Nota n.a.v. het (nader/tweede nader/enz.) verslag : Nota naar aanleiding van het verslag
36 902 Wijziging van de Wet stelsel openbare bibliotheekvoorzieningen in verband met onder andere de toevoeging van een verplichting voor gemeenten en openbare lichamen om ten minste één volwaardige bibliotheekvoorziening in stand te houden, alsmede tot wijziging van de Auteurswet en de Wet op de naburige rechten in verband met onder andere de toevoeging van een regeling voor een leenrechtvergoeding bij uitleningen door schoolbibliotheken
Nr. 7
NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG
Ontvangen 13 juli 2026
De regering dankt de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap voor de
schriftelijke inbreng bij het wetsvoorstel tot wijziging van de Wet stelsel openbare
bibliotheekvoorzieningen in verband met onder andere de toevoeging van een verplichting
voor gemeenten en openbare lichamen om ten minste één volwaardige bibliotheekvoorziening
in stand te houden, alsmede tot wijziging van de Auteurswet en de Wet op de naburige
rechten in verband met onder andere de toevoeging van een regeling voor een leenrechtvergoeding
bij uitleningen door schoolbibliotheken (hierna: het wetsvoorstel). De regering heeft
met veel belangstelling kennisgenomen van de vragen en opmerkingen van de leden van
de fracties van D66, de VVD, GroenLinks-PvdA, de PVV, het CDA, de BBB, de ChristenUnie
en de SGP. Sinds de vaststelling van het verslag is de naam van de fractie GroenLinks-PvdA
gewijzigd in Progressief Nederland (PRO). Voor de leesbaarheid wordt in de antwoorden
hieronder telkens de nieuwe fractienaam PRO aangehouden. In de tekst uit het verslag
is de oorspronkelijke fractienaam GroenLinks-PvdA ongewijzigd gelaten.
Hieronder volgt de beantwoording van de gestelde vragen. Hierbij is zoveel mogelijk
de indeling van het verslag aangehouden. Deze nota naar aanleiding van het verslag
wordt gegeven mede namens de Minister van Justitie en Veiligheid en gaat vergezeld
van een nota van wijziging, die drie kleine wijzigingen aanbrengt in het wetsvoorstel
(zie hierover uitgebreider de toelichting bij de nota van wijziging).
I. ALGEMEEN
1. Algemeen
De vaste commissie voor OCW heeft in het kader van het voorbereidend onderzoek van
dit wetsvoorstel de leden Heera Dijk (D66) en Mohandis (GroenLinks-PvdA) tot wetgevingsrapporteurs
benoemd. De wetgevingsrapporteurs hebben ten behoeve van het verslag een schriftelijke
inbreng opgesteld met vragen van verdiepende en verduidelijkende aard aan de regering.
De commissie heeft in de procedurevergadering van 16 april 2026 besloten de inbreng
van de wetgevingsrapporteurs over te nemen en in het verslag als inbreng van de commissie
op te nemen.1 Bij de hiernavolgende inbreng is zo veel mogelijk de volgorde van de memorie van
toelichting aangehouden.
2. Doelstellingen
De leden van de commissie constateren dat in de memorie van toelichting verschillende
doelen van het wetsvoorstel worden benoemd:
– Structureel waarborgen van de beschikbaarheid en bereikbaarheid van de lokale bibliotheek
door middel van een wettelijke zorgplicht voor gemeenten, openbare lichamen en provincies;
– Het regelen van een wettelijke basis voor de rol van bibliotheken bij leesbevordering
voor schoolgaande jeugd en de bekostiging daarvan;
– Het regelen van een leenrechtvergoeding voor uitleningen door schoolbibliotheken en
het verduidelijken en aanscherpen van de regeling voor de onderhandelingen over leenrechtvergoedingen.
Kan de regering de doelen van dit wetsvoorstel nader concretiseren?
Het wetsvoorstel beoogt het bibliotheekstelsel te versterken. Dit is vertaald naar
het hoofddoel van het wetsvoorstel, namelijk dat elke gemeente en openbaar lichaam
voorziet in een aanbod van bibliotheekvoorzieningen, dat als geheel binnen redelijke
afstand voor de inwoners toegankelijk is, en ten minste één bibliotheekvoorziening
in stand houdt die alle vijf de wettelijke bibliotheekfuncties vervult, een fysieke
collectie heeft en over een professionele personeelsbezetting beschikt. De vijf functies
uit artikel 5 van de Wet stelsel openbare bibliotheekvoorzieningen zijn: het ter beschikking
stellen van kennis en informatie, het bieden van mogelijkheden tot ontwikkeling en
educatie, het bevorderen van lezen en het laten kennismaken met literatuur, het organiseren
van ontmoeting en debat en het laten kennismaken met kunst en cultuur.
Bibliotheken spelen een belangrijke rol bij leesbevordering. Leesbevorderingsprogramma’s
van de bibliotheken, zoals Boekstart en de Bibliotheek op school (dBos), hadden een
tijdelijk karakter. Met het wetsvoorstel krijgt ook de specifieke rol van bibliotheken
bij leesbevordering voor schoolgaande jeugd en de bekostiging daarvan een wettelijke
basis.
Tot slot worden met deze wetswijziging de Auteurswet en de Wet op de naburige rechten
gewijzigd. Dit heeft als doel de vrijstelling op te heffen voor uitleningen door scholen
en instellingen in het middelbaar beroepsonderwijs, en door de aan die scholen verbonden
bibliotheken. Hierdoor krijgen rechthebbenden voortaan structureel een billijke vergoeding.
Tevens wordt beoogd de regels rondom de governance en bekostiging van de Stichting
onderhandelingen leenrechtvergoeding (StOL) en de Stichting onderhandelingen thuiskopievergoeding
(SOnT) te verduidelijken en versterken.
In hoeverre zijn de doelen meetbaar en wanneer moeten deze bereikt zijn?
Het hoofddoel uit het wetsvoorstel is deels kwantitatief meetbaar. Kwantitatieve indicatoren
op basis waarvan kan worden geduid of sprake is van de gewenste versterking van het
bibliotheekstelsel zijn onder andere het aantal en de verschillende soorten bibliotheekvoorzieningen,
het bereik en het gebruik van de bibliotheek, en de omvang van de gemeentelijke financiële
bijdrage. De verwachting is dat dit wetsvoorstel bijdraagt aan de versterking van
het bibliotheekstelsel en dat dergelijke indicatoren een stijgende lijn laten zien.
De Koninklijke Bibliotheek (KB) publiceert deze gegevens jaarlijks in het derde kwartaal
in de vorm van de Gegevenslevering Wsob2, in samenwerking met het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) en het openbare
bibliotheeknetwerk. De KB voert deze wettelijke taak uit op basis van de regeling
gegevenslevering, op grond van artikel 11 van de Wsob. Omdat de Wsob wordt gewijzigd,
wordt ook deze regeling aangepast, voor een goede aansluiting op het wetsvoorstel.
Naar aanleiding van de reacties op de internetconsultatie van het wetsvoorstel is
de zorgplicht kwalitatiever ingevuld. De bijbehorende begrippen, zoals de term «redelijke
afstand», zijn niet gekwantificeerd om gemeenten en openbare lichamen ruimte te bieden
aansluiting te zoeken bij de lokale context. De regering heeft in het kader van het
hoofddoel geen einddatum voor ogen waarop de doelen bereikt moeten zijn. De inspanningen
zijn erop gericht om te zorgen dat alle gemeenten en openbare lichamen in staat zullen
zijn om invulling te geven aan de zorgplicht, wanneer die drie jaar na inwerkingtreding
van het wetsvoorstel van kracht wordt; de provincies en de Rijksvertegenwoordiger
zullen dit in het kader van hun toezichtstaak gaan controleren. Daarnaast zal de eerstvolgende
evaluatie vijf jaar na de publicatie van de gewijzigde wet een belangrijk ijkpunt
zijn.
Voor de specifieke rol van bibliotheken bij leesbevordering voor schoolgaande kinderen
en jongeren wordt een regeling gemaakt. Hiermee wordt incidentele financiering van
deze ondersteunende rol structureel. De wettelijke taak heeft uitsluitend betrekking
op leesbevordering bij onderwijsinstellingen, maar het voornemen is om daarbij in
de subsidieregeling mogelijk te maken dat de subsidie die aan bibliotheken zal worden
verstrekt, ook kan worden benut om kinderopvangaanbieders te adviseren over leesbevordering.
Via de jaarlijkse Gegevenslevering Wsob kan gemonitord worden hoeveel samenwerkingen
bibliotheken op dit terrein aangaan. Daarnaast zal met name worden gekeken naar het
aantal gekwalificeerde leesmediaconsulenten in dienst van de bibliotheken en naar
hun inzet. Ook hier heeft de regering geen einddatum voor ogen, maar monitort zij
de doorontwikkeling van deze specifieke taak van de bibliotheken.
Tot slot, de hoogte van het budget voor de billijke vergoeding aan rechthebbenden
voor het uitlenen van werken door scholen en mbo-instellingen wordt jaarlijks vastgesteld
middels een P x Q formule. Hierbij staat P voor de vergoeding per uitlening, zoals
deze jaarlijks wordt vastgesteld door de Stichting Onderhandelingen Leenvergoedingen
(StOL). Ter onderbouwing van de Q worden gegevens over uitleningen van werken door
scholen en mbo-instellingen verzameld middels representatief driejaarlijks onderzoek.
Ook dit betreft een doorlopend proces. Het structureel verstrekken van billijke vergoedingen
aan rechthebbenden en het versterken en verduidelijken van de governance en bekostiging
van de StOL en SOnT wordt als doel behaald met de inwerkingtreding van het wetsvoorstel.
Kan de regering in het kader van een nulmeting ook een kwantitatief overzicht geven
van de bestaande situatie, bijvoorbeeld ten aanzien van het aantal (fysieke) bibliotheeklocaties
en de middelen die gemeenten en openbare lichamen besteden aan bibliotheekvoorzieningen?
In 2024 waren er in Europees Nederland 1.258 bibliotheeklocaties. 767 daarvan waren
bibliotheekvestigingen en daarnaast worden bijvoorbeeld ook zelfbedieningsbibliotheken,
servicepunten en bibliotheekbushaltes tot de bibliotheeklocaties gerekend. Caribisch
Nederland telde in 2024 drie vestigingen: elk eiland heeft één bibliotheekvestiging.
Openbare bibliotheken in Europees Nederland ontvingen in 2024 in totaal 511,6 miljoen
euro uit gemeentelijke subsidies.3 De openbare bibliotheek op Bonaire ontving 469.330 euro en de bibliotheken op Saba
en Sint Eustatius samen 299.055 dollar4 subsidie van de openbare lichamen.5
Kan de regering toelichten hoe dit wetsvoorstel zich verhoudt tot en bijdraagt aan
de doelen en streefwaarden voor het Masterplan basisvaardigheden op het gebied van
taal?6
Centraal in het wetsvoorstel staat de invoering van een zorgplicht voor gemeenten
en openbare lichamen, met als doel dat de lokale bibliotheek voor iedereen toegankelijk
en bereikbaar is, dus ook voor leerlingen. Daarbij wordt met artikel 8a in dit wetsvoorstel
expliciet gemaakt dat bibliotheken tot taak hebben om het lezen bij onderwijsinstellingen
te bevorderen, en wordt voorzien in een basis voor de structurele subsidiëring van
bibliotheken voor deze taak. Hiermee draagt het wetsvoorstel bij aan de doelstelling
van het masterplan om de prestaties van leerlingen op de basisvaardigheid «lezen»
te verbeteren.
3. Zorgplicht gemeenten en openbare lichamen
Reikwijdte zorgplicht
De leden van de commissie constateren dat de regering de zorgplicht voor gemeenten
en openbare lichamen, mede naar aanleiding van de reacties in de consultatiefase,
in hoofdzaak een kwalitatieve invulling heeft gegeven.7 Deze zorgplicht betreft het voorzien in een aanbod van bibliotheekvoorzieningen,
dat als geheel binnen redelijke afstand voor de inwoners toegankelijk is. Als onderdeel
van dit aanbod dient een college van burgemeester en wethouders dan wel het bestuurscollege
ten minste één bibliotheekvoorziening in stand te houden die alle functies van artikel
5 Wsob8 vervult; een fysieke collectie heeft en over een professionele personeelsbezetting
beschikt. Heeft de regering naar aanleiding van de doorgevoerde aanpassingen na de
consultatiefase opnieuw overleg gevoerd met gemeenten, bibliotheken en scholen en
kan zij bevestigen dat deze partijen het wetsvoorstel op dit punt nu (wel) uitvoerbaar
achten?
De bibliotheekpartijen en medeoverheden worden gedurende het hele wetgevingstraject
betrokken. De aanpassingen na de internetconsultatie zijn daarbij vooral gebaseerd
op de inbreng van de meest betrokken partijen: bibliotheken, gemeenten en provincies.
Zo stelde de Vereniging Openbare Bibliotheken (VOB) voor het woord «vestiging» aan
te passen naar «voorziening» en pleitte de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG)
voor meer ruimte voor maatwerk. Beide suggesties zijn na afstemming met betrokken
partijen overgenomen. De VOB en de VNG achten het wetsvoorstel daarmee uitvoerbaar.
Hoewel de scholen geen rol hebben in de uitvoering van dit wetsvoorstel, zijn de onderwijsraden
(PO- en VO-raad) gedurende het proces geïnformeerd over de ontwikkeling van de regeling
voor bibliotheken. De behoeften van scholen zijn opgehaald met een klankbordsessie
en het wetsvoorstel is aan bod gekomen in de Kennistafel Effectief Leesonderwijs,
waarbij zowel de onderwijsraden als andere onderwijs- en bibliotheekpartners zijn
aangesloten, evenals Stichting Lezen. De inbreng vanuit onderwijspartijen is waar
mogelijk verwerkt.
De regering geeft aan dat het bij het begrip «redelijke afstand» gaat om de redelijke
afstand tot het aanbod in het geheel. Dat komt, volgens de regering, dus neer op de
redelijke afstand tot de dichtstbijzijnde voorziening. Niet bedoeld wordt de redelijke
afstand tot alle voorzieningen binnen het aanbod. Voor de invulling van het begrip
redelijke afstand ligt het, volgens de regering, voor de hand om de geografie en demografie
van de betreffende gemeente of het betreffende openbare lichaam in acht te nemen.
Kan de regering nader toelichten in hoeverre de redelijke afstand handhaafbaar is
in het kader van het toezicht door provincies, ook gegeven het advies van het IPO9 om de afstand tot de bibliotheek in de zorgplicht op te nemen?10
Of het aanbod aan bibliotheekvoorzieningen binnen een gemeente of openbaar lichaam
binnen redelijke afstand toegankelijk is, hangt af van de lokale context, dat wil
zeggen van demografische en geografische kenmerken van gemeenten en openbare lichamen
waaronder de oppervlakte en het aantal inwoners, plus sociaal-maatschappelijke factoren.
Alle gemeenten en openbare lichamen moeten in het meerjarenplan toelichten hoe zij
de zorgplicht invullen en hoe zij, rekening houdend met bovengenoemde lokale context,
voorzien in een aanbod van bibliotheekvoorzieningen, dat als geheel binnen redelijke
afstand voor de inwoners toegankelijk is.11 Om ruimte te bieden om met de lokale context rekening te houden is in het wetsvoorstel
en in het concept-Besluit stelsel openbare bibliotheekvoorzieningen bewust niet gekozen
voor een feitelijke definitie in absolute termen van het begrip «redelijke afstand».
In de uitvoeringstoets van het IPO op het wetsvoorstel en de reactie op het concept-Besluit
stelsel openbare bibliotheekvoorzieningen hebben provincies aangegeven dat het toezicht
op de zorgplicht uit het voorgestelde artikel 6 voor hen uitvoerbaar is.12 Ook de Rijksvertegenwoordiger heeft aangeven dat het toezicht uitvoerbaar is.
Kan de regering aan de hand van (fictieve) voorbeelden aangeven wat zij bijvoorbeeld
wel en niet verstaat onder een redelijke afstand?
Of een afstand redelijk is, hangt af van de lokale context. Gemeenten en openbare
lichamen moeten in hun meerjarenplan voor het bibliotheekbeleid uitleggen hoe zij
bij het invulling geven aan de zorgplicht rekening houden met de lokale context: demografische
en geografische kenmerken van gemeenten en openbare lichamen waaronder de oppervlakte
en het aantal inwoners, plus sociaal-maatschappelijke factoren. Voor een gemeente
met veel kleine kernen en een beperkt aantal inwoners kan, bijvoorbeeld, gekozen worden
voor een bibliotheekvoorziening in één of enkele kernen, waar inwoners gewend zijn
naartoe te reizen, bijvoorbeeld omdat er ook andere voorzieningen aanwezig zijn, zoals
een school of het gemeentehuis. De afstand tot een bibliotheekvoorziening is in dergelijke
gemeenten mogelijk groter dan in een grote stad, waar meer mensen op een kleinere
oppervlakte leven en het een passende keuze kan zijn om naast de hoofdvestiging meerdere
bibliotheekvoorzieningen op wijkniveau in te richten vanwege het grotere aantal inwoners
en in lijn met andersoortige voorzieningen die in grote steden eveneens vaak op wijkniveau
worden aangeboden.
De regering geeft aan dat als gevolg van de zorgplicht in het nieuwe artikel 6 Wsob
een beperkt aantal gemeenten zonder bibliotheek een nieuwe bibliotheek moet realiseren.
De leden van de commissie vragen hoeveel en welke gemeenten het op dit moment betreft.
Op basis van de meest recente Gegevenslevering Wsob13 lijkt een volwaardige bibliotheekvoorziening conform de formulering in het wetsvoorstel
in elk geval nog te ontbreken in zes gemeenten. Albrandswaard, Alphen-Chaam, Lopik
en Oostzaan hebben een specifieke uitkering ontvangen voor het tot stand brengen van
een volwaardige bibliotheekvestiging. Gemeenten hebben tot het einde van 2026 tijd
voor de uitvoering hiervan. Mook en Middelaar en Uitgeest hebben geen eigen bibliotheek
maar zetten in op het maken van samenwerkingsafspraken met buurgemeenten.
Drie andere gemeenten zonder volwaardige eigen bibliotheekvoorziening hebben al samenwerkingsafspraken
met buurgemeenten en twee gemeenten hebben geen bibliotheekvestiging maar wel een
bibliobus; daarmee kunnen zij, net als de gemeenten met een of meerdere vestigingen,
aan de zorgplicht gaan voldoen.
Wanneer alle aanvragen uit de Regeling eenmalige specifieke uitkering en subsidie
toekomstbestendige lokale bibliotheekvoorzieningen (hierna: de specifieke uitkering)
en afspraken tussen buurgemeenten worden gerealiseerd, kunnen alle gemeenten hun inwoners
toegang bieden tot een aanbod van bibliotheekvoorzieningen zoals bedoeld in het voorgestelde
artikel 6 van de Wsob. Het is daarbij aan de gemeenten om invulling te geven aan de
zorgplicht en toe te lichten hoe zij dit doen in het meerjarenplan. De provincies
zullen in het kader van hun toezichtstaak gaan controleren of gemeenten voldoen aan
de zorgplicht, zoals in het wetsvoorstel beschreven wordt in het voorgestelde artikel
6, tweede lid, van de Wsob.
De regering stelt dat van gemeenten waar het bibliotheekaanbod het beschreven minimumniveau
al heeft, wordt verwacht dat zij de openbare bibliotheek op basis van lokale maatschappelijke
opgaven doorontwikkelen conform de onder paragraaf 2 van de memorie van toelichting
beschreven lijnen.14 Kan de regering concretiseren op welke lijnen zij hier doelt?
De lijnen waar de regering op doelt, staan genoemd op pagina 5 van de memorie van
toelichting bij het wetsvoorstel. Gemeenten die al voldoen aan de basisvereisten uit
het wetsvoorstel, kunnen bijvoorbeeld kiezen voor uitbreiding van het aantal educatieve
en culturele activiteiten, investeren in de toegankelijkheid van het aanbod of voor
intensivering van de samenwerking met het onderwijs, de cultuursector of andere relevante
lokale maatschappelijke organisaties. De keuze voor doorontwikkeling is afhankelijk
van de specifieke lokale situatie.
Kan de regering toelichten hoe zij deze doorontwikkeling borgt dan wel afdwingt, aangezien
de zorgplicht van het voorgestelde artikel 6 Wsob volgens de regering uitdrukkelijk
een ondergrens betreft15 en deze verwachting niet expliciet in de wettelijke bepalingen is opgenomen?
De zorgplicht houdt in dat alle gemeenten en openbare lichamen voorzien in een aanbod
van bibliotheekvoorzieningen, dat als geheel binnen redelijke afstand voor de inwoners
toegankelijk is. Binnen de zorgplicht geldt dat elke gemeente of openbaar lichaam
ten minste één bibliotheekvoorziening in stand houdt die de vijf wettelijke bibliotheekfuncties
vervult, een fysieke collectie heeft en over een professionele personeelsbezetting
beschikt. Dit minimum van één voorziening per gemeente of openbaar lichaam vormt inderdaad
een ondergrens. Gemeenten en openbare lichamen moeten in het meerjarenplan iedere
vier jaar echter toelichten hoe zij invulling geven aan de zorgplicht, rekening houdend
met de lokale context: demografische en geografische kenmerken van gemeenten en openbare
lichamen (waaronder de oppervlakte en het aantal inwoners) plus sociaal-maatschappelijke
factoren. Voor de meeste gemeenten zal aan de hand van die criteria gelden dat één
bibliotheekvoorziening niet genoeg is. De streefwaarden voor de bibliotheek in de
handreiking voor gemeenten die de VNG naar aanleiding van dit wetsvoorstel ontwikkelt,
bieden een handvat voor een passende invulling.
In de meeste gemeenten stijgen de bibliotheekvoorzieningen nu al ruim boven de ondergrens
uit. Doel van de wetswijziging is een verdere versteviging van het bibliotheekstelsel
in de komende jaren. In de samenleving is breed enthousiasme en draagvlak voor bibliotheken.
Gemeenten én bibliotheken staan positief tegenover de komst van een zorgplicht. Het
bibliotheekstelsel is een decentraal stelsel waarbinnen overheden op basis van vertrouwen
met elkaar samenwerken. De regering opereert binnen dit kader en zal regelmatig de
balans voor het stelsel opmaken.
Om gezamenlijk op koers te blijven, initieert de bewindspersoon van OCW jaarlijks
een bestuurlijk overleg tussen de drie betrokken overheidslagen en de bibliotheekpartijen
(KB, SPN en de VOB). Tijdens deze overleggen worden de ontwikkelingen in de sector
en de effecten van de wetswijziging op het bibliotheeknetwerk periodiek gevolgd en
geduid. Basis van dit overleg vormen in ieder geval de data vanuit de Gegevenslevering
Wsob16, de opbrengsten van het interbestuurlijk toezicht en waar mogelijk analyses op basis
van de bibliotheekcertificering (een instrument van de sector zelf en de VNG). De
jaarlijkse bestuurlijke overleggen zullen gelegenheid bieden voor de betrokken partijen
om gezamenlijk vast te stellen wat goed gaat, wat beter kan en wat nodig is voor de
verdere doorontwikkeling van het bibliotheekstelsel.
Meerjarenplan
De regering stelt voor dat bij amvb17 nadere regels worden gesteld met betrekking tot de inhoud van het door het (bestuurs)college
op te stellen meerjarenplan conform het voorgestelde artikel 6, derde lid, Wsob. De
regering licht toe dat daarbij gedacht kan worden aan onderwerpen als de omvang, de
dichtheid en samenstelling van de bevolking, de lokale maatschappelijke opgaven, hoe
de gemeente invulling geeft aan de zorgplicht en rekening houdt met de positie van
de bibliotheek te midden van andere sociaal culturele voorzieningen en het onderwijs.
Kan de regering toelichten waarom niet is gekozen om de (hoofd)elementen van het verplichte
meerjarenplan in de wet vast te leggen?
De elementen van het meerjarenplan vormen een gedetailleerde vorm van wetgeving, waardoor
delegatie van deze normen passend is. Daarnaast beoogt de regering door delegatie
enige flexibiliteit te behouden, zodat de elementen uit het meerjarenplan sneller
kunnen worden aangepast aan praktijkervaringen of naar aanleiding van evaluatie van
de wet. Daardoor wordt geborgd dat het meerjarenplan een adequaat instrument blijft
om de uitvoering van de zorgplicht te ondersteunen.
Kan de regering een nadere toelichting geven op de onderwerpen waar zij nu aan denkt
om in de amvb op te nemen, zoals genoemd in de memorie van toelichting?
De regering is voornemens om in het Besluit stelsel openbare bibliotheekvoorzieningen18 de volgende onderwerpen op te nemen voor gemeenten met betrekking tot de gewenste
beschrijving van de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de zorgplicht (in lijn
met de denkrichting in de memorie van toelichting): (i) de bereikbaarheid binnen redelijke
afstand van het aanbod van bibliotheekvoorzieningen gelet op de oppervlakte van de
gemeente dan wel het openbaar lichaam, (ii) het aantal inwoners, (iii) de leeftijdsopbouw
(iv) de sociaaleconomische status van de bevolking, (v) de manier waarop de lokale
bibliotheek bijdraagt aan de lokale maatschappelijke opgaven, (vi) de betrokkenheid
van de lokale bibliotheek bij de totstandkoming van het meerjarenplan en (vii) de
verhouding tussen de lokale bibliotheek en andere sociaal-culturele voorzieningen
en het onderwijs. Voor openbare lichamen in Caribisch Nederland geldt dat rekening
moet worden gehouden met licht afwijkende criteria. Hiervoor is gekozen omdat niet
alle voor de gemeenten genoemde CBS-gegevens ook voor Caribisch Nederland beschikbaar
zijn. Zo ontbreekt de indicator met betrekking tot leeftijdsopbouw en in plaats van
sociaaleconomische status is opleidingsniveau gebruikt.
Wanneer is deze amvb naar verwachting gereed?
De algemene maatregel van bestuur waarmee de delegatiegrondslag uit artikel 6, zoals
voorgesteld met het wetsvoorstel, wordt uitgewerkt, is dit voorjaar in consultatie
geweest door middel van een openbare internetconsultatie en gerichte consultatie van
partijen, zoals de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) en het Interprovinciaal
Overleg (IPO). Momenteel worden de ontvangen reacties en toetsen verwerkt. De verwachting
is dat het conceptbesluit na de zomer inhoudelijk gereed zal zijn. Na akkoord van
uw Kamer op het wetsvoorstel zal het conceptbesluit worden voorgelegd aan de Raad
van State voor advisering. Het doel is om het besluit tegelijkertijd met de wet in
werking te laten treden.
De leden van de commissie constateren verder dat de VNG19 aangeeft dat het meerjarenplan uitvoerbaar is voor gemeenten, omdat het aansluit
bij de bestaande beleidscyclus en veel gemeenten al werken met een dergelijk document
en gemeenten dus kunnen verwijzen naar hun bestaande beleidsplannen. Wel geeft de
VNG in de uitvoeringstoets20 aan dat voor gemeenten nog wel onduidelijk is welke partijen iets met het meerjarenplan
gaan doen. Als het de bedoeling is dat ook externe partijen het meerjarenplan gaan
gebruiken in het kader van verantwoording en toezicht, dan is hierover volgens de
VNG meer duidelijkheid nodig. Gemeenten merken verder op dat een handreiking met concrete
voorbeelden en handvatten kan helpen om invulling te geven aan het meerjarenplan.
Hierbij is wel van belang dat de handreiking oog heeft voor verschillende vormen waarmee
invulling gegeven kan worden aan het meerjarenplan. De leden van de commissie vragen
welke externe partijen, naast de provincie als toezichthouder, het meerjarenplan gaan
gebruiken en met welk doel.
Het meerjarenplan is primair bedoeld als instrument voor gemeenten en de bibliotheek
wordt betrokken bij het opstellen hiervan. Naast het gebruik voor het toezicht door
de provincies en, voor Caribisch Nederland, de Rijksvertegenwoordiger, kan het meerjarenplan
ook gebruikt worden door andere geïnteresseerden. Hierbij kan gedacht worden aan organisaties
die veel samenwerken met de bibliotheek, zoals scholen en welzijnsorganisaties. Het
gebruik van het meerjarenplan door deze andere externe partijen is niet verplicht,
maar kan inzicht geven in het bibliotheekbeleid en aanknopingspunten bieden voor samenwerking
en afstemming. Tot slot kunnen de meerjarenplannen ook als input dienen voor de jaarlijkse
bestuurlijke overleggen tussen overheden en bibliotheekpartijen over de ontwikkelingen
in het bibliotheekstelsel, met name als voorbeeld en ter illustratie bij de opbrengsten
van het interbestuurlijk toezicht. Tijdens deze overleggen worden de ontwikkelingen
in de sector en de effecten van de wetswijziging op het bibliotheeknetwerk jaarlijks
gevolgd en geduid, zodat betrokken partijen gezamenlijk kunnen vaststellen wat goed
gaat, wat beter kan en wat nodig is voor de verdere doorontwikkeling van het bibliotheekstelsel.
Gaat de regering in samenspraak met de VNG een handreiking maken ten aanzien van het
op te stellen meerjarenplan met daarin concrete voorbeelden en handvatten?
De VNG maakt met financiële ondersteuning van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur
en Wetenschap (OCW) een handreiking voor gemeenten over het wetsvoorstel. In deze
handreiking wordt ook aandacht besteed aan het meerjarenplan. De VNG is voornemens
ook concrete voorbeelden en handvatten op te nemen voor het opstellen van een meerjarenplan.
Inwerkingtreding
De regering geeft in de memorie van toelichting aan dat het voornemen is dat gemeenten
hun meerjarenplannen uiterlijk een jaar na publicatie van de wet publiceren en dat
de zorgplicht drie jaar na publicatie van de wet in werking treedt.21 In artikel IV van het wetsvoorstel lezen de leden van de commissie dat in het kader
van overgangsrecht wordt bepaald dat het college dan wel het bestuurscollege gedurende
de eerste drie kalenderjaren na de inwerkingtreding van het onderdeel van de zorgplicht,
niet verplicht is om te voldoen aan de zorgplicht. Op basis waarvan is de termijn
van drie jaar bepaald?
Na overleg met de VNG en de VOB is gekozen voor een termijn van drie jaar om gemeenten
en openbare lichamen zonder volwaardige bibliotheekvoorziening die voldoet aan de
vereisten van het wetsvoorstel, voldoende tijd te geven om een volwaardige bibliotheekvoorziening
te realiseren.
Heeft de regering de verwachting dat alle gemeenten op deze data aan hun verplichtingen
kunnen en zullen voldoen? Is nu al in beeld voor welke gemeenten dit mogelijk niet
lukt of lastig haalbaar wordt? Zo ja, welke gemeenten betreft dit en welke maatregelen
neemt de regering in dit verband?
De verwachting van de regering is dat alle gemeenten op deze datum aan hun verplichtingen
kunnen voldoen. Dankzij de investeringen die met behulp van de specifieke uitkeringen
kunnen worden gedaan, kunnen alle gemeenten zich naar verwachting goed voorbereiden
op de invoering van de (grotendeels kwalitatieve) zorgplicht, die gemeenten en openbare
lichamen ruimte biedt om in te spelen op de lokale context. Daarnaast ondersteunt
het Ministerie van OCW bestuurlijke partners bij de implementatie van het wetvoorstel;
de financiering van de VNG-handreiking is hier een onderdeel van. Daarmee is het naar
verwachting voor alle gemeenten haalbaar om drie jaar na publicatie van de wet aan
de zorgplicht te voldoen. Dit volgde ook uit gesprekken tussen het Ministerie van
OCW, de VNG en de VOB.
Hoeveel gemeenten en openbare lichamen voldoen op dit moment niet aan de zorgplicht
zoals deze wordt voorgesteld door de regering?
Formeel gezien valt deze vraag nu niet te beantwoorden; de provincies en de Rijksvertegenwoordiger
zullen in het kader van hun toezichtstaak gaan controleren of gemeenten en openbare
lichamen een volwaardige bibliotheek hebben en voldoen aan de zorgplicht, zoals in
het wetsvoorstel beschreven wordt in het voorgestelde artikel 6, tweede lid, van de
Wsob.
Op basis van de meest recente Gegevenslevering Wsob22 lijkt een volwaardige bibliotheekvoorziening conform de formulering in het wetsvoorstel
in elk geval nog te ontbreken in zes gemeenten. Albrandswaard, Alphen-Chaam, Lopik
en Oostzaan hebben een specifieke uitkering ontvangen voor het tot stand brengen van
een volwaardige bibliotheekvestiging. Gemeenten hebben tot het einde van 2026 tijd
voor de uitvoering hiervan. Mook en Middelaar en Uitgeest hebben geen eigen bibliotheek
maar zetten in op het maken van samenwerkingsafspraken met buurgemeenten.
Drie andere gemeenten zonder volwaardige eigen bibliotheekvoorziening hebben al samenwerkingsafspraken
met buurgemeenten en twee gemeenten hebben geen bibliotheekvestiging maar wel een
bibliobus; daarmee kunnen zij, net als de gemeenten met een of meerdere vestigingen,
aan de zorgplicht gaan voldoen. Daarom zijn deze gemeenten bij de beantwoording van
deze vraag buiten beschouwing gelaten.
Wanneer alle aanvragen uit de Regeling eenmalige specifieke uitkering en afspraken
tussen buurgemeenten worden gerealiseerd, kunnen alle gemeenten hun inwoners toegang
bieden tot een aanbod van bibliotheekvoorzieningen zoals bedoeld in het voorgestelde
artikel 6 van de Wsob. Het is daarbij aan de gemeenten om invulling te geven aan de
zorgplicht en toe te lichten hoe zij dit doen in het meerjarenplan. Het is aan de
provincie om toe te zien op de naleving van deze zorgplicht.
In Caribisch Nederland hebben Sint Eustatius en Saba een bibliotheekvestiging met
collectie en professionele personeelsbezetting, maar de vijf bibliotheekfuncties kunnen
nu nog niet voldoende worden uitgevoerd. Op Bonaire lukt dit naar verwachting wel,
dankzij de opening van een nieuwe bibliotheekvestiging in 2025.
Verantwoordelijkheid Minister
In het huidige artikel 6, eerste lid, Wsob is bepaald dat Onze Minister, de provinciebesturen,
de gemeentebesturen en de besturen van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius
en Saba gezamenlijk verantwoordelijk zijn voor een netwerk van openbare bibliotheekvoorzieningen.
Dit artikel wordt vervangen door het artikel inzake de zorgplicht voor het college
van burgemeester en wethouders dan wel het bestuurscollege. Kan de regering toelichten
waarom ervoor gekozen is om de rol van de Minister niet (meer) wettelijk vast te leggen?
Met dit wetsvoorstel wordt artikel 6 van de Wsob opnieuw vastgesteld, waarbij ten
opzichte van de huidige wet wordt voorzien in een concrete zorgplicht voor gemeenten
en openbare lichamen. Daarnaast wordt met dit wetsvoorstel in artikel 16 een zorgplicht
voor gedeputeerde staten opgenomen met betrekking tot de provinciale ondersteuningsinstellingen.
Het huidige artikel 6, eerste lid, expliciteert de stelselverantwoordelijkheid van
de Minister samen met de provinciebesturen, de gemeentebesturen en de besturen van
de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba voor bibliotheekvoorzieningen.
Deze gezamenlijke verantwoordelijkheid blijft bestaan, ook nu de rol van de Minister
niet langer in de wet wordt geëxpliciteerd.
De regering is van mening dat het de duidelijkheid van de Wsob ten goede komt om zoveel
mogelijk concrete verplichtingen op te nemen. Daarbij is de Minister ook nu al geen
partij in het bibliotheeknetwerk (zie artikel 7 van de Wsob). Taken die op landelijk
niveau moeten worden uitgevoerd, zijn op basis van artikel 9 opgedragen aan de KB.
De Minister verschaft de KB het budget dat nodig is voor de uitvoering van deze taken,
en de verantwoordelijkheid van de Minister voor de financiering van de KB blijft ongewijzigd.
Kan de regering toelichten hoe zij de rol van de Minister in het bibliotheekstelsel
ziet, naast de door de regering genoemde deelname van de Minister aan het periodiek
bestuurlijk overleg?23 Wat mag de Kamer en mogen andere partijen van de Minister verwachten?
De bibliotheek is een essentiële voorziening in de samenleving. Miljoenen mensen,
van jong tot oud en met verschillende achtergronden, maken jaarlijks gebruik van bibliotheekvoorzieningen.24 Sinds het aantreden van het kabinet-Jetten is de Staatssecretaris van OCW verantwoordelijk
voor bibliotheken. Zij is en blijft verantwoordelijk voor het landelijke bibliotheekbeleid
en voor het functioneren van het stelsel als geheel, zoals dat volgens de Wsob is
ingericht. Naast het initiëren en voorzitten van het jaarlijkse bestuurlijk overleg
informeert de Staatssecretaris uw Kamer periodiek over de ontwikkelingen in de bibliotheeksector
en over de uitvoering van de Wsob. De Staatssecretaris heeft ook de verantwoordelijkheid
om de Wsob elke vijf jaar te evalueren.
Bovendien financiert de Staatssecretaris van OCW de KB voor het uitvoeren van een
aantal wettelijke taken in het kader van de Wsob, zoals het in stand houden van de
online bibliotheek en het verzorgen van een aanbod voor mensen met een leeshandicap.
Tot slot is de Staatssecretaris van OCW verantwoordelijk voor het toezicht op de medebewindstaak
van provincies ten aanzien van provinciale ondersteuningsinstellingen (POI’s).
Hoe gaat de Minister de Tweede Kamer informeren over de werking van het beoogde stelsel
met decentrale verantwoordelijkheden?
De regering is voornemens uw Kamer regelmatig te informeren over de werking van het
bibliotheekstelsel. Zo informeert de Staatssecretaris van OCW uw Kamer jaarlijks over
de ontwikkelingen in de bibliotheeksector en over de uitvoering van de Wsob. Deze
informatie is voornamelijk gebaseerd op de jaarlijkse Gegevenslevering Wsob25 en de bevindingen vanuit de bestuurlijke overleggen komen daarbij. Verder heeft de
Staatssecretaris van OCW de verantwoordelijkheid om de wet elke vijf jaar te evalueren
en uw Kamer de evaluatie toe te sturen, voorzien van een beleidsreactie. Daarmee zal
uw Kamer dus regelmatig worden geïnformeerd over de werking van het stelsel.
Welke mogelijkheden heeft Minister om bij te sturen als dit niet werkt zoals beoogd?
Conform het generieke interbestuurlijk toezicht ligt het toezicht op de uitvoering
van de zorgplicht door gemeenten bij de provincies en het toezicht op de uitvoering
door openbare lichamen bij de Rijksvertegenwoordiger. Het Rijk houdt enkel rechtstreeks
toezicht op de uitvoering van de provinciale zorgplicht.
Tegelijkertijd is het doel van de wetswijziging een verdere versteviging van het bibliotheekstelsel
in de komende jaren en is de Staatssecretaris van OCW verantwoordelijk voor het functioneren
van het bibliotheekstelsel als geheel. Om gezamenlijk op koers te blijven, initieert
de Staatssecretaris jaarlijks een bestuurlijk overleg tussen de drie betrokken overheidslagen
en de bibliotheekpartijen (KB, SPN en de VOB). Tijdens deze overleggen worden de ontwikkelingen
in de sector en de effecten van de wetswijziging op het bibliotheeknetwerk jaarlijks
gevolgd en geduid. Basis van dit overleg vormen in ieder geval de data vanuit de Gegevenslevering
Wsob, de opbrengsten van het interbestuurlijk toezicht en waar mogelijk analyses op
basis van de bibliotheekcertificering (een instrument van de sector zelf en de VNG).
De jaarlijkse bestuurlijke overleggen zullen gelegenheid bieden voor de betrokken
partijen om vast te stellen wat goed gaat, wat beter kan en wat nodig is voor de verdere
doorontwikkeling van het bibliotheekstelsel. De uitkomsten van dit overleg kunnen
ook aanleiding zijn voor de Staatssecretaris van OCW om het nationale bibliotheekbeleid
aan te passen.
4. Uitvoering
De leden van de commissie constateren dat de in het wetsvoorstel beschreven zorgplicht
voor gemeenten en bevorderingstaak voor bibliotheken lokaal worden belegd, aangevuld
met verschillende taken en rollen voor de provincies, provinciale ondersteuningsinstellingen
en de Koninklijke Bibliotheek. De regering benadrukt bijvoorbeeld ten aanzien van
de zorgplicht dat het doel gericht is op een lokaal bibliotheekbeleid dat in voldoende
mate aansluit bij lokale omstandigheden, behoeften en ontwikkelingen. De leden van
de commissie vragen hoe tegelijk geborgd en gestimuleerd wordt dat bibliotheken, gemeenten,
provincies, scholen en de andere actoren van elkaar leren en dat best practices brede
navolging krijgen. Kan de regering hierop ingaan ten aanzien van de verschillende
taken en rollen die zijn beschreven in het wetsvoorstel?
De regering poogt met het wetsvoorstel op verschillende manieren te borgen en te stimuleren
dat partijen in het bibliotheekstelsel samen optrekken en van elkaar leren. In het
meerjarenplan beschrijven gemeenten en openbare lichamen, bijvoorbeeld, hoe bibliotheken
vanuit het netwerk samenwerken met het onderwijs en andere sociaal-culturele voorzieningen.
Gemeenten en openbare lichamen betrekken de lokale bibliotheken bij het opstellen
van dit plan, waarmee de samenhang tussen het werk van de bibliotheek en de andere
partijen in de gemeente wordt gestimuleerd en gewaarborgd.
Tevens bestaat er sinds 2020 een bibliotheekconvenant tussen de partijen in het bibliotheeknetwerk
(de KB, SPN en de VOB) en de drie overheden. Daarin worden gezamenlijk inhoudelijke
prioriteiten voor innovatie en doorontwikkeling vastgesteld waarmee een sterk verband
ontstaat tussen de lokale, provinciale en landelijke doelstellingen. Over de uitvoering
van het convenant hebben de bibliotheekpartijen praktische afspraken vastgelegd in
een netwerkagenda. Het uitwisselen van kennis en ervaringen en het benutten van elkaars
best practices speelt hierin een belangrijke rol.
Als hulpmiddel hierbij heeft de bibliotheeksector een online kennisplatform, biebtobieb.26 Dit platform stimuleert kennisdelen, innovatie en samenwerken tussen bibliotheken,
onderling, maar ook met de andere partners in het netwerk, de KB en de POI’s.
In de praktijk vindt kortom reeds op verschillende manieren kennisdeling plaats tussen
de bibliotheekpartijen. Mede naar aanleiding van deze vraag is dit met de nota van
wijziging bij deze nota naar aanleiding van het verslag ook expliciet in het wetvoorstel
tot uitdrukking gebracht (zie hierover nader de toelichting bij de nota van wijziging).
Welke rol ziet de regering hierbij voor de Minister?
De Staatssecretaris van OCW is verantwoordelijk voor het functioneren van het bibliotheekstelsel
als geheel, zoals dat volgens de Wsob is ingericht. Daarnaast is de Staatssecretaris
één van de ondertekenaars van het bibliotheekconvenant, waarin door betrokken overheden
en bibliotheekpartijen gezamenlijk inhoudelijke prioriteiten voor innovatie en doorontwikkeling
worden vastgesteld. Vanuit haar betrokkenheid bij het convenant kan de Staatssecretaris
monitoren en waar nodig stimuleren dat partijen actief kennis en ervaringen uitwisselen
en elkaars best practices benutten.
5. Toezicht en handhaving
De regering licht toe dat toezicht en handhaving plaatsvinden volgens het bestaande
stelsel van het generieke interbestuurlijke toezicht.27 Dit betekent dat provincies toezicht houden op de uitvoering van de zorgplicht door
gemeenten. De provincies maken hiervoor gebruik van de informatie uit de meerjarenplannen
van de gemeenten en de monitoringsgegevens van de Koninklijke Bibliotheek en kunnen
gebruik maken van het instrumentarium van indeplaatsstelling, schorsing en vernietiging.
Het Rijk houdt toezicht op de provincies met betrekking tot hun zorgplicht en het
toezicht. Kan de regering nader toelichten hoe de provincies hun toezichtstaak ten
aanzien van de taken in het wetsvoorstel willen gaan invullen en hoe zij zich hierop
voorbereiden?
Zoals gebruikelijk in het generiek interbestuurlijk toezicht zijn de provincies zelf
verantwoordelijk voor de invulling van het toezicht. De regels rondom het interbestuurlijk
toezicht zijn vastgelegd in de Gemeentewet en Provinciewet. Hoe de provincies het
toezicht ten aanzien van de taken uit het wetsvoorstel precies willen gaan vormgeven,
werken zij de komende periode verder uit, in afstemming met gemeenten. Het Ministerie
van OCW zal financieel bijdragen aan een nog te ontwikkelen handreiking van het Interprovinciaal
Overleg (IPO) over het toezicht om verdere uitwerking en implementatie van deze nieuwe
taak door de provincies te vergemakkelijken.
Hoe en wanneer krijgen zij de beschikking over de meerjarenplannen en monitoringsgegevens?
Uiterlijk 1 jaar na publicatie van het wetsvoorstel stellen gemeenten en de openbare
lichamen hun eerste meerjarenplannen vast; vervolgens herhalen zij dit elke vier jaar.
Met de nota van wijziging is aan het wetsvoorstel toegevoegd dat de vastgestelde meerjarenplannen
worden gepubliceerd, en daarmee ook publiek toegankelijk zijn. Ten behoeve van het
interbestuurlijk toezicht is daarbij ook geregeld dat de vastgestelde meerjarenplannen
van de gemeenten en openbare lichamen worden toegezonden aan gedeputeerde staten,
onderscheidenlijk de Rijksvertegenwoordiger.
De KB verzorgt jaarlijks de Gegevenslevering Wsob en verzamelt en analyseert in dit
kader ieder jaar een groot aantal relevante monitorgegevens over het bibliotheekstelsel,
bijvoorbeeld over de financiering door gemeenten, de aantallen bibliotheekvoorzieningen
en de aantallen leden en bezoekers. Deze gegevens worden jaarlijks kort na de zomer
van het volgende jaar online gepubliceerd.28
Beschouwen de provincies de normen in het wetsvoorstel als duidelijk genoeg om toezicht
op te kunnen houden?
In de uitvoeringstoetsen van het IPO op het wetsvoorstel en het concept-Besluit stelsel
openbare bibliotheekvoorzieningen29 hebben provincies aangegeven dat het toezicht op de zorgplicht uit het voorgestelde
artikel 6 voor hen uitvoerbaar is.
Tot slot vragen de leden van de commissie aan de regering hoe zij voornemens is het
toezicht op de provincies in te vullen. Hoe richt de regering dit toezicht in?
Het interbestuurlijk toezicht door het rijk op medebewindstaken door provincies is
sinds 2012, met de komst van de Wet revitalisering generiek toezicht, vereenvoudigd.
Uitgangspunten in het interbestuurlijk toezicht zijn vertrouwen, soberheid en proportionaliteit.
De regering zal zich dan in beginsel ook terughoudend opstellen waar het gaat om toezicht
op de medebewindstaken van de provincie. Hoe het toezicht vorm zal krijgen zal in
overleg met het IPO de komende periode worden uitgewerkt.
Op welke wijze borgt de regering dat de Minister de Tweede Kamer kan voorzien van
de juiste informatie over de werking van het stelsel rondom bibliotheken?
De regering is voornemens uw Kamer jaarlijks te informeren over de werking van het
bibliotheekstelsel. Zo informeert de Staatssecretaris van OCW uw Kamer elk jaar over
de ontwikkelingen in de bibliotheeksector en over de uitvoering van de Wsob. Deze
informatie is voornamelijk gebaseerd op jaarlijkse Gegevenslevering Wsob30 en de bevindingen vanuit de bestuurlijke overleggen komen daarbij. Verder heeft de
Staatssecretaris van OCW de verantwoordelijkheid om de wet elke vijf jaar te evalueren
en uw Kamer de evaluatie toe te sturen, voorzien van een beleidsreactie. Daarmee zal
uw Kamer dus regelmatig worden geïnformeerd over de werking van het stelsel.
6. Financiële gevolgen
Zorgplicht gemeenten en openbare lichamen
De regering reserveert voor de zorgplicht van gemeenten en openbare lichamen een aanvullend
budget van structureel € 60 miljoen per jaar via het gemeentefonds. De leden van de
commissie lezen in de memorie van toelichting dat de VOB31 haar zorgen uit over de vraag of het budget dat het Rijk beschikbaar stelt ook daadwerkelijk
bij de bibliotheken terecht zal komen.32 Wat is de reactie van de regering op deze zorgen?
In de samenleving is breed enthousiasme en draagvlak voor bibliotheken. Gemeenten
én bibliotheken staan positief tegenover de komst van een zorgplicht. Het bibliotheekstelsel
is een decentraal stelsel waarbinnen overheden op basis van vertrouwen met elkaar
samenwerken. De regering opereert binnen dit kader.
De regering is ook op de hoogte van de zorgen van de VOB. De middelen die gemeenten
ontvangen vanuit het gemeentefonds zijn vrij besteedbaar en dat betekent dat gemeenten
niet kunnen worden verplicht om het budget dat beschikbaar komt aan de bibliotheek
te besteden. Onder meer vanwege de door de VOB geuite zorgen heeft de toenmalig Minister
van OCW op 18 maart 2025 een brief gestuurd naar gemeenten om te stimuleren dat de
middelen voor de bibliotheek worden aangewend.
Belangrijk is bovendien dat dit wetsvoorstel een zorgplicht introduceert waarmee wordt
geborgd dat elke gemeente een aanbod aan bibliotheekvoorzieningen wordt geboden dat
als geheel binnen redelijke afstand bereikbaar is voor de inwoners, met ten minste
één bibliotheekvoorziening waarin de vijf bibliotheekfuncties, een fysieke collectie
en professionele personeelsbezetting samenkomen. In hun meerjarenplan over het bibliotheekbeleid
moeten gemeenten hier een toelichting op geven. Ook wordt in het meerjarenplan een
begroting opgenomen, waarmee de gemeente laat zien welke middelen zij aan de uitvoering
van de zorgplicht gaat besteden.
Het doel van dit wetsvoorstel is dat het bibliotheekstelsel wordt verstevigd. Met
behulp van de jaarlijkse Gegevenslevering Wsob en jaarlijkse bestuurlijke overleggen
wordt gemonitord of de sector hierin koers houdt; de gemeentelijke budgetten zijn
hierin een factor van belang. Bij de wetsevaluatie na vijf jaar zal worden onderzocht
of en hoe gemeenten aan hun wettelijke zorgplicht voldoen en hoe het bibliotheekstelsel
met de gewijzigde wet functioneert.
Heeft de regering een overzicht van hoeveel gemeenten nu ten opzichte van het beschikbare
budget hiervoor uitgeven aan bibliotheken en welke verschillen hierin waarneembaar
zijn tussen gemeenten?
Deze vraag wordt geïnterpreteerd als een vraag naar de wijze waarop gemeentelijke
uitgaven aan bibliotheken zich ontwikkelen sinds de start van de decentralisatie-uitkering,
en naar de verschillen hierbinnen tussen gemeenten.
Op dit moment heeft de regering hier nog geen zicht op. Gemeenten ontvangen sinds
2025 jaarlijks extra financiële middelen voor de bibliotheek via een decentralisatie-uitkering
vanuit het gemeentefonds. De eerste gegevens over de ontwikkelingen in gemeentelijke
subsidies aan bibliotheken sinds de start van deze decentralisatie-uitkering komen
in de zomer van 2026 beschikbaar via de Gegevenslevering Wsob en worden in september
gepubliceerd via www.bibliotheeknetwerk.nl.
Hoe borgt de regering dat gemeenten deze middelen ook daadwerkelijk inzetten voor
bibliotheken en welke sturingsmogelijkheden heeft de regering?
Het bibliotheekstelsel is een decentraal stelsel. Gemeenten hebben beleidsvrijheid;
zij bepalen zelf de inhoud van het bibliotheekbeleid. De middelen die gemeenten ontvangen
vanuit het gemeentefonds zijn vrij besteedbaar. De regering ziet dit als een belangrijk
uitgangspunt.
Om te verzekeren dat gemeenten in de bibliotheek (blijven) investeren, introduceert
dit wetsvoorstel een wettelijke zorgplicht. Wat betreft de invulling van de zorgplicht
uit het wetsvoorstel zullen gemeenten moeten voldoen aan de vereisten uit de gewijzigde
Wsob. In hun meerjarenplan over het bibliotheekbeleid moeten gemeenten hierop een
toelichting geven. Ook wordt in het meerjarenplan een begroting opgenomen, waarmee
gemeenten laten zien welke middelen zij aan de uitvoering van de zorgplicht gaan besteden.
De provincie houdt toezicht op de uitvoering van de zorgplicht door gemeenten. Zolang
gemeenten voldoen aan de vereisten uit de Wsob, hebben en houden zij beleidsvrijheid
bij het maken van inhoudelijke keuzes over het bibliotheekbeleid en de invulling van
de zorgplicht in de lokale context.
Doel van de wetswijziging is een verdere versteviging van het bibliotheekstelsel in
de komende jaren. In de samenleving is breed enthousiasme en draagvlak voor bibliotheken.
Gemeenten én bibliotheken staan positief tegenover de komst van een zorgplicht. Het
bibliotheekstelsel is een decentraal stelsel waarbinnen overheden op basis van vertrouwen
met elkaar samenwerken, in aansluiting op lokale behoeften. De regering opereert binnen
dit kader en zal regelmatig de balans voor het stelsel opmaken.
Om gezamenlijk op koers te blijven, initieert de bewindspersoon van OCW jaarlijks
een bestuurlijk overleg tussen de drie betrokken overheidslagen en de bibliotheekpartijen
(KB, SPN en de VOB). Tijdens deze overleggen worden de ontwikkelingen in de sector
en de effecten van de wetswijziging op het bibliotheeknetwerk jaarlijks gevolgd en
geduid. Basis van dit overleg vormen in ieder geval de data vanuit de Gegevenslevering
Wsob33, de opbrengsten van het interbestuurlijk toezicht en waar mogelijk analyses op basis
van de bibliotheekcertificering (een instrument van de sector zelf en de VNG). De
jaarlijkse bestuurlijke overleggen zullen gelegenheid bieden voor de betrokken partijen
om gezamenlijk vast te stellen wat goed gaat, wat beter kan en wat nodig is voor de
verdere doorontwikkeling van het bibliotheekstelsel.
Hoe wordt de Kamer geïnformeerd over of de middelen bestemd voor bibliotheken doelmatig
worden besteed?
De doelmatigheid van de besteding van middelen bestemd voor bibliotheken vormt geen
onderdeel van de jaarlijkse Gegevenslevering Wsob en is onderdeel van gemeentelijke
autonomie: colleges leggen hierover verantwoording af aan hun gemeenteraden.
Het ligt voor de hand dat de doeltreffendheid en doelmatigheid van de gewijzigde Wsob
over vijf jaar tijdens de wetsevaluatie zullen worden onderzocht. Uw Kamer zal deze
evaluatie ontvangen, voorzien van een beleidsreactie.
Bevorderingstaak bibliotheken
De regering geeft aan dat voor de bekostiging van de activiteiten van bibliotheken
op het gebied van leesbevordering in samenwerking met scholen in 2027 een bedrag van
€ 19 miljoen beschikbaar is, oplopend naar € 25 miljoen structureel vanaf 2028 in
de vorm van een subsidie aan bibliotheken. In een brief van de Staatssecretaris van
OCW over de voortgang van het Masterplan basisvaardigheden34 (waarin wordt verwezen naar een eerdere brief van de Staatssecretaris35 over de duurzame verankering van dBos36) lezen de leden van de commissie dat de tijdelijke subsidie voor dBos en Boekstart
wordt omgezet in structurele financiering en dat in 2027 € 38 miljoen beschikbaar
is vanuit de OCW-begroting; vanaf 2028 gaat het jaarlijks om € 50 miljoen. Het geld
zal vanaf 2027 worden verdeeld tussen scholen (middels de gerichte bekostiging voor
basisvaardigheden) en bibliotheken. Scholen kunnen ervoor kiezen om (een deel van)
de gerichte bekostiging te besteden aan dBos. Bibliotheken moeten de structurele financiering
inzetten om de samenwerking met het funderend onderwijs en/of de pabo, het mbo en
de kinderopvang (BoekStart) voort te zetten. Hoe borgt de regering dat scholen deze
middelen ook daadwerkelijk (kunnen) inzetten voor leesbevordering en de samenwerking
tussen bibliotheken en scholen in stand blijft en/of komt?
Met ingang van 2027 krijgen scholen in het funderend onderwijs structureel geld om
de basisvaardigheden van leerlingen te verbeteren. In 2027 ontvangen scholen hiervoor
een bedrag van minimaal € 206,– per leerling via de aanvullende bekostiging. Het is
de bedoeling dat scholen dit geld met ingang van 2028 in de vorm van gerichte bekostiging
ontvangen. Dit is een nieuwe vorm van bekostiging die het mogelijk maakt om (tijdelijk)
voorwaarden te stellen aan een deel van de bekostiging. Het wetsvoorstel hiervoor
is onlangs met uw Kamer gedeeld.37 De structurele middelen voor leesbevordering maken deel uit van de structurele bekostiging
basisvaardigheden (en zitten dus in het bedrag van minimaal € 206,– per leerling).
Om te borgen dat de samenwerking tussen bibliotheken en scholen duurzaam tot stand
komt, zullen bibliotheken ook structurele financiering ontvangen op basis van het
voorgestelde artikel 8a in dit wetsvoorstel. Het voornemen is om in de subsidieregeling
op basis van dit artikel uit te werken dat bibliotheken deze financiering kunnen aanwenden
voor het in dienst hebben en bijscholen van gekwalificeerde leesmediaconsulenten,
om scholen en aanbieders van kinderopvangvoorzieningen te adviseren op het gebied
van leesbevordering. Voor bibliotheken komt voor dit doel in 2027 een budget van € 19
miljoen beschikbaar, vanaf 2028 gaat het om € 25 miljoen per jaar (inclusief uitvoeringskosten).
Vanuit het implementatieplan voor de wijziging van de Wsob wordt tot slot ingezet
op het verstevigen van de samenwerking tussen bibliotheken en scholen.
Hoe monitort de regering dit en welke sturingsmogelijkheden heeft de regering?
Het kabinet beziet aan de hand van de geformuleerde beleidsdoelen op basisvaardigheden
of de totale aanpak op basisvaardigheden afdoende is. Hiertoe is in het Masterplan
basisvaardigheden intensieve monitoring opgenomen; de meest recente bevindingen vormen
bijvoorbeeld aanleiding om de komende tijd een Versterkingsagenda Taal en andere basisvaardigheden
uit te werken38 Hierover ontvangt uw Kamer meer informatie in het najaar van 2026. De specifieke
monitoring en evaluatie van de extra bekostiging is opgenomen in het wetsvoorstel
gerichte bekostiging dat ik onlangs met uw Kamer heb gedeeld.39
Via de jaarlijkse Gegevenslevering Wsob wordt bijgehouden met hoeveel scholen en kinderopvangaanbieders
bibliotheken samenwerken en hoe de samenwerking eruitziet; hieruit kan ook informatie
over het bereik en gebruik van de activiteiten van bibliotheken op het gebied van
leesbevordering worden afgeleid. Dit is een bestaand instrument dat wordt gecontinueerd.
Daaraan is het voornemen om toe te voegen dat bibliotheken gegevens leveren over het
aantal gekwalificeerde leesmediaconsulenten dat zij in dienst hebben.
Ook zal de subsidieregeling tussentijds geëvalueerd worden, en kan indien nodig na
de subsidieperiode worden bijgestuurd.
Gratis lidmaatschap
De regering benoemt in de memorie van toelichting dat verschillende bibliotheken hebben
voorgesteld het lidmaatschap van de openbare bibliotheek voor alle leden gratis te
maken, dus ook voor volwassenen. De regering geeft aan dat dit niet in het wetsvoorstel
is opgenomen omdat er geen gegevens bekend zijn over de (gedrags)effecten daarvan
en er geen budget is om gemeenten voor de kosten te compenseren (circa € 50 miljoen
per jaar, vermeerderd met extra kosten als gevolg van een groter gebruik). Kan de
regering toelichten of zij wel voornemens is om meer onderzoek te doen naar de effecten
van een gratis lidmaatschap, zoals naar hoe groot de toename van het gebruik van bibliotheekdiensten
zou zijn?
In opdracht van het Ministerie van OCW is nader onderzoek gedaan naar gratis en automatisch
bibliotheeklidmaatschap, waarbij ook gekeken is naar de effecten van deze lidmaatschapsvormen.
Dit onderzoek is samen met een beleidsreactie op 24 april jl. aan uw Kamer gestuurd.40 Uit het onderzoek komt naar voren dat een gratis bibliotheeklidmaatschap zorgt voor
een toename van leden en daarmee het bereik van de bibliotheek vergroot. Er is echter
onvoldoende bewijs dat een gratis bibliotheeklidmaatschap ook leidt tot een groter
gebruik van de bibliotheek, zoals het lenen van boeken of deelname aan activiteiten.
7. Evaluatie
De leden van de commissie lezen dat de regering voornemens is om de wet elke vijf
jaar te evalueren en dat hierbij onderwerpen aan de orde komen als: de ontwikkelingen
in de beschikbaarheid, bereikbaarheid en het gebruik van de openbare bibliotheek,
de samenwerking tussen scholen en bibliotheken bij leesbevordering en in de uitleningen
via schoolbibliotheken en de daarmee samenhangende vergoedingen voor rechthebbenden.
De leden van de commissie vragen of de regering nader in kan gaan hoe zij deze elementen
wil gaan evalueren. Deze leden vragen de regering om daarbij inzicht te geven in aan
de hand van welke indicatoren zal worden gemeten of het wetsvoorstel de doelstellingen
behaald heeft. Ten aanzien van welke factoren is de regering voornemens een kwantitatieve
meting te doen?
Hoe de systematiek van de evaluatie er precies uit zal zien, moet nader worden uitgewerkt.
De regering is voornemens om deels kwantitatieve indicatoren te gebruiken voor de
evaluatie. Belangrijke kwantitatieve indicatoren zijn: het aantal bibliotheekvoorzieningen,
de verschillende soorten bibliotheekvoorzieningen, de spreiding, het bereik (ledenaantallen)
en het gebruik (bijvoorbeeld bezoekersaantallen) van de bibliotheek, de omvang van
de gemeentelijke financiële bijdrage, het aantal scholen waarmee bibliotheken samenwerken
en eventuele gemeenten zonder volwaardige bibliotheekvoorziening zoals beschreven
in het wetsvoorstel.
Met het oog op de kwalitatieve invulling van de zorgplicht zijn niet in alle gevallen
kwantitatieve indicatoren voorhanden. Met betrekking tot het begrip «redelijke afstand»,
bijvoorbeeld, bestaat de wens om als onderdeel van de evaluatie te onderzoeken hoe
de afstand tot het aanbod wordt ervaren. De precieze systematiek voor een dergelijke
onderzoeksvraag wordt nog uitgewerkt.
Welke concrete indicatoren worden geëvalueerd als het gaat om de afstand tot een aanbod
van bibliotheekvoorzieningen?
Het begrip «redelijke afstand» wordt gebruikt vanuit de gedachte dat dit gemeenten
en openbare lichamen ruimte biedt om hier zelf op te reflecteren, in relatie tot de
lokale context. Daarom zullen voor het begrip «redelijke afstand» geen landelijke,
eenduidige absolute indicatoren worden gebruikt. De wens is om als onderdeel van de
evaluatie te onderzoeken hoe de afstand tot het aanbod wordt ervaren. De precieze
systematiek voor een dergelijke onderzoeksvraag wordt nog uitgewerkt.
Via het CBS komen bovendien jaarlijks data beschikbaar over de afstand tot bibliotheekvoorzieningen.
Op basis daarvan kan worden gemonitord of zich geen onwenselijke ontwikkelingen voordoen
met betrekking tot de afstand tot bibliotheekvoorzieningen.41
Wordt in de evaluatie ook gekeken naar of de financiële middelen toereikend zijn voor
gemeenten, bibliotheken en scholen, maar ook voor de toezichtstaak van de provincies
zoals het IPO suggereert?42 Hoe wordt dit getoetst?
In het kader van de evaluatie van de Wsob zal inderdaad worden onderzocht of dit budget
toereikend is. Dat geldt ook voor de bijdrage die provincies ontvangen voor de uitvoering
van het toezicht. De precieze systematiek voor deze toets wordt nog uitgewerkt.
Tot slot vragen de leden van de commissie of de regering ook voornemens is om tussentijds
te monitoren en hoe de Kamer hierover wordt geïnformeerd.
De regering is voornemens uw Kamer tenminste jaarlijks te informeren over de werking
van het bibliotheekstelsel. Zo informeert de Staatssecretaris van OCW uw Kamer jaarlijks
over de ontwikkelingen in de bibliotheeksector en over de uitvoering van de Wsob.
Deze informatie is voornamelijk gebaseerd op de jaarlijkse Gegevenslevering Wsob43 en de bevindingen vanuit de bestuurlijke overleggen komen daarbij.
Op welke wijze krijgt deze evaluatie een plek in de Strategische Evaluatie Agenda
van het Ministerie van OCW?
De evaluatie van de wijziging van de Wsob zal worden opgenomen in planning van de
Strategische Evaluatieagenda van het Ministerie van OCW die onderdeel is van de OCW-begroting.
Er wordt daarbij onder andere gekeken naar het percentage gemeenten met een volwaardige
bibliotheekvoorziening in de zin van het wetsvoorstel.
8. Caribisch Nederland
De regering geeft aan dat de Wsob, met uitzondering van enkele artikelen, ook van
toepassing is in Caribisch Nederland en dat gezien de specifieke omstandigheden extra
inspanning nodig is om het bibliotheekwerk daar te versterken. Hiervoor wordt een
afzonderlijk maatwerktraject opgezet. Ten aanzien van de financiering geeft de regering
aan dat dit in eerste instantie geschiedt via individuele tijdelijke intensiveringen
via een bijzondere uitkering van in totaal € 385.000 per jaar. Het streven van de
regering is om het budget uiteindelijk beschikbaar te stellen via de vrije uitkering
uit het BES-fonds. Kan de regering een nadere toelichting geven op de stand van zaken
van het bibliotheekwerk in Caribisch Nederland?
Op alle drie de eilanden was reeds een bibliotheekvestiging aanwezig met een collectie
en enkele medewerkers. De afgelopen jaren is extra geïnvesteerd in het bibliotheekwerk
in Caribisch Nederland. De openbare lichamen ontvingen in dit kader bijdragen voor
het versterken van de bibliotheekvoorzieningen. Zo is op Bonaire in 2025 een nieuwe
bibliotheekvestiging geopend, waarbij alle vijf bibliotheekfuncties kunnen worden
uitgevoerd. Op Saba zijn plannen gemaakt om de huidige bibliotheek op termijn onder
te brengen in een nog te ontwikkelen, multifunctioneel expertisecentrum. Op Sint Eustatius
kunnen nog stappen worden gezet om de huidige bibliotheek te ontwikkelen naar een
toekomstbestendige bibliotheekvoorziening. Er worden momenteel gesprekken gevoerd
tussen het openbaar lichaam van Sint Eustatius en het bestuur van de openbare bibliotheek,
gericht op een betere informatievoorziening en planvorming ten aanzien van de bibliotheekversterking.
Daarnaast is een pilot gestart voor ondersteuning van bibliotheken in Caribisch Nederland
door een POI uit Europees Nederland. Deze pilot loopt vooruit op de structurele POI-ondersteuning
die met het voorgestelde artikel 16 van de Wsob wordt geïntroduceerd.
Hoe ziet het beoogde maatwerktraject eruit en wat is hiervoor de planning?
De afgelopen jaren is veel tijd besteed aan overleg en afstemming met Caribisch Nederland
over versterking van het bibliotheekwerk, vooruitlopend op de inwerkingtreding van
de zorgplicht. Dit heeft onder andere geleid tot een nieuwe bibliotheek op een beter
bereikbare locatie op Bonaire. Daarnaast wordt de pilot voor de POI-ondersteuning
omgezet in structurele POI-ondersteuning voor bibliotheken in Caribisch Nederland.
Dit is opgenomen in het voorgestelde artikel 16 van de Wsob. Voor de precieze aanwijzingsprocedure
wordt een ministeriële regeling uitgewerkt. Tevens wordt rekening gehouden met de
specifieke situatie van Caribisch Nederland; bij het meerjarenplan zijn de indicatoren
aangepast op de lokale situatie in Caribisch Nederland. De komende jaren zal het maatwerk
met name bestaan uit ondersteuning bij de implementatie van het wetsvoorstel. Het
doel is dat de openbare lichamen bij inwerkingtreding van de zorgplicht in staat zijn
om deze uit te voeren.
Is de verwachting dat de openbare lichamen en bibliotheken in Caribisch Nederland
tijdig de verplichtingen en rollen kunnen vervullen die in het wetsvoorstel worden
beschreven?
De openbare lichamen Bonaire, Saba en Sint Eustatius hebben na inwerkingtreding van
het wetsvoorstel een jaar om het eerste meerjarenplan te maken. De volledige zorgplicht
wordt drie jaar na inwerkingtreding van de wet van kracht. Met inzet van de maatwerkondersteuning
is de verwachting dat uitvoering van het wetsvoorstel ook voor Caribisch Nederland
haalbaar is.
Wat was de reactie van de openbare lichamen op (de conceptversie van) het wetsvoorstel?
De openbare lichamen van Sint Eustatius en Saba hebben geen reactie op het wetsvoorstel
gegeven. Bonaire heeft aangegeven zich te kunnen vinden in de voorgestelde zorgplicht
en heeft verzocht het bestaande contact over het vervolg en de implementatie van het
wetsvoorstel voort te zetten. De regering zet het contact hierover met de eilanden
voort, waarbij de komende jaren de focus ligt op ondersteuning bij de implementatie
van het wetsvoorstel.
Achten zij de beschikbare middelen voldoende?
Vanwege het benodigde maatwerk in Caribisch Nederland ontvangen de openbare lichamen
naar verhouding meer middelen dan gemeenten in Europees Nederland. Er hebben gesprekken
plaatsgevonden over de wetswijziging met een introductie van een zorgplicht en de
daarbij horende financiering. Bonaire heeft een positieve reactie gegeven op het wetsvoorstel.
De andere twee openbare lichamen hebben niet gereageerd, maar er zijn geen signalen
dat zij de middelen onvoldoende achten.
Inbreng leden van de fracties
I. Algemeen
De leden van de D66-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel
tot wijziging van de Wsob. Deze leden hebben hierover nog enkele vragen en opmerkingen.
De leden van de VVD-fractie hebben met interesse kennisgenomen van onderhavig wetsvoorstel.
Deze leden onderschrijven de belangrijke rol die bibliotheken vervullen in de Nederlandse
samenleving, op het gebied van leesvaardigheid en educatie maar net zo zeer op maatschappelijk
vlak. De leden zien dat de bibliotheek al lang niet meer slechts een plek is waar
je boeken kunt lenen, maar dat ontmoeting, digitale vaardigheden en leesplezier samenkomen
in de bieb. Temeer in een tijd waarin de basisvaardigheden van jongeren verslechteren
vervult de bibliotheekvoorziening een onmisbare rol en een aanvulling op het leesonderwijs
op scholen. Voor deze leden is dat van grote waarde. Zij hebben nog enkele opmerkingen
en vragen over het onderhavige wetsvoorstel.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van
het onderhavige wetsvoorstel. Deze leden signaleren dat openbare bibliotheken een
waardevolle bijdrage leveren in de strijd tegen laaggeletterdheid: ruim 2,4 miljoen
kinderen hadden in 2024 een bibliotheeklidmaatschap, ofwel 73 procent van iedereen
in Nederland tussen de 0 en 18 jaar. Mede daarom hechten deze leden zeer aan een toegankelijk
en divers bibliotheekaanbod in elke gemeente.
De leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel tot wijziging
van de Wet stelsel openbare bibliotheekvoorzieningen, de Auteurswet en de Wet op de
naburige rechten. Deze leden hebben een aantal opmerkingen en vragen over het wetsvoorstel.
De leden van de CDA-fractie hebben met interesse kennisgenomen van het wetsvoorstel.
De bibliotheek heeft een grote maatschappelijke waarde; het is niet alleen een plek
om te (leren) lezen of om rustig te kunnen studeren, het is ook een centrale plek
in de wijk als plek van ontmoeting en verbinding. Elke inwoner zou daarom toegang
tot de bibliotheek moeten hebben. Dit wetsvoorstel is een belangrijke stap daartoe.
Deze leden hebben nog enkele vragen aan de regering.
De leden van de BBB-fractie hebben met grote belangstelling kennisgenomen van het
wetsvoorstel dat strekt tot versterking en verankering van het bibliotheekstelsel
in Nederland. Deze leden zijn positief over de voorgestelde introductie van een wettelijke
zorgplicht voor gemeenten, openbare lichamen en provincies om te zorgen voor een toegankelijk
en dekkend aanbod van bibliotheekvoorzieningen.
Voor de leden van de BBB-fractie is het van groot belang dat ook inwoners in minder
dichtbevolkte en landelijke regio’s kunnen rekenen op een volwaardige bibliotheekvoorziening
binnen redelijke afstand. De bibliotheek vervult immers een essentiële maatschappelijke
functie als laagdrempelige plek voor ontwikkeling, ontmoeting, digitale vaardigheden
en taalvaardigheid. Juist in gebieden waar voorzieningen onder druk staan, vormt de
bibliotheek een belangrijke schakel in de sociale en educatieve infrastructuur. Alles
overziend spreken de leden van de BBB-fractie hun waardering uit voor dit wetsvoorstel.
Deze leden zien het als een stevige en noodzakelijke basis voor een toekomstbestendig
bibliotheekstelsel, waarin toegankelijkheid en nabijheid voor alle inwoners van Nederland
centraal staan. Zij hebben vooralsnog geen vragen over het wetsvoorstel, maar wel
een aantal opmerkingen.
De leden van de SGP-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel.
Deze leden vinden het belangrijk dat de fysieke toegankelijkheid van de bibliotheek
verder wordt ondersteund. Ook hechten de leden aan een goede regeling van de leenrechtvergoeding.
De leden van de ChristenUnie-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van onderhavig
wetsvoorstel. Deze leden zien de cruciale rol die de bibliotheek in de samenleving
vervult en menen dat het van belang is dat voor elke inwoner, zowel in Europees als
Caribisch Nederland, een bibliotheekvoorziening in de buurt is. De leden hebben nog
een aantal vragen.
1. Inleiding
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie juichen toe dat de openbare bibliotheken hun
maatschappelijke functies succesvol hebben weten te verbreden door kennis en informatie
beschikbaar te stellen, mogelijkheden tot ontwikkeling en educatie te bieden, het
lezen te bevorderen en kennis te laten maken met literatuur, ontmoeting en debat te
organiseren en kennis te laten maken met kunst en cultuur. Vrije informatievoorziening
zien deze leden als een noodzakelijke voorwaarde bij dit succes. Het verontrust de
leden dat in de Verenigde Staten oudergroepen of lokale politici boeken over racisme,
seksuele identiteit en gender willen verbannen uit de collecties. Welke rol ziet de
regering voor zichzelf in eigen land bij het bewaken van een divers en niet-bevoogdend
aanbod bij de informatievoorziening van bibliotheken?
De Minister van OCW is verantwoordelijk voor het functioneren van het bibliotheekstelsel
als geheel. Bibliotheken zijn echter zelf verantwoordelijk voor de samenstelling van
hun aanbod. Gelet op de vrijheid van meningsuiting en het recht op toegang tot informatie
past het de regering om zich hierbij zeer terughoudend op te stellen. In artikel 4
van de Wsob heeft de wetgever bibliotheken wel vijf publieke waarden meegegeven op
basis waarvan zij hun aanbod moeten samenstellen. Deze zijn: onafhankelijkheid, betrouwbaarheid,
toegankelijkheid, pluriformiteit en authenticiteit. In de praktijk betekenen deze
waarden dat bibliotheekorganisaties zelf beslissen over de samenstelling van hun collecties.
Bibliotheken houden daarbij in het bijzonder rekening met de samenstelling van de
bevolking in het eigen werkgebied.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie merken op dat de memorie van toelichting vermeldt
dat over de periode 2012–2021 het aantal bibliotheekvestigingen met honderd is afgenomen
van 843 naar 744, er gemeenten en wijken zijn zonder openbare bibliotheekvestiging,
er bibliotheken bestaan die onvoldoende zijn toegerust om de maatschappelijke functies
te kunnen vervullen en er met name in niet-stedelijke regio’s en in wijken van grote
gemeenten niet alle inwoners binnen een redelijke afstand toegang hebben tot een volwaardige
bibliotheek. Het verontrust deze leden dat oorzaak ligt bij de gemeentelijke budgetten
die onder druk staan. De leden vinden het bijzonder kwalijk waar dit leidt tot kansenongelijkheid
tussen burgers in het algemeen en in het bijzonder tot grotere risico’s op laaggeletterdheid
voor groepen jongeren. Deelt de regering de mening van de leden van deze fractie dat
zij deze gegevens niet zomaar helemaal kan afdoen als kwesties van eigen gemeentelijke
verantwoordelijkheid en gemeentelijke autonomie?
Uit de evaluatie van de Wsob in 2020 bleek dat het fysieke bibliotheeknetwerk was
verschraald. Over de periode 2012–2021 was het aantal bibliotheekvestigingen met 99
afgenomen van 843 naar 744.44 De algemene financiële situatie van gemeenten kan van invloed zijn geweest op het
aanbod van bibliotheekvoorzieningen. De Staatssecretaris van OCW heeft een stelselverantwoordelijkheid
voor bibliotheken. Vanaf 2022 heeft de regering daarom via een specifieke uitkering
extra geld geïnvesteerd om het bibliotheekwerk te versterken in aanloop naar de wetswijziging
en de introductie van een zorgplicht. Met de zorgplicht uit het voorgestelde artikel
6 van de Wsob worden deze investeringen voor de lange termijn geborgd. Het wetsvoorstel
gaat gepaard met een structurele bijdrage van het Rijk van ca. € 60 miljoen, die mogelijk
maakt dat gemeenten aan de eisen van de zorgplicht voldoen.
In hoeveel gemeenten ontbreekt nu een (volwaardige) openbare bibliotheek?
Formeel gezien valt deze vraag nu niet te beantwoorden; de provincies zullen in het
kader van hun toezichtstaak gaan controleren of gemeenten en openbare lichamen een
volwaardige bibliotheek hebben en voldoen aan de zorgplicht, zoals in het wetsvoorstel
beschreven wordt in het voorgestelde artikel 6, tweede lid, van de Wsob.
Op basis van de meest recente Gegevenslevering Wsob45 lijkt een volwaardige bibliotheekvoorziening conform de formulering in het wetsvoorstel
in elk geval nog te ontbreken in zes gemeenten. Albrandswaard, Alphen-Chaam, Lopik
en Oostzaan hebben een specifieke uitkering ontvangen voor het tot stand brengen van
een volwaardige bibliotheekvestiging. Gemeenten hebben tot het einde van 2026 tijd
voor de uitvoering hiervan. Mook en Middelaar en Uitgeest hebben geen eigen bibliotheek
maar zetten in op het maken van samenwerkingsafspraken met buurgemeenten.46
Wanneer alle aanvragen uit de Regeling eenmalige specifieke uitkering en subsidie
toekomstbestendige lokale bibliotheekvoorzieningen (Specifieke uitkering) en afspraken
tussen buurgemeenten worden gerealiseerd, kunnen alle gemeenten hun inwoners toegang
bieden tot een aanbod van bibliotheekvoorzieningen zoals bedoeld in het voorgestelde
artikel 6 van de Wsob. Het is daarbij aan de gemeenten om invulling te geven aan de
zorgplicht en toe te lichten hoe zij dit doen in het meerjarenplan. De provincies
zullen toe zien op de naleving van deze zorgplicht.
Voor hoeveel gemeenten blijft dit gelden nadat de 46 nieuwe bibliotheekvestigingen
worden opgericht? Voor hoeveel gemeenten geldt dat de openbare bibliotheek nog altijd
moet worden versterkt?
Op basis van de meest recente Gegevenslevering Wsob47 constateert de regering dat zes gemeenten momenteel niet over een volwaardige bibliotheekvoorziening
conform de formulering in het wetsvoorstel beschikken. Vier van deze gemeenten hebben
een specifieke uitkering gekregen voor het realiseren van een bibliotheekvestiging
en twee gemeenten zetten in op het maken van samenwerkingsafspraken met buurgemeenten.
De verwachting van de regering is daarmee dat, na oprichting van de 46 vestigingen,
alle gemeenten in staat zijn gesteld om te voorzien in een volwaardige bibliotheekvoorziening,
op voorwaarde dat ook de twee gemeenten die inzetten op samenwerkingsafspraken met
buurgemeenten hierin slagen. Gemeenten die al voldoen aan de basisvereisten uit het
wetsvoorstel zouden hun aanbod van bibliotheekvoorzieningen kunnen versterken door
bijvoorbeeld uitbreiding van de educatieve en culturele activiteiten, het investeren
in de toegankelijkheid van het aanbod of via intensivering van de samenwerking met
het onderwijs, de cultuursector of andere relevante lokale maatschappelijke organisaties.
De keuze voor doorontwikkeling is afhankelijk van de specifieke lokale situatie; gemeenten
lichten hun keuzes toe in het meerjarenplan, waarin ook een begroting is opgenomen.
Colleges leggen aan hun gemeenteraden verantwoording af over hun keuzes en beleid.
Na inwerkingtreding van het wetsvoorstel is het aan de provincie om toezicht te houden
op de uitvoering van de zorgplicht door gemeenten. Gemeenten lichten daarbij in hun
meerjarenplan toe hoe zij de zorgplicht invullen en voorzien in, onder andere, een
volwaardige bibliotheekvoorziening in hun gemeente.
Welke mogelijkheden ziet de regering om gemeenten en provincies te stimuleren om hun
bevorderingstaken in de Wsob met het oog op kansengelijkheid voor jongeren en burgers
ook goed waarmaken?
Gemeenten hebben, zoals de leden van de PRO-fractie benoemen, een bevorderingstaak
met betrekking tot de kansen van burgers. In het huidige artikel 5 van de Wsob is
namelijk opgenomen dat de vijf functies van de bibliotheek «bijdragen aan de persoonlijke
ontwikkeling en verbetering van de maatschappelijke kansen van het algemene publiek».
De zorgplicht die dit wetsvoorstel introduceert, borgt dat elke gemeente voorziet
in een aanbod aan bibliotheekvoorzieningen dat binnen redelijke afstand toegankelijk
is, met tenminste één bibliotheekvoorziening die de vijf bibliotheekfuncties uitvoert.
Alle gemeenten moeten in hun meerjarenplan toelichten hoe zij de zorgplicht invullen.
De vijf bibliotheekfuncties maken hier deel van uit. De provincies gaan toezicht houden
op de invulling van de zorgplicht door gemeenten. Kortom: gemeenten worden gestimuleerd
om hun bevorderingstaak op het gebied van kansengelijkheid waar te maken door invulling
te geven aan de vijf functies, die ook onderdeel worden van de gemeentelijke zorgplicht.
Het onderwijs speelt een essentiële rol bij het vergroten van kansengelijkheid en
bibliotheken kunnen hieraan bijdragen door samen te werken met scholen, in de eerste
plaats gericht op leesbevordering. De regering is voornemens om de verhouding tussen
de lokale bibliotheek en het onderwijs onderdeel te laten zijn van de meerjarenplannen
van gemeenten. Zo worden gemeenten gestimuleerd om vanuit lokaal perspectief te reflecteren
op de samenwerking tussen bibliotheken en scholen en partijen hiertoe aan te moedigen.
Daarnaast komen de ambities van bibliotheekpartijen en overheden met betrekking tot
kansengelijkheid tot uiting in het Bibliotheekconvenant 2024–202748, waarin de onderwerpen geletterde samenleving, participatie in de informatiesamenleving
en leven lang ontwikkelen centraal staan. Het Ministerie van OCW heeft zich samen
met gemeenten, provincies en de bibliotheekpartijen aan dit convenant verbonden; de
ondertekenaars zijn gezamenlijk verantwoordelijk voor de uitvoering.
Voor de leden van de PVV-fractie zijn bibliotheken van groot belang. Bibliotheken
spelen een belangrijke rol bij het bevorderen van lezen en bij het doorgeven van de
Nederlandse taal, cultuur en geschiedenis aan nieuwe generaties. Juist in een tijd
waarin de leesvaardigheid onder jongeren zichtbaar achteruitgaat en kennis van de
Nederlandse geschiedenis niet langer vanzelfsprekend is, vervullen bibliotheken een
belangrijke maatschappelijke functie. De leden van de PVV-fractie vragen de regering
waarom ervoor is gekozen om gemeenten een wettelijke zorgplicht op te leggen, terwijl
tegelijkertijd het beschikbare budget via het gemeentefonds als vrij besteedbaar wordt
verstrekt. Hoe wordt voorkomen dat middelen die bedoeld zijn voor bibliotheken worden
ingezet voor andere gemeentelijke uitgaven?
Het bibliotheekstelsel is een decentraal stelsel. Gemeenten hebben beleidsvrijheid;
zij bepalen zelf de inhoud van het bibliotheekbeleid. Colleges leggen aan hun gemeenteraden
verantwoording af over hun keuzes en beleid. De middelen die gemeenten ontvangen vanuit
het gemeentefonds zijn daarbij vrij besteedbaar. De regering ziet deze bestedingsvrijheid
als een belangrijk uitgangspunt.
Om te verzekeren dat gemeenten in de bibliotheek (blijven) investeren, introduceert
dit wetsvoorstel een wettelijke zorgplicht. De provincies houden toezicht op de uitvoering
van de zorgplicht door gemeenten. Bij de invulling van de zorgplicht uit het wetsvoorstel
zullen gemeenten moeten voldoen aan de vereisten uit de Wsob. Zolang dat het geval
is, hebben en houden gemeenten beleidsvrijheid bij het maken van inhoudelijke keuzes
over het bibliotheekbeleid en de invulling van de zorgplicht in de lokale context.
De regering acht dit ook wenselijk, omdat daarmee kan worden aangesloten bij de behoeftes
en wensen die leven in een gemeente.
De middelen die gemeenten ontvangen zijn vrij besteedbaar, maar gemeenten die al voldoen
aan de basisvereisten uit het wetsvoorstel, zouden deze middelen bijvoorbeeld kunnen
aanwenden voor uitbreiding van de educatieve en culturele activiteiten, om te investeren
in de toegankelijkheid van het aanbod of voor intensivering van de samenwerking met
het onderwijs, de cultuursector of andere relevante lokale maatschappelijke organisaties.
De keuze voor doorontwikkeling is afhankelijk van de specifieke lokale situatie; gemeenten
lichten hun keuzes toe in het meerjarenplan, waarin ook een begroting is opgenomen.
Daarmee wordt geborgd dat alle gemeenten uitvoering geven aan de zorgplicht en in
de bibliotheek investeren.
Daarnaast vragen de leden van de PVV-fractie hoe de regering ervoor zorgt dat bibliotheken
hun kerntaak blijven vervullen: het bevorderen van lezen en het versterken van kennis
van de Nederlandse taal, cultuur en geschiedenis.
De zorgplicht omvat het uitvoeren van vijf wettelijke functies door ten minste één
bibliotheekvoorziening in de gemeente of het openbare lichaam. De vijf functies uit
artikel 5 van de Wsob zijn: het ter beschikking stellen van kennis en informatie,
het bieden van mogelijkheden tot ontwikkeling en educatie, het bevorderen van lezen
en het laten kennismaken met literatuur, het organiseren van ontmoeting en debat en
het laten kennis maken met kunst en cultuur. De door de leden van de PVV-fractie genoemde
taken vallen binnen deze vijf wettelijke bibliotheekfuncties. Zo sluit het bevorderen
van lezen aan bij de bibliotheekfunctie «het bevorderen van lezen en het laten kennismaken
met literatuur» en het versterken van kennis van de Nederlandse taal, cultuur en geschiedenis
bij de bibliotheekfunctie «het ter beschikking stellen van kennis en informatie».
De leden van de CDA-fractie vragen of de regering nader kan ingaan op de effecten
van de Spuk bibliotheken. Wat is de ontwikkeling van het aantal bibliotheken vanaf
2021? Welke bijdrage heeft de Spuk geleverd aan het aantal en de kwaliteit van bibliotheekvoorzieningen
in Nederland?
De specifieke uitkering levert een positieve bijdrage aan het aantal en de kwaliteit
van de bibliotheekvoorzieningen in Nederland. In totaal hebben 244 van de 342 Nederlandse
gemeenten één of meer specifieke uitkeringen ontvangen via de Regeling specifieke
uitkering lokale bibliotheekvoorzieningen.
Op grond van de aanvragen kan op dit moment gesteld worden dat er 46 nieuwe fysieke
bibliotheekvestigingen worden opgericht en honderd beperkte voorzieningen worden doorontwikkeld
naar volwaardige voorzieningen in de zin van artikel 6 van het wetsvoorstel. Daarnaast
worden van 196 bibliotheekvoorzieningen de bemande openingsuren verruimd. In twee
gemeenten wordt met de specifieke uitkering het aantal sta-uren van de bibliobus verruimd.
Uit de meest recente gegevens blijkt dat het aantal bibliotheekvestigingen tussen
2021 en 2024 is gestegen van 744 naar 767.49 De activiteiten waarvoor de specifieke uitkeringen zijn verstrekt, kunnen nog worden
uitgevoerd tot en met 31 december 2026. De definitieve opbrengsten van de besteding
van de specifieke uitkeringen zullen na 2026 openbaar worden gemaakt en worden met
uw Kamer gedeeld; de effecten van de gedane investeringen op het bereik en gebruik
van de bibliotheek zullen waar mogelijk in de rapportage worden meegenomen.
De leden van de CDA-fractie constateren dat de vijf functies inzetten op de brede
maatschappelijke functie van de bibliotheek. Deze leden lezen in de toelichting dat
de activiteiten bij voorkeur zoveel mogelijk aansluiten bij de actuele thema’s uit
het bibliotheekconvenant: een geletterde samenleving, participatie in de informatiesamenleving,
en een leven lang ontwikkelen. Welke plek ziet de regering voor de bibliotheek in
een sterke samenleving, wijken en buurten en een plek voor ontmoeting?
De openbare bibliotheek is veel meer dan een plek waar boeken kunnen worden geleend.
De publieke ruimte van de openbare bibliotheek functioneert als huiskamer van de stad,
de wijk of het dorp. Het is de plek waar iedereen komt ongeacht leeftijd, inkomen,
opleiding of sociale klasse. Dat is een belangrijke waarde in een samenleving waarin
mensen steeds meer in hun eigen bubbel leven en waar gelijke kansen niet vanzelfsprekend
zijn. Deze waarde is ook zichtbaar in de vijf wettelijke functies uit artikel 5 van
de Wsob, dat de brede rol van bibliotheken in de maatschappij reflecteert. Met de
zorgplicht verstevigt het wetsvoorstel de positie van de openbare bibliotheken en
ondersteunt het de hierboven beschreven ontwikkeling van de bibliotheek als maatschappelijke
organisatie in de samenleving.
Kan dBos volgens de regering ook bijdragen aan een versterkte wijkaanpak; een ontmoetingsplek
in de wijk worden?
De Bibliotheek op school is een landelijke aanpak waarbij lokale bibliotheken en scholen
samenwerken aan leesbevordering. Onderdeel hiervan is dat de lokale bibliotheek de
school adviseert over en helpt bij het opzetten en onderhouden van een schoolbibliotheek.
Een schoolbibliotheek heeft een beperktere functie en doelgroep dan een lokale bibliotheek
en is niet open voor iedereen. Het is een voorziening voor de leerlingen en de school.
Daarmee is een schoolbibliotheek niet primair gericht op het versterken van de wijkaanpak.
De leden van de CDA-fractie vragen naar de laatste stand van zaken rond de IDO’s50, zowel ten aanzien van de financiering, de uitvoering en de verkenning naar wettelijke
verankering van IDO-dienstverlening.
Zoals in het commissiedebat Digitale Inclusie van 24 juni jongstleden toegezegd, informeert
de Staatssecretaris van BZK de Kamer voor 10 juli 2026 breder en uitvoeriger over
zijn visie op de IDO’s, hun plek binnen overheidsbrede dienstverlening en het lokale
netwerk.
IDO’s bieden burgers die dat nodig hebben laagdrempelige ondersteuning bij hun contact
met de (digitale) overheid. De regie op de IDO’s is belegd bij gemeenten. Er zijn
in het eerste kwartaal van dit jaar 848 IDO’s, waarvan 762 in een bibliotheek51. Nagenoeg alle 342 Nederlandse gemeenten beschikken over minimaal één IDO.
De Staatssecretaris van BZK is beleidsmatig verantwoordelijk voor de uitvoering van
de beleidsvisie Persoonlijk en Dichtbij52 en daarmee voor de IDO’s en hun plek in het lokale ecosysteem van publieke dienstverlening.
De Staatssecretaris van OCW is bij de beleidsvorming rondom de IDO’s betrokken vanwege
de verantwoordelijkheid die zij draagt voor het stelsel van bibliotheken.
De financiering van de IDO’s verloopt via het gemeentefonds, in de vorm van de DU
Overheidsbrede Dienstverlening. De omvang van het gemeentefonds groeit jaarlijks mee
met de ontwikkeling het bruto binnenlands product, het zogenaamde accres. Dit accres
is vrij besteedbaar en wordt niet aan specifieke taken en of DU’s toegerekend.
In het kader van de IDO-dienstverlening financiert het Ministerie van BZK tevens de
VNG, die gemeenten ondersteunt bij de invulling van hun regierol en is opdrachtgever
van het landelijke ondersteuningsprogramma op het gebied van deskundigheidsbevordering,
monitoring en marketing, dat wordt uitgevoerd door de KB, samen met de provinciale
ondersteuningsinstellingen.
De Staatssecretaris van BZK onderzoekt of op termijn een wettelijke verankering mogelijk
is van de regierol van gemeenten bij het bieden van laagdrempelige en empathische
ondersteuning, waaronder de dienstverlening zoals deze nu wordt geboden door de IDO’s53. De Staatssecretaris van BZK voert hierover primair het gesprek met betrokken partijen.
Bibliotheken worden ook betrokken bij dit gesprek, waarbij de Staatssecretaris van
OCW ondersteunt vanwege de verantwoordelijkheid die zij draagt voor het stelsel van
bibliotheken.
2. Hoofdlijnen van het wetsvoorstel
De leden van de VVD-fractie weten dat in de evaluatie van de Wsob, die de Tweede Kamer
in 2020 ontving, beschreven is dat bibliotheken hun maatschappelijke functies hebben
verbreed maar dat tegelijkertijd het aantal fysieke vestigingen is afgenomen. Deze
leden snappen dat dit spanning oplevert voor de toegankelijkheid van bibliotheekvoorzieningen
en onderstrepen daarbij het belang dat voor alle inwoners een laagdrempelige toegang
tot een volwaardige bibliotheek gewaarborgd blijft. De leden vragen de regering wat
de onderhavige wetswijziging concreet betekent voor het aantal fysieke bibliotheekvoorzieningen.
Het wetsvoorstel heeft betrekking op een aanbod van bibliotheekvoorzieningen dat als
geheel binnen redelijke afstand toegankelijk is voor inwoners en niet op fysieke bibliotheekvoorzieningen
in de vorm van bibliotheekvestigingen. Het wetsvoorstel zet daarbij de vijf bibliotheekfuncties
uit artikel 5 van de Wsob en het hebben van een fysieke collectie en professionele
personeelsbezetting centraal en maakt het beschikken over een vestiging daaraan ondergeschikt.
Met het begrip «redelijke afstand» brengt de regering tot uitdrukking dat de spreiding
en toegankelijkheid van bibliotheekvoorzieningen belangrijker is dan het aantal fysieke
vestigingen. Met deze aanpassing heeft de regering gehoor gegeven aan de wensen van
onder andere de VNG en de VOB, die in de internetconsultatie over het wetsvoorstel
pleitten voor meer mogelijkheden voor een kwalitatieve invulling van de zorgplicht.
Het wetsvoorstel heeft dus niet rechtstreeks tot doel om het aantal fysieke bibliotheekvoorzieningen54 te beïnvloeden. Echter, de plicht om te voorzien in ten minste één voorziening met
de vijf bibliotheekfuncties, een fysieke collectie en een professionele personeelsbezetting,
zal in de gemeenten die hier nog niet aan voldoen veelal de vorm krijgen van een bibliotheekvestiging.
In combinatie met de investeringen via de specifieke uitkeringen van de afgelopen
jaren verwacht de regering dan ook dat het aantal fysieke bibliotheekvoorzieningen
de komende jaren zal toenemen.
Deze leden van de VVD-fractie hebben tevens in de evaluatie gelezen dat het aantal
gebruikers van de digitale bibliotheek en het aantal uitleningen fors is toegenomen.
Deze leden vragen de regering hoe zij de balans ziet tussen enerzijds het waarborgen
van fysieke aanwezigheid en anderzijds de ontwikkeling van digitale bibliotheekdiensten.
Een klantvriendelijke digitale bibliotheek met een relevant aanbod is een onlosmakelijk
onderdeel van de openbare bibliotheek. Echter, digitaal aanbod vormt geen alternatief
voor de fysieke aanwezigheid van de bibliotheek, bijvoorbeeld in het licht van de
vijf functies uit artikel 5 van de Wsob, die niet geheel via een digitale voorziening
vervuld kunnen worden. Het doel van elke bibliotheek is het bieden van een integraal
en gebruiksvriendelijk fysiek én digitaal aanbod voor de gebruiker. Dit doel wordt
onder meer bereikt door voor alle inwoners van Nederland de fysieke aanwezigheid van
de bibliotheek binnen redelijke afstand te waarborgen én digitale bibliotheekdiensten
te ontwikkelen en aan te bieden.
De leden vragen de regering in hoeverre zij van mening is dat digitale voorzieningen
een volwaardig alternatief kunnen vormen voor fysieke aanwezigheid, met name in dunnerbevolkte
gebieden.
Een klantvriendelijke digitale bibliotheek met relevante content is een onlosmakelijk
onderdeel van de bibliotheek. Digitaal aanbod kan echter geen volwaardig alternatief
vormen voor de fysieke aanwezigheid van de bibliotheek, ook niet in dunner bevolkte
gebieden, omdat niet alle bibliotheekfuncties digitaal voldoende tot uitdrukking kunnen
komen. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan de functie van ontmoeting en debat.
De zorgplicht brengt dit ook tot uitdrukking door, naast het voorzien in de vijf bibliotheekfuncties
en professionele personeelsbezetting, de beschikking over een fysieke collectie verplicht te stellen voor ten minste één bibliotheekvoorziening.
Hoe verhoudt dit zich tot de wijziging van de Wsob en de vereiste dat er binnen redelijke
afstand toegang is tot een volwaardige bibliotheek, zo vragen deze leden.
Bibliotheekorganisaties bieden fysieke én digitale voorzieningen aan. Het doel is
een integraal en gebruiksvriendelijk fysiek en digitaal aanbod voor de gebruiker.
Dit doel wordt bereikt door voor alle inwoners van Nederland binnen redelijke afstand
een fysiek aanbod van bibliotheekvoorzieningen te waarborgen én digitale bibliotheekdiensten
te ontwikkelen en aan te bieden. Beide onderdelen, zowel fysiek als digitaal, zijn
daarbij van belang.
De leden de GroenLinks-PvdA-fractie merken op dat het wetsvoorstel een wettelijke
zorgplicht bij gemeenten, openbare lichamen en provincies legt. Deze leden vinden
dit een verstandig voorstel. Hoe denkt de regering over een meer generieke omschrijving
van de zorgplicht die rekening houdt met de lokale omstandigheden, zoals de geografische
structuur en de bevolkingssamenstelling en -spreiding, zoals de VOB bepleitte?
De regering is het eens met de strekking van de inbreng van de VOB en heeft de zorgplicht
in het wetsvoorstel, mede naar aanleiding van deze inbreng, aangepast naar een meer
kwalitatieve plicht. Gemeenten en openbare lichamen moeten daarbij voorzien in een
aanbod van bibliotheekvoorzieningen dat als geheel binnen redelijke afstand toegankelijk
is. Wat een redelijke afstand is, is afhankelijk van de lokale context. In het concept-Besluit
openbare bibliotheekvoorzieningen, dat in het voorjaar van 2026 in internetconsultatie
is geweest,55 worden kenmerken genoemd, waar gemeenten en openbare lichamen zich rekenschap van
moeten geven bij het geven van invulling aan de zorgplicht. Deze criteria houden verband
met demografische en geografische kenmerken van gemeenten en openbare lichamen en
zien, bijvoorbeeld, op het oppervlak van en de leeftijdsopbouw in gemeenten en het
opleidingsniveau van de inwoners van openbare lichamen. Daarnaast houden enkele criteria
ook verband met sociaal-maatschappelijke factoren, zoals de bijdrage van de bibliotheek
aan de lokale maatschappelijke opgaven. De regering is van mening dat hiermee voldoende
rekening wordt gehouden met de lokale omstandigheden in de gemeente of het openbare
lichaam.
De leden begrijpen dat het de voorkeur verdient om een bibliobus te laten rijden zolang
het alternatief helemaal geen bibliotheekvoorziening is. Toch vrezen zij dat «een
bibliotheekvoorziening» de zorgplicht te vaag maakt en zij menen dat een fysieke bibliotheekvestiging
waar ook maar mogelijk de voorkeur verdient. Deelt de regering deze voorkeur?
De zorgplicht betekent dat gemeenten een toegankelijk aanbod aan bibliotheekvoorzieningen
moeten bieden, waaronder ten minste één bibliotheekvoorziening die de vijf wettelijke
bibliotheekfuncties vervult en die een fysieke collectie en professionele personeelsbezetting
heeft. De regering deelt in algemene zin de voorkeur van de leden voor een fysieke
bibliotheekvestiging, omdat zo de vijf bibliotheekfuncties, waaronder ontmoeting en
debat, beter in combinatie met elkaar en de collectie vorm kunnen krijgen. In verreweg
de meeste gemeenten en openbare lichamen zal de betreffende bibliotheekvoorziening
ook de vorm hebben van een fysieke bibliotheekvestiging. In een zeer beperkt aantal
specifieke gevallen ligt de keuze voor een bibliobus meer voor de hand dan een fysieke
vestiging, bijvoorbeeld omdat woonkernen binnen een gemeente te ver uit elkaar liggen
om één vestiging te rechtvaardigen. Een bibliobus kan dus met name in landelijke gebieden
uitkomst bieden. In die gevallen wil de regering gemeenten de ruimte bieden voor maatwerk
dat passend is bij de lokale context, wat kan betekenen dat gemeenten de voorkeur
geven aan een bibliobus.
2.1 Wijziging Wet stelsel openbare bibliotheekvoorzieningen
De leden van de D66-fractie constateren dat het wetsvoorstel de huidige bevorderingstaak
van gemeenten omzet in een wettelijke zorgplicht, waarbij gemeenten moeten zorgen
voor een toegankelijk aanbod van bibliotheekvoorzieningen binnen redelijke afstand.
Deze leden onderschrijven het belang van een lokale bibliotheek maar vragen hoe wordt
gewaarborgd dat de zorgplicht daadwerkelijk leidt tot verbetering van de kwaliteit
en kwantiteit van bibliotheekvoorzieningen. In hoeverre biedt de norm «redelijke afstand»
duidelijke richtlijnen, gezien de grote verschillen tussen stedelijke en landelijke
gebieden?
Of een afstand redelijk is, hangt af van de lokale context. De zorgplicht, en daarmee
ook de invulling van de norm «redelijke afstand», is daarmee grotendeels kwalitatief
van aard. Gemeenten en openbare lichamen moeten in hun meerjarenplan voor het bibliotheekbeleid
uitleggen hoe zij bij het invulling geven aan de zorgplicht rekening houden met de
lokale context: demografische en geografische kenmerken van gemeenten en openbare
lichamen (waaronder de oppervlakte en het aantal inwoners) en sociaal-maatschappelijke
factoren. Om hier ruimte voor te bieden is er in de wet bewust niet gekozen voor een
kwantitatieve invulling van het begrip «redelijke afstand».
Voor een gemeente met veel kleine kernen en een beperkt aantal inwoners kan, bijvoorbeeld,
gekozen worden voor een bibliotheekvoorziening in één of twee kernen, waar ook andere
voorzieningen geconcentreerd zijn en inwoners gewend zijn naartoe te reizen. De fysieke
afstand tot een bibliotheekvoorziening is in dergelijke gemeenten mogelijk groter
dan in een grote stad, waar meer mensen op een kleiner oppervlak leven en het een
passende keuze kan zijn om naast de hoofdvestiging meerdere bibliotheekvoorzieningen
op wijkniveau in te richten vanwege het grotere aantal inwoners.
Wordt hierbij ook gekeken naar (openbare) vervoersmogelijkheden?
(Openbare) vervoersmogelijkheden spelen een rol in de bereikbaarheid van bibliotheekvoorzieningen.
Hoe daarmee wordt omgegaan is een keuze van gemeenten en openbare lichamen. In het
meerjarenplan lichten gemeenten en openbare lichamen toe hoe bij het invulling geven
aan de zorgplicht rekening is gehouden met de bereikbaarheid. (Openbare) vervoersmogelijkheden
kunnen hier een onderdeel van zijn.
De leden van de D66-fractie lezen dat het IPO signaleert dat het toezicht houden op
het naleven van de zorgplicht zich beperkt tot de vraag of gemeenten de wettelijk
verplichte onderdelen opnemen in het meerjarenplan. Waarom is ervoor gekozen om niet
op de inhoudelijke kwaliteit van de gemaakte beleidskeuzes toezicht te houden?
De regering acht het van belang dat gemeenten en openbare lichamen ruimte krijgen
om de zorgplicht in te vullen op een manier die passend is bij de lokale context.
De wet verplicht het college van burgemeester en wethouders, onderscheidenlijk het
dagelijks bestuur van het openbaar lichaam, om de daarbij gemaakte afwegingen inzichtelijk
te maken in het meerjarenplan. Het legt over deze afwegingen in de eerste plaats verantwoording
af aan de gemeenteraad, onderscheidenlijk aan de eilandsraad. De regering vindt in
deze context dat toezicht op de gemaakte beleidskeuzes niet passend is. Voor het toezicht
is aangesloten bij het generieke interbestuurlijk toezicht, zoals vastgelegd in de
Gemeentewet en de Provinciewet. Dit toezicht is risicogericht en is in beginsel geen
instrument om de kwaliteit van de taakuitvoering van gemeenten te verbeteren.56
Deze leden begrijpen ook dat het IPO pleit voor een verplichting voor gemeenten om
het meerjarenplan actief en binnen een bepaalde termijn toe te zenden aan de provincie.
Heeft de regering dit overwogen, zo ja, waarom is dit niet wettelijk vastgelegd?
De wens van de provincies om het meerjarenplan van de gemeenten toegezonden te krijgen
is de regering bekend. Eerder heeft de regering deze verplichting niet in het wetsvoorstel
opgenomen, onder andere vanuit het streven om de regeldruk voor gemeenten en de openbare
lichamen te beperken. De keerzijde daarvan is echter dat de uitvoeringslasten voor
gedeputeerde staten en de Rijksvertegenwoordiger toenemen. Mede naar aanleiding van
deze vraag heeft de regering dit heroverwogen, en is in de nota van wijziging voorzien
in een verplichting tot toezending van het meerjarenplan aan gedeputeerde staten,
onderscheidenlijk de Rijksvertegenwoordiger.
De leden van de D66-fractie zijn positief over de introductie van een wettelijke taak
voor bibliotheken om lezen in het onderwijs te bevorderen. In hoeverre worden kinderopvang,
mbo en andere onderwijssectoren voldoende meegenomen in deze aanpak?
Met de structurele middelen voor leesbevordering kunnen bibliotheken onderwijsinstellingen
adviseren bij leesondersteuning. Dit kunnen bibliotheken doen voor het funderend onderwijs,
maar ook voor het mbo en de pabo. De wettelijke taak heeft uitsluitend betrekking
op leesbevordering bij onderwijsinstellingen, maar het voornemen is om daarbij in
de subsidieregeling mogelijk te maken dat de subsidie die aan bibliotheken zal worden
verstrekt, ook kan worden benut om kinderopvangaanbieders te adviseren over leesbevordering.
Deze leden vragen voorts hoe volgens de regering een volwaardige bibliotheekvoorziening
op iedere school eruitziet. Welke rol ziet de regering daarin voor scholen? En voor
bibliotheken?
Over «een volwaardige bibliotheekvoorziening op school» bestaan uiteenlopende definities.
Scholen en bibliotheken bepalen zelf hoe zij invulling geven aan een bibliotheekvoorziening
op school. Wel zijn er bepaalde richtlijnen die geraadpleegd kunnen worden wanneer
een bibliotheekvoorziening op school wordt ingericht. Zo zijn er de bouwstenen van
de aanpak «de Bibliotheek op school»57 en werken de bibliotheekbranche en Stichting Lezen aan een Kwaliteitskompas voor
bibliotheken op school.58
In de kamerbrief Versterkingsagenda Taal en andere Basisvaardigheden59 wordt in lijn met de motie Moorman c.s.60 ingegaan op de vraag op welke manier elke school kan beschikken over een toegankelijke
bibliotheekvoorziening en deskundige begeleiding. Inmiddels heeft uw Kamer ook de
motie Biekman c.s.61 aangenomen over het verplicht stellen van een bibliotheek op alle instellingen binnen
het funderend onderwijs.
Van 2023 tot en met 2026 is € 74 miljoen geïnvesteerd in de Bibliotheek op school.
De samenwerking tussen bibliotheken en scholen op het gebied van leesbevordering krijgt
een extra impuls door de nieuwe kerndoelen die een rijke leesomgeving verplichten.
Ook dit wetsvoorstel draagt hieraan bij. Hierin is opgenomen dat bibliotheken tot
taak hebben onderwijsinstellingen te ondersteunen bij leesbevordering. Voor bibliotheken
is hiervoor in 2027 een budget van € 19 miljoen beschikbaar, vanaf 2028 gaat het om
€ 25 miljoen per jaar. Ook scholen krijgen geld. De structurele bekostiging voor de
basisvaardigheden van minimaal € 206 per leerling kunnen zij onder andere besteden
aan het inrichten of onderhouden van een schoolbibliotheek. Op basis van dit maatregelenpakket
verwacht de regering dat iedere school over drie jaar een bibliotheekvoorziening heeft.
Via monitoring zal worden gevolgd of dit zich volgens verwachting ontwikkelt.
De leden van de D66-fractie lezen dat er specifieke uitdagingen in landelijk gebieden
zijn zoals grotere afstanden, beperkter openbaar vervoer, vergrijzing en lagere gemiddelde
opleidingsniveaus. Hoe wordt gewaarborgd dat mobiele en hybride vormen van dienstverlening
als volwaardige invulling van de zorgplicht worden gezien?
Volgens het wetsvoorstel houdt de gemeente dan wel het openbare lichaam, als onderdeel
van een aanbod aan bibliotheekvoorzieningen dat als geheel toegankelijk is, ten minste
één bibliotheekvoorziening in stand die de vijf bibliotheekfuncties vervult en beschikt
over een fysieke collectie en professionele personeelsbezetting. Het wetsvoorstel
spreekt daarbij uitdrukkelijk niet van een bibliotheekvestiging; dit biedt ruimte
om, in specifieke gevallen, ook het in stand houden van mobiele en hybride bibliotheekvoorzieningen
te zien als volwaardige invulling van de zorgplicht.
Een bibliobus kan, bijvoorbeeld, in landelijke gebieden uitkomst bieden, wanneer woonkernen
binnen een gemeente te ver uit elkaar liggen om één vestiging te rechtvaardigen. In
dergelijke bijzondere gevallen wil de regering gemeenten de ruimte bieden voor maatwerk
dat passend is bij de lokale context, wat kan betekenen dat gemeenten de voorkeur
geven aan een vorm van mobiele dienstverlening.
Lokale overheden kunnen met een bibliobus aan de zorgplicht voldoen, op voorwaarde
dat met de bibliobussen een aanbod aan bibliotheekvoorzieningen wordt geboden dat
binnen redelijke afstand toegankelijk is, met ten minste één voorziening die voorziet
in de vijf bibliotheekfuncties, beschikt over een fysieke collectie en professionele
personeelsbezetting. Alle gemeenten en openbare lichamen moeten in hun meerjarenplan
toelichten hoe zij de zorgplicht invullen, ook als mobiele of hybride dienstverlening
hiervoor de basis vormt. De provincies houden toezicht op de uitvoering van de zorgplicht.
Welke moeilijkheden kunnen ontstaan voor de verdelingssystematiek op basis van inwoneraantal?
De regering heeft bij het vormgeven van de verdelingssystematiek gekozen voor een
structurele bijdrage van € 2,90 per inwoner.62 Wanneer men enkel deze maatstaf zou aanhouden, zouden kleine gemeenten zonder bibliotheekvoorziening
te weinig middelen tot hun beschikking kunnen hebben om te kunnen voldoen aan de zorgplicht.
Dat vindt de regering onwenselijk. Om te voorkomen dat er moeilijkheden ontstaan is
gekozen voor een minimumuitkering van € 100.000 per gemeente per jaar.63 Het minimumbedrag waarborgt dat ook gemeenten met een kleiner inwoneraantal voldoende
middelen ontvangen om de zorgplicht afdoende te kunnen invullen, dat wil zeggen: voorzien
in een aanbod van bibliotheekvoorzieningen dat binnen redelijke afstand toegankelijk
is en het in stand houden van ten minste een bibliotheekvoorziening die de vijf bibliotheekfuncties
vervult en beschikt over een fysieke collectie en professionele personeelsbezetting.
Aanvullende financiering vanuit de gemeente kan wenselijk zijn om de meerwaarde en
impact van de bibliotheek te vergroten.
De leden van de VVD-fractie steunen het uitgangspunt van een zorgplicht voor gemeenten
om de toegankelijkheid van bibliotheekvoorzieningen te waarborgen. Deze leden vinden
het positief dat er naar aanleiding van consultatie is gekozen voor een meer flexibele
formulering waarbij wordt uitgegaan van een aanbod van bibliotheekvoorzieningen, in
plaats van te focussen op één specifieke vestiging. De leden vragen zich daarbij af
hoe wordt geborgd dat gemeenten daadwerkelijk invulling geven aan deze zorgplicht.
De zorgplicht betreft, naast een toegankelijk aanbod van bibliotheekvoorzieningen,
ten minste één bibliotheekvoorziening die de vijf wettelijke bibliotheekfuncties vervult
en een fysieke collectie en professionele personeelsbezetting heeft. In het meerjarenplan
lichten gemeenten en openbare lichamen toe hoe zij invulling geven aan de zorgplicht
en hoe zij bij deze invulling rekening houden met de lokale context: demografische
en geografische kenmerken van gemeenten en openbare lichamen (waaronder de oppervlakte
en het aantal inwoners) plus sociaal-maatschappelijke factoren.
Om te zorgen dat gemeenten en openbare lichamen aan de zorgplicht voldoen, is het
toezicht op de uitvoering daarvan belegd bij de provincie dan wel de Rijksvertegenwoordiger.
Hoe verhoudt dat zich tot de beleidsvrijheid die gemeenten hebben en houden, zo vragen
zij.
Het bibliotheekstelsel is een decentraal stelsel. Gemeenten hebben beleidsvrijheid;
zij bepalen zelf de inhoud van het bibliotheekbeleid en besluiten zelf over de besteding
van de middelen. De regering ziet dit als een belangrijk uitgangspunt. Wat betreft
de invulling van de zorgplicht uit het wetsvoorstel zullen gemeenten moeten voldoen
aan de vereisten uit de Wsob. De provincie houdt toezicht op de uitvoering van de
zorgplicht door gemeenten. Het toezicht van de provincie is risicogericht en is in
beginsel geen instrument om de kwaliteit van de taakuitvoering van gemeenten te verbeteren64. Zolang gemeenten voldoen aan de vereisten uit de Wsob hebben en houden zij dus beleidsvrijheid
bij het maken van inhoudelijke keuzes over het bibliotheekbeleid en de invulling van
de zorgplicht in de lokale context.
Kan de regering toelichten hoe zij voorkomt dat gemeenten gaan volstaan met een minimale
invulling van de zorgplicht?
Met het oog op gemeenten waar nog geen sprake is van een volwaardige bibliotheekvoorziening
heeft de regering ervoor gekozen de vereisten in de wet als minimale vereisten vorm
te geven. Vereist is echter ook dat gemeenten een aanbod van bibliotheekvoorzieningen
in stand houden dat als geheel binnen redelijke afstand toegankelijk is. Gemeenten
moeten in het meerjarenplan toelichten dat het aanbod van bibliotheekvoorzieningen
op redelijke afstand toegankelijk is, gelet op de lokale context, waarmee wordt gedoeld
op demografische en geografische kenmerken van gemeenten en openbare lichamen (waaronder
de oppervlakte en het aantal inwoners) plus sociaal-maatschappelijke factoren. Voor
de meeste gemeenten zal aan de hand van die criteria gelden dat één bibliotheekvoorziening
niet genoeg is om daadwerkelijk te voldoen aan de zorgplicht. De streefwaarden voor
de bibliotheek in de handreiking voor gemeenten die de VNG naar aanleiding van dit
wetsvoorstel ontwikkelt, bieden een handvat voor een passende invulling.
Kan zij daarbij ook nader reflecteren op de consequenties voor gemeenten die nu nog
geen bibliotheekvoorziening hebben?
Op basis van de meest recente Gegevenslevering Wsob65 lijkt een volwaardige bibliotheekvoorziening conform de formulering in het wetsvoorstel
in elk geval nog te ontbreken in zes gemeenten. Albrandswaard, Alphen-Chaam, Lopik
en Oostzaan hebben financiering in de vorm van een specifieke uitkering ontvangen
voor het tot stand brengen van een volwaardige bibliotheekvestiging. Gemeenten hebben
tot het einde van 2026 tijd voor de uitvoering hiervan. Mook en Middelaar en Uitgeest
hebben geen eigen bibliotheek maar zetten in op het maken van samenwerkingsafspraken
met buurgemeenten. De verwachting is dat deze gemeenten ook in staat zullen zijn om
aan de zorgplicht uit het wetsvoorstel te gaan voldoen.
Drie andere gemeenten zonder volwaardige eigen bibliotheekvoorziening hebben al samenwerkingsafspraken
met buurgemeenten en twee gemeenten hebben geen bibliotheekvestiging maar wel een
bibliobus; daarmee kunnen al deze gemeenten, net als de gemeenten met een of meerdere
vestigingen, aan de zorgplicht gaan voldoen. Daarom zijn deze gemeenten bij de beantwoording
van deze vraag buiten beschouwing gelaten.
Wanneer alle aanvragen uit de Regeling eenmalige specifieke uitkering en subsidie
toekomstbestendige lokale bibliotheekvoorzieningen (Specifieke uitkering) en afspraken
tussen buurgemeenten worden gerealiseerd, kunnen alle gemeenten hun inwoners toegang
bieden tot een aanbod van bibliotheekvoorzieningen zoals bedoeld in het voorgestelde
artikel 6 van de Wsob. Het is daarbij aan de gemeenten om invulling te geven aan de
zorgplicht en toe te lichten hoe zij dit doen in het meerjarenplan. Het is aan de
provincie om toe te zien op de naleving van deze zorgplicht.
De leden van de VVD-fractie weten dat er lokale en regionale verschillen bestaan tussen
gemeenten. Daarbij zorgen verschillen in bijvoorbeeld bevolkingssamenstelling ook
voor verschillen in de organisatie en het gebruik van bibliotheekvoorzieningen. Deze
leden constateren dat er in stedelijke gebieden vaker sprake is van een beter georganiseerd
netwerk van voorzieningen, waar dat in kleinere regio’s dan wel het landelijk gebied
niet altijd het geval is. Deze leden vragen de regering nader toe te lichten hoe wordt
omgegaan met verschillen tussen gemeenten.
De regering houdt in het wetsvoorstel rekening met verschillen tussen gemeenten door
zoveel mogelijk ruimte te geven aan lokaal maatwerk. Hierbij is geluisterd naar de
reacties op de het wetsvoorstel uit de internetconsultatie. Dit is terug te zien in
een meer kwalitatieve benadering van de zorgplicht: het begrip «bibliotheekvestiging»
is aangepast naar het ruimere begrip «bibliotheekvoorziening» en kwantitatieve eisen
zoals een uren-norm zijn weggelaten. Gemeenten kunnen door deze wijzigingen in het
wetsvoorstel keuzes maken die passen bij hun lokale situatie. Zo kunnen bijvoorbeeld
gemeenten in dichtbevolkte, stedelijke gebieden een andere redelijke afstand hanteren
dan gemeenten in dunbevolkte, landelijke gebieden. En voor landelijke, uitgestrekte
gebieden kan in sommige gevallen een mobiele bibliotheekvoorziening, zoals een bibliobus,
een passende optie zijn. De ruimte voor lokaal maatwerk heeft tot positieve reacties
geleid van zowel kleine gemeenten met veel kleine kernen in landelijke gebieden als
van grote steden met heel diverse wijken en stedelijke infrastructuur.
Zij vragen de regering op welke wijze maatwerk mogelijk wordt gemaakt, terwijl tegelijkertijd
de ondergrens wordt gegarandeerd die voortvloeit vanuit de zorgplicht.
De regering maakt maatwerk mogelijk door te kiezen voor een kwalitatieve invulling
van de zorgplicht. De gemeente dan wel het openbare lichaam moet voorzien in een aanbod
van bibliotheekvoorzieningen dat als geheel binnen redelijke afstand toegankelijk
is, waarvan ten minste één bibliotheekvoorziening de vijf bibliotheekfuncties vervult,
een fysieke collectie en een professionele personeelsbezetting heeft. Dat is een ondergrens,
maar deze laat wel ruimte voor een invulling die past bij de lokale context van de
gemeente of het openbare lichaam. Bijvoorbeeld in de keuze voor een of meerdere bibliotheekvestigingen
of (de combinatie met) een mobiele bibliotheekvoorzieningen, zoals de bibliobus. Keuzes
die de gemeente dan wel het openbare lichaam maakt bij de invulling van de zorgplicht
worden onderbouwd in het meerjarenplan. Daarbij kunnen gemeenten en openbare lichamen
toelichten hoe zij rekening houden met de lokale context.
De leden van de VVD-fractie hechten eraan dat publieke middelen doelmatig, transparant
en aantoonbaar worden ingezet voor de uitvoering van wettelijke taken. Deze leden
vinden het van belang dat extra middelen die aan gemeenten worden toegekend daadwerkelijk
ten goede komen aan de versterking van de bibliotheekvoorzieningen en niet opgaan
aan overhead, adviestrajecten of andere indirecte kosten. Genoemde leden vragen daarom
op welke wijze wordt geborgd dat deze middelen ook daadwerkelijk worden ingezet voor
de uitvoering van de zorgplicht voor bibliotheken.
Gemeenten hebben beleidsvrijheid voor de inhoud van het bibliotheekbeleid en de besteding
van de middelen. In hun meerjarenplan moeten zij toelichten hoe zij uitvoering geven
aan de zorgplicht. Om aan de zorgplicht te kunnen voldoen, zullen gemeenten ook middelen
aan de uitvoering daarvan moeten besteden. Daarbij moeten gemeenten in het meerjarenplan
toelichten dat het aanbod van bibliotheekvoorzieningen op redelijke afstand bereikbaar
is, gelet op de lokale context. Ook wordt in het meerjarenplan een begroting opgenomen,
waarmee de gemeente laat zien welke middelen zij aan de uitvoering van de zorgplicht
wil gaan besteden. Colleges leggen aan hun gemeenteraden verantwoording af over hun
keuzes en beleid.
Hoe wordt voorkomen dat middelen opgaan aan andere prioriteiten en op welke wijze
kan achteraf worden gecontroleerd of de extra middelen daadwerkelijk hebben geleid
tot een versterking van het bibliotheekstelsel?
Het bibliotheekstelsel is een decentraal stelsel. Gemeenten hebben beleidsvrijheid;
zij bepalen zelf de inhoud van het bibliotheekbeleid. De middelen die gemeenten ontvangen
vanuit het gemeentefonds zijn daarbij vrij besteedbaar. De regering ziet deze bestedingsvrijheid
als een belangrijk uitgangspunt.
Om te verzekeren dat gemeenten in de bibliotheek (blijven) investeren, introduceert
dit wetsvoorstel een wettelijke zorgplicht. Bij de invulling van de zorgplicht uit
het wetsvoorstel zullen gemeenten moeten voldoen aan de vereisten uit de Wsob. Zolang
dat het geval is, hebben en houden gemeenten beleidsvrijheid bij het maken van inhoudelijke
keuzes over het bibliotheekbeleid en de invulling van de zorgplicht in de lokale context.
De regering acht dit ook wenselijk, omdat daarmee kan worden aangesloten bij de behoeftes
en wensen die leven in een gemeente. De provincie houdt toezicht op de uitvoering
van de zorgplicht door gemeenten. Daarmee wordt geborgd dat alle gemeenten uitvoering
geven aan de zorgplicht en daarmee in de bibliotheek investeren.
Het doel van dit wetsvoorstel is dat het bibliotheekstelsel wordt verstevigd. Met
behulp van de jaarlijkse Gegevenslevering Wsob66 en jaarlijkse bestuurlijke overleggen wordt gemonitord of de sector hierin koers
houdt; de gemeentelijke budgetten zijn hierin een factor van belang. Bij de wetsevaluatie
na vijf jaar zal worden onderzocht of en hoe gemeenten aan hun wettelijke zorgplicht
voldoen en hoe het bibliotheekstelsel met de gewijzigde wet functioneert, ook in relatie
tot het behaalde bereik en gebruik.
De leden van de VVD-fractie hechten zeer aan een goede ontwikkeling van basisvaardigheden,
waaronder lezen. Zij zien daarbij de meerwaarde van de rol van de bibliotheek in leeseducatie.
Deze leden kijken daarom met belangstelling naar de structurele verankering van de
samenwerking tussen bibliotheken en het onderwijs. Zeker mede in het licht van de
teruglopende leesvaardigheid onder jongeren.
De leden van de VVD-fractie merken op dat de samenwerking tussen bibliotheken en scholen
de afgelopen jaren is geïntensiveerd, onder meer via programma’s zoals dBos. Deze
leden waarderen deze ontwikkeling omdat deze volgens deze leden bijdraagt aan het
bereiken van kinderen en jongeren op een laagdrempelige manier en het versterken van
hun taalvaardigheid en leesmotivatie. Tegelijkertijd constateren zij dat deze samenwerking
tot nu toe vaak afhankelijk was van tijdelijke projecten en financiering. Zij zijn
om die reden positief over de aangekondigde structurele financiering.
Daarbij vragen de leden van de VVD-fractie of en hoe de effectiviteit van deze samenwerking
wordt gemeten.
Via jaarlijkse Gegevenslevering Wsob wordt bijgehouden met welke scholen en kinderopvangorganisaties
de bibliotheken samenwerken; hieruit kan ook informatie over het bereik en gebruik
van de activiteiten van bibliotheken op het gebied van leesbevordering worden afgeleid.
Het voornemen is om de nieuwe subsidieregeling die hiervoor bedoeld is te richten
op de adviestaak van bibliotheken op het gebied van leesbevordering, via de aanstelling
en scholing van leesmediaconsulenten.
De Gegevenslevering Wsob is een bestaand instrument dat zal worden gecontinueerd.
Daaraan wordt toegevoegd hoeveel gekwalificeerde leesmediaconsulenten in dienst van
de bibliotheken zijn.
Daarnaast vragen deze leden hoe wordt geborgd dat de samenwerking tussen scholen en
bibliotheken daadwerkelijk tot stand komt en structureel wordt voortgezet.
De regering stimuleert de gewenste samenwerking zowel via de scholen als via bibliotheken.
Dankzij de nieuwe wettelijke taak en de structurele middelen wordt het voor bibliotheken
mogelijk om hun adviserende rol ten aanzien van leesbevordering duurzaam in te richten.
Scholen krijgen vanaf 2027 eveneens structureel geld voor de basisvaardigheden die
zij onder andere kunnen inzetten voor leesbevordering, en scholen moeten volgens de
vernieuwde kerndoelen Nederlands zorgen voor een rijke leesomgeving. Ook vanuit het
implementatieplan voor dit wetsvoorstel wordt ingezet op het verstevigen van de samenwerking
tussen bibliotheken en scholen.
Zoals de leden van de VVD-fractie eerder al aangaven, zien zij de bibliotheek al lang
niet meer als slechts een plek waar je boeken kunt lenen, maar ook als een belangrijke
laagdrempelige voorziening waar inwoners terechtkunnen voor ondersteuning bij bijvoorbeeld
digitale vaardigheden. Deze leden onderschrijven het belang van deze ontwikkeling,
zeker voor groepen die moeite hebben om mee te komen in de digitale samenleving, zoals
(sommige) ouderen. Deze leden vragen wat nodig is om de rol van bibliotheken bij het
versterken van digitale vaardigheden van ouderen verder te vergroten.
Om de rol van bibliotheken bij het versterken van digitale vaardigheden van ouderen
te vergroten, kunnen de bibliotheken de samenwerking met andere organisaties en locaties
waar ouderen gebruik van maken verder intensiveren, en activiteiten nog beter op elkaar
afstemmen. Veel bibliotheken doen dit al. Dit krijgt vaak gestalte door dienstverlening
van de bibliotheek ook op andere locaties aan te bieden, waar ouderen komen, en door
te zorgen dat andere organisaties, zoals de ouderenzorg, naar de bibliotheek doorverwijzen
in geval van vragen over digitale geletterdheid.
De regering beoogt met het wetsvoorstel op verschillende manieren te borgen en stimuleren
dat partijen in én buiten het bibliotheekstelsel elkaar opzoeken en van elkaar leren.
In het meerjarenplan beschrijven gemeenten en openbare lichamen, bijvoorbeeld, hoe
bibliotheken vanuit het netwerk samenwerken met andere organisaties. Gemeenten en
openbare lichamen betrekken de lokale bibliotheken bij het opstellen van dit plan,
waarmee de samenhang tussen het werk van de bibliotheek en de andere partijen in de
gemeente wordt gestimuleerd en gewaarborgd.
Welke belemmeringen worden momenteel ervaren en welke aanvullende maatregelen acht
de regering wenselijk?
Een belangrijke belemmering die momenteel wordt ervaren, heeft betrekking op het bereik
van de bibliotheek: niet iedereen weet de bibliotheek te vinden.67 Om het bereik van de bibliotheek te vergroten en verbreden is bundeling van krachten
van belang, bijvoorbeeld door dienstverlening ook op andere locaties aan te bieden
en door te zorgen dat andere organisaties naar de bibliotheek doorverwijzen. Vaak
gebeurt dit al: spreekuren en andere activiteiten krijgen ook buiten de bibliotheek
vorm en vervullen tevens een signalerings- en verwijsfunctie naar trainingen en cursussen
van bibliotheken voor volwassenen op het gebied van digitale geletterdheid. Bibliotheken
werken ook meer en meer samen met organisaties binnen bijvoorbeeld het onderwijs,
het sociaal domein en de ouderenzorg, zodat waar nodig onderling kan worden doorverwezen.
Door deze samenwerkingen met andere organisaties en locaties te intensiveren, en activiteiten
nog beter op elkaar af te stemmen, kan het bereik verder worden vergroot en verbreed.
De KB, de VOB en POI’s ondersteunen bibliotheken hierbij met kennisdeling.
Daarnaast vragen de leden van de VVD-fractie hoe de toegang tot de dienstverlening
van bibliotheken kan worden vergroot om het bereik op het gebied van digitale geletterdheid
te vergroten. Welke mogelijkheden ziet de regering om meer mensen te bereiken die
nu nog niet of nauwelijks gebruikmaken van deze voorzieningen?
Digitale geletterdheid omvat alle vaardigheden en het kritisch bewustzijn om in de
digitale samenleving goed mee te kunnen doen. Het vergroten van digitale geletterdheid
en digitale inclusie is een opgave waar veel partijen aan werken; ook bibliotheken
dragen hieraan bij, bijvoorbeeld via cursussen en trainingen, met inloopspreekuren
en de Informatiepunten Digitale Overheid. In hun publieksprogrammering besteden bibliotheken
in toenemende mate aandacht aan thema’s zoals AI-geletterdheid, ethiek en online veiligheid.
Digitale geletterdheid speelt ook een (bescheiden) rol in het programma de Bibliotheek
op School, waar veel bibliotheken aan meedoen.
Voor kinderen is het aanbod van de bibliotheek gratis, voor volwassenen met beperkte
basisvaardigheden bieden bibliotheken tegen zo laag mogelijke kosten cursussen en
trainingen aan, met als doel om financiële drempels, waar mogelijk, weg te nemen.
Niet iedereen maakt gebruik van het aanbod van de bibliotheek. Om het bereik van de
ondersteuning van de bibliotheek te vergroten en verbreden is bundeling van krachten
van belang, bijvoorbeeld door dienstverlening ook op andere locaties aan te bieden
en door te zorgen dat andere organisaties naar de bibliotheek doorverwijzen. Vaak
gebeurt dit al: spreekuren en andere activiteiten krijgen ook buiten de bibliotheek
vorm en vervullen tevens een signalerings- en verwijsfunctie naar trainingen en cursussen
van bibliotheken voor volwassenen op het gebied van digitale geletterdheid. Bibliotheken
werken ook meer en meer samen met organisaties binnen bijvoorbeeld het onderwijs,
het sociaal domein en de ouderenzorg, zodat waar nodig onderling kan worden doorverwezen.
Door deze samenwerkingen met andere organisaties en locaties te intensiveren, en activiteiten
nog beter op elkaar af te stemmen, kan het bereik verder worden vergroot en verbreed.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie merken op dat gemeenten en openbare lichamen
na overleg met de lokale bibliotheek een meerjarenplan moeten opstellen over de manier
waarop ze de zorgplicht gestalte geven. Nadere eisen aan de inhoud van dit meerjarenplan
komen te zijner tijd in een amvb. Nu begrijpen deze leden dat men in zo’n uitgestrekte
gemeente als Súdwest-Fryslân met ruim 84.000 hectare, niet dezelfde bibliotheekvoorzieningen
kan bieden als in Den Haag. Wat staat de regering echter voor ogen als het minimum
dat men in elke gemeente – ongeacht de lokale omstandigheden – moet waarmaken?
Iedere gemeente en openbaar lichaam moet in het kader van de zorgplicht beschikken
over een aanbod van bibliotheekvoorzieningen dat als geheel binnen redelijke afstand
toegankelijk is. De concrete invulling van de zorgplicht is echter niet los te zien
van de lokale omstandigheden vanwege de invulling van het begrip «redelijke afstand».
Om die reden heeft de regering voorgesteld dat in iedere gemeente ten minste één bibliotheekvoorziening
in stand wordt gehouden die de vijf bibliotheekfuncties vervult, een fysieke collectie
en een professionele personeelsbezetting heeft. Dat is, zoals beschreven in de memorie
van toelichting bij het wetsvoorstel, een algemene ondergrens.
Krijgt de Kamer deze amvb nog voorgelegd via een voorhangprocedure?
Een voorhangprocedure voor het conceptbesluit is niet voorzien, aangezien het om een
detailuitwerking gaat van de onderdelen in het meerjarenplan die reeds genoemd zijn
in de memorie van toelichting. In het kader van de internetconsultatie die van 9 februari
2026 tot 27 maart 2026 gehouden is, is een eerste concept van het besluit gepubliceerd.68
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie merken op dat provincies worden belast met
interbestuurlijk toezicht op de uitvoering van de zorgplicht. Hoe gaat dit toezicht
eruit zien?
Zoals gebruikelijk in het generiek interbestuurlijk toezicht zijn de provincies zelf
verantwoordelijk voor de invulling van het toezicht. De regels rondom het interbestuurlijk
toezicht zijn vastgelegd in de Gemeentewet en Provinciewet. Het toezicht van de provincie
is risicogericht en is in beginsel geen instrument om de kwaliteit van de taakuitvoering
van gemeenten te verbeteren.69 Hoe de provincies het toezicht ten aanzien van de taken uit het wetsvoorstel precies
willen gaan vormgeven, werken zij de komende periode verder uit in afstemming met
gemeenten. Het Ministerie van OCW zal financieel bijdragen aan een handreiking van
IPO over het toezicht om de implementatie van deze nieuwe taak te vergemakkelijken.
In Caribisch Nederland komt dit toezicht te liggen bij de Rijksvertegenwoordiger.
Wat wordt straks op de BES-eilanden het aanbod van de openbare bibliotheekvoorzieningen
waarop de Rijksvertegenwoordiger de openbare lichamen mag afrekenen?
De zorgplicht voor Caribisch Nederland is hetzelfde als voor gemeenten in Europees
Nederland, dat wil zeggen dat ieder openbaar lichaam voorziet in een aanbod van bibliotheekvoorzieningen,
dat als geheel binnen redelijke afstand voor de inwoners toegankelijk is en ten minste
één bibliotheekvoorziening met vijf bibliotheekfuncties, een fysieke collectie en
een professionele personeelsbezetting. De Rijksvertegenwoordiger houdt toezicht op
de naleving van de zorgplicht.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie merken op dat ervoor de openbare bibliotheken
incidenteel circa € 490 miljoen en structureel € 60 miljoen beschikbaar komt om de
aangescherpte wettelijke taken uit te voeren en het bibliotheekstelsel duurzaam te
versterken. Over hoeveel gemeenten waar nu nog een volwaardige bibliotheekvoorziening
ontbreekt, gaat het geld worden verdeeld?
In de memorie van toelichting wordt met het op pagina 4 genoemde bedrag van circa
€ 490 miljoen euro gedoeld op het indicatieve totaalbedrag aan subsidies dat enkele
jaren geleden (in 2022) voor bibliotheken beschikbaar was70. Het grootste deel van het genoemde bedrag heeft betrekking op de gemeentelijke bijdragen,
maar ook overige subsidies, bijvoorbeeld van de provincies, maken hier deel van uit.
De regering merkt op dat dit geen incidentele middelen zijn.
Aanvullend aan de middelen die al voor bibliotheken beschikbaar waren is nu een structurele,
extra bijdrage vanuit het rijk beschikbaar van circa € 60 miljoen met het oog op de
uitvoering van de zorgplicht. Deze € 60 miljoen wordt via het gemeentefonds verdeeld
over alle gemeenten, via een verdeelsleutel van € 2,90 per inwoner en met een minimumbedrag
van € 100.000 per gemeente.71 Er wordt hierbij geen onderscheid gemaakt tussen gemeenten; alle zes gemeenten die
nu nog geen volwaardige bibliotheekvoorziening hebben ontvangen dit geld dus ook.
De memorie van toelichting wijst op de grote diversiteit in het Nederlandse bibliotheeklandschap
en stelt dat afhankelijk van de lokale situatie verbetering en doorontwikkeling op
verschillende manieren gestalte kan krijgen. Deze leden zien echter ook waardevolle
lokale initiatieven die ook in veel andere plaatsen waren mogelijk geweest. De leden
denken bijvoorbeeld aan Harlingen, waar een lokale boekhandel tevens de toegang vormt
tot de openbare bibliotheek en het gemeentemuseum het Hannemahuis, zodat een bibliotheekbezoek
daar organisch samengaat met kennismaking met het lokale cultuurleven. Zij denken
ook aan het initiatief Boekkracht in gemeente Utrecht, waarmee de bibliotheek de middelbare
scholen en mbo-instellingen helpt om een schoolbibliotheek op te zetten. Welke mogelijkheden
ziet de regering om ook bibliotheken elders te laten leren van zulke waardevolle initiatieven?
Lokale bibliotheken, POI’s en de KB werken als partners samen in het bibliotheeknetwerk.72 De regering ziet deze netwerksamenwerking tussen lokale, provinciale en landelijke
bibliotheekorganisaties als een waardevol instrument om bibliotheken te laten leren
van elkaars initiatieven en kennis te delen. Dit gebeurt onder andere via de samenwerkingsafspraken
uit de netwerkagenda van KB, de VOB en SPN, die is opgesteld op basis van de doelen
en ambities uit het Bibliotheekconvenant.73 Daarnaast wordt er jaarlijks een landelijk bibliotheekcongres georganiseerd en zijn
er tal van regionale bijeenkomsten. Tot slot beheert de KB een digitaal bibliotheekplatform,
Biebtobieb, waarop bibliotheken op een laagdrempelige manier digitaal ideeën, kennis en ervaringen
delen.74
Het valt de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie op dat in de memorie van toelichting
het woord «boekhandel» in het geheel niet valt, terwijl lokale boekhandels toch ook
een belangrijke factor vormen in de lokale leescultuur. Hoe ziet de regering de rol
van boekhandels binnen het lokale leesecosysteem in het algemeen, en de samenwerking
met openbare bibliotheken in het bijzonder?
Het wetsvoorstel heeft betrekking op het publieke domein van de bibliotheek. De boekhandel
behoort tot het private, commerciële domein. Bibliotheken zijn – vrijwel altijd –
stichtingen zonder winstoogmerk, de boekhandels zijn private ondernemingen met een
commerciële doelstelling. Beide sectoren dragen op hun eigen manier bij aan de verspreiding
van kennis en informatie en aan de leescultuur. In de lokale praktijk werken bibliotheken
en boekhandels daarom in veel gevallen samen. Bijvoorbeeld bij evenementen als de
Boekenweek. Op landelijk niveau werken meerdere organisaties samen aan leesbevordering
in de Leescoalitie. Daarin participeren onder andere de collectieve Propaganda voor
het Nederlandse Boek (CPNB), Stichting Lezen en het Nederlands Letterenfonds.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie merken op dat de regering uitvoering geeft
aan de motie van het lid Mohandis c.s. over duurzame verankering van «de Bibliotheek
op school» met een wettelijke basis voor de specifieke rol van bibliotheken bij leesbevordering
voor de schoolgaande jeugd en de bekostiging daarvan. 75 Hoeveel scholen zullen hiermee aan de slag gaan?
In het kader van het Masterplan basisvaardigheden is in de periode 2023–2026 al € 74
miljoen vrijgemaakt voor de samenwerking tussen bibliotheken, scholen en kinderopvang.
Dankzij deze impulssubsidie is het aantal scholen en kinderopvangvoorzieningen dat
structureel samen met de bibliotheek aan leesbevordering werkt sterk gegroeid. Het
aantal po-scholen nam toe van 3.334 in 2023 naar 4.250 in 2025. Ook het aantal vo-scholen
is toegenomen van 292 in 2023 naar 482 in 2025. Met de structurele financiering kunnen
scholen en bibliotheken op deze basis voortbouwen.
Het voornemen is om de nieuwe subsidieregeling specifiek te richten op subsidiëring
van de adviestaak van bibliotheken op het gebied van leesbevordering, via de aanstelling
en scholing van leesmediaconsulenten. Met deze structurele middelen wordt het voor
bibliotheken mogelijk om hun adviserende rol ten aanzien van leesbevordering duurzaam
in te richten. Daarmee wordt ook de samenwerking met scholen gestimuleerd. Of deze
samenwerking tot stand komt of wordt doorgezet, is ook een keuze van de school, die
onder andere zal worden bepaald door de bekendheid en betrokkenheid van scholen met
de bibliotheek, het vertrouwen in de aanpak van de bibliotheek, de behoeften van de
school en de leerlingenpopulatie, en de bereidheid om te investeren in de gezamenlijke
opgave.
De jaarlijkse Gegevenslevering Wsob biedt inzicht in de samenwerking van bibliotheken
met de kinderopvang en het onderwijs. Hiermee wordt ook het bereik van bibliotheken
bij scholen gemeten.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie merken op dat de Kamer inmiddels ook de motie
van het lid Moorman c.s. heeft aangenomen over een schoolbibliotheek op elke school.76 Met lede ogen lazen deze leden dat de structurele financiering van dBos niet toereikend
is om alle scholen van een bibliotheek te voorzien, dat dit jaarlijks € 190 miljoen
zou kosten en dat dit niet beschikbaar is op de Rijksbegroting.77 Toch erkende de Minister dat zij een schoolbibliotheek ziet als een middel om een
rijke leesomgeving in te richten, zodat alle leerlingen een gevarieerde, actuele collectie
boeken onder handbereik hebben, maar het niettemin belangrijk vindt dat scholen hierin
een eigen keuze hebben. Ziet de regering wat dit betreft dan enig licht tussen haar
erkenning van de meerwaarde van schoolbibliotheken en de overwegingen in de motie
van het lid Moorman c.s. dat toegang tot een actuele boekencollectie en deskundige
begeleiding aantoonbaar bijdraagt aan de leesmotivatie en taalontwikkeling van leerlingen,
maar dat het ontbreken van een schoolbibliotheek de kloof vergroot tussen leerlingen
met en zonder toegang tot boeken thuis?
De regering ziet dat toegang tot een actuele boekencollectie en deskundige begeleiding
aantoonbaar bijdraagt aan de leesmotivatie en taalontwikkeling van leerlingen. Scholen
moeten met ingang van schooljaar 2026/2027 een rijke leesomgeving verzorgen. Een schoolbibliotheek
is een van de bewezen effectieve middelen om dit te doen. Indien een school ervoor
kiest om een schoolbibliotheek in te richten, dan kan de lokale bibliotheek de school
hierbij ondersteunen. De bibliotheek adviseert de school dan over de inrichting en
het onderhoud van de schoolbibliotheek. De regering financiert bibliotheken voor deze
adviestaak en biedt ook scholen financiële ondersteuning als onderdeel van het bekostigingsinstrument
basisvaardigheden78.
Naast de aanwezigheid van een bibliotheekvoorziening op school, zijn er andere maatregelen
die de toegang tot boeken vergroten, zoals het gratis jeugdlidmaatschap tot en met
18 jaar. Bibliotheken zetten zich ook op andere manieren in om het bereik onder kinderen
verder te vergroten en om drempels voor lidmaatschap te verlagen, bijvoorbeeld via
voorlichting, campagnes en programma’s zoals BoekStart voor jonge ouders.
Op welke onderwijssector(en) legt zij de focus bij het realiseren van volwaardige
schoolbibliotheekvoorzieningen?
De wettelijke taak in het wetsvoorstel betekent dat bibliotheken moeten bijdragen
aan leesbevordering bij onderwijsinstellingen in het werkgebied. De regering laat
daarbij de ruimte aan de bibliotheken om hierin eigen afwegingen te maken, passend
bij hun werkgebied. Het voornemen is om de subsidie die voor deze taak zal worden
verstrekt, te richten op het aanstellen van leesmediaconsulenten door de bibliotheek,
zodat de bibliotheek onderwijsinstellingen en ook aanbieders van kinderopvangvoorzieningen
kan adviseren over leesbevordering. Gemeenten zouden hieraan eventueel mede richting
kunnen geven door de afspraken die gemaakt worden in het kader van het meerjarenplan.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben voorts vragen over de rol van bibliotheken
in het bieden van ondersteuning bij digitalisering. Deze leden geloven dat de IDO’s
een onmisbare maatschappelijke functie hebben, omdat mensen daar terecht kunnen met
vragen over de digitale overheid. Tevens vervullen IDO’s een belangrijke rol in het
verbeteren van digitale vaardigheden, wat bijdraagt aan de brede maatschappelijke
opdracht van de bibliotheek.
Deze leden vragen de regering of zij samen met bibliotheken de mogelijkheid heeft
onderzocht om de dienstverlening van de IDO’s als wettelijke taak voor bibliotheken
op te nemen.
De Staatssecretaris van BZK onderzoekt of op termijn een wettelijke verankering mogelijk
is van de regierol van gemeenten bij het bieden van laagdrempelige en empathische
ondersteuning, waaronder de dienstverlening zoals deze nu door de IDO’s wordt geboden79.
De Staatssecretaris van BZK voert hierover primair het gesprek met betrokken partijen.
Bibliotheken worden ook betrokken bij dit gesprek, waarbij de Staatssecretaris van
OCW ondersteunt vanwege de verantwoordelijkheid die zij draagt voor het stelsel van
bibliotheken.
Is de regering bereid om met bibliotheken in gesprek te gaan over deze mogelijkheid?
De Staatssecretaris van BZK onderzoekt of op termijn een wettelijke verankering mogelijk
is van de regierol van gemeenten bij het bieden van laagdrempelige en empathische
ondersteuning, waaronder de dienstverlening zoals deze nu door de IDO’s wordt geboden.80
De Staatssecretaris van BZK voert hierover primair het gesprek met betrokken partijen.
Bibliotheken worden ook betrokken bij dit gesprek, waarbij de Staatssecretaris van
OCW ondersteunt vanwege de verantwoordelijkheid die zij draagt voor het stelsel van
bibliotheken.
Wat zijn de voor- en nadelen van het wettelijk borgen van IDO’s?
De voor- en nadelen van de wettelijke verankering van taken van gemeenten vragen om
een nadrukkelijke afweging van de wetgever gelet op de gemeentelijke autonomie, zoals
verankerd in artikel 124, eerste lid, van de Grondwet en in het Handvest inzake lokale
autonomie.
De wetgever hoeft in ieder geval niet in actie te komen om gemeentebesturen bevoegd
te maken. Gemeenten kunnen reeds zonder tussenkomst van de wetgever IDO’s inrichten
en in stand houden. Dat betekent dat nadere sturing door de wetgever enkel is aangewezen
wanneer de voordelen hiervan opwegen tegen de nadelen.
Een nadeel van een wettelijke regeling met betrekking tot gemeentelijke taakuitoefening
is in de eerste plaats het feit dat op een lokaal niveau niet meer ten volle kan worden
afgewogen welke dienstverlening het best aansluit bij de wensen en behoeften van de
inwoners. Ook de wijze waarop dienstverlening wordt ingericht blijft niet meer ten
vrije beoordeling van de lokaal gekozen volksvertegenwoordiging. In plaats daarvan
wordt het gemeentebestuur gedwongen uitvoering te geven aan keuzes die door het Rijk
zijn gemaakt. Het voordeel hiervan kan zijn gelegen in meer uniformiteit en de mogelijkheid
in te grijpen wanneer de vereiste inspanningen niet worden geleverd.
Een en ander veronderstelt uiteraard wel dat gemeenten ook worden gecompenseerd voor
de kosten van de wettelijke taak conform artikel 108, derde lid, Gemeentewet.
Zij verwijzen naar de aangenomen motie van de leden Kathmann en Vermeer die oproept
om de regiefunctie over de IDO’s bij de bibliotheken te beleggen.81 Momenteel ligt de regie bij gemeenten en de uitvoering bij bibliotheken. Kan de regering
toelichten hoe zij deze motie uitvoert en welke gesprekken er al plaatsvinden met
de bibliotheken over hun regiefunctie over de IDO’s?
De toenmalige Staatssecretaris van BZK heeft in de Verzamelbrief digitalisering december
2025 toegelicht hoe de regering met deze motie omgaat.82 In de brief is toegelicht dat de motie is geïnterpreteerd als een uiting van de brede
zorg in de Tweede Kamer dat de dienstverlening zoals geboden aan de burger door de
IDO’s zal verminderen. De Staatssecretaris heeft daarom bevestigd dat de inzet is
dat laagdrempelige en empathische ondersteuning in de vorm van de IDO-dienstverlening
in stand blijft, onder regie van gemeenten en met bibliotheken als één van de primaire
(maar niet exclusieve) uitvoerders.
De financiering van de IDO’s verloopt momenteel via het gemeentefonds, in de vorm
van de decentralisatie-uitkering (DU) Overheidsbrede Dienstverlening. Over de besteding
van deze middelen leggen gemeenten verantwoording af aan de gemeenteraad.
Voor de korte termijn is de Staatssecretaris van BZK in gesprek met gemeenten over
het maken van bestuurlijke afspraken om de dienstverlening zoals geboden door de IDO’s
zo veel als mogelijk te bestendigen; de bibliotheeksector is hierbij betrokken83.
Voor de langere termijn onderzoekt de Staatssecretaris van BZK of een wettelijke verankering
van de regierol van gemeenten mogelijk is bij het bieden van laagdrempelige en empathische
ondersteuning, waaronder de dienstverlening zoals deze nu wordt geboden door de IDO’s.84
De Staatssecretaris van BZK voert hierover primair het gesprek met betrokken partijen.
Bibliotheken worden ook betrokken bij dit gesprek, waarbij de Staatssecretaris van
OCW ondersteunt vanwege de verantwoordelijkheid die zij draagt voor het stelsel van
bibliotheken.
Welke rol heeft het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties hier en
welke rol heeft het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap?
De Staatssecretaris van BZK is beleidsmatig verantwoordelijk voor de uitvoering van
de beleidsvisie Persoonlijk en Dichtbij85 en daarmee voor de IDO’s en hun plek in het lokale ecosysteem van publieke dienstverlening.
Het Ministerie van BZK financiert ook de VNG, die gemeenten ondersteunt bij de invulling
van hun regierol, en is opdrachtgever van het landelijke ondersteuningsprogramma op
het gebied van deskundigheidsbevordering, monitoring en marketing, dat wordt uitgevoerd
door de KB.
Bibliotheken vervullen een belangrijke rol in de IDO-dienstverlening. De Staatssecretaris
van OCW is bij de beleidsvorming rondom de IDO’s betrokken vanwege de verantwoordelijkheid
die zij draagt voor het stelsel van bibliotheken.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zijn bezorgd over de financiële positie van
IDO’s. Deze leden wijzen op twee onderzoeken die zowel het belang van de IDO’s als
hun benarde financiële situatie schetsen.86 Volgens de leden blijkt hieruit de noodzaak voor het behouden en versterken van de
IDO’s als onmisbaar loket voor burgers. De Kamer heeft de motie van het lid Kathmann
aangenomen voor structureel extra middelen voor de IDO’s, inclusief dekking van de
jaarlijkse indexering.87 Hoe voert de regering deze motie uit?
In reactie op de aangenomen motie waarin wordt gevraagd om structureel extra middelen
voor de IDO’s heeft BZK de eerder aangekondigde structurele bezuiniging van 10 procent
op de IDO’s ongedaan gemaakt.88 De financiering van de IDO’s verloopt via het gemeentefonds, in de vorm van de DU
Overheidsbrede Dienstverlening. De omvang van het gemeentefonds groeit jaarlijks mee
met de ontwikkeling van het bruto binnenlands product, het zogenaamde accres. Dit
accres is vrij besteedbaar en wordt niet aan specifieke taken en of DU’s toegerekend.
Welke rol heeft het Ministerie van OCW in het op peil houden van deze voorziening
in de bibliotheek?
De Staatssecretaris van OCW is bij de beleidsvorming rondom de IDO’s betrokken vanwege
de verantwoordelijkheid die zij draagt voor het stelsel van bibliotheken. Vanwege
de verantwoordelijkheid van de Staatssecretaris van BZK voor de IDO’s, is hij primair
verantwoordelijk voor het op peil houden van de voorziening.
Erkent de regering dat IDO’s in de bibliotheek onmisbaar zijn en dat ze de zekerheid
moeten hebben dat ze een onderdeel blijven van de dienstverlening van bibliotheken?
De regering erkent dat laagdrempelige en empathische ondersteuning zoals de IDO-dienstverlening
van groot belang is. Gemeenten voeren de regie op deze dienstverlening. Bibliotheken
blijven één van de primaire (maar niet exclusieve) uitvoerders hiervan, met ruimte
voor gemeenten om, vanuit hun regierol, deze dienstverlening ook op andere plekken
dan de lokale bibliotheek te organiseren.89
Hoe kan OCW bijdragen aan die zekerheid, al dan niet door het borgen van de IDO’s
in de wet?
Vanwege de verantwoordelijkheid die OCW draagt voor het stelsel van bibliotheken wordt
OCW door BZK betrokken bij de gesprekken over eventuele wettelijke verankering van
de regierol van gemeenten bij het bieden van laagdrempelige en empathische ondersteuning,
waaronder de dienstverlening zoals deze nu door de IDO’s wordt geboden.
Welke gevolgen zou dit hebben voor de financiering van de IDO’s die nu via BZK verloopt?
De financiering van de IDO’s verloopt momenteel via het gemeentefonds, in de vorm
van de DU Overheidsbrede Dienstverlening, onder beleidsmatige verantwoordelijkheid
van de Staatssecretaris van BZK. Over de besteding van deze middelen leggen gemeenten
verantwoording af aan de gemeenteraad. De Staatssecretaris van BZK is in gesprek met
gemeenten over het maken van bestuurlijke afspraken om de IDO-dienstverlening zo veel
als mogelijk te bestendigen; de bibliotheeksector is hierbij betrokken.90
Wanneer de regierol van gemeenten bij het aanbieden van laagdrempelige en empathische
hulp aan burgers voor contact met de digitale overheid wettelijk zou worden verankerd,
dan blijft de financiering van de IDO-dienstverlening via het gemeentefonds verlopen.
Gemeenten krijgen dan een wettelijke taak of plicht om IDO-dienstverlening aan te
bieden. Hier kunnen, gelet op de beleidsvrijheid van gemeenten, in beginsel geen gedetailleerde
inhoudelijke of financiële eisen aan worden gesteld.
De leden van de PVV-fractie lezen dat het wetsvoorstel mede bedoeld is om het netwerk
van bibliotheken landelijk te versterken. Deze leden vragen de regering hoe wordt
voorkomen dat bibliotheken steeds meer worden belast met aanvullende maatschappelijke
taken, zoals sociale ondersteuning of educatieve programma’s, terwijl de kernfunctie;
toegang tot boeken en kennis van de Nederlandse taal, cultuur en geschiedenis, juist
onder druk staat.
Bibliotheekorganisaties hebben sinds geruime tijd een brede wettelijke taak. Op grond
van artikel 5 van de Wsob moeten zij in ieder geval de volgende vijf functies vervullen:
het ter beschikking stellen van kennis en informatie, het bieden van mogelijkheden
tot ontwikkeling en educatie, het bevorderen van lezen en het laten kennismaken met
literatuur, het organiseren van ontmoeting en debat en het laten kennis maken met
kunst en cultuur. De wettelijke taak van de bibliotheek omvat dus meer dan enkel het
bieden van toegang tot boeken en kennis van de Nederlandse taal, cultuur en geschiedenis.
De vijf functies uit artikel 5 van de Wsob zijn essentieel; aanvullende activiteiten
van de bibliotheekorganisaties mogen niet ten koste van deze functies gaan.
De leden van de PVV-fractie vragen de regering of zij kan aangeven hoeveel middelen
in de afgelopen tien jaar daadwerkelijk zijn geïnvesteerd in bibliotheekcollecties
en leesbevordering, en hoeveel middelen zijn gegaan naar aanvullende maatschappelijke
taken.
Bibliotheken hebben op grond van de Wsob (artikel 5) in ieder geval de volgende vijf
functies, die bijdragen aan persoonlijke ontwikkeling en verbetering van de maatschappelijke
kansen van het algemene publiek: het beschikbaar stellen van kennis en informatie,
het bieden van mogelijkheden voor ontwikkeling en educatie, leesbevordering en het
laten kennismaken met literatuur, organiseren van ontmoeting en debat en laten kennis
maken met kunst en cultuur. Hoe invulling wordt gegeven aan deze functies, inclusief
besteding van middelen, wordt bepaald door gemeentelijk beleid en door de bibliotheken
zelf. Hier is geen uitsplitsing per functie van beschikbaar.
De leden van de PVV-fractie vragen de regering duidelijk te maken hoe zij waarborgt
dat bibliotheken daadwerkelijk blijven investeren in leesbevordering en in programma’s
die bijdragen aan de kennis van de Nederlandse taal, cultuur en geschiedenis.
Het wetsvoorstel verstevigt de rol van openbare bibliotheken bij leesbevordering in
het onderwijs. Dit heeft in de praktijk ook betrekking op de beheersing van de Nederlandse
taal. Bibliotheken zullen bovendien structureel extra middelen ontvangen voor het
uitvoeren van deze activiteiten. Bovendien versterkt het wetsvoorstel met de zorgplicht
de uitvoering van de vijf functies. Hier valt ook het laten kennis maken met kunst
en cultuur onder.
De leden van de PVV-fractie constateren dat er structureel € 60 miljoen beschikbaar
wordt gesteld voor de verzwaring van de bestaande wettelijke bevorderingstaak van
gemeenten en openbare lichamen, als aanvulling op de gemeentelijke middelen voor openbare
bibliotheken. Deze leden vragen de regering te beargumenteren waarom deze structurele
investering noodzakelijk is, terwijl de taken voor gemeenten ten opzichte van artikel
5 van de Wsob slechts beperkt veranderen door de omzetting in een zorgplicht, aangezien
hiervoor binnen de bestaande gemeentelijke budgetten al financiële middelen beschikbaar
waren. Ook vragen de leden om een onderbouwing welke extra taken of verplichtingen
structureel € 60 miljoen rechtvaardigen.
Uit de evaluatie van de Wsob in 2020 kwam naar voren dat het aanbod en de dienstverlening
van bibliotheeklocaties verschraalde en terugliep. Om bibliotheekvoorzieningen in
elke gemeente te waarborgen, op peil te houden en waar nodig te verbeteren, introduceert
dit wetsvoorstel een zorgplicht. Het aanbod van bibliotheekvoorzieningen moet binnen
redelijke afstand toegankelijk zijn. Daarnaast moet er ten minste één voorziening
zijn die de vijf bibliotheekfuncties uit artikel 5 van de Wsob vervult, een fysieke
collectie en professionele personeelsbezetting heeft. Gemeenten moeten dit aanbod
beschrijven in hun bibliotheekbeleid in de vorm van een meerjarenplan. Dit is een
wezenlijke verandering van de bestaande taken, namelijk een verzwaring van de bestaande
wettelijke bevorderingstaak voor gemeenten en openbare lichamen, en dat vraagt om
structurele, extra inzet en daarmee structurele, extra financiering.
De leden van de PVV-fractie vragen waarom een tijdelijke intensivering via een bijzondere
uitkering aan Caribisch Nederland van € 385.000 noodzakelijk is.
De verzwaring van de taak door middel van de voorgestelde zorgplicht geldt ook voor
Caribisch Nederland. De openbare lichamen in Caribisch Nederland krijgen daarom, net
als gemeenten in Europees Nederland, structureel extra middelen om aan de zorgplicht
te voldoen.
Daarnaast vragen deze leden waarom ervoor is gekozen dit bedrag beschikbaar te stellen
via de vrije uitkering uit het BES-fonds, in plaats van via een geoormerkte uitkering,
en om hoeveel bibliotheken het gaat.
Voor de drie bibliotheken in Caribisch Nederland geldt op termijn een gelijksoortige
werkwijze als voor Europees Nederland, waarbij beleidsvrijheid het uitgangspunt is.
Gemeenten in Europees Nederland krijgen de extra middelen via het gemeentefonds uitgekeerd.
Voor Caribisch Nederland gebeurt dit stapsgewijs. In eerste instantie vindt de financiering
plaats via een bijzondere uitkering, waarbinnen het geld geoormerkt is voor besteding
aan de bibliotheek, die op termijn over zal gaan in een vrije uitkering uit het gemeentefonds
BES. Deze stapsgewijze werkwijze past beter bij de lokale situatie op de eilanden,
waar de versterking van het bibliotheekwerk de komende jaren nog meer maatwerk vraagt
dan in Europees Nederland.
De leden van de CDA-fractie vragen of de regering kan aangeven in hoeveel gemeenten
de bibliotheekvoorziening op dit moment niet voldoet aan de zorgplicht zoals in dit
wetsvoorstel voorgesteld wordt.
Formeel gezien valt deze vraag nu niet te beantwoorden; de provincies zullen in het
kader van hun toezichtstaak gaan controleren of gemeenten een volwaardige bibliotheek
hebben en voldoen aan de zorgplicht, zoals in het wetsvoorstel beschreven wordt in
het voorgestelde artikel 6, tweede lid, van de Wsob. Op basis van de meest recente
Gegevenslevering Wsob91 lijkt een volwaardige bibliotheekvoorziening conform de formulering in het wetsvoorstel
in elk geval nog te ontbreken in zes gemeenten.
Vier van deze gemeenten hebben in de periode 2023–2026 een specifieke uitkering aangevraagd
voor het tot stand brengen van een bibliotheekvestiging en twee gemeenten zetten in
op het maken van samenwerkingsafspraken met buurgemeenten.
Drie gemeenten hebben al samenwerkingsafspraken met buurgemeenten en twee gemeenten
hebben geen bibliotheekvestiging maar wel een bibliobus; daarmee kunnen zij, net als
de gemeenten met een of meerdere vestigingen, aan de zorgplicht gaan voldoen.
Ook vragen deze leden tot hoeveel extra of betere bibliotheekvoorzieningen dit wetsvoorstel
en de daarbij behorende extra middelen naar verwachting zullen leiden.
Sinds 2022 stelt de regering extra financiële middelen voor bibliotheken beschikbaar.
In eerste instantie zijn deze middelen in de vorm van een specifieke uitkering beschikbaar
verdeeld onder gemeenten, om het bibliotheeknetwerk te versterken. De activiteiten
waarvoor de specifieke uitkeringen zijn verstrekt, kunnen nog worden uitgevoerd tot
en met 31 december 2026.Daarom kan de regering nog geen uitspraak doen over de precieze
aantallen extra en betere voorzieningen die gemeenten met behulp van deze specifieke
uitkeringen gaan realiseren. Echter, de toegekende aanvragen van gemeenten geven wel
een indicatie van wat kan worden verwacht: gemeenten hebben 46 aanvragen voor nieuwe
vestigingen toegekend gekregen en honderd aanvragen voor het doorontwikkelen van beperkte
bibliotheekvoorzieningen naar vestigingen. De definitieve opbrengsten van de besteding
van de specifieke uitkeringen zullen na afloop van de specifieke uitkering eind 2026
openbaar worden gemaakt en met uw Kamer worden gedeeld.
Het wetsvoorstel heeft niet rechtstreeks tot doel om het aantal fysieke bibliotheekvoorzieningen
te beïnvloeden. De plicht om te voorzien in ten minste één voorziening met de vijf
bibliotheekfuncties, een fysieke collectie en een professionele personeelsbezetting,
zal in de gemeenten die hier nog niet aan voldoen veelal de vorm krijgen van een bibliotheekvestiging.
In combinatie met de investeringen via de specifieke uitkeringen van de afgelopen
jaren verwacht de regering daarom dat het aantal fysieke vestigingen de komende jaren
verder zal toenemen.
Op grond van de Wsob verzamelt en publiceert de KB jaarlijks de zogeheten Gegevenslevering
Wsob92 met gegevens over de openbare bibliotheeksector. In deze monitor zal op termijn zichtbaar
worden hoe het stelsel zich heeft ontwikkeld en welke effecten de wetswijziging en
de extra financiële middelen hebben op het bibliotheekstelsel.
Tot slot zal bij de wetsevaluatie na vijf jaar worden onderzocht of en hoe gemeenten
aan hun wettelijke zorgplicht voldoen en hoe het bibliotheekstelsel met de gewijzigde
wet functioneert. In het kader van de evaluatie zal ook aandacht zijn voor ontwikkelingen
in onder andere het aantal en de soorten bibliotheekvoorzieningen.
De leden van de CDA-fractie lezen dat de regering bij amvb nadere eisen wil stellen
aan de inhoud van het meerjarenplan. Wordt hierin ook een verplichting opgenomen om
inzichtelijk te maken hoe de extra middelen voor het bibliotheekwerk ingezet worden?
Het meerjarenplan biedt een meerjarenperspectief voor het bibliotheekwerk, een begroting
is hier een onderdeel van. Deze begroting heeft betrekking op alle middelen die een
gemeente aan de bibliotheek besteedt, inclusief de extra middelen die vanuit het Rijk
structureel aan het gemeentefonds worden toegevoegd.
Deze leden vragen of de regering voornemens is de concept amvb nader in te vullen
en te delen met de Kamer voorafgaand aan de plenaire behandeling.
Een voorhangprocedure voor de amvb is niet voorzien, aangezien het om een detailuitwerking
gaat van de onderdelen in het meerjarenplan die reeds genoemd zijn in de memorie van
toelichting, maar het concept-Besluit is wel gepubliceerd in het kader van een internetconsultatie
die van 9 februari 2026 tot 27 maart 2026 gehouden is.93
Deze leden lezen in het conceptbesluit dat een opsomming gegeven wordt van de onderdelen
die moeten worden opgenomen in het meerjarenplan (artikel 2, tweede en derde lid).
De leden vragen of deze opsomming limitatief is, zoals ook gevraagd is door de provincies
die hierop als toezichthouder zullen gaan toezien.
De onderdelen die in het conceptbesluit94 genoemd staan moeten in ieder geval in het meerjarenplan terugkomen. Het betreft
geen limitatieve opsomming. Gemeenten en openbare lichamen hebben de vrijheid ook
andere onderwerpen op te nemen in het meerjarenplan.
Zij vragen ook of bij het meerjarenplan ook meerjarige afspraken over de subsidie
of bekostiging horen. Hoe kijkt de regering hiernaar?
Een begroting voor de uitvoering van de zorgplicht is onderdeel van het meerjarenplan,
waarvoor de criteria zijn neergelegd in het concept-Besluit stelsel openbare bibliotheekvoorzieningen.
Het ligt voor de hand dat gemeenten en openbare lichamen bibliotheken daarmee een
meerjarig financieel perspectief bieden, passend bij de ambities uit het meerjarenplan.
In hoeveel gemeenten is al sprake van meerjarige subsidie of bekostiging en in hoeveel
gemeenten niet?
Gemeenten hebben de vrijheid om de looptijd van subsidies of bekostiging zelf in te
richten. Hierover is geen specifieke informatie per gemeente beschikbaar op landelijk
niveau. In het concept-Besluit stelsel openbare bibliotheekvoorzieningen95 is wel geregeld dat alle gemeenten in het meerjarenplan door middel van de begroting
een meerjarig financieel perspectief geven voor de invulling van de zorgplicht aan
bibliotheken.
De leden van de CDA-fractie vragen of de regering wil ingaan op het normenkader dat
afgelopen jaren is ontwikkeld door de VNG en VOB in aanloop naar deze wet. Deze leden
vragen of de regering kan toelichten hoe dit normenkader de afgelopen jaren is gebruikt
en wat de ervaringen hiermee zijn.
Lopende de voorbereiding van het wetsvoorstel en de afstemming hierover met betrokken
partijen, waaronder de VNG en de VOB, hebben beide partijen besloten in aanloop naar
de introductie van het wetsvoorstel met een zorgplicht streefwaarden te ontwikkelen,
in eerste instantie aangeduid met de term «normenkader». Het betreft streefwaarden
ten aanzien van de gewenste financiering en kwaliteit van openbare bibliotheken, waarbinnen
gemeenten worden gecategoriseerd op basis van inwonertallen. Het gegeven dat de zorgplicht
een minimale ondergrens bevat, was voor de betrokken partijen een belangrijke aanleiding
om tot streefwaarden te komen: partijen willen de streefwaarden gebruiken om gemeenten
te stimuleren de zorgplicht ambitieus in te vullen. De streefwaarden zijn niet formeel
gepubliceerd en ook nog niet in gebruik, al is het eerdere «normenkader» wel digitaal
terug te vinden96. De streefwaarden worden overigens niet opgenomen in de Wsob maar worden gepubliceerd
in een handreiking voor gemeenten die de VNG in samenspraak met de VOB ontwikkelt.
De leden van de CDA-fractie constateren dat er regio’s zijn in het land waar intensief
samengewerkt wordt als het gaat om de bibliotheekvoorziening, zoals bijvoorbeeld de
Brainportregio of de regio Waterland. Deze leden vragen of de wet de ruimte biedt
om een regionaal meerjarenplan op te stellen, welke vervolgens vastgesteld kan worden
door ieder afzonderlijk college.
De zorgplicht, zoals vastgelegd in het voorgestelde artikel 6 van de Wsob, bepaalt
uitsluitend dat gemeenten een eigen meerjarenplan moeten opstellen. Dat sluit een
regionaal meerjarenplan in aanvulling op het gemeentelijk meerjarenplan niet uit.
De regering acht het goed mogelijk dat gemeenten de eigen plannen afstemmen met elkaar
en een additionele regionale versie van een meerjarenplan ontwikkelen.
De leden van de CDA-fractie delen het belang van wettelijke verankering van leesbevordering
in het onderwijs. Deze leden vragen of de regering nader wil ingaan op enerzijds de
eigen rol van de lokale bibliotheek en anderzijds de eigen rol van de school/onderwijsinstelling.
Hoe ziet dit er in de praktijk uit?
De wettelijke taak betekent dat bibliotheken moeten bijdragen aan leesbevordering
bij onderwijsinstellingen in haar werkgebied. De regering laat daarbij de ruimte aan
de bibliotheken om hierin eigen afwegingen te maken, passend bij hun werkgebied. Het
voornemen is om de subsidie die voor deze taak zal worden verstrekt, te richten op
het aanstellen van leesmediaconsulenten door de bibliotheek, zodat de bibliotheek
onderwijsinstellingen en ook aanbieders van kinderopvangvoorzieningen kan adviseren
over leesbevordering.
Aan de andere kant kan de school de rol van leesbevorderaar bijvoorbeeld invullen
door ervoor te zorgen dat alle leerlingen toegang hebben tot boeken op school en dat
er met boeken gewerkt wordt in de klas. Dit kan bijvoorbeeld door voor te lezen, leerlingen
zelf te laten lezen, en over boeken te praten en te schrijven. Leesbevordering op
school wordt geborgd in de geactualiseerde kerndoelen Nederlands, die met ingang van
volgend schooljaar van kracht zullen worden. Scholen ontvangen vanaf 2027 structurele
bekostiging voor de basisvaardigheden die zij kunnen inzetten voor leesbevordering
en een rijke taalomgeving in hun onderwijs.
De leden van de CDA-fractie vragen hoe de financiering van de bibliotheek op school
in de praktijk werkt. Deze leden vragen of het klopt dat de bibliotheek afhankelijk
is van de aanvraag door de school, en of het klopt dat het geld verdeeld wordt op
basis van de eerste aanvragers. Kan de regering dit nader toelichten? Hoe ziet de
regering de verdeling van de middelen over Nederland voor zich?
Het voornemen is om de subsidieregeling op grond van artikel 8a van het wetsvoorstel
zo in richten dat elke lokale bibliotheek aanspraak kan maken op structurele subsidie
voor de uitvoering van de wettelijke taak. De bibliotheek is voor de aanspraak op
deze subsidie niet afhankelijk van een aanvraag door een onderwijsinstelling, en de
subsidie zal niet op volgorde van binnenkomst van de aanvragen worden verdeeld. Het
voornemen is om de subsidie die voor deze taak zal worden verstrekt, te richten op
het aanstellen van leesmediaconsulenten door de bibliotheek, zodat de bibliotheek
onderwijsinstellingen en ook aanbieders van kinderopvangvoorzieningen kan adviseren
over leesbevordering. In principe kan elke school bij de bibliotheek terecht voor
advies. Met hoeveel onderwijsinstellingen er afspraken worden gemaakt door de leesmediaconsulenten,
is ook afhankelijk van de vraag en de inzet van de instellingen; bibliotheken kunnen
instellingen actief benaderen.
Er wordt gewerkt aan een subsidieregeling op basis van een evenredige verdeling van
de middelen over alle bibliotheken, waarschijnlijk op basis van het inwoneraantal
van nul t/m achttien jaar in het werkgebied van de bibliotheek. Daarbij wordt een
minimumbedrag aangehouden waardoor ook de kleinere bibliotheken in staat zullen worden
gesteld om hun wettelijke taak uit te voeren door het in dienst hebben van ten minste
één leesmediaconsulent.
De leden van de SGP-fractie vragen of de regering kan aangeven in hoeveel gevallen
bij bibliotheken is van een zelfstandige rechtspersoon en in hoeveel gevallen sprake
is van een onzelfstandig onderdeel van de gemeenten.
Vrijwel alle bibliotheekvoorzieningen in Europees en Caribisch Nederland worden verzorgd
door zelfstandige rechtspersonen, de lokale bibliotheken. De uitzonderingen zijn Den
Haag, Maastricht en Bonaire. Daar is de bibliotheek onderdeel van de gemeente dan
wel het openbaar lichaam. In Bonaire loopt momenteel het traject om de bibliotheekorganisatie
te verzelfstandigen. Dit traject zal naar verwachting rond de zomer van 2026 zijn
afgerond.
Welke overwegingen liggen ten grondslag aan de keuze om de bibliotheek niet onder
een zelfstandige rechtspersoon te laten functioneren?
De gemeenten en de openbare lichamen zijn verantwoordelijk voor het in stand houden
van een bibliotheekvoorziening. De keuze voor het onderbrengen van de bibliotheek
in een zelfstandige rechtspersoon is daarmee ook aan de gemeente dan wel het openbaar
lichaam. Het is niet passend voor de regering om hier uitspraken over te doen.
De leden van de SGP-fractie vragen in hoeverre voor scholen een recht bestaat om de
bibliotheek op school te kunnen realiseren dan wel dat scholen achter het net kunnen
vissen wanneer het budget van de gemeente is uitgeput of onvoldoende capaciteit bestaat
om nieuwe scholen te bedienen. Waarom is ervan afgezien om in de regeling inzake leesbevordering
ook de aanspraak inzake de bibliotheek op school te verankeren?
Er komt een wettelijke taak voor bibliotheken om onderwijsinstellingen te ondersteunen
bij leesbevordering. Het voornemen is om de subsidie die voor deze taak zal worden
verstrekt, te richten op het aanstellen van leesmediaconsulenten door de bibliotheek,
zodat de bibliotheek onderwijsinstellingen en ook aanbieders van kinderopvangvoorzieningen
kan adviseren over leesbevordering.
Scholen hebben de vrijheid om het budget dat zij via de bekostiging basisvaardigheden
ontvangen naar eigen inzicht aan de basisvaardigheden te besteden. Dat kan bijvoorbeeld
ook door te investeren in een bibliotheek op school. Hoe vervolgens de inrichting
van een bibliotheek op school eruitziet is ook afhankelijk van de keuzes die de school
maakt.
Alle scholen hebben in principe de mogelijkheid een schoolbibliotheek in te richten.
Zij kunnen dit doen met hulp van de lokale bibliotheek, maar zij zijn hier niet afhankelijk
van. Er zijn ook scholen die een schoolbibliotheek hebben zonder ondersteuning van
de lokale bibliotheek. Er is bewust voor gekozen om de adviserende rol van de bibliotheek
bij leesbevordering te verankeren. Dat maakt het mogelijk om bibliotheken structureel
en generiek te financieren voor deze taak en geeft tegelijkertijd keuzevrijheid aan
de scholen.
De leden van de SGP-fractie wijzen erop dat vrijwilligers een grote rol spelen bij
het in stand houden van de bibliotheekvoorzieningen in gemeenten. Deze leden stellen
vast dat de aanwezigheid van een professionele personeelsbezetting wel als vereiste
in de wet is opgenomen, maar dat de positie van vrijwilligers nergens blijkt. Integendeel,
het recht van burgers om betrokken te zijn bij de voorzieningen en deze zelfs over
te kunnen nemen, wordt door het wetsvoorstel geschrapt. Deze leden vragen een toelichting
op deze keuze en op de vraag waarom de wet niet uitdrukkelijk de positie van vrijwilligers
benoemt, bijvoorbeeld door in het beleidsplan daaraan ook aandacht te moeten besteden.
Bibliotheekorganisaties vormen samen met de POI's en de KB een netwerk; alle netwerkpartners
werken intensief samen, bijvoorbeeld om evenwichtige collecties op te bouwen, het
interbibliothecair leenverkeer te organiseren, digitaal informatie uit te wisselen
en het onderwijs te ondersteunen. Hierin kwaliteit leveren is een vak en vergt expertise
en continuïteit. Om dit in alle gemeenten te kunnen doen, werken volwaardige bibliotheekvoorzieningen
zoals voorzien in het wetsvoorstel nooit met alleen vrijwilligers maar hebben ze altijd
(ook) betaalde krachten in dienst. De regering vermeldt de «professionele personeelsbezetting»
in de wet om bij deze praktijk aan te sluiten en een minimumniveau van dienstverlening
te borgen. Het enkel beschikken over vrijwilligers is daarmee onvoldoende om te voldoen
aan de zorgplicht. Echter, vrijwilligers spelen bij veel bibliotheken een belangrijke
rol en veel bibliotheken voeren een actief vrijwilligersbeleid. Vrijwilligers zijn
hiermee van groot belang voor de bibliotheeksector.
De leden van de SGP-fractie constateren dat het wetsvoorstel de bibliotheek duidelijker
positioneert als toegankelijke voorziening in de lokale gemeenschap. Deze leden vragen
de regering tegen deze achtergrond nader in te gaan op de wettelijke mogelijkheid
dat het lidmaatschap van de openbare bibliotheek zich ook kan beperken tot de landelijke
digitale bibliotheek.
Leden van de openbare bibliotheek kunnen zonder meerkosten gebruik maken van de online
bibliotheek. Al sinds de inwerkingtreding van de Wsob in 2015 bestaat de mogelijkheid
alleen lid te zijn van de digitale bibliotheek, het digital only lidmaatschap. Dit betreft personen die alleen geïnteresseerd zijn in het digitale
aanbod. Een zeer beperkte groep maakt van deze mogelijkheid gebruik; momenteel hebben
ongeveer 25.000 mensen alleen een digitaal lidmaatschap, overeenkomend met ongeveer
3 procent van het totale aantal leden van de online bibliotheek. Dit aandeel blijft
constant en toont aan dat deze lidmaatschapsvorm voorziet in een specifieke behoefte.
De toegankelijkheid van de lokale bibliotheekvoorziening(en) speelt hier slechts beperkt
een rol. Dit is een groep die geïnteresseerd is in het lezen en lenen van e-books,
maar niet naar de lokale bibliotheek toe wil of kan gaan en ook niet voor het fysieke
aanbod wil betalen.97 Deze groep zou dus niet meer worden bereikt, wanneer zij altijd verplicht lid zouden
moeten worden van een lokale bibliotheek.
Zij vragen waarom deze wetswijziging geen aanleiding vormt om te regelen dat het lidmaatschap
van de bibliotheek ook altijd het lidmaatschap van de lokale bibliotheek omvat, zonder
dat dit tot extra verplichtingen hoeft te leiden voor degenen die vrijwel uitsluitend
gebruik wensen te maken van de digitale bibliotheek. Een dergelijke keuze benadrukt
de verantwoordelijkheid die inwoners hebben voor dit onderdeel van de gemeenschap,
dat algemeen toegankelijk is en iedereen ten goede kan komen. Deze leden wijzen er
bovendien op dat burgers bij vragen over de digitale bibliotheek vaak toch aankloppen
bij de lokale bibliotheek en dat het in de praktijk kennelijk vaak niet realistisch
is om te veronderstellen dat men helemaal zonder de verbinding met de lokale bibliotheek
kan.
Digital only leden lenen wel graag e-books en luisterboeken, maar gaan niet naar de lokale bibliotheek
en willen ook niet (extra) voor het lokale fysieke aanbod betalen.98 De verwachting van de regering is dan ook niet dat digitale leden zich medeverantwoordelijk
gaan voelen voor de lokale bibliotheek door middel van een lidmaatschap, zelfs wanneer
wettelijk geregeld zou worden dat lokale bibliotheken hiervoor geen extra kosten mogen
rekenen. Daarom vindt de regering het niet wenselijk om het digitale lidmaatschap
alleen nog in combinatie met het lidmaatschap van de lokale bibliotheek aan te bieden.
Voor wat de verbinding tussen de digitale en lokale bibliotheek betreft, wijst de
praktijk uit dat digitale leden én lokale leden hun vragen over de digitale bibliotheek
niet zozeer bij de lokale bibliotheek stellen, maar vooral bij de KB, die de online
bibliotheek in stand houdt. Lokale bibliotheken verwijzen voor vragen over de digitale
bibliotheek ook vaak naar de KB.
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering om nader te definiëren wat
ze bedoelt met de «redelijke afstand» waarbinnen inwoners van Nederland volgens het
wetsvoorstel toegang zouden moeten hebben tot een volwaardige openbare bibliotheek.
Of de afstand tot het aanbod van bibliotheekvoorzieningen redelijk is, hangt af van
de lokale context. Gemeenten en openbare lichamen moeten, volgens het concept-Besluit
stelsel openbare bibliotheekvoorzieningen dat in het voorjaar van 2026 in internetconsultatie
is geweest, in hun meerjarenplan voor het bibliotheekbeleid toelichten hoe zij met
de lokale context rekening houden, dat wil zeggen met demografische en geografische
kenmerken van gemeenten en openbare lichamen (waaronder de oppervlakte en het aantal
inwoners) plus sociaal-maatschappelijke factoren. Voor een gemeente met veel kleine
kernen en een beperkt aantal inwoners kan, bijvoorbeeld, gekozen worden voor een bibliotheekvoorziening
in één of twee kernen, waar ook andere voorzieningen geconcentreerd zijn en inwoners
gewend zijn naartoe te reizen. De afstand tot een bibliotheekvoorziening is in dergelijke
gemeenten mogelijk groter dan in een grote stad, waar meer mensen op een kleiner oppervlakte
leven en het een passende keuze kan zijn om naast de hoofdvestiging meerdere bibliotheekvoorzieningen
op wijkniveau in te richten vanwege het grotere aantal inwoners.
Kan de regering hierbij specifiek in gaan op de situatie van gemeenten met een relatief
lage bevolkingsdichtheid, maar wel met een grote oppervlakte?
De regering houdt in het wetsvoorstel rekening met verschillen tussen gemeenten door
zoveel mogelijk ruimte te geven aan lokaal maatwerk. Hierbij is geluisterd naar de
reacties op de het wetsvoorstel uit de internetconsultatie. Dit is terug te zien in
een meer kwalitatieve benadering van de zorgplicht: het begrip «bibliotheekvestiging»
is aangepast naar het ruimere begrip «bibliotheekvoorziening» en kwantitatieve eisen
zoals een uren-norm zijn weggelaten. Gemeenten kunnen door deze wijzigingen in het
wetsvoorstel keuzes maken die passen bij hun lokale situatie.
Dankzij de nieuwe benadering van de zorgplicht ontstaat ruimte voor gemeenten met
een relatief lage bevolkingsdichtheid en een grote oppervlakte om het aanbod te concentreren
op een locatie in de gemeente waar ook andere voorzieningen geconcentreerd zijn en
waar inwoners gewend zijn naartoe te reizen; de redelijke afstand kan in een dergelijke
gemeente fysiek iets groter zijn dan bijvoorbeeld in een grote stad. Voor sommige
gemeenten met een relatief lage bevolkingsdichtheid en een grote oppervlakte kan een
mobiele bibliotheekvoorziening, zoals een bibliobus, een passende optie zijn. Ook
hier biedt de meer kwalitatieve benadering van de zorgplicht ruimte voor.
Acht de regering het voorstelbaar dat er discussie kan ontstaan over wat al dan niet
een redelijke afstand is?
De regering acht het voorstelbaar en zelfs wenselijk dat hierover een gesprek ontstaat,
bijvoorbeeld tussen lokale overheden en bibliotheken, binnen en tussen gemeenten,
of tussen gemeenten en provincies. De definitie van het begrip «redelijke afstand»
is afhankelijk van de lokale context. Gemeenten en openbare lichamen moeten in hun
meerjarenplan toelichten hoe het aanbod van bibliotheekvoorzieningen eruit ziet en
daarin de toegankelijkheid toelichten aan de hand van demografische en geografische
kenmerken (waaronder de oppervlakte en het aantal inwoners) plus sociaal-maatschappelijke
factoren. Het beargumenteren van de betekenis van het begrip «redelijke afstand» in
relatie tot de lokale context vraagt om reflectie op de betekenis van de lokale context
voor de voorzieningen en het aanbod van de bibliotheek. Het is belangrijk dat die
reflectie plaatsvindt en dat lokale overheden hierover in gesprek gaan met bibliotheken.
Ook de VNG zal, bijvoorbeeld via de handreiking, aanmoedigen dat deze dialoog op gang
komt.
Via het CBS komen bovendien jaarlijks data beschikbaar over de afstand tot bibliotheekvoorzieningen.
Op basis daarvan kunnen de bij de Wsob betrokken partijen in een jaarlijks bestuurlijk
overleg de vinger aan de pols houden en monitoren of het begrip redelijke afstand
geen ongewenste bijeffecten heeft.
Wie bepaalt uiteindelijk wat deze redelijke afstand is?
Gemeenten en openbare lichamen krijgen de plicht te voorzien in een aanbod van bibliotheekvoorzieningen
dat als geheel binnen redelijke afstand toegankelijk is. Wat een redelijke afstand
is, is afhankelijk van de lokale context. Het college van burgemeester en wethouders
dan wel het bestuurscollege bepaalt hoe het aanbod er lokaal uit komt te zien en licht
dit toe in het meerjarenplan, op basis van demografische en geografische kenmerken
van gemeenten en openbare lichamen plus sociaal-maatschappelijke factoren. Colleges
leggen aan hun gemeenteraden verantwoording af over hun keuzes en beleid. De provincie
houdt toezicht op de uitvoering van de zorgplicht door gemeenten, onder andere via
het meerjarenplan.
De leden van de ChristenUnie-fractie lezen dat onderhavig wetsvoorstel een wettelijke
zorgplicht regelt dat inhoudt dat er in iedere gemeente of openbaar lichaam tenminste
één bibliotheekvoorziening is. Deze leden vragen of het volgens de regering ook redelijk
zou zijn als in de buurt van de grens tussen gemeenten één bibliotheekvoorziening
zou zijn gevestigd, waardoor er weliswaar niet in elke gemeente een bibliotheekvoorziening
is, maar wel is gewaarborgd dat de inwoners van beide gemeenten een bibliotheekvoorziening
in de buurt hebben. Kan de regering dit toelichten?
Het college van burgemeester en wethouders dan wel het bestuurscollege houdt als onderdeel
van het aanbod van bibliotheekvoorzieningen ten minste één bibliotheekvoorziening
in stand die alle vijf de functies uit artikel 5 van de Wsob omvat, een fysieke collectie
heeft en over een professionele personeelsbezetting beschikt. Met «in stand houden»
wordt ook «mede in stand houden» bedoeld, samen met een buurgemeente. Daarbij moet
het aanbod wel op redelijke afstand toegankelijk zijn en moet de betreffende voorziening
voldoen aan alle drie eerder genoemde eisen.
De leden van de ChristenUnie-fractie lezen dat de Minister in afstemming met de openbare
lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba één provinciale ondersteuningsinstelling
wil aanwijzen. Deze leden vragen waarom deze afstemming niet al heeft plaatsgevonden
en de provinciale ondersteuningsinstelling al bij wet wordt aangewezen.
In 2023 is in overleg met de openbare lichamen een pilot gestart waarbij bibliotheken
in Caribisch Nederland worden ondersteund door een POI. Er is regelmatig contact met
zowel openbare lichamen als bibliotheken in Caribisch Nederland. De ondersteuning
voor het bibliotheekwerk in Caribisch Nederland wordt met het wetsvoorstel structureel
van aard. De Minister zal voor het verlenen van deze ondersteuning een subsidie verstrekken
aan een POI. Omdat deze subsidie een schaars recht is, is wenselijk om voor de aanwijzing
van de POI een eerlijke en transparante procedure te doorlopen, waarbij ook de openbare
lichamen betrokken worden. Daarom wordt in de wet niet al één specifieke POI voor
de ondersteuning van Caribisch Nederland aangewezen.
Zij vragen tevens waarom de regering ervoor kiest om de aanwijzing plaatsvindt voor
een periode van vijf jaar. Wat is hierachter de gedachte? Waarom bijvoorbeeld geen
vier of zes?
De keuze voor een periode van vijf jaar is in zekere zin arbitrair, vier of zes jaar
had ook gekund. Omdat de wet minimaal elke vijf jaar geëvalueerd moet worden, biedt
de keuze voor een periode van vijf jaar ruimte om de lopende aanwijzing in de komende
wetsevaluatie mee te nemen en afspraken waar nodig naar aanleiding van de evaluatie
aan te passen.
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen waarom er voor gekozen is om één provinciale
ondersteuningsinstelling voor de BES-eilanden aan te wijzen, in plaats voor elk eiland
één. Kan de regering dat toelichten?
Het aantal inwoners en bibliotheekvoorzieningen in Caribisch Nederland is beperkt,
daarom wordt één POI voor alle drie de eilanden aangewezen. In Europees Nederland
werkt één POI ook voor alle bibliotheken in het eigen werkgebied, de provincie. Uit
de lopende pilot blijkt dat het hebben van één provinciale ondersteuningsinstelling
voor alle drie de eilanden in Caribisch Nederland goed werkt. De verwachting is dat
dit zo zal blijven onder de nieuwe subsidie.
2.2 Wijziging Auteurswet en de Wet op de naburige rechten
De leden van de VVD-fractie onderschrijven dat fair pay een belangrijke pijler is
in het cultuurbeleid en achten het van belang dat makers, zoals auteurs en illustratoren,
een eerlijke vergoeding ontvangen voor het gebruik van hun werken. Genoemde leden
lezen dat de vergoeding wordt bepaald aan de hand van de formule P X Q, waarbij de
Q periodiek zal worden benaderd door periodiek onderzoek. Deze leden vragen de regering
onder periodiek wordt verstaan.
Onder «periodiek» wordt hier verstaan een termijn van drie jaar. Deze termijn is afgesproken
tijdens het bestuurlijk overleg over leenrechtvergoedingen bij uitleningen vanuit
scholen in 2022 tussen de toenmalig Staatssecretaris van OCW, de Auteursbond, de Groep
Algemene Uitgevers (GAU), Stichting Leenrecht, de PO-raad, de VO-raad, de KB, de VNG,
de VOB, Stichting Lira, Stichting Pictoright en Stichting Lezen. In 2023 is een dergelijk
onderzoek voor de eerste keer uitgevoerd.99 In 2026 wordt het onderzoek voor het eerst herhaald.
De leden van de VVD-fractie hebben begrip voor de keuze om scholen en mbo-instellingen
niet te verplichten een uitleenadministratie bij te houden, mede met het oog op het
beperken van administratieve lasten. Tegelijkertijd achten deze leden het van belang
dat de gegevens waarop de leenrechtvergoeding wordt gebaseerd voldoende betrouwbaar
en representatief zijn. Daarom vragen zij hoe de regering de bereidheid van scholen
en mbo-instellingen inschat om op vrijwillige basis gegevens aan te leveren in het
kader van beleidsonderzoek. In hoeverre bestaat het risico dat de respons beperkt
of selectief is, en wat betekent dit voor de kwaliteit van de uitkomsten?
De aan het woord zijnde leden stellen terecht dat de gegevens over uitleningen van
werken door scholen en mbo-instellingen voor het berekenen van de leenrechtvergoeding
voldoende betrouwbaar en representatief moeten zijn. Het voornoemde onderzoek uit
2023 toont dat dit kan en dat voldoende scholen en mbo-instellingen bereid zijn om
op vrijwillige basis gegevens over de uitleningen van werken op schoolbibliotheken
te delen.100 De regering verwacht dat dit zo zal blijven onder de nieuwe wettelijke basis. De
ervaringen met het onderzoek geven daarbij geen aanleiding te veronderstellen dat
de respons te beperkt of selectief zal zijn.
De leden van de VVD-fractie lezen dat de keuze om leenrechtvergoeding niet bij scholen
en mbo-instellingen neer te leggen, mede is gemaakt om het mee naar huis nemen van
boeken door scholieren en mbo-studenten te stimuleren. Deze leden onderschrijven het
belang dat boeken ook buiten de schoolomgeving worden gelezen. Tegen deze achtergrond
vragen de leden op welke wijze het thuis lezen door scholieren en mbo-studenten nog
meer wordt gestimuleerd.
Bibliotheken bieden activiteiten die het (thuis of op school) lezen stimuleren, voor
scholieren en ook voor mbo-studenten. Leesmediaconsulenten hebben onder andere de
taak om ouders te informeren over het belang van (thuis) lezen. Daarnaast is er de
online Bibliotheek, altijd bereikbaar én met een gratis jeugdlidmaatschap tot achttien
jaar. Voor studenten van achttien jaar en ouder is het afhankelijk van de lokale situatie
of er afspraken worden gemaakt over gratis lidmaatschap, uitgezonderd de online Bibliotheek
vanwege de afspraken die met uitgevers zijn gemaakt in het Convenant e-lending.
De leden van de VVD-fractie hechten aan een zorgvuldige en juridisch houdbare vormgeving
van de leenrechtvergoeding, waarbij zowel de belangen van rechthebbenden als de uitvoerbaarheid
voor onderwijsinstellingen in balans zijn. Deze leden vragen daarom in hoeverre de
voorgestelde methode om te komen tot een billijke vergoeding, waarbij wordt uitgegaan
van een periodiek onderzoek naar het aantal uitgeleende werken zonder dat scholen
en mbo-instellingen verplicht zijn een uitleenadministratie bij te houden, in overeenstemming
is met het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 30 juni 2011.101
Om de hoogte van de billijke vergoeding voor het uitlenen van werken door scholen
en mbo-instellingen te berekenen, is voor een praktische benadering gekozen die rekening
houdt met zowel de belangen van de betrokken rechthebbenden als die van de scholen
en mbo-instellingen. Rechthebbenden moeten een eerlijke vergoeding kunnen krijgen
voor het gebruik van hun werken en scholen en mbo-instellingen moeten zich kunnen
richten op hun kerntaak zonder belast te worden met extra administratie en kosten.
Zoals reeds aangegeven, wordt de hoogte van de billijke vergoeding voor het uitlenen
van werken door scholen en mbo-instellingen berekend middels een P x Q formule. Hierbij
staat P voor de vergoeding per uitlening, zoals deze jaarlijks wordt vastgesteld door
de Stichting Onderhandelingen Leenvergoedingen (StOL) en worden ter onderbouwing van
de Q gegevens over uitleningen van werken door scholen en mbo-instellingen verzameld
middels een periodiek onderzoek. Hierbij moet onder «periodiek» een termijn van drie
jaar worden verstaan. Uit het eerste periodieke onderzoek uit 2023 is naar voren gekomen
dat het mogelijk is om een representatief beeld te krijgen van de omvang van het uitlenen
op scholen en mbo-instellingen op basis waarvan rechthebbenden billijk gecompenseerd
kunnen worden. Want hoewel scholen geen uitleenadministratie hoeven bij te houden
zijn op dit moment voldoende scholen, met name in primair en voortgezet onderwijs,
die op vrijwillige basis de uitleningen bijhouden. Op scholen waar het programma «De
bibliotheek op school» draait, houdt de KB bovendien de uitleningen volledig bij.
Op basis van deze datasets wordt een inschatting gemaakt van het aantal uitleningen
op alle scholen. Er wordt op gelet dat de steekproef representatief is, zodat conclusies
kunnen worden getrokken voor heel Nederland.102 Deze wijze van berekenen is in lijn met de strekking van het arrest van het Hof van
Justitie van de Europese Unie van 30 juni 2011 in zaak C-271/110 tussen Vewa en de
Belgische Staat, waaruit blijkt dat bij het bepalen van de hoogte van de billijke
vergoeding rekening gehouden moet worden met de omvang van het uitlenen.
De leden van de VVD-fractie vinden transparantie en proportionaliteit in de governance
en bekostiging van de betrokken stichtingen belangrijk. Deze leden vragen waar de
vergoedingen voor de voorzitters van de StOL103 en SOnT104 op zijn gebaseerd. In hoeverre zijn deze vergoedingen marktconform en hoe verhouden
deze zich tot de aard en omvang van de werkzaamheden? Kan de regering dit nader toelichten?
De voorzitters van de StOL en de SOnT worden op grond van de Auteurswet en de Wet
op de naburige rechten van overheidswege benoemd. Zij moeten de onderhandelingen tussen
rechthebbenden en betalingsplichtigen over de hoogte van de billijke vergoeding voor
uitlenen respectievelijk privékopiëren in goede banen leiden en zo nodig de knoop
doorhakken als partijen over de voornoemde vergoedingen niet tot een vergelijk kunnen
komen. De voorzitters zijn topfunctionarissen in de zin van de Wet normering topinkomens
(WNT). De hoogte van de beloning voor hun werkzaamheden wordt dan ook door de WNT
begrensd. Deze maximale beloning wordt door de Minister van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties van jaar tot jaar bijgesteld. De vorige voorzitter van de SOnT
ontving de hoogst mogelijk vergoeding die op grond van de WNT is toegestaan. De huidige
voorzitter van de SOnT wordt identiek beloond. Het gaat anno 2025 om een bedrag van
ongeveer € 235,00 per uur. Er wordt gewerkt met een driejaarlijkse begroting, gebaseerd
op de verwachte tijdsbesteding door de voorzitter, die zo nodig tussentijds kan worden
aangepast. Het ligt voor de hand om de voorzitter van de StOL op dezelfde wijze te
gaan belonen voor te verrichten werkzaamheden. Wat de marktconformiteit van de beloning
betreft, zij opgemerkt dat de beloning is gekoppeld aan de publieke sector en niet
aan de commerciële markt.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie stemmen ermee in dat met dit wetsvoorstel
wordt voorzien in een structurele wettelijke regeling voor compensatie van leenrechtvergoedingen
bij uitleningen door scholen. Deze leden hechten aan fair pay als pijler in het cultuurbeleid.
In dit verband wijzen zij ook op de motie van de leden Mohandis en Koops over de fairpayrichtlijnen
voor opdrachtgevers105, die de Kamer in 2025 heeft aangenomen. Wat kan de regering inmiddels melden over
de uitvoering van deze motie?
Als aangekondigd in de Kamerbrief «stand van zaken moties en toezeggingen cultuur»,
die uw Kamer op 18 december 2025 heeft ontvangen106 loopt momenteel een ambtelijke verkenning naar de verschillende mogelijkheden om
uitvoering te geven aan deze motie. In het najaar van 2026 zal uw Kamer hierover geïnformeerd
worden.
De rechthebbenden krijgen steeds vaker geen billijke vergoeding door een verschuiving
van uitleningen van kinder- en jeugdboeken door lokale bibliotheken naar schoolbibliotheken.
Hoe groot is deze verschuiving en hoe wordt deze berekend?
Het is de regering niet bekend hoe groot deze verschuiving exact is.
Wel zijn in 2022 op basis van een eerder uitgevoerd onderzoek107 afspraken gemaakt met uitgevers, auteurs, vertalers, beeldmakers en bibliotheken
over compensatie voor niet-afgedragen leenrechtvergoedingen bij uitleningen van boeken
via de Bibliotheek op school in de periode 2013–2022. Op grond van deze afspraak is
in 2022 een bedrag van in totaal € 6 miljoen uitgekeerd aan de rechthebbenden. Dit
was een incidentele oplossing voor de afgelopen jaren. Voor een structurele oplossing
wordt door middel van dit wetsvoorstel de Auteurswet zodanig gewijzigd, dat over alle
uitleningen via bibliotheken van scholen een vergoeding aan de rechthebbenden wordt
uitgekeerd. Met deze structurele oplossing wordt voor alle uitleningen een billijke
vergoeding verstrekt, en daarmee worden de negatieve consequenties van de in de vraag
benoemde verschuiving ondervangen. Hiervoor is een structureel bedrag van maximaal
€ 3,5 miljoen beschikbaar.
De leden van de CDA-fractie lezen dat het Ministerie van OCW onderzoek gaat doen naar
het aantal uitleningen, maar dat scholen geen uitleenadministratie hoeven bij te houden.
Deze leden steunen dat, maar vragen wel hoe de regering dit dan precies gaat onderzoeken.
Het klopt dat de scholen geen uitleenadministratie hoeven bij te houden. Er zijn op
dit moment echter scholen, met name in primair en voortgezet onderwijs, die op vrijwillige
basis de uitleningen bijhouden. Op scholen waar het programma «De bibliotheek op school»
draait, houdt de KB bovendien de uitleningen bij. Op basis van deze datasets wordt
een inschatting gemaakt van het aantal uitleningen op alle scholen. Er wordt op gelet
dat de steekproef representatief is, zodat conclusies kunnen worden getrokken voor
heel Nederland. Deze steekproef vormt de basis voor de jaarlijkse vergoedingen. De
verwachting van de regering is dat deze gegevens beschikbaar blijven, ook na de inwerkingtreding
van het wetsvoorstel en dat de reeds ontwikkelde systematiek kan worden voortgezet.
De leden van de SGP-fractie vragen of de regering wil toelichten hoe in de berekening
van de vergoeding door de staat rekening gehouden wordt met het aantal digitale uitleningen.
De uitleningen van werken door scholen en mbo-instellingen waarover de Staat, via
het Ministerie van OCW, de leenrechtvergoeding jaarlijks afdraagt, betreffen uitleningen
van werken uit een fysieke schoolbibliotheek. Kenmerkend hiervoor is onder meer dat
de collectie permanent (in fysieke vorm) op de school of mbo-instelling aanwezig is.
Digitale uitleningen (zoals e-books) kunnen door leerlingen en studenten worden gedaan
via «de online Bibliotheek» van de openbare bibliotheek en meer specifiek door kinderen
in de leeftijdscategorie 0–18 jaar via «de Jeugdbibliotheek», beide onderdeel van
de digitale bibliotheek die uitgevoerd wordt door de KB.108 Deze uitleningen geschieden dus niet via scholen en mbo-instellingen. Hiermee valt
de vergoeding voor deze uitleningen onder de afspraken over vergoedingen op basis
van het convenant e-lending en dus niet onder de vergoeding als is bedoeld in dit
wetsvoorstel.
Is het ten aanzien van digitale uitleningen wel duidelijk vast te stellen hoeveel
uitleningen daadwerkelijk hebben plaatsgevonden of wordt ook daarbij volstaan met
een schatting?
De digitale uitleningen van de hele online Bibliotheek worden centraal uitgevoerd
door de KB. Uitleningen worden op individueel niveau geadministreerd, waardoor het
daadwerkelijke aantal uitleningen wordt vastgelegd. De aantallen worden jaarlijks
vermeld in de bibliotheekmonitor van de KB. Zo werden in 2024 circa 6 miljoen e-books
uitgeleend. De structuur voor de vergoedingen aan rechthebbenden is vastgelegd in
het convenant e-lending.109
De leden van de ChristenUnie-fractie lezen dat de voorzitters van de StOL en de SOnT
worden benoemd voor een termijn van ten hoogste drie jaren. Kan de regering toelichten
waarom er is gekozen voor deze termijn? Waarom bijvoorbeeld niet ten hoogste vier
of vijf jaren?
De leden van de ChristenUnie-fractie hebben gevraagd waarom voor de voorzitters van
de StOL en de SOnT is gekozen voor een benoemingstermijn van ten hoogste drie jaren.
Vooropgesteld zij dat iedere benoemingstermijn, of het nu gaat om drie, vier of vijf
jaren, altijd enigszins arbitrair is. Gekozen is voor een benoemingstermijn van drie
jaren, omdat dit aansluit bij de statuten van de beide onderhandelingsstichtingen
waarin daarvan wordt uitgegaan.
3. Gevolgen
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie signaleren met tevredenheid dat veel bibliotheken
de leeftijd van 18 oprekken, bijvoorbeeld naar 21, 23, 24, 27 of zelfs 30 jaar. Zo
heeft 53,5 procent van de bibliotheken een vorm van gratis lidmaatschap boven de 18
jaar (helemaal gratis, gratis tot een bepaalde leeftijd, gratis voor bepaalde doelgroepen).
Daarvan is 37,7 procent gratis tot een bepaalde leeftijd, waarvan het grootste deel
tot en met 27. In 2023 was het totaal van gratis vormen van lidmaatschap nog 17,9
procent en in 2025 38,2 procent. Deze leden zien dus een sterke toename. Is de regering
het met de leden en de VOB eens dat het bij de toegang tot de openbare bibliotheek
van belang is om (financiële) drempels weg te nemen?
De bibliotheek vervult een essentiële functie in de samenleving en daarom vindt ook
de regering het belangrijk om mogelijke drempels weg te nemen, zodat openbare bibliotheken
toegankelijk en bereikbaar zijn voor alle inwoners.
Bureau AEF geeft in recent onderzoek naar gratis en automatisch bibliotheeklidmaatschap110 aan dat naast financiële drempels ook factoren als onbekendheid, fysieke toegankelijkheid
en sociale inclusie een rol kunnen spelen. De regering heeft geen inzicht of financiële drempels hierbij doorslaggevend zijn.
Op basis van het onderzoek van AEF concludeert de regering dat het wegnemen van financiële
drempels alleen, bijvoorbeeld door het aanbieden van een gratis bibliotheeklidmaatschap,
niet geïsoleerd moet worden ingezet. Als onderdeel van een bredere aanpak op maat
kunnen vormen van gratis bibliotheeklidmaatschap op lokaal niveau zinvol zijn, afhankelijk
van verschillende factoren. De regering volgt deze lokale initiatieven met interesse.111
Ziet de regering geldelijke bijdragen als een drempel die zij kan wegnemen?
Op basis van het onderzoek van AEF naar gratis en automatisch bibliotheeklidmaatschap
ziet de regering onvoldoende bewijs dat een landelijk gratis bibliotheeklidmaatschap
leidt tot meer gebruik en een grotere maatschappelijke impact van de bibliotheek.
Daarbij komt dat gemeenten ook adequate financiering zouden moeten ontvangen wanneer
het gratis lidmaatschap uitgebreid zou worden in de Wsob naar andere leeftijdsgroepen.
Daar is binnen de begroting geen dekking voor.
Welke drempels ziet de regering nog meer in het toegang bieden voor eenieder tot de
bibliotheek?
Toegankelijkheid is één van de vijf publieke waarden uit artikel 4 van de Wsob op
basis waarvan openbare bibliotheekvoorzieningen hun taak uitvoeren voor het algemene
publiek. Hoewel het onderzoek van AEF zich niet expliciet richtte op andere drempels
dan financiële, komt er in het onderzoek naar gratis en automatisch bibliotheeklidmaatschap
wel een aantal zijdelings aan bod, waaronder bekendheid met de bibliotheek en fysieke
toegankelijkheid.112 Bibliotheken ontplooien reeds tal van initiatieven om de toegankelijkheid te vergroten
en daarmee drempels weg te nemen, zoals het hanteren van begrijpelijk taalgebruik
in communicatie-uitingen en passend aanbod voor mensen met een leesbeperking.
Het wetsvoorstel voorziet vooralsnog niet in een uitbreiding van de groep jongeren
die ervoor in aanmerking komt geen contributie of andere geldelijke bijdrage te hoeven
betalen voor uitleningen. In 2024 waren de inkomsten uit leners van bibliotheken (lidmaatschap
en boetes) € 50,84 miljoen. Tijdens het rondetafelgesprek van 16 april 2026 over het
onderhavige wetsvoorstel berekende de VOB ervan uitgaande dat ongeveer 10 procent
van de lidmaatschappen tot de doelgroep 18–27 jaar behoort, dat een bandbreedte van
€ 5 tot 10 miljoen zou volstaan om de contributies voor deze leeftijdsgroep te compenseren
en voor de aanvullende kosten van intensiever gebruik van de bibliotheek. Hoe vangen
de bibliotheken die nu al de leeftijd van 18 oprekken (53,5 procent), de kosten ervan
op?
De regering heeft geen compleet beeld van hoe bibliotheken deze kosten opvangen. De
hoogte van de kosten hangt samen met de vorm of vormen van gratis lidmaatschap waar
bibliotheken voor kiezen en met de doelgroepen die in aanmerkingen komen. In het onderzoek
van AEF worden casussen van gratis lidmaatschap bij drie bibliotheken toegelicht.113 Slechts bij een van de casussen, in Rotterdam, wordt expliciet gemaakt hoe kosten
worden opgevangen. Daar krijgen volwassenen de mogelijkheid om gratis een lidmaatschap
met beperkte mogelijkheden af te sluiten, naast een breder betaald lidmaatschap, dat
blijft bestaan. De gemeente draagt 16 euro per jaar per gratis volwassen bibliotheeklid
bij.
Hoe lossen deze bibliotheken de problematiek van de verrekening van BTW op?
Dat verschilt per gemeente en bibliotheekorganisatie en hangt ook samen met de gekozen
gratis lidmaatschapsvorm. In veel gevallen hanteren bibliotheken naast het gratis
lidmaatschap nog een betaalde variant en bieden zij ook andere betaalde diensten aan,
waardoor het recht op btw-aftrek (deels) in stand blijft. In Rotterdam betaalt de
gemeente de «gratis» lidmaatschappen van volwassenen, waardoor er geen btw-probleem
ontstaat.
Met welke extra kosten en welke extra inkomsten krijgen deze bibliotheken te maken?
In het onderzoek van AEF worden geen bedragen genoemd. Met welke extra kosten en inkomsten
bibliotheken te maken krijgen is afhankelijk van de aanpak en gekozen lidmaatschapsvorm.
AEF stelt dat wanneer bibliotheken een gratis lidmaatschapsvorm invoeren naast betaalde
lidmaatschappen de kosten beperkter zijn dan wanneer alle lidmaatschappen gratis zijn.114 Daarnaast maakt het ook uit voor welke voorwaarden wordt gekozen: wanneer bijvoorbeeld
ook boetes worden afgeschaft, vallen de kosten hoger uit.
Zou de sector ook gebruik kunnen maken van het BTW-compensatiefonds, dat wettelijke
taken van overheden compenseert, zodra er een zorgplicht gaat gelden, die men als
wettelijke taak aanmerkt?
Het Btw-compensatiefonds is een fonds voor gemeenten en provincies en compenseert
hen voor betaalde btw op extern ingekochte diensten en goederen (voor niet-ondernemerstaken).
Het moet daarbij gaan om omzetbelasting die aan het publiekrechtelijke lichaam of
regionaal openbaar lichaam in rekening wordt gebracht. Alleen publiekrechtelijke lichamen
kunnen omzetbelasting die hen in rekening is gebracht terugvragen via het Btw-compensatiefonds.
De zorgplicht uit het voorgestelde artikel 6 van de Wsob is echter een bekostigingsplicht
voor gemeenten en openbare lichamen. De activiteiten die onder de zorgplicht worden
verricht, worden in verreweg de meeste gevallen door zelfstandige bibliotheken uitgevoerd
en niet door gemeenten zelf. Eventuele omzetbelasting zal dan ook voor rekening van
bibliotheken komen. Zij maken daarbij geen aanspraak op compensatie onder het Btw-compensatiefonds.
Alleen wanneer een bibliotheek onderdeel is van de gemeente zou een gemeente zelf
wel aanspraak kunnen maken op het fonds.
4. Uitvoering
De leden van de D66-fractie merken op dat in het rondetafelgesprek over het onderhavige
wetsvoorstel van 16 april 2026 sterk naar voren kwam dat de criteria nog niet duidelijk
genoeg zijn opgesteld. Welke ruimte ziet de regering in de meerjarenplannen van de
gemeente om de samenwerking tussen bibliotheken en scholen lokaal te versterken? En
hoe wordt dit gewaarborgd?
De internetconsultatie voor het conceptbesluit over het meerjarenplan is eind maart
gesloten. Momenteel worden de opmerkingen uit de internetconsultatie verwerkt. De
reacties van de VOB, Stichting Lezen en bibliotheken om de samenwerking tussen bibliotheken
en scholen een prominentere plek te geven, zullen worden meegenomen bij het verwerken
van de in de consultatie opgehaalde inbreng. Daarbij zal ook worden gekeken naar mogelijkheden
om de samenwerking tussen bibliotheken en scholen te versterken.
Met dit wetsvoorstel wordt wettelijk verankerd dat bibliotheken tot taak hebben om
bij te dragen aan leesbevordering in het onderwijs. Voor de samenwerking op leesbevordering
tussen bibliotheken en scholen is in 2027 € 38 miljoen en vanaf 2028 structureel € 50
miljoen beschikbaar. Dat bedrag wordt 50/50 verdeeld tussen bibliotheken en scholen.
Scholen ontvangen het aandeel via de structurele bekostiging voor basisvaardigheden.
Bibliotheken kunnen via een regeling over het geld beschikken. De regering verwacht
dat hiermee ook de samenwerking tussen bibliotheken en scholen verder structureel
wordt versterkt.
De leden van de D66-fractie vragen welke instrumenten de regering op het moment heeft
dat de rijksmiddelen voor de bibliotheken lokaal niet bij de bibliotheken terecht
komen.
Wanneer het wetsvoorstel in werking treedt, is sprake van een zorgplicht waar gemeenten
en openbare lichamen aan moeten voldoen. Gemeenten bepalen zelf de inhoud van het
bibliotheekbeleid en de besteding van de middelen, waarbij zij zullen moeten voldoen
aan de vereisten uit het wetsvoorstel. Colleges leggen aan hun gemeenteraden verantwoording
af over hun keuzes en beleid. De provincie houdt toezicht op de uitvoering van de
zorgplicht. Daarnaast vindt er jaarlijks een bestuurlijk overleg plaats tussen overheden
en bibliotheekpartijen, dat dient om de ontwikkelingen in de sector en de effecten
van de wetswijziging op het bibliothekennetwerk te volgen en duiden. Deze overleggen
zullen gelegenheid bieden voor de betrokken partijen om gezamenlijk vast te stellen
wat goed gaat, wat beter kan en wat nodig is voor de verdere doorontwikkeling van
het bibliotheekstelsel.
Hoe borgt de regering dat de wetswijziging ook in de praktijk leidt tot een versterking
van het bibliotheekstelsel?
Ter voorbereiding op de komst van de zorgplicht heeft de regering ervoor gekozen extra
middelen te verstrekken via de specifieke uitkering en via een decentralisatieuitkering.
Daarmee is een eerste stap richting versterking gezet. Het wetsvoorstel bevat daarbij
bestuurlijke mechanismen en checks and balances om de kans op realisatie van de doelen zo groot mogelijk te maken, zoals besluitvorming
in de lokale democratie en interbestuurlijk toezicht door de provincie. De invoering
van de wetswijziging zal vergezeld gaan van een implementatieplan in samenwerking
met de betrokken overheidslagen en de bibliotheekpartijen. Daarmee beoogt de regering
het wetsvoorstel ook in de praktijk tot een versterking van het bibliotheekstelsel
te laten leiden.
Om gezamenlijk op koers te blijven, initieert de bewindspersoon van OCW jaarlijks
een bestuurlijk overleg tussen de drie betrokken overheidslagen en de bibliotheekpartijen
(KB, SPN en de VOB). Tijdens deze overleggen worden de ontwikkelingen in de sector
en de effecten van de wetswijziging op het bibliotheeknetwerk jaarlijks gevolgd en
geduid. Basis van dit overleg vormen in ieder geval de data vanuit de gegevenslevering
Wsob die de KB jaarlijks verzorgt, de opbrengsten van het interbestuurlijk toezicht
en waar mogelijk analyses op basis van de bibliotheekcertificering (een instrument
van de sector zelf en de VNG). De jaarlijkse bestuurlijke overleggen zullen gelegenheid
bieden voor de betrokken partijen om gezamenlijk vast te stellen wat goed gaat, wat
beter kan en wat nodig is voor de verdere doorontwikkeling van het bibliotheekstelsel.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie merken op dat de memorie van toelichting melding
maakt van overleg dat heeft plaatsgevonden met betrokken overheden en bibliotheekpartijen
over de invulling van het begrip «volwaardige bibliotheek». In welke invulling van
dit begrip heeft dit overleg geresulteerd, zo vragen deze leden.
Het overleg met betrokken overheden en bibliotheekpartijen over de invulling van het
begrip «volwaardige bibliotheek» heeft geleid tot een wettelijke zorgplicht op basis
van de volgende hoofdcriteria: toegang tot een aanbod van bibliotheekvoorzieningen
binnen redelijke afstand en in iedere gemeente minimaal één bibliotheekvoorziening
die de vijf bibliotheekfuncties uitvoert, beschikt over een fysieke collectie en een
professionele personeelsbezetting. Deze criteria zijn opgenomen in het voorgestelde
artikel 6 van de Wsob.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie merken op dat de VNG het budget via de algemene
uitkering gemeentefonds voor een beperkte groep gemeenten die op dit moment nog niet
voldoet aan de zorgplicht «mogelijk niet toereikend» noemt en wijst op het risico
dat kleine gemeenten met een groot oppervlak bestaande kleinere bibliotheekvoorzieningen
moeten sluiten. Daarom bepleit de VNG maatwerk. Wat houdt dit maatwerk volgens de
VNG in?
De leden refereren aan een passage uit de uitvoeringstoets, die de VNG heeft verricht
op basis van een eerdere versie van het wetsvoorstel. In deze toets pleitte de VNG
voor een zorgplicht gebaseerd op inhoudelijke criteria, zodat gemeenten meer ruimte
zouden krijgen voor een lokale invulling op maat. Mede op basis van deze opmerkingen
van de VNG heeft de regering de zorgplicht in het gewijzigde wetsvoorstel inderdaad
meer inhoudelijk en kwalitatief ingevuld. In de plaats van de eerdere formulering
(minimaal één bibliotheekvestiging en een minimumaantal openingsuren) wordt in het wetsvoorstel nu sec de term bibliotheekvoorziening aangehouden, waardoor gemeenten meer ruimte krijgen om de vorm en het aanbod op de
lokale context af te stemmen: het bepleite maatwerk.
Naar het oordeel van de VNG kan het overgrote deel van de gemeenten wel voldoen aan
de zorgplicht. Deze leden vragen hoeveel gemeenten dit naar verwachting niet gaat
lukken.
Met de aanpassing van het wetsvoorstel, waarbij meer ruimte is gecreëerd voor maatwerk,
en met behulp van de extra middelen die structureel beschikbaar worden gesteld aan
gemeenten voor de uitvoering van de zorgplicht (ongeveer € 60 miljoen in totaal) is
de verwachting dat alle gemeenten kunnen gaan voldoen aan de zorgplicht.
Het totale bedrag per gemeente is nooit lager dan € 100.000. Voor welk deel is dit
minimumbedrag doorgaans toereikend om in kleine gemeenten de maatschappelijke functies
te kunnen vervullen om hun zorgplicht waar te maken?
Met deze middelen zullen kleine gemeenten de zorgplicht basaal maar afdoende kunnen
invullen, dat wil zeggen: voorzien in een aanbod van bibliotheekvoorzieningen dat
binnen redelijke afstand toegankelijk is en het in stand houden van ten minste een
bibliotheekvoorziening die de vijf bibliotheekfuncties vervult en beschikt over een
fysieke collectie en professionele personeelsbezetting. Aanvullende financiering vanuit
de gemeente kan wenselijk zijn om de meerwaarde en impact van de bibliotheek te vergroten.
5. Toezicht en handhaving
De leden van de VVD-fractie lezen in de memorie van toelichting dat de provincies
interbestuurlijk toezicht houden op de uitvoering van de zorgplicht door gemeente.
Deze leden onderschrijven dat waar sprake is van een zorgplicht, passend toezicht
noodzakelijk is om te waarborgen dat gemeenten hun taken daadwerkelijk uitvoeren.
Tegen deze achtergrond vragen de leden op welke concrete elementen van de zorgplicht
provincies toezicht houden via het interbestuurlijk toezicht.
De provincies houden toezicht op de elementen uit de zorgplicht uit het voorgestelde
artikel 6 van de Wsob, namelijk: of het college van burgemeester en wethouders voorziet
in een aanbod van bibliotheekvoorzieningen, dat als geheel binnen redelijke afstand
voor de inwoners toegankelijk is, en of er ten minste één bibliotheekvoorziening is
die alle vijf bibliotheekfuncties uit artikel 5 van de Wsob vervult en een fysieke
collectie en een professionele personeelsbezetting heeft. Tot slot moeten provincies
er toezicht op houden dat gemeenten volgens de nadere regels, die worden vastgelegd
in een algemene maatregel van bestuur115, een meerjarenplan opstellen, waarbij ze de lokale bibliotheek betrekken. Zoals gebruikelijk
in het generiek interbestuurlijk toezicht zijn de provincies zelf verantwoordelijk
voor de concrete invulling van het toezicht.
In hoeverre acht de regering deze vorm van toezicht voldoende om te borgen dat gemeenten
daadwerkelijk aan de zorgplicht voldoen?
De regering acht deze vorm van toezicht voldoende. De provincies vullen het generieke
interbestuurlijk toezicht veelal risicogericht in; in beginsel is toezicht geen instrument
om de kwaliteit van de taakuitvoering van een gemeente te verbeteren.116 Het Rijk houdt toezicht op de uitvoering van de provinciale zorgplicht. De Staatssecretaris
van OCW heeft de mogelijkheid om, bij verminderde werking van het stelsel, in gesprek
te treden met de betrokken overheden en de bibliotheekpartijen om zo gezamenlijk tot
een oplossing te komen.
Om de ontwikkelingen in de sector en de effecten van de wetswijziging op het bibliotheeknetwerk
te volgen en duiden, initieert de Staatssecretaris van OCW jaarlijks een bestuurlijk
overleg tussen de drie betrokken overheidslagen en de bibliotheekpartijen (KB, SPN
en de VOB). Dit overleg wordt gevoerd aan de hand van in ieder geval de Gegevenslevering
Wsob,117 de opbrengsten van het interbestuurlijk toezicht en waar mogelijk de analyses op
basis van de bibliotheekcertificering (een instrument van de sector zelf en de VNG).
De jaarlijkse bestuurlijke overleggen zullen gelegenheid bieden voor de betrokken
partijen om gezamenlijk vast te stellen wat goed gaat, wat beter kan en wat nodig
is voor de verdere doorontwikkeling van het bibliotheekstelsel.
Daarnaast vragen de leden in hoeverre provincies organisatorisch in staat zijn deze
toezichtstaak op zich te nemen. Beschikken zij over voldoende capaciteit om het interbestuurlijk
toezicht effectief uit te voeren nu de bevorderingstaak wordt verzwaard naar een zorgplicht.
Er wordt budget toegevoegd aan het provinciefonds, zodat provincies de nieuwe taak
van het toezicht op de gemeenten op dit onderdeel op kunnen pakken. Het gaat om € 500.000
in totaal. Provincies kunnen ervoor kiezen om dit budget te investeren in extra capaciteit,
indien zij dat nodig achten. In de uitvoeringstoets over het wetsvoorstel heeft het
IPO aangegeven de toezichtstaak binnen het beschikbaar gestelde budget te kunnen uitvoeren,
maar dit opnieuw tegen het licht te willen houden bij de evaluatie van de Wsob binnen
vijf jaar.118 De regering heeft hiermee ingestemd.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie merken op dat de provincies worden belast
met het interbestuurlijk toezicht op de zorgplicht. Hoe denkt de regering over de
wens van de provincies dat gemeenten niet alleen hun meerjarenplan moeten publiceren,
maar dit ook en tevens binnen een bepaalde vaste termijn na de vaststelling ervan
naar de provincies moeten toesturen?
De wens van de provincies om het meerjarenplan van de gemeenten toegezonden te krijgen
is de regering bekend. Eerder heeft de regering deze verplichting niet in het wetsvoorstel
opgenomen, onder andere vanuit het streven om de regeldruk voor gemeenten en de openbare
lichamen te beperken. De keerzijde daarvan is echter dat de uitvoeringslasten voor
gedeputeerde staten en de Rijksvertegenwoordiger toenemen. Mede naar aanleiding van
deze vraag heeft de regering dit heroverwogen, en is in de nota van wijziging voorzien
in een verplichting tot toezending van het meerjarenplan aan gedeputeerde staten,
onderscheidenlijk de Rijksvertegenwoordiger.
6. Financiële gevolgen
De leden van de VVD-fractie vragen om hoeveel gemeenten het gaat waar een nieuwe bibliotheek
gerealiseerd zal moeten worden als gevolg van dit wetsvoorstel.
Op basis van de meest recente Gegevenslevering Wsob119 lijkt een volwaardige bibliotheekvoorziening conform de formulering in het wetsvoorstel
in elk geval nog te ontbreken in zes gemeenten.
Mook en Middelaar en Uitgeest hebben geen eigen bibliotheek maar zetten in op het
maken van samenwerkingsafspraken met buurgemeenten. Albrandswaard, Alphen-Chaam, Lopik
en Oostzaan hebben een specifieke uitkering ontvangen voor het tot stand brengen van
een volwaardige bibliotheekvestiging. In deze vier gemeenten zal dus een nieuwe bibliotheek
moeten worden gerealiseerd. Gemeenten hebben tot het einde van 2026 tijd voor de uitvoering
hiervan.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie merken op dat een beperkt aantal gemeenten
zonder bibliotheek een nieuwe bibliotheek zal moeten realiseren. Voor deze gemeenten
betreft het dus een begin vanaf nul voorzieningen. Gemeenten zullen daar ook huisvesting
moeten zoeken en dit zal meteen ook veel tijd en geld kunnen kosten. In hoeveel gemeenten
speelt dit?
Vier gemeenten zonder volwaardige bibliotheekvoorziening conform de formulering in
het wetsvoorstel hebben in 2023 een specifieke uitkering van 440.000 euro aangevraagd
en ontvangen. Dit bedrag was bedoeld om een volwaardige bibliotheekvestiging tot stand
te brengen en gemeenten hebben hier sinds enkele jaren dus een start mee kunnen maken.
Daarnaast ontvangen deze gemeenten, net als alle andere gemeenten, sinds 2025 een
decentralisatie-uitkering zodat zij de investeringen kunnen voortzetten. De verwachting
van de regering is dan ook dat ook deze gemeenten voldoende voorbereid zullen zijn
op de inwerkingtreding van de zorgplicht.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie merken op dat de memorie van toelichting meldt
dat gemeenten zonder bibliotheek in 2025 en 2026 middelen uit de decentralisatie-uitkering
van € 59,3 miljoen kunnen inzetten om zich voor te bereiden op de zorgplicht. Deze
leden vragen om een nadere toelichting hoe dit dan in zijn werk zal gaan.
Met de decentralisatie-uitkeringen, en daarvoor, met de specifieke uitkering in 2023
en 2024, hebben gemeenten zich kunnen voorbereiden op de wettelijke zorgplicht. Hoe
deze voorbereiding eruitziet, is afhankelijk van de lokale situatie en daarmee verschillend
per gemeente. De regering ziet dat gemeenten het geld onder andere gebruiken voor
het realiseren en in stand houden van een nieuwe bibliotheekvestiging in een wijk
of dorp – dit aansluitend op de investeringen via de specifieke uitkering. Andere
gemeenten kiezen voor een investering in de uitbreiding van de vijf bibliotheekfuncties
of meer bemenste openingsuren.
Uit een uitvraag van de VOB blijkt namelijk dat een groot deel van de openbare bibliotheken
de bibliotheekmiddelen uit de decentralisatie-gelden niet ontvangt? Herkent de regering
dit beeld? En zo ja, welke gevolgen heeft dit voor de ambities die de wet beoogd in
het garanderen van de toegang tot een volwaardige bibliotheek voor eenieder?
De regering is bekend met deze uitvraag van de VOB onder bibliotheekorganisaties en
heeft ook rechtstreeks signalen ontvangen dat de beschikbare middelen vanuit de decentralisatie-uitkering
niet in alle gemeenten volledig aan de bibliotheek beschikbaar zijn gesteld. Onder
meer vanwege de door de VOB geuite zorgen heeft de toenmalig Minister van OCW op 18 maart
2025 een brief gestuurd naar gemeenten om te stimuleren dat de middelen voor de bibliotheek
worden aangewend.
Tegelijkertijd wijst de regering erop dat het bibliotheekstelsel een decentraal stelsel
is. Gemeenten hebben beleidsvrijheid; zij bepalen zelf de inhoud van het bibliotheekbeleid.
De middelen die gemeenten ontvangen vanuit het gemeentefonds zijn vrij besteedbaar.
De regering ziet dit als een belangrijk uitgangspunt.
Om te verzekeren dat gemeenten in de bibliotheek (blijven) investeren, introduceert
dit wetsvoorstel een wettelijke zorgplicht. Wat betreft de invulling van de zorgplicht
uit het wetsvoorstel zullen gemeenten moeten voldoen aan de vereisten uit de Wsob.
In hun meerjarenplan over het bibliotheekbeleid moeten gemeenten hier een toelichting
op geven. Ook wordt in het meerjarenplan een begroting opgenomen, waarmee de gemeente
laat zien welke middelen zij aan de uitvoering van de zorgplicht gaat besteden. Daarmee
kunnen de ambities uit het wetsvoorstel waargemaakt worden.
De provincie houdt toezicht op de uitvoering van de zorgplicht door gemeenten. Zolang
gemeenten voldoen aan de vereisten uit de Wsob hebben en houden zij dus beleidsvrijheid
bij het maken van inhoudelijke keuzes over het bibliotheekbeleid en de invulling van
de zorgplicht in de lokale context.
Voor versterking van het bibliotheekwerk in Caribisch Nederland komt jaarlijks € 385.000
beschikbaar. Het is de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie bekend dat op Bonaire
de Biblioteka Publiko Boneiru bestaat, maar hoe staat het er op dit moment voor op
Sint Eustatius en Saba met de bibliotheekvoorzieningen?
Op ieder eiland is een bibliotheekvoorziening in de vorm van een vestiging aanwezig.
Zo is op Bonaire in 2025 een nieuwe bibliotheekvestiging geopend, waarbij alle vijf
bibliotheekfuncties kunnen worden uitgevoerd. Op Saba zijn plannen gemaakt om de huidige
bibliotheek op termijn onder te brengen in een nog te ontwikkelen, multifunctioneel
expertisecentrum. Op Sint Eustatius kunnen nog stappen worden gezet om de huidige
bibliotheek te ontwikkelen naar een toekomstbestendige bibliotheekvoorziening. Er
worden momenteel gesprekken gevoerd tussen het openbaar lichaam van Sint Eustatius
en het bestuur van de openbare bibliotheek, gericht op een betere informatievoorziening
en planvorming ten aanzien van de bibliotheekversterking. Daarnaast is een pilot gestart
voor ondersteuning van bibliotheken in Caribisch Nederland door een POI uit Europees
Nederland.
Wat is daar de stand van zaken met schoolbibliotheken?
In heel Caribisch Nederland wordt samengewerkt tussen de bibliotheek en het onderwijs.
Op welke manier dat gebeurt verschilt per eiland en is afhankelijk van de lokale context.
Op Bonaire, het grootste eiland, zijn acht basisscholen en één vmbo-school (in de
opstartfase) met een schoolbibliotheek. Er is een actief team vanuit de bibliotheek
werkzaam op en voor basisscholen en momenteel wordt gekeken naar de inzet van de onderwijsprofessionals
bij leesbevordering. Sint Eustatius en Saba zijn kleiner van omvang, de bibliotheken
hebben ook een kleiner team van medewerkers. Op Sint Eustatius zijn collecties aangekocht
voor alle basisscholen en de vmbo-school. Er worden nu stappen gezet naar een structurele
samenwerking tussen de bibliotheek en het onderwijs. Op Saba is de samenwerking tussen
de bibliotheek en de basis- en middelbare school goed. De scholen bezoeken regelmatig
de bibliotheek. Er zijn plannen gemaakt voor het realiseren van schoolbibliotheken
en versterking van de samenwerking rondom leesbevordering.
De leden van de CDA-fractie constateren dat dit wetsvoorstel voorziet in een structureel
extra budget van € 60 miljoen, boven op het bestaande budget van ca. € 490 miljoen.
Deze leden vragen wat de precieze onderbouwing is van dit extra bedrag. Hoe weet de
regering of er niet meer of minder nodig is om de zorgplicht in te vullen?
Openbare bibliotheken in Europees Nederland ontvingen in 2024 in totaal € 511,6 miljoen
uit gemeentelijke subsidies.120 Voor de extra taken die voortvloeien uit de zorgplicht, ontvangen gemeenten jaarlijks
een structureel bedrag van circa € 60 miljoen. Met dit bedrag kunnen gemeenten de
verbeteringen in het bibliotheekaanbod, die met de specifieke uitkering bibliotheken
zijn gerealiseerd, voortzetten. Tevens kunnen gemeenten waar een bibliotheek ontbreekt,
een volwaardige bibliotheekvoorziening tot stand brengen. Structurele financiering
van gemeenten voor wettelijke taken verloopt via het gemeentefonds. Het is niet mogelijk
om via het gemeentefonds alleen gemeenten te financieren die nog niet aan de zorgplicht
voldoen. Daarom worden de middelen op basis van een verdeelsleutel over alle gemeenten
verdeeld.
Vanuit het structurele extra jaarbudget van 60 miljoen euro ontvangen kleine gemeenten
jaarlijks minimaal 100.000 euro en grotere gemeenten meer; het bedrag stijgt mee met
het aantal inwoners. De gedachte hierachter is dat een bedrag van 100.000 euro per
jaar voor kleine gemeenten volstaat om de zorgplicht basaal maar afdoende te kunnen
invullen, al blijft aanvullende financiering vanuit de gemeente wenselijk om de meerwaarde
en impact van de bibliotheek te vergroten.121
De VNG heeft op basis van een uitvoeringstoets geconstateerd dat het wetsvoorstel
uitvoerbaar is; de regering concludeert hieruit dat er voor kleinere gemeenten die
nog niet aan de zorgplicht voldoen met de voorgestelde verdeelsleutel voldoende budget
beschikbaar komt om hier verandering in te brengen.
De structurele financiële impuls die met dit wetsvoorstel gepaard gaat, wordt door
de leden van de BBB-fractie positief gewaardeerd. Deze leden hechten eraan dat deze
middelen daadwerkelijk ten goede komen aan het lokale bibliotheeknetwerk, zodat de
beoogde versterking van het stelsel in de praktijk wordt gerealiseerd.
7. Evaluatie
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie merken op dat het wetsvoorstel regelt dat
de wet, gerekend vanaf het moment van inwerkingtreding, elke vijf jaar wordt geëvalueerd.
In deze evaluatie zal onder meer de samenwerking tussen scholen en bibliotheken aan
de orde komen bij leesbevordering en in de uitleningen via schoolbibliotheken. Hoe
ziet volgens de regering straks een volwaardige bibliotheekvoorziening op iedere school
eruit? Welke rol ziet de regering daarbij voor de scholen en welke rol voor de bibliotheken?
Over «een volwaardige bibliotheekvoorziening op school» bestaan uiteenlopende definities.Scholen en bibliotheken bepalen zelf hoe zij invulling geven aan een bibliotheekvoorziening
op school. Wel zijn er bepaalde richtlijnen die geraadpleegd kunnen worden wanneer
een bibliotheekvoorziening op school wordt ingericht. Zo zijn er de bouwstenen van
de aanpak «de Bibliotheek op school»
122 en werken de bibliotheekbranche en Stichting Lezen aan een Kwaliteitskompas voor
bibliotheken op school.
In de Kamerbrief Versterkingsagenda Taal en andere Basisvaardigheden,123 wordt in lijn met de motie Moorman c.s.124 ingegaan op de vraag op welke manier elke school kan beschikken over een toegankelijke
bibliotheekvoorziening en deskundige begeleiding. Inmiddels is ook de motie Biekman
c.s.125 aangenomen over het verplicht stellen van een bibliotheek op alle instellingen binnen
het funderend onderwijs.
Scholen krijgen met ingang van 2027 structureel middelen om de basisvaardigheden te
verbeteren; scholen kunnen met dit geld onder andere een schoolbibliotheek bekostigen.
Ook treden volgend schooljaar de vernieuwde kerndoelen Nederlands in werking. Hierin
is expliciet opgenomen dat scholen een rijke leesomgeving moeten verzorgen. Daarbij
krijgen bibliotheken met dit wetsvoorstel de wettelijke taak om scholen te ondersteunen
bij leesbevordering. Voor bibliotheken komt voor dit doel in 2027 een budget van € 19
miljoen beschikbaar, vanaf 2028 gaat het om € 25 miljoen per jaar.
De leden van de SGP-fractie vragen waarom de uitwerking van de evaluatie zo lang op
zich heeft laten wachten na het uitvoeren van de evaluatie in 2019.
De Minister van OCW heeft op 2 april 2020 een beleidsreactie gegeven op de evaluatie
van de Wsob.126 De beleidsreactie omvatte een beperkt aantal maatregelen, zoals het verplichte gratis
lidmaatschap voor de jeugd, dat met de destijds beschikbare middelen kon worden opgepakt.
Om het stelsel verder te kunnen versterken lag invoering van een wettelijke zorgplicht
voor gemeenten voor de hand. Hiervoor waren aanvullende middelen nodig. Met het kabinet
Rutte IV in 2022 kwam structurele financiering vrij voor het versterken van het bibliotheekstelsel.127 In 2023–2024 werd gestart met het repareren en versterken van het bibliotheeknetwerk
via een specifieke uitkering waarmee gemeenten konden investeren in nieuwe bibliotheekvestigingen
en het verbeteren van de dienstverlening van bestaande voorzieningen. In de jaren
daarna kon deze investering worden voortgezet via een decentralisatie-uitkering. Vervolgens
wordt de beschikbaarheid en bereikbaarheid van de openbare bibliotheek wettelijk geborgd
via dit wetsvoorstel.
8. Advies en consultatie
De leden van de D66-fractie merken op dat in een groot deel van Europa bibliotheken
gratis zijn, hoe staat de wetgeving in andere Europese landen in verhouding tot de
Nederlandse bibliotheekwetgeving omtrent het waarborgen van de toegang tot de bibliotheek?
In vrijwel alle lidstaten van de Europese Unie is het beleid rondom openbare bibliotheken
net als in Nederland primair op lokaal niveau belegd. Dit maakt dat er grote verschillen
zijn tussen Europese landen voor wat het bibliotheekbeleid betreft, zowel juridisch
als financieel.
70% van de lidstaten van de Europese Unie beschikt net als Nederland over specifieke
bibliotheekwetgeving waarin de beginselen van vrije toegang zijn verankerd. In 15
van de 27 Europese lidstaten is het bibliotheeklidmaatschap voor iedereen gratis;
in Nederland geldt dit niet. Deze en andere informatie is te vinden in een rapport
over openbare bibliotheken in Europa dat binnenkort verschijnt.128
De leden van de VVD-fractie constateren dat in de memorie van toelichting is aangegeven
dat geen algemeen gratis lidmaatschap wordt ingevoerd, mede vanwege het ontbreken
van inzicht in de effecten en de budgettaire consequenties. Tegelijkertijd wijzen
deze leden op de motie van de leden Rooderkerk en Kisteman129, waarin wordt verzocht onderzoek te doen naar op welke manier ieder kind automatisch
lid kan worden van de openbare bibliotheek. Tegen deze achtergrond vragen deze leden
naar de stand van zaken van dit onderzoek. Kan de regering aangeven wanneer de Kamer
de uitkomsten van dit onderzoek kan verwachten? Is het eerste kwartaal van 2026 nog
haalbaar zoals eerder aangegeven in een stand-van-zakenbrief? 130
Het onderzoek is inmiddels bij uw Kamer.131
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie merken op dat de VOB zich zorgen maakt of
het budget dat het rijk beschikbaar stelt ook daadwerkelijk zal terechtkomen bij de
bibliotheken. Deze leden vragen hoe de bekostiging die grotendeels geschiedt via de
algemene uitkering gemeentefonds, voldoende waarborgen biedt dat het geld daadwerkelijk
ter bestemder plaatse zal belanden.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben gelijk dat de bekostiging verloopt
via het gemeentefonds, de middelen die gemeenten ontvangen zijn daarmee vrij besteedbaar.
Met dit wetsvoorstel wordt echter een zorgplicht geïntroduceerd, waar gemeenten en
openbare lichamen aan moeten voldoen. Deze zorgplicht dient als waarborg voor de besteding
van middelen aan de bibliotheek. Gemeenten moeten immers voldoen aan de zorgplicht
en dus middelen aanwenden om te voorzien in een aanbod van bibliotheekvoorzieningen
dat als geheel voor inwoners toegankelijk is, waaronder ten minste één bibliotheekvoorziening
die de vijf bibliotheekfuncties uit artikel 5 van de Wsob vervult en een collectie
en professionele bemensing heeft.
De leden van de CDA-fractie vragen of de regering kan aangeven hoeveel procent van
de kinderen/jongeren tot 18 jaar lid zijn van de bibliotheek?
In 2024 telden bibliotheken ruim 2,4 miljoen leden van 0 tot 18 jaar132. Dat komt neer op 73% van alle kinderen en jongeren tot 18 jaar in (Europees) Nederland.
In 2024 waren er in Caribisch Nederland (Sint Eustatius, Bonaire en Saba) in totaal
2024 jeugdleden (tot 18 jaar). Daarmee was in 2024 35% van de jeugd op de drie eilanden
lid van de bibliotheek.133
Oftewel, welk deel van de kinderen/jongeren wordt hiermee bereikt en is hiervoor ook
een doelstelling?
Het bereik van de bibliotheek is mogelijk groter dan de 73% die lid is. Zo werkten
bibliotheken in het schooljaar 2024–2025 rondom leesbevordering samen met 5.048 locaties
van kinderdagverblijven (54% van het totaal). Ook werkten ze samen met 5.986 schoollocaties
in het primair onderwijs (86%) en 886 schoollocaties in het voortgezet onderwijs (61%).134 Het kan hierbij gaan om (incidentele) samenwerkingen zonder contract, of structurele
samenwerking en via bijvoorbeeld BoekStart in de kinderopvang (met name bij kinderdagverblijven)
of de Bibliotheek op school (dBos). De regering verwacht dat met deze samenwerkingen
ook kinderen worden bereikt die geen regulier lidmaatschap van de lokale bibliotheek
hebben. Daarnaast bereikt de bibliotheek ook kinderen en jongeren die geen lid zijn,
maar deelnemen aan een activiteit of studeren in de bibliotheek. De regering heeft
hierbij geen kwantitatieve doelstelling, maar stimuleert via leesbevorderingsprogramma’s
als dBos en Boekstart wel dat kinderen en jongeren lid worden van de bibliotheek.
De leden van de CDA-fractie lezen dat er verschillende bibliotheken zijn die zich
zorgen maken of het extra geld wel daadwerkelijk bij bibliotheken terecht komt, aangezien
is gekozen voor een algemene uitkering uit het gemeentefonds. Deze leden begrijpen
dat dit aansluit bij de huidige vormgeving van de middelen voor gemeenten, maar hebben
hier nog wel een vraag over. De regering geeft namelijk aan dat uit onderzoek blijkt
dat verreweg het grootste deel van de inkomsten van bibliotheken afkomstig is uit
gemeentelijke subsidies – en dat dit bedrag ongeveer overeenkomt met de huidige beschikbare
middelen. Deze leden vragen of de regering deelt dat dit algemene beeld niet alles
zegt over de situatie op lokaal niveau, en dat dit in individuele situaties wel degelijk
kan betekenen dat niet alle middelen bij de bibliotheek terecht komen. Zij vragen
hoe de regering hiernaar kijkt.
De regering deelt de opvatting van de leden van het CDA dat het algemene beeld niet
meteen alles zegt over de situatie op lokaal niveau. De middelen die gemeenten ontvangen
vanuit het gemeentefonds zijn vrij besteedbaar. In de praktijk kan het daarom voorkomen
dat niet alle middelen via de gemeente bij de bibliotheek terechtkomen. Met dit wetsvoorstel
wordt echter een zorgplicht geïntroduceerd, waar gemeenten en openbare lichamen aan
moeten voldoen. Deze zorgplicht dient als waarborg voor de besteding van voldoende
middelen aan de bibliotheek. Gemeenten moeten immers voldoen aan de zorgplicht en
dus middelen aanwenden om te voorzien in een aanbod van bibliotheekvoorzieningen dat
als geheel binnen redelijke afstand voor inwoners toegankelijk is, waaronder ten minste
één bibliotheekvoorziening die de vijf bibliotheekfuncties uit artikel 5 van de Wsob
vervult en een fysieke collectie en professionele personeelsbezetting heeft.
En kan de regering aangeven of de middelen uit de Spuk bibliotheken ook daadwerkelijk
bij bibliotheken terecht zijn gekomen?
Gemeenten zijn verplicht verantwoording af te leggen over de besteding van de Spuk-middelen
via de zogenaamde «Sisa-systematiek»; dit geldt ook voor de specifieke uitkering voor
bibliotheken. Dit is de standaardsystematiek voor de verantwoording van specifieke
uitkeringen. Door middel van deze verantwoordingssystematiek wordt gegarandeerd dat
de middelen uit deze specifieke uitkering terecht zijn gekomen bij de bibliotheken.
De leden van de CDA-fractie vragen hoe de regering kijkt naar het verzoek van de VOB
om gemeenten en bibliotheken te ondersteunen bij de ontwikkeling van een subsidierelatie
naar een bekostigingsrelatie en dit op te nemen in bestuurlijke afspraken tussen Rijk,
provincies en gemeenten.
Gemeenten moeten hun bibliotheekbeleid beschrijven in een meerjarenplan. Het meerjarenplan
moet een begroting bevatten en daarmee een meerjarig financieel perspectief bieden.
In welke vorm dat gebeurt, via een subsidierelatie of een bekostigingsrelatie, is
een keuze van de gemeente. De regering ziet geen rol voor zichzelf om gemeenten en
bibliotheken hierbij te ondersteunen.
De leden van de SGP-fractie vragen op welke wijze richting kan worden gegeven aan
de uitwerking van de zorgplicht van gemeenten. Deze leden constateren dat een concrete
norm ten aanzien van openingstijden is vervallen. Zij begrijpen dat de regering ruimte
wil laten aan de lokale praktijk om tot een passende uitwerking te komen, maar zij
vragen er aandacht voor dat richtinggevende uitgangspunten nuttig kunnen zijn om het
gesprek in gemeenten te ondersteunen.
De regering is het eens met de leden van de SGP-fractie dat richtinggevende uitgangspunten
praktisch en wenselijk zijn. Om richting te geven, maar tegelijkertijd gemeenten de
ruimte te laten af te wegen wat het beste past bij de lokale situatie, worden in het
concept-Besluit stelsel openbare bibliotheekvoorzieningen, dat in het voorjaar van
2026 in internetconsultatie is geweest, verplichte onderdelen van het meerjarenplan
genoemd, die dienen als uitgangspunt voor de invulling van de zorgplicht uit het voorgestelde
artikel 6 van de Wsob. Deze onderdelen zijn concreet en zien op openbaar beschikbare
gegevens. Daarnaast maakt de VNG met steun van het Ministerie van OCW een handreiking
voor gemeenten over de wijziging van de Wsob. In deze handreiking wordt aandacht besteed
aan het meerjarenplan. De VNG is voornemens ook concrete voorbeelden en streefwaarden
in deze handreiking op te nemen.
De leden van de SGP-fractie lezen dat gemeenten gezamenlijk een bibliotheekvoorziening
in stand kunnen houden. Deze leden steunen de mogelijkheden voor gemeenten om samen
te werken, maar zij vragen of de regering kan bevestigen dat gemeenten volgens het
wetsvoorstel altijd minimaal een volwaardige bibliotheek met alle kernfuncties binnen
de gemeente in stand moet houden.
Het college van burgemeester en wethouders dan wel het bestuurscollege houdt als onderdeel
van het aanbod van bibliotheekvoorzieningen ten minste één bibliotheekvoorziening
in stand die alle vijf de functies uit artikel 5 van de Wsob omvat, een fysieke collectie
heeft en over een professionele personeelsbezetting beschikt. Met «in stand houden»
wordt ook «mede in stand houden» bedoeld, samen met een buurgemeente. Daarbij moet
het aanbod wel op redelijke afstand toegankelijk zijn en moet de betreffende voorziening
voldoen aan alle drie de eerdergenoemde eisen.
9. Inwerkingtreding
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie merken op dat de regering beoogt pas drie
jaar na publicatie van de wet de huidige bevorderingsplicht om te zetten in een zorgplicht.
Deze leden wijzen op de motie van het lid Mohandis c.s. waarmee de Kamer al in 2022
vroeg om een wetswijziging om de toegang tot een volwaardige bibliotheek voor elke
inwoner van Nederland garandeert.135 Hoe verhoudt de gekozen termijn zich tot het feit dat de Kamer met het aannemen van
deze motie verzocht om de wetswijziging uiterlijk in 2023 aan de Kamer te doen toekomen?
In een eerdere versie van het wetsvoorstel was de zorgplicht vormgegeven als kwantitatieve
norm, namelijk: ten minste één bibliotheekvestiging die een minimumaantal uren per
week geopend is. Uit de consultatie van het wetsvoorstel bleek dat betrokken organisaties,
zoals de VNG en de VOB, deze invulling onwenselijk vonden. Gelet op deze inbreng leek
het de regering wenselijk om het wetsvoorstel aan te passen. De zorgplicht heeft daarbij
een meer kwalitatieve invulling gekregen die recht doet aan de bezwaren van de betrokken
partijen. Deze aanpassing heeft tijd gekost, ook omdat deze opnieuw is afgestemd met
betrokken partijen. Daardoor heeft het wetsvoorstel enige vertraging opgelopen.
Onderdeel van het wetsvoorstel, in het kader van goed bestuur, is verder dat gemeenten
een redelijke termijn krijgen om aan de verplichtingen van de wet te voldoen. Dat
wil zeggen: voor het opstellen van een meerjarenplan en vervolgens voor het uitvoeren
van het beleid uit het meerjarenplan. Voor het opstellen van het eerste meerjarenplan
krijgen gemeenten een jaar de tijd, voor het voorbereiden op de zorgplichtkrijgen
zij drie jaar de tijd. Met deze termijn verwacht de regering dat alle gemeenten en
openbare lichamen bij inwerkingtreding van de zorgplicht aan deze plicht kunnen voldoen.
Heeft de regering ten aanzien van openbare bibliotheken vooruitlopend op de wetswijziging
dan al die jaren stilgezeten?
De Minister van OCW heeft op 2 april 2020 een beleidsreactie gegeven op de evaluatie
van de Wsob.136 De beleidsreactie omvatte een beperkt aantal maatregelen, zoals het verplichte gratis
lidmaatschap voor de jeugd, dat met de beschikbare middelen kon worden opgepakt. Met
het kabinet Rutte IV kwam ook structurele financiering vrij voor het versterken van
het bibliotheekstelsel.137 In 2023–2024 werd gestart met het repareren en versterken van het bibliotheeknetwerk
via een specifieke uitkering waarmee gemeenten konden investeren in nieuwe bibliotheekvestigingen
en het verbeteren van de dienstverlening van bestaande voorzieningen. In de jaren
daarna kon deze investering worden voortgezet via een decentralisatie-uitkering. Vervolgens
wordt de beschikbaarheid en bereikbaarheid van de openbare bibliotheek wettelijk geborgd
via dit wetsvoorstel.
Zou de regering inmiddels niet met een termijn van twee jaar moeten kunnen volstaan?
De termijn van drie jaar is gekozen met het oog op de tijd die gemeenten en openbare
lichamen nodig hebben om zich redelijkerwijs te kunnen voorbereiden op de zorgplicht.
Het is namelijk denkbaar dat gemeenten investeringen in bouw of verbouw moeten doen
om aan de zorgplicht te kunnen voldoen. Een periode van twee jaar na het opstellen
van het meerjarenplan is dan niet voldoende. Daarom heeft de regering in overleg met
partijen gekozen voor een termijn van drie jaar.
De leden van de PVV-fractie vragen de regering om te verduidelijken waarom er voor
een overgangstermijn van drie jaar is gekozen. Op basis van welke analyse is vastgesteld
dat deze termijn voor gemeenten toereikend is om aan de nieuwe zorgplicht te voldoen?
De termijn van drie jaar is gekozen met het oog op de tijd die gemeenten en openbare
lichamen nodig hebben om zich redelijkerwijs te kunnen voorbereiden op de zorgplicht.
Het is namelijk denkbaar dat gemeenten investeringen in bouw of verbouw moeten doen
om aan de zorgplicht te kunnen voldoen. Daarom heeft de regering in overleg met de
VNG en de VOB gekozen voor een termijn van drie jaar.
Daarnaast vragen de leden van de PVV-fractie hoe wordt omgegaan met gemeenten die
na afloop van de overgangstermijn nog steeds niet beschikken over een volwaardige
bibliotheekvoorziening.
Het is aan de provincie als toezichthouder om te bepalen hoe hiermee wordt omgegaan.
Provincies kunnen ingrijpen als vastgelegde medebewindstaken niet (juist) worden uitgevoerd.
Dan kan de toezichthouder gebruikmaken van de instrumenten uit het generieke interbestuurlijk
toezicht, zoals indeplaatsstelling.
II. ARTIKELSGEWIJS
Artikel I, onderdelen B en D
De leden van de SGP-fractie vragen waarom het bijvoeglijke naamwoord «openbare» door
de regeling in verschillende onderdelen komt te vervallen en hoe zich dat verhoudt
tot het opschrift van de wet.
Met het wetsvoorstel wordt een aantal artikelen in de Wsob gewijzigd, waarbij in een
aantal gevallen begrippen worden aangepast. Dit was noodzakelijk omdat de huidige
Wsob geen consistent begrippenkader kent. Een voorbeeld hiervan is het begrip «openbare
bibliotheekvoorziening». In de huidige wet is namelijk het onderscheid tussen bibliotheekvoorzieningen,
zijnde de rechtspersonen die bibliotheken in stand houden, en bibliotheekvoorzieningen,
zijnde de voorzieningen die worden verzorgd door die rechtspersonen, onduidelijk en
inconsistent. Met dit wetsvoorstel wordt dit onderscheid verduidelijkt en consistent
doorgevoerd in de wet. De rechtspersonen die bibliotheken in stand houden worden voortaan
aangeduid als «bibliotheekorganisaties» en de voorzieningen die zij verzorgen als
«bibliotheekvoorzieningen». In enkele gevallen heeft de harmonisatie ertoe geleid
dat het bijvoeglijk naamwoord «openbare» is komen te vervallen. Hiermee is geen inhoudelijke
wijziging beoogd en wordt bovendien verduidelijkt dat alle, door bibliotheekorganisaties
aangeboden voorzieningen in het kader van de wet openbaar zijn. Deze wijziging doet
dus niet af aan het opschrift van de wet.
Artikel I, onderdeel F
De leden van de VVD-fractie steunen het uitgangspunt dat bibliotheekvoorzieningen
voor alle inwoners toegankelijk moeten zijn en constateren dat in het wetsvoorstel
wordt gesproken over «een aanbod van bibliotheekvoorzieningen dat als geheel binnen
redelijke afstand voor de inwoners toegankelijk is». Deze leden vragen zich af hoe
dit criterium concreet moet worden geïnterpreteerd en hoe deze wordt bepaald.
In de memorie van toelichting wordt hierbij aangegeven dat het «voor de hand ligt
om de geografie en demografie van de betreffende gemeente of het betreffende openbaar
lichaam in acht te nemen» maar de leden vragen om een concretere toelichting.
In het concept-Besluit stelsel openbare bibliotheekvoorzieningen worden de geografische
en demografische indicatoren samen met enkele sociaal-maatschappelijke factoren in
het kader van het meerjarenplan verder uitgewerkt. Het gaat om (i) de bereikbaarheid
binnen redelijke afstand van het aanbod van bibliotheekvoorzieningen gelet op de oppervlakte
van de gemeente dan wel het openbaar lichaam, (ii) het aantal inwoners, (iii) de leeftijdsopbouw,
(iv) de sociaaleconomische status van de bevolking, (v) de manier waarop de lokale
bibliotheek bijdraagt aan de lokale maatschappelijke opgaven, (vi) de betrokkenheid
van de lokale bibliotheek bij de totstandkoming van het meerjarenplan en (vii) de
verhouding tussen de lokale bibliotheek en andere sociaal-culturele voorzieningen
en het onderwijs. Voor openbare lichamen in Caribisch Nederland geldt dat rekening
moet worden gehouden met licht afwijkende criteria. Hiervoor is gekozen omdat niet
alle voor de gemeenten genoemde CBS-gegevens ook voor Caribisch Nederland beschikbaar
zijn. Zo ontbreekt de indicator met betrekking tot leeftijdsopbouw en is in plaats
van sociaaleconomische status is opleidingsniveau gebruikt.
Daarnaast lezen de leden van de VVD-fractie dat het enkel beschikken over vrijwilligers
onvoldoende is om te voldoen aan de zorgplicht. Deze leden onderstrepen dat zij een
belangrijke bijdrage leveren aan het functioneren van bibliotheekvoorzieningen. Tijdens
werkbezoeken hebben de leden bovendien gezien hoe groot de inzet en betrokkenheid
van vrijwilligers is en hoe belangrijk zij zijn voor het mogelijk maken van activiteiten,
zoals taalcursussen en het draaiend houden van voorzieningen. Tegelijkertijd zien
zij dat de beschikbaarheid van vrijwilligers onder druk kan staan, onder meer als
gevolg van vergrijzing. Zij vragen de regering daarom hoe zij de rol en inzet van
vrijwilligers in relatie tot de zorgplicht ziet.
Bibliotheekorganisaties vormen samen met de POI's en de KB een netwerk; alle netwerkpartners
werken intensief samen, bijvoorbeeld om evenwichtige collecties op te bouwen, het
interbibliothecair leenverkeer te organiseren, digitaal informatie uit te wisselen
en het onderwijs te ondersteunen. Hierin kwaliteit leveren is een vak en vergt expertise
en continuïteit. Om dit in alle gemeenten te kunnen doen, werken bibliotheekorganisaties
nooit alleen met vrijwilligers, maar hebben ze altijd (ook) betaalde krachten in dienst.
De regering vermeldt de «professionele personeelsbezetting» in de wet om bij deze
praktijk aan te sluiten en een minimumniveau van dienstverlening te borgen. Het enkel
beschikken over vrijwilligers is daarmee onvoldoende om te voldoen aan de zorgplicht.
Echter, vrijwilligers spelen bij veel bibliotheken een belangrijke rol. Ze zijn een
schakel tussen de bibliotheek en de lokale gemeenschap en ondersteunen betaalde krachten,
maken activiteiten mogelijk en zorgen ervoor dat bibliotheken hun laagdrempelige en
sociale functie kunnen vervullen. De regering ziet vooralsnog geen gebrek aan belangstelling
om als vrijwilliger bij de bibliotheek aan de slag te gaan en verwacht niet dat dit
met de komst van de zorgplicht zal veranderen.
Op welke wijze wordt rekening gehouden met mogelijke tekorten aan vrijwilligers in
de toekomst?
Zoals genoemd, verwacht de regering niet dat de belangstelling voor vrijwilligersposities
bij bibliotheken zal afnemen met de komst van de zorgplicht. Vrijwilligers leveren
een wezenlijke bijdrage aan het bibliotheekwerk en veel bibliotheken voeren dan ook
een actief vrijwilligersbeleid om eventuele tekorten in de toekomst uit te sluiten.
Zo wordt actief uitgedragen dat vrijwilligers van waarde zijn voor de organisatie
en er wordt ruimte geboden aan persoonlijke ontwikkeling.
En hoe wordt voorkomen dat gemeenten in de knel komen bij het voldoen aan de zorgplicht
wanneer de beschikbaarheid van vrijwilligers afneemt?
De beschikbaarheid van vrijwilligers is zeker van wezenlijk belang voor het bibliotheekwerk.
Echter, het voldoen aan de zorgplicht staat hier los van. Beschikken over professionele
personeelsbezetting maakt wel onderdeel uit van de zorgplicht. Dit om de kwaliteit,
expertise en continuïteit bij bibliotheken te waarborgen.
De leden van de SGP-fractie vragen of het uitwerken van het criterium «binnen redelijke
afstand» uiteindelijk de verantwoordelijkheid van de gemeente blijft dan wel dat er
externe normen zijn die de vrijheid van de gemeente beperken.
Er worden geen nadere kwantitatieve normen in regelgeving vastgelegd, de invulling
van het begrip «redelijke afstand» is in beginsel de verantwoordelijkheid van de gemeente.
Wel zijn in het conceptbesluit voor het meerjarenplan enkele geografische en demografische
indicatoren en sociaal-maatschappelijke factoren opgenomen waar gemeenten en openbare
lichamen rekening mee moeten houden bij de invulling van een redelijke afstand. Daarnaast
kunnen gemeenten gebruik maken van een nog te publiceren handreiking van de VNG, die
ook streefwaarden zal bevatten. Deze zijn bedoeld als hulpmiddel en voorbeeld en vormen
geen verplichting.
Artikel I, onderdeel M
De leden van de SGP-fractie zijn van mening dat de wijziging van artikel nog niet
de beoogde duidelijkheid oplevert. Deze leden stellen vast dat de wet geen definitie
bevat van het begrip openbare bibliotheek en dat, zoals benoemd bij artikel I, onderdelen
B en D, het woord «openbare» juist op verschillende plekken vervalt. Bovendien wordt
langer een onderscheid gehanteerd tussen lidmaatschap en het gebruik van voorzieningen.
Hierdoor kan de vraag rijzen hoe verschillende lidmaatschappen zich tot elkaar verhouden.
Deze leden vragen of de regering dit nogmaals wil bezien ten einde verwarring te voorkomen.
Eveneens vragen zij hoe, in ieder geval ten aanzien van de landelijke digitale bibliotheek,
van lidmaatschap gesproken kan worden voor zover het rechtsvormen betreft die geen
leden kunnen hebben.
De leden merken terecht op dat er in het geval van bibliotheekorganisaties en ook
de landelijke digitale bibliotheek geen sprake is van rechtsvormen die in privaatrechtelijke
zin leden kunnen hebben. Met het gebruik van de term «lidmaatschap» heeft de regering
echter beoogd aan te sluiten bij de betekenis die in het maatschappelijk verkeer,
en in het bijzonder in de context van de bibliotheek, aan deze term wordt gegeven.
Dat is: het gebruik van voorzieningen of diensten die verzorgd of geleverd worden
door een rechtspersoon. In het geval van de Wsob wordt met het lidmaatschap van de
openbare bibliotheek dan ook gedoeld op het feit dat een persoon bij de bibliotheek
is ingeschreven, het recht heeft om gebruik te maken van bepaalde diensten van bibliotheken,
zoals het lenen van boeken en zoals het gebruik van de landelijke digitale bibliotheek,
en dat de gegevens van deze persoon worden verwerkt om, bijvoorbeeld, een uitleenadministratie
bij te kunnen houden.
De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
J.Z.C.M. Tielen
Indieners
J.Z.C.M. Tielen, staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap