Stenogram : Leefbaarheid en veiligheid
12 Leefbaarheid en veiligheid
Vergaderjaar 2025-2026
Vergaderingnummer 77
Te raadplegen sinds
2026-07-31Inhoudsopgave
Gerelateerde informatie
Toon alle stukken over dossier30995Toon alle items in vergaderingHandelingen TK 2025-2026, 77
Leefbaarheid en veiligheid
Aan de orde is het tweeminutendebat Leefbaarheid en veiligheid (CD d.d. 08/04).
De voorzitter:
Ik heropen de vergadering. We gaan direct door met het tweeminutendebat Leefbaarheid en veiligheid. Het commissiedebat was op 8 april. We hebben zeven sprekers op de rol. De eerste spreker in dit debat is de heer Nobel. Ik nodig hem uit voor zijn bijdrage. Hij spreekt namens de VVD.
De heer Nobel (VVD):
Voorzitter, dank u wel. Naar aanleiding van het debat heb ik namens de VVD één motie.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat in veel NPLV-gebieden relatief veel sociale huurwoningen zijn;
constaterende dat een meer gemengde woningvoorraad kan bijdragen aan sterkere wijken en een verbetering van leefbaarheid en veiligheid;
overwegende dat het vergroten van het aandeel middenhuur in NPLV-gebieden kan bijdragen aan meer doorstroming op de woningmarkt en een betere sociaal-economische balans in kwetsbare wijken;
verzoekt de regering om in overleg met gemeenten, marktpartijen en woningcorporaties nadrukkelijk in te zetten op de toevoeging van middenhuurwoningen in NPLV-gebieden bij herstructurering en nieuwbouw,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Nobel, Clemminck en Steen.
Zij krijgt nr. 112 (30995).
Dank u wel. Ik geef de heer Mooiman het woord. Hij spreekt namens de PVV.
De heer Mooiman (PVV):
Dank, voorzitter. Ik heb een aantal moties.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat wijzigingen aan veiligheidsbeleid voor bestaande bebouwing grote uitdagingen kunnen opleveren ten aanzien van de huidige staat van een gebouw;
overwegende dat het niet wenselijk is als particulieren en vve's plots geconfronteerd worden met hoge kosten als gevolg van wijzigingen en aanscherpingen van nationale wetgeving;
verzoekt de regering te onderzoeken hoe verspilling en kosten voor particulieren en vve's als gevolg van gewijzigd veiligheidsbeleid tot een minimum kunnen worden beperkt;
verzoekt de regering met relevante partners, zoals gemeenten, te bezien hoe grote consequenties door gewijzigd beleid in gezamenlijkheid kunnen worden gemitigeerd,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Mooiman.
Zij krijgt nr. 113 (30995).
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat er meerdere gebieden in Nederland zijn die niet onder het NPLV vallen, maar wel te maken hebben met grootstedelijke problematiek;
overwegende dat het van belang is dat er ook aandacht is voor gebieden die niet onder het NPLV vallen en dat deze gebieden op laagdrempelige wijze in contact kunnen treden met het Rijk;
verzoekt de regering om één herkenbaar aanspreekpunt binnen het Rijk te creëren waar ook gebieden die niet onder het NPLV vallen, terechtkunnen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Mooiman.
Zij krijgt nr. 114 (30995).
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat er regelmatig wijzigingen plaatsvinden aan beleid omtrent veiligheid van de bebouwde omgeving;
overwegende dat regels ten aanzien van veiligheid en leefbaarheid, ondanks de goede bedoelingen, soms ook uitdagingen kunnen opleveren voor de haalbaarheid van nieuwe woningbouwprojecten;
verzoekt de regering met relevante partners te onderzoeken in hoeverre aangescherpte landelijke veiligheidsnormen de realisatie van woningbouwprojecten hinderen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Mooiman.
Zij krijgt nr. 115 (30995).
De heer Mooiman (PVV):
Tot slot, voorzitter.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat er in de NPLV-gebieden uitdagingen liggen ten aanzien van zowel de veiligheid als de leefbaarheid;
overwegende dat medewerkers van woningbouwcorporaties in deze gebieden mede een wettelijke taak voor de leefbaarheid vervullen, maar steeds vaker te maken krijgen met agressie, intimidatie en dreiging bij het uitvoeren van hun werk;
overwegende dat het voor de veiligheid van deze medewerkers van belang is dat zij voorafgaand aan contact met bewoners zicht hebben op mogelijke risico's bij de benadering van personen;
verzoekt de regering in te zetten op een betere informatiepositie voor organisaties met de status Veilige Publieke Taak, teneinde de veiligheid van medewerkers van dergelijke organisaties beter te kunnen waarborgen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Mooiman.
Zij krijgt nr. 116 (30995).
De heer Mooiman (PVV):
Tot zover.
De voorzitter:
Dank u wel. Ik geef het woord aan mevrouw Moorman voor haar bijdrage aan dit debat. Zij spreekt namens GroenLinks-PvdA.
Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):
Dank u wel, voorzitter. We moeten het niet alleen hebben over wonen bij het NPLV, maar zeker ook over de sociale structuur. Daarom heb ik een motie die gaat over de familiescholen.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat familiescholen een belangrijke schakel kunnen zijn om gezinnen te helpen bij bijvoorbeeld taalvaardigheid, schuldhulpverlening, financiële educatie, het tegengaan van armoede en het begeleiden naar werk;
overwegende dat er in wijken waar er met familiescholen wordt gewerkt positieve resultaten worden behaald en het daarom goed zou zijn om dit uit te breiden naar andere wijken;
verzoekt de regering om samen met de betrokken gemeenten in overleg te treden om te bezien hoe familiescholen opgenomen kunnen worden in het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid, en bij de volgende voortgangsrapportage hierover terug te koppelen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Moorman, Grinwis en Van Asten.
Zij krijgt nr. 117 (30995).
Dank u wel.
Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):
Voorzitter, ik heb ook nog een vraag, als het mag. We hadden een goed commissiedebat. Daarin heb ik de minister heel duidelijk horen zeggen dat zij ook vindt dat dit natuurlijk nog vele jaren doorgezet moet worden. Wij verwachten namelijk dat de resultaten pas op langere termijn worden bereikt. Tegelijkertijd weten we ook dat de bekostiging nog niet helemaal rond is voor de komende jaren. Ik zou daarop dus ook graag een reflectie van de minister willen. Tot slot, er is een motie van de heer Grinwis over School en Omgeving die wij ook van harte steunen, omdat juist School en Omgeving ongelofelijk belangrijk is om in deze NPLV-programma's te laten landen, zodat er ook goed integraal wordt samengewerkt. Ik hoop dat de rest van de Kamer die hele goede motie van de heer Grinwis zal steunen. Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Zo'n aankondiging maak je ook niet elke dag mee, meneer Grinwis. We gaan luisteren naar de bijdrage van de heer Grinwis. Zeker, de motie. Gaat uw gang.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Dank, voorzitter. Dank ook aan collega Moorman voor deze aankondiging. Dan kan ik ook gelijk overgaan tot de indiening.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de middelen voor het onderwijsprogramma School en Omgeving na 2028 worden omgezet naar bekostiging via schoolbesturen en hiermee niet langer deel zullen uitmaken van de SPUK Kansrijke Wijk;
overwegende dat dit zal leiden tot versnippering van middelen in plaats van de huidige NPLV-gebiedsgerichte benadering vanuit SPUK Kansrijke Wijk;
overwegende dat onzekerheid over de financiering de samenwerking in de NPLV-gebieden tussen scholen, gemeenten en maatschappelijke partners én de opgebouwde uitvoeringskracht onder druk zet;
verzoekt de regering om de continuïteit van het onderwijsprogramma School en Omgeving te borgen als onderdeel van de SPUK Kansrijke Wijk, en de Kamer hierover op Prinsjesdag te informeren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Grinwis, Moorman, Clemminck en Van Asten.
Zij krijgt nr. 118 (30995).
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Ik ben zeer benieuwd naar de reactie van de minister. In algemene zin is mijn partij en is mijn fractie erg voorstander van het bundelen in lumpsum, maar hier is het wel op zijn plaats om de SPUK overeind te houden, zodat het NPLV echt met slagkracht kan samenwerken en doorwerken in de verschillende wijken waar die grote opgaven zijn. We weten allemaal dat als het wordt toegevoegd aan de gelden van schoolbesturen, het zomaar ergens anders kan landen en het veel ingewikkelder wordt om dit werk te blijven doorzetten. Ik hoop dat de minister van VRO zich bij haar collega van OCW heel sterk wil maken om dit te regelen.
De voorzitter:
Dank u wel. Ik nodig mevrouw Steen uit voor haar bijdrage. Mevrouw Steen spreekt namens het CDA.
Mevrouw Steen (CDA):
Voorzitter. Het zal u niet ontgaan zijn dat ik het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid enorm stimuleer en dat ik het heel erg relevant vind, maar wat zou het mooi zijn als we dit programma helemaal niet meer nodig zouden hebben en dat we gemeenschappen hebben gebouwd die werken aan sociale structuur en onderlinge zorg. De minister ontvangt ongetwijfeld dezelfde signalen als wij, bijvoorbeeld van de 50 middelgrote gemeenten en de 40 grote gemeenten, namelijk dat in deze gemeenten, die niet binnen het NPLV vallen, net zo goed sprake kan zijn van dezelfde grootschalige problematiek. Zij hebben het nodig dat ze toegang krijgen tot de kennis die in de NPLV-gebieden wordt opgedaan, zeker om te voorkomen dat deze problematiek ontstaat of verergert als gevolg van grootschalige woningbouwontwikkelingen die daar gaan plaatsvinden. We zien dat het NPLV werkt. Kan de minister daarom toezeggen dat zij onderzoek doet naar deze grootstedelijke problematiek bij middelgrote gemeenten die buiten het NPLV vallen, hoe zij de kennis die binnen het NPLV wordt opgedaan kunnen benutten en kunnen toepassen en die ook geborgd en vindbaar wordt voor hen? En kan de minister toezeggen dat deze lessen ook worden meegenomen bij het bouwen van nieuwe buurten en wijken in het kader van de verstedelijkingsopgave, bijvoorbeeld bij het toekennen van gebiedsbudgetten? Dank u wel, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel. De laatste spreker in dit debat is de heer Clemminck. Ik nodig hem uit om zijn bijdrage te doen. Gaat uw gang.
De heer Clemminck (JA21):
Dank u wel, voorzitter. Ik begin met een motie over de M50. Hij ligt enigszins in het verlengde van wat mevrouw Steen zei.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid zich momenteel richt op een beperkt aantal stedelijke focusgebieden;
overwegende dat ook in middelgrote gemeenten, de zogenaamde M50-gemeenten, sprake is van vergelijkbare problematiek op het gebied van leefbaarheid, woningvoorraad, veiligheid en sociaal-economische achterstanden;
overwegende dat deze problematiek zich vaak minder zichtbaar maar wel structureel voordoet en daardoor buiten bestaande rijksprogramma's kan vallen;
overwegende dat het uitsluiten van M50-gemeenten kan leiden tot ongelijke behandeling en gemiste kansen om problemen vroegtijdig aan te pakken;
verzoekt de regering om in kaart te brengen in hoeverre M50-gemeenten vergelijkbare problematiek kennen als de huidige NPLV-gebieden en te bezien hoe deze gemeenten structureel betrokken kunnen worden bij het NPLV of een vergelijkbare aanpak;
verzoekt de regering tevens om hierbij expliciet te kijken naar de mogelijkheden voor gerichte ondersteuning, kennisdeling en waar nodig financiële instrumenten,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Clemminck.
Zij krijgt nr. 119 (30995).
De heer Clemminck (JA21):
Dan mijn laatste motie, voorzitter.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat in NPLV-gebieden sprake is van hardnekkige integratieachterstanden op het gebied van arbeidsparticipatie, taal, onderwijs en normen en waarden;
constaterende dat in deze gebieden de georganiseerde en ondermijnende criminaliteit groot is;
overwegende dat veiligheid en integratie noodzakelijk randvoorwaarden zijn voor positieve ontwikkelingen in deze gebieden;
verzoekt de regering binnen de beschikbare middelen van het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid significant meer middelen vrij te maken voor de aanpak van criminaliteit en culturele integratie,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Clemminck.
Zij krijgt nr. 120 (30995).
De heer Clemminck (JA21):
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Daarmee zijn we aan het einde gekomen van de termijn van de Kamer. Ik schors dit debat voor vijf minuten. Dan gaan we luisteren naar de minister. Het debat is geschorst tot 21.06 uur.
De vergadering wordt van 21.01 uur tot 21.07 uur geschorst.
De voorzitter:
Ik heropen deze vergadering. We gaan luisteren naar de reactie van de minister. Ik geef haar het woord.
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Dank u wel, voorzitter. Ik begin met de motie op stuk nr. 112 van de heer Nobel. Die neem ik over.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 112 wordt overgenomen. Dat betekent dat die niet in stemming komt, tenzij u er een stemming over wilt, meneer Nobel. Akkoord voor u? Ja.
De motie-Nobel c.s. (30995, nr. 112) is overgenomen.
De voorzitter:
Dan de motie op stuk nr. 113.
Minister Boekholt-O'Sullivan:
De motie op stuk nr. 113 van de heer Mooiman is ontijdig. Ik kom voor het einde van het jaar terug met een brief hierover.
De voorzitter:
Ik kijk even naar meneer Mooiman. Leidt dit ertoe dat u deze motie wil aanhouden om 'm later alsnog in stemming te brengen?
De heer Mooiman (PVV):
Ik zou 'm niet aan willen houden. Ik denk juist dat dit aansluit op wat de minister zelf ook beoogt. Ik denk dat we er voor bepaalde wijzigingen die we op landelijk niveau maken, rekening mee moeten houden hoe die doorwerken op lokaal niveau. Ik zou het fijn vinden als dat als ondersteuning van beleid zou worden gezien. Ik begrijp de appreciatie, maar ik hou 'm niet aan.
De voorzitter:
"Ontijdig" leidt tot de appreciatie "ontraden". De motie op stuk nr. 113 wordt dus ontraden. Dan de motie op stuk nr. 114.
Minister Boekholt-O'Sullivan:
De motie op stuk nr. 114 van de heer Mooiman krijgt oordeel Kamer
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 114: oordeel Kamer.
Minister Boekholt-O'Sullivan:
De motie op stuk nr. 115 van de heer Mooiman, over een onderzoek, krijgt oordeel Kamer.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 115: oordeel Kamer.
Minister Boekholt-O'Sullivan:
De motie op stuk nr. 116 van de heer Mooiman is ontijdig. Hierover moet ik overleggen met Justitie en Veiligheid. Maar ik kan het wel meenemen in de Kamerbrief die voor de zomer verstuurd wordt.
De voorzitter:
Dan kijk ik naar de heer Mooiman. U heeft een toezegging. U krijgt van mij de vraag of u deze motie wil aanhouden.
De heer Mooiman (PVV):
Ik zou, als u dat toestaat, voorzitter, dan toch nog aan de minister kort willen vragen waarom precies deze motie ontijdig is. Er is een mogelijkheid om het mee te nemen in een brief. Tegelijkertijd geeft de minister aan dat ze met een collega in gesprek moet, wat ik natuurlijk begrijp. Maar waarom zou deze motie dan op dit moment ontijdig zijn? Dat begrijp ik dan niet.
Minister Boekholt-O'Sullivan:
De heer Mooiman geeft eigenlijk precies mijn antwoord aan: omdat ik dat nog moet bespreken met Justitie en Veiligheid. Omdat ik dat zorgvuldig wil doen, wil ik hier nog op terugkomen. Mijn voorstel is dus dat ik hier voor de zomer nog op terugkom, nadat ik die gesprekken heb gevoerd. Dan kan ik wat ik opschrijf en toezeg, gestand doen.
De heer Mooiman (PVV):
Ik begrijp het nog steeds niet helemaal. Op het moment dat er een motie wordt ingediend, is het natuurlijk aan de minister om daar een termijn aan te hangen. Wat mij betreft dienen we de motie gewoon in en zou de minister die ook oordeel Kamer kunnen geven.
De voorzitter:
Maar daar gaat de minister over. U heeft die ook al ingediend, maar u brengt die dus ook in stemming. De appreciatie vanuit de zijde van het kabinet is dan: ontraden.
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Ja, helaas.
De motie op stuk nr. 117 van mevrouw Moorman, de heer Grinwis en de heer Van …
De voorzitter:
Van Asten.
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Van Asten, ja, sorry. Die krijgt oordeel Kamer.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 117 krijgt oordeel Kamer.
Minister Boekholt-O'Sullivan:
De motie op stuk nr. 118 van de heer Grinwis, mevrouw Moorman, de heer Clemminck en de heer Van Asten is ontijdig, maar wel heel belangrijk. Ik ga me er ook echt voor inspannen om hier vol op in te zetten. Tegelijkertijd heb ik hier ook een collega voor nodig: ik kan dit niet zonder OCW doen. Tijdens het debat heb ik u toegezegd dat ik dit echt ga opnemen met OCW en dat ik daar ook over in gesprek ben. Het antwoord dat ik heb gekregen, is dat zij momenteel bezig zijn met de wetswijziging voor de nieuwe bekostigingsregeling van het programma School en Omgeving en dat zij zich er zeer van bewust zijn hoe belangrijk het NPLV is. Ik zou u dus willen vragen om deze motie nog even aan te houden tot het wetsvoorstel ook daadwerkelijk naar de Kamer gaat.
De voorzitter:
Er wordt druk overlegd. Ik kijk naar de heer Grin… O nee, naar mevrouw Moorman, mede-indiener van deze motie.
Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):
Ik wilde de heer Grinwis eerst de ruimte geven, omdat het natuurlijk zijn motie is, maar ik was vanochtend in debat met staatssecretaris Tielen. Zij gaf in het debat van vanochtend nog aan: nee, dit gaan we niet doen, want dit gaat in 2029 echt over naar de schoolbesturen. Het is precies zoals de heer Grinwis net aangaf: het grote risico is dan dat het allemaal versnipperd raakt, dat er niet meer in z'n totaliteit wordt gekeken, dat er niet meer integraal wordt gekeken. Ik vertrouw de minister volledig als ze zegt dat ze zich hiervoor wil inzetten, maar dat is nog niet doorgedrongen bij de collega van de minister. Ik ben dus toch een beetje bang dat het uiteindelijk de verkeerde kant op gaat als we dit nu uitstellen.
De voorzitter:
De concrete vraag ligt voor of u de motie wenst aan te houden. Meneer Grinwis, wilt u even via de microfoon praten alstublieft?
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Excuus, voorzitter. Collega Moorman stelt een vraag aan de minister. Ik ben wel benieuwd naar de reactie voordat ik aangeef wat ik met de motie doe.
De voorzitter:
Minister, kunt u reageren op de vraag van mevrouw Moorman?
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Ja. Ik hoor dezelfde geluiden vanuit OCW als u. Daar zit dus geen licht tussen. Ik zeg alleen — dat heb ik tijdens het debat ook gezegd — dat ik het met u eens ben over hoe belangrijk het is dat dit onderdeel in het NPLV een plek krijgt en die ook behoudt, ongeacht of dat nou via de oude regeling is of via de nieuwe regeling moet. Ik wil in gesprek over de vraag hoe we er, ook als het een nieuwe regeling wordt, toch voor kunnen zorgen dat het gewenste effect nog steeds wordt behaald.
Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):
Kort nog. Ik denk dat een uitspraak van de Kamer de minister kan helpen om dit goed te doen. Dit is heel duidelijk een wens van de Kamer; er staan meerdere indieners onder, zowel van de oppositie als van de coalitie. Ik denk dat het gewoon wel goed is dat het dan toch wordt uitgesproken. Dan vind ik "ontijdig" eigenlijk een beetje een rare appreciatie.
De voorzitter:
Daar gaat de minister over. U gaat over de vraag of u de motie wel of niet in stemming brengt. Ik begrijp dat u stemming wenst. Meneer Grinwis?
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Ik ben benieuwd of de minister haar oordeel nog wil wijzigen, maar ik snap haar precaire positie. Zij zegt: "Ik zet me hiervoor in. Ik weet dat ik nog zendingswerk heb te doen bij het ministerie van OCW, dus ik kan op dit moment niet verdergaan dan het oordeel "ontijdig"." Klopt dat?
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Dat klopt, zou ik dan tegen de heer Grinwis zeggen.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Enerzijds zou ik de minister een steun in de rug willen meegeven, maar anderzijds snap ik ook wel dat zij het oordeel "ontijdig" geeft. Ik heb me ook nog even tot de mede-indieners te verhouden, zeg ik even terwijl ik met een schuin oog naar collega Moorman kijk. Ik hou de motie voor nu aan, maar dan vraag ik de minister wel om ruim voor de zomer — dan bedoel ik dus niet pas op de laatste Kamerdag, maar ruim daarvoor — bij voorkeur witte rook te ontvangen, of in ieder geval een soort duidelijkheid over hoe dit nou zal gaan, zodat we nog voor de zomer wel kunnen stemmen over deze motie als definitief zetje in de rug van deze minister richting haar collega van OCW. Hopelijk is dat zetje niet nodig, maar voor het geval dat wil ik de motie dan wel graag voor de zomer in stemming kunnen brengen. Voor nu is de motie dan aangehouden.
De voorzitter:
Helder.
Op verzoek van de heer Grinwis stel ik voor zijn motie (30995, nr. 118) aan te houden.
Daartoe wordt besloten.
De voorzitter:
Dan de motie op stuk nr. 119.
Minister Boekholt-O'Sullivan:
De motie op stuk nr. 119 van de heer Clemminck: oordeel Kamer. Althans, ik wil deze motie graag oordeel Kamer geven, mits ik die zo mag interpreteren dat wij eerst in kaart brengen wat er nodig is. We moeten zien hoe we de gemeenten binnen bestaande structuren kunnen ondersteunen, voordat we vooruitlopen op financiële ondersteuning.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 119: oordeel Kamer.
Minister Boekholt-O'Sullivan:
De motie op stuk nr. 120, ook van de heer Clemminck, is ontijdig. Ik hecht heel veel waarde aan het bevorderen van de veiligheid. Het is ook niet voor niks een letter uit het NPLV. Ik ben het ook met de heer Clemminck eens dat onderwijs de snelste manier is om onderdeel uit te maken van de samenleving. Voor het bevorderen van de veiligheid is er 208 miljoen voor Preventie met Gezag. Dan is er ook nog 400 miljoen beschikbaar gesteld via de SPUK Kansrijke Wijk. Ik vraag de heer Clemminck dus om mij wat tijd te geven om deze bestedingsplannen verder uit te werken, waarbij ik toezeg dat ik extra inzet op het gebied van handhaving nauwkeurig zal beschouwen.
De voorzitter:
De motie op stuk nr. 120 wordt aangehouden, zegt de heer Clemminck buiten de microfoon.
Op verzoek van de heer Clemminck stel ik voor zijn motie (30995, nr. 120) aan te houden.
Daartoe wordt besloten.
De voorzitter:
Minister.
Minister Boekholt-O'Sullivan:
We zijn door de moties heen en ik kom bij de vragen.
De eerste vraag was van mevrouw Steen, over de kennisdeling buiten de twintig gebieden. Tijdens het debat heb ik gezegd hoe ongelofelijk belangrijk ik dat vind. Tegelijkertijd ben ik het met u eens dat er helemaal geen NPLV-gebieden nodig zouden moeten zijn. Maar die zijn er wel. Misschien zijn er wel meer dan er nu in het programma zitten. Tegelijkertijd kan het toevoegen van andere gebieden aan de bestaande NPLV-aantallen ertoe leiden dat we met hetzelfde geld meer gebieden moeten bedienen en daardoor minder doen. Ik wil dus, tijdens het debat en nu ook, echt benadrukken dat ik het belangrijk vind dat we doorzetten wat we hebben ingezet. Tegelijkertijd moet er meer geleerd worden van wat er geleerd wordt uit het NPLV. Ik ga de komende periode dus echt aan de gang om dat buddysysteem veel concreter te maken, zodat het meer is dan woorden. We gaan samenwerking met de provincies zoeken en we gaan breder kennis delen. Wij zullen zorgen dat wij vanuit het ministerie zelf invulling geven aan het ene punt dat er moet komen, waar alles samenkomt.
De voorzitter:
Mevrouw Steen heeft hier een korte vraag over.
Mevrouw Steen (CDA):
Dank aan de minister voor dit antwoord; daar ben ik blij mee. Ik wil het toch even scherp maken, minister. U gaf net een motie van de heer Clemminck, over de NPLV-gebieden oordeel Kamer. Daarvan zijn de laatste vier woorden "waar nodig financiële instrumenten". Dan impliceert u toch dat we daar dus misschien wel geld voor vrijmaken? Daar maak ik me zorgen over. We weten allemaal dat de budgetten krap zijn. Daarom stelde ik ook de vraag over in ieder geval zorgen dat er geleerd wordt, ook voor de gebieden die zich misschien wel een NPLV-gebied voelen, maar het niet zijn. We voelen allemaal het dilemma dat we hun meer budget gunnen, maar het budget er niet is. Net hoor ik u wel de motie van de heer Clemminck oordeel Kamer geven. Dat stelt mij voor een dilemma, want wat is het dan? Is er wel voldoende geld en zegt u dat u naar financiële instrumenten gaat kijken, of is het er niet? Dan hebben we namelijk nog wel een ander debat met elkaar te voeren, denk ik.
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Ik begrijp de vraag van mevrouw Steen hartstikke goed. Daarom gaf ik ook aan dat we het moeten doen met de budgetten die er zijn. Daar moeten we slimme keuzes in maken. Dat moeten we ook interdepartementaal met elkaar afwegen. De heer Clemminck vraagt via de voorzitter aan mij of ik bereid ben daar goed naar te kijken en of ik ernaar wil kijken als het eventueel tot iets zou leiden. Ik ga het doen met de budgetten die we hebben. Als het eventueel ergens naar kijken financiële consequenties zou hebben, kom ik daarover eerst in gesprek met de Kamer.
De voorzitter:
Daarmee zijn we aan het einde gekomen van dit tweeminutendebat. Ik dank …
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Volgens mij heb ik nog twee openstaande vragen.
De voorzitter:
O, sorry. O, pardon. Ga uw gang.
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Sorry. Ik zal zorgen dat ik die kort beantwoord.
De voorzitter:
Nee, dit was in mijn hoofd. Ga uw gang.
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Er was nog een tweede vraag van mevrouw Steen over de kennisdeling. Ik heb daar net al iets over gezegd. Dat is heel waardevol. Ik ga u toezeggen dat ik daar invulling aan ga geven en dat ik daar ook bij u op terugkom.
Tot slot was er een vraag van mevrouw Moorman over het bekostigen van het NPLV. Dat moeten we langjarig financieren. Gelukkig is dat in het coalitieakkoord ook gedaan. Ik informeer uw Kamer na de zomer over de toekomst van de verdere financiering van het programma.
De voorzitter:
Dan nu toch wel echt?
Minister Boekholt-O'Sullivan:
Zeker.
De voorzitter:
Ik dank de minister voor de beantwoording in dit tweeminutendebat Leefbaarheid en Veiligheid
De beraadslaging wordt gesloten.
De voorzitter:
Ik schors voor een enkel moment. Ik wil zo direct door met het volgende tweeminutendebat.
De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.