367
10.282
13.194
12.908
12.881
MVO en beleidsondersteuning (non-ODA)
3.564
6.140
8.497
8.422
8.563
8.766
8.766
Opdrachten
1.268
1.731
2.294
2.294
2.294
2.294
2.294
MVO en beleidsondersteuning (non-ODA)
1.268
1.731
2.294
2.294
2.294
2.294
2.294
Bijdrage aan agentschappen
4.196
2.760
3.284
3.240
3.164
3.088
3.060
Rijksdienst voor ondernemend Nederland
4.196
2.760
3.284
3.240
3.164
3.088
3.060
Bijdrage aan (inter-)nationale organisaties
10.489
11.761
11.594
11.700
10.348
10.348
10.348
MVO en beleidsondersteuning (ODA)
4.121
4.661
4.894
5.000
3.648
3.648
3.648
Contributies internationaal ondernemen (non-ODA)
6.368
7.100
6.700
6.700
6.700
6.700
6.700
Nog te verdelen
0
0
0
0
0
0
0
Nog te verdelen
0
0
0
0
0
0
0
1.2
Nederlandse Handels- en Investeringsbevordering
114.626
102.696
97.262
95.829
94.696
93.549
93.120
Subsidies (regelingen)
18.871
27.781
27.345
27.345
27.345
27.345
27.345
Programma's internationaal ondernemen
9.939
10.000
9.858
9.858
9.858
9.858
9.858
Versterking concurrentiepositie Nederland
2.932
3.502
3.410
3.410
3.410
3.410
3.410
Invest Internationaal
0
9.780
9.642
9.642
9.642
9.642
9.642
Dutch Trade and Investment Fund
6.000
4.499
4.435
4.435
4.435
4.435
4.435
Garanties
8.057
4.500
4.500
4.500
4.500
4.500
4.500
Dutch Trade and Investment Fund
8.057
4.500
4.500
4.500
4.500
4.500
4.500
Opdrachten
30.343
16.752
14.752
14.752
14.752
14.752
14.752
Programma's internationaal ondernemen
22.275
13.566
13.566
13.566
13.566
13.566
13.566
Dutch Trade and Investment Fund
634
1.186
1.186
1.186
1.186
1.186
1.186
Wereldtentoonstelling
7.434
2.000
0
0
0
0
0
Bijdrage aan agentschappen
57.321
53.663
50.665
49.232
48.099
46.952
46.523
Rijksdienst voor ondernemend Nederland
57.321
53.663
50.665
49.232
48.099
46.952
46.523
Bijdrage aan (inter-)nationale organisaties
34
0
0
0
0
0
0
Programma's internationaal ondernemen
34
0
0
0
0
0
0
Nog te verdelen
0
0
0
0
0
0
0
Nog te verdelen
0
0
0
0
0
0
0
1.3
Handel en economie voor ontwikkeling
514.687
492.657
509.821
548.602
573.456
519.469
495.392
Subsidies (regelingen)
266.531
180.186
188.864
233.146
229.813
186.462
169.462
Marktontwikkeling en markttoegang
44.647
17.691
27.849
27.879
25.603
25.603
25.603
Economic governance and institutions
47.247
29.196
41.165
92.565
97.565
49.815
20.815
Financiële sector ontwikkeling
49.697
46.522
43.984
47.361
52.003
52.003
52.003
Infrastructuurontwikkeling
50.558
37.473
32.488
27.647
15.145
19.544
21.544
Duurzame productie en handel
65.343
43.482
41.397
36.897
38.997
38.997
48.997
(Jeugd)werkgelegenheid
1.790
0
0
0
0
0
0
Nexus onderwijs en werk
569
2.400
0
0
0
0
0
Lokale private sector ontwikkeling
6.680
3.422
1.981
797
500
500
500
Leningen
21.000
56.000
61.000
65.000
68.161
68.161
68.161
Infrastructuurontwikkeling
0
20.000
16.000
10.000
10.000
10.000
10.000
Financiële sector ontwikkeling
21.000
36.000
45.000
55.000
58.161
58.161
58.161
Garanties
19.270
7.500
7.500
7.765
10.000
10.000
10.000
Financiële sector ontwikkeling
18.559
7.500
7.500
7.765
10.000
10.000
10.000
Infrastructuurontwikkeling
711
0
0
0
0
0
0
Opdrachten
63.347
60.450
70.400
70.350
79.200
81.650
77.650
Marktontwikkeling en markttoegang
15.589
9.000
8.000
9.000
12.000
12.000
12.000
Economic governance and institutions
17.541
18.000
19.050
18.000
19.850
22.300
18.300
Financiële sector ontwikkeling
4.018
1.000
1.000
1.000
1.000
1.000
1.000
Infrastructuurontwikkeling
14.101
15.750
15.750
10.750
14.750
14.750
14.750
(Jeugd)werkgelegenheid
12.057
16.600
26.600
31.600
31.600
31.600
31.600
Lokale private sector ontwikkeling
41
100
0
0
0
0
0
Bijdrage aan agentschappen
51.304
43.768
30.511
25.041
34.033
33.195
32.887
Rijksdienst voor ondernemend Nederland
51.304
43.768
30.511
25.041
34.033
33.195
32.887
Bijdrage aan (inter-)nationale organisaties
93.235
144.753
151.546
147.300
152.249
140.001
137.232
International Labour Organisation
5.649
5.800
5.800
5.800
5.800
5.800
5.800
Lokale private sector ontwikkeling
21.219
43.982
42.875
35.000
30.949
26.850
24.850
Marktontwikkeling en markttoegang
3.856
5.833
13.600
14.600
18.600
18.600
18.600
Partnershipprogramma ILO
4.600
4.600
4.600
4.600
4.600
4.600
4.600
Economic governance and institutions
3.270
6.000
6.000
6.000
6.000
6.000
6.000
Financiële sector ontwikkeling
7.965
16.000
16.000
16.000
16.000
16.000
16.000
Infrastructuurontwikkeling
40.170
55.073
58.421
63.300
68.300
60.151
59.382
Nexus onderwijs en werk
1.368
465
0
0
0
0
0
Duurzame productie en handel
5.138
7.000
4.250
2.000
2.000
2.000
2.000
Nog te verdelen
0
0
0
0
0
0
0
Nog te verdelen
0
0
0
0
0
0
0
Ontvangsten
29.484
14.000
14.000
14.000
14.000
14.000
14.000
Budgetflexibiliteit
Tabel 4 Budgetflexibiliteit art. 1 Duurzame economische ontwikkeling, handel en investeringen
Geschatte budgetflexibiliteit
2027
Juridisch verplicht
75%
Bestuurlijk gebonden
22%
Beleidsmatig gereserveerd
1%
Nog niet ingevuld / vrij te besteden
2%
Artikel 1.1 Duurzaam handels- en investeringssysteem inclusief MVO is voor 44 % juridisch verplicht. Meerjarige subsidies zijn verstrekt voor de verdere implementatie van de IMVO convenanten. Aan RVO is een opdracht verleend om de subsidieregeling sectorale samenwerking uit te voeren. Bij bijdragen gaat het om de verdragscontributies voor WTO en OESO. De 44% bestuurlijk gebonden uitgaven betreffen de uitgaven voor het uitvoeren van het toezicht op de IMVO-wetgeving.
Artikel 1.2 Nederlandse handels- en investeringsbevordering is voor 72% juridisch verplicht en voor 28% bestuurlijk gebonden. De juridische verplichte uitgaven betreffen de subsidie voor de ontwikkeltaak van Invest International en de uitvoering van de regeling DTIF. De bestuurlijk gebonden uitgaven betreffen voornamelijk diverse regelingen en werkzaamheden die de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland uitvoert. Door de opdrachtverlening aan RVO wordt de uitvoering van regelingen bestuurlijk gebonden.
Artikel 1.3 Handel en economie voor ontwikkeling is bedoeld om de private sector en dan vooral het MKB en de arbeidsmarkt in ontwikkelingslanden te versterken, door hulp, handel en investeringen aan elkaar te verbinden. Dit artikel is 78% juridisch verplicht door de getekende meerjarige overeenkomsten en de verlaging van het budget door de ombuigingen. 20% is bestuurlijk gebonden budget en betreft de opdrachtverlening aan RVO en Invest International.
E. Toelichting op de financiële instrumenten
1.1 Duurzaam handels- en investeringssysteem incl. MVO
De minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking is beleidsinitiërend en coördinerend op het gebied van handelspolitiek. Het belangrijkste orgaan hiervoor is de Interdepartementale Raad voor Handelspolitiek (IRHP). Op basis van de uitkomsten in de IRHP neemt Nederland deel aan onderhandelingen en officiële besprekingen op bilateraal, communautair en multilateraal niveau (Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO), World Trade Organisation (WTO). Vanuit dit budget worden de jaarlijkse contributies aan verschillende organisaties en activiteiten gefinancierd. Hieronder valt bijvoorbeeld ook een bijdrage aan het Standards and Trade Development Facility (STDF) waarmee een bijdrage wordt geleverd aan veilige handel en daarmee voedselzekerheid in ontwikkelingslanden.
Programma’s ter ondersteuning van Internationaal Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen worden voortgezet, mede in relatie tot de implementatie van IMVO-wetgeving en de ondersteuning van het bedrijfsleven daarbij. Hieronder valt onder andere het IMVO-steunpunt, de voortzetting van het instrument sectorale samenwerking (Kamerstuk 26485, nr. 430) en ondersteuning vanuit ontwikkelingssamenwerking.
Ter uitvoering van de Nationale Grondstoffenstrategie zal via verschillende programma’s worden bijgedragen aan de verduurzaming van grondstoffenketens.
1.2 Nederlandse handels- en investeringsbevordering
Rijksdienst voor ondernemend Nederland
De Rijksdienst voor ondernemend Nederland (RVO) is in opdracht van de Minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking de centrale uitvoeringsorganisatie voor publieke handelsbevordering. Zij voert het handelsinstrumentarium uit en faciliteert netwerken en contacten op het gebied van handels- en investeringsbevordering. Ook neemt RVO belemmeringen voor het bedrijfsleven weg, via het beschikbaar maken van kennis, informatie en contacten. Dit doet zij in nauwe samenwerking met de diplomatieke posten die de steun en toeverlaat zijn van Nederlandse ondernemers in het buitenland.
Programma’s internationaal ondernemen
De regeling Starters International Business (SIB) voorziet met individuele en collectieve missie-, coaching- en kennissubsidies in een stimulans voor mkb-ondernemingen die de stap willen maken naar buitenlandse markten.
Met het Programma Strategische Beurzen worden collectieve promotionele activiteiten ondersteund voor een succesvolle positionering van Nederlandse innovatieve bedrijven in buitenlandse markten.
Het instrument Partners for International Business (PIB) ondersteunt de structurele positionering van clusters van Nederlandse bedrijven op voor Nederland kansrijke markten. Daarbij geldt als richtlijn dat clusters van bedrijven (eventueel aangevuld met kennisinstellingen), die een grote en langdurige kans op een buitenlandse markt zien, maar tegen marktbelemmeringen aanlopen, gebruik kunnen maken van de faciliteit.
Het instrument DHI (Demonstratie, Haalbaarheids- en Investeringsstudies) helpt ondernemers met een drietal modules waarvoor ondernemers een aanvraag kunnen indienen: (1) demonstratieprojecten, (2) haalbaarheidsstudies en (3) investeringsvoorbereidingsstudies.
Versterking concurrentiepositie Nederland
Ter versterking van de concurrentiepositie van Nederland zet het kabinet in op publiek-private samenwerking en afstemming van de export-, investering- en innovatie bevorderende activiteiten van de overheid en het bedrijfsleven. Een voorbeeld van deze activiteiten zijn de economische missies. De publiek-private samenwerking voorziet onder meer in ondersteuning van meerjarige programma’s op kansrijke markten, op basis van voorstellen door de private sector en publiek-private partners, en bilaterale technologie- en innovatiepacten.
Invest International
Invest International is één van de uitvoerders van de BHOS-agenda. Zij voert het financiële instrumentarium uit en helpt bedrijven, overheden en investeerders met het financieren en ontwikkelen van impactvolle projecten in het buitenland. Via de projectontwikkelingssubsidie maakt Invest International innovatieve oplossingen financierbaar en schaalbaar en brengt zij publieke en private partners bij elkaar. De eerste tussentijdse evaluatie van Invest International is positief en geeft aan dat er een stevige vraag is uit het Nederlandse bedrijfsleven naar internationale publieke financiering om succesvol zaken te doen in het buitenland.4
Dutch Trade and Investment Fund
Het Dutch Trade and Investment Fund (DTIF) biedt financiering voor investeringen en export van mkb en grote bedrijven, indien banken en andere financiële instellingen deze financiering niet bieden en er voldaan wordt aan de criteria die gelden voor publieke interventie. Daarnaast voorziet het in verdiscontering (liquide maken) van wissels (exportfinanciering) en verschaffen van werkkapitaal. Het DTIF beoogt synergie met DHI.
1.3 Handel en economie voor ontwikkeling
Door diplomatie, ontwikkelingssamenwerking, handel en investeringen sterker aan elkaar te verbinden, versterken we onze welvaart, wereldwijd. Het kabinet investeert extra in deze inzet en intensiveert de samenwerking met partnerlanden in Afrika, Azië en Latijns-Amerika vanuit gelijkwaardigheid, gebaseerd op wederzijdse materiële en immateriële belangen. In de huidige geopolitieke context is dit alleen maar belangrijker geworden.
Binnen de combitracks versterken we het Nederlandse verdienvermogen en werken we met partnerlanden aan marktontwikkeling, weerbare handelsketens en sterke lokale economieën. We doen dit samen met het Nederlandse bedrijfsleven, RVO en Invest International, om verdienkansen voor Nederland te creëren en bij te dragen aan lokale oplossingen voor duurzame economische ontwikkeling. Waar nodig werken we grensoverschrijdend, om belangrijke regionale en internationale handelsketens te versterken die lokale en Nederlandse bedrijven met elkaar verbinden.
Infrastructuurontwikkeling gebeurt grotendeels via de programma’s DRIVE en D2B. Zo wordt geïnvesteerd in publieke infrastructuur die randvoorwaardelijk is voor economische ontwikkeling en private sectorontwikkeling in de focussectoren. De modernisering van DRIVE en D2B maakt meer maatwerk mogelijk, waardoor transacties sneller tot stand komen en Nederlandse bedrijven beter kunnen worden gepositioneerd. Voor infrastructuur zijn er daarnaast instrumenten waarbij wordt samengewerkt met internationale instellingen en andere donoren, zoals de Private Infrastructure Development Group (PIDG).
Ook nodig voor een gezond ondernemingsklimaat is een financiële sector die voldoende en passende financiering verleent aan kleine en middelgrote ondernemingen. Het kabinet draagt hieraan bij met het beschikbaar stellen van risicodragende financiering en technische assistentie. Dit gebeurt via Nederlandse programma’s als het Dutch Good Growth Fund (DGGF) en het door FMO beheerde MASSIF programma. Het DGGF verschaft financiering aan Nederlandse en lokale bedrijven.
Daarnaast steunt het kabinet een aantal financiële sectorprogramma’s dat zich richt op sectoren en thema’s met een specifieke financieringskloof. Op het gebied van gezondheidszorg betreft dit het vanuit Nederland opgezette Health Insurance Fund dat, in samenwerking met nationale overheden, op innovatieve wijze ziektekostenverzekeringen opzet en technische assistentie en krediet aan zorgverleners verstrekt. Hiermee verbetert het de toegang, betaalbaarheid en de kwaliteit van de zorg, wat ook weer kansen biedt voor verdere samenwerking tussen Nederland en de landen waar dit fonds opereert. Op het gebied van de agrarische sector bevordert onder andere het One Acre Fund de kredietverlening aan het agrarische mkb.
Om regionale handel en integratie van regionale markten in Afrika te bevorderen, en voor het ondersteunen van de totstandkoming van de Afrikaanse vrijhandelszone wordt TradeMark Africa door het kabinet gesteund. Dit bevordert regionale ontwikkeling, creëert banen en verbetert aanvoer en distributie van voedsel. Het Centraal Bureau voor Import uit Ontwikkelingslanden (CBI), dat onderdeel is van RVO, richt zich op het verbeteren van export van ontwikkelingslanden naar de Europese Unie.
Op handel en productie werkt het kabinet ook met bedrijven, uit Nederland en uit landen in het mondiale Zuiden, aan transparante en veerkrachtige handelsketens. Programma’s van organisaties als IDH, Solidaridad, Fair Wear en de vakbonden FNV en CNV richten zich op de introductie van innovatieve, schaalbare oplossingen om deze handelsketens integraal te verduurzamen en te verbeteren. RVO steunt met het subsidieprogramma verantwoord ondernemen (SPVO) en Fair Focus on Trade bedrijven en maatschappelijke organisaties die risico’s en misstanden in hun handelsketens willen aanpakken. Deze programma’s dragen bij aan sectorale samenwerking en de IMVO-convenanten die als basis dienen voor de uitvoering van nieuwe Europese IMVO-wet- en regelgeving door Nederlandse bedrijven.
Nederland zet in op meer Europese samenwerking om impact te vergroten, bijvoorbeeld door complementair te werken aan de EU en succesvolle Nederlandse en Europese initiatieven en programma’s op te schalen. Zo betrekken we het bedrijfsleven actiever bij EU Global Gateway. Deze Europese strategie bundelt diplomatie, handel, investeringen en ontwikkelingssamenwerking. De diamantbenadering, waarbij overheid, bedrijfsleven, maatschappelijke organisaties en financiële instellingen samenwerken aan oplossingen, staat hierbij centraal. Daarnaast werken we ook breder samen met de private sector, waaronder investeerders, om met onze ODA meer private financiering te ontsluiten.
3.2 Artikel 2 Duurzame ontwikkeling, voedselzekerheid, water en klimaat
A. Algemene doelstelling
De Nederlandse inzet op voedselzekerheid, water en klimaat (inclusief duurzame energie) draagt bij aan de weerbaarheid en duurzame sociaaleconomische ontwikkeling van lage- en middeninkomenslanden en daarmee aan de bredere doelstellingen van het Nederlandse buitenlandbeleid op het gebied van veiligheid, vrijheden en welvaart. Er wordt ook invulling gegeven aan de internationale klimaatafspraken en het aanpakken van de actuele en langere termijn mondiale crises rond voedselzekerheid en water.
Het beleid richt zich op het bereiken van duurzame verbetering op het gebied van voedselzekerheid, water en klimaat waarbij we monitoren hoeveel mensen we bereikt hebben met activiteiten op verbeterde toegang tot water, voedsel en energie en hoeveel hectares we bereikten met activiteiten op duurzaam beheer. Voor verbeteringen die duurzaam en conflictsensitief zijn, richt de Nederlandse inzet zich ook op betere randvoorwaarden voor voedselzekerheid, water en klimaat, zoals marktontwikkeling, capaciteitsopbouw en versterkt en inclusief bestuur, beleid en wet- en regelgeving. Zo dragen we ook bij aan stabiliteit, het versterken van wederzijdse belangen en het versterken van internationale samenwerking (bilateraal en multilateraal).
B. Rol en verantwoordelijkheid
Om deze doelstelling te realiseren, werken de minister van Buitenlandse Zaken en de minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking nauw samen met de minister van Klimaat en Groene Groei, de minister en de staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, de minister van Financiën en de minister en de staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat.
Voedselzekerheid, water en klimaat zijn sterk met elkaar verbonden. In beleid en uitvoering worden deze onderwerpen daarom zoveel mogelijk samen aangepakt. We werken aan partnerschappen, het behalen van resultaten via ontwikkelingssamenwerkingsprogramma’s en het versterken van internationale samenwerking en diplomatie. Daarbij zetten we Nederlandse kennis en expertise in, bijvoorbeeld op het gebied van waterbeheer, landbouw, klimaat en energie. Omdat betekenisvolle deelname van vrouwen en jongeren in deze sectoren niet vanzelfsprekend is en wel in belangrijke mate bijdraagt aan hun welvaart en welzijn wordt een inclusieve genderaanpak dwarsdoorsnijdend meegenomen in deze sectoren.
De minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking is verantwoordelijk voor:
Financieren
– De financiering van diverse programma’s en fondsen gericht op basisvoorzieningen die armoede bestrijden door hun bijdragen aan voedsel- en waterzekerheid, hernieuwbare energie en klimaatweerbaarheid. In toenemende mate wordt hierbij ingezet op financiering van programma’s waarin oog is voor de dwarsverbanden die bestaan tussen deze en andere mondiale uitdagingen zoals conflict, klimaatmitigatie, klimaatadaptatie, natuur- en biodiversiteitsbehoud.
– De financiering van programma’s gericht op het mobiliseren van financiering en (door) ontwikkelen van (lokale) markten voor diensten voor water, voedselzekerheid, duurzame energie en klimaat.
– De financiering van verschillende multilaterale en internationale instellingen die een sleutelrol spelen bij verzamelen en analyseren van gegevens en het aanpakken van vraagstukken op het gebied van water, voedselzekerheid, klimaat en duurzame energie. Voorbeelden zijn het CGIAR, het internationale netwerk van onderzoeksinstellingen op gebied van landbouw en voedselzekerheid, en het International Fund for Agricultural Development (IFAD), maar ook de Wereldbank, regionale ontwikkelingsbanken, UNICEF en de Wereldgezondheidsorganisatie voor bijvoorbeeld hun werk op het gebied van toegang tot drinkwater, sanitatie en hygiëne en de Food and Agriculture Organisation (FAO) voor hun werk op het gebied van watergebruik in de landbouw. Met de Wereldbank werkt Nederland ook samen op het gebied van energietransitie.
– Waar mogelijk wordt financiering ingezet in EU verband, bijvoorbeeld Global Gateway, team Europe Initiatieven of EU Delegated Cooperation.
– Het financieren van de belangrijkste klimaatfondsen Global Environmental Facility (GEF) en het Green Climate Fund (GCF).
Stimuleren
– Stimuleren van activiteiten die zich richten op duurzame verbetering van klimaatweerbare water-, voedsel- en energiesystemen:
– Bijdragen aan kennisontwikkeling en onderzoek ten behoeve van innovaties en beleidsontwikkelingen op water, voedselzekerheid, duurzame energie en klimaat.
– Stimuleren van versterkte wet- en regelgeving, zowel wereldwijd als lokaal in de landen waar we werken, en verantwoord bestuur op het gebied van water, voedselzekerheid, duurzame energie en klimaat.
– Stimuleren van toekomstbestendig beheer en beleid gericht op productieve, duurzame en inclusieve systemen voor water, voedselzekerheid, duurzame energie en klimaat.
– Programma’s gericht op het verhogen van capaciteiten en (technologische) vaardigheden van (jonge) professionals en instituties werkzaam op water, voedselzekerheid, duurzame energie en klimaat.
– Versterken van groepen in kwetsbare situaties en het stimuleren van een inclusieve benadering in ontwerp, uitvoering en beheer van programma’s.
– Intensiveren van de samenwerking met Nederlandse bedrijven, Nederlandse kennisinstellingen alsook Nederlandse maatschappelijke en publieke partners die internationaal werken aan water, voedselzekerheid, energie en klimaat.
– Het intensiveren van lokaal geleide samenwerking tussen overheden, kennisinstellingen, maatschappelijke organisaties en de private sector gericht op bovengenoemde doelstellingen (de diamantbenadering) in de landen waar we werken.
– Stimuleren van gendermainstreaming in de sectoren water, voedselzekerheid, energie en klimaat door representatie en leiderschap van vrouwen en jongeren in multialaterale en bilaterale dialoog te bevorderen en door gender dwarsdoorsnijdend mee te nemen bij financiering van activiteiten.
Regisseren
– Coördinatie, in nauwe samenwerking met de ministers van KGG, IenW, LVVN en FIN, en de staatssecretarissen van LVVN en IenW, van het Nederlandse internationale milieu- en klimaatbeleid.
– Regisseren van EU samenwerking op water, voedselzekerheid, hernieuwbare energie, klimaat en gericht op Global gateway, Team Europe Initiatieven en EU Delegated Cooperation.
– Coördinatie, in nauwe samenwerking met IenW en LVVN, van diplomatieke water- en voedselinzet binnen multilaterale organisaties, het VN systeem en internationale conferenties zoals de VN waterconferentie in 2028.
C. Beleidswijzigingen
Dit begrotingsjaar is het eerste jaar waarin het kabinet invulling geeft aan de inzet om de komende vier jaar de positie van Nederland als internationale partner voor een ambitieuze klimaatagenda te herstellen en verder te versterken. Het kabinet investeert dan ook additioneel EUR 461 miljoen in internationaal klimaatbeleid in de periode 2027 t/m 2031. De onderbouwing conform de Comptabiliteitswet artikel 3.1 wordt op een later moment aan de Kamer verzonden.
Naast de klimaatinzet via water en voedsel is Nederland een betrouwbare partner voor de internationale klimaatfondsen. In 2027 wordt de bijdrage aan het Green Climate Fund vernieuwd. Nederland is een innovatieve speler op het gebied van het mobiliseren van investeringen via blended finance instrumenten, met name in samenwerking met FMO. Nieuwe instrumenten, zoals de Tropical Forest Forever Facility, worden onderzocht. Programmatisch wordt ingezet op bosbehoud, hernieuwbare energie, early warning en kennis. Biodiversiteit en natuurbehoud worden daarbij zoveel mogelijk meegenomen.
In het licht van de verslechterde toegang tot energie in ontwikkelingslanden als gevolg van de afsluiting van de straat van Hormuz, alsmede de uitkomsten van de conferentie van april jl. in Colombia over het uitfaseren van fossiele brandstoffen, zal het kabinet de inzet op hernieuwbare energie deels opnieuw invullen. Mitigatie en het ondersteunen van landen bij de energietransitie krijgt weer een plaats in het beleid voor ontwikkelingssamenwerking.
Met het oog op de VN-klimaattop (COP32) in Ethiopië zal Nederland de samenwerking op adaptatie met Ethiopië specifiek en Afrika in het algemeen actief internationaal uitdragen. Dit past binnen de brede samenwerkingsrelatie op water, voedselzekerheid en klimaat met tussen Nederland en Ethiopië.
De voorbereidingen voor de jaarlijkse vergadering van het Antarcticaverdrag, waarvan Nederland in 2028 gastheer is, worden opgestart. De afsluiting van de straat van Hormuz leidt op het gebied van voedsel, water en energie tot grote uitdagingen. Om bij te dragen aan het oplossen van de gevolgen van de kunstmestcrisis wordt samengewerkt met organisaties als FAO, IFAD en Wereldbank om de kleine boeren op korte termijn te ondersteunen. De komende maanden zal met partners – mede geïnformeerd door het AIV advies over voedselzekerheid van mei 2026 - een passend antwoord worden gegeven in de programmering.
Het kabinet kiest er voor de inzet op de prioriteit internationaal klimaatbeleid te intensiveren, conform het coalitieakkoord. De thema’s water en voedselzekerheid blijven belangrijk, ook voor klimaat, waarbij de intensiveringen op deze terreinen worden afgevlakt ten opzichte van de eerdere raming. In 2027 starten programma’s gericht op het verbeteren van de groenteteelt en versterking van lokale zaadsystemen in Afrika, als ook en een Team Europe initiatief op landrechten.
Sub-Sahara Afrika heeft de laagste landbouwproductie in de wereld, samen met externe schokken zoals klimaatverandering en conflict, draagt dit bij aan de stagnatie op het terugbrengen van honger en ondervoeding. Gezien deze stagnatie intensiveren we onze inzet o.a. op verbeterde toegang tot inputs zoals verbeterd zaaizaad. Via meerlandenprogrammering zal ingezet worden op het verbeteren van geïntegreerde zaaizaad sector ontwikkeling met aandacht voor marktontwikkeling, toegang tot financiering en wet- en regelgeving.
De huidige verantwoordingssystematiek van de inzet op voedselzekerheid, nu nog vooral gericht op het meten van de Nederlandse bijdrage aan het terugdringen van ondervoeding en het verbeteren van de lokale voedselproductie, zal worden verbreed naar de bijdrage van voedselzekerheid aan versterking van stabiliteit, versteviging van de rechtspositie van boeren/ boerinnen en veehouders, en capaciteitsopbouw door onder meer versterking van coöperaties en lokale organisaties.
Nederland zet zich in 2027 in voor een kopgroep om multilaterale samenwerking op water een impuls te geven. Nederland heeft een coalitie van multilaterale ontwikkelingsbanken en andere partners ondersteund om het Water Forward initiatief te lanceren, een commitment om tot 2030 de waterzekerheid van 1 miljard mensen te verbeteren. Nederland wil de VN Waterconferenties van 2026 en 2028 mede gebruiken om deze coalitie te verbreden en de resultaten duurzaam te bestendigen.
Nederland zet in op water en voedsel voor vrede en veiligheid, met als doel om bij te dragen aan conflictpreventie, klimaatweerbaarheid en veiligheid voor mensen in kwetsbare regio’s. Dit doen we via versterking van bestaande en middels nieuwe, regionale geïntegreerde water, klimaat en voedselzekerheid programmering op dit thema onder andere in de Sahel en de MENA regio.
Via diverse programma’s versterken we de samenwerking tussen de Nederlandse water- en landbouwsector en lokale overheden en (maatschappelijke) organisaties in onze partnerlanden. Bijvoorbeeld via een nieuw publiek privaat partnerschapsprogramma via RVO en hernieuwde samenwerking met het Netherlands Water Partnership en het Netherlands Food Partnership. Ook werken we aan maximale verbinding tussen de inzet en de multilaterale partners en banken waarmee we werken.
We intensiveren de watersamenwerking met Europese Investeringsbank om waterprojecten in partnerlanden te financieren en we werken aan initiatieven onder de Global Gateway, waar ontwikkeling in partnerlanden wordt gecombineerd met het verdienvermogen van de Europese water- en landbouwsector.
D. Budgettaire gevolgen van beleid
Tabel 5 Budgettaire gevolgen van beleid art. 2 Duurzame ontwikkeling, voedselzekerheid, water en klimaat (bedragen x € 1.000)
2025
2026
2027
2028
2029
2030
2031
Art.
Verplichtingen
339.307
1.116.170
982.633
733.547
877.785
951.905
757.144
Uitgaven
959.884
878.690
881.033
1.005.007
1.085.534
1.042.002
959.541
2.1
Voedselzekerheid
360.509
379.134
383.105
424.397
441.881
427.244
409.594
Subsidies (regelingen)
169.571
122.870
93.004
107.047
109.561
103.560
92.560
Realiseren ecologische houdbare voedselsystemen
20.004
8.000
4.717
14.717
19.717
19.717
19.717
Bevorderen inclusieve, duurzame groei in de agrarische sector
34.028
24.812
14.383
32.456
21.820
15.819
4.819
Kennis & capaciteitsopbouw ten behoeve van voedselzekerheid
8.371
3.000
1.958
1.958
2.958
2.958
2.958
Uitbannen huidige honger en voeding
21.822
15.000
9.666
9.066
11.066
11.066
11.066
Voedselzekerheid
85.346
72.058
62.280
48.850
54.000
54.000
54.000
Opdrachten
1.683
12.290
10.450
11.500
11.500
11.500
11.500
Kennis & capaciteitsopbouw ten behoeve van voedselzekerheid
0
11.100
9.300
10.000
10.000
10.000
10.000
Realiseren ecologische houdbare voedselsystemen
287
1.000
1.000
1.500
1.500
1.500
1.500
Voedselzekerheid
1.396
190
150
0
0
0
0
Bijdrage aan agentschappen
1.616
3.930
3.776
3.726
3.638
3.551
3.519
Rijksdienst voor ondernemend Nederland
1.616
3.930
3.776
3.726
3.638
3.551
3.519
Bijdrage aan (inter-)nationale organisaties
187.639
240.044
275.875
302.124
317.182
308.633
302.015
Voedselzekerheid
85.983
121.995
118.759
129.300
125.400
126.400
126.400
Realiseren ecologische houdbare voedselsystemen
11.470
31.000
32.838
38.000
38.500
36.500
34.500
Bevorderen inclusieve, duurzame groei in de agrarische sector
22.327
32.781
60.278
62.848
82.306
74.757
74.139
Kennis & capaciteitsopbouw ten behoeve van voedselzekerheid
48.572
28.000
33.000
37.042
35.234
35.234
33.234
Uitbannen huidige honger en voeding
19.287
26.268
31.000
34.934
35.742
35.742
33.742
Nog te verdelen
0
0
0
0
0
0
0
Nog te verdelen
0
0
0
0
0
0
0
2.2
Water
207.896
251.325
271.173
277.854
297.353
292.733
293.232
Subsidies (regelingen)
82.881
93.675
112.120
116.965
127.934
118.560
118.735
Waterbeheer
43.234
65.189
75.264
78.639
84.790
68.575
68.505
Drinkwater en sanitatie
39.647
28.486
36.856
38.326
43.144
49.985
50.230
Opdrachten
358
1.500
2.075
1.925
1.600
50
50
Waterbeheer
358
1.500
2.075
1.925
1.600
50
50
Bijdrage aan agentschappen
4.871
6.521
6.437
7.143
7.348
7.654
7.601
Rijksdienst voor ondernemend Nederland
4.871
6.521
6.437
7.143
7.348
7.654
7.601
Bijdrage aan (inter-)nationale organisaties
119.786
149.629
150.541
151.821
160.471
166.469
166.846
Waterbeheer
66.331
90.846
98.133
102.565
107.582
100.982
102.632
Drinkwater en sanitatie
53.455
58.783
52.408
49.256
52.889
65.487
64.214
Nog te verdelen
0
0
0
0
0
0
0
Nog te verdelen
0
0
0
0
0
0
0
2.3
Klimaat
391.479
248.231
226.755
302.756
346.300
322.025
256.715
Subsidies (regelingen)
169.745
108.468
98.095
154.916
203.970
168.770
114.870
Klimaat algemeen
54.642
19.393
39.744
75.765
86.819
50.619
28.719
Hernieuwbare energie
59.362
43.075
10.000
10.000
10.000
10.000
10.000
Dutch Fund for Climate and Development
14.840
10.000
10.000
11.000
20.000
14.000
7.000
Klimaatfonds
0
17.000
24.434
39.434
66.434
70.434
49.434
Bosbehoud
40.901
19.000
13.917
18.717
20.717
23.717
19.717
Opdrachten
1.640
0
0
0
0
0
0
Klimaat algemeen
1.640
0
0
0
0
0
0
Bijdrage aan agentschappen
11.363
8.000
4.975
4.927
4.917
4.871
4.854
Rijksdienst voor ondernemend Nederland
11.363
8.000
4.975
4.927
4.917
4.871
4.854
Bijdrage aan (inter-)nationale organisaties
208.731
131.763
123.685
142.913
137.413
148.384
136.991
Contributie IZA/IZT
380
410
410
358
358
358
358
Klimaatprogramma's (non-ODA)
1.273
1.173
3.650
3.055
1.555
1.555
1.555
Klimaat algemeen
11.442
4.880
6.767
5.642
5.642
5.642
5.642
Hernieuwbare energie
24.989
21.500
8.000
23.000
20.000
27.000
20.000
UNEP
8.885
4.858
4.858
4.858
4.858
4.000
4.000
Bosbehoud
8.750
2.800
10.000
16.000
15.000
19.000
15.000
Multilaterale klimaatfondsen
153.012
96.142
90.000
90.000
90.000
90.829
90.436
Nog te verdelen
0
0
0
0
0
0
0
Nog te verdelen
0
0
0
0
0
0
0
Ontvangsten
0
0
0
0
0
0
0
Budgetflexibiliteit
Tabel 6 Budgetflexibiliteit art. 2 Duurzame ontwikkeling, voedselzekerheid, water en klimaat
Artikel 2
Geschatte budgetflexibiliteit
2027
Juridisch verplicht
63%
Bestuurlijk gebonden
9%
Beleidsmatig gereserveerd
27%
Nog niet ingevuld / vrij te besteden
0%
Voor het thema voedselzekerheid (artikel 2.1) zijn de geplande uitgaven voor 68% juridisch verplicht. De rest is beleidsmatig gereserveerd (26%) of bestuurlijk gebonden (6%). Onder het instrument subsidies zijn o.a. verplicht de programma’s met SNV, IFDC, GAIN, CARE, programma’s die door RVO worden uitgevoerd, alsmede activiteiten die door de ambassades worden uitgevoerd. Onder het instrument bijdragen zijn o.a. verplicht de programma’s met IFAD, de Wereldbank, CABI, SUN, UNICEF en de CGIAR, alsmede programma’s waarvoor de ambassades middelen gedelegeerd hebben gekregen. Het beleidsmatig gereserveerde percentage van het budget is bestemd voor bijdragen aan activiteiten gericht op verbeterde voeding en het versterken van duurzame voedselproductiesystemen, inclusief bodemvruchtbaarheid en de klimaatweerbaarheid in deze sector.
Voor het thema water (artikel 2.2) zijn de geplande uitgaven voor 64% juridisch verplicht. De rest is beleidsmatig gereserveerd (30%) of bestuurlijk gebonden (5%). Onder het instrument subsidies zijn o.a. verplicht de programma’s met NWP, VEI B.V., de Unie van Waterschappen, Aqua4All programma’s die door RVO worden uitgevoerd, alsmede activiteiten die door de ambassades worden uitgevoerd. Onder het instrument bijdragen zijn o.a. verplicht de programma’s met de Wereldbank, FAO, UNICEF en UNOPS, alsmede programma’s waarvoor de ambassades middelen gedelegeerd hebben gekregen.
De geplande uitgaven voor klimaat (artikel 2.3) zijn voor 53% juridisch verplicht. Onder het instrument subsidies zijn dit o.a. bijdragen aan het Access to Energy Fund (AEF), Energising Development (EnDev), Mobilising Finance for Forests (MFF), Water at the Heart of Climate Action en Partnering for Green Growth (P4G). Onder het instrument bijdragen gaat het om middelen voor o.a. het Green Climate Fund, de Global Environment Facility, het Africa Adaptation Acceleration Program van de Afrikaanse ontwikkelingsbank (AfDB), het Least Developed Country Fund (LDCF), de Climate Investment Funds (CIFs), het Energy Sector Management Assistance Program (ESMAP) van de Wereldbank en het Amazone Initiative van de Inter-American Development Bank.Een deel van de activiteiten onder artikel 2.3 richt zich op de mobilisatie van private investeringen. Met publieke middelen gemobiliseerde private klimaatinvesteringen kwalificeren net als klimaatrelevante publieke middelen als de Nederlandse bijdrage aan klimaatfinanciering. De rest is beleidsmatig gereserveerd (26%) of bestuurlijk gebonden (21%).
E. Toelichting op de financiële instrumenten
2.1 Voedselzekerheid
Wereldwijd zijn ruim 670 miljoen mensen ondervoed, waarvan 320 miljoen met acute honger. SDG2 heeft als doel om Zero Hunger te bereiken per 2030. Door een toenemend aantal conflicten, geopolitieke ontwikkelingen en klimaatverandering raakt dit doel steeds meer uit zicht. Op dit moment zien we honger en ondervoeding toenemen, met name in Afrika. Het kabinet blijft onverminderd bijdragen aan het streven naar Zero Hunger, ook al zal dat in 2030 naar alle waarschijnlijkheid niet worden gerealiseerd.
Nederland bezit uitstekende kennis op het ontwikkelen van duurzame voedselsystemen, waaronder zaaizaadtechnologie, duurzaam waterbeheer in de landbouw en innovatieve productiemethoden. Met gebruik van deze kennis en expertise wil Nederland een stevige bijdrage leveren aan het verminderen van de voedselonzekerheid wereldwijd. Nederland doet dat door in te zetten op bevordering van duurzame productiemethodes en versterking van kennis- en capaciteitsopbouw.
De inzet op voedselzekerheid draagt bij aan veiligheid, welvaart en vrijheid. Het bestrijden van rurale armoede en honger kan instabiliteit en conflict mitigeren, zoals in de Sahel; landbouwontwikkeling kan een motor zijn van economische groei, zoals de opgekomen landen in Azië hebben laten zien; en ruimte in het sociale domein kan worden gecreëerd door lokale en boerenorganisaties die opkomen voor de belangen van hun leden. Het bijdragen aan het verbeteren van de voedselzekerheid in onze partnerlanden kan ook politiek-kapitaal genereren en daarmee als ‘soft-power’ dienen voor geïntegreerd buitenlandbeleid.
Met het voedselzekerheidsbudget voor de periode 2027-2031 zullen programma’s worden ontwikkeld binnen de brede kaders van het buitenlandbeleid en in samenwerking met andere departementen, met name het ministerie van LVVN.
Voedselzekerheid en klimaat zijn met elkaar verbonden. Door onze financiële inzet op voedselzekerheid ook te richten op het tegengaan van de negatieve gevolgen van klimaatverandering wordt deze koppeling expliciet gemaakt. Waar mogelijk versterken we dit met private investeringen en via samenwerking met Nederlandse bedrijven.
Bevorderen van inclusieve en duurzame groei in de agrarische sector
Lage productiviteit in de voedsellandbouw leidt tot stagnerende ontwikkeling van het platteland en dat is een voedingsbodem voor lokale conflicten. Programma’s zoals het regionale programma Pro-ARIDES in de Sahel, dat naast voedselzekerheid ook bijdraagt aan het verbeteren van perspectief voor jongeren en het verminderen van onderlinge conflicten tussen onder andere pastoralisten en landbouwers, versterken stabiliteit en veiligheid in de regio.
Ten behoeve van veiligheid, welvaart en vrijheid verbinden we hulp, handel en investeringen binnen het thema voedselzekerheid. Dit doen we via de Dutch Diamond benadering waarin bedrijfsleven, overheid, kennisinstellingen en maatschappelijke organisaties samenwerken. Een specifiek voorbeeld hiervan is het gezamenlijke »Plan van Aanpak Agrohandel: Zeker, veerkrachtig en duurzaam» van IDH, VNO-NCW en de ministeries van Buitenlandse Zaken en LVVN. Bijdragen aan innovatie binnen lokale voedselsystemen (bijvoorbeeld in de tuinbouw, of de zaaizaadsector) gaat hier hand in hand met het versterken van de Nederlandse positie op betreffende markten. Publiek-Private partnerschappen (PPP) worden daartoe ingezet en opgeschaald, met eigen bijdragen van Nederlandse bedrijven en instituten. Met onder meer Agriterra en One Acre Fund worden boerenorganisaties versterkt in hun economische functie en in hun pleitbezorging. Met een aantal relevante voedselzekerheidsactiviteiten (bijv. in de zaaizaadsector) zal ook aansluiting worden gezocht bij de combitracks die zich richten op het bevorderen van de hulp en handel combinatie, in aansluiting op het RVO bedrijfsleven instrumentarium. Daarnaast wordt gewerkt aan PPP programma’s in samenwerking met partners uit de topsectoren Agrifood en Tuinbouw, lokale private sector en maatschappelijke organisaties. Deze gecombineerde inzet met het attaché-netwerk van LVVN beoogt het versterken van de mondiale voedselzekerheid en het behalen van de klimaatafspraken.
Nederland draagt tevens bij aan de inzet op voedselzekerheid via multilaterale organisaties om zo maximaal effectief en invloedrijk te zijn. Via een bijdrage aan het International Fund for Agricultural Development (IFAD) wordt kleinschalige landbouw en plattelandsontwikkeling ondersteund. Met de Wereldbank werkt Nederland onder meer samen op sociale vangnetten en aan weerbare voedselsystemen. Met beide instellingen wordt onderzocht in hoeverre Nederlandse actoren (meer) kunnen worden ingezet.
Versterking van kennis en capaciteitsopbouw ten behoeve van voedselzekerheid
Een versterkte inzet op het voorkomen van ondervoeding door het daadwerkelijk beschikbaar maken van gezond en betaalbaar voedsel op de markten zal bijdragen aan sociaaleconomische ontwikkeling en daarmee aan stabiliteit en welvaart in de Sahel en de Hoorn van Afrika.
De Nederlandse inzet op het vergroten van toegang tot gezond en nutriëntenrijk voedsel gebeurt via programma’s in de partnerlanden waar door ambassades wordt geïnvesteerd in publieke, private en maatschappelijke partners. Zo worden in Benin schoolkinderen dagelijks van gezonde maaltijden voorzien die geleverd worden door lokale boeren. Met de Global Alliance for Improved Nutrition (GAIN) en CARE wordt in Benin, Nigeria, Uganda, Kenia, Ethiopië en Mozambique ingezet op verbetering van de toegang tot gezonde, voedzamere en betaalbare diëten. Met UNICEF wordt in Niger, Burkina Faso, Mali, Sudan en Burundi gewerkt aan betere voeding voor jonge kinderen en hun moeders.
Gender gelijkheid vormt een belangrijke pilaar in onze voedselzekerheidsinzet om duurzame impact te bereiken. In veel lage- en middeninkomenslanden, met name in agrarische gemeenschappen, spelen vrouwen een essentiële rol in de productie, verwerking en voorziening van voedsel binnen hun huishouden. Vrouwen hebben daarentegen minder toegang tot land, financiële middelen, kennis maar vooral besluitvorming in landbouw- en voedselsystemen. Actieve betrokkenheid en leiderschap van vrouwen zijn daarom onmisbaar om duurzame impact te realiseren.
In Nederland wordt de Netherlands Working Group on International Nutrition (NWGN) ondersteund die zorgt voor kennisuitwisseling tussen bedrijven, maatschappelijke organisaties en kennisinstellingen op het gebied van ondervoeding.
2.2 Water
Ondanks vooruitgang in de afgelopen tien jaar heeft één op de vier mensen ‒ 2.1 miljard mensen wereldwijd – nog geen toegang tot schoon drinkwater. 3,4 miljard mensen heeft geen toegang tot veilige sanitatie. Deze problemen worden versterkt door een verstoorde mondiale watercyclus als gevolg van klimaatverandering, toegenomen vraag, vervuiling en ontoereikend watermanagement. Waterzekerheid raakt aan alle SDG’s, is een voorwaarde voor sociaal-economische ontwikkeling en gaat hand in hand met het aanpakken van de gevolgen van klimaatverandering.
Door middel van de inzet op water wordt bijgedragen aan de doelstellingen uit het Nederlandse buitenlandbeleid gericht op veiligheid, welvaart en vrijheid. Kern van het waterbeleid is de bijdrage die Nederland wil leveren aan het realiseren van SDG 6 (schoon water en sanitatie voor iedereen) en het voldoen aan onze verplichtingen op het gebied van klimaatfinanciering. Gender is een belangrijke afweging in onze programmering. Vrouwen zijn belangrijke gebruikers en leveranciers van huishoudelijk water, met name in lage inkomenslanden. Tegelijk zijn vrouwen ondervertegenwoordigd in (private) water sector ontwikkeling en beleidsvorming. Betrokkenheid van en leiderschap door vrouwen is essentieel voor het bereiken van duurzame impact in de Nederlandse bijdrage aan waterzekerheid.
Nederland heeft unieke kennis en kunde op gebied van waterbeheer om de problemen op te lossen die wereldwijd steeds meer mensen in ontwikkelingslanden ervaren, zoals de stress van waterschaarste voor landbouw en steden en de schokken van natuurrampen zoals overstromingen en droogte. Duurzaam watermanagement is daarmee urgenter dan ooit en de vraag naar Nederlandse expertise op dit terrein zal toenemen. Dit biedt Nederland een goede ingang voor de versterking van partnerschappen en het spelen van een voortrekkersrol binnen de Europese Unie op dit terrein.
Verbeterd waterbeheer/watermanagement
Voor de bevordering van veiligheid en stabiliteit is de inzet vooral gericht op het versterken van geïntegreerd waterbeheer op landenniveau, al dan niet met grensoverschrijdende aspecten met oog voor spanningen tussen de verschillende belanghebbenden. We verbinden programma’s gericht op ontwikkeling, goed bestuur, vredesopbouw en humanitaire hulp. Daarbij werken we via verschillende multilaterale en internationale uitvoeringsorganisaties en in nauwe samenwerking met of uitvoering door lokale belanghebbenden.
De komende jaren wordt ingezet op het versterken van de koppeling waterzekerheid en welvaart. Daarbij wordt nauw samengewerkt met het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW). Dit gebeurt door programma’s en instrumenten gericht op duurzame economische groei beter aan elkaar te koppelen, in te zetten op de Dutch Diamond en het ondersteunen van een lokale ‘diamond’ benadering waarin bedrijfsleven, overheid, kennisinstellingen en maatschappelijke organisaties samenwerken. Daartoe wordt de coherentie versterkt tussen inzet via de combitracks, de verschillende instrumenten van RVO, Invest International, FMO en de multilaterale ontwikkelingsbanken. Ook is mede op verzoek van ambassades en uitvoeringspartners een publiek privaat samenwerkingsinstrument op watermanagement en voedselzekerheid ontwikkeld.
Nederland zet zich om multilaterale samenwerking op water een impuls te geven. Nederland ondersteunt een coalitie van multilaterale ontwikkelingsbanken en andere partners om gezamenlijk per 2030 waterzekerheid van 1 miljard mensen te verbeteren. Nederland wil in 2027 aan de slag met de resultaten van de VN Waterconferentie van 2026 en om zich strategisch te positioneren voor de conferentie van 2028. Nederland gebruikt deze inzet om de internationale coalitie voor water samenwerking te verbreden en de resultaten duurzaam te bestendigen. Ook zetten we via waterdiplomatie in op een zichtbaar Nederlands profiel op water en bekrachtiging van NL als go-to partner op het gebied van waterkennis en -expertise.
Drinkwater en sanitaire voorzieningen (WASH)
Nederland zet in op het verbeteren van de watersector, nationale waterstrategieën en beleid voor toegang tot drinkwater en sanitaire voorzieningen (WASH). Dit draagt bij aan sociaal-economische ontwikkeling, stabiliteit en veiligheid. Aan verbetering van basisvoorzieningen wordt bijgedragen via bijvoorbeeld het UNICEF-programma Accelerated Sanitation and Water for All dat met name in conflictlanden inzet op systeemversterking op het gebied van klimaatbestendige WASH en voor mensen de toegang tot drinkwater verbetert.
Binnen het drinkwater, sanitatie en hygiëne programma (WASH) richt Nederland zich daarnaast op het aantrekken van financiering en het inzetten van hulp als hefboom voor het mobiliseren van private investeringen in lage- en midden inkomenslanden zodat drinkwater en sanitaire diensten kunnen worden verbeterd. Een voorbeeld daarvan is het Water Sector Fonds van de Europese Investeringsbank. Ook is de inzet gericht op het vergroten van weerbaarheid tegen droogte en overstromingen, middels programma’s als Global Facility for Disaster Reduction and Recovery en Dutch Disaster Risk Reduction.
Nederland investeert bovendien in kennisdeling. Via het WaterWorX programma ondersteunen Nederlandse drinkwaterbedrijven capaciteitsopbouw en kennisontwikkeling van drinkwaterbedrijven in 17 landen wereldwijd, met als doel in 2030 circa 10 miljoen mensen te voorzien van toegang tot schoon drinkwater en sanitaire voorzieningen. Ook kennisinstellingen als IHE-Delft en Riva, en investeringsorganisaties als Aqua4All spelen een rol bij het delen van Nederlandse kennis en kunde en daarmee consistent voorzien in de vraag hiernaar binnen de partnerschappen met diverse landen
2.3 Klimaat
Klimaatverandering heeft een steeds grotere en zichtbare invloed op de ontwikkeling van landen. Vooral de lage- en middeninkomenslanden worden hard geraakt. Dit ondermijnt armoedebestrijding en kan leiden tot instabiliteit. Het tegengaan van de gevolgen van klimaatverandering is daarom weer nadrukkelijk een integraal onderdeel van de BHOS inzet. Vanuit dit artikel worden netwerken en kennis gefinancierd die deze inzet ondersteunen. Een kwart van alle inzet vanuit BHOS pakt ook de gevolgen van klimaatverandering aan of draagt bij aan de energietransitie in landen.
In een wereld van toenemende spanningen en conflicten blijft de aanpak van klimaatverandering een kernprioriteit van het kabinet en van het BHOS-beleid. Nederland wil zijn positie als ambitieuze en betrouwbare klimaatpartner internationaal herstellen en versterken. Daarbij staan drie accenten centraal: het bouwen van coalities en partnerschappen, het vergroten van klimaatweerbaarheid en veiligheid, en het slimmer mobiliseren van publieke én private klimaatfinanciering.
De inzet vanuit dit artikel richt zich op onderwerpen die belangrijk zijn voor de invulling van de internationale verplichtingen op klimaatfinanciering en is aanvullend aan de klimaatrelevante inzet in de bredere begroting (zoals bijvoorbeeld water en voedselzekerheid).
Nederland draagt bij aan vooraanstaande internationale klimaatfondsen zoals het Green Climate Fund (GCF) en Global Environment Facility (GEF). Via deze fondsen wordt mondiaal geïnvesteerd in klimaat, biodiversiteit en natuur. De nadruk ligt daarbij op de inzet in de armste landen.
Voor het stimuleren van private klimaatinvesteringen wordt in 2027 onder andere bijgedragen aan het Dutch Fund for Climate and Development (DFCD), Mobilising Finance for Forests en het Access to Energy Fund (AEF). Ook worden nieuwe instrumenten verkend voor het betrekken van institutionele investeerders bij klimaat en het versterken van thema’s als biodiversiteit en projectontwikkeling.
Daarnaast zet Nederland in op het behoud van bossen en hernieuwbare energie. Het tegengaan van ontbossing en het ondersteunen van landen bij hun energietransitie, inclusief groene waterstof, worden gericht voortgezet via bilaterale en multilaterale kanalen. In 2025 verdween ruim vier miljoen hectare tropisch bos. Het doel om dit in 2030 naar nul te brengen raakt uit beeld. De ondersteuning van landen bij hun energietransitie blijft onverminderd belangrijk. De afsluiting van de straat van Hormuz heeft hier een belangrijk energieleveringszekerheidsaspect aan toegevoegd. Voor bossen en hernieuwbare energie worden zowel via multilaterale organisaties als bilateraal programma’s ontwikkeld. Het mobiliseren van private financiering krijgt vorm via het Mobilising Finance for Forest en het Access to Energy Fund (beide FMO fondsen).
3.3 Artikel 3 Sociale vooruitgang
A. Algemene doelstelling
De bevordering van mondiale gezondheid, toegang tot gezondheidszorg, seksuele en reproductieve gezondheid en rechten (SRGR), vrouwenrechten en gendergelijkheid en de versterking van het maatschappelijk middenveld draagt bij aan veerkrachtige samenlevingen en inclusieve sociaaleconomische ontwikkeling in lage- en middeninkomenslanden, en daarmee aan de bredere doelstellingen van het Nederlandse buitenlandbeleid op het gebied van veiligheid, vrijheden en welvaart. Omdat deze thema’s nauw samenhangen, zet Nederland in op sterke partnerschappen met onder andere maatschappelijke en internationale organisaties, waar mogelijk in EU-verband. Lokaal geleide initiatieven en lokaal zeggenschap staan daarbij centraal.
Nederland spant zich internationaal in om rechten en verworvenheden op het gebied van SRGR, gender en vrouwenrechten te beschermen en versterken. We komen op voor deze rechten via internationale samenwerking en diplomatie Een sterk maatschappelijk middenveld en een open maatschappelijke ruimte, ook in Nederland, is hierbij onmisbaar. We creëren ruimte voor gemarginaliseerde en uitgesloten groepen om op te komen voor hun rechten en deel te nemen aan besluitvorming die hen raakt.
Het beleid richt zich op het bereiken van duurzame verbetering op het gebied van gezondheid, SRGR, vrouwenrechten en maatschappelijke ruimte. Om resultaten te monitoren gebruiken we zowel kwalitatieve als kwantitatieve indicatoren, waaronder het percentage vrouwen in de vruchtbare leeftijd (15-49 jaar) dat moderne voorbehoedsmiddelen gebruikt, of van wie de partner dit doet. Dit is een goede graadmeter voor de voortgang van programma’s op het gebied van SRGR en basisgezondheidszorg. Daarnaast monitoren we waar onze resultaten bijdragen aan goede randvoorwaarden voor duurzame verbetering, zoals hoeveel lokale organisaties zijn bereikt met capaciteitsversterking, welk percentage van de financiering van het Focus-beleidskader rechtstreeks (of door maximaal één intermediaire organisatie) naar lokale organisaties gaat en de mate waarin programma’s lokaal geleid zijn en genderaspecten meegenomen worden in de programmering.
Middels evaluaties wordt de doeltreffendheid en doelmatigheid gemeten. Op de strategische evaluatieagenda staan onder andere de evaluatie van de Product Development Programma’s en de baseline en mid-term evaluatie (MTE) van het Focus-beleidskader (zie bijlage 3). Deze MTE evalueert de effectiviteit van lokaal geleide ontwikkeling en gender mainstreaming en meet resultaten op het gebied van capaciteitsversterking, SRGR en vrouwenrechten en gendergelijkheid.
B. Rol en verantwoordelijkheid
Om deze doelstellingen te realiseren, werken de minister van Buitenlandse Zaken en de minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking o.a. nauw samen met de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, en de staatssecretaris van Onderwijs en Emancipatie.
De minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking is verantwoordelijk voor:
Financieren
– Diverse internationale instellingen en organisaties zoals UNFPA, WHO, UN Women, UNAIDS, GFF, GAVI, Global Fund OESO-DAC die een sleutelrol spelen om mondiale gezondheid, SRGR, vrouwenrechten te agenderen en bevorderen.
– Ondersteuning van lokaal geleide ontwikkeling en stimuleren van zuidelijk zeggenschap door lokale vrouwenrechtenorganisaties in het mondiale zuiden, onder meer via steun vanuit Leading from the South. Hiermee worden in 2026 en 2027 meer dan 300 lokale vrouwenrechtenorganisaties en mensenrechtenverdedigers ondersteund met flexibele financiering om zelf op te komen voor hun rechten, bijvoorbeeld op het gebied van SRGR en gendergelijkheid.
– Lokale en internationale organisaties voor o.a. het bevorderen van de rol van vrouwen in vredesprocessen, het bestrijden van gendergerelateerde desinformatie en van (conflictgerelateerd) seksueel geweld, inclusief het betrekken van mannen hierbij.
– Internationale en nationale maatschappelijke organisaties die zich inspannen voor de toegang tot en bevordering van seksuele en reproductieve gezondheid en rechten.
– Financiering van maatschappelijke organisaties in lage- en midden inkomenslanden door middel van het Focus-beleidskader. De inzet is gericht op het technisch en financieel ondersteunen van, met name lokale, maatschappelijke organisaties, om de diensten te verlenen en de dialoog te kunnen voeren die nodig zijn voor het realiseren van acht thematische beleidsdoelen zoals op het gebied van hiv/aids, het tegengaan van schadelijke praktijken en vrouwen, vrede en veiligheid. Voor elk van de instrumenten geldt dat in de programmering de drie kernelementen van het Focus-beleidskader worden vormgegeven en gemonitord, te weten capaciteitsversterking, lokaal eigenaarschap en gendergelijkheid
Stimuleren
– Gezamenlijk optrekken met gelijkgestemde landen, filantropen, bedrijven, kennisinstellingen en maatschappelijke organisaties om partnerschappen en coalities te bouwen in het licht van de groeiende antirechtenbeweging en pushback op SRGR, LHBTIQ+, gendergelijkheid en vrouwenrechten.
– Inzetten op ambitieuze Europese afspraken op het gebied van vrouwenrechten, gendergelijkheid en SRGR zoals een sterk vierde EU Gender Actieplan dat in 2027 gefinaliseerd zal worden.
– Samenwerking met en stimuleren van andere bilaterale en filantropische bijdragen aan gezamenlijke fondsen en initiatieven, zoals bijvoorbeeld via Leading from the South.
– Waarborgen en beschermen van het belang van een open maatschappelijke ruimte voor het maatschappelijk middenveld wereldwijd, inclusief binnen multilaterale fora.
– Het intensiveren van lokaal geleide samenwerking tussen overheden, kennisinstellingen, maatschappelijke organisaties en de private sector gericht op bovengenoemde doelstellingen.
Regisseren
– Een leidende rol spelen om in gezamenlijkheid met andere landen, andere departementen en maatschappelijk middenveld bestaande internationale afspraken op het gebied van mensenrechten, SRGR en gendergelijkheid te beschermen en actief uit te dragen, zowel multilateraal als bilateraal.
– Nederland blijft pleitbezorger van het verdrag inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld van de Raad van Europa (het Verdrag van Istanbul).
– Coördineren van de uitvoering van het Nationaal Actieplan 1325 over vrouwen, vrede en veiligheid en het agenderen van het belang van deelname en leiderschap van vrouwen in vrede en veiligheidsprocessen.
– In samenwerking met het Ministerie van VWS wordt de implementatie van de Mondiale Gezondheidsstrategie 2023-2030 voortgezet.
Uitvoeren
– Nederland zal een actieve rol spelen in bestuursvergaderingen in internationale (gezondheids)organisaties die Nederland steunt: UNFPA, UNFPA-Supplies, UN Women, WHO, GAVI, GFATM, GFF- juist nu de mondiale gezondheidsarchitectuur onder druk staat en afbreuk wordt gedaan aan SRGR, gendergelijkheid en vrouwenrechten en de positie van LHBTIQ+. Nederland is in 2026 voorzitter van de UNAIDS Programme Coordinating Board en vraagt in die rol o.a. aandacht voor gemarginaliseerde groepen en het maatschappelijk middenveld.
– Bijdragen aan naleving en bevordering van internationale afspraken waaraan Nederland zich heeft gecommitteerd aangaande gezondheid en SRGR, vrouwenrechten en gendergelijkheid, en maatschappelijke organisaties.
C. Beleidswijzigingen
Dit kabinet gaat zich, zoals aangegeven in het coalitieakkoord en de beleidsbrief Buitenlandse Zaken, weer sterker inzetten voor SRGR, vrouwenrechten en gendergelijkheid, en maatschappelijke ruimte. Deze thema’s, inclusief toegang tot veilige abortus, seksuele voorlichting, preventie en behandeling van hiv-aids staan wereldwijd onder druk door groeiende antirechten bewegingen. Dit kabinet maakt hier daarom structureel middelen voor vrij.
Het kabinet kiest ervoor om de Nederlandse bijdrage aan SRGR en gezondheid substantieel te verhogen via een intensivering op begrotingsartikel 3.1. In een internationale context van afnemende ontwikkelingsfinanciering en toenemende druk op fundamentele rechten, beoogt deze intensivering de weerbaarheid van gezondheidssystemen te vergroten en de toegang tot kwalitatieve SRGR zorg voor vrouwen, meisjes en gemarginaliseerde groepen te verbeteren. De aanvullende middelen worden ingezet via het Global Financing Facility (GFF) van de Wereldbank, dat met financiële steun, technische assistentie en beleidsdialoog landen ondersteunt bij het duurzaam financieren van basisgezondheidszorg voor moeders en kinderen en SRGR. Met deze keuze draagt het kabinet bij aan de doelstellingen van het Nederlandse buitenlandbeleid: het versterken van democratische vrijheden, veiligheid en welvaart, en het bevorderen van inclusieve en weerbare samenlevingen.
Voor het jaar 2027 is EUR 36 miljoen beschikbaar voor artikel 3.2 vrouwenrechten en gendergelijkheid; dit houdt een intensivering in van EUR 10 miljoen (bovenop de EUR 26 miljoen die reeds beschikbaar was als gevolg van amendement Hirsch c.s., Kamerstuknr. 36725-XVII-21, en eerdere ophoging middels voorjaarsnota 2026). Deze middelen zullen worden ingezet voor intensivering van de inzet t.a.v. de bestrijding van conflict gerelateerd seksueel geweld en het ontwikkelen van verdere programmering ten aanzien van het bestrijden van (en beschermen tegen) desinformatie op het gebied van vrouwenrechten en gendergelijkheid. Hierbij is ook blijvende aandacht voor het betrekken van jongens en mannen. We blijven daarnaast bijdragen aan belangrijke sleutelorganisaties, in het kader van goed donorschap. De onderbouwing conform de Comptabiliteitswet artikel 3.1 zal het kabinet tijdig aan de Kamer doen toekomen.
Wereldwijd neemt het aantal autocratieën toe. Met de intensivering van EUR 50 miljoen per jaar onder artikel 3.3 wordt ingezet op het versterken van maatschappelijke organisaties, een essentiële pijler van goed-functionerende democratieën. Hiermee wordt bijvoorbeeld het Civic Space Fund heropgericht en projecten specifiek gericht op democratieversterking gefinancierd. Daarbij wordt tevens bezien hoe deze inzet kan worden vormgegeven in EU-verband. Een onderbouwing conform de Comptabiliteitswet artikel 3.1 zal tijdig plaatsvinden middels een Kamerbrief.
We zetten ook in op ruimte voor pleitbezorging en beleidsbeïnvloeding in Nederland: de rol als waakhond van het maatschappelijk middenveld is namelijk essentieel in onze democratische rechtsorde. Dit doen we onder artikel 3.3 met de additionele EUR 750.000 per jaar als gevolg van het amendement-Van Ark c.s. (Kamerstuk 36800-XVII, nr. 6).
Vanaf de begroting 2027 investeert het kabinet opnieuw in onderwijs en wordt begrotingsartikel 3.4 hernoemd naar ‘Onderwijs voor sociale ontwikkeling’. In 2027 wordt opnieuw actief ingezet op financiering van beroeps- en hoger onderwijs en gerichte opleidingsbeurzen om bij te dragen aan goed opgeleid personeel. Deze inzet richt zich daarbij aansluitend op de vraag naar vaardigheden in de prioritaire sectoren in acht combinatielanden en op de behoeften van Nederlandse bedrijven die in deze sectoren actief zijn. Dit draagt bij aan economische kansen voor het partnerland en voor Nederland en vergroting van de welvaart. In het kader van de intensivering van de kabinetsinzet op onderwijs wordt ook de ongeoormerkte kernbijdrage aan UNICEF verhoogd met tenminste EUR 5 miljoen per jaar. UNICEF is een strategische multilaterale partner voor Nederland en speelt onder andere een belangrijke rol bij het vergroten van de toegang tot kwalitatief goed en inclusief onderwijs, in het bijzonder voor kwetsbare kinderen en meisjes. Een onderbouwing conform de Comptabiliteitswet artikel 3.1 wordt op een later moment met de Kamer gedeeld.
D. Budgettaire gevolgen van beleid
Tabel 7 Budgettaire gevolgen van beleid art. 3 Sociale vooruitgang (bedragen x € 1.000)
2025
2026
2027
2028
2029
2030
2031
Art.
Verplichtingen
716.212
1.040.065
686.630
590.839
576.638
356.101
170.621
Uitgaven
668.273
591.904
591.758
731.088
745.053
726.212
661.298
3.1
Mondiale gezondheid en seksuele en reproductieve gezondheid en rechten
486.567
421.839
391.346
454.455
484.827
492.930
482.007
Subsidies (regelingen)
194.276
149.562
127.294
190.718
221.772
238.449
216.527
Mondiale gezondheid en SRGR
194.276
149.562
127.294
190.718
221.772
238.449
216.527
Opdrachten
14.717
36.825
24.975
24.975
24.975
24.975
24.975
Mondiale gezondheid en SRGR
14.717
36.825
24.975
24.975
24.975
24.975
24.975
Bijdrage aan agentschappen
263
142
171
98
96
94
93
Rijksdienst voor ondernemend Nederland
263
142
171
98
96
94
93
Bijdrage aan (inter-)nationale organisaties
277.311
235.310
238.906
238.664
237.984
229.412
240.412
WHO/PAHO
97
8.765
7.955
7.122
7.122
7.122
7.122
Mondiale gezondheid en SRGR
160.670
187.445
144.951
145.542
144.862
136.290
147.290
UNFPA
83.869
25.000
53.700
53.700
53.700
53.700
53.700
UNAIDS
18.200
0
18.200
18.200
18.200
18.200
18.200
Partnershipprogramma WHO
9.975
9.600
9.600
9.600
9.600
9.600
9.600
UNICEF
4.500
4.500
4.500
4.500
4.500
4.500
4.500
Nog te verdelen
0
0
0
0
0
0
0
Nog te verdelen
0
0
0
0
0
0
0
3.2
Vrouwenrechten en gendergelijkheid
34.668
27.000
36.000
42.000
35.800
27.600
30.000
Subsidies (regelingen)
20.546
12.960
23.060
42.000
35.800
27.600
30.000
Vrouwenrechten
20.546
12.960
23.060
42.000
35.800
27.600
30.000
Opdrachten
35
200
100
0
0
0
0
Vrouwenrechten
35
200
100
0
0
0
0
Bijdrage aan (inter-)nationale organisaties
14.087
13.840
12.840
0
0
0
0
Vrouwenrechten
5.253
11.840
10.840
0
0
0
0
UNWOMEN
8.834
2.000
2.000
0
0
0
0
Nog te verdelen
0
0
0
0
0
0
0
Nog te verdelen
0
0
0
0
0
0
0
3.3
Maatschappelijk middenveld
140.281
141.750
141.082
176.633
169.926
174.182
146.291
Subsidies (regelingen)
121.983
108.047
93.167
124.024
117.354
142.751
133.010
Versterking maatschappelijk middenveld
121.983
108.047
93.167
124.024
117.354
142.751
133.010
Opdrachten
1.864
3.707
2.632
2.657
2.632
2.657
2.000
Versterking maatschappelijk middenveld
1.630
3.707
2.632
2.657
2.632
2.657
2.000
Versterking maatschappelijk middenveld Monitoringsfonds
234
0
0
0
0
0
0
Bijdrage aan agentschappen
0
17.946
17.946
17.797
17.790
13.459
4.446
Rijksdienst voor ondernemend Nederland
0
17.946
17.946
17.797
17.790
13.459
4.446
Bijdrage aan (inter-)nationale organisaties
16.434
12.050
27.337
32.155
32.150
15.315
6.835
Versterking maatschappelijk middenveld
16.434
12.050
27.337
32.155
32.150
15.315
6.835
Nog te verdelen
0
0
0
0
0
0
0
Nog te verdelen
0
0
0
0
0
0
0
3.4
Onderwijs voor sociale ontwikkeling
6.757
1.315
23.330
58.000
54.500
31.500
3.000
Subsidies (regelingen)
2.626
0
21.800
50.500
48.000
21.000
2.500
Onderzoeksprogramma's
2.626
0
300
0
0
0
0
Beroeps- en Hoger onderwijs
0
0
21.500
50.500
48.000
21.000
2.500
Opdrachten
2.120
685
500
500
500
500
0
Onderwijs
386
200
0
0
0
0
0
Hoger Onderwijs
1.734
485
0
0
0
0
0
Beroeps- en Hoger onderwijs
0
0
500
500
500
500
0
Bijdrage aan agentschappen
0
0
1.000
1.000
1.000
1.000
500
Rijksdienst voor ondernemend Nederland
0
0
1.000
1.000
1.000
1.000
500
Bijdrage aan (inter-)nationale organisaties
2.011
630
30
6.000
5.000
9.000
0
Onderwijs
2.011
630
30
0
0
0
0
UNICEF
0
0
0
6.000
5.000
9.000
0
Ontvangsten
0
0
0
0
0
0
0
Budgetflexibiliteit
Tabel 8 Budgetflexibiliteit art. 3 Sociale vooruitgang
Artikel 3
Geschatte budgetflexibiliteit
2027
Juridisch verplicht
76%
Bestuurlijk gebonden
12%
Beleidsmatig gereserveerd
12%
Nog niet ingevuld / vrij te besteden
0%
Op artikel 3.1 Gezondheidszorg zijn 78% van alle middelen juridisch verplicht in meerjarige bijdrage-overeenkomsten en beschikkingen. 10% is bestuurlijk verplicht. Bijdrages en subsidies aan multilaterale organisaties beslaan bijna de helft van het budget. D.m.v meerjarige juridische verplichtingen worden GFF, GAVI, GFATM, WHO, UNFPA, UNICEF en UNAIDS gesteund in de uitvoering van hun activiteiten. Via de ambassades worden bijdrages en subsidies verstrekt met behulp van gedelegeerde middelen voor lokale en regionale programma’s. Alle activiteiten zijn in lijn met de Mondiale Gezondheidsstrategie 2023-2030.
Vanuit artikel 3.2 is 69% juridisch verplicht, 31% bestuurlijke gebonden en de rest beleidsmatig gereserveerd. Via dit artikelonderdeel, Vrouwenrechten en gendergelijkheid ontvangt onder andere UN Women een rechtstreekse bijdrage die juridisch verplicht is, alsmede het Ukrainian Women’s Fund, het Leading from the South programma en Equimundo.
Subsidies zijn de voornaamste vorm van financiering in artikel 3.3. Maatschappelijk Middenveld. Bijna het hele budget, 85%,wordt voor 2027 juridisch vastgelegd in subsidiebeschikkingen en bijdrages voor het Focus programma en een klein gedeelte in de vorm van opdrachten voor de monitoring van het kader. Daarnaast worden (aflopende) activiteiten gefinancierd ter versterking van de maatschappelijke ruimte.
Vanaf 2027 investeert het kabinet opnieuw in onderwijs en wordt het bestaande Knowledge Empowers You (KEY)-beurzenprogramma begrotingstechnisch overgebracht naar artikel 3.4 en voor de periode 2027–2030 geïntensiveerd met EUR 7,5 miljoen per jaar. Deze uitgaven zijn nog niet juridisch verplicht maar wel beleidsmatig gereserveerd. Daarnaast wordt de kernbijdrage aan UNICEF vanuit artikel 3.4 meerjarig verhoogd met tenminste EUR 5 miljoen per jaar. Ook deze bijdrage is beleidsmatig gereserveerd.
E. Toelichting op de financiële instrumenten
3.1 Mondiale gezondheid en seksuele en reproductieve gezondheid en rechten
De Nederlandse Mondiale Gezondheidsstrategie 2023-2030 vormt het kader voor de inzet van het kabinet op het terrein van gezondheid in 2026. Het verbeteren van toegang tot primaire gezondheidszorg en seksuele en reproductieve gezondheid en rechten (SRGR) is een belangrijk speerpunt. SRGR redt levens en zorgt er voor dat vrouwen en meisjes zelf keuzes kunnen maken over hun leven en toekomst. Toegang tot goed functionerende klinieken is niet alleen cruciaal om moeder- en kindsterfte tegen te gaan, maar is ook een voorwaarde voor ziektebestrijding en het voorkomen pandemieën.
Conform het Coalitieakkoord is het kabinet voornemens om vanaf 2027 te intensiveren op mondiale gezondheid. De structurele extra financiering voor begrotingsartikel 3.1 komt ten goede aan verstevigde inzet op seksuele en reproductieve gezondheid en rechten en goede zorg voor mensen inclusief veilige bevallingen, anticonceptie, veilige abortus en het tegengaan van hiv/aids; thema’s die onder extra druk staan vanwege internationale bezuinigingen en tegenwerking vanuit anti-rechten bewegingen.
3.2 Vrouwenrechten en gendergelijkheid
Een waardengedreven en realistisch buitenlandbeleid zoals verwoord in de Beleidsbrief Buitenlandse Zaken 2026, betekent ook dat Nederland zich weer internationaal actief zal inzetten voor vrouwenrechten en gendergelijkheid – belangrijke elementen van onze waarden en vrijheden en randvoorwaarden voor inclusieve groei, duurzame stabiliteit en democratie. Dat doen we zowel door stelling te nemen wanneer deze rechten onder vuur liggen, als door organisaties die hier aan werken te ondersteunen. Dit is hard nodig, want deze vrijheden staan steeds meer onder druk: wereldwijd zien we toenemende polarisatie rond gender, SRGR en lhbtiq+-rechten en financiering voor vrouwenrechtenorganisaties neemt verder af.
Dit kabinet stelt daarom structureel middelen beschikbaar voor vrouwenrechten en gendergelijkheid: 10 miljoen extra in 2027 (bovenop de bestaande middelen als gevolg van amendement Hirsch c.s. (Kamerstuknr. 36725-XVII-21) en de voorjaarsnota 2026). In 2028 wordt het budget van artikel 3.2 opgehoogd met 42 miljoen, in 2029 met 35,8 miljoen, in 2030 met 27,6 miljoen en in 2031 met 30 miljoen. Deze middelen worden ingezet ter ondersteuning van internationale en maatschappelijke organisaties met een sleutelrol in het agenderen en bevorderen van vrouwenrechten en gendergelijkheid, waaronder ook steun aan lokale vrouwenrechtenorganisaties in het mondiale zuiden. De intensiveringsmiddelen zullen aangewend worden voor onder andere extra inzet op het tegengaan van conflict-gerelateerd seksueel geweld en het bestrijden van gendergerelateerde desinformatie.
3.3 Maatschappelijk middenveld
Versterking van maatschappelijke organisaties is essentieel als tegenkracht tegen toenemend autoritarisme en als pijler van inclusieve en weerbare democratieën. Het beleidskader Focus (2026–2030) richt zich specifiek op de versterking van deze organisaties. Als gevolg van het amendement Hirsch en De Korte (Kamerstuk 36725-XVII-20) is het budget voor Focus verhoogd tot EUR 600 miljoen. Een deel van deze aanvullende middelen is toegevoegd aan bestaande instrumenten. Een ander deel is gereserveerd voor de versterking van maatschappelijke organisaties die zich inzetten voor goed bestuur, conform de motie Hirsch en De Korte (Kamerstuk 36725-XVII-35). Deze programmering wordt momenteel uitgewerkt. Daarnaast worden de intensiveringsmiddelen (in 2027 EUR 20 miljoen en in de jaren daarna ongeveer EUR 50 miljoen per jaar op artikel 3.3) ingezet voor het versterken van maatschappelijke organisaties en voor projecten die specifiek gericht zijn op het opkomen voor democratische waarden wereldwijd.
3.4 Onderwijs voor sociale ontwikkeling
Vanaf 2027 investeert het kabinet opnieuw in onderwijs en wordt begrotingsartikel 3.4 hernoemd naar ‘Onderwijs voor sociale ontwikkeling’. In het kader van de kabinetsinzet op onderwijs wordt het bestaande Knowledge Empowers You (KEY)-beurzenprogramma begrotingstechnisch overgebracht naar artikel 3.4 en voor de periode 2027–2030 geïntensiveerd met EUR 7,5 miljoen per jaar. Passend binnen de doelstellingen van het combinatiebeleid wordt via het programma Knowledge Empowers You (KEY) geïnvesteerd in beroepsgericht onderwijs via capaciteitsversterking en studiebeurzen in een aantal landen en in specifieke sectoren van gemeenschappelijk belang. Er wordt verder geinvesteerd in strategische beurzen gericht op de semicon-sector. Daarnaast wordt de ongeoormerkte kernbijdrage aan UNICEF verhoogd met tenminste EUR 5 miljoen per jaar tot en met 2030. Hiermee wordt de inzet op beroeps- en hoger onderwijs, opleidingsbeurzen en toegang tot kwalitatief goed en inclusief onderwijs versterkt, waarmee wordt bijgedragen aan de ontwikkeling van menselijk kapitaal, economische kansen en weerbare onderwijssystemen,
3.4 Artikel 4 Vrede veiligheid en duurzame ontwikkeling
A. Algemene doelstelling
Nederland draagt bij aan het bevorderen van veiligheid en het beschermen van vrijheden. De inzet is gericht op drie regio’s: de MENA regio, de Hoorn van Afrika en de Sahel. Daarnaast wordt door steun aan multilaterale en internationale organisatie ook politiek en financieel bijgedragen aan bevordering van vrede, stabiliteit en veiligheid wereldwijd.
Het is in het wederzijdse veiligheidsbelang van ons Koninkrijk en haar partnerlanden om in te zetten op het tegengaan van gewapend conflict en internationale georganiseerde misdaad. We doen dit door de veiligheidssector te helpen versterken zodat politie, leger en overheid beter samenwerken en functioneren (security sector reform). Dit doen we onder meer in aansluiting op de inzet vanuit het ministerie van Justitie en Veiligheid en het ministerie van Defensie en met bijzondere aandacht voor de rol van vrouwen. Ook helpen we in zeer fragiele contexten de voedingsbodem weg te nemen voor grensoverschrijdende bendes of smokkelnetwerken die instabiliteit veroorzaken.
We zetten daarnaast direct in op conflictpreventie door met en via partners een actievere internationale rol te spelen op het terrein van bemiddeling en verzoening.
Om vrijheden van burgers te beschermen, zetten we ook in op het versterken van instituties en openbaar bestuur op een zo inclusieve manier als mogelijk. Sterkere en onafhankelijke instituties dragen bij aan het bevorderen van vertrouwen tussen overheid en burger. Het opkomen voor democratische waarden en het tegengaan van ondermijning (waaronder via desinformatie) zijn daarom een belangrijke pilaar in beleid gericht op het bevorderen van veiligheid en beschermen van vrijheden. In landen ondersteunen we, waar dat mogelijk is, overheden met versterking van (lokaal) inclusief openbaar bestuur. Ook blijven we investeren in een functionerende democratische rechtsorde en (civiele) veiligheidssector waarin vertrouwen tussen burgers en overheden wordt hersteld. In de aanpak van onze partnerorganisaties staan de behoeften en rechten van burgers centraal, inclusief de behoefte van de lokale private sector. Hierdoor worden ook in fragiele contexten de randvoorwaarden gecreëerd voor meer welvaart, vrijheid en daarmee vrede en veiligheid. Voor democratische rechtsorde is de indicator ‘aantal mensen (man/vrouw) dat toegang heeft tot recht via een juridische instelling (formeel of informeel), om zo hun grondrechten te beschermen, strafbare feiten te laten berechten en geschillen te beslechten’, is de streefwaarde voor 2027 gesteld op 450.000 mensen.
In landen in conflict staan we voor de handhaving van het internationaal oorlogsrecht en bescherming van hulpverleners en werken we, complementair aan militaire missies, met civiele inzet ter bescherming van burgers. En in alle fragiele situaties koppelen we noodhulp zoveel mogelijk aan de eerste stappen naar ontwikkeling en (weder)opbouw, onder meer door inzet op overgangsrecht, ontmijning, vredesopbouw en traumaverwerking. Hierbij sluiten we aan bij de bredere veiligheidsagenda van het Kabinet zoals vastgelegd in de Internationale Veiligheidsstrategie.
Op het gebied van menselijke veiligheid is voor de indicator ‘aantal m2 land dat is vrijgegeven als gevolg van humanitaire ontmijningswerkzaamheden’ de streefwaarde voor 2027 10.000.000 m2 land.
Nederland zet in op het verbeteren van duurzame bescherming en perspectieven voor vluchtelingen en gastgemeenschappen met focus op bescherming, onderwijs en werk, gericht op het bevorderen van zelfredzaamheid en veerkracht. De zelfredzaamheid en veerkracht van vluchtelingen en kwetsbare gastgemeenschappen in de regio worden bevorderd door een beperkt aantal interventies met prioriteit aan ontwikkelingsgerichte benaderingen van gedwongen ontheemding, met het oog op duurzame resultaten op de lange termijn. Samenwerking tussen partners en met overheden staat centraal in deze aanpak.
Om voortgang op deze doelstellingen vast te stellen gebruiken we zowel kwalitatieve als kwantitatieve indicatoren voor onze resultaten, waaronder aantal mensen ondersteund in het ontwikkelen van inkomsten genererende activiteiten, waarbij Nederland streeft naar ondersteuning van 34.000 mensen in 2027. Deze indicator vormt een graadmeter voor de voortgang van verbeterde levensomstandigheden en economische kansen voor mensen die gedwongen zijn te vluchten en voor gastgemeenschappen. Daarnaast kijken we bijvoorbeeld naar het aantal mensen dat formeel/ informeel onderwijs en trainingen volgt. Deze indicator vormt een graadmeter voor de voortgang van verbeterde perspectieven voor vluchtelingen en gastgemeenschappen op het gebied van onderwijs. Nederland streeft hierbij naar 400.000 mensen die dergelijk onderwijs en trainingen volgen.
Tevens bevorderen we brede partnerschappen op migratieterrein met prioritaire herkomst-, transit- en opvanglanden, om irreguliere migratie te beperken, bescherming van migranten en vluchtelingen te bevorderen, bij te dragen aan veiligere migratieroutes (onder andere bestaande uit het tegengaan van mensenhandel en mensensmokkel) en terugkeer te bevorderen. Hierbij streven we ernaar samen te werken met landen buiten de EU met als streven zowel oplossingen te bieden voor Nederland, als voor het bredere globale systeem van migratiemanagement. Ten slotte verlenen we noodhulp ter leniging van humanitaire nood wereldwijd. Nederland biedt humanitaire hulp om mensenlevens te redden, menselijk lijden te verzachten en de menselijke waardigheid te beschermen tijdens acute crises zoals oorlogen, epidemieën en natuurrampen.
B. Rol en verantwoordelijkheid
De minister is verantwoordelijk voor:
Financieren
– Programma's en partners op het terrein van vredesopbouw, veiligheid, stabiliteit en versterking van de democratische rechtsorde en goed bestuur. We doen dit onder meer door opbouw van capaciteit van formele en informele mensgerichte rechtspraak (inclusief overgangsrecht) via UNDP, de International Development Law Organization (IDLO), de International Centre for Transitional Justice, Impunity Watch en diverse andere Nederlandse en internationale organisaties. – Ook ondersteunen we de opbouw van lokaal en centraal openbaar bestuur, onder meer door samenwerking met het International Institute for Democracy and Electoral Assistance (International IDEA) en de Vereniging voor Nederlandse Gemeenten.
– Ook zal een extra investering worden gedaan in de stabiliteit en wederopbouw van Syrië.
– De bilaterale middelen voor veiligheid en rechtsorde worden, als gevolg van de taakstelling op posten in fragiele landen, in 2027 nog sterker centraal geprogrammeerd en beheerd, waarbij toch zoveel mogelijk ruimte is ingebouwd voor landenspecifieke programma’s en lokale partners. Het gaat onder meer om programma’s gericht op conflictpreventie, mediation en vredesprocessen, bescherming van mensen en gemeenschappen en versterking van de rechtsketen (inclusief de lokale veiligheidssector).
– Complementair hieraan, en ter ondersteuning van militaire missies en operaties, worden kortlopende activiteiten en de inzet van civiel experts gefinancierd ten laste van het Stabiliteitsfonds (BZ-begroting).
– Nederland kanaliseert het budget voor humanitaire hulpverlening strategisch via grote, gevestigde organisaties zoals de VN, het internationale en Nederlandse Rode Kruis en Nederlandse NGO's (de Dutch Relief Alliance). Hiermee voldoet Nederland aan internationale verplichtingen en heeft het geopolitieke invloed.
– Er bestaat noodzaak om het internationale hulpsysteem efficiënter, veiliger en rechtvaardiger te maken. Omdat het mondiale humanitaire systeem onder druk staat door een recordaantal gelijktijdige crises, investeert Nederland gericht in de volgende drie pijlers: lokaal geleide humanitaire actie, bescherming van mensen en hulpverleners, en humanitaire diplomatie.
– Programma’s gericht op opvang en bescherming van vluchtelingen in de regio, zoals PROSPECTS in de Hoorn van Afrika en MENA regio en programmering in de Afghanistan regio.
– Het financieren van activiteiten die bijdragen aan betere migratiesamenwerking, gericht op het voorkomen, opsporen, onderzoeken en vervolgen van mensenhandel en -smokkel, het verbeteren van toegang tot bescherming voor migranten langs de migratieroute, en het faciliteren van vrijwillige terugkeer van migranten in transit- en opvanglanden en hun duurzame herintegratie in landen van herkomst.
– De intensiveringen uit het Coalitieakkoord op dit thema zullen worden ingezet op versterking van democratische weerbaarheid. De onderbouwing conform de Comptabiliteitswet artikel 3.1 wordt op een later moment naar de Kamer gestuurd. Voor de intensiveringen op het thema migratie en humanitaire hulp zal ook separaat nadere toelichting worden opgesteld.
Stimuleren
– In nauwe samenhang met andere onderdelen van het ministerie van Buitenlandse Zaken maar ook het ministerie van Defensie en het ministerie van Justitie & Veiligheid, wordt sterker ingezet op het voorkomen van gewelddadig extremisme door versterking van goed bestuur in de veiligheidssector, stabilisatieprogramma’s en het tegengaan van desinformatie. De focus van deze programmering ligt vooral op West-Afrika. Hierbij wordt nauw samengewerkt met gelijkgezinde landen.
– Financieringsinstrumenten waarin het borgen van vrijheden van alle mensen (inclusief het maatschappelijk middenveld) centraal staan uit zowel de BHOS- als BZ-begroting, worden niet alleen geïntensiveerd maar ook beter op elkaar afgestemd en aangesloten op een sterkere diplomatieke inzet, zowel in Europa als daarbuiten.
– Inclusieve vredesopbouw om met een lange-termijn benadering de spiraal van geweld te doorbreken. Hierbij stimuleert het Kabinet een inclusieve, lokaal geleide en participatieve benadering, waarbij burgers en gemeenschappen actief richting geven aan vredesopbouw en veiligheidsbeleid.
– Verandering en hervorming bij noodhulporganisaties om efficiënter en effectiever te werken en om de onderlinge samenwerking en coördinatie te versterken.
– Vergroten van paraatheid voor tijdige en effectieve rampenrespons.
– Het versterken van het humanitaire systeem, inclusief versterking van de positie en capaciteit van lokale en nationale actoren, inclusief de veiligheid van hulpverleners. En het aanjagen van een dialoog om risico’s bij humanitaire actie beter te verdelen.
– Versterking van de opvang en bescherming van vluchtelingen in de regio, door inzet op betere bescherming en een sterkere rechtspositie voor vluchtelingen (inclusief toegang tot werk), meer en betere voorzieningen en het stimuleren van economische ontwikkeling en banengroei. Om vluchtelingen en kwetsbare gastgemeenschappen zelfredzamer en weerbaarder te maken, wordt specifiek ingezet op het aanbieden van formeel en informeel onderwijs en trainingen, en het stimuleren van inkomsten genererende activiteiten, conform de indicatoren. Speciale aandacht gaat uit naar vrouwen en jongeren.
– Toewerken naar een rechtvaardiger asiel- en migratiesysteem waarbij de mensenrechten van migranten verankerd en geborgd zijn en de noodzaak om gevaarlijke migratieroutes te nemen wordt weggenomen, door in EU-verband in te zetten op innovatieve oplossingen voor migratiemanagement waaronder terugkeer- en transithubs.
– Het versterken van internationaalrechtelijke kaders en normen voor migratiemanagement, inclusief terugkeer van mensen zonder verblijfsrecht, het tegengaan irreguliere migratie en de bescherming van de rechten van migranten inclusief vluchtelingen.
Regisseren
– Betere samenwerking op landenniveau tussen partners die werken op het terrein van veiligheid, rechtsorde en goed bestuur (zoals UNDP, IDLO, IOM, DCAF en de Wereldbank) waarbij wordt ingezet op systemen die de mens centraal zetten (in plaats van instituties en regels) via het investeren in onderlinge samenwerking en dialoog.
– Zorgen dat alle inzet in fragiele contexten conflict-sensitief gebeurd, zodat toegang tot basisdiensten zoals water, voedselzekerheid en gezondheid eerlijk en inclusief worden ingericht en bestuurt en zo nieuwe conflicten voorkomt. Dit vergroot het vertrouwen in de overheid en maatschappij en draagt bij aan het wegnemen van grondoorzaken voor instabiliteit.
– Met een BZ-brede «mediation support unit» wordt ondersteuning aan en voor conflictbemiddeling strategischer vormgegeven en ingezet zodat Nederland zich waar nodig en van belang kan positioneren als diplomatieke actor gericht op het voorkomen van escalatie en het beëindigen van (dreigende) conflicten via conflictpreventie en bemiddeling.
– Politieke, juridische en financiële inzet zal gericht worden ingezet voor de handhaving en bevordering van het humanitair oorlogsrecht en de humanitaire principes, zoals de bescherming van hulpverleners. Het vergroten van effectiviteit van humanitaire hulpverlening door onder andere het steunen en stimuleren van hervormingen van het humanitaire systeem in gang zijn gezet. Nederland werkt hiertoe samen met de VN, het Rode Kruis, NGO's en de Europese Commissie Office for Humanitarian Aid Department (ECHO) en EU-lidstaten.
– Voortzetting van de dialoog met opvanglanden en internationale organisaties om vluchtelingen toegang te geven tot nationale systemen (onderwijs, banen, gezondheidszorg).
C. Beleidswijzigingen
Het kabinet wil zich sterker inzetten voor het beschermen en versterken van democratische principes wereldwijd. Nederland heeft belang bij een wereld die stoelt op democratische waarden. Landen die deze waarden respecteren, beschermen eerder de internationale rechtsorde en dragen bij aan een systeem dat is gebaseerd op afspraken in plaats van het recht van de sterkste. Goed functionerende democratieën zijn bovendien cruciaal voor een duurzame aanpak van grensoverschrijdende criminaliteit, cyberaanvallen en terrorisme – problemen die ook Nederland raken. Door het opkomen voor democratische waarden nadrukkelijk onderdeel te maken van de agenda. De inzet zal mede door versterking van partnerschappen met landen uit mondiale Zuiden worden vormgegeven. Door het opkomen voor democratische waarden nadrukkelijk onderdeel te maken van de agenda kan Nederland bovendien, samen met Europese partners, de externe dimensie van de Europese democratieagenda verder versterken. Hiertoe wordt het budget op artikel 4.3 in 2027 met EUR 39 miljoen opgehoogd. Een onderbouwing conform de Comptabiliteitswet artikel 3.1 zal middels een Kamerbrief op een later moment worden gedeeld.
Om de grootste humanitaire nodigen te lenigen kiest het kabinet ervoor om extra in humanitaire hulp te investeren. Hiertoe wordt het budget op 4.1 in 2027 met EUR 28 miljoen opgehoogd, in 2028 met 108 miljoen, in 2029 met 104,2 miljoen, in 2030 met 67 miljoen en in 2031 met 21 miljoen. Daarmee kunnen humanitaire organisaties meer mensen in nood bereiken. Een onderbouwing conform de Comptabiliteitswet artikel 3.1 zal plaatsvinden via de humanitaire beleidsbrief die tezamen met de humanitaire hulpbrief 2027 in het eerste kwartaal van 2027 aan de Kamer wordt aangeboden. Het kabinet wil daarnaast actiever optreden in het bestrijden van het toenemende geweld tegen internationale hulpverleners en de krimpende humanitaire ruimte, via diplomatie, sancties en internationaal recht, terwijl tegelijk meer wordt geïnvesteerd in hun fysieke én mentale veiligheid.
In lijn met de afspraken uit het coalitieakkoord herstelt het kabinet de financiering aan UNRWA. Deze door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties gemandateerde organisatie levert essentiële basisdiensten aan Palestijnse vluchtelingen in Gaza, de Westelijke Jordaanoever, Jordanië, Libanon en Syrië. Het is van groot belang dat alle mogelijke hulp zo efficiënt en effectief mogelijk de mensen in Gaza en in de bredere regio kan bereiken. Het kabinet zet zich dan ook in om via bestaande structuren de hulp te ondersteunen, o.a. via UNRWA. De organisatie heeft de infrastructuur en een netwerk van lokale staf die diensten als gezondheidszorg en onderwijs kunnen verlenen. Door het leveren van basisdiensten aan Palestijnse vluchtelingen draagt UNRWA bij aan betere leefomstandigheden en stabiliteit in de regio. Met de huidige situatie in de regio en de druk op de lokale systemen, is UNRWA nodig om de noden te verlichten voor de Palestijnse vluchtelingen.
D. Budgettaire gevolgen van beleid
Tabel 9 Budgettaire gevolgen van beleid art. 4 Vrede veiligheid en duurzame ontwikkeling (bedragen x € 1.000)
2025
2026
2027
2028
2029
2030
2031
Art.
Verplichtingen
483.543
2.038.847
643.375
881.241
1.701.690
825.854
1.207.321
Uitgaven
1.015.246
1.322.834
1.181.280
1.337.284
1.447.887
1.360.788
1.228.424
4.1
Humanitaire Hulp
528.300
606.377
471.557
562.002
598.530
553.145
506.373
Subsidies (regelingen)
167.079
142.500
120.273
126.273
124.273
125.273
120.273
Noodhulpprogramma's
167.079
142.500
120.273
126.273
124.273
125.273
120.273
Bijdrage aan (inter-)nationale organisaties
361.221
463.877
351.284
435.729
474.257
427.872
386.100
Noodhulpprogramma's
242.221
323.860
244.267
318.712
359.240
306.855
271.083
Noodhulpprogramma's non-ODA
0
1.017
1.017
1.017
1.017
1.017
1.017
UNHCR
39.000
45.000
33.000
36.000
35.000
36.000
35.000
UNRWA
15.000
19.000
19.000
19.000
19.000
19.000
19.000
Wereldvoedselprogramma
65.000
75.000
54.000
61.000
60.000
65.000
60.000
Nog te verdelen
0
0
0
0
0
0
0
Nog te verdelen
0
0
0
0
0
0
0
4.2
Migratie en Ontheemding
306.950
436.315
415.080
420.775
480.826
470.214
449.590
Subsidies (regelingen)
18.750
18.350
16.381
13.251
12.816
12.816
12.816
Opvang in de regio
15.005
15.350
13.423
10.293
9.858
9.858
9.858
Migratie en ontwikkeling
3.745
3.000
2.958
2.958
2.958
2.958
2.958
Bijdrage aan (inter-)nationale organisaties
288.200
417.965
398.699
407.524
468.010
457.398
436.774
Opvang in de regio
228.100
337.965
323.699
326.524
360.010
349.398
328.774
Migratie en ontwikkeling
60.100
80.000
75.000
81.000
108.000
108.000
108.000
Nog te verdelen
0
0
0
0
0
0
0
Nog te verdelen
0
0
0
0
0
0
0
4.3
Veiligheid democratische rechtsorde
179.996
280.142
294.643
354.507
368.531
337.429
272.461
Subsidies (regelingen)
83.270
105.874
93.412
91.724
102.884
102.884
102.884
Legitieme stabiliteit
8.500
16.500
12.684
12.684
12.684
12.684
12.684
Inclusieve vredes- en politieke processen
32.059
31.000
30.412
21.624
26.099
26.099
26.099
Functionerende rechtsorde
42.711
58.374
50.316
57.416
64.101
64.101
64.101
Opdrachten
473
750
350
350
350
350
350
Inclusieve vredes- en politieke processen
448
750
350
350
350
350
350
Functionerende rechtsorde
25
0
0
0
0
0
0
Bijdrage aan (inter-)nationale organisaties
96.253
173.518
200.881
262.433
265.297
234.195
169.227
Legitieme stabiliteit
0
37.500
30.000
41.600
38.600
47.500
30.000
Functionerende rechtsorde
62.885
80.958
113.699
152.103
157.792
107.790
83.922
Inclusieve vredes- en politieke processen
33.368
55.060
57.182
68.730
68.905
78.905
55.305
Nog te verdelen
0
0
0
0
0
0
0
Nog te verdelen
0
0
0
0
0
0
0
Ontvangsten
0
0
0
0
0
0
0
Budgetflexibiliteit
Tabel 10 Budgetflexibiliteit art. 4 Vrede veiligheid en duurzame ontwikkeling
Artikel 4
Geschatte budgetflexibiliteit
2027
Juridisch verplicht
77%
Bestuurlijk gebonden
2%
Beleidsmatig gereserveerd
21%
Nog niet ingevuld / vrij te besteden
0%
De programmering onder artikel 4 bestaat uit meerjarige juridische overeenkomsten waaruit een verdeling van de uitgaven over de jaren plaatsvindt waarvoor de overeenkomst is aangegaan. In 2027 is (van artikelonderdeel 4.1) 80 % juridisch verplicht en 20 % beleidsmatig gereserveerd. De verplichtingen betreffen onder andere de bijdragen aan VN-organisaties (WFP, UNHCR, UNRWA), CERF, UNICEF-thematische humanitaire financiering en UNOCHA. Subsidies aan de Dutch Relief Alliance en het Rode Kruis zijn t/m 2031 toegekend. Daarnaast zijn er subsidies uit hoofde van het subsidiebeleidskader «Versterking van de Humanitaire Sector 2024–2027» t/m 2027 toegekend.
Voor artikel 4.2 Migratie en Ontheemding liggen de middelen ook meerjarig juridisch vast, 81% voor 2027. Het betreft hier met name het PROSPECTS programma (2024-2027), COMPASS (t/m 2027) en programmering in de Afghanistan regio (t/m 2027). Vanaf 2028 wordt hiervoor nieuwe, meerjarige programmering voorzien welke als beleidsmatig gereserveerd is opgenomen. Subsidies die zijn toegekend op het subsidiebeleidskader «Migration and Displacement 2023-2028» lopen uiterlijk tot en met 2029. De start van een nieuwe subsidiebeleidskader is vooralsnog voorzien voor 2029. De overige 19% zijn bijna volledig beleidsmatig gereserveerd. Dit betreft met name inzet ten behoeve van het Global Concessional Finance Facility (GCFF) van de Wereldbank, een innovatief financieringsinstrument dat giften of leningen onder gunstige voorwaarden verstrekt aan midden-inkomenslanden zoals Moldavië en Armenië die geen toegang hebben tot concessionele leningen.
De programma's op het gebied van veiligheid en democratische rechtsorde (artikel 4.3) zijn voor ca 68% juridisch verplicht. Bestuurlijk is ca. 8% verplicht, dit betreft landenprogramma’s waarvoor de ambassades middelen gedelegeerd hebben gekregen. De 24% is beleidsmatig gereserveerd.
De juridisch verplichte subsidies verstrekt uit centrale middelen betreft onder meer het strategische partnerschap met VNG-I. In 2024 zijn subsidies toegekend onder het subsidie-beleidskader ‘Contributing to safe and peaceful societies’.
De juridisch verplichte bijdragen verstrekt uit centrale middelen voor veiligheid en rechts-staatontwikkeling betreft o.a. het VN Peace Building Fund. Hiernaast zijn bijdragen voor veiligheid en rechtsorde verplicht aan het UN programma Global Programme Rule of Law & Human Rights, UNDP-DPPA Joint programme conflict prevention, het Multi-Year Appeal van UNDPPA, IDEA, ICMP en IDLO.
E. Toelichting op de financiële instrumenten
4.1 Humanitaire Hulp
Onder dit artikel vallen:
– Ongeoormerkte bijdragen aan het wereldwijde VN-noodhulpfonds Central Emergency Response Fund (CERF), UN-OCHA, het thematisch humanitair fonds van UNICEF en het Internationale Comité van het Rode Kruis (ICRC) ten behoeve van de snelle beschikbaarheid en flexibiliteit van humanitaire hulp;
– Ongeoormerkte bijdragen aan UNHCR, UNRWA, en WFP, eveneens ten behoeve van snelle beschikbaarheid en flexibiliteit;
– Crisis specifieke bijdragen aan VN-organisaties, het (Internationale) Rode Kruis en subsidies aan Nederlandse NGO’s (Dutch Relief Alliance-DRA);
– Subsidies ter versterking van de humanitaire sector, Dit betreft onder andere verbetering van humanitaire toegang en veiligheid voor hulpverleners.
– Bijdragen ten behoeve van de integratie van specifieke thema’s in humanitaire hulp, zoals geestelijke gezondheid en psychosociale steun;
– Bijdragen en opdrachten ten behoeve van kennis en trainingen (internationaal) op het gebied van Humanitaire Hulp waaronder Humanitaire toegang.
Zoals gebruikelijk informeert het kabinet de Tweede Kamer aan het begin van het nieuwe begrotingsjaar over de humanitaire crises en de Nederlandse financiële en diplomatieke inzet op het gebied van humanitaire hulp en kijkt daarbij ook terug op het voorgaande jaar. Om de grootste humanitaire nodigen te lenigen kiest het kabinet ervoor om extra in humanitaire hulp te investeren. Hiertoe wordt het budget op 4.1 in 2027 met EUR 28 miljoen opgehoogd, in 2028 met 108 miljoen, in 2029 met 104,2 miljoen, in 2030 met 67 miljoen en in 2031 met 21 miljoen.
4.2 Migratie en Ontheemding
Opvang en bescherming in de regio
Via financieringsinstrumenten draagt Nederland bij aan het bieden van zowel basisvoorzieningen (sanitatie, bescherming) als het langere termijnperspectief (educatie, banen) aan vluchtelingen, intern ontheemden en kwetsbare gastgemeenschappen in landen die grote aantallen vluchtelingen opvangen. Hiermee wordt de weerbaarheid en zelfredzaamheid van mensen versterkt en vermindert de noodzaak van doorreis. In 2027 worden hier aanvullende middelen voor vrijgemaakt en wordt het begrotingsartikel 4.2 hernoemd naar Migratie en Ontheemden.
Nederland draagt bij aan een strategisch samenwerkingskader met vijf internationale organisaties waarbinnen landen specifieke programma’s worden uitgewerkt, met de focus op onderwijs en werk voor vluchtelingen en kwetsbare lokale bevolking. Dit zogenaamde PROSPECTS programma voorziet in een strategische beleidsdialoog tussen het kabinet en deze organisaties die een voortrekkersrol spelen bij de transformatie van een aanpak humanitaire hulp naar blijvende ontwikkeling in landen die veel vluchtelingen opvangen.
Nederland bouwt voort op de in het verleden en recent doorgevoerde bijdragen aan bijvoorbeeld Moldavië en Armenië via de Global Concessional Finance Facility (GCFF) van de Wereldbank, een innovatief financieringsinstrument dat giften of leningen onder gunstige voorwaarden verstrekt aan midden-inkomenslanden die geen toegang hebben tot concessionele leningen en wel bijdragen aan het opvangen van vluchtelingen uit bijvoorbeeld Oekraïne.
Nederland steunt ook via subsidies programma’s gericht op onderwijs voor vluchtelingenkinderen, toegang tot voorzieningen, bescherming van kwetsbare groepen en werk voor vluchtelingen en kwetsbare gastgemeenschappen.
Migratiesamenwerking
Nederland draagt in het kader van migratiesamenwerking via bijdragen en subsidies bij aan programma’s voor migratie en ontwikkeling op het gebied van migratiemanagement, betere bescherming en perspectieven voor vluchtelingen en gastgemeenschappen, tegengaan van uitbuiting en mishandeling van migranten, bestrijding mensensmokkel/-handel, datacollectie en onderzoek, voorkomen van irreguliere migratie en het bevorderen van terugkeer en herintegratie.
Daarnaast worden bijdragen verleend aan de vrijwillige terugkeer uit Nederland en de herintegratie in hun eigen land van ex-asielzoekers uit ontwikkelingslanden. Dat gebeurt via de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM) en maatschappelijke organisaties.
Het budget voor migratiesamenwerking wordt tevens ingezet om de migratiepartnerschappen vorm te geven die Nederland heeft met een aantal landen die van grote relevantie zijn wat migratie betreft. Er wordt ook ingezet op verbreding van deze bilaterale migratiepartnerschappen, waartoe middelen vanuit andere begrotingsonderdelen worden ingezet in het kader van migratiesamenwerking.
4.3 Veiligheid en Democratische Rechtsorde
Vanuit dit beleidsartikel wordt bijgedragen aan de veiligheid, vrijheid en bescherming van mensen en gemeenschappen. Dit doen we door het stabiliseren van gemeenschappen en het voorkomen en oplossen van conflict en vredesopbouw. Daarbij wordt aan ook het herstellen van democratische rechtsorde, goed bestuur en (dus) vertrouwen gewerkt. Daarom wordt het begrotingsartikel 4.3 hernoemd naar 'Veiligheid en Democratische Rechtsorde'. De inzet is gericht op drie regio’s: de MENA regio, de Hoorn van Afrika en de Sahel/West Afrika. Hier vinden immers 80% van alle conflicten plaats die consequenties hebben voor Europa en Nederland. Ook blijven we actief in Oekraïne.
Middelen op dit beleidsartikel wordt voor het overgrote deel besteed via subsidies aan een mix van Nederlandse en internationale NGO’s. Hierin wordt nauw opgetrokken met bijvoorbeeld het Ministerie van Justitie en Veiligheid, Ministerie van Defensie en Ministerie van BZK, om complementariteit te zoeken rondom specifieke veiligheids- en democratiseringsuitdagingen.
De inzet op dit beleidsartikel wordt vanaf 2027 verder geïntensiveerd ten behoeve van een extra inzet op democratische weerbaarheid. Ook zal vanuit de nexus ‘Hulp, Vrede en Ontwikkeling’ extra worden ingezet op transitional justice en op ontmijning, vooral in landen die uit een conflict komen, zoals Syrië.
Ten slotte is er steun voor multilaterale organisaties. Met een nieuwe meerjarige bijdrage aan UN Peacebuilding fund wordt bijgedragen aan vredesopbouw en democratische weerbaarheid wereldwijd. Een bijdrage aan het State and Peacebuilding fund van de Wereldbank wordt gebruikt als hefboom om de inzet van de Wereldbank in fragiele landen te versterken.
3.5 Artikel 5 Multilaterale samenwerking en overige inzet
A. Algemene doelstelling
Dit kabinet staat pal voor een sterk en goed functionerend multilateraal systeem en een gezaghebbende internationale rechtsorde en beschouwt de bescherming en versterking daarvan als prioriteit. Nederland stelt zich daarom op als een actieve en betrouwbare partner in multilaterale samenwerking, in EU-verband en in samenwerking met andere partners, en zet zich in voor het verdedigen en uitdragen van multilateraal overeengekomen afspraken. Die betrokkenheid vertaalt zich concreet in verdiepte samenwerking op het snijvlak van ontwikkeling en noodhulp; in het bevorderen van ongeoormerkte financiering als blijk van vertrouwen in multilaterale instellingen en de bescherming van normen en waarden, zoals gendergelijkheid en seksuele en reproductieve gezondheid en rechten, in lijn met het Beleidskader Mondiaal Multilateralisme. Onderdeel van dit beleidsartikel is ook het bevorderen van maatschappelijke betrokkenheid in Nederland; inzet van cultuur en sport binnen internationale samenwerking, en niet-militaire steun aan Oekraïne.
B. Rol en verantwoordelijkheid
De minister is verantwoordelijk voor:
Financieren
– Het bijdragen met kwaliteitsfinanciering aan het VN-ontwikkelingssysteem, via pooled financieringsmechanismen, en kernfinanciering aan organisaties die een belangrijke systeemfunctie hebben binnen de multilaterale ontwikkelingsarchitectuur.
– Het ondersteunen van prioritaire VN-organisaties door middel van het Nederlandse Junior Professional Program (Assistent Deskundigen Programma).
– Het in internationaal verband deelnemen aan kapitaalaanvullingen en middelenaanvullingen van de regionale ontwikkelingsbanken en hun fondsen voor de meest kwetsbare landen.
– Het verlenen van schuldverlichting via de Wereldbank en regionale ontwikkelingsbanken, inclusief technische assistentie en capaciteitsopbouw
– Ondersteunen van de internationale sportstrategie ten behoeve van sociale ontwikkeling.
– Niet-militaire steun aan Oekraïne via verschillende kanalen en fondsen.
Stimuleren
– Het leveren van een bijdrage in relevante fora aan het overleg over de hervorming van de multilaterale ontwikkelingsarchitectuur, om zo coherentie en effectiviteit te verbeteren.
– In lijn met het VN hervormingstraject (VN80-initiatief) zal daarbij in 2027 de nadruk liggen op versterken van VN-coördinatie in ontwikkelingslanden en de hervorming van UNAIDS.
– Het toezien op de uitvoering door multilaterale organisaties van strategische aanwijzingen die de lidstaten in de VN opstellen. Daarbij gaat speciale aandacht uit naar 1) het beschermen van het normatieve mandaat van de organisaties, 2) coördinatie en samenwerking tussen de organisaties, 3) versterkte toezichtsystemen die organisaties in staat stellen fraude, corruptie en grensoverschrijdend gedrag te voorkomen, tijdig te detecteren en correct op te volgen, en 4) het toekomstbestendig maken van de organisaties.
– Het bevorderen van een efficiëntieslag door binnen de multilaterale ontwikkelingsarchitectuur in te zetten op verbeterde coördinatie door multilaterale organisaties op hoofdkantoor- en landenniveau en verdere integratie van de administratieve functies (back office) van verschillende VN-organisaties.
– Internationaal en nationaal een bijdrage leveren aan de implementatie en monitoring van de Duurzame Ontwikkelingsagenda en de Financing for Development agenda, onder andere door multilaterale organisaties te stimuleren de uitvoering gezamenlijk op te pakken.
– In de relevante multilaterale instellingen een bijdrage leveren aan verbetering van de houdbaarheid van schulden.
– Het bij (regionale) ontwikkelingsbanken pleiten voor sterke standaarden en governance (o.a. het belang van versterken onafhankelijke evaluatieafdelingen. Opvolging aanbeveling IOB Periodieke Rapportage over multilaterale samenwerking).
– Het pleiten voor een gezonde kapitaalpositie van de regionale ontwikkelingsbanken.
Regisseren
– De coördinatie van de rijksbrede multilaterale inzet op het terrein van ontwikkelings- en noodhulp om het VN systeem te beschermen door het bewaken van de onafhankelijkheid en normatieve mandaten van VN-entiteiten, de Nederlandse en Europese stem in het systeem te versterken door vroegtijdige positiebepaling, actieve coalitievorming met gelijkgestemde landen, en het strategisch inzetten van financiële bijdragen als hefboom voor beleidsinvloed in relevante VN-fora, alsook het doorvoeren van gerichte hervormingen, met als concrete prioriteiten betere VN-coördinatie op landenniveau en een ordelijke en effectieve transitie van UNAIDS.
– Bevorderen van nakomen tussen de VN en Lidstaten gemaakte afspraken in de Funding Compact, o.a. het bewaken van een balans tussen kern- en geoormerkte financiering (minimaal 30% kernfinanciering) aan VN-entiteiten en het bevorderen van bijdragen aan pooled funds, evt. op landenniveau, i.p.v. geoormerkte programma’s aan afzonderlijke ontwikkelingsentiteiten.
– De coördinatie van de nationale rijksbrede implementatie van de Sustainable Development Goals (SDG’s), met als concrete uitkomsten: de presentatie van Nederland, samen met de landen in het Koninkrijk, van de Vrijwillige Nationale Review bij de VN over de nationale en Koninkrijks SDG-implementatie in 2027 en actieve Nederlandse deelname aan het VN High-Level Political Forum (HLPF).
C. Beleidswijzigingen
Uitwerken van de Nederlandse inzet, in EU-verband, ten behoeve van de post-2030 SDG agenda waarvoor onderhandelingen in 2027 starten.
Ter bevordering van een stabiele financiering van het VN-ontwikkelingssysteem wordt de dalende trend omgebogen en weer toegewerkt naar de doelstellingen van het VN Funding Compact, waarbij 30% van de Nederlandse financiering aan VN-Ontwikkelingsorganisaties als kernbijdragen worden besteed (zie aanbevelingen IOB Periodieke Rapportage over multilaterale samenwerking).
Dit kabinet erkent opnieuw het belang van cultuur binnen het domein van internationale samenwerking, om middels culturele uitingen sociale, democratische en kansrijke samenlevingen te stimuleren, en het Nederlandse koloniale en slavernijverleden bespreekbaar te maken.
Om meerjarige planning van de niet-militaire steun aan Oekraïne mogelijk te maken, zijn de middelen overgeheveld zoals die nog beschikbaar waren op de Aanvullende Post: namelijk EUR 231 miljoen in 2027, EUR 321 miljoen in 2028 en EUR 326 miljoen in 2029. Voor 2027 wordt de gebruikelijke reserve aangehouden om te kunnen inspringen op urgente noden (EUR 37 miljoen), terwijl er een hogere reserve is aangehouden voor 2028 en 2029 t.b.v. voldoende flexibiliteit in de inzet. Bij de Miljoenennota 2027 is ook aanvullend budget beschikbaar gemaakt. Het betreft EUR 149 miljoen voor 2027, EUR 89 miljoen voor 2028 en wederom EUR 89 miljoen voor 2029. Thematisch wordt de inzet voortgezet op de onderwerpen die al langer steun ontvangen, waarbij het uitgangspunt blijft daar bij te dragen waar de noden van Oekraïne het hoogste zijn.
D. Budgettaire gevolgen van beleid
Tabel 11 Budgettaire gevolgen van beleid art. 5 Multilaterale samenwerking en overige inzet (bedragen x € 1.000)
2025
2026
2027
2028
2029
2030
2031
Art.
Verplichtingen
138.113
740.018
448.206
589.313
912.000
136.668
50.326
Uitgaven
493.209
419.946
630.135
717.420
722.586
335.630
250.392
5.1
Multilaterale samenwerking
195.128
144.697
139.552
150.052
156.052
153.566
153.331
Subsidies (regelingen)
100
0
0
0
0
0
0
Speciale multilaterale activiteiten
100
0
0
0
0
0
0
Opdrachten
1.054
0
0
0
0
0
0
Assistent deskundigenprogramma
1.054
0
0
0
0
0
0
Bijdrage aan (inter-)nationale organisaties
193.974
144.697
139.552
150.052
156.052
153.566
153.331
UNIDO
1.843
1.950
1.950
1.950
1.950
1.950
1.950
UNDP
34.000
10.000
10.000
10.000
10.000
10.000
10.000
UNICEF
38.806
10.000
10.000
10.000
13.000
13.000
13.000
Speciale multilaterale activiteiten
8.606
7.217
5.883
16.560
21.563
19.077
18.842
Assistent deskundigenprogramma
3.648
4.500
4.500
4.500
4.500
4.500
4.500
Internationale Financiële Instellingen
6.834
6.764
4.824
4.324
4.324
4.324
4.324
Middelenaanvullingen multilaterale banken en fondsen
91.663
94.479
93.160
93.483
91.480
91.480
91.480
Kapitaalaanvullingen bij regionale ontwikkelingsbanken
8.574
9.787
9.235
9.235
9.235
9.235
9.235
Nog te verdelen
0
0
0
0
0
0
0
Nog te verdelen
0
0
0
0
0
0
0
5.2
Overig armoedebeleid
87.124
64.487
106.670
105.605
107.759
105.080
96.561
Subsidies (regelingen)
4.610
3.757
7.835
9.229
7.293
9.293
3.993
Kleine activiteiten posten en cultuur en ontwikkeling
3.940
3.107
7.194
8.588
6.652
8.652
3.352
Nationale SDG implementatie
670
650
641
641
641
641
641
Opdrachten
64
126
290
290
290
290
290
Nationale SDG implementatie
64
126
290
290
290
290
290
Bijdrage aan (inter-)nationale organisaties
82.450
60.604
98.545
96.086
100.176
95.497
92.278
UNESCO
3.959
4.400
4.400
4.400
4.400
4.400
4.400
Diverse ondersteunende activiteiten
13.235
1.011
40.841
37.979
32.064
27.385
24.166
Kleine activiteiten posten en cultuur en ontwikkeling
1.935
1.792
400
400
300
300
300
Schuldverlichting
55.245
52.019
52.402
53.189
63.275
63.275
63.275
Voorlichting op het terrein van Ontwikkelingssamenwerking
76
123
93
118
137
137
137
Verdragsmiddelen Suriname
8.000
1.259
409
0
0
0
0
Nog te verdelen
0
0
0
0
0
0
0
Nog te verdelen
0
0
0
0
0
0
0
5.3
Oekraïne (XVII)
210.957
342.600
384.200
399.200
397.250
0
0
Subsidies (regelingen)
6.001
17.600
66.200
49.200
42.000
0
0
Private Sector Ondersteuning
0
10.600
57.200
45.200
38.000
0
0
Humanitaire hulp
0
5.000
0
0
0
0
0
Verbeteren drinkwater en sanitatie
6.001
2.000
9.000
4.000
4.000
0
0
Opdrachten
3.663
19.635
0
0
0
0
0
Energieherstel
3.663
19.635
0
0
0
0
0
Bijdrage aan agentschappen
293
365
0
0
0
0
0
Rijksdienst voor ondernemend Nederland
293
365
0
0
0
0
0
Bijdrage aan (inter-)nationale organisaties
201.000
305.000
116.500
145.500
135.500
0
0
Humanitaire hulp
25.000
29.000
18.000
17.000
16.000
0
0
Steun en wederopbouw Oekraïne via IFIs
110.000
172.000
70.000
96.000
86.000
0
0
Energieherstel
66.000
67.000
16.000
15.000
15.000
0
0
Legitieme stabiliteit
0
11.000
8.000
11.000
13.000
0
0
Gezondheidszorg
0
25.000
1.500
1.500
1.500
0
0
OESO
0
1.000
0
0
0
0
0
Herintegratie
0
0
1.000
2.000
2.000
0
0
Vrouwenrechten
0
0
2.000
3.000
2.000
0
0
Nog te verdelen
0
0
201.500
204.500
219.750
0
0
Onverdeelde programmamiddelen Oekraïne (XVII)
0
0
201.500
204.500
219.750
0
0
5.4
Nog te verdelen i.v.m.wijzigingen BNI en/of toerekeningen
0
‒ 131.838
‒ 287
62.563
61.525
76.984
500
Nog te verdelen i.v.m.wijzigingen BNI en/of toerekeningen
0
‒ 131.838
‒ 287
62.563
61.525
76.984
500
Nog te verdelen i.v.m.wijzigingen BNI en/of toerekeningen
0
‒ 131.838
‒ 287
62.563
61.525
76.984
500
Ontvangsten
36.406
35.032
31.154
28.949
28.882
28.856
28.665
Budgetflexibiliteit
Tabel 12 Budgetflexibiliteit art. 5 Multilaterale samenwerking en overige inzet
Artikel 5
Geschatte budgetflexibiliteit
2027
Juridisch verplicht
41%
Bestuurlijk gebonden
0%
Beleidsmatig gereserveerd
59%
Nog niet ingevuld / vrij te besteden
0%
Voor 2027 zijn de geplande uitgaven onder artikel 5.1 voor 98% juridisch verplicht. Hieronder vallen onder andere de bijdragen aan UNIDO, UNDP, UNDCO en UNICEF maar ook verschillende middelenaanvullingen en kapitaalaanvullingen voor Multilaterale Ontwikkelingsbanken en Fondsen. De verplichtingen voor de middelenaanvulling en kapitaalverhogingen van de regionale ontwikkelingsbanken (Asian Development Bank, African Development Bank en InterAmerican Development Bank) worden meerjarig aangegaan en hebben een doorlooptijd van 8 tot 10 jaar. De verplichtingen met de Wereldbank en de African Development Bank voor schuldverlichting (MDRI-compensatie) hebben een langere doorlooptijd en lopen af in 2044 respectievelijk 2054.
Voor artikel 5.2 is 97 % juridisch verplicht. Hier valt onder de bijdrage aan UNESCO en de uitgave aan schuldenverlichtingen die vast liggen tot en met 2028. De voorgenomen overige programma's zijn als beleidsmatig gereserveerd opgenomen.
De steun aan Oekraine onder artikel 5.3 is toegezegd en beleidsmatig gereserveerd. 5% van deze middelen in 2027 is al juridisch verplicht, het restant van het budget is beleidsmatig gereserveerd.
E. Toelichting op de financiële instrumenten
5.1 Multilaterale Samenwerking
Onder dit artikel vallen activiteiten die armoede bestrijden in ontwikkelingslanden en een belangrijke bijdrage leveren aan de uitvoering van de duurzame ontwikkelingsdoelen en klimaatafspraken via multilaterale samenwerking:
– Bijdragen c.q. verdragscontributies aan VN-instellingen, zoals UNDP, UNICEF en UNIDO. Hiermee levert de minister een bijdrage aan multilaterale samenwerking.
– Middelen- en kapitaalaanvullingen van multilaterale ontwikkelingsbanken, waaronder de African Development Bank .
– Bijdragen aan specifieke programma’s en fondsen van het IMF, de Wereldbank en VN-instellingen voor specifieke doeleinden (zogenaamde ‘trustfunds’).
– Het assistent deskundigenprogramma waarmee Nederland jonge academici middels het junior professionals program (JPO) in de gelegenheid stelt om werkervaring op te doen bij de VN en bij te dragen aan de doelstellingen van de VN-organisatie.
5.2 Overig Armoedebeleid
Onder dit artikel vallen de volgende activiteiten:
– Compensatie van de Wereldbank (IDA) en de African Development Fund (ADF) voor schuldverlichtingsactiviteiten, zoals Multilateral Debt Relief Initiative (MDRI).
– Activiteiten op de posten voor kortlopende, eenjarige ODA-activiteiten die een bijdrage leveren aan de beleidsdoelstellingen van het kabinet.
– Activiteiten op het gebied van cultuur en ontwikkeling binnen het Internationaal Cultuurbeleid. Deze bestaan onder meer uit bijdragen aan het Prins Claus Fonds, de noodhulporganisatie voor erfgoed Cultural Emergency Response en het Stimuleringsfonds Creatieve Industrie, maar ook aan een EU-programma (DG INTPA) gericht op museale samenwerking tussen Europese en Afrikaanse musea.
– Activiteiten ter ondersteuning van de internationale sportstrategie.
– Bijdrage aan UNESCO, waarvan veertig procent van de totale verdragscontributie kwalificeert als non-ODA.
– Eventuele koersverliezen worden op dit artikel geregistreerd. Deze verliezen kunnen zich voordoen als betalingen in buitenlandse valuta gedurende het jaar afwijken van de door het ministerie vooraf vastgestelde corporate rate.
5.3 Oekraïne
Op dit artikelonderdeel worden de budgetten voor steun aan Oekraïne gebundeld. Hieronder vallen onder andere de thema’s herstel en wederopbouw (van onder meer energie en infrastructuur, drinkwatervoorzieningen en ziekenhuizen, cultureel erfgoed), mentale en psycho-sociale zorg, steun aan de private sector en humanitaire hulp.
5.4 Nog te verdelen i.v.m. wijzigingen BNI en/of toerekeningen
Het ODA-budget is bij voorjaarsnota 2026 aangepast aan de hand van de ontwikkeling van het bni. Er kan gedurende het jaar sprake zijn van wijzigingen in toerekeningen aan het ODA-budget, zoals de toerekening van uitgaven van de eerstejaarsopvang van asielzoekers uit DAC-landen. Gedurende het begrotingsjaar worden de middelen op dit artikelonderdeel ingezet om onder andere deze fluctuaties op te vangen, zodat niet direct hoeft te worden ingegrepen in ODA-programma’s.
De toerekening van uitgaven van eerstejaarsopvang van asielzoekers uit DAC-landen is in het Hoofdlijnenakkoord gemaximeerd op 10% van het ODA-budget vanaf 2027.
Ontwikkelingen verdeelartikel 5.4
Hieronder wordt een overzicht gepresenteerd van de belangrijkste mutaties die hebben plaatsgevonden op het verdeelartikel tussen begroting 2026 en begroting 2027.
Tabel 13 Ontwikkelingen verdeelartikel 5.4
x EUR miljoen
2027
2028
2029
2030
2031
Stand miljoenennota 2026
398
315
214
346
‒
Totaal effect voorjaarsnota 2026
‒ 444
‒ 303
‒ 194
‒ 344
3
Intensivering OS bij MJN2027
367
384
391
‒
‒
Inzet intensivering OS bij MJN2027
‒ 188
‒ 296
‒ 301
‒
‒
Inzet intensivering OS bij MJN2027 t.b.v. OEK
‒ 149
‒ 89
‒ 89
‒
‒
Overboekingen binnen de HGIS
10
‒ 17
‒ 15
‒ 11
‒ 14
Inzet ODA-intensivering uit CA binnen de begroting
‒ 6
‒ 249
‒ 202
‒ 356
‒ 44
Overboekingen met de Aanvullende Post
12
317
257
442
56
Stand miljoenennota 2027
‒ 0
63
62
77
1
Toelichting
De beginstand is gelijk aan de stand bij Miljoenennota 2026.
In het voorjaar 2026 zijn diverse wijzigingen verwerkt via verdeelartikel 5.4. Het per saldo effect is weergegeven in deze tabel en is nader toegelicht in de 1e suppletoire begroting 2026 van BHO. Voornaamste verklaring van de mutatie is een actualisatie van de asieltoerekening, een neerwaartse bijstelling van het ODA-budget op basis van de koppeling met de ontwikkeling van het bni, een ODA-kasschuif en het effect van het verwerken van het coalitieakkoord Jetten.
De effecten van de mutaties zoals verwerkt bij de ontwerpbegroting 2027 zijn vervolgens weergegeven. Deze worden hieronder per regel kort toegelicht:
– Het kabinet intensiveert bij de Miljoenennota 2027 aanvullend op ontwikkelingssamenwerking voor de komende drie jaar. Het bedrag is van 2027 t/m 2029 gelijk aan de omvang van de bni-koppeling aan 0,7% van CEP2024 t/m CEP2026. Cumulatief komt er ruim EUR 1,1 miljard beschikbaar. Met deze intensivering stijgt de ODA-prestatie.
– Cumulatief wordt EUR 785 miljoen van dit budget ingezet binnen de begrotingen. Daartoe wordt de stand op artikel 5.4 verlaagd.
– Cumulatief wordt EUR 327 miljoen van dit budget ingezet ten behoeve van niet-militaire ODA-steun aan Oekraïne. Daartoe wordt de stand op artikel 5.4 verlaagd en dit budget wordt overgeheveld naar artikel 5.3.
– Dit is het saldo van overboekingen binnen de HGIS. In 2027 is er een overboeking van de BZ-begroting naar de BHOS-begroting omdat de afdrachten aan het EOF naar beneden zijn bijgesteld. Daarnaast zijn er ook meerjarige overboekingen van artikel 5.4 naar de BZ-begroting, bijvoorbeeld voor de aanvullende inzet op MATRA en Shiraka. Ook wordt er budget overgeboekt naar de BZ-begroting t.b.v. de kosten voor het EU-voorzitterschap 2029.
– Het gros van de intensiveringsmiddelen wordt binnen de BHOS-begroting ingezet. De inzet van deze middelen is verdeeld over de artikelen. Dit wordt nader toegelicht in Kamerbrieven die op een later moment met de Kamer gedeeld zullen worden.
– Tot slot wordt de overboeking met de Aanvullende Post getoond. De intensiveringsmiddelen uit het coalitieakkoord zijn overgeheveld naar artikel 5.4 en doorverdeeld.
Ontvangsten
De ontvangsten op artikel 5 betreffen restituties op ontwikkelingshulpprogramma’s die een lagere realisatie kennen dan oorspronkelijk voorzien. Vanwege bevoorschotting komt het voor dat hierbij restsaldi ontstaan. Ook worden de ontvangsten met betrekking tot aflossingen op begrotingsleningen, kapitaalmarktleningen en de onderhandse lening van de NIO op dit artikel verwerkt. Daarnaast worden koerswinsten, als deze zich voordoen, op dit artikel geregistreerd.
6. Bijlagen
Bijlage 1: ZBO's en RWT's
Tabel 14 Overzicht Zelfstandige Bestuursorganen en Rechtspersonen met een Wettelijke Taak (vallend onder andere ministeries)
Naam organisatie
Ministerie
ZBO/RWT
Begrotingsartikel
Begrotingsramingen
Invest International Development B.V.
Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking
RWT
1.2
9,78 mln.
Invest International Public Programmes B.V.
Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking
RWT
1.2
8,499 mln.
Invest International Public Programmes B.V.
Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking
RWT
1.3
140 mln.
Invest International Development B.V.
Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking
RWT
1.3
5,0 mln.
Bijlage 2: Subsidieoverzicht
Tabel 15 Subsidies (bedragen x 1.000 euro)
Art
Naam Subsidieregeling (met hyperlink naar vindplaats)
2025
2026
2027
2028
2029
2030
2031
Laatste evaluatie
Volgende evaluatie (jaartal)
Einddatum subsidieregeling (jaartal)
1,1
Subsidieregeling BZ 2006: MVO en beleidsondersteuning (non-ODA)
€ 3.564
€ 6.140
€ 8.497
€ 8.422
€ 8.563
€ 8.766
€ 8.766
2022
2027
2027
1,1
Subsidieregeling BZ 2006: MVO en beleidsondersteuning (ODA)
€ 4.876
€ 9.872
€ 8.367
€ 10.282
€ 13.194
€ 12.908
€ 12.881
2022
2027
2027
1,2
Subsidieregeling BZ 2006: Dutch Trade and Investment Fund
€ 6.000
€ 4.499
€ 4.435
€ 4.435
€ 4.435
€ 4.435
€ 4.435
2022
2027
2027
1,2
Subsidieregeling BZ 2006: Invest Internationaal
€ -
€ 9.780
€ 9.642
€ 9.642
€ 9.642
€ 9.642
€ 9.642
2022
2027
2027
1,2
Subsidieregeling BZ 2006: Programma's internationaal ondernemen
€ 9.939
€ 10.000
€ 9.858
€ 9.858
€ 9.858
€ 9.858
€ 9.858
2022
2027
2027
1,2
Subsidieregeling BZ 2006: Versterking concurrentiepositie Nederland
€ 2.932
€ 3.502
€ 3.410
€ 3.410
€ 3.410
€ 3.410
€ 3.410
2022
2027
2027
1,3
Subsidieregeling BZ 2006: (Jeugd)werkgelegenheid
€ 1.790
€ -
€ -
€ -
€ -
€ -
€ -
2022
2027
2027
1,3
Subsidieregeling BZ 2006: Duurzame productie en handel
€ 65.343
€ 43.482
€ 41.397
€ 36.897
€ 38.997
€ 38.997
€ 48.997
2022
2027
2027
1,3
Subsidieregeling BZ 2006: Economic governance and institutions
€ 47.247
€ 29.196
€ 41.165
€ 92.565
€ 97.565
€ 49.815
€ 20.815
2022
2027
2027
1,3
Subsidieregeling BZ 2006: Financiële sector ontwikkeling
€ 49.697
€ 46.522
€ 43.984
€ 47.361
€ 52.003
€ 52.003
€ 52.003
2022
2027
2027
1,3
Subsidieregeling BZ 2006: Infrastructuurontwikkeling
€ 50.558
€ 37.473
€ 32.488
€ 27.647
€ 15.145
€ 19.544
€ 21.544
2022
2027
2027
1,3
Subsidieregeling BZ 2006: Lokale private sector ontwikkeling
€ 6.680
€ 3.422
€ 1.981
€ 797
€ 500
€ 500
€ 500
2022
2027
2027
1,3
Subsidieregeling BZ 2006: Marktontwikkeling en markttoegang
€ 44.647
€ 17.691
€ 27.849
€ 27.879
€ 25.603
€ 25.603
€ 25.603
2022
2027
2027
1,3
Subsidieregeling BZ 2006: Nexus onderwijs en werk
€ 569
€ 2.400
€ -
€ -
€ -
€ -
€ -
2022
2027
2027
2,1
Subsidieregeling BZ 2006: Bevorderen inclusieve, duurzame groei in de agrarische sector
€ 34.028
€ 24.812
€ 14.383
€ 32.456
€ 21.820
€ 15.819
€ 4.819
2022
2027
2027
2,1
Subsidieregeling BZ 2006: Kennis & capaciteitsopbouw ten behoeve van voedselzekerheid
€ 8.371
€ 3.000
€ 1.958
€ 1.958
€ 2.958
€ 2.958
€ 2.958
2022
2027
2027
2,1
Subsidieregeling BZ 2006: Realiseren ecologische houdbare voedselsystemen
€ 20.004
€ 8.000
€ 4.717
€ 14.717
€ 19.717
€ 19.717
€ 19.717
2022
2027
2027
2,1
Subsidieregeling BZ 2006: Uitbannen huidige honger en voeding
€ 21.822
€ 15.000
€ 9.666
€ 9.066
€ 11.066
€ 11.066
€ 11.066
2022
2027
2027
2,1
Subsidieregeling BZ 2006: Voedselzekerheid
€ 85.346
€ 72.058
€ 62.280
€ 48.850
€ 54.000
€ 54.000
€ 54.000
2022
2027
2027
2,2
Subsidieregeling BZ 2006: Drinkwater en sanitatie
€ 39.647
€ 28.486
€ 36.856
€ 38.326
€ 43.144
€ 49.985
€ 50.230
2022
2027
2027
2,2
Subsidieregeling BZ 2006: Waterbeheer
€ 43.234
€ 65.189
€ 75.264
€ 78.639
€ 84.790
€ 68.575
€ 68.505
2022
2027
2027
2,3
Subsidieregeling BZ 2006: Bosbehoud
€ 40.901
€ 19.000
€ 13.917
€ 18.717
€ 20.717
€ 23.717
€ 19.717
2022
2027
2027
2,3
Subsidieregeling BZ 2006: Dutch Fund for Climate and Development
€ 14.840
€ 10.000
€ 10.000
€ 11.000
€ 20.000
€ 14.000
€ 7.000
2022
2027
2027
2,3
Subsidieregeling BZ 2006: Hernieuwbare energie
€ 59.362
€ 43.075
€ 10.000
€ 10.000
€ 10.000
€ 10.000
€ 10.000
2022
2027
2027
2,3
Subsidieregeling BZ 2006: Klimaat algemeen
€ 54.642
€ 19.393
€ 39.744
€ 75.765
€ 86.819
€ 50.619
€ 28.719
2022
2027
2027
2,3
Subsidieregeling BZ 2006: Klimaatfonds
€ -
€ 17.000
€ 24.434
€ 39.434
€ 66.434
€ 70.434
€ 49.434
2022
2027
2027
3,1
Subsidieregeling BZ 2006: Mondiale gezondheid en SRGR
€ 194.276
€ 149.562
€ 127.294
€ 190.718
€ 221.772
€ 238.449
€ 216.527
2022
2027
2027
3,2
Subsidieregeling BZ 2006: Vrouwenrechten
€ 20.546
€ 12.960
€ 23.060
€ 42.000
€ 35.800
€ 27.600
€ 30.000
2022
2027
2027
3,3
Subsidieregeling BZ 2006: Versterking maatschappelijk middenveld
€ 121.983
€ 108.047
€ 93.167
€ 124.024
€ 117.354
€ 142.751
€ 133.010
2022
2027
2027
3,4
Subsidieregeling BZ 2006: Beroeps- en Hoger onderwijs
€ -
€ -
€ 21.500
€ 50.500
€ 48.000
€ 21.000
€ 2.500
2022
2027
2027
3,4
Subsidieregeling BZ 2006: Onderzoeksprogramma's
€ 2.626
€ -
€ 300
€ -
€ -
€ -
€ -
2022
2027
2027
4,1
Subsidieregeling BZ 2006: Noodhulpprogramma's
€ 167.079
€ 142.500
€ 120.273
€ 126.273
€ 124.273
€ 125.273
€ 120.273
2022
2027
2027
4,2
Subsidieregeling BZ 2006: Migratie en ontwikkeling
€ 3.745
€ 3.000
€ 2.958
€ 2.958
€ 2.958
€ 2.958
€ 2.958
2022
2027
2027
4,2
Subsidieregeling BZ 2006: Opvang in de regio
€ 15.005
€ 15.350
€ 13.423
€ 10.293
€ 9.858
€ 9.858
€ 9.858
2022
2027
2027
4,3
Subsidieregeling BZ 2006: Functionerende rechtsorde
€ 42.711
€ 58.374
€ 50.316
€ 57.416
€ 64.101
€ 64.101
€ 64.101
2022
2027
2027
4,3
Subsidieregeling BZ 2006: Inclusieve vredes- en politieke processen
€ 32.059
€ 31.000
€ 30.412
€ 21.624
€ 26.099
€ 26.099
€ 26.099
2022
2027
2027
4,3
Subsidieregeling BZ 2006: Legitieme stabiliteit
€ 8.500
€ 16.500
€ 12.684
€ 12.684
€ 12.684
€ 12.684
€ 12.684
2022
2027
2027
5,1
Subsidieregeling BZ 2006: Speciale multilaterale activiteiten
€ 100
€ -
€ -
€ -
€ -
€ -
€ -
2022
2027
2027
5,2
Subsidieregeling BZ 2006: Kleine activiteiten posten en cultuur en ontwikkeling
€ 3.940
€ 3.107
€ 7.194
€ 8.588
€ 6.652
€ 8.652
€ 3.352
2022
2027
2027
5,2
Subsidieregeling BZ 2006: Nationale SDG implementatie
€ 670
€ 650
€ 641
€ 641
€ 641
€ 641
€ 641
2022
2027
2027
5,3
Subsidieregeling BZ 2006: Humanitaire hulp
€ -
€ 5.000
€ -
€ -
€ -
€ -
€ -
2022
2027
2027
5,3
Subsidieregeling BZ 2006: Private Sector Ondersteuning
€ -
€ 10.600
€ 57.200
€ 45.200
€ 38.000
€ -
€ -
2022
2027
2027
5,3
Subsidieregeling BZ 2006: Verbeteren drinkwater en sanitatie
€ 6.001
€ 2.000
€ 9.000
€ 4.000
€ 4.000
€ -
€ -
2022
2027
2027
Bijlage 3: Evaluatie- en overig onderzoek
Tabel 16 Uitwerking Strategische Evaluatieagenda
Uitwerking Strategische Evaluatieagenda Thema Bijdrage aan het structurele internationale verdienvermogen van Nederland
Alle subthema's
Titel onderzoek
Type onderzoek
Afronding
Status
Toelichting onderzoek
Begrotingsartikel(en)
Periodieke rapportage
Periodieke Rapportage
2029
te starten
Periodieke rapportage over samenhang handel en ontwikkelingssamenwerking
1.1., 1.2, 1.3
Subthema Bijdrage beleid aan een duurzaam handels- en investeringssysteem en MVO
Titel onderzoek
Type onderzoek
Afronding
Toelichting onderzoek
1.1
Effectenonderzoek handels- en investeringsbeleid
Effectenonderzoek
2027
te starten
Effectenonderzoek handels- en investeringsbeleid met speciale aandacht voor impact op OS-landen en diversificatie handelsstromen
1.1
Beleidsevaluatie IMVO beleid
Evaluatie
2027
lopend
Evaluatie IMVO beleid
1.1
Subthema Bijdrage handelsinstrumentarium aan internationaal verdienvermogen
Titel onderzoek
Type onderzoek
Afronding
Status
Toelichting onderzoek
Begrotingsartikel(en)
Evaulatie vergroeining handelsinstrumentarium
Effectenonderzoek
2027
te starten
Evaluatie vergroening
1.2
Effectmeting handelsinstrumentarium
Effectmeting
2026
te starten
Effectmeting handelsinstrumentarium
1.2
Uitwerking Strategische Evaluatieagenda Thema Private Sector Development ten behoeve van waardig werk en economische groei
Alle subthema's
Titel onderzoek
Type onderzoek
Afronding
Status
Toelichting onderzoek
Begrotingsartikel(en)
Onderzoek naar de gecombineerde inzet handel en ontwikkelingssamenwerking
evaluatie
2028
lopend
Inzet onder artikel 1.3 met een bijzondere focus op de gecombineerde inzet handel en ontwikkelingssamenwerking
1.1, 1.2, 1.3
Subthema Versterking ondernemingsklimaat
Titel onderzoek
Type onderzoek
Afronding
Status
Toelichting onderzoek
Begrotingsartikel(en)
Tussentijdse effectevaluatie DRIVE infrastructuurprogramma
Tussentijdse effectevaluatie
2026
lopend
Inzicht in de implementatie en tussentijdse resultaten voor de periode 2015-2025
1.3
Subthema Handel voor ontwikkeling
Titel onderzoek
Type onderzoek
Afronding
Status
Toelichting onderzoek
Begrotingsartikel(en)
Mid term + end term Solidaridad Pathways to
mid term + end term
2027, 2030
te starten
Inzicht in effectiviteit en duurzaamheid van het Pathways to Prosperity-programma in relatie tot inclusieve en duurzame handelsketens
1.3
mid term + end term evaluatie: NISCOPS (IDH, Solidaridad)
mid term + end term
2027 (fase 2 mid), 2029 (fase 2, end)
te starten
Inzicht in de implementatie en tussentijdse resultaten NISCOPS (IDH, Solidaridad)
1.3
End term evaluatie IDH Catalyzing private sector for SDGs
End term evaluatie
2031
te starten
Inzicht in de implementatie en tussentijdse resultaten van IDH Catalyzing private sector for SDGs
1.3
Subthema Financiële sector
Titel onderzoek
Type onderzoek
Afronding
Status
Toelichting onderzoek
Begrotingsartikel(en)
Onderzoek CGAP
Onderzoek
2026
te starten
CGAP - onderzoek naar barrières voor financiële inclusie in fragiele staten
1.3
Evaluatie MASSIF
Evaluatie
2026
te starten
Inzicht in de implementatie en de effecten van de nieuwe strategie van MASSIF
1.3
Mid term review Dutch Good Growth Fund
mid term review
2027
te starten
Inzicht in de mate van inclusieve ontwikkeling binnen DGGF spoor 2
1.3
Subthema Gecombineerde aanpak voor digitale en duurzaamheidstransities in combinatielanden (combitracks)
Titel onderzoek
Type onderzoek
Afronding
Toelichting onderzoek
Begrotingsartikel(en)
Lerende monitoring Combi-tracks (via RVO)
Lerende monitoring
2027
te starten
Inzicht in effectiviteit en leeropbrengsten van de combi-tracks aanpak mbt digitale en duurzaamheidstransities in combinatielanden
1.3
Uitwerking Strategische Evaluatieagenda Thema Duurzame ontwikkeling, voedselzekerheid, water en klimaat
Alle subthema's
Titel onderzoek
Type onderzoek
Afronding
Status
Toelichting onderzoek
Begrotingsartikel(en)
Periodieke rapportage
Periodieke rapportage
2030
te starten
Periodieke rapportage
2.1, 2.2, 2.3
Subthema Voedselzekerheid
Titel onderzoek
Type onderzoek
Afronding
Status
Toelichting onderzoek
Begrotingsartikel(en)
Beleidsevaluatie Voedselzekerheid
Beleidsevaluatie
2028
te starten
Evaluatie van het beleid en de portofolio voor voedselzekerheid
2.1
Subthema WASH: Water, Sanitation en Hygiene
Titel onderzoek
Type onderzoek
Afronding
Status
Toelichting onderzoek
Begrotingsartikel(en)
Beleidsevaluatie WASH
Beleidsevaluatie
2026
in afronding
Evaluatie van het WASH beleid en portofolio
2.2
Subthema Integraal Waterbeheer
Titel onderzoek
Type onderzoek
Afronding
Status
Toelichting onderzoek
Begrotingsartikel(en)
Beleidsevaluatie Integraal Waterbeheer
Beleidsevaluatie
2027
te starten
Evaluatie van het Beleid en de portofolio voor integraal waterbeheer
2.2
Subthema Hernieuwbare energie
Titel onderzoek
Type onderzoek
Afronding
Status
Toelichting onderzoek
Begrotingsartikel(en)
Beleidsevaluatie Hiernieuwbare energie
Beleidsevaluatie
2027
te starten
Evaluatie van het beleid en de portofolio voor SDG7
2.3
Subthema Bosbehoud & Biodiversiteit
Titel onderzoek
Type onderzoek
Afronding
Status
Toelichting onderzoek
Begrotingsartikel(en)
Beleidsevaluatie Bosbehoud & Biodiversiteit
Beleidsevaluatie
2027
te starten
Evaluatie van het beleid en portofolio voor bosbehoud & biodiversiteit
2.3
Uitwerking Strategische Evaluatieagenda Sociale Vooruitgang
Alle subthema's
Titel onderzoek
Type onderzoek
Afronding
Status
Toelichting onderzoek
Begrotingsartikel(en)
Periodieke rapportage
Periodieke rapportage
2032
te starten
Periodieke rapportage over alle subthema's
3.1, 3.2, 3.3, 3.4
Subthema Mondiale gezondheid en seksuele en reproductieve gezondheid en rechten
Titel onderzoek
Type onderzoek
Afronding
Status
Toelichting onderzoek
Begrotingsartikel(en)
Mid term review Product Development Programma (PDP)
Mid term review
2026-2027
lopend
Onderzoek naar de relevantie, efficiëntie, effectiviteit en coherentie van het programma
3.1
Evaluatie Mondiale Gezondheid
evaluatie
2030
te starten
Onderzoek naar de behaalde resultaten van o.a. multilaterale instrumenten en partnerschappen voor mondiale gezondheid en SRGR, met specifieke aandacht voor systeemversterking
3.1
Subthema Maatschappelijk Middenveld
Titel onderzoek
Type onderzoek
Afronding
Status
Toelichting onderzoek
Begrotingsartikel(en)
Baseline Versterking Maatschappelijke organisaties
Baseline
2027
te starten
Baseline van het beleidskader Focus gericht op versterking maatschappelijke organisaties
3.3
Mid term review Versterking Maatschappelijke organisaties
mid term review
2029
te starten
Mid term review naar de voortgang van het beleidskader Focus gericht op versterking maatschappelijke organisaties en de veranderende rol van NL organisaties (motie de Korte nr. 36600-XVII-66)
3.3
Uitwerking Strategische Evaluatieagenda Thema Vrede Veiligheid en Duurzame ontwikkeling
Alle subthema's
Titel onderzoek
Type onderzoek
Afronding
Status
Toelichting onderzoek
Begrotingsartikel(en)
Periodieke rapportage
Periodieke rapportage
2032
lopend
Periodieke rapportage
4.1, 4.2, 4.3
Subthema Humanitaire hulp
Titel onderzoek
Type onderzoek
Afronding
Status
Toelichting onderzoek
Begrotingsartikel(en)
Evaluatie: Werkt risicodeling tussen donoren, intermediaire organisaties en lokale uitvoerders ikv Strenghtening the Humanitarian System Programme (SBK)? (objective 3)
evaluatie
2026
lopend
Inzicht in effectiviteit van risicodeling op Humanitaire Hulp programmering
4.1
Evaluatie: Werkt de methode om anticiperende actie in noodsituaties (anders dan natuurgeweld) toe te passen ikv Strenghtening the Humanitarian System Programme (SBK)? (objective 2)
evaluatie
2027
te starten
Inzicht in de effectiviteit van toepassing van anticiperende acties in noodsituaties
4.1
Evaluatie: werkt vergroten van veiligheid HH werkers door middel van betere risicodeling op veiligheid ikv Strenghtening the Humanitarian System Programme (SBK)? (objective 1)
evaluatie
2027
te starten
Inzicht in de effectiviteit van risicodeling met als doel het vergroten van de veiligheid van Humanitaire Hulp werkers
4.1
Subthema Migratie, opvang in de regio, migratiesamenwerking
Titel onderzoek
Type onderzoek
Afronding
Status
Toelichting onderzoek
Begrotingsartikel(en)
Periodieke rapportage
Periodieke rapportage
2030
te starten
Periodieke rapportage
4.2
Effectenonderzoek: evaluatie van ‘Prospects II’
evaluatie
2028
te starten
Inzicht in de effectiviteit (en behaalde resultaten) van migratie programmering
4.2
Effectenonderzoek: evaluatie subsidiekader locally-led development
evaluatie
2028
te starten
Inzicht in de effectiviteit (en behaalde resultaten) van migratie programmering
4.2
Synthese studie van Afghanistan regio programmering
synthese onderzoek obv eind evaluaties
2028
te starten
Inzichten in de effectiviteit (en behaalde resultaten) van brede Afghanistan programmering
4.2
Evaluatie COMPASS II & COMPASS MPFI - comprehensive evaluation
evaluatie
2027
te starten
Inzicht in de relevantie, coherentie, efficientie, effectiviteit en duurzaamheid en behaalde resultaten ten gevolge van migratieprogrammering
4.2
COMPASS MPF II
evaluatie
2028
te starten
Inzicht in de effectiviteit (en behaalde resultaten) van migratie programmering
4.2
Promis V - eind evaluatie
eindevaluatie
2029
te starten
Inzicht in de effectiviteit (en behaalde resultaten) van migratie programmering
4.2
Procesevaluatie legale migratie pilot CareerConnect Marokko - RVO
procesevaluatie
2026
lopend
Inzicht in randvoorwaarden waaronder de pilot als circulair migratiemodel succesvol kan zijn en toepasbaarheid op andere landen
4.2
Subthema Veiligheid en rechtsorde
Titel onderzoek
Type onderzoek
Afronding
Toelichting onderzoek
Begrotingsartikel(en)
Mid-Term Evaluatie: synthese van mid term evaluaties uitgevoerd door implementerende partners onder CPSS
mid term review
2029
te starten
Inzicht in de voortgang in het behalen van gestelde doelen (en effectiviteit) binnen CPSS programmering
4.3
Evaluatie: vroege end term evaluatie op ontmijningsprogramma MACMIII
evaluatie
2029
te starten
Inzicht in effect van ontmijningsprogramma
4.3
Uitwerking Strategische Evaluatieagenda Thema Multilaterale samenwerking en overige inzet
Alle subthema's
Titel onderzoek
Type onderzoek
Afronding
Status
Toelichting onderzoek
Begrotingsartikel(en)
Periodieke rapportage
Periodieke rapportage
2032
te starten
Periodieke rapportage
5
Subthema Oekraine
Titel onderzoek
Type onderzoek
Afronding
Status
Toelichting onderzoek
Begrotingsartikel(en)
Oekraine
beleidsevaluatie
2027
lopend
Oekraine
5.3
Uitwerking
Bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken zijn beleidsdirecties zelf verantwoordelijk voor het (laten) uitvoeren van regulier ex ante onderzoek, mid-term reviews en methodologisch minder complexe ex post evaluaties. Ex ante onderzoek betreft in de regel geen grote, aanbestede studies en rapporten voor het parlement, maar kleinere voorbereidende onderzoeksanalyses, die in beperkte mate jaren vooruit gepland kunnen worden.
De directie Internationaal Onderzoek en Beleidsevaluatie (IOB) is bij Buitenlandse Zaken verantwoordelijk voor het verrichten van de Periodieke rapportages (PR) en voert ook methodologisch complexe ex post evaluaties en omvangrijke synthesestudies uit. Beleidsdirecties en IOB overleggen welke strategische vragen daarbij relevant zijn in aanvulling op de voorwaarden waaraan de PR moet voldoen. Uitgangspunt is (1) optimaal eigenaarschap bij de directies van de onderbouwing van en verantwoording over het eigen beleid en tegelijkertijd (2) borging van de onafhankelijke werkwijze en inhoudelijke oordeelsvorming van IOB tijdens het onderzoek. Zowel tijdens de voorbereiding als de uitvoering van het evaluatieonderzoek is er op belangrijke momenten interactie met relevante betrokken partijen. De centrale vraagstelling en de Terms of Reference en in een latere fase de conceptteksten van het rapport worden besproken in een speciaal voor elke evaluatie samen te stellen referentiegroep. Die bestaat uit vertegenwoordigers van de betrokken (beleids-)directies alsmede externe onafhankelijke deskundigen, veelal wetenschappers. Steeds vaker wordt een bredere groep stakeholders geconsulteerd en bij het evaluatieproces betrokken.
Het Ministerie van Buitenlandse Zaken heeft verschillende manieren om aan haar inzicht- en kennisbehoeften tegemoet te komen. Naast de evaluaties door IOB en de directies zelf, wordt er regelmatig nauw samengewerkt met externe kennisinstellingen om beleidsonderzoek uit laten voeren. Voor deze meerjarige onderzoeksprogramma’s wordt direct samengewerkt met universiteiten en denktanks, zoals Clingendael en Wageningen University & Research, maar ook indirect, via NWO en zogenoemde kennisplatforms. Daarnaast zijn er de specifiek aan het Ministerie gekoppelde adviesraden, te weten de Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV) en de Commissie van Advies inzake Volkenrechtelijke Vraagstukken (CAVV). De Eerste en Tweede Kamer worden separaat ingelicht over de (meerjarige) werkprogramma’s van deze adviesraden.
Artikel 1.1 en 1.2 BHOS
Thema: Bijdragen aan het structurele internationale verdienvermogen van Nederland (SDG’s 8,9,12)
Doel van dit thema is het bijdragen aan het succesvol opereren van het internationaal opererende Nederlandse bedrijfsleven door gerichte ondersteuning van bedrijven en door het verbeteren van het internationaal handelsverkeer.
Het thema sluit goed aan op de missie van het Ministerie van Buitenlandse Zaken voor wat betreft Buitenlandse Handel, die gericht is op «het bevorderen van een sterke Nederlandse concurrentiepositie, een open wereldeconomie en duurzame globalisering».
Het beleidsthema is ingedeeld in de volgende subthema’s:
– Bijdrage handelsinstrumentarium aan internationaal verdienvermogen
– Bijdrage financieringsinstrumentarium aan internationaal verdienvermogen:
– Bijdrage beleid aan een duurzaam handels- en investeringssysteem en Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen (MVO)
Toelichting inzichtbehoefte en onderzoeksagenda
De inzichtbehoefte richt zich op de volgende vragen:
– In hoeverre is de beleidsinzet (activiteiten, instrumenten en capaciteit) op het gebied van internationaal ondernemen effectief en efficiënt in het stimuleren en ondersteunen van duurzaam internationaal ondernemen?
– In hoeverre draagt onze beleidsinzet bij aan versterking van het internationaal verdienvermogen van Nederland, nu en in de toekomst (ook in het kader van de digitaliserings- en duurzaamheidstransities)? Deze kennisvragen worden mede beantwoord door de CBS internationaliseringsmonitoren (elk kwartaal) en de jaarlijkse CBS-publicatie Nederland Handelsland. Deze publicaties zijn onderdeel van een jaarlijks onderzoeksprogramma dat het CBS uitvoert op het gebied van internationale handel (DGBEB-breed). Ook de monitoring door RVO van de trends, resultaten en impact van het door RVO uitgevoerde handelsinstrumentarium draagt bij aan onze kennisbehoefte.
Artikel 1.3 BHOS
Thema: Private Sector Development ten behoeve van waardig werk en economische groei (SDG 8)
Private sector ontwikkeling onder dit thema richt zich op het behalen van de doelstellingen van SDG8: waardig werk en duurzame economische groei. Nederland focust daarbij op het micro-, midden- en kleinbedrijf (mkb), omdat vooral het mkb bijdraagt aan waardig werk en aan duurzame economische groei. Op deze manier wordt ook bijgedragen aan de vermindering van armoede en ongelijkheid, ook onder vrouwen en jongeren. Het jaar 2027 is het vierde en laatste van de huidige SEA-periode voor dit beleidsthema zoals dat in 2024 is vastgesteld. Voor het volgende begrotingsjaar 2028 wordt de SEA geactualiseerd, op basis van het kabinetsbeleid.
Het mkb wordt via drie aanpakken in portfolio’s ondersteund en deze aanpakken komen in de SEA terug als subthema’s. Dit zijn:
1. Het ontwikkelen van een goed ondernemingsklimaat in een aantal focuslanden, waardoor het lokale mkb beter kan ondernemen.
2. Het bevorderen van meer en betere handel voor ontwikkeling, waardoor het mkb meer kan handelen en kan werken aan duurzame productie en handel.
3. Het versterken van de financiële sector, zodat het mkb beter in staat wordt gesteld om veilig te sparen en te investeren.
Met dit beleid wordt ook een bijdrage geleverd aan Nederlands verdienvermogen. Zo wordt met Nederlandse bedrijven samengewerkt, vaak in de zogenaamde Diamantbenadering, in het bijzonder op thema’s en sectoren waar Nederland kennis en kunde heeft. Een ander voorbeeld betreft het werk op handel, dat zorgt voor stabiele toeleveranciers voor Nederlandse bedrijven in waardeketens die voldoen aan Europese wetgeving.
Het beleid voor private sector ontwikkeling betreft het volledige budget op begrotingsartikel 1.3 en een deelbudget op artikel 1.1 waar programma’s gericht op de bestrijding van kinderarbeid uit gefinancierd worden. De Periodieke rapportage van dit beleidsthema wordt in 2029 afgerond.
Subthema Versterking ondernemingsklimaat
Binnen dit subthema ligt de nadruk op het versterken van het ondernemingsklimaat en het mkb in focuslanden. Een sterk lokaal ondernemingsklimaat zorgt ervoor dat het mkb kan groeien en dat er meer en betere werkgelegenheid ontstaat. We streven naar systeemveranderingen in het ondernemingsklimaat door te investeren in fundamentele veranderingen, die beïnvloeden hoe het ecosysteem van private sector actoren, regelgeving, infrastructuur en diensten functioneert.
Interventies richten zich daarom enerzijds op het ondernemingsklimaat door verbetering van lokale wet- en regelgeving, versterking van economische instituties en goede fysieke en digitale infrastructuur. Dit draagt bij aan betere (financiële) dienstverlening voor het mkb en is gerelateerd aan de inzet op het subthema Versterking financiële sector. Anderzijds steunen we programma’s die diensten rechtstreeks verlenen aan het mkb, bijvoorbeeld via training en financiering met de nadruk op het creëren van duurzame werkgelegenheid voor jongeren en vrouwen. In een tiental pilotlanden is met een geïntegreerde aanpak geëxperimenteerd onder de noemer ‘programmatische aanpak voor duurzame economische ontwikkeling’ (PADEO).
Inzichtbehoefte
De inzichtbehoefte is gericht op landenniveau. Gezien de keuze om in een select aantal landen gefocust te werken, is er behoefte aan meer inzicht in hoe en onder welke voorwaarden kan worden bijgedragen aan de versterking van het ondernemingsklimaat in deze landen. Daarbij wordt specifiek gekeken naar de voorwaarden voor productiviteitsgroei bij het lokale mkb. Welke kennis is benodigd, in welke sectoren is dit opportuun en wat voor type interventies zijn effectief? Een andere centrale vraag is hoe het direct versterken van het lokale mkb bij kan dragen aan het versterken van het ondernemingsklimaat.
Een andere inzichtbehoefte binnen dit subthema betreft jeugdwerkgelegenheid. In opdracht van de Directie Internationaal Onderzoek en Beleidsevaluatie (IOB) heeft de International Labour Organization (ILO) in 2022 een ‘systematische literatuurstudie’ uitgevoerd naar de ontwikkelingsimpact van arbeidsmarktprogramma’s op jongeren. Dit onderzoek bevestigt eerdere constateringen, onder andere van de beleidsdoorlichting van artikel 1 door de IOB, namelijk dat er behoefte is aan meer inzicht in de langetermijneffecten van werkgelegenheidsprogramma’s. Dit zijn effecten die enkele jaren na afloop van de interventie nog waarneembaar zijn. Een andere inzichtbehoefte voor jeugdwerkgelegenheid concentreert zich op hoe de bestaande programma’s ingericht kunnen worden om resultaten op te schalen.
Toelichting onderzoeksagenda
De evaluatie van de Private Sector Development (PSD-)toolkit zal helpen bij het verkrijgen van inzicht in hoe en onder welke voorwaarden kan worden bijgedragen aan de versterking van het ondernemingsklimaat in de landen waar de PSD-toolkit actief is. Daarbij wordt specifiek gekeken naar de voorwaarden voor productiviteitsgroei bij het lokale mkb. Een andere centrale vraag in deze evaluatie is hoe het direct versterken van het lokale mkb bij heeft gedragen aan het versterken van het ondernemingsklimaat.
Het effectenonderzoek van de PADEO-aanpak op landenniveau en de ex post effectevaluatie jeugdwerkgelegenheid stonden in het overzicht bij de Memorie van Toelichting 2026, maar zijn nu niet meer opgenomen in de evaluatietabel. Geleerde lessen uit de uitvoering van de PADEO-aanpak hebben geleid tot het besluit een lichtere vorm van een systeemaanpak uit te rollen in een aantal stabiele ontwikkelingslanden, grotendeels voortbouwend op bestaande PADEO-trajecten. De resultaten zullen naar verwachting bijdragen aan het vervullen van de inzichtbehoeften m.b.t. de voorwaarden voor productiviteitsgroei bij het lokale mkb en de bijdrage van versterking van het lokale mkb aan het versterken van het ondernemingsklimaat. Om deze reden is afgezien van een effectenonderzoek op landenniveau.
De geplande ex-post evaluatie van het Local Employment in Africa for Development (LEAD)-programma zal niet worden uitgevoerd. De beleidsrelevantie van een dergelijke evaluatie is beperkt, omdat al eerder een synthesestudie is uitgevoerd van LEAD en een nieuwe fase van het LEAD-programma niet is voorzien. Een grotere meerwaarde biedt het recent gestarte onderzoek binnen het Challenge Fund for Youth Employment (CFYE) naar de langetermijneffecten van jeugdwerkgelegenheidsactiviteiten. Daarnaast bieden de evaluaties van het Orange Corners-programma (als onderdeel van de PSD-toolkit evaluaties in 2022 en 2027) en de eindevaluatie van CFYE goede inzichten voor het opschalen van resultaten in lopende programma’s.
Subthema: Handel voor ontwikkeling
Binnen dit subthema ligt de focus op de verbetering van markt- en handelssystemen, om zo de internationale handelskansen voor ontwikkelingslanden en stakeholders daar te vergroten en regionale markten te versterken. Daarnaast zetten we in op het verbeteren van inkomens en uitbannen van kinderarbeid door het verhogen van de internationale vraag naar, en aanbod van duurzame producten in waardeketens.
Inzichtbehoefte
In de beleidsdoorlichting van artikel 1 en de IOB-evaluatie ‘Partners in Ontwikkeling’ (2021) wordt een gedifferentieerde aanpak aanbevolen om het bedrijfsleven te betrekken bij ontwikkelingshulp. Er is behoefte aan meer inzicht in welk type bedrijven in welke sectoren aan maximale ontwikkelingsimpact kunnen bijdragen.
De inzichtbehoefte concentreert zich verder op de relatie tussen de toename van handel en verduurzaming ervan. Bij verduurzaming van de handelsstromen valt te denken aan het verbeteren van economische en sociale aspecten rondom handel en het vergroenen en inclusief maken van handelsstromen. De impactevaluatie van het Initiatief Duurzame Handel (IDH) tussen 2016 en 2020, laat zien dat publiek-private samenwerking, waarbij coalities worden gesmeed tussen bedrijven, overheden en gemeenschappen, effectief bijdraagt aan de verduurzaming van waardeketens(/handel). Interventies op wereldwijde schaal die zowel de vraag- als aanbodzijde betrekken, waarbij systematisch wordt ingezet op relevantie, coherentie (opschalen en versnellen) en innovatie, dragen positief bij aan sectortransformatie. Zoals ook door de Wereldbank (2019) wordt gesignaleerd, bestaat een spanningsveld tussen het beogen van enerzijds meer en anderzijds duurzame(re) handel, waarbij het niet altijd evident is dat toename van handel leidt tot verduurzaming van productie en vice versa. Er is behoefte aan inzicht in de trade-offs die optreden bij het werken aan deze doelstellingen en onder welke voorwaarden deze gemitigeerd kunnen worden. Belangrijk is daarbij het verkrijgen van inzicht in hoe de verhoging van duurzame standaarden bijdraagt aan de ontwikkelingsimpact en tegemoet komt aan kwetsbare groepen.
Toelichting onderzoeksagenda
Agendering van onderzoek naar de bijdrage van bedrijven aan ontwikkelingsimpact wordt bekeken in het kader van de lopende ontwikkeling van het beleid voor zogenaamde Private Sector Engagement.
Een bijdrage aan inzicht op de relatie tussen de toename van handel en verduurzaming ervan wordt verwacht van een evaluatie van het National Initiative for Sustainable & Climate Smart Oil Palm Smallholders (NISCOPS-)programma. Deze evaluatie zal meer inzicht bieden in elementen die bijdragen aan zowel het vergroten als het verduurzamen van de handelsstromen. Daarbij worden de belangrijkste kennis en inzichten geïnventariseerd rondom de trade-offs tussen het verhogen van standaarden en duurzame economische ontwikkeling en hoe die kunnen worden geoptimaliseerd.
Ten slotte zal er een tussentijdse evaluatie worden opgeleverd voor het Pathways to Prosperity programma dat wordt uitgevoerd door Solidaridad. Het doel van deze evaluatie is inzicht te krijgen in hoe de drie systemische interventies (in productie, markttoegang en governance) in samenhang leiden tot duurzamere en meer weerbare productieve internationale waardeketens en daarmee tot minder armoede en uitsluiting van gemarginaliseerde groepen.
De evaluatie van de tweede fase van het programma Catalyzing Private Sector Solutions for the SDG’s dat wordt uitgevoerd door IDH zal pas na de in 2029 uit te brengen Periodieke Rapportage van artikel 1 worden afgerond en is om die reden niet opgenomen in het overzicht van evaluaties voor 2027.
Subthema Versterking financiële sector
Binnen dit subthema ligt de nadruk op het verbeteren van de toegang tot financiering voor het micro-, midden- en kleinbedrijf. Deze ondernemers ervaren obstakels bij de toegang tot financiële diensten zoals leningen en verzekeringen. Onvoldoende toegang van deze ondernemers tot financiële dienstverlening is een belangrijke rem op economische ontwikkeling. Het heeft ook tot gevolg dat lage inkomensgroepen vast blijven zitten in een armoedesituatie.
Inzichtbehoefte
De inzichtbehoefte binnen dit subthema is dat we willen weten hoe we onze uitvoerders/partners gerichter kunnen laten investeren. Hierbij valt onder meer te denken aan welk type investeringen (schenking, lening of combinatie van beiden) er nodig zijn.
Toelichting onderzoeksagenda
Om aan bovengenoemde inzichtbehoefte te voldoen zal het Dutch Good Growth Fund spoor 2 (DGGF2) in 2026 starten met een brede externe evaluatie, waarbij o.a. zal worden gekeken naar thema’s als: ontwikkelingsrelevantie (economische impact en inclusieve groei), demonstratie-effecten, katalytische effecten, het revolverende karakter en additionaliteit. Deze evaluatie zal voortbouwen op inzichten uit evaluatieactiviteiten uitgevoerd sinds de oprichting van DGGF2 in 2014.
Verder worden kennisinstituties ondersteund die kennisoverdracht tussen partners onderling bevorderen. We onderzoeken hoe we de inzichten en kennis van kennisinstellingen zoals het United Nations Capital Development Fund (UNCDF) en de Consultative Group to Assist the Poor (CGAP) beter kunnen verbinden aan onze uitvoerende partners zoals bijvoorbeeld FMO, zodat ze deze kennis en inzichten kunnen gebruiken voor het vergroten van de effectiviteit van hun programma’s en activiteiten.
Een aantal onderzoeken wordt in 2026 afgerond en is om die reden niet opgenomen in het overzicht van evaluaties voor 2027. Dit zijn het onderzoek van CGAP naar barrières voor financiële inclusie en het evaluatieonderzoek van de strategie 2020-2024 van het MASSIF-fonds, gericht op gericht op financiële inclusie van micro-, kleine en middelgrote bedrijven.
Sub-thema Gecombineerde aanpak voor digitale en duurzaamheidstransities in combinatielanden (combitracks)
Inzichtbehoefte
Met de zogenaamde combitracks werken we aan het versterken van economische partnerschappen in opkomende markten, waarbij we ons richten op de dubbele doelstelling van duurzame lokale ontwikkeling en Nederlands verdienvermogen. Onder dit sub-thema bestaat de wens inzicht te verkrijgen in hoeverre de gecombineerde inzet (zogenoemde combitracks) daadwerkelijk leidt tot synergie tussen ontwikkelingssamenwerking, handel en investeringen en het bereiken van de verschillende beleidsdoelstellingen (vergroening, versterken van Nederlandse export- en investeringspositie en duurzame lokale economische ontwikkeling).
Toelichting onderzoeksagenda
T.b.v. van monitoring, evaluatie en leren is een externe partner gecontracteerd om de doeltreffendheid en de verantwoording van de combi-aanpak voortdurend te verbeteren en daarmee de kans op impactvolle resultaten te vergroten. De focus van hun opdracht ligt op het evalueren van de efficiëntie en duurzaamheid van de combi-aanpak, het bevorderen van leerprocessen en adaptief beheer en inzichtelijk maken van de bijdrage van de combitracks aan transities op lange termijn. Dit onderzoek, samen met de in 2028 uit te voeren synthesestudie handel&ontwikkeling, dekt de bestaande inzichtbehoefte en komt in de plaats van de effectevaluatie van combitracks in combinatielanden en de synthesestudie combitracks.
In afwijking van de eerder voorgenomen inzet zal voor artikel 1 één periodieke rapportage in 2029 worden opgeleverd. In lijn met de voorgaande periodieke rapportage, zal deze rapportage de onderlinge samenhang van de inzet onder de subartikelen 1.1, 1.2 en 1.3 evalueren. Daartoe zal in de loop van 2027 een Harbersbrief worden opgesteld.
Artikel 2 BHOS
Thema: Duurzame ontwikkeling, voedselzekerheid, water en klimaat (SDG 2, 6, 7)
Het kabinet werkt aan ontwikkeling om, in ontwikkelingslanden, armoede te verminderen en weerbaarheid te vergroten. Specifiek zet het kabinet hierbij in op het verbeteren van landbouwproductie en voedselzekerheid (BHOS artikel 2.1); het verbeteren van waterbeheer, drinkwater en sanitatie (BHOS artikel 2.2); het verbeteren van toegang tot schone energie, bos- en grondstoffenbeheer (BHOS artikel 2.3).
Het beleid op deze onderwerpen staat beschreven in verschillende, (sub)thema-specifieke, strategieën; de gemene deler van deze strategieën is het gebruik van natuurlijke hulpbronnen en ecosystemen. Onder dit thema werkt de minister steeds aan duurzame toegang tot basisvoorzieningen zoals WASH, schone energie en een voedzaam dieet enerzijds en aan duurzame productie van die basisvoorzieningen, inclusief de bescherming van (bron-)ecosystemen als stroomgebieden, bossen en landbouwgronden, anderzijds. De beleidsdoelstellingen die de minister hanteert zijn gekoppeld aan de SDG's (SDG 2, 6, 7, 13, 15) en, in lijn met de SDG's, geformuleerd tot 2030.
Inzichtbehoefte voor het thema
Het beleid binnen BHOS artikel 2 op het thema ‘Duurzame ontwikkeling, voedselzekerheid, water en klimaat’ is veelzijdig. Dat biedt kansen maar ook risico’s, het kan systeem-brede oplossingen maar ook versnippering faciliteren. De doeltreffendheid en effectiviteit van individuele interventies binnen de verschillende portfolio’s wordt op reguliere wijze geëvalueerd. De deelstudies die in deze SEA tot 2028 gepland staan beogen overkoepelende inzichten op portfolio- en themaniveau te genereren.
De belangrijkste vraag, waar ieder van de vijf deelstudies een antwoord op zal formuleren, is of en hoe de optelsom van individuele interventies en activiteiten binnen BHOS artikel 2.1, 2.2 en 2.3 succesvol is geweest in het bereiken van de portfolio-beleidsdoelstellingen. Inzicht in de relevantie en de duurzaamheid (zowel groen als bestendig) van de resultaten van het uitgevoerde beleid per portfolio is belangrijke input om de kwaliteit van de inzet te kunnen waarderen. Inzicht in de meerwaarde van samenwerken met het bedrijfsleven of van investeren in systeemversterking is belangrijk om de efficiëntie van de investeringen te kunnen waarderen.
De Periodieke rapportage in 2029 zal in een synthese van de deelstudies antwoord kunnen geven op de vraag in welke mate en langs welke wegen Nederland erin slaagt om, binnen de ecologische grenzen, de productie van en toegang tot basisvoorzieningen te verbeteren - ook voor de allerarmsten en ook na 2030.
Toelichting onderzoeksagenda voor het thema
Deze SEA-periode voor dit thema zal eind 2028 afgesloten worden. Omdat de huidige beleidsdoelstellingen en de SDG's geformuleerd zijn tot aan 2030, is 2028 een goed moment om de balans op te maken en conclusies te trekken uit geleerde lessen van de afgelopen jaren in een Periodieke rapportage. Met de in de tabel genoemde deelstudies wordt het beleid van de minister geëvalueerd binnen de bestaande thematische kaders. Door bewust om te gaan met parallellen tussen portfolio’s van de subthema’s, kan er thema-breed met meer synergie gewerkt worden en wordt het uitwisselen van kennis en ervaring tussen de subthema’s eenvoudiger.
Artikel 3 BHOS
Thema: Sociale vooruitgang (SDG 3,5,8)
Het Nederlandse beleid onder het thema Sociale vooruitgang beoogt menselijke ontplooiing en het bevorderen van sociale gelijkheid en inclusieve ontwikkeling. Er zijn vier subthema’s:
– Subthema Mondiale gezondheid en seksuele en reproductieve gezondheid en rechten: Het versterken van gezondheidssystemen en verbeteren van toegang tot basisgezondheidszorg en Seksuele en Reproductieve Gezondheid en Rechten (SRGR).
– Subthema Vrouwenrechten en gendergelijkheid: Het bevorderen van vrouwenrechten en gendergelijkheid.
– Subthema Maatschappelijk middenveld: Versterking van het maatschappelijk middenveld en bevordering en bescherming van de politieke ruimte voor maatschappelijke organisaties.
– Subthema Onderwijs: Versterken van het onderwijs en daarmee bijdragen aan het vergroten van kansen en perspectieven voor jongeren.
Periodieke rapportage
De Periodieke rapportage over het thema sociale vooruitgang zal uiterlijk in 2032 aan de kamer worden aangeboden. Dit rapport zal ingaan op de relevantie, coherentie, effectiviteit, doelmatigheid en duurzaamheid van het beleid op artikel 3.
Inzichtbehoeften subthema mondiale gezondheid en seksuele en reproductieve gezondheid en rechten
Inzicht in de relevantie, effectiviteit, efficiëntie en coherentie van het product development programme (PDP) is van belang om tijdig een besluit te kunnen nemen over een eventueel vervolg van het programma. De ingezette MTE richt zich op de individuele PDP activiteiten, waarbij gekeken wordt naar hun rol, meerwaarde en effectiviteit. Daarnaast onderzoekt de evaluatie ook het bredere financieringsmechanisme, waarbij geleerde lessen verzameld zullen worden, o.a. op het gebied van verbeterde toegang tot nieuwe gezondheidsproducten en het opbouwen van een sterk onderzoeks- en bevoorradingssysteem in LMIC's.
Daarnaast is er een inzicht behoefte op het gebied van de huidige Mondiale Gezondheidsstrategie (MGS), die tot 2030 loopt. De evaluatie mondiale gezondheid richt zich op de resultaten van de multilaterale instrumenten en partnerschappen voor mondiale gezondheid en SRGR, met specifieke aandacht voor de eerste pijler van de MGS die zich richt op het versterken van de mondiale gezondheidsarchitectuur en nationale gezondheidssystemen. Gezien de wereldwijde afname van ODA-financiering, de daarmee samenhangende discussies over het hervormen van de mondiale gezondheidsarchitectuur en de financiële bijdrage die Nederland levert aan partners die bijdragen aan systeemversterking is het belangrijk daar onderzoek naar te doen. Als kader daarvoor kan de studie bouwen op het WHO-kader voor gezondheidszorgstelsels, dat zes bouwstenen omvat: dienstverlening, gezondheidswerkers, gezondheidsinformatiesystemen, toegang tot essentiële geneesmiddelen, financiering en leiderschap/bestuur. Deze evaluatie zal kijken naar de inzet van partners op deze verschillende bouwstenen en resultaten die daaruit voortvloeien.
Met oog op een nieuwe Mondiale Gezondheidsstrategie (huidige loopt t/m 2030) kunnen de inzichten uit deze evaluatie bijdragen aan de vormgeving van deze strategie evenals besluiten over Nederlandse bijdragen aan multilaterale partners en fondsen. De evaluatie zal dus ruim voor 2030 afgerond moeten zijn.
Inzichtbehoeften Maatschappelijk Middenveld
Aan de start van het nieuwe beleidskader Focus is het van belang een baseline studie uit te voeren. Deze studie zal inzicht geven in de capaciteit van maatschappelijk organisaties om diensten te kunnen verlenen en dialogen te voeren. Ook wordt van een beperkt aantal thematische indicatoren de beginwaarde vastgesteld.
Het tussentijds meten van relevantie, efficiëntie en effectiviteit van het nieuwe beleidskader Maatschappelijk Middenveld stelt het kabinet in staat om verantwoording af te leggen, waar nodig bij te sturen en geleerde lessen mee te nemen in een eventueel volgend beleidskader. Deze studie die voortgang meet ten opzichte van de baseline gepland in 2026, zal ook de veranderende rol van de Nederlandse organisaties meegenomen worden zoals verzocht in Motie De Korte, nr. 36600-XVII-66.
Vrouwenrechten en gendergelijkheid en onderwijs
Het budget van het subthema vrouwenrechten en gendergelijkheid is aanzienlijk afgenomen en het subthema onderwijs is afgebouwd. Momenteel zijn er geen specifieke studies gepland op deze subthema’s. IOB zal, waar mogelijk (afhankelijk van programma’s en onderliggende evaluaties), gender meenemen in verschillende evaluaties.
Artikel 4 BHOS
Thema: Vrede, veiligheid en duurzame ontwikkeling (SDG 4,10,16)
Het beleid op dit thema beoogt in landen met minder sterke overheden en kwetsbare samenlevingen bij te dragen aan stabiliteit en aan een maatschappelijke orde die is gebaseerd op recht en democratische waarden. De belangen van burgers en van kwetsbare en gemarginaliseerde groepen nemen daarin een belangrijke plaats in. Inspanningen richten zich op het helpen aanpakken van structurele onderliggende oorzaken van instabiliteit en conflict, op het bevorderen van basisvoorwaarden voor een menswaardig bestaan en op weerbaarheid en veerkracht van mensen en hun gemeenschappen. Dit draagt eraan bij dat mensen die door conflict, uitsluiting en rechteloosheid kwetsbaar zijn of door een humanitaire crisissituatie in nood verkeren, in veiligheid en waardigheid kunnen (over)leven en perspectief hebben. Het draagt ook bij aan internationale stabiliteit.
Dit beleidsthema heeft drie sub-thema’s: humanitaire hulp, opvang en bescherming in de regio (en migratiesamenwerking), en bevordering van veiligheid en rechtsorde. Met het oog op de strategische evaluatie agenda zijn per subthema inzichtbehoeften geformuleerd.
Artikel 4.1 BHOS
Subthema Humanitaire Hulp
Het kerndoel van ons humanitaire beleid is het redden van levens, het verlichten en voorkomen van menselijk lijden bij rampen en conflicten. Dit kabinet zet drie elementen centraal: complementariteit, effectiviteit en het waarborgen van ongehinderde humanitaire hulp. Een belangrijk onderdeel van dit beleid is meerjarige, flexibele financiering via vaste humanitaire partners. Tegelijkertijd speelt dit kabinet in op de veranderende wereld en legt het nieuwe accenten in het beleid, deze zijn:
– Anticiperende humanitaire hulp;
– International Humanitarian Law en bescherming hulpverleners;
– Lokaal geleid werken.
De Nederlandse beleidsinzet werkt aan:
– Complementariteit tussen organisaties die Nederland financiert;
– Effectiviteit via flexibele meerjarige financiering / lokale humanitaire organisaties;
– Waarborgen ongehinderde humanitaire hulp en veiligheid hulpverleners.
Inzichtbehoefte en toelichting onderzoeksagenda
De inzichtbehoeften spelen met name op de volgende terreinen:
– Hoe draagt risicodeling, gekoppeld aan lokalisering, bij aan het versterken van het humanitaire systemen? Waarbij de vraag centraal staat of risicodeling bijdraagt aan het inzichtelijk maken van bestaande risico’s en nagedacht kan worden aan wie welke risico’s het best kan dragen of hoe risico’s gemitigeerd kunnen worden.
– Hoe draagt anticiperende actie in noodsituaties (wat anders is dan anticiperende hulp bij natuurgeweld) bij aan het versterken van het humanitaire systeem? Vanuit de uitgangspunten van anticiperende actie moet onderzocht worden of betere methoden voor voorspelling van dergelijke rampen (‘man made’) zijn toegepast.
– Hoe draagt het versterken van International Humanitarian Law en bescherming van hulpverleners bij aan het versterken van het humanitaire systeem?
Artikel 4.2 BHOS
Subthema Migratie en Ontheemding
Opvang in de Regio (OidR) inzet betreft de bijdrage van Nederland aan de veilige opvang van mensen die ontheemd zijn of raken door oorlog, geweld of natuurrampen: vaak in gebieden en landen rond het conflict- of rampgebied. Kern van het beleid is het bevorderen van perspectief en duurzame leefomstandigheden voor ontheemden in de regio van herkomst. Door betere bescherming, onderdak, onderwijs en andere voorzieningen, en kansen op werk kunnen vluchtelingen en ontheemden dichtbij huis een nieuw (tijdelijk) bestaan opbouwen, zo lang de mogelijkheid tot terugkeer naar het land van herkomst niet aanwezig is. De Nederlandse inzet omvat ook investeringen in perspectief van gastgemeenschappen in de betreffende opvanglanden. Dat helpt spanningen tussen ontheemden en lokale gemeenschappen te verlagen en samenleven soepeler te maken.
Daarnaast spant Nederland zich met het migratiesamenwerkingsbeleid in voor veilige en ordelijke migratie. Aandachtspunten zijn daarbij de bescherming van mensenrechten van migranten, het tegengaan van irreguliere migratie, inclusief het tegengaan van mensensmokkel- en handel en bewustmaking bij potentiële migranten van de risico’s van irreguliere migratie, en het faciliteren van terugkeer en duurzame herintegratie.
Inzichtbehoefte en onderzoeksagenda
Opvang in de Regio: Prospects partnerschap
Voor Nederland is Prospects het grootste programma waarmee opvang in de regio beleid in de praktijk wordt gebracht. Prospects is een samenwerkingsverband tussen het Ministerie van Buitenlandse Zaken, ILO, UNICEF, UNHCR, de Wereldbank en IFC. Het doel van het partnerschap is om vluchtelingen en gastgemeenschappen in kwetsbare regio’s meer lange termijn perspectief te bieden, vanuit de gedachte dat hierdoor de noodzaak tot doorreis vermindert. Prospects zet waar het kan in op meer ontwikkelingsgerichte steun, waarbij vluchtelingen en gastgemeenschappen – en specifiek jongeren – de instrumenten krijgen om zichzelf een perspectief te verschaffen.
In april 2026 rondde IOB de Prospects-evaluatie af, die inzicht geeft in (a) bijdrage van Prospects in het creëren van perspectief voor vluchtelingen en gastgemeenschappen in landen van opvang en (b) bijdrage van Prospects I aan inclusie van vluchtelingen in landen van opvang van 2019-2024. Toekomstige studies mbt Prospects kunnen zich richten op de bijdrage van programmatische samenwerking tussen partners gericht op het vergroten van effectiviteit van programmering voor vluchtelingen en kwetsbare gastgemeenschappen. Om dit inzicht te verkrijgen zal Prospects II worden geëvalueerd door middel van een eindevaluatie in 2028. De opzet hiervan wordt nog uitgewerkt, en zal hoogstwaarschijnlijk door MOA worden uitbesteed.
Opvang in de Regio: Afghanistan
Daarnaast wordt er binnen Opvang in de Regio geprogrammeerd voor de opvang van Afghaanse vluchtelingen in de regio (Kamerstuk 27925, nr. 906). Voor opvang in de Afghanistan-regio zijn activiteiten geprogrammeerd (EUR 50 mln. per jaar vanaf 2024) voor Pakistan, Iran en Afghanistan. Deze inzet sluit aan bij de bredere opvang in de regio doelstellingen en richt zich op sectoren als bescherming, inclusie, onderwijs, levensonderhoud, water, sanitair en hygiëne (WASH), huisvesting en gendergelijkheid. Omdat er in de buurlanden Iran en Pakistan geen gedegen vluchtelingenstatusdeterminatie plaatsvindt en er sinds 2023 grootschalige repatriëringsprogramma's worden doorgevoerd, richten de OidR-programma's in deze regio zich op gastgemeenschappen, vluchtelingen, terugkeerders en ontheemden. Momenteel wordt een strategie uitgewerkt hoe deze inzet verder vorm zal nemen gezien huidige politieke ontwikkelingen in de regio.
Met betrekking tot Afghanistan programmering is er behoefte nader inzicht te verwerven in de effectiviteit van AFG regio programmering voor Afghaanse vluchtelingen in de regio binnen bredere opvang in de regio doelstellingen. Hiertoe wordt ingezet op het uitvoeren van een synthesestudie van de eindevaluaties van de programmering die onder de Afghanistan-regio vallen.
Migratiesamenwerking: Migratiepartnerschappen
Het kabinet zet in op migratiepartnerschappen met partnerlanden in Noord-Afrika, de Sahel, de Hoorn van Afrika en het Midden-Oosten. Het doel van deze partnerschappen is het beperken van irreguliere migratie, het bevorderen van terugkeer bij onrechtmatig verblijf en de bescherming van migranten. Hierbij wordt o.a. ingezet op brede samenwerking, waarbij een gelijkwaardige, open, en duurzame relatie wordt ontwikkeld, waarin alle onderwerpen kunnen worden besproken, en waarbij gezamenlijk naar oplossingen wordt gezocht voor wederzijdse uitdagingen die verder gaan dan alleen migratie. Afronding beleidstheorie staat gepland voor najaar 2026.
In april 2026 rondde IOB een evaluatie af, die inzicht geeft in de effectiviteit en doelmatigheid van dit beleidsinstrument in de periode 2022-2025.
Toekomstige studies mbt migratiepartnerschappen kunnen zich richten op vraagstukken, zoals:
– mate waarin de programmering uit migratiepartnerschapsmiddelen heeft bijgedragen aan een betere bilaterale migratiesamenwerking met de betreffende landen;
– effectiviteit van vraaggestuurde programmatische samenwerking met de partnerlanden in relatie tot de beleidsdoelstellingen op art. 4.2 (bevorderen terugkeer, tegengaan irreguliere migratie en bescherming migranten);
– werking van pilots voor circulaire arbeidsmigratie met migratierelevante landen.
Migratiesamenwerking: COMPASS & PROMIS
Het COMPASS-partnerschap tussen NL en IOM is gericht op het bevorderen van de bescherming van migranten en het tegengaan van irreguliere migratie in 14 landen middels een ‘ecologische’ benadering met interventies op individueel, huishouden, gemeenschap en structureel niveau. Het programma voorziet een evidence-based benadering en een flexibele structuur, waarbij tussentijds leren en bijsturen centraal staat. De tweede fase van COMPASS loopt van 2024-2027. De tweede fase zal worden geëvalueerd middels een ‘comprehensive evaluation’ in het derde jaar (2027) van het programma, en tevens input leveren voor fase 3.
In 2023 is COMPASS uitgebreid met het Migration Partnership Funding instrument (MPF), waarmee MS additionele vraaggestuurde programmering kan ontwikkelen ter ondersteuning van de bilaterale migratiedialogen. MPF en het vervolg MPF II zullen in 2027 en 2028 extern geëvalueerd worden op doeltreffendheid en doelmatigheid.
Het PROMIS programma met UNODC en OHCHR richt zich op het tegengaan van mensenhandel en -smokkel in West-Afrika, dat wegens goede resultaten is uitgebreid naar Noord-Afrika (met alleen UNODC). PROMIS V loopt sinds 2025 en zal in 2028 extern geëvalueerd worden op doeltreffendheid en doelmatigheid.
Opvang in de regio en migratiesamenwerking: Subsidiekader locally led development
In 2023 heeft BZ een subsidiekader gepubliceerd met als doel het versterken van lokaal geleide ontwikkeling ‘locally led development’ op het gebied van migratie en ontheemding. Hiermee is een voor een nieuwe aanpak gekozen: binnen het subsidiebeleidskader wordt onderscheid gemaakt tussen subsidie aanvragers (support partners) en de beleidsdoelgroep (in-country partners). Tien support partners zijn gecontracteerd door BZ met als doel om in-country partners te ondersteunen in hun streven om zichzelf te organiseren, bescherming te bieden aan migranten en vluchtelingen en/of hun stem effectiever kenbaar te maken. Deze nieuwe aanpak zal uitgebreid worden geëvalueerd, middels een baseline studie en een eindevaluatie, op basis van vragen zoals:
– In hoeverre heeft de ondersteuning aan in-country partners tot gewenste capaciteitsversterking geleid?
– En in hoeverre heeft dat tot effectievere steun aan migranten, vluchtelingen en kwetsbare gastgemeenschappen geleid?
– Wat kan geconcludeerd worden over de steun aan lokaal geleide organisaties, versus multilaterale organisaties, wat betreft effectiviteit en efficiëntie?
Subthema Veiligheid en Democratische Rechtsorde
Veiligheid, stabiliteit en rechtsorde zijn voorwaarden voor duurzame vrede en ontwikkeling. V&R activiteiten zijn gericht op het vergroten van fysieke veiligheid voor mensen en gemeenschappen (waaronder humanitaire ontmijning), het versterken van de rechtsorde en inclusief bestuur met een duidelijke focus op de behoeften van de betrokken populaties zelf, en conflictpreventie en vredesprocessen.
Inzichtbehoefte
De volgende leervragen zijn vanuit de herziene Theory of Change geformuleerd:
– Inzicht in bij welke samenwerkingsstrategieën (partnerschappen, diplomatie, enz.) het meest waarschijnlijk is dat veiligheid en rechtsorde resultaten worden behaald in de context van het samenwerken of juist uitblijven daarvan met de verschillende soorten V&R autoriteiten;
– Inzicht of een sterke Nederlandse focus op locally led development leidt tot betere resultaten en wat de manieren zijn om dit in de praktijk te brengen;
– Inzicht in hoe Nederland het beste de verbinding kan ondersteunen tussen het lokale en nationale niveau (qua V&R resultaten, OS-resultaten of institutionele hervorming)
Toelichting onderzoeksagenda
– Gewenst inzicht: welke samenwerkingsstrategie werkt het beste voor Nederland bij verschillende soorten V&R autoriteiten;
– Herkomst van de leervraag: de steeds terugkerende vragen hoe je bijdraagt aan een legitieme, op behoeften gebaseerd sociaal contract waarbij vaak sprake is van zowel formele als informele leveranciers van recht en veiligheid;
– Gewenst inzicht: leidt een sterke Nederlandse focus op locally led development tot betere resultaten?;
– Herkomst van de leervraag: de vele vragen in de Theory of change betreffen locally led development en de benadering waarin de mensen centraal staan.Leidt het ruimte bieden aan lokale krachten in het ontwerp van interventies ook tot betere resultaten? Wat voor concrete strategieën kunnen hieraan bijdragen;
– Gewenst inzicht: hoe kan Nederland het beste de verbinding ondersteunen tussen het lokale en nationale niveau;
– Herkomst van de leervraag: terugkerende vragen gaan hier over de manier waarop lokale projecten zich verhouden tot meer systemische verandering op nationaal niveau. Op lokaal niveau is gebleken dat er vooruitgang mogelijk is om degenen die zorgen voor veiligheid en recht meer transparant te laten werken. De leervraag gaat over de manier waarop opschaling en ‘trickle up’ naar nationaal niveau mogelijk wordt en daarmee tot systeemverandering leidt;
– Gewenst inzicht: inzicht in effectiviteit van veiligheid- en rechtsorde programmering.
Inzichtbehoefte op dwarsdoorsnijdende onderwerpen
Op dit beleidsthema is ook nog sprake van inzichtbehoeften ten aanzien van de werkwijze die het meest effectief is. Het gaat hierbij om de principes van lokaal geleide ontwikkeling (‘locally led development’), adaptiviteit en conflict sensitief werken, evenals de behoefte naar meer inzicht op de samenhang tussen de sub-thema’s. Verder zijn gender en mentale gezondheid en psychosociale steun (MHPSS) dwarsdoorsnijdende onderwerpen. Op basis van (lopende en geplande) herziening van de interventielogica (‘theories of change’) zijn en worden leervragen verder uitgewerkt. Tevens wordt gekeken naar de mate waarin de principes van locally led development en adaptiviteit tot verdere vergroting van effectiviteit kunnen leiden in de geplande evaluaties en studies in de SEA, waaronder de mid term evaluatie van het beleidskader ‘Contributing to Peaceful and Safe Societies’, gepland voor 2029.
Artikel 5 BHOS
Thema: Multilaterale samenwerking en overige inzet
Artikel 5 is een verzamelartikel waarin veel verschillende niet-thematische onderdelen zijn samengevoegd. Artikel 5.1 omvat het leeuwendeel van de multilaterale inzet. Daarover is in 2025 een Periodieke rapportage uitgevoerd. Artikel 5.2 omvat alleen de contributie voor UNESCO en schuldverlichting. Contributies hebben geen beleidscomponent (iedere lidstaat betaalt naar rato) en schuldverlichting is een uitkomst van internationale afspraken. Om die reden is gekozen de PR te beperken tot artikel 5.1. In 2026 werd ook de Tussentijdse Review van het Beleidskader Mondiaal Multilateralisme afgerond.
In 2027 publiceert BZ een evaluatie over de Nederlandse inzet in Oekraine (niet militaire steun), zie ook Strategische Evaluatie Agenda art. 2.6 BZ. BZ biedt directe steun aan Oekraïne en levert daarnaast een aanzienlijke bijdrage aan verschillende initiatieven van multilaterale organisaties. Deze tussentijdse evaluatie kijkt terug naar behaalde resultaten, de relevantie van de verleende steun voor Oekraïense partners en de coherentie met initiatieven van andere internationale actoren. Op basis daarvan komt de evaluatie met een aantal aanbevelingen voor toekomstige steun.
Bijlage 4: Meerjarige juridische verplichtingen
Tabel 17 Overzicht meerjarige juridische verplichtingen (bedragen x € 1.000 euro)
2026 BUDGET
2027 BUDGET
2028 BUDGET
2029 BUDGET
2030 BUDGET
2031 BUDGET
1.1 Duurzame handelsystemen (IMH)
32
34
36
38
37
37
wv. Juridisch verplicht
32
15
3
0
0
0
wv. Bestuurlijk verplicht
0
15
16
16
16
16
wv. Beleidsmatig gereserveerd
0
4
17
22
21
21
Totaal vrije ruimte
0
0
0
0
0
0
1.2 Nederlandse handel (DIO)
103
97
96
95
94
93
wv. Juridisch verplicht
103
70
26
13
13
13
wv. Bestuurlijk verplicht
0
27
70
70
70
70
wv. Beleidsmatig gereserveerd
0
0
0
12
11
11
Totaal vrije ruimte
0
0
0
0
0
0
1.3 PSD (DDE)
493
510
549
573
519
495
wv. Juridisch verplicht
493
399
294
219
219
219
wv. Bestuurlijk verplicht
100
177
255
255
255
wv. Beleidsmatig gereserveerd
11
78
99
45
21
Totaal vrije ruimte
0
0
0
0
0
0
Artikel 1
Juridisch vpl
628
484
323
232
232
232
Bestuurlijk verplicht
0
142
263
341
341
341
Beleidsmatig gereserveerd
0
15
95
133
77
53
Subtotaal budget art 1
628
641
681
706
650
626
Totaal vrije ruimte art 1
0
0
0
0
0
0
Artikel 2: Duurzame ontwikkeling, voedselzekerheid, water en klimaat
2.1 Voedselzekerheid
379
383
424
442
427
410
wv. Juridisch verplicht
366
262
147
80
41
5
wv. Bestuurlijk verplicht
12
22
22
40
46
39
wv. Beleidsmatig gereserveerd
2
99
255
322
340
365
Totaal vrije ruimte
0
0
0
0
0
0
2.2 Water
251
271
278
297
293
293
wv. Juridisch verplicht
218
174
127
94
47
23
wv. Bestuurlijk verplicht
14
14
14
14
14
14
wv. Beleidsmatig gereserveerd
20
83
137
190
232
257
Totaal vrije ruimte
0
0
0
0
0
0
2.3 Klimaat
248
227
303
346
322
257
wv. Juridisch verplicht
192
120
19
8
4
4
wv. Bestuurlijk verplicht
35
47
80
78
78
76
wv. Beleidsmatig gereserveerd
21
60
204
260
240
176
Totaal vrije ruimte
0
0
0
0
0
0
Artikel 2
Juridisch vpl
775
556
292
181
92
32
Bestuurlijk verplicht
61
83
116
132
138
129
Beleidsmatig gereserveerd
43
242
597
772
812
798
Subtotaal budget art 2
879
881
1.005
1.085
1.042
960
Totaal vrije ruimte art 2
0
0
0
0
0
0
Artikel 3: Sociale vooruitgang
3.1 Mondiale gezondheid en SRGR
422
391
454
485
493
482
wv. Juridisch verplicht
395
306
257
169
74
64
wv. Bestuurlijk verplicht
27
40
40
40
40
40
wv. Beleidsmatig gereserveerd
45
157
276
379
378
Totaal vrije ruimte
0
0
0
0
0
0
3.2 Vrouwenrechten en gender
27
36
42
36
28
30
wv. Juridisch verplicht
27
25
0
0
0
0
wv. Bestuurlijk verplicht
0
11
38
36
28
25
wv. Beleidsmatig gereserveerd
0
0
4
0
0
5
Totaal vrije ruimte
0
0
0
0
0
0
3.3 Maatschappelijk middenveld
142
141
177
170
174
146
wv. Juridisch verplicht
142
121
120
119
119
30
wv. Bestuurlijk verplicht
0
20
50
51
55
65
wv. Beleidsmatig gereserveerd
0
0
7
0
0
51
Totaal vrije ruimte
0
0
0
0
0
0
3.4 Onderwijs
1
23
58
55
32
3
wv. Juridisch verplicht
1
0
0
0
0
0
wv. Bestuurlijk verplicht
0
0
0
0
0
0
wv. Beleidsmatig gereserveerd
0
23
58
55
32
3
Totaal vrije ruimte
0
0
0
0
0
0
Artikel 3
Juridisch vpl
565
452
377
288
193
94
Bestuurlijk veplicht
27
71
128
127
123
130
Beleidsmatig gereserveerd
0
68
226
331
411
437
Subtotaal budget art 3
592
592
731
745
726
661
Totaal vrije ruimte art 3
0
0
0
0
0
0
Artikel 4: Vrede, veiligheid en duurzame ontwikkeling
4.1 Humanitaire Hulp
606
472
562
599
553
506
wv. Juridisch verplicht
506
377
372
372
101
101
wv. Bestuurlijk verplicht
100
1
1
1
1
0
wv. Beleidsmatig gereserveerd
94
189
226
451
405
Totaal vrije ruimte
0
0
0
0
0
0
4.2 Opvang in de regio
436
415
421
481
470
450
wv. Juridisch verplicht
385
336
22
9
0
0
wv. Bestuurlijk verplicht
52
1
10
11
10
9
wv. Beleidsmatig gereserveerd
78
389
461
460
441
Totaal vrije ruimte
0
0
0
0
0
0
4.3 Veiligheid en rechtsorde
280
295
355
369
337
272
wv. Juridisch verplicht
257
200
200
200
200
175
wv. Bestuurlijk verplicht
23
24
11
10
9
9
wv. Beleidsmatig gereserveerd
71
144
159
128
88
Totaal vrije ruimte
0
0
0
0
0
0
Artikel 4
Juridisch vpl
1.148
913
594
581
301
276
Bestuurlijk verplicht
175
26
22
22
20
18
Beleidsmatig gereserveerd
0
243
722
846
1.040
934
Subtotaal art 4
1.323
1.181
1.337
1.448
1.361
1.228
Totaal vrije ruimte art 4
0
0
0
0
0
0
Artikel 5: Multilaterale samenwerking en overige inzet
5.1 Multilaterale samenw
145
140
150
156
154
153
wv. Juridisch verplicht
145
137
128
99
59
55
wv. Bestuurlijk verplicht
0
0
0
0
0
0
wv. Beleidsmatig gereserveerd
0
3
22
57
95
98
Totaal vrije ruimte
0
0
0
0
0
0
5.2 Overig armoedebeleid
64
107
106
108
105
97
wv. Juridisch verplicht
64
103
91
81
77
64
wv. Bestuurlijk verplicht
0
0
0
0
0
0
wv. Beleidsmatig gereserveerd
0
4
15
27
28
33
Totaal vrije ruimte
0
0
0
0
0
0
5.3 Oekraïne (XVII)
343
384
399
397
0
0
wv. Juridisch verplicht
330
21
7
0
0
0
wv. Bestuurlijk verplicht
13
0
0
0
0
0
wv. Beleidsmatig gereserveerd
0
363
392
397
0
0
Totaal vrije ruimte
0
0
0
0
0
0
Artikel 5
Juridisch vpl
539
261
219
180
136
119
Bestuurlijk verplicht
13
0
0
0
0
0
Beleidsmatig gereserveerd
0
370
429
481
123
131
Subtotaal art 5 (excl. Artikel 5.4)
552
630
655
661
259
250
Totaal vrije ruimte art 5
0
0
0
0
0
0
Conform de toezegging tijdens de begrotingsbehandeling d.d. 31 januari 2024 bevat dit onderdeel een meerjarige uitwerking van de juridisch verplichte budgetten inclusief een toelichting. Daarnaast zijn de bedragen weergegeven die bestuurlijk gebonden zijn op grond van bestuursovereenkomsten, convenanten met koepels en/of decentrale overheden, politieke toezeggingen e.d., de bedragen die beleidsmatig gerserveerd zijn en de bedragen die vrij te besteden zijn.
Toelichting
Artikel 1
De programmering van artikel 1 bestaat uit meerjarige juridische overeenkomsten waaruit een verdeling van de uitgaven over de jaren plaatsvindt waarvoor de overeenkomst is aangegaan. Voor sub-beleidsartikel 1.1 Duurzame handelsystemen, zijn er diverse programma's ter bestrijding van kinderarbeid en ter bevordering van IMVO. Voor sub-beleidsartikel 1.2 Versterkte Nederlandse handels- en investeringspositie, gaat het om programma's met uitvoeringspartners RVO (o.a. Starters International Business, handelsmissies) en Invest International (o.a. Dutch Trade and Investment Fund). De programma's met RVO zijn in het lopende jaar juridisch verplicht en in de jaren erna bestuurlijk gebonden. Voor sub-beleidsartikel 1.3 private sectorontwikkeling, zijn meerjarige verplichtingen aangegaan op het terrein van onder andere financiele sector ontwikkeling en duurzame productie en handel. Voor infrastructuur ontwikkeling worden de regelingen DRIVE, D2B en ORIO door Invest International uitgevoerd. Tevens worden een aantal programma's door RVO uitgevoerd, waaronder de programma's voor de combi-aanpak. RVO en Invest International gaan verplichtingen aan die in latere jaren tot uitbetaling komen. Deze programma's zijn juridisch verplicht. Verplichtingen die onder deze programma's in 2027 en verder worden aangegaan zijn bestuurlijk gebonden.
Artikel 2
De programmering onder artikel 2 bestaat uit meerjarige juridische overeenkomsten waaruit een verdeling van de uitgaven over de jaren plaatsvindt waarvoor de overeenkomst is aangegaan. Voor de sub-beleidsartikelen 2.1 Voedselzekerheid en 2.2 Water wordt een groot deel van de budgetten gealloceerd op basis van meerjarige landenstrategieën van posten, voor zover deze kaders nog niet juridisch zijn verplicht, valt het overige deel van dit financiële meerjarige kader onder beleidsmatige verplichtingen omdat Nederland daarover bilaterale afspraken maakt als een betrouwbare en voorspelbare partner in ontwikkelingssamenwerking. Het sub-beleidsartikel 2.3 bevat verplichtingen voor multilaterale klimaatfinanciering en klimaatafspraken zoals bijdragen aan de Global Environment Facility, Green Climate Fund, UNEP en verdragscontributies in het kader van het Kyoto en Montreal protocol.
Artikel 3
De programmering onder artikel 3 bestaat uit meerjarige juridische overeenkomsten. Hieruit ontstaat een verdeling van uitgaven over de jaren waarvoor de overeenkomsten zijn aangegaan. Voor artikel 3.1 zijn middelen meerjarig vastgelegd en juridisch verplicht voor vaste bijdrages aan o.a. UNAIDS, UNFPA en de WHO. De beleidsmatig gereserveerde middelen hebben betrekking op de uitvoering van de Mondiale Gezondheidsstrategie 2023-2030. Voor artikel 3.2. zijn middelen vastgelegd voor de partnerschappen gericht op bescherming en bevordering vrouwenrechten en gendergelijkheid. De beleidsmatig gereserveerde middelen betreffen de uitvoering van het beleid op het gebied van vrouwenrechten zoals afgesproken in het coalitie akkoord. Voor artikel 3.3 worden de middelen tot en met 2030 meerjarig vastgelegd voor de versterking van het maatschappelijk middenveld onder onder met name het FOCUS kader 2026-2030. Voor artikel 3.4 zijn er middelen toegevoegd die via het KEY programma en UNICEF onze inzet vormen op onderwijs.
Artikel 4
De programmering onder artikel 4 bestaat uit meerjarige juridische overeenkomsten waaruit een verdeling van de uitgaven over de jaren plaatsvindt waarvoor de overeenkomst is aangegaan. Voor artikel 4.1 Humanitaire hulp is het grootste deel van het budget t/m 2029 meerjarig juridisch verplicht. Dit betreft onder andere de bijdragen aan VN-organisaties (WFP, UNHCR, UNRWA), CERF, UNICEF-thematische humanitaire financiering en UNOCHA. Subsidies aan de Dutch Relief Alliance en het Rode Kruis zijn t/m 2031 toegekend. Daarnaast zijn er subsidies uit hoofde van het subsidiebeleidskader «Versterking van de Humanitaire Sector 2024–2027» t/m 2027 toegekend.
Voor artikel 4.2 Opvang en bescherming in de regio en migratiesamenwerking liggen de middelen meerjarig juridisch vast. Het betreft hier met name het PROSPECTS programma (2024-2027), COMPASS (t/m 2027) en programmering in de Afghanistan regio (t/m 2027). Vanaf 2028 wordt hiervoor nieuwe, meerjarige programmering voorzien welke als beleidsmatig gereserveerd is opgenomen. Subsidies die zijn toegekend op het subsidiebeleidskader «Migration and Displacement 2023-2028» lopen uiterlijk tot en met 2029. De start van een nieuw subsidiebeleidskader is vooralsnog voorzien voor 2029. Met betrekking tot artikel 4.3 Veiligheid en rechtstaatontwikkeling is een deel van het programma via gedelegeerde landenprogramma’s vastgelegd. Het deel wat van deze gedelegeerde middelen niet juridisch is vastgelegd is opgenomen onder bestuurlijk gebonden. De bijdrage aan het Peace Building Fund is verplicht t/m 2031. Er zijn subsidies toegekend uit het subsidiebeleidskader «Contributing to Peaceful and Safe Societies 2024–2031» die uiterlijk in 2031 aflopen.
Artikel 5
De kernbijdragen aan UNDP en UNICEF zijn tot 2030 opgenomen als juridisch verplicht, hierna als beleidsmatig gereserveerd. De verplichtingen voor de middelenaanvulling en kapitaalverhogingen van de regionale ontwikkelingsbanken (Asian Development Bank, African Development Bank en InterAmerican Development Bank) worden meerjarig aangegaan en hebben een doorlooptijd van 8 tot 10 jaar. De verplichtingen met de Wereldbank en de African Development Bank voor schuldverlichting (MDRI-compensatie) hebben een langere doorlooptijd en lopen af in 2044 respectievelijk 2054.
De bijdragen aan UNESCO in 2026 en verder zijn verplichte bijdragen die als juridisch verplicht zijn aangemerkt binnen artikel 5.2 De uitgaven voor schuldverlichting liggen tot en met 2028 grotendeels juridisch vast. De voorgenomen overige programma’s zijn als beleidsmatig gereserveerd opgenomen.
Op 5.3 staan de middelen voor steun aan Oekraine. 10 % hiervan is al juridisch verplicht. De rest is een toegezegd vanuit de kamer en daarom zijn die opgenomen als beleidsmatig gereserveerd.
Bijlage 5: Factsheets revolverende fondsen
Inleiding
Tijdens de begrotingsbehandeling van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking 2024 (36410-XVII) is toegezegd de Tweede Kamer bij de memorie van toelichting bij de begrotingen van de komende jaren door middel van factsheets te informeren over revolverende fondsen, onder meer over de omvang, looptijd en informatie over wie de fondsen beheren en uitvoeren. De factsheets van de revolverende fondsen die onder de verantwoordelijkheid van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking (BHOS) vallen zijn daarom als bijlage toegevoegd.
De informatievoorziening in de factsheets is vanaf dit jaar verder aangevuld met informatie over o.a. de exit-strategieën van een fonds, zoals toegezegd in de brief die op 29 mei jl. naar de Tweede Kamer is gestuurd (36800-XVII-72). Deze kamerbrief geeft invulling aan 2 moties die tijdens het Wetgevingsoverleg jaarverantwoording 2024 zijn aangenomen. Dit betreft de motie Ram en Hirsch
(36725-XVII-38), waarin werd verzocht om samen met de rapporteurs te verkennen hoe de Kamer beter geïnformeerd kan worden over de ontwikkelingen en besluitvorming rond revolverende fondsen en de motie Ram (36725-XVII-39), waarin werd verzocht om voor alle twaalf revolverende fondsen uiterlijk in 2025 een heldere exit-strategie op te stellen.
Revolverende fondsen
Revolverende fondsen zijn een belangrijk instrument voor de beleidsdoelen van BHOS waar de private sector een bijdrage aan kan leveren. Dat geldt bijvoorbeeld voor private sector ontwikkeling, voedselzekerheid en hernieuwbare energie. Bij deze doelen kan er sprake zijn van een op termijn rendabel bedrijfsmodel. De focus is projecten waarvoor onvoldoende financiering in de markt beschikbaar is, maar waarbij wel de verwachting is dat de investering voor een groot deel kan worden terugbetaald. Doordat middelen uit een revolverend fonds meerdere keren kunnen worden ingezet, is het niet alleen een heel doelmatig instrument, maar wordt met hetzelfde budget ook meer ontwikkelingsimpact bereikt. Revolverende fondsen bieden ook de mogelijkheid voor het mobiliseren van private financiering. Dat kan door het aantrekken van andere private financiers die zonder betrokkenheid van BHOS niet geïnvesteerd zouden hebben, ofwel door het ontwikkelen van bedrijfsmodellen die in staat zijn zelf privaat kapitaal aan te trekken.
Een overzicht van de huidige revolverende fondsen is op de volgende pagina weergegeven. Deze informatie is ook in het jaarverslag 2025 opgenomen maar is geupdate met de laatste informatie.
De omvang van het fonds betreft de waarderingsgrondslag zoals die bij de uitvoerder in de balans wordt gerapporteerd volgens de meest recente beschikbare gegevens. Voor enkele fondsen (DGGF 1, DTIF, GAFSP, PIDG, One Acre Fund, DFCD) zijn de (meest recente) gegevens per 31 december 2024 opgenomen.
Tabel 18 Overzicht revolverende fondsen (x EUR 1 miljoen)
Revolverende fondsen (bedragen x EUR 1 miljoen)
Begrotingsartikel
Revolverend Fonds
Uitvoerende organisatie
Omvang fonds [1] 31-12-2025;
Bijdrage NL t/m 31-12-2025; beoogde totale bijdrage NL
Uitgangspunt revolveerbaarheid
Uitvoering evaluatie gepland; beleids-doorlichting gepland
Looptijd
1.2
DTIF (onderdeel 1)
Invest International
71,1
77,9; 79,6
100% nominaal
In 2025 heeft de Algemene Rekenkamer een evaluatie uitgevoerd van DGGF en DTIF. Belkeidsdoorlichting is in 2022 uitgevoerd. Volgende evaluatie start in 2026.
2016 – Onbepaald
Dutch Trade & Investment Fund
1.3
DGGF
Invest International
212,9
218,2; 280,0
100% nominaal
Evaluatie uitgevoerd in 2020. In 2025 heeft de Algemene Rekenkamer een evaluatie uitgevoerd van DGGF en DTIF. Beleidsdoorlichting is in 2022 uitgevoerd. Volgende evaluatie gepland voor 2027.
2014 – Onbepaald
Dutch Good Growth Fund onderdeel 1
1.3
DGGF
Triple Jump/PWC
316,85
385,0; 409,0
100% nominaal
Evaluatie uitgevoerd in 2020. Beleidsdoorlichting uitgevoerd in 2022. Volgende evaluatie gepland voor 2027.
2014 ‒ 2029
Dutch Good Growth Fund onderdeel 2
1.3
Massif
FMO
431,51
365,0; 414,0
n.v.t.
Evaluatie uitgevoerd in 2020. Beleidsdoorlichting uitgevoerd in 2022. Volgende evaluatie start in 2026.
2006-2036
1.3
Building Prospects (BP/IDF)
FMO
333,26
424,5; 472,0
100%
Mid term review in 2024. Beleidsdoorlichting is in 2022 uitgevoerd. Volgende evaluatie gepland voor 2029.
2001-2028
1.3
PIDG
PIDG
1106,51 (USD 1286,64)
174,58 (USD 203,0);202,1 (USD 235,0)
n.v.t.
n.v.t.; Beleidsdoorlichting is uitgevoerd in 2022. Volgende evaluatie start in 2026.
2002 - Onbepaald
Private Infrastructure Development Group
1.3
Farm Fit
IDH
54,4
37,4; 50,0
100%
Mid Term Review in 2025. Beleidsdoorlichting is in 2022 uitgevoerd. Eind evaluatie is nog niet definitief gepland
2019–2034
2.1
GAFSPGlobal Agricultural and Food Security Programme
IFC
473,6 (USD 550,7)
100,6 (USD 117 Investment); 100,6 (USD 117 investment)
100% nominaal
Evaluatie uitgevoerd in 2024. Beleidsdoorlichting niet van toepassing. Volgende evaluatie gepland voor 2028.
2012-2034
2.1
One Acre Fund
One Acre Fund
10,9 (USD 12,7)
25,8 (USD 30,0); 25,8 (USD 30,0)
100%
Evaluatie uitgevoerd in 2022. Beleidsdoorlichting is uitgevoerd in 2022. Volgende evaluatie start in 2026.
2018–2032
2.3
AGRI3 Fund
Stichting Title Holder Agri3
81,0 (USD 94,1)
30,1 (USD 35,0 Finance Fund); 30,1 (USD 35,0 Finance Fund)
Finance Fund 100%
Evalutatie uitgevoerd in 2025. Beleidsdoorlichitng is uitgevoerd in 2024. Volgende evaluatie gepland voor 2028.
2020-2039
2.3
AEFAccess to Energy Fund
FMO
119,5
151,6; 190,0
100%
Evaluatie uitgevoerd in 2024. Beleidsdoorlichting is uitgevoerd in 2024. De evaluatie wordt iedere 5 jaar uitgevoerd, volgende evaluatie gepland voor 2029.
2006-2030
2.3
CIO / AEF II Climate Investor One
FMO
729,6 (USD 848,3)
47,8 (USD 55,6); 47,8 (USD 55,6)
75% ‒ 100%
Evaluatie uitgevoerd in 2023. Beleidsdoorlichting is uitgevoerd in 2024. De evaluatie wordt iedere 5 jaar uitgevoerd, volgende evaluatie gepland voor 2028.
2017-2037
2.3
DFCDDutch Fund for Climate and Development
FMO
448,5
183,7; 200,0
75% ‒ 100%
Evaluatie uitgevoerd in 2023. Beleidsdoorlichting is uitgevoerd in 2024. De evaluatie wordt iedere 5 jaar uitgevoerd, volgende evaluatie gepland voor 2028.
2019-2042
2.3
MFF - Mobilising Finance for Forests
FMO
164,6 (USD 191,3)
16,9 (USD 19,6); 25,7 (USD 29,9)
100%
Iedere 5 jaar. De eerste zal naar verwachting in 2027 plaatsvinden.
2024-2038
Daarnaast worden in deze bijsluiter de volgende onderdelen van de factsheets nader toegelicht:
Algemene informatie over het fonds
1. Hoe zit het fonds in elkaar?
2. Revolveerbaarheid en beheerskosten
3. Bijdrage BHOS
4. Wat is de positie van het fonds tot het Rijk?
5. Belangrijke data
6. Evaluaties
In 2025 zijn veertien revolverende fondsen financieel gesteund door BHOS. Alle gegevens in de factsheets zijn gebaseerd op de situatie per 17 juni 2026.
Algemene informatie over het fonds
De eerste sectie van het factsheet bevat informatie over enkele algemene aspecten van het revolverend fonds zoals i) het oprichtingsjaar van het fonds; ii) de einddatum van de investeringsperiode van het fonds; iii) de einddatum van het fonds; iv) de begunstigden; v) de uitvoerende organisatie(s); vi) het begrotingshoofdstuk; vii) de volgende geplande evaluatie; viii) het doel van het fonds; ix) de omvang van het fonds; x) het fondsvermogen dat niet geïnvesteerd is; xi) eventuele andere financiers in het fonds; xii) de totale beoogde omvang van het fonds; en xiii) de website.
Conform de systematiek van de exit-strategie wordt er per fonds onderscheid gemaakt tussen de einddatum van de investeringsperiode van het fonds (item ii) en de einddatum van het fonds zelf (item iii). De einddatum van het fonds zelf betreft de datum waarop de financieringsportefeuille van het fonds is afgewikkeld en alle middelen van de uitvoerder naar BHOS teruggevloeid moeten zijn indien het fonds niet verlengd wordt. Normaliter is het verschil tussen deze twee data de maximale investeringsperiode van de onderliggende investeringen in het fonds, conform de nieuwe exit-strategie. Indien dit voor individuele fondsen anders is, bijv. wanneer de nieuwe exit-strategie systematiek nog niet is doorgevoerd, is dit separaat vermeld in de factsheet.
De omvang van het fonds (item ix) is gebaseerd op de balans die in het jaarverslag van het revolverend fonds vermeld staat. De omvang wordt bepaald door stortingen in het fonds (door BHOS en mogelijk andere financiers) en kan gedurende de jaren fluctueren door bijv. winsten en/of verliezen van de onderliggende investeringen, door wisselkoersverschillen, of wanneer beheerskosten worden betaald uit het kapitaal van het fonds.
Het fondsvermogen dat niet geïnvesteerd is (item x) betreft de geldmiddelen en korte termijndeposito’s van het revolverend fonds zoals dit staat vermeld in het jaarverslag 2025 van het desbetreffende fonds (of 2024, indien de informatie per 31 december 2025 nog niet beschikbaar was). Dit bedrag betreft een momentopname en kan schommelen, bijv. door fluctuaties wanneer een aandeleninvestering net voor jaareinde verkocht is door het fonds of wanneer er net na jaareinde een investering zal plaatsvinden waar op jaareinde geldmiddelen voor klaar staan. Het ontstaan van een kasoverschot in een fonds wordt nadrukkelijk tegengegaan en jaarlijks getoetst; zo worden nieuwe bijdragen vanuit BHOS enkel overgemaakt o.b.v. een verstrekte liquiditeitsprognose en jaarplan van het fonds waarin bestaande kasreserves, gecommitteerde (maar nog niet betaalde) investeringen, en verwachte terugbetalingen naar het fonds worden meegenomen.
Ad 1. Hoe zit het fonds in elkaar?
Kenmerk van een revolverend fonds is dat terugvloeiende middelen opnieuw ingezet kunnen worden. In het figuur bij onderdeel 1 staat informatie over de constructie van het fonds. Het gaat over de rijksbijdragen naar het fonds en vanuit het fonds naar de eindbegunstigden, en weer terug. Het fonds zet hierbij geld uit via verschillende type investeringen (leningen, mezzanine leningen, aandelenparticipaties en garanties) en verwacht in ieder geval een deel van deze gelden terug te krijgen via aflossingen, rente, dividend, verkoopopbrengsten en/of garantievergoedingen.
Als er rendement gemaakt wordt, dat wil zeggen als eindbegunstigden bijvoorbeeld rente betalen, of als een investering met winst verkocht wordt, neemt de waarde van het fonds toe. Worden er leningen of investeringen afgeschreven, dan neemt de waarde van het fonds af. De waarde van het fonds kan op enig moment dus een ander bedrag zijn dan het totaal aan bedragen dat door de overheid en eventuele andere financiers in het fonds is gestort. Daarnaast spelen wisselkoersschommelingen (investeringen van het fonds zijn veelal in dollars, terwijl BHOS euro’s in het fonds stort en het fonds in euro’s rapporteert) een rol in fluctuaties in de waarde van het fonds.
Als besloten is een fonds te beëindigen en door de uitvoerder te laten afwikkelen, dan blijft geld over in het fonds, dat vervolgens terugkomt naar de BHOS-begroting. Het kan langere tijd duren voordat duidelijk is in hoeverre en wanneer de uitstaande investeringen ook daadwerkelijk terugkomen. Dat komt omdat leningen en participaties door het fonds meerjarig zijn verstrekt.
Ad 2. Revolveerbaarheid en beheerskosten
Het ministerie heeft een revolveerbaarheidspercentage als uitgangspunt voor elk fonds. Dit kan honderd procent zijn, maar ook minder. Dit is onder andere afhankelijk van de gekozen ontwikkelingsdoelen, sectoren en landen, en de noodzaak voor projectontwikkeling. Verder kan dit percentage inclusief of exclusief de kosten voor het beheer zijn. De daadwerkelijk gerealiseerde revolveerbaarheid van een fonds is enkel achteraf te bepalen, wanneer duidelijk is of uitstaande investeringen worden terugbetaald. Op basis van evaluaties zal de voorlopige revolveerbaarheid worden beoordeeld en het uitgangspunt t.a.v. revolveerbaarheid eventueel worden aangepast. Dit zal het komende jaar worden toegepast en in de factsheets van volgend jaar worden meegenomen.
Ad 3. Bijdrage BHOS
De bijdrage van BHOS aan het revolverend fonds betreft hoeveel geld BHOS aan het fonds heeft verstrekt en nog gaat verstrekken. Bij het aangaan van een verplichting wordt de totale Nederlandse bijdrage bepaald. Deze wordt over het algemeen over een periode van enkele jaren aan het fonds verstrekt, onder meer afhankelijk van de liquiditeitsbehoefte.
De bijdrage van BHOS tot op dit moment kan verschillen van de huidige omvang van het fonds, die gebaseerd is op de balans die in het jaarverslag van het revolverend fonds vermeld staat. Verschillen kunnen komen doordat er meerdere financiers geld aan het fonds hebben verstrekt en doordat er jaarlijks fluctuaties in de omvang van het fonds kunnen plaatsvinden. Deze fluctuaties kunnen komen door bijv. winsten en/of verliezen van de onderliggende investeringen, door wisselkoersverschillen, of wanneer beheerskosten worden betaald uit het kapitaal van het fonds. In de tabel hieronder staat een overzicht van de verwachte bijdrage van BHOS voor alle fondsen in 2026 en 2027.
Tabel 19 Beoogde bijdragen aan revolverende fondsen (x EUR miljoen)
Revolverend fonds
Beoogde bijdrage BHOS in 2026
Beoogde bijdrage BHOS in 2027
Acces to Energy Fund
11,0
21,5
AGRI3
0,0
0,0
Building Prospects
40,0
7,5
Climate Investor One
0,0
0,0
Dutch Fund for Climate and Development
5,2
11,1
Dutch Good Growth Fund track 1
27,1
0,0
Dutch Good Growth Fund track 2
24,0
0,0
Dutch Trade and Investment Fund
1,7
0,0
Global Agriculuture and Food Security Programme
12,6
0,0
Farm Fit Fund
0,0
0,0
MASSIF
25,0
15,0
Mobilising Finance for Forests
8,8
0,0
One Acre Fund
0,0
0,0
Private Infrastructure Development Group
14,0
13,5
Total
169,4
68,6
Ad 4. Wat is de positie van het fonds tot het Rijk?
In dit figuur komen twee aspecten terug die in de vormgeving van de fondsen kunnen verschillen: de plaatsing van het fondsvermogen en het fondsbeheer. Het vermogen kan deel uitmaken van de rijksoverheid, of het kan erbuiten staan. Ook het fondsbeheer varieert. Een fonds kan vanuit de rijksoverheid worden beheerd of buiten de rijksoverheid plaatsvinden.
Ad 5. Belangrijke data
In deze sectie is nieuwe informatie opgenomen over de exit-strategie systematiek welke de komende jaren bij de revolverende fondsen zal worden geïmplementeerd. Zo wordt in de factsheet opgenomen wat de status van het fonds is (bijv. actief of besloten tot exit).
Daarnaast is opgenomen wanneer het volgende wegingsmoment is, waarin er besloten wordt over het continueren dan wel beëindigen van het fonds. Een wegingsmoment volgt na een investeringsperiode en een eindevaluatie waarbij in de besluitvorming over de toekomst van het fonds onder andere de gerealiseerde en verwachte effectiviteit, de efficiëntie van het fonds (waaronder financiële duurzaamheid) en aansluiting bij BHOS-beleidsdoelstellingen zal worden meegewogen. Daarbij wordt onder meer gebruik gemaakt van de eindevaluatie en eventuele informatie uit tussentijdse evaluaties. Wanneer wordt besloten tot het continueren van een fonds, wordt de einddatum verlengd om een nieuwe investeringsperiode mogelijk te maken. Wanneer wordt besloten het fonds te beëindigen, vindt afwikkeling plaats.
Niet alle evaluaties leiden tot een wegingsmoment. Evaluaties vinden normaliter elke 5 jaar plaats, terwijl bij sommige fondsen de investeringsperiode 10 jaar is. Voor die fondsen zal de eerste evaluatie (na de eerste 5 jaar van de investeringsperiode) gericht zijn op leren en waar mogelijk aanpassen van de fondsdoelstellingen/aanpak, terwijl de tweede evaluatie input kan leveren voor besluitvorming over de toekomst van het fonds.
In de factsheets staat per fonds ook vermeld of de exit-strategie van het fonds in lijn is met de BHOS-systematiek, zoals beschreven staat in de kamerbrief (36800-XVII-72) van 29 mei jl. Deze systematiek bevat een eenduidig en consistent gebruik van het begrip einddatum (zowel van de investeringsperiode van het fonds als van het fonds zelf), het gebruik van wegingsmomenten voor de besluitvorming over de toekomst van het fonds, en vaste afspraken met de uitvoerende organisatie indien het fonds beëindigd wordt.
Ad 6. Evaluaties
Elk revolverend fonds wordt periodiek geëvalueerd, door middel van een externe evaluatie. Daarnaast worden de fondsen meegenomen in beleidsdoorlichtingen. In deze sectie worden naast de looptijd ook de gegevens van de meest recente en geplande evaluaties en beleidsdoorlichtingen aangegeven.
Cf. de toezegging bij het schriftelijk overleg over het jaarverslag Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking 2023 (Kamerstuk 36560-XVII-1) wordt de Tweede Kamer geïnformeerd over de uitkomst van evaluaties van revolverende fondsen wanneer deze zijn afgerond. Daarnaast zullen wijzigingen in het fonds die voorvloeien uit evaluaties opgenomen worden in de factsheets (vanaf volgend jaar).
Ondertekenaars
S.W. Sjoerdsma, minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.