Stenogram : Vragenuur: Vragen van het lid Rooderkerk aan de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, bij afwezigheid van de staatssecretaris Onderwijs en Emancipatie, over het bericht "Leerplichtambtenaren twijfelen: moeten 2.500 thuisonderwijskinderen de klas in?".
3 Vragenuur
Vergaderjaar 2025-2026
Vergaderingnummer 73
Te raadplegen sinds
2026-07-28Inhoudsopgave
Gerelateerde informatie
Toon alle items in vergaderingHandelingen TK 2025-2026, 73
Vragenuur
Vragen Rooderkerk
Vragen van het lid Rooderkerk aan de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, bij afwezigheid van de staatssecretaris Onderwijs en Emancipatie, over het bericht "Leerplichtambtenaren twijfelen: moeten 2.500 thuisonderwijskinderen de klas in?".
De voorzitter:
Ik geef het woord aan mevrouw Rooderkerk voor haar vragen namens de fractie van D66 aan de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, die ik eveneens van harte welkom heet in het parlement. Het woord is aan mevrouw Rooderkerk.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Voorzitter. 2.500 kinderen zijn volledig buiten beeld. We weten niet of ze onderwijs krijgen, we weten niet of ze veilig zijn en we weten niet of ze de hulp krijgen die nodig is. De uitzending van BOOS liet zien dat het kan gaan om kinderen met soevereine ouders die antidemocratisch worden opgevoed, maar ook om influencers die met hun kinderen een wereldreis maken in plaats van dat hun kinderen naar school gaan.
Wat D66 betreft heeft ieder kind het recht op onderwijs. School is de plek waar een kind leert, zich ontwikkelt en leert onderdeel te zijn van de maatschappij. Daarom willen we dat kinderen die buiten beeld zijn geraakt weer naar school gaan. Daarom heb ik de volgende vragen aan de minister. Wat gaat de minister doen voor deze 2.500 kinderen van wie niemand weet wat er achter de voordeur gebeurt? Hoe gaat zij zorgen dat deze kinderen wél veilig zijn en goed onderwijs krijgen?
De voorzitter:
De minister.
Minister Letschert:
Goedemiddag. Dank u wel, meneer de voorzitter. Er is de afgelopen weken veel te doen geweest over de kinderen die thuis zijn en dus niet naar school gaan, onder andere vanwege een recente uitspraak van de Hoge Raad. Laat ik vooropstellen dat ieder kind recht op goed onderwijs heeft en dat we ons dus ook zorgen maken over het feit dat er een groep kinderen is die zonder enig toezicht thuis wel of geen onderwijs krijgt. Soms is het nog veel erger en hebben ze zelfs te maken met een vorm van kindermishandeling, wat dan ook niemand ziet. Ik denk dus dat we de zorg delen dat we daar met elkaar iets aan te doen hebben. We komen dadelijk waarschijnlijk opnieuw te spreken over die uitspraak van de Hoge Raad, maar het staat buiten kijf dat alle kinderen het recht hebben op onderwijs, waarbij ze ook met leeftijdsgenootjes samen leren en samen spelen. Dat dus als eerste.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Helder. Het is van belang dat kinderen naar school gaan, hoor ik de minister zeggen. Dat delen we, maar we zien dat sinds 2017 het aantal aanvragen voor deze vrijstelling van de leerplicht is verdrievoudigd. Sinds corona is het geëxplodeerd. In het grootste deel van de gevallen gaat het om vrijstellingen vanwege een holistische grondslag. Herkent de minister dat dit verworden is tot een soort ontsnappingsroute om kinderen thuis te houden van school? Wat vindt zij daarvan? Wat doet zij eraan om dat te voorkomen?
Minister Letschert:
We zien over de afgelopen jaren een sterke stijging van het aantal kinderen waarvoor een beroep wordt gedaan op vrijstelling wegens richtingsbezwaren. Deze kinderen gaan dus niet naar school en voor de ouders is er geen verplichting om vervangend onderwijs te bieden. Het is belangrijk dat wij met elkaar de discussie aangaan over de vraag hoe wij ervoor zorgen dat ieder kind recht krijgt op onderwijs en op die manier zichzelf kan ontwikkelen tot een volwaardige volwassen burger in onze samenleving.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Dat klopt. We hebben natuurlijk het recht van ouders om een school te kiezen, maar we moeten ook het recht voor kinderen hebben op onderwijs. Daar zien we nu juist de problemen ontstaan. De minister gaf het al aan: het kan natuurlijk zo zijn dat er sprake van kindermishandeling, maar dat wij dat niet weten. Normaal gesproken zijn kinderen dan op school en heb je daar meer zicht op. Nu zijn ze volledig buiten beeld. Eerder werd er weleens een boete gegeven van een paar honderd euro, bijvoorbeeld wanneer de vrijstelling niet kon worden gegeven, maar het OM heeft nu zelfs besloten om helemaal niet meer te handhaven. Wat doet de minister hieraan? Het kan toch niet zo zijn dat helemaal niemand zich nu meer om deze kinderen bekommert? We weten niet wat daar gebeurt.
Minister Letschert:
Ik ben bekend met het feit dat het Openbaar Ministerie al enige tijd geleden heeft aangegeven niet meer te handhaven, ook omdat er veel verschillen per gemeente bestonden wat betreft het omgaan met het geven van deze vrijstelling. Dat lijkt me sowieso een ingewikkelde situatie; voor scholen, voor ouders en voor ons als samenleving. Recentelijk is daarbij een uitspraak gekomen van de Hoge Raad, die een nieuw juridisch kader biedt, waartoe wij ons allen hebben te verhouden, dat wil zeggen de gemeentes, de scholen, het OM en wij als kabinet. De staatssecretaris heeft aangegeven dat zij met spoed het gesprek zal gaan organiseren, zowel met het OM als met de gemeentes, om naar deze nieuwe juridische werkelijkheid te kijken. Nogmaals, zij zal niet op de stoel van het OM en gemeentes kunnen gaan zitten. Zij zal tevens voor de zomer een beleidsbrief delen met uw Kamer om twee opties te verkennen. Een daarvan gaat over het afschaffen van de mogelijkheid om een vrijstelling te bieden en de andere gaat over verscherpt toezicht. Het gaat erom dat je in ieder geval toezicht houdt op de doelgroep, waarop wij nu niet voldoende toezicht houden. De brief over beide opties komt voor de zomer. Dat is de situatie zoals die op dit moment is.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Ik ben blij met deze twee toezeggingen. Ik vind het van belang dat wij dit krijgen, maar wat we nu zien, is echt heel urgent. De Hoge Raad heeft inderdaad afgelopen maand geoordeeld dat een vrijstelling niet meer opgaat wanneer er een openbare school in de buurt is. De gemeente Den Haag besloot daarop om te zeggen dat alle kinderen vanaf komend schooljaar naar school moeten gaan, maar andere gemeenten doen dat niet. Het is natuurlijk onacceptabel als het afhangt van de gemeente waar je woont of je wel of niet naar school moet gaan. Hoe zorgt de staatssecretaris er dan voor dat deze kinderen in beeld komen en weer een plek in het onderwijs krijgen?
Minister Letschert:
Zoals ik net zei, zal de staatssecretaris met spoed het gesprek organiseren, zowel met het OM als met de gemeentes. Dat zal zij met urgentie doen. Tegelijkertijd is zij bezig met een beleidsbrief, waarin zij met de Kamer het gesprek wil hebben over artikel 5b. Wat betreft de mogelijkheden die verandering van het artikel zouden kunnen behelzen: deze moeten op politiek draagvlak kunnen rekenen. Dat is de situatie waarin we ons nu bevinden. Dat moet ook echt voor de zomer, omdat ik me heb laten vertellen dat elk jaar een herhaalverzoek kan worden gedaan. Ouders, scholen, gemeentes en wij allemaal moeten weten waar we aan toe zijn.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Jazeker. Die verzoeken worden nu gedaan. De gemeente Den Haag is duidelijk en wellicht volgen er meer gemeenten. Dat zouden wij graag zien, want wij vinden dat die uitspraak van de Hoge Raad tijdelijk is en navolging moet krijgen. Een gesprek met gemeenten is goed, maar welke concrete stappen worden echt gezet, zodat we er echt voor zorgen dat deze kinderen zo snel mogelijk weten waar ze aan toe zijn en ook gemeenten duidelijkheid hebben?
Minister Letschert:
Voor de zomer komt er een beleidsbrief van de staatssecretaris, die helaas niet hier kan zijn, omdat zij in de Eerste Kamer een wet aan het bespreken is. Niet rond de zomer, maar voor de zomer — wij nemen het bloedserieus — komt er een uitwerking van de mogelijkheden ten aanzien van artikel 5b. Er gaat een gesprek met de Kamer komen over het mogelijkerwijs afschaffen van het artikel, dus van de mogelijkheid om vrijstelling te geven op grond van richtinggevende bezwaren, of over de vraag of er een ander kader moet komen, waarbij er verscherpt toezicht is op een groep kinderen waarvan je niet wilt dat wij als samenleving niet weten wat er achter de voordeur gebeurt. Ik denk dat wij die ambitie allemaal met elkaar delen, welke politieke kleur we ook hebben. Geef de staatssecretaris deze vier weken om dit uit te werken en dat in gesprek te doen met allerlei belanghebbenden in onze samenleving die hier een eigen visie op hebben en zich er misschien ook zorgen over maken als we te snel tot beslissingen komen. Hoe dan ook, voor de zomer komt er een beleidsbrief. Het arrest van de Hoge Raad heeft wel nu een juridische werkelijkheid gecreëerd waar we ons allemaal toe moeten verhouden. Op grond van dat arrest zal de staatssecretaris dat gesprek gaan hebben met de gemeentes en het Openbaar Ministerie. Zij zal in de beleidsbrief daarover ook een terugkoppeling geven.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Dat zijn eigenlijk twee aparte zaken. De wetswijziging moeten we eerst nog in de Kamer met elkaar bespreken; dat duurt ook nog langer. Er ligt nu gewoon een uitspraak van de Hoge Raad die vrij duidelijk is: als in het basisonderwijs er openbare scholen zijn op 6 kilometer afstand en in het voortgezet onderwijs op 20 kilometer, dan zou eigenlijk elke ouder een school moeten kunnen vinden die past. Heeft de minister in beeld of dat overal geldt? Of zou ze daar onderzoek naar kunnen doen?
Minister Letschert:
Het is aan de staatssecretaris om dat gesprek te hebben met de VNG en met het Openbaar Ministerie. De handhaving van deze nieuwe juridische werkelijkheid ligt ook bij de gemeentes en het OM. Wij kunnen niet op hun stoel gaan zitten, maar we kunnen wel met spoed dat gesprek organiseren. Dan zullen wij uiteraard ook een terugkoppeling naar de Kamer geven over wat dat heeft opgeleverd.
Mevrouw Rooderkerk (D66):
Ik denk dat dat van belang is, want het gaat wel over een landelijke wetgeving. We moeten dus niet hebben dat elke gemeente het alleen moet bepalen; we moeten daar gewoon duidelijkheid over geven. Mijn vraag betrof ook meer een informatieverzoek. Ik verzocht om in beeld te brengen of er genoeg openbare scholen zijn, of om daar anders voor te zorgen. Wat ons betreft heeft elk kind recht op onderwijs en moeten wij ervoor zorgen dat deze kinderen niet uit beeld verdwijnen, mogelijk met kindermishandeling tot gevolg. We weten het niet. Wat ons betreft zorgen we er met elkaar voor dat deze kinderen weer naar school gaan. Ik hoop ook echt dat de Kamer daarbij helpt.
Minister Letschert:
Ik denk dat we de laatste toevoeging delen, dus daar zal ik verder niet opnieuw op ingaan. Over het informatieverzoek: je ziet dat het arrest van de Hoge Raad heeft aangegeven dat kinderen nu alleen onder 5b kunnen vallen als er, als het gaat om basisscholen, geen openbare school in de buurt is, dus binnen 6 kilometer. Als het gaat over het voortgezet onderwijs hebben we het over 20 kilometer. Als uw vraag is of wij zicht hebben op welke doelgroep in welke gemeente mogelijkerwijs geconfronteerd wordt met een bepaalde situatie, en of die afstandsregel haalbaar is, dan moet ik dat echt nagaan. Ik kan nog geen onderzoek toezeggen. Ik moet dan eerst weten of de data zo snel, met één druk op de knop, voorhanden zijn. Ik wil de toezegging doen om dat na te vragen, maar ik kan het onderzoek nog niet toezeggen. Dat is gewoon omdat ik het ook niet weet.
De heer Van Duijvenvoorde (FVD):
Ik merk dat er een enorme aanval gaande is vanuit de Kamer op artikel 23 en nu ook op artikel 5b. Ik hoor daar steeds heel veel aannames in: dat 2.500 kinderen geen onderwijs genoten zouden hebben. Volgens mij gebeurt er nu heel veel op grond van aannames, dus ik zou eigenlijk willen vragen om een informatieverzoek aan de staatssecretaris: moeten we niet gewoon eerst onderzoek doen naar wie die kinderen zijn die thuiszitten? Wat is de kwaliteit van hun onderwijs? Wat is de familiesituatie? Misschien blijkt daar wel heel iets anders uit te komen dan de aannames die nu keer op keer gedaan worden, maar die niet getoetst worden. Mijn vraag is dus vooral een informatieverzoek.
Minister Letschert:
Ik vind het lastig om nu te zeggen dat die informatie met de volgende beleidsbrief meekomt. Ik kan wel zeggen dat de staatssecretaris met het oog op het gesprek met de Kamer over artikel 5b — dat is waar ik nu hier in het bijzonder voor sta — alle informatie die daarover voorhanden is uiteraard ook in een beleidsbrief zal opnemen.
De heer Ceder (ChristenUnie):
De Hoge Raad heeft een uitspraak gedaan. Dat betekent volgens mij dat we moeten kijken naar een modernisering van artikel 5b. De ChristenUnie geeft allang aan dat daar verschillende stappen voor zijn. Ik zou willen voorkomen dat doordat we hier overhaaste stappen nemen deze groep op een gegeven moment bij de andere groep terechtkomt, de groep van ruim 70.000 kinderen die thuiszitters zijn en geen onderwijs krijgen.
De voorzitter:
Uw vraag?
De heer Ceder (ChristenUnie):
Ik heb al een aantal keren aangegeven dat het belangrijk is om te kijken naar omliggende landen. Denk bijvoorbeeld aan België. Daar is het heel normaal dat de inspectie toezicht houdt op thuisonderwijs. Dat hebben we hier niet. Wat mij betreft is dat een goede om in ieder geval te verkennen. Mijn vraag is of de minister kan toezeggen dat, voor de beleidsbrief eruit gaat, er in ieder geval gesproken wordt met de organisatie of de onderwijsinspectie in België, over hoe zij dit vormgeven, en ook met Ingrado, de organisatie van leerplichtambtenaren, om een volledig beeld te krijgen van wat we hier doen. Uiteraard is de Kamer hiervoor verantwoordelijk, maar zoals ik al aangaf wil ik voorkomen dat we de groep van 70.000 thuiszittende kinderen nog meer gaan uitbreiden. Dat zou kunnen gebeuren als we niet alle gesprekken gevoerd hebben.
De voorzitter:
Ja, ja, ja, ja. Helder. De minister.
Minister Letschert:
Uiteraard deel ik het onderscheid dat u maakt: tussen degenen die thuisonderwijs hebben en de thuiszitters. Morgen is er in de Kamer ook een debat met de staatssecretaris over de groep thuiszitters. Zo noem ik die groep dan maar even. Ik weet dat het ministerie als het gaat over het nadenken over andere stelsels of andere kaders, altijd naar elders kijkt. Zijn er overeenkomsten? Kunnen we daar ons voordeel mee doen? Dat zal voor het stelsel zoals België dat heeft ingericht, waar ik het afgelopen halfuur over ben bijgepraat, zeker gelden. Of daar een hele verkennende studie van gaat komen, kan ik moeilijk toezeggen, maar u heeft morgen ook een debat over het passend onderwijs. Dan kunt u die vraag wellicht stellen.
Mevrouw Armut (CDA):
Volgens mij is het heel onwenselijk dat er steeds meer kinderen thuis komen te zitten. Ook deze groep kinderen heeft recht op goed onderwijs, net als alle andere kinderen. Dit is ook geen nieuw probleem. We hebben geen toezicht op dit moment. In 2010 waren het er volgens mij nog maar 300. Nou, het zijn er nu rond de 2.800. Dat is gewoon een hele forse toename. We moeten de feiten op een rij krijgen. Het is goed dat de staatssecretaris dat gaat doen. Ik heb wel een vraag naar aanleiding van die uitspraak van de Hoge Raad. Je ziet nu dat Den Haag een keuze heeft gemaakt en daar ook al naar handelt.
De voorzitter:
Uw vraag?
Mevrouw Armut (CDA):
Hoe gaat de staatssecretaris, of in dit geval de minister, er nou voor zorgen dat gemeenten niet allemaal een eigen interpretatie gaan geven aan die uitspraak van de Hoge Raad, maar dat je juist landelijke eenheid rondom dit beleid kan bewaren?
Minister Letschert:
Dat is precies de reden waarom de staatssecretaris met spoed die gesprekken gaat inplannen. Die zijn bedoeld om zo snel mogelijk met elkaar richting te kunnen bieden. Maar nogmaals, wij kunnen niet op de stoel van gemeentes en het Openbaar Ministerie gaan zitten. De staatssecretaris zal hierover in de beleidsbrief, die voor de zomer met uw Kamer wordt gedeeld, het gesprek verder met u aangaan.
Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):
Er zat hier net een klas met kinderen op de tribune. Dat laat precies zijn hoe belangrijk het is dat kinderen met elkaar onderwijs krijgen en niet thuis komen te zitten en buiten de samenleving worden gehouden. We hebben dit punt al geadresseerd in het debat over de b3-scholen. Dat is nog geen twee weken geleden. Toen heb ik al aangegeven dat het geen enkele zin heeft om daar met elkaar over te spreken als we het niet ook over de vrijstellingen onder 5b hebben. Het aantal vrijstellingen onder 5b is enorm aan het stijgen.
De voorzitter:
Uw vraag?
Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):
Toen heb ik al een toezegging gekregen van de staatssecretaris dat die brief zou komen. In die zin is dit allemaal helemaal niet nieuw, maar het geeft mij wel de mogelijkheid om nog twee extra vragen te stellen. De staatssecretaris heeft iets toegezegd over een motie die allang is aangenomen door de Kamer, die over het schrappen van 5b, die vraagt: wanneer gaan we actie ondernemen? Het is al drie jaar geleden dat die motie is aangenomen, dus we hoeven dit debat niet opnieuw te doen.
De voorzitter:
Ja. De minister. Het is helder.
Mevrouw Moorman (GroenLinks-PvdA):
Wanneer komt daar nou actie op? Zou daarbij dan ook gekeken kunnen worden waar 5b nog steeds wordt verstrekt? In Den Haag gebeurt namelijk niet, en ik weet dat dat ook voor andere steden geldt. Waar precies gebeurt dit dan wel? Het is goed voor de Kamer om dat inzicht precies te hebben. Zou in de brief ook ingegaan kunnen worden op de kinderen die die vrijstelling inmiddels al hebben? Want daar moeten we natuurlijk zicht op krijgen.
Minister Letschert:
Het antwoord op beide is ja.
De voorzitter:
Nou. Als de vraag net zo snel kan als het antwoord van de minister, zou ik dat toejuichen. Meneer Kisteman, waag eens een poging.
De heer Kisteman (VVD):
Als ik hetzelfde antwoord krijg, wordt het nog een hele mooie dag vandaag. Wat de VVD betreft gaan kinderen samen naar school in de wijk of het dorp waar zij wonen. De vrijstelling onder 5b, het richtingsbezwaar, past daar echt niet bij. Mevrouw Rooderkerk had het over Den Haag, waar wordt gezegd dat 100 kinderen gewoon weer naar school toe kunnen. Nu zegt de minister via de staatssecretaris: we gaan eerst nog een beleidsbrief maken en we gaan eerst nog eens verder kijken. Maar de minister kan toch ook gewoon zeggen dat ze dit aanmoedigt, en meer gemeentes oproepen om dit te doen? Kijk nog eens goed naar de vraag of dat richtingsbezwaar wel echt in het belang van het kind is of dat het kind niet beter gewoon naar school kan gaan.
Minister Letschert:
Zoals ik net zei, gaat de staatssecretaris dat gesprek hebben. Nogmaals, dat is met gemeentes, met de VNG en het Openbaar Ministerie. In dat gesprek wordt gekeken naar de gezamenlijke lijn, en naar wat het feit dat dit arrest er nu ligt voor gevolgen heeft. Voor de zomer zal zij met die beleidsbrief komen waarin de hele discussie rondom 5b tot uiting komt. Dat is dus hoe het nu is.
De heer Stoffer (SGP):
De uitspraak van de Hoge Raad veronderstelt dat openbaar onderwijs neutraal is. Laat ik vooraf zeggen: dat betwijfel ik. Wij zien uit naar die brief van de staatssecretaris, waarmee wij twee lijnen met elkaar kunnen bediscussiëren in de Kamer. De ene lijn is het afschaffen van 5b, en de andere is dat er een soort ondertoezichtstelling komt, zodat je ook toezicht op de kwaliteit kunt houden. Door de uitspraak van de Hoge Raad komt er in een keer iets actueels tussendoor. Dat zien we gebeuren in Den Haag.
De voorzitter:
Uw vraag?
De heer Stoffer (SGP):
Laat ik vooropstellen dat ik mijn kind in Den Haag gewoon naar school zou sturen. Het is dus niet zo dat ik voor eigen parochie preek. Maar nu zie je een soort onzorgvuldigheid, en krijg je onrust bij ouders. Is de minister dat met me eens? Als je niet uitkijkt, krijg je de beweging dat ouders denken: o, dan ga ik maar in een naburige gemeente wonen. Ik hoor al van ouders die onderweg zijn naar Zweden, want daar heb je wel allerlei vrijstellingen. Dat moeten we toch niet willen? Zou de minister op zijn minst kunnen aangeven dat dit tot iets onzorgvuldigs op korte termijn leidt, terwijl we de discussie hierover principieel met elkaar nog helemaal niet gevoerd hebben?
Minister Letschert:
De uitspraak van de Hoge Raad brengt een nieuwe juridische werkelijkheid met zich mee waar iedereen zich toe moet verhouden. Dat geldt dus voor de gemeentes, voor het Openbaar Ministerie, voor scholen en ook voor mij, als vertegenwoordiger van dit kabinet. Die werkelijkheid is er. De staatssecretaris gaat zo snel mogelijk met die partijen om de tafel om mogelijke onduidelijkheid daarover weg te nemen en uw Kamer zo snel mogelijk te kunnen informeren over de bredere betekenis van artikel 5b. Laat ik nogmaals zeggen dat vooropstaat — dat delen we hier volgens mij allemaal met elkaar — dat ieder kind recht heeft op goed onderwijs en dat niet één kind buiten het zicht van enige vorm van toezicht zou moeten leven, gezien alle gevolgen die dat mogelijkerwijs kan hebben.
De heer Stoffer (SGP):
Dat laatste zijn we met elkaar eens. Kinderen die ergens kwijtraken of dat soort zaken moeten we vooral niet hebben. Maar zouden de minister en de staatssecretaris in ieder geval een oproep kunnen doen richting gemeenten om te voorkomen dat er al allerlei zaken plaatsvinden waarover geen discussie in de Kamer is geweest en waarvan kinderen en ouders, die altijd te goeder trouw thuisonderwijs hebben gegeven, nu in een keer in paniek raken? Anders krijg je paniek in dit land die niet nodig is. Ik denk dat dit voor een deel komt door wat weleens "religieuze ongeletterdheid" is genoemd. Soms heb je niet door waar die richting nu precies zit. Zouden de minister en de staatssecretaris de volgende oproep kunnen doen aan gemeenten: "Doe alsjeblieft niets vooruitlopend op een discussie met elkaar in de Kamer hierover en voordat er helderheid is over de koers"?
Minister Letschert:
De uitspraak van de Hoge Raad ligt er nu, ook voor de gemeentes. Op basis daarvan moet de staatssecretaris het gesprek gaan voeren met gemeentes en het OM. Nogmaals, er komt voor de zomer ook een bredere discussie met de Kamer op basis van die beleidsbrief.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Nog maar een paar jaar geleden stond ik hier ook, midden in de coronatijd. Toen vonden we het allemaal prima dat de scholen dichtgingen en dat kinderen thuisonderwijs moesten krijgen vanwege de lockdown, ondanks het feit dat een deel van de Kamer hier knetterhard voor heeft gewaarschuwd, omdat de school juist een signaalfunctie heeft als het gaat om kinderen die het thuis slecht hebben. Denk aan ouders die drugsverslaafd zijn, of aan kindermishandeling. Dat wil ik nog wel even gemarkeerd hebben.
De voorzitter:
En wat is uw vraag?
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Ik hoop dat die tijd nooit meer terugkomt. Ik vind dat we dit serieus moeten nemen: zitten hier inderdaad kinderen tussen die geen onderwijs krijgen of mishandeld worden? Mijn vraag aan de minister is: kan er data naast elkaar gelegd worden? Denk bijvoorbeeld aan kinderen die thuisonderwijs krijgen in combinatie met kindermishandelingsgevallen. Zijn daar verbanden te maken? Dan kun je namelijk een wat duidelijker beeld krijgen over de vraag om wie het nou precies gaat. Dan heb ik het over kinderen die mishandeld worden of geen thuisonderwijs krijgen. Hoe kunnen we de diepte in?
Minister Letschert:
Ik kan daar geen toezegging over doen. Een van de problemen met kinderen die op basis van de vrijstelling thuiszitten, is dat we daar geen toezicht op hebben. Ik kan dus niet garanderen dat er data zijn die precies de relatie die u legt of de verschillen die u graag wilt zien, daadwerkelijk naar voren kunnen brengen. Wat ik kan doen, en wat ik net ook bij een eerdere vraag heb toegezegd, is alle beschikbare informatie en alle data die ervoor voorhanden zijn zo feitelijk mogelijk delen, om een goede inhoudelijke discussie met de Kamer te voeren over de mogelijke gevolgen voor artikel 5b. Als deze vraag erbij zou passen en de data er zijn, zal ik dat doen. Als die data er niet zijn, kan ik ze ook niet toveren.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Mijn vraag haakt een beetje in op wat de heer Ceder vroeg over de situatie in België. Waarom is dat toezicht er hier eigenlijk niet? Ik begrijp dat de minister nu gaat kijken of dat op een manier wel kan. Hoe kan het nou zijn dat het er nooit is geweest?
Minister Letschert:
Dat is een hele goede vraag, die ik heel graag bij de staatssecretaris terugleg. Het lijkt mij toch een soort lacune in de wetgeving die we ooit met elkaar gemaakt hebben. Het is er niet. Dan zullen we de wetsgeschiedenis van onze Leerplichtwet er opnieuw op na moeten slaan, die daar mede debet aan is.
De heer Ergin (DENK):
Ik hoorde de minister tussen neus en lippen door zeggen dat ze liever heeft dat de kinderen die thuiszitten en thuisonderwijs krijgen, naar een openbare school gaan. Het is dan toch juist heel verstandig dat de minister zich meer inzet voor het bevorderen van een inclusiever klimaat op openbare scholen? We hebben er vandaag de dag bijvoorbeeld mee te maken dat er op tientallen openbare scholen een gebedsverbod is. Daarbij krijgen religieuze leerlingen, als ze even naar een stilteruimte willen of zichzelf terug willen trekken om te mediteren, te maken met verboden van scholen. Wat gaat de minister doen om ervoor te zorgen dat die leerlingen, maar ook de ouders, zich juist fijner voelen bij een openbare school, in plaats van dat ze te maken krijgen met allemaal verboden et cetera?
Minister Letschert:
Zoals ik net aangaf, zullen wij u voor de zomer de beleidsbrief toesturen waarin wij ingaan op de mogelijke veranderingen ten aanzien van artikel 5b. De vraag is of dat afschaffing of verscherpt toezicht is. Dan zullen we ook met elkaar het gesprek hebben over de onderwerpen die u nu aansnijdt.
De voorzitter:
Ik dank de minister voor de beantwoording van de gestelde vragen.