Stenogram : Waterstof, groen gas en andere energiedragers
13 Waterstof, groen gas en andere energiedragers
Vergaderjaar 2025-2026
Vergaderingnummer 77
Te raadplegen sinds
2026-07-31Inhoudsopgave
Gerelateerde informatie
Toon alle stukken over dossier29023Toon alle items in vergaderingHandelingen TK 2025-2026, 77
Waterstof, groen gas en andere energiedragers
Aan de orde is het tweeminutendebat Waterstof, groen gas en andere energiedragers (CD d.d. 04/03).
De voorzitter:
Ik heropen de vergadering. Aan de orde is het tweeminutendebat Waterstof, groen gas en andere energiedragers. Ik heet de minister van harte welkom. Er staan zes sprekers op de sprekerslijst. Ik wilde direct de eerste spreker het woord geven, maar ... Ja, ze is er wel. De eerste spreker is mevrouw Van Oosterhout. Zij spreekt namens GroenLinks-PvdA. Ik nodig haar uit voor haar bijdrage.
Mevrouw Van Oosterhout (GroenLinks-PvdA):
Dank u wel, voorzitter. Ik heb drie moties.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat groene vraagcreatie de investeringszekerheid voor bedrijven vergroot en de vraag naar hernieuwbare energie, waaronder waterstof, stimuleert;
constaterende dat de Europese Commissie werkt aan een herziening van de Richtlijn hernieuwbare energie en onderhandelt over de Industrial Accelerator Act, en dat Nederland energie-intensieve sectoren kent met een grote binnenlandse afzetmarkt en een belangrijke rol van de overheid als afnemer;
verzoekt de regering te onderzoeken welke rol groene vraagcreatie in de desbetreffende sectoren kan spelen en de uitwerking te betrekken bij het klimaatpakket van het voorjaar van 2027;
verzoekt de regering vormen van groene vraagcreatie, zoals ketenverplichtingen en productmandaten, onderdeel te maken van de Nederlandse inzet in Brussel bij de genoemde wetgeving,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van Oosterhout.
Zij krijgt nr. 669 (29023).
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat het kabinet voornemens is om amortisatie van de waterstofinfrastructuur mogelijk te maken;
constaterende dat de huidige middelen voor hernieuwbare waterstof al zeer beperkt zijn en de markt zonder deze middelen onvoldoende van de grond komt;
verzoekt de regering zich in te spannen om amortisatie zo te bekostigen dat het niet ten koste gaat van middelen bedoeld voor hernieuwbare waterstof,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van Oosterhout.
Zij krijgt nr. 670 (29023).
Mevrouw Van Oosterhout (GroenLinks-PvdA):
Tot slot.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat de blokkade van de Straat van Hormuz eens te meer duidelijk maakt hoe de afhankelijkheid van fossiele brandstoffen grote gevolgen heeft voor weerbaarheid en energieprijs;
verzoekt de regering te onderzoeken hoe bij het verstrekken van subsidies en andere financiële steun passende weerbaarheidsmaatregelen getroffen kunnen worden, waarmee de afhankelijkheid van fossiele brandstoffen verder kan worden verlaagd,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van Oosterhout.
Zij krijgt nr. 671 (29023).
Dank u wel, mevrouw Van Oosterhout. We gaan luisteren naar de heer Boomsma, die spreekt namens JA21.
De heer Boomsma (JA21):
Dank u wel, mevrouw de voorzitter. Ik heb twee moties. De eerste.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de Algemene Rekenkamer kritisch is over eerdere kostenramingen, haalbaarheid en de informatievoorziening aan de Kamer;
overwegende dat de Kamer tijdig moet kunnen controleren of publieke middelen doelmatig worden besteed en of de gestelde doelen nog realistisch zijn;
verzoekt de regering de Kamer halfjaarlijks te informeren over de actuele kostenraming, voortgang en haalbaarheid van het landelijke waterstofnetwerk;
verzoekt de regering daarbij expliciet aan te geven in hoeverre de planning, kosten en doelen (nog) haalbaar en realistisch zijn, en, indien dat niet het geval is, voorstellen te doen voor bijsturing van die doelen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Boomsma en Van den Berg.
Zij krijgt nr. 672 (29023).
Dank u wel.
De heer Boomsma (JA21):
Dan de tweede.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de Nederlandse industrie onder toenemende druk staat door hoge energiekosten en netcongestie;
constaterende dat verplaatsing van bedrijvigheid naar het buitenland kan leiden tot weglekeffecten, waarbij productie en werkgelegenheid verdwijnen uit Nederland zonder dat de mondiale CO2-uitstoot afneemt en per saldo soms juist toeneemt;
overwegende dat het voor effectief klimaat- en industriebeleid van belang is om niet alleen de nationale CO2-reductie te meten, maar ook dergelijke weglekeffecten te betrekken, en daarnaast rekening te houden met strategische afhankelijkheden;
verzoekt de regering de de-industrialisering en weglek te monitoren op de volgende punten:
-de verplaatsing van industriële activiteiten uit Nederland naar andere landen;
-de weglekeffecten daarvan en dus de gevolgen niet alleen voor de Nederlandse maar ook voor de mondiale CO2-uitstoot;
-de gevolgen voor strategische afhankelijkheden en leveringszekerheid;
en de Kamer hierover een zo goed mogelijke rapportage te geven,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Boomsma en Van den Berg.
Zij krijgt nr. 673 (29023).
Dank u wel. We gaan luisteren naar de bijdrage van de heer Flach namens de SGP. Aan u het woord.
De heer Flach (SGP):
Voorzitter, dank u wel. Twee moties.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat ijzerpoeder een innovatieve, duurzame energiedrager is, omdat verbranding CO2-vrij is en het restproduct na reductie middels inzet van hernieuwbare waterstof opnieuw gebruikt kan worden;
overwegende dat Europese richtlijnen en eisen de inzet van ijzerpoeder in combinatie met hernieuwbare waterstof als duurzame brandstof belemmeren, waardoor dit niet in aanmerking komt voor de SDE++;
verzoekt de regering in overleg met betrokken partijen te bezien wat de knelpunten zijn bij inzet van ijzerpoeder als duurzame brandstof, en op Europees niveau in te zetten op wijziging van betrokken richtlijnen en eisen, met het oog op eventuele ondersteuning van genoemde inzet van ijzerpoeder via de SDE++,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Flach.
Zij krijgt nr. 674 (29023).
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat bij de productie van groen gas geen sprake is van een fiscale inputvrijstelling, terwijl dit bij waterstofproductie wel het geval is;
van mening dat, gelet op de bijmengverplichting groen gas, onnodige lastenverzwaringen voorkomen moeten worden;
verzoekt de regering een voorstel te doen voor invoering van een fiscale inputvrijstelling voor productie van groen gas,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Flach.
Zij krijgt nr. 675 (29023).
De heer Flach (SGP):
Voorzitter. Dan heb ik een nog onbeantwoorde vraag. De minister komt nog met haar visie op de ontwikkeling en ondersteuning van blauwe waterstof. In mijn bijdrage heb ik echter ook een meer specifieke vraag gesteld over de productie van blauwe waterstof uit restgassen. Wij hebben begrepen dat de SDE++-regeling niet goed aansluit op de praktijk, bijvoorbeeld als het gaat om concepten waarbij waterstof zowel als brandstof als als grondstof wordt geleverd. Wil de minister samen met betrokken bedrijven bekijken hoe die SDE++ beter toegesneden kan worden op de praktijk, vraag ik haar.
Tot slot. Tijdens het debat heb ik ook mijn grote zorgen uitgesproken over de stapeling van lastenverzwaringen via de bijmengverplichtingen in ETS2 voor de glastuinbouw. De toegezegde compensatie is tot nu toe beperkt, tijdelijk, en omgeven met staatssteunrisico's. De minister heeft intussen het wetsvoorstel bijmengverplichting naar de Kamer gestuurd, maar waar blijft de beloofde informatie over onder meer het financiële plaatje voor de sector?
De voorzitter:
Dank u wel. De volgende spreker in dit debat is mevrouw Müller. Zij spreekt namens de VVD.
Mevrouw Müller (VVD):
Dank u wel. Ik heb één motie.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat koolstofarme waterstof leidt tot directe emissiereductie en een noodzakelijke tussenstap vormt voor de transitie naar groene waterstof doordat het de benodigde volumes creëert en de infrastructuur benut en daarmee investeringszekerheid biedt voor de waterstofmarkt;
constaterende dat de SDE++ in 2026 is opengesteld voor koolstofarme waterstof op basis van restgassen, maar nog niet voor koolstofarme waterstof op basis van aardgas in combinatie met CCS;
verzoekt de regering voorwaarden uit te werken waaronder koolstofarme waterstof op basis van aardgas in combinatie met CCS een rol kan spelen in deze transitie, deze uiterlijk dit najaar naar de Kamer te sturen en daarbij in te gaan op of en hoe koolstofarme waterstof zou kunnen worden toegevoegd aan de openstellingsronde van de SDE++ in 2027,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Müller en Jumelet.
Zij krijgt nr. 676 (29023).
Dank u wel. Meneer Jumelet, het woord is aan u.
De heer Jumelet (CDA):
Voorzitter. Allereerst heb ik een vraag. Het is de bedoeling dat de Wet bijmenging verplichting groen gas ingaat op 1 januari 2027. Het CDA vindt het van groot belang om de invoeringsdatum te halen. Mijn vraag aan de minister is wat zij nodig heeft om de genoemde invoeringsdatum te halen.
Dan een motie.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat wordt gewerkt aan een actualisatie van het Nationaal Plan Energiesysteem (NPE), in het bijzonder ten aanzien van industriebeelden, waterstof en wind op zee;
constaterende dat het NPE richtinggevend is voor investeringen van overheden, netbeheerders en marktpartijen en voor de ruimtelijke inpassing van energie-infrastructuur en -projecten;
overwegende dat de aannames en scenario's die aan het NPE ten grondslag liggen, onder meer over technologische ontwikkelingen, de import van energie en grondstoffen en de ontwikkeling van systeemkosten, grote invloed hebben op de inrichting, betaalbaarheid en leveringszekerheid van ons toekomstige energiesysteem;
overwegende dat transparantie en discussie over deze aannames en scenario's noodzakelijk zijn om te kunnen komen tot een zorgvuldig, realistisch en breedgedragen NPE;
verzoekt de regering om voorafgaand aan de vaststelling van de actualisatie van het NPE een openbare consultatie met het veld te organiseren over onder andere de gehanteerde aannames en scenario's, en de uitkomsten daarvan expliciet te betrekken bij de verdere toetsing en uitwerking van het NPE,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Jumelet, Bontenbal, Müller, Van den Berg, Grinwis, Klos en Flach.
Zij krijgt nr. 677 (29023).
Dank u wel voor uw bijdrage. Ik kijk naar de heer Klos en nodig hem uit voor zijn bijdrage in dit debat.
De heer Klos (D66):
Dank, voorzitter. Ik heb één motie.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat blauwe waterstof een tijdelijke rol kan spelen bij het opbouwen van de waterstofmarkt;
overwegende dat investeringen in blauwe waterstof kunnen leiden tot langdurige afhankelijkheid van aardgas;
overwegende dat Nederland juist minder afhankelijk wil worden van fossiele brandstoffen en energie-import uit het buitenland;
overwegende dat publieke steun voor blauwe waterstof alleen gerechtvaardigd is als deze daadwerkelijk leidt tot snelle CO2-reductie en geen nieuwe fossiele afhankelijkheden creëert;
verzoekt de regering om bij de uitwerking van voorwaarden en eventuele steunmaatregelen voor blauwe waterstof te waarborgen dat deze niet leiden tot extra aardgasimport of -afhankelijkheid,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Klos.
Zij krijgt nr. 678 (29023).
De heer Klos (D66):
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Daarmee zijn we gekomen aan het einde van de bijdragen van de kant van de Kamer. Ik schors voor vijftien minuten. Om 21.45 uur gaan we luisteren naar de reactie van de minister. Er is geschorst.
De vergadering wordt van 21.30 uur tot 21.43 uur geschorst.
De voorzitter:
Ik heropen de vergadering. Ik geef direct het woord aan de minister voor de beantwoording van enkele vragen en een reactie op de moties. De minister.
Minister Van Veldhoven-van der Meer:
Dank u wel, voorzitter. Ik zal beginnen met de moties. Aan het einde zal ik de drie aan mij gestelde vragen beantwoorden.
De motie op stuk nr. 669 van het lid Van Oosterhout gaat over groene vraagcreatie en waterstof. Dit is in lijn met wat we willen en het is heel erg belangrijk dat dat die vraag van die kant komt, dus deze motie krijgt oordeel Kamer.
De motie op stuk nr. 670 is ook van mevrouw Van Oosterhout en gaat over het behouden van de middelen voor groene waterstof. Ik steun de achterliggende gedachte zeker. Om de nationale doelen te halen hebben we infrastructuur nodig, maar ook opschaling van de waterstofproductie. We zijn momenteel de mogelijkheden voor amortisatie aan het onderzoeken. Dat onderzoek vindt nog plaats. De besluitvorming moet deze zomer plaatsvinden. De uitkomsten daarvan ontvangt de Kamer met Prinsjesdag. Op weg naar Prinsjesdag heb ik de ruimte nodig om alle financiële puzzelstukjes goed te leggen. Met de duidelijke kanttekening dat ik niet vooruit kan lopen op het resultaat, ga ik wel aan de slag met het verzoek van de indiener. Met die kanttekening krijgt de motie dus oordeel Kamer.
In de motie op stuk nr. 671 vraagt mevrouw Van Oosterhout om weerbaarheidsmaatregelen bij subsidies voor de afbouw van fossiele brandstoffen. We zijn bezig met het verkennen van maatregelen om economische veiligheidsrisico's bij subsidieverstrekking te beperken. Ik zie deze motie als ondersteuning daarvan en daarom krijgt de motie oordeel Kamer.
De motie op stuk nr. 672 is van de heren Boomsma en Van den Berg. Zij vragen naar de kostenraming van het landelijke waterstofnetwerk en refereren daarbij aan het rapport van de Algemene Rekenkamer en aan wat daarover is gezegd. De ARK adviseerde ook om de Kamer goed te informeren. Dat advies is door het kabinet omarmd, dus we zullen de Kamer periodiek informeren. We verkiezen wel een jaarlijkse rapportage. Een halfjaarlijkse rapportage lukt niet, maar indien de ontwikkelingen daartoe aanleiding geven, zal ik de Kamer uiteraard ook tussentijds informeren. Dus als het jaarlijks mag zijn, krijgt de motie oordeel Kamer.
De voorzitter:
Ik kijk even naar de heer Boomsma. Hij knikt.
Minister Van Veldhoven-van der Meer:
Heel fijn als u dat dan nog even wilt aanpassen in het dictum.
De voorzitter:
Ja. Wij zien de gewijzigde motie tegemoet.
Minister Van Veldhoven-van der Meer:
Heel fijn.
De motie op stuk nr. 673 gaat over de weglekeffecten. Ik begrijp goed dat daar zorgen over zijn. We willen dat ook allemaal voorkomen. Het weglekken uit Nederland helpt het klimaat niet, maar het helpt ook onze eigen economie niet. Het blijft alleen heel lastig om dat in kaart te brengen. Het CBS is daar al mee bezig. Het doet zijn best om het weglekeffect beter in kaart te brengen, maar geeft ook aan dat het op basis van de huidige statistieken zeer complex lijkt. Het Planbureau voor de Leefomgeving besteedt in de Klimaat- en Energieverkenning jaarlijks aandacht aan dalingen van het productievolume. Ook dat geeft een indicatie, maar het is geen een-op-eenvertaling van uw vraag. Het CPB en het PBL hebben onlangs een onderzoek verricht waarin de effecten van de verschillende maatregelen zijn doorberekend, maar dit is iets anders dan de jaarlijkse weglekmonitor waar de motie om vraagt. Ik kan die dus niet toezeggen. Ik kan de Kamer wel aan het einde van het jaar informeren over de uitkomsten van het lopende traject van het CBS over het monitoren van weglek. Dit is misschien een beetje een technische uitleg, maar zoals u het vraagt, kan het niet, dus moet ik de motie ontraden. Maar er komt wel informatie. We proberen zo goed mogelijk de geest van wat hier gevraagd wordt wel met de Kamer te delen.
De heer Boomsma (JA21):
Het is natuurlijk cruciaal om dit wel zo goed mogelijk in beeld te krijgen, want het gaat natuurlijk allemaal om de mondiale CO2-uitstoot. Ik wil de minister er even op wijzen dat er staat "om de Kamer een zo goed mogelijke rapportage te geven". Volgens mij moet het in die zin wel mogelijk zijn om dit te omarmen, omdat de motie zo is geformuleerd, met de kennis hoe ingewikkeld dit is maar ook gezien het belang ervan, dat we juist vragen om een zo goed mogelijke rapportage en niet om onmogelijke dingen.
Minister Van Veldhoven-van der Meer:
Nee, precies, maar het punt is dus dat de informatie die we tot nu toe van het CPB en PBL hebben, is dat wat u specifiek vraagt onmogelijk zou zijn. Dan kan ik daar dus ook geen "oordeel Kamer" aan geven. Ik kan wel voor de specifieke dingen die u vraagt nog eens kijken wat er dan wel kan, in combinatie met een zo goed mogelijke rapportage. Misschien wilt u dan de motie aanhouden. Dan informeer ik uw Kamer daarover en kunt u altijd nog besluiten om de motie dan alsnog in stemming te brengen of niet. In deze vorm moet ik 'm ontraden, niet omdat we het in de geest met elkaar oneens zijn, maar omdat de informatie van de planbureaus mij nu zegt dat datgene wat u vraagt niet mogelijk is. Dan krijgt we op een gegeven moment met elkaar een gesprek of iets aan de motie voldoet of niet. Daar wil ik eigenlijk bij wegblijven. Dan ben ik liever helder: dit kan niet. We gaan wel kijken hoeveel we kunnen doen aan de aspecten waaraan u refereert. We proberen uiteraard de Kamer ook over de effecten zo goed mogelijk te informeren. Alleen blijkt de combinatie tussen verplaatsing van industriële activiteiten en de weglekeffecten daarvan statistisch gewoon heel moeilijk te liggen.
De heer Boomsma (JA21):
Dit verbaast me toch wel, want heel het klimaatbeleid is natuurlijk gericht op het verminderen van de CO2-uitstoot mondiaal gezien. Dit is dus absoluut cruciaal om te weten. We doen allemaal dingen. Ondertussen moeten heel veel Nederlandse bedrijven hun industriële activiteiten afschalen, verplaatsen ze die naar andere landen en gaan ze vervolgens daar alsnog uitstoten. Wij worden er armer van en het klimaat heeft er niets aan. Het lijkt mij dus cruciaal om dit zo goed mogelijk in beeld te brengen. En dan zegt de minister: weglekeffecten kunnen we niet inzichtelijk krijgen. Ik begrijp dat niet.
Minister Van Veldhoven-van der Meer:
Ik deel met u dat het fijn zou zijn als het zou kunnen, maar ik moet ook varen op wat de bureaus zeggen dat er kan. Nogmaals, ik begrijp wel waarom u zegt dat het belangrijk is dat we kunnen sturen op de daadwerkelijke reductie van CO2-uitstoot. Dat is eigenlijk wat we willen, niet alleen maar een verplaatsing. Laat mij dan los van de specifieke dingen die u hier vraagt, waarvan ik dus helaas moet zeggen dat het zo niet kan, kijken hoe het wel kan en uw Kamer daarover informeren. In de geest van de motie probeer ik u tegemoet te komen. Het kan alleen helaas niet op basis deze teksten. Er is ons door de Kamer recent gevraagd om duidelijk te appreciëren wat wel kan en wat niet. Zoals de motie er nu staat, moet ik 'm ontraden, maar ik ga wel kijken wat er wel kan in de geest van wat u vraagt. Daar kom ik dan in een van de brieven naar de Kamer nog op terug, zodat u ook in samenhang kunt zien wat wel kan. Dan kunnen we altijd nog met elkaar bekijken of er nog iets specifieks ontbreekt en wat daar wel of niet aan mogelijk is.
De voorzitter:
Oké, dus de motie op stuk nr. 673 is ontraden.
Minister Van Veldhoven-van der Meer:
Ik dank de heer Boomsma ook voor de constructieve opstelling in deze, want volgens mij proberen we wel een beeld boven tafel te krijgen en gaat het hier eigenlijk om de techniek.
Voorzitter. Dan de heer Flach. Daar ga ik ook een stukje creativiteit proberen. Datgene wat de heer Flach hier vraagt, is ook niet mogelijk en dat zit ook voor een deel in de techniek. Het gaat over de vraag of ijzerpoeder ook in de SDE++ kan worden opgenomen. Het PBL heeft in het eindadvies voor de SDE++ 2026 geadviseerd om ijzerpoeder niet op te nemen. Daarom is dat ook niet gebeurd.
De vraag is ook of de SDE++ een passend instrument zou zijn voor deze techniek en of het qua uitvoering wel mogelijk zou zijn. Maar ik snap wel dat de heer Flach zegt dat het mogelijk een interessant instrument kan zijn. Wij zien wel eventueel mogelijkheden om hier verder over na te denken richting de herziening van de RED IV. Dus als de heer Flach bereid is om het dictum te veranderen, te stoppen na "duurzame brandstof", daar een referte te maken aan "richting herziening RED IV" en de rest te schrappen, dan zou het wel oordeel Kamer kunnen krijgen, maar dan is het misschien goed dat we dat nog even schriftelijk wisselen, zodat ook de rest van de Kamer goed kennis kan nemen van de wijziging die hier wordt voorgesteld.
De heer Flach (SGP):
Ik wil best meegaan in de creatieve route van de minister, maar ik wil even benadrukken dat deze motie inderdaad nog niet regelt dat dit toegevoegd zou moeten worden aan de SDE. Er wordt namelijk gesproken over "eventueel" en dat is een keuze die je eigenlijk niet maakt met deze motie. Eigenlijk zijn er twee verzoeken: bekijk wat de knelpunten zijn en zet op Europees niveau in op wijziging van betrokken richtlijnen en eisen. Dat past eigenlijk bij de inzet richting RED IV. Ik denk dat de minister met de appreciatie die ik aan mijn eigen motie geef ook niet bang hoeft te zijn dat ze hiermee nu al in een SDE++-fuik zwemt; die keuze kan later worden gemaakt.
Minister Van Veldhoven-van der Meer:
Nee, precies. Maar dan zou het goed zijn om de referte aan de SDE++ te schrappen, want dat kan toch onduidelijkheid creëren. In ieder geval zien we bij de herziening van de RED IV wel mogelijkheden om er verder over na te denken. Daarna is de vraag: is de SDE++ een goed instrument of zijn er andere manieren waarop het toch voor ondersteuning in aanmerking zou komen? Als u 'm licht wijzigt, dan kan die oordeel Kamer krijgen. Maar dan wil ik wel die referte aan de SDE++ er nu uit, want dat geeft toch een verkeerde indruk, alsof we nu al denken dat dat heel kansrijk zou zijn. Dat is het op basis van de huidige RED niet.
De heer Flach (SGP):
Daar wil ik wel aan meewerken. Ik pas 'm dus aan in overleg met de minister en dan komt die weer naar de Kamer toe.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 674 is in de huidige vorm ontraden. Er komt een gewijzigde motie van de heer Flach en de minister hoorde ik zeggen dat zij daar ook schriftelijk op zal reageren.
Minister Van Veldhoven-van der Meer:
Dat zullen we doen, zodat voor iedereen duidelijk is dat de motie in die vorm wel "oordeel Kamer" krijgt, maar dan hebben we in ieder geval de inhoud met elkaar gewisseld.
Ik kan helaas geen creativiteit toepassen op de motie op stuk nr. 765. Ik moet deze motie ontraden. Die betreft ook een andere bewindspersoon, maar toch: de Belastingdienst heeft ook de uitvoeringscapaciteit niet en het is blijkbaar heel erg complex om dat onderscheid te maken.
Voorzitter. De motie op stuk nr. 677 vraagt om te bezien of en hoe koolstofarme waterstof zou kunnen worden toegevoegd aan de openstellingsronde. Deze kan ik oordeel Kamer geven.
De voorzitter:
Minister, dat is dus de motie op stuk nr. 676, de motie-Müller/Jumelet.
Minister Van Veldhoven-van der Meer:
Ja, de motie op stuk nr. 676 van Müller en Jumelet.
De motie op stuk nr. 677 van Jumelet, Bontenbal, Müller, Van den Berg, Grinwis, Klos en Flach vraagt om voorafgaand aan de vaststelling van de actualisatie van het NPE een openbare consultatie met het veld te organiseren over onder andere de gehanteerde aannames en scenario's, en de uitkomsten daarvan expliciet te betrekken bij de verdere toetsing en uitwerking van het NPE. Die krijgt oordeel Kamer.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 677: oordeel Kamer.
Minister Van Veldhoven-van der Meer:
Dan motie op stuk nr. 678 van de heer Klos, over bij de uitwerking en voorwaarden van eventuele steunmaatregelen voor blauwe waterstof te waarborgen dat deze niet leiden tot extra aardgasimport of afhankelijkheid. Ook die krijgt oordeel Kamer.
Dan zijn er nog drie vragen gesteld. De heer Flach stelde dat de SDE-regeling niet goed aansluit op de praktijk, bijvoorbeeld als het gaat om concepten waarbij waterstof als zowel brandstof als grondstof wordt geleverd. Hij vroeg of we met betrokken bedrijven willen kijken hoe die beter toegesneden kan worden. Wij ondersteunen inderdaad de verduurzaming van industriële restgassen via de SDE++. Marktpartijen kunnen via de jaarlijkse marktconsultatie van het PBL informatie delen en voorstellen doen voor aanpassing. Mede op basis van deze input wordt de SDE++-ronde van 2026 uitgebreid voor productie van koolstofarme waterstof uit restgassen. We blijven ook met de sector in gesprek over overige knelpunten die nog resteren.
Dan vroeg de heer Flach ook om informatie over de compensatie voor de glastuinbouw als gevolg van ETS2 en de bijmengverplichting van groen gas. Er wordt door LVVN gewerkt aan de vormgeving van die compensatie en er is contact met de Europese Commissie over de mogelijkheden ten aanzien van staatssteun. Over het besluit over het benodigde CO2-tarief voor doelbereik in de sector en de bijbehorende compensatie informeert het kabinet de Kamer met Prinsjesdag.
Voorzitter. Dan was er nog een vraag van de heer Jumelet: wat heeft de minister nodig om de inwerkingtreding van de bijmengverplichting per 1 januari 2027 mogelijk te maken? Heel concreet zou dan nodig zijn dat de inbreng in de Kamer voor de zomer gebeurt en we meteen na de zomer de wetsbehandeling kunnen doen. Om dit traject op 1 januari te halen moet het eigenlijk uiterlijk op 1 oktober in beide Kamers zijn aangenomen. Dit is dus een heel ambitieus traject. Daarom heb ik ook mijn best gedaan het snel bij uw Kamer te krijgen. Dat is dus het traject om het nog per 1 januari 2027 in werking te kunnen laten treden.
Voorzitter. Dat waren volgens mij de vragen die aan mij gesteld waren.
De voorzitter:
Dank u wel. Daarmee zijn we aan het einde gekomen van dit tweeminutendebat.
De beraadslaging wordt gesloten.
De voorzitter:
We gaan aanstaande dinsdag stemmen over de ingediende moties.