Memorie van toelichting : Memorie van toelichting
36 995 Wijziging van de Mediawet 2008 houdende aanpassing van de rijksmediabijdrage
Nr. 3
MEMORIE VAN TOELICHTING
Kern wetsvoorstel
In het Hoofdlijnenakkoord 2024–2028 van PVV, VVD, NSC en BBB is besloten om de rijksmediabijdrage
voor de landelijke publieke omroep met ingang van 2027 met € 100 miljoen structureel
te verlagen.1
Daarnaast heeft de toenmalige regering besloten tot een generieke taakstelling op
subsidies rijksbreed. Die taakstelling heeft ook gevolgen voor de hoogte van de rijksmediabijdrage.
De taakstelling wordt deels ingevuld door een additionele verlaging van de rijksmediabijdrage
met € 8,6 miljoen structureel per 2027.2
De toenmalige regering heeft verder besloten tot een besparing van structureel € 1
miljard door het terugdraaien van de groei in het apparaat van de rijksoverheid. Een
deel van die besparing wordt ingevuld door een korting op het budget van de zelfstandige
bestuursorganen, ook die op het gebied van media.3 Die korting is € 194.000 in 2027 en loopt op tot structureel € 324.000 in 2029 en
betekent een extra verlaging van de rijksmediabijdrage omdat ook de apparaatskosten
van die instellingen uit de rijksmediabijdrage worden gefinancierd.
De bezuinigingen uit het Hoofdlijnenakkoord van in totaal € 108,9 miljoen structureel
vanaf 2029 komen voort uit de afweging van de toenmalige regering om de overheidsfinanciën
stabiel te houden.
Tot slot is bij de behandeling van de onderwijsbegroting voor 2025 het amendement-Bontenbal
c.s. aangenomen.4 Als gevolg van het amendement is de rijksmediabijdrage verder verlaagd met € 50 miljoen
structureel per 2027. Daarmee kon een deel van de onderwijsbezuinigingen worden teruggedraaid.
De huidige regering kiest er in het coalitieakkoord «Aan de Slag» voor om de maatregel
uit het amendement-Bontenbal c.s. grotendeels terug te draaien. Als gevolg daarvan
wordt de verlaging van de rijksmediabijdrage per 2027 structureel met € 45 miljoen
teruggedraaid.5
Dit alles telt op tot een besparing op de rijksmediabijdrage van in totaal structureel
€ 113,9 miljoen met ingang van 2029.
Met de rijksmediabijdrage worden de organisaties en doelen uit de Mediawet 2008 bekostigd.
Het grootste gedeelte van de besparing op de rijksmediabijdrage gaat ten laste van
het budget van de landelijke publieke omroep (€ 111,7 miljoen structureel vanaf 2029).
Het restant gaat ten laste van het budget van de regionale publieke omroep (€ 1,8
miljoen structureel vanaf 2029), van lokale publieke omroepen (€ 0,2 miljoen structureel
vanaf 2029), het Commissariaat voor de Media (€ 0,2 miljoen structureel vanaf 2029)
(hierna: Commissariaat) en het Stimuleringsfonds voor de Journalistiek (€ 35.000 structureel
vanaf 2029). In onderstaande tabel zijn de verlagingen uitgesplitst.
Bedragen1 *€ 1.000
2027
2028
2029
Structureel
Taakstelling landelijke publieke omroep
– 100.000
– 100.000
– 100.000
– 100.000
Terugdraaien groei apparaat rijksoverheid
– 194
– 259
– 324
– 324
– Commissariaat voor de Media
– 106
– 141
– 176
– 176
– Stimuleringsfonds voor de Journalistiek
– 21
– 28
– 35
– 35
– Stichting Nederlandse publieke omroep
– 35
– 46
– 58
– 58
– Stichting regionale publieke omroep
– 33
– 44
– 55
– 55
Generieke taakstelling subsidies
– 8.601
– 8.601
– 8.601
– 8.601
– Landelijke publieke omroep
– 6.673
– 6.673
– 6.673
– 6.673
– Regionale publieke omroep
– 1.744
– 1.744
– 1.744
– 1.744
– Nederlandse lokale publieke omroepen
– 184
– 184
– 184
– 184
Amendement-Bontenbal c.s.
– 50.000
– 50.000
– 50.000
– 50.000
Coalitieakkoord «Aan de Slag»
45.000
45.000
45.000
45.000
– landelijke publieke omroep
45.000
45.000
45.000
45.000
Totale verlaging rijksmediabijdrage
– 113.795
– 113.60
– 113.25
– 113.25
X Noot
1
De bedragen in deze tabel en in de inleiding zijn voor de herkenbaarheid opgenomen
in het prijspeil van het moment waarop de wijziging is aangekondigd.
De aanpassingen van de rijksmediabijdrage zijn verwerkt in de Rijksbegroting. De minimale
hoogte van de rijksmediabijdrage is vastgelegd in artikel 2.144, eerste lid, van de
Mediawet 2008. Vanwege de genoemde aanpassingen moet dit minimum ook worden aangepast.
Met dit wetsvoorstel wordt de minimale hoogte van de rijksmediabijdrage in 2027 bepaald
op € 1.006,953 miljoen, en voor 2028 en 2029 respectievelijk op € 1.012,692 miljoen
en € 1.029,780 miljoen. Het bedrag in 2029 geldt als nieuwe structurele minimumomvang.
De genoemde bedragen zijn uitgedrukt in het prijspeil van 2026. Dat betekent dat de
indexeringen van de rijksmediabijdrage op grond van artikel 2.144, tweede lid, van
de Mediawet 2008, tot en met 2026 in deze bedragen zijn verwerkt. Daarna worden de
bedragen op grond van die bepaling jaarlijks geïndexeerd.
Waarborgfunctie Mediawet 2008 en EMFA
Zonder wijziging van het bedrag in artikel 2.144 zou het bedrag in de Mediawet 2008
vanaf 2027 niet meer aansluiten bij het beschikbare bedrag in de Rijksbegroting. Deze
discrepantie is budgettair en juridisch onwenselijk. Bovenal is deze wetswijziging
onderdeel van het wettelijk vastgelegde proces dat dient om zekerheid en waarborg
te bieden voor de financiering en de uitvoering van de publieke mediaopdracht, waarbij
media-aanbod verzorgd wordt onafhankelijk van overheidsinvloeden. De beschikbare budgetten
zijn verlaagd in de Rijksbegroting, maar de verlagingen kunnen pas daadwerkelijk geëffectueerd
worden als ook het gegarandeerde minimumbedrag aan rijksmediabijdrage in de Mediawet
2008 wordt aangepast. Zo wordt geborgd dat er altijd de mogelijkheid is een inhoudelijk
parlementair debat te voeren over een wijziging van dat bedrag. De Mediawet 2008 borgt
ook dat er voldoende tijd is voor betrokken partijen om zich op een verlaging van
het beschikbare budget voor te bereiden. Met deze waarborgen sluit de Mediawet 2008
aan bij de bepalingen van de Europese Verordening Mediavrijheid6 (EMFA). De EMFA heeft tot doel om de mediavrijheid in Europa te beschermen en te
versterken. In de EMFA is ook een artikel opgenomen dat nadrukkelijk gaat over de
publieke omroep (artikel 5). Op grond van dat artikel moeten de financieringsprocedures
deugdelijk en zorgvuldig zijn en moeten er voldoende middelen zijn voor de uitoefening
van de publieke mediaopdracht. Zoals hieronder ook wordt toegelicht, is de regering
van mening dat de publieke mediaopdracht voor de landelijke publieke omroep zoals
wettelijk vastgelegd met de resterende beschikbare rijksmediabijdrage adequaat kan
worden uitgevoerd.
Gevolgen voor stakeholders
Landelijke publieke omroep
Het grootste deel van de verlaging van de rijksmediabijdrage gaat ten laste van de
financiering van de landelijke publieke omroep (€ 111,7 miljoen). Het is aan de NPO
en de omroepen om de per saldo besparing binnen de geldende wettelijke kaders in te
vullen. Het uitgangspunt is daarbij om de programmering zoveel als mogelijk te ontzien,
ook door bij de besparingsmaatregelen waar mogelijk al rekening te houden met de aangekondigde
hervorming van de landelijke publieke omroep.7 Bij een besparing van deze omvang is het echter onvermijdelijk dat ook op het programmabudget
moet worden gekort. Dat betekent dat er minder middelen beschikbaar zijn voor de financiering
van programmavoorstellen, wat ertoe leidt dat er minder programma’s kunnen worden
geproduceerd of dat programma’s met minder middelen worden geproduceerd. In de Mediabegrotingsbrief
2026 is de Tweede Kamer geïnformeerd over de voortgang bij de uitwerking van de besparingsmaatregelen.8
De regering erkent dat de voorgestelde bezuiniging gevolgen heeft voor de uitvoering
van de publieke mediaopdracht door de landelijke publieke omroep. De regering is daarbij
van mening dat de resterende hoogte van de rijksmediabijdrage voor de landelijke publieke
omroep, ruim € 740 miljoen in 2027, toereikend is om de publieke mediaopdracht naar
behoren uit te voeren. Voor de uitvoering zijn naast de rijksmediabijdrage ook inkomsten
uit reclame beschikbaar. In het duale financieringsstelsel voor de landelijke publieke
omroep wordt een deel van de financiering betaald uit inkomsten uit reclame op de
kanalen van de landelijke publieke omroep. Op dit moment ontvangt de landelijke publieke
omroep via de mediabegroting naast de rijksmediabijdrage jaarlijks € 153,3 miljoen
aan inkomsten uit reclame, die ook worden ingezet voor de uitvoering van de publieke
mediaopdracht.
De publieke mediaopdracht is in de Mediawet 2008 in algemene en kwalitatieve termen
in de eerste plaats geformuleerd als het «aanbieden van media-aanbod dat tot doel
heeft een breed en divers publiek te voorzien van informatie, waaronder journalistieke
inhoud, cultuur en educatie». Het is mede daarom niet goed mogelijk om een absoluut
minimumbedrag te bepalen voor een adequate uitvoering van de publieke mediaopdracht
zoals deze op dit moment wettelijk is vastgelegd. De publieke mediaopdracht is nader
uitgewerkt in onder andere de prestatieovereenkomst tussen de NPO en de Minister van
OCW, met daarin kwantitatieve en kwalitatieve doelstellingen voor het media-aanbod
en het publieksbereik van de landelijke publieke omroep. In de jaarlijkse Terugblik
rapporteert de NPO over de realisatie van deze doelstellingen en andere ambities en
ijkpunten. Uit de Terugblik over het jaar 20259 blijkt dat met het huidige budget de prestatieafspraken worden gehaald en dat ook
op de andere ambities en ijkpunten goede resultaten worden geboekt. De inschatting
is dat de bezuiniging op de rijksmediabijdrage in beperkte mate leidt tot een aanpassing
van de huidige prestatieovereenkomst.
De regering concludeert verder dat de Nederlandse landelijke publieke omroep in Europese
vergelijkingen ook na de bezuiniging geen extreem afwijkende positie inneemt ten opzichte
van andere Europese landen in termen van de hoogte van het budget.
De regering is, gelet op het bovenstaande, van mening dat aan de algemeen geformuleerde
publieke mediaopdracht ook met de resterende middelen kan worden voldaan. Ook omdat
bij de voorgenomen besparingsmaatregelen wordt bespaard op de organisatiekosten bij
de verschillende organisaties, mede in relatie tot de voorgenomen hervorming van het
publieke bestel vanaf 2029, waardoor een deel van de bezuinigingen niet direct het
beschikbare programmabudget raakt.
De voorgestelde besparing op de rijksmediabijdrage heeft gevolgen voor alle betrokkenen
bij de landelijke publieke omroep: de omroeporganisaties, de medewerkers, makers en
de onafhankelijke producenten. Het is daarom om te beginnen van groot belang dat er
zo snel mogelijk duidelijkheid is over de precieze invulling van de bezuinigingsmaatregelen.
Besluitvorming daarover is mede om die reden door de NPO naar voren gehaald om zo
omroepen die duidelijkheid te kunnen bieden. Tussen de NPO en de vakbonden is een
sociaal plan voor het omroeppersoneel overeengekomen waarmee de sociale gevolgen van
de besparingen en de voorgenomen hervorming kunnen worden opgevangen. In de Mediabegrotingsbrief
2026 is aangekondigd dat de regering voor een tegemoetkoming in de reorganisatiekosten
die uit de bezuinigingen voortvloeien uit de Algemene Mediareserve maximaal € 50 miljoen
beschikbaar stelt.10
Zoals gezegd heeft de besparing ook gevolgen voor de onafhankelijke producenten en
makers. De regering hecht eraan om de belangrijke rol van onafhankelijke producenten
en makers voor de pluriformiteit, kwaliteit en innovatiekracht van het publieke bestel
te benadrukken. De middelen voor producties in het publieke bestel die via hen worden
besteed zijn een belangrijke pijler onder de Nederlandse creatieve industrie. Tegelijkertijd
is het onvermijdelijk dat de bezuinigingsmaatregelen ook deze budgetten raken. Daarbij
geldt dat de wettelijke bestedingsverplichting voor onafhankelijke producties en de
afspraken over fair pay voor makers en rechthebbenden van kracht blijven.11
Overige media-instellingen
De korting op de rijksmediabijdrage heeft behalve voor de landelijke publieke omroep
ook gevolgen voor de regionale en lokale publieke omroep, het Commissariaat en het
Stimuleringsfonds voor de Journalistiek. Vanwege de invulling van de subsidietaakstelling
uit het Hoofdlijnenakkoord en de besparing op het apparaat van de rijksoverheid worden
de budgetten van deze instellingen verlaagd. Het gaat om beperkte kortingen met een
geleidelijke oploop tot maximaal 2,5% van het budget. De invulling van die kortingen
vraagt van deze organisaties dat zij keuzes moeten maken in hun taakuitvoering. De
regering is van mening dat die kortingen door de betreffende instellingen binnen de
taakuitvoering kunnen worden opgevangen.
Financiële gevolgen
De korting op de rijksmediabijdrage is verwerkt in de Rijksbegroting. Hierbij zijn
de budgetten van de betreffende organisaties structureel naar beneden bijgesteld.
Consultatie en toetsen
Inleiding internetconsultatie
Van 6 oktober tot en met 3 november 2025 is een ontwerp van het wetsvoorstel openbaar
gemaakt voor internetconsultatie. De consultatie heeft in totaal 39 reacties opgeleverd.
Het merendeel van de reacties is afkomstig van individuele burgers. De overige acht
reacties zijn ingediend door ondernemingsraden, (beroeps)verenigingen, belangenorganisaties
en de NPO in samenwerking met de gezamenlijke landelijke publieke omroepen.
Alle reacties zijn beoordeeld en hebben op de volgende punten geleid tot aanscherping
in de toelichting van het conceptwetsvoorstel:
– In het wetsvoorstel wordt nu uitgebreider stilgestaan bij de gevolgen van de bezuinigingen
op met name de landelijke publieke omroep.
– In het wetsvoorstel wordt nu uitgebreider stilgestaan bij de rechtsstatelijke context
van de voorgestelde wijziging en de relatie met de EMFA.
Gevolgen voor de publieke mediaopdracht
Nagenoeg alle respondenten hebben zorgen geuit over het voornemen om de rijksmediabijdrage
te verlagen. Die zorgen richten zich met name op de uitvoering van de publieke mediaopdracht
door de landelijke publieke omroep. Veel genoemde argumenten zijn dat het voor het
functioneren van een democratische rechtsstaat essentieel is dat er een sterke en
gezonde landelijke publieke omroep bestaat met onafhankelijke journalistiek.
Een groot deel van de respondenten benadrukt dat er juist in deze tijd behoefte is
aan een sterke publieke omroep. Zij vinden dat de publieke omroep een belangrijke
rol speelt in het waarborgen van een betrouwbare nieuwsvoorziening. Dit koppelen de
respondenten met name aan de in hun ogen groeiende stroom aan desinformatie en de
toenemende polarisatie in de samenleving. Daarnaast vinden zij de landelijke publieke
omroep belangrijk omdat deze staat voor kwaliteit, diversiteit en toegankelijkheid
voor groepen met een beperking.
Een deel van de respondenten geeft verder aan de bezuinigingen in het bredere perspectief
te begrijpen, mits dit gepaard gaat met efficiëntieverbeteringen in de voorgenomen
hervorming en kwaliteitsborging.
De Dutch Directors Guild (DDG), de beroepsvereniging voor audiovisuele regisseurs
in Nederland, en het Netwerk Scenarioschrijvers benadrukken dat een bezuiniging een
sterke en onafhankelijke publieke omroep, de vrijheid van meningsuiting, de bescherming
van onze cultuur en journalistieke waarden onder druk zet. Daardoor wordt het vermogen
van makers om zonder druk van commerciële of politieke belangen kwetsbare verhalen
te vertellen aangetast.
Daarnaast roept een aantal burgers, de ondernemingsraad van de NOS en de beroepsvereniging
NAPA (Nederlandse Audiovisuele Producenten Alliantie) op om ervoor te zorgen dat de
bezuiniging de programmering niet of zo weinig mogelijk raakt. Specifiek worden programma’s
op het gebied van journalistiek, jeugd of cultuur genoemd. De NAPA vraagt daarbij
aandacht voor de positie van onafhankelijke producenten en makers binnen het bestel.
Naast reacties om niet of zo weinig mogelijk te bezuinigen pleiten enkele burgers
en de ondernemingsraad van de NOS om in plaats van te bezuinigingen juist te investeren
in de landelijke publieke omroep. Dit is volgens hen in het belang van een sterke
democratische rechtsstaat met onafhankelijke journalistiek. De NAPA geeft specifiek
aan te willen investeren in geoormerkte budgetten voor cultureel hoogwaardige producties
zoals Nederlandse speelfilms, documentaires, dramaseries, animatie en innovatieve
mediaproducties. Aanvullend hierop vindt de ondernemingsraad van de NOS dat het bekijken
van sport een bindmiddel in de samenleving is en toegankelijk voor iedereen moet blijven.
Bovendien vrezen zij dat door de bezuinigingen sport achter een betaalmuur bij commerciële
partijen komt. Er heerst bij hen bovendien een soortgelijke vrees voor het uitzenden
van bepaalde (culturele) evenementen.
De regering is het ermee eens dat de publieke omroep een onmisbare pijler is van een
democratische rechtsstaat. Een publieke omroep die een breed en divers publiek bereikt,
garant staat voor betrouwbare en onafhankelijke informatievoorziening met journalistieke
inhoud, cultuur en educatie, een sterke journalistieke functie vervult en een podium
biedt voor verschillende opinies. Mede hierom is de bezuiniging op de rijksmediabijdrage
voor de landelijke publieke omroep door de regering deels teruggedraaid. De resterende
hoogte van de bezuinigingen is in de ogen van de regering op het niveau dat de landelijke
publieke omroep haar publieke mediaopdracht nog steeds adequaat kan uitvoeren. De
wettelijk vastgelegde publieke mediaopdracht vormt het kader waarbinnen de landelijke
publieke omroep haar aanbod maakt. Nadere programmatische keuzes hierin, en dus ook
de inzet van middelen daarbij, zijn aan de landelijke publieke omroep zelf.
Als reactie op de zorg dat sport achter een betaalmuur verdwijnt, wil de regering
verder wijzen op de zogenoemde evenementenlijst. Dit is een bijlage bij het Mediabesluit
2008 die is vastgesteld op grond van artikel 5.1 van de Mediawet 2008. Het gaat om
sport- en cultuurevenementen van aanzienlijk belang voor de samenleving die, als zij
worden uitgezonden, op een open televisieprogrammakanaal moeten worden uitgezonden.
Belangrijk effect van de evenementenlijst is dat evenementen die zijn opgenomen in
de lijst worden beschermd tegen plaatsing achter betaalsystemen. Daarmee wordt ook
voorkomen dat dergelijke evenementen, wanneer zij niet meer door de landelijke publieke
omroep worden uitgezonden als gevolg van de bezuinigingen, achter een betaalmuur komen
bij commerciële partijen.
Werkgelegenheid, werkdruk en werkcultuur
In de consultatie zijn zorgen geuit over de impact van de bezuinigingen op de werkgelegenheid
en de werkdruk van de omroepmedewerkers. Bovendien wordt in de consultatie aangegeven
dat er in de afgelopen jaren hard is gewerkt aan een diverser, inclusiever en sociaal
veiliger werkklimaat binnen de publieke omroep. Er bestaat vrees dat dit teniet wordt
gedaan door de bezuinigingen.
De DDG en het Netwerk Scenarioschrijvers maken zich ook zorgen om de verlaging van
de rijksmediabijdrage omdat dit directe gevolgen heeft voor de positie van scenaristen
en regisseurs. Volgens hen zullen de bezuinigingen in de praktijk als eerste worden
gevoeld bij de producties die worden gerealiseerd door onafhankelijke producenten
en zelfstandige makers. De fair-pay afspraken dreigen daardoor in gevaar te komen.
De NAPA pleit er bovendien voor dat wordt gewaarborgd dat de bezuinigingen niet primair
en disproportioneel ten koste gaan van producties van externe makers en producenten.
De regering is zich bewust van dat de voorgenomen verlaging van de rijksmediabijdrage
zal leiden tot organisatorische veranderingen binnen de landelijke publieke omroepen
en van het feit dat de bezuinigingen hiermee voor onrust en onzekerheid kunnen zorgen
bij de medewerkers van de verschillende organisaties. Om de onrust en onzekerheid
te beperken is het van belang dat er zo snel mogelijk duidelijkheid komt over de uitwerking
van de bezuinigingsplannen. Zoals in de toelichting al beschreven is wordt de besluitvorming
hierover door de NPO en de omroepen in de tijd naar voren gehaald.
De regering vindt dat juist in een periode van onrust het belangrijk is dat de inzet
op sociale veiligheid door de NPO en de omroepen van de afgelopen jaren niet verloren
gaat. De gemaakte plannen van aanpak op het gebied van sociale veiligheid bevatten
namelijk noodzakelijke waarborgen voor een veilige en inclusieve werkomgeving, ongeacht
de situatie waar een organisatie zich in bevindt. De regering verwacht dan ook van
bestuurders en raden van toezicht van omroepen en NPO dat ze dit onderwerp niet uit
het oog verliezen.
Zoals de regering eerder heeft aangegeven zullen de bezuinigingen onvermijdelijk ook
de programmering raken, met consequenties voor partijen en professionals binnen de
audiovisuele sector, waaronder onafhankelijke producenten en zelfstandige makers.
Dit betekent voor de regering niet dat de afspraken over fair-pay niet zouden moeten
worden nageleefd. De landelijke publieke omroep heeft als uitgangspunt fair-pay en
de regering vindt het belangrijk dat zij en ook andere betrokken partijen zich hiervoor
blijven inzetten, om zo bij te dragen aan een eerlijke sector voor iedereen die daarin
werkzaam is.
Rechtsstatelijkheid wetsvoorstel in relatie tot de EMFA
In een gemeenschappelijke reactie gaan de NPO en de omroepen in op de relatie met
de EMFA en op de rechtsstatelijkheid van het wetsvoorstel in relatie tot de waarborgen
uit de Mediawet 2008. Zij vragen deze te respecteren. De regering is van mening dat
de uitgangpunten van de EMFA en de waarborgen uit de Mediawet 2008 met het wetsvoorstel
worden gerespecteerd. De toelichting van het wetsvoorstel is op dit punt aangevuld.
Overige onderwerpen
Sommige respondenten pleiten ervoor om de bezuinigingen in de tijd gelijk te laten
lopen met de voorgenomen hervorming van de landelijke publieke omroep vanaf 2029 of
zelfs pas te bezuinigen nadat er is hervormd. Zij stellen dat een bezuiniging vooruitlopend
op een grote hervorming niet efficiënt is.
De ondernemingsraad van de NOS uit haar zorgen over de groeiende invloed van grote
internationale technologiebedrijven op de nieuwsvoorziening en menen dat het verspreiden
van nepnieuws via hun platforms groeit. De ondernemingsraad stelt dat een sterke publieke
omroep met een eigen platform noodzakelijk is om hier tegenwicht aan te kunnen bieden.
De NAPA geeft verder aan dat publiek-private samenwerking kan helpen de impact van
de bezuinigingen te verzachten. Zij zien in de huidige praktijk dat de publieke omroep
grote hoeveelheden exploitatierechten exclusief verwerft, waardoor onafhankelijke
producenten geen restfinanciering kunnen aantrekken en investeerders zichtbaarheid
noch inkomsten kunnen bieden.
De NDP (de brancheorganisatie voor nieuwsbedrijven) geeft in haar reactie aan dat
een eventuele reclameverruiming bij de landelijke publieke omroep grote negatieve
gevolgen heeft op private nieuwsmedia. Daarnaast geeft de NDP aan dat de publieke
omroep aan haar wettelijke mediaopdracht kan voldoen zonder extra financiering door
reclameverruiming.
De VCO (de brancheorganisatie voor de commerciële omroepen) stelt in hun reactie dat
een eventuele verruiming van de reclamemogelijkheden bij de landelijke publieke omroep
een marktverstorende werking heeft en de financiële basis van de commerciële omroepen
ondermijnt. Tot slot geven zij in hun inbreng aan dat een toename van reclame de herkenbaarheid
en onderscheidende karakter van de NPO negatief beïnvloedt.
Hoewel de regering erkent dat de bezuinigingen en de hervormingsplannen met elkaar
samenhangen, zijn het twee losse trajecten. De bezuinigingen op de landelijke publieke
omroep zijn op de rijksbegroting vanaf 2027 structureel ingeboekt en lopen daarmee
twee jaar voor op de voorgenomen hervorming en bijbehorende planning van de ingangsdatum
van de hervorming. De hervorming eerder laten ingaan is vanwege de benodigde wetswijziging
en voorbereiding niet mogelijk. De bezuiniging moet daarom in eerste instantie binnen
het huidige wettelijke kader worden ingevuld. Dat kader biedt ook ruimte om keuzes
te maken, vooruitlopend op de voorgenomen hervorming. Het is gezien die samenhang
van belang dat er zo snel mogelijk besloten wordt over de uitwerking van de hervorming.
De regering heeft begrip voor de stelling van de NAPA dat meer publiek-private samenwerking
kan helpen om de impact van de bezuinigingen te verzachten. Daarom is het goed dat
de regering, mede naar aanleiding van de motie-Mohandis/Paternotte, in 2025 een traject
is gestart om de publiek-private samenwerking in de Nederlandse mediasector te versterken.12 In de zomer van 2025 hebben NPO, RTL en Talpa ideeën voor publiek-private samenwerking
op een rij gezet en gesprekken gevoerd om deze nader uit te werken. Een eerste tastbaar
resultaat van die gesprekken betreft het bericht dat de NPO een sublicentie heeft
verstrekt aan Talpa voor het uitzenden van samenvattingen van het WK-voetbal.
Verder is de regering het met de ondernemingsraad van de NOS eens dat een sterke landelijke
publieke omroep nodig is om tegenwicht te bieden aan internationale technologiebedrijven.
Met diverse beleidsvoornemens spant de regering zich daarom in voor een zichtbare
en vindbare positie van betrouwbaar nieuws.13
De NDP en de VCO benoemen in hun reacties dat zij zich zorgen maken over de impact
van het verruimen van de reclamemogelijkheden bij de landelijke publieke omroep op
commerciële partijen. De regering wil als reactie daarop benadrukken dat het onderhavige
wetsvoorstel losstaat van een eventueel besluit over het verruimen van de reclamemogelijkheden
bij de Ster.
Uitvoerbaarheids- en handhaafbaarheidstoets door Commissariaat
Het Commissariaat heeft een uitvoeringstoets uitgevoerd bij dit wetsvoorstel. Het
Commissariaat concludeert dat het voorstel geen direct effect heeft op de uitvoerbaarheid
en handhaafbaarheid, het Commissariaat acht het voorstel daarmee uitvoerbaar en handhaafbaar.
Het Commissariaat ziet vanuit zijn rol als toezichthouder wel diverse risico’s voor
de publieke belangen en de democratische functie van de onafhankelijke media.
Gezien de omvang van de bezuiniging ziet het Commissariaat een risico voor de uitvoering
van de publieke mediaopdracht door de landelijke publieke omroep en de publieke waarden
die daarbij horen terwijl er tegelijkertijd ook investeringen nodig zijn van de publieke
omroep voor de digitale transitie.
Het Commissariaat concludeert dat de ingangsdatum van de bezuiniging in 2027 niet
gelijkloopt met de ingangsdatum van de voorgenomen hervorming per 2029. Dat betekent
dat de bezuiniging in die eerste jaren moet worden ingevuld binnen de huidige wettelijke
kaders. Kosten voor de hervorming moeten ook uit de lopende begroting worden gedekt.
Het Commissariaat maakt zich zorgen over de impact van de bezuinigingen en de hervorming
op de organisaties binnen het publieke bestel.
Tot slot merkt het Commissariaat op dat de minimale hoogte van de rijksmediabijdrage
regelmatig wordt aangepast en dat de onderbouwing van een adequate bekostiging voor
een sterke publieke omroep ontbreekt. Het Commissariaat vraagt zich daarbij af hoe
deze constateringen zich verhouden tot de voorschriften uit de EMFA.
De toelichting bij wetsvoorstel is naar aanleiding van het advies van het Commissariaat
op enkele punten aangepast. De aanpassingen zien op de impact van de bezuinigingen
op de uitvoering van de publieke mediaopdracht en de organisaties binnen het bestel
en op hoe dit wetsvoorstel zich verhoudt tot de EMFA.
Regeldruk
Het Adviescollege Toetsing Regeldruk (ATR) heeft het dossier niet geselecteerd voor
een formeel advies, omdat het geen gevolgen voor de regeldruk heeft.
Samenloop
Bij de Tweede Kamer is het voorstel van wet tot wijziging van de Mediawet 2008 in
verband met de versterking van de uitvoering van de publieke mediaopdracht op lokaal
niveau (Kamerstuk 36 917) aanhangig. Dat wetsvoorstel bevat eveneens een wijziging van artikel 2.144, eerste
lid, van de Mediawet 2008. Met dat wetsvoorstel gaat de bekostiging van de lokale
publieke omroep over van gemeenten naar het Rijk, hetgeen leidt tot een verhoging
van de rijksmediabijdrage.
Om te voorkomen dat de in dat wetsvoorstel opgenomen verhoging van de rijksmediabijdrage
buiten toepassing blijft indien dat wetsvoorstel eerder of later in werking treedt
dan het onderhavige wetsvoorstel, is een samenloopbepaling opgenomen. Deze bepaling
voorziet in beide mogelijke volgordes van inwerkingtreding van de wetsvoorstellen
en waarborgt dat zowel de in het onderhavige wetsvoorstel opgenomen wijziging van
artikel 2.144, eerste lid van de Mediawet 2008 als de wijziging van dat artikellid
die voortvloeit uit het wetsvoorstel voor de versterking van de uitvoering van de
publieke mediaopdracht op lokaal niveau op consistente wijze worden verwerkt.
De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
R.M. Letschert
Ondertekenaars
R.M. Letschert, minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.