Nota n.a.v. het (nader/tweede nader/enz.) verslag : Nota naar aanleiding van het verslag
36 942 Wijziging van de Telecommunicatiewet, de Wet informatie-uitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten en netwerken, en andere wetten in verband met de uitvoering van verordening (EU) 2024/1309 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2024 inzake maatregelen om de kosten van de uitrol van elektronischecommunicatienetwerken met gigabitsnelheden te verlagen, tot wijziging van Verordening (EU) 2015/2120 en tot intrekking van Richtlijn 2014/61/EU
Nr. 6
NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG
Ontvangen 13 juli 2026
Met belangstelling heb ik kennisgenomen van de vragen en opmerkingen van de leden
van de fracties van GroenLinks-PvdA, VVD, D66, CDA en JA21. Graag beantwoord ik de
vragen die door de verschillende fracties zijn gesteld. In deze nota zijn de vragen
en opmerkingen uit het verslag integraal opgenomen in cursieve tekst en de beantwoording
daarvan in niet-cursieve tekst. De vragen zijn genummerd, waarnaar in voorkomende
gevallen naar andere antwoorden is verwezen. Gelijkluidende of in elkaars verlengde
liggende vragen zijn soms gezamenlijk beantwoord.
I ALGEMEEN DEEL
1. Inleiding
De leden van de D66-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de Uitvoeringswet
gigabitinfrastructuurverordening. Deze leden hebben nog wel de volgende opmerkingen.
1.
De leden van de VVD-fractie vragen welke impact deze wet heeft op het Nederlandse
onderzoek dat nog loopt naar de opstelpunten.
Antwoord
De landelijke mobiele operators (MNO’s) verenigd in Monet hebben onderzoek laten uitvoeren
door Dialogic naar de schaarste van antenne-opstelpunten.1 Dit onderzoek is inmiddels afgerond, en hierop is gereflecteerd middels een Kamerbrief.2 In de Kamerbrief wordt ook verwezen naar de gigabitinfrastructuurverordening en de
nieuwe mogelijkheden voor de MNO’s om antennes op overheidsgebouwen te plaatsen. De
verordening verplicht overheidsinstanties namelijk om mee te werken aan redelijke
verzoeken van MNO’s om antenne-installaties te plaatsen op hun objecten. Dit gaat
verder dan de rijksgedragslijn3 en geldt ook voor andere overheden (zoals gemeenten). Ik zal de praktische uitwerking
van de verordening in de komende jaren volgen, om te zien of deze in Nederland inderdaad
het effect heeft zoals de verordening beoogt.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben kennisgenomen van de Uitvoeringswet
voor de Gigabitinfrastructuurverordening (GIA). Zij steunen de richting van de GIA
en hebben enkele vragen, suggesties en opmerkingen. Deze leden benadrukken dat Nederland
een bijzondere positie heeft als EU-lidstaat met een sterke digitale connectiviteit.
Volgens hen moet Nederland optimaal gebruikmaken van de ruimte in de verordening voor
lidstaten om nadere voorwaarden te stellen om deze positie te versterken.
De leden van de CDA-fractie zijn voorstander van het versterken van de digitale infrastructuur
in Nederland, om zo bij te dragen aan een concurrerende en toekomstbestendige economie.
Het rapport Wennink benadrukt dat een sterke (digitale) infrastructuur een van de
belangrijke randvoorwaarden is voor het Nederlandse verdienvermogen. Deze leden onderschrijven
dan ook het belang van maatregelen die het gezamenlijke gebruik van bestaande fysieke
infrastructuur bevorderen en de uitrol van nieuwe fysieke infrastructuur efficiënter
maken. Hierdoor kunnen elektronische communicatienetwerken sneller, doelmatiger en
tegen lagere kosten worden uitgerold, hetgeen ten goede komt aan zowel inwoners als
bedrijven. Wel hebben zij nog een aantal vragen over dit wetsvoorstel.
2.
De leden van de CDA-fractie vragen of de regering inzichtelijk heeft in hoeverre de
voorgestelde maatregelen daadwerkelijk bijdragen aan het verminderen van de schaarste
aan antenne-opstelpunten. Verwacht de regering dat met de verruimde mogelijkheden
voor toegang tot en medegebruik van fysieke infrastructuur en versnelde vergunningverlening
er voldoende nieuwe opstelpunten beschikbaar komen om aan de toekomstige vraag naar
mobiele connectiviteit te voldoen? Op welke analyses of prognoses is deze verwachting
gebaseerd?
Antwoord
De verordening brengt extra mogelijkheden om antennes op overheidsgebouwen te plaatsen,
wat de beschikbaarheid van antenne-opstelpunten mogelijk vergroot. Aanvullend verken
ik dit jaar de volgende maatregelen:
1. Het ophogen van de grens voor vergunningsvrije plaatsing van antenne-installaties
van 5 naar 7 meter;
2. Het vernieuwen van het Antenneconvenant en daarbij betrekken van extra deelnemers.
De verwachting is dat deze maatregelen bijdragen aan voldoende nieuwe opstelpunten
om aan de toekomstige vraag te voldoen, zoals eerder becijferd door Dialogic.4 Daarnaast heb ik Monet opgeroepen om de relevante cijfers over antenneplaatsing te
blijven monitoren, om gezamenlijk de vinger aan de pols te houden hoe antenneplaatsing
in de komende jaren zal verlopen.
De leden van de JA21-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel
tot uitvoering van de gigabitinfrastructuurverordening. Deze leden onderschrijven
het belang van snelle en betrouwbare digitale infrastructuur voor burgers, bedrijven
en overheden. Tegelijkertijd achten zij het van belang dat de versnelling van de uitrol
van elektronische communicatienetwerken gepaard gaat met voldoende aandacht voor uitvoerbaarheid,
lokale belangen, cyberveiligheid en de bescherming van vitale infrastructuur. Zij
hebben daarom nog enkele vragen aan de regering.
3.
De leden van de JA21-fractie merken op dat de verordening primair is gericht op de
uitrol van elektronische communicatienetwerken op land. Tegelijkertijd vormt internationale
connectiviteit een essentieel onderdeel van de digitale infrastructuur van Nederland,
Europa en de Europese Unie. Deze leden vragen de regering in hoeverre bij de uitvoering
van de Gigabitinfrastructuurverordening ook aandacht wordt besteed aan de weerbaarheid
van de bredere digitale infrastructuur. Kan de regering toelichten hoe zij de huidige
staat en toekomstige capaciteit van deze verbindingen beoordeelt? Acht de regering
de bestaande infrastructuur bovendien toereikend om de groeiende vraag naar dataverkeer
als gevolg van de verdere uitrol van gigabitnetwerken op te vangen?
4.
Kan de regering voorts toelichten in hoeverre de effectiviteit van investeringen in
nationale gigabitnetwerken mede afhankelijk is van de capaciteit en weerbaarheid van
internationale verbindingen, waaronder zeekabels?
Antwoord
De leden van de JA21-fractie merken terecht op dat internationale connectiviteit,
waaronder zeekabels, een essentieel onderdeel is van de digitale infrastructuur van
Nederland en Europa. Dit valt weliswaar buiten de reikwijdte van de Uitvoeringswet
gigabitinfrastructuurverordening, maar dat neemt niet weg dat het kabinet actief inzet
op het aanlanden van nieuwe zeekabels met de Zeekabel Coalitie. Uit onderzoek is namelijk
gebleken dat Nederland nieuwe zeekabelinfrastructuur nodig heeft: zowel het vervangen
van bestaande zeekabels die aan het einde van de levensduur raken als investeren in
extra capaciteit om aan het groeiende dataverkeer te kunnen voldoen is nodig.1 Daarbij is het van belang de weerbaarheid van deze infrastructuur verder te versterken
met routediversiteit en redundantie, bijvoorbeeld met de beoogde Arctische route naar
Azië. Ook in Europees verband wordt ingezet op versterking van de zeekabel-infrastructuur
met het Europees Actieplan Kabelveiligheid, de Connecting Europe Facility (CEF) en de Cable Projects of European Interest die prioriteit krijgen bij CEF-subsidies. De Tweede Kamer heeft het belang van nieuwe
zeekabelaanlandingen onderstreept met diverse moties. Ook heeft de Kamer het amendement
Dassen c.s. (36 915 XIII, nr. 7) aangenomen dat 18 miljoen vrijmaakt voor het zeebodemonderzoek voor de beoogde Nederlandse
aanlanding van de pan-Arctische zeekabel. Ik zal de Kamer informeren over de vervolgstappen
uitvoering daarvan; uiterlijk voor Prinsjesdag over de beoogde pan-Arctische zeekabel
en, in afwachting van het Europese onderzoek naar internationale connectiviteit van
het Caribisch gebied, uiterlijk begin 2027 over de beoogde trans-Atlantische zeekabel.
2. Inhoud van de verordening op hoofdlijnen
5.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben verduidelijkende vragen over de GIA.
Ten eerste vragen zij hoe Nederland de beschikbare beleidsruimte benut heeft. Kan
de regering in algemene zin duiden hoe zij besloten heeft welke ruimte wel en niet
te benutten om aanvullende nationale regels te implementeren? Welke afweging is hier
aan vooraf gegaan, en zijn er – naast de in de memorie van toelichting beschreven
keuzes – nog andere aanvullingen die de regering heeft overwogen om op te nemen?
Antwoord
Bij de GIA is sprake van een verordening. Dat betekent dat er in beginsel niet of
nauwelijks ruimte is voor lidstaten om eigen beleid te voeren. Alleen waar de verordening
zelf aangeeft dat er nationale keuzes mogen worden gemaakt is er een (beperkte) ruimte
voor nationale invulling. Het uitgangspunt daarbij is dat er in beginsel geen aanvullende
verplichtingen worden opgelegd (lastenluwe implementatie). De verordening biedt lidstaten
de mogelijkheid om af te zien van het in de verordening opgenomen beginsel dat een
vergunning bij overschrijding van de beslistermijn geacht wordt te zijn toegekend
(lex silencio positivo). Van deze mogelijkheid heeft de regering gebruik gemaakt.
In de antwoorden op vragen hierover van de diverse fracties wordt ingegaan op de beweegredenen.
Verder geeft de verordening lidstaten de opdracht om aan te geven wanneer de aanleg
van VHC-netwerken vergunningsvrij is. Dit wordt uitgewerkt in een algemene maatregel
van bestuur. Ook maakt de verordening het mogelijk om in bepaalde gevallen uit de
verordening voortvloeiende verplichtingen niet van toepassing te laten zijn. Ook hiervan
wordt door de regering gebruik gemaakt. Uitwerking van de uitzonderingen zal eveneens
plaatsvinden bij algemene maatregel van bestuur. Voorts geeft de verordening in bepaalde
gevallen de mogelijkheid voor lidstaten om nadere regels te stellen. Van deze mogelijkheden
wordt zo beperkt mogelijk gebruik gemaakt vanuit de gedachte dat dergelijke regels
zouden kunnen leiden tot een nationale kop.
6.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben begrip voor de ruimte om per algemene
maatregelen van bestuur nadere regels te stellen. Wel vragen zij om de Kamer tijdig
te informeren over het ontwikkelen van deze maatregelen, waarbij duidelijk wordt hoe
en met wie ze worden opgesteld. Voor goed controleerbare wetgeving achten deze leden
dit noodzakelijk. Hoe gaat de regering de Kamer blijvend op de hoogte houden van deze
ontwikkelingen? Gaat de regering de Kamer actief betrekken?
Antwoord
Uitgangspunt bij gedelegeerde wetgeving, zoals een algemene maatregel van bestuur,
is dat deze niet wordt opgesteld met (directe) betrokkenheid van de Tweede en Eerste
Kamer. Dat geldt ook voor de algemene maatregel van bestuur ter uitwerking van de
GIA. Bij het opstellen van de algemene maatregel van bestuur wordt overleg gevoerd
met en inbreng gevraagd van de diverse belanghebbenden, zoals diverse onderdelen van
de rijksoverheid, gemeenten, en (vertegenwoordigers van) netwerkexploitanten. Verder
zal de ontwerpversie van de algemene maatregel van bestuur via internet openbaar worden
geconsulteerd en gericht worden geconsulteerd onder decentrale overheden (op grond
van artikel 4 Code Interbestuurlijke Verhoudingen) en zal de ontwerpversie door de
toekomstige toezichthouder worden getoetst op uitvoerbaarheid. Daarna zal de algemene
maatregel van bestuur voor advies worden voorgelegd aan de Raad van State.
7.
Ten tweede vragen de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zich af wat onder «alle
redelijke verzoeken» wordt verstaan. Uiteraard begrijpen zij dat de brede formulering
bewust ruimte laat. Tegelijkertijd stellen zij voor om zoveel mogelijk onduidelijkheden
weg te nemen voordat de uitvoeringswet in werking treedt. Kan de regering in heldere
taal schetsen hoe wordt bepaald wat als «redelijk verzoek» kwalificeert? Welke rol
heeft de ACM daarin en welke voorwaarden kan de (mede)wetgever daaraan stellen? Zij
stellen dezelfde vraag over de gevraagde «redelijke en billijke voorwaarden». Volstaat
het ACM-besluit uit juli 2024 als definitie?
Antwoord
Het begrip «redelijke verzoeken» is opgenomen in de tekst van artikel 3, eerste lid,
van de verordening. Het is de bedoeling dat de partij die om toegang tot fysieke infrastructuur
verzoekt samen met de partij die eigenaar is van, of zeggenschap heeft over, de fysieke
infrastructuur bepaalt wat in het concrete geval redelijk is. Als partijen daar niet
uitkomen dan kan het dan ontstane geschil aan de ACM ter beoordeling worden voorgelegd.
Het oordeel van ACM kan op zijn beurt – als een van de partijen dat wenst – weer aan
de rechter worden voorgelegd. De verordening biedt geen ruimte om in nationale regelgeving
nader uit te werken wat onder redelijke verzoeken moet worden verstaan. Dat lijkt
de regering overigens ook niet wenselijk. De kracht van een open norm als deze is
juist dat de omstandigheden van het geval een grote rol spelen bij wat redelijk is
in dat geval of niet. Dit is ook de reden dat de regering niet kan schetsen wat (in
zijn algemeenheid) redelijk is of niet. Overigens zijn dergelijke normen in het recht
niet nieuw en hebben zij in de praktijk hun nut bewezen. Voor wat betreft het door
de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie genoemde ACM-besluit uit juli 2024 veronderstelt
de regering dat hier gedoeld wordt op het besluit van ACM in het geschil tussen Vodafone
en AEGON over het medegebruik van een antenne-opstelpunt. Hoewel dit geschil is beslecht
op basis van de Telecommunicatiewet en niet op basis van de verordening, is het besluit
ook bij de interpretatie van de verordening relevant. Immers een van de aspecten van
het besluit is dat de ACM hier in een concreet geval invulling geeft aan de in de
Telecommunicatiewet opgenomen norm dat een netwerkexploitant in moet stemmen met redelijke
verzoeken van aanbieders van openbare elektronische communicatienetwerken tot medegebruik
van (= toegang tot) zijn fysieke infrastructuur. In wezen is dit dezelfde norm als
die is opgenomen in de verordening. ACM geeft in het besluit aan welke elementen zij
in het voorliggende geval relevant acht om tot een oordeel te komen over de redelijkheid
van het verzoek om toegang tot fysieke infrastructuur. Hoewel daarbij naar de opvatting
van de regering door ACM geen definitie van wat redelijk is wordt gegeven, biedt het
besluit wel inzicht hoe de ACM op dit punt tot een besluit komt. Hierdoor ontstaat
meer houvast hoe in de praktijk moet worden gekomen tot het oordeel of een verzoek
al dan niet redelijk is. Ten slotte heeft de Europese Commissie in de zomer van 2025
een openbare raadpleging onder belanghebbenden uitgevoerd en kan zij op basis van
deze uitkomsten bepalen om in nauwe samenwerking met de Berec (de koepel van Europese
toezichthouders) richtsnoeren te verstrekken over de toepassing van artikel 3 in de
GIA over toegang tot fysieke infrastructuur.
8.
Ten derde hebben de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen over de reikwijdte
van de aanbieders die onder de verordening vallen. Zij vragen de regering om een beeldend
overzicht te geven van Nederlandse organisaties en ondernemingen die onder de verordening
toegang moeten verlenen aan redelijke verzoeken van telecompartijen. Zijn er organisaties
en ondernemingen, bijvoorbeeld met meerdere functies, waarbij nog niet duidelijk is
of zij hier onder vallen? Zo ja, kan de regering schetsen in welke gevallen dit zo
is? Wat doet zij om deze duidelijkheid zo snel mogelijk wel te verschaffen?
Antwoord
De verordening bepaalt op welke entiteiten de verplichtingen uit de verordening van
toepassing zijn. Dat zijn netwerkexploitanten en overheidsorganisaties die eigenaar
zijn van of zeggenschap hebben over fysieke infrastructuur. In artikel 2 van de verordening
is gedefinieerd wat onder een netwerkexploitant, een overheidsorganisatie en fysieke
infrastructuur moet worden verstaan. In het algemeen is op basis van die definities
volgens de regering wel duidelijk welke organisaties onder de werking van de verordening
vallen. Dit neemt niet weg dat er gevallen zullen zijn waarin dit niet zo is. In dat
geval is het niet zozeer aan de regering om te bepalen of een organisatie al dan niet
onder de regels van de verordening valt. Het is in eerste instantie de partij zelf
die zal moet bekijken of hij onder de werking van de verordening valt. In tweede instantie
is het aan de toezichthouder om hier een oordeel over te hebben. Uiteraard kan dit
oordeel aan de rechter worden voorgelegd. Verder is het inderdaad mogelijk dat een
onderneming meerdere functies heeft. Van belang daarbij is of een van die functies
de onderneming een netwerkexploitant maakt in de zin van de verordening. Dat is het
geval als de onderneming, naast de andere functies die de onderneming heeft, ook een
aanbieder van een openbaar netwerk, een openbare elektronische communicatiedienst
of een aanbieder van een bijbehorende faciliteit is. Of als de onderneming fysieke
infrastructuur heeft die tot doel heeft diensten te leveren op het gebied van de productie,
het transport of de distributie van gas, elektriciteit, verwarming of water, met inbegrip
van de afvoer of verwerking van afval- en rioolwater en drainagesystemen, dan wel
heeft de onderneming fysieke infrastructuur die tot doel heeft diensten te leveren
op het gebied van vervoer, met inbegrip van vervoer via spoorwegen, wegen, waaronder
stadswegen, tunnels, havens en luchthavens. De toegang die in dat geval moet worden
verleend heeft alleen betrekking op de fysieke infrastructuur die gebruikt wordt voor
de functie die ertoe leidt dat de entiteit onder de werking van de verordening valt.
Verder kan het voorkomen dat een entiteit zowel overheidsinstantie is als netwerkexploitant.
Hierbij kan, bijvoorbeeld, worden gedacht aan ProRail dat door de publieke taak die
het heeft (het zorgen voor spoorwegen in Nederland) kwalificeert als publiekrechtelijke
instantie en daarmee als overheidsinstantie en tevens, door het aanbieden van fysieke
infrastructuur die tot doel heeft het leveren van diensten op het gebied van vervoer,
kwalificeert als netwerkexploitant. In dat geval is de verordening zondermeer van
toepassing op een dergelijke entiteit.
9.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben in het bijzonder aandacht voor gemeenten.
Deze leden wijzen er op dat veel gemeentelijk vastgoed wordt gebruikt of verhuurd
voor maatschappelijke doelen zoals ontmoeting, onderwijs, sport en recreatie. Is het
volledig duidelijk of ál het gemeentelijk vastgoed onder de GIA valt? Kan de regering
voorbeelden geven van soorten gemeentelijke gebouwen die hieronder vallen? Deze leden
geven aan dat maatschappelijke functies niet beperkt, of in ieder geval minimaal beperkt,
moeten worden door de uitbreiding van het mobiele netwerk. Heeft de regering met de
Vereniging van Nederlandse Gemeenten gesproken ter voorbereiding van deze wet, en
kan de regering bevestigen dat gemeenten voldoende voorbereid en uitgerust zijn op
de implementatie van de verordening?
Antwoord
De hoofdregel uit de verordening is dat netwerkexploitanten en overheidsinstanties
die eigenaar zijn van of zeggenschap hebben over fysieke infrastructuur moeten voldoen
aan alle redelijke verzoeken van exploitanten om toegang tot die fysieke infrastructuur
ten behoeve van de uitrol van VHC-netwerken. Dit betekent dat al het gemeentelijk
vastgoed dat onder de definitie van fysieke infrastructuur uit de verordening valt
en waar de gemeente eigenaar van is of zeggenschap over heeft, onder de reikwijdte
van de verordening valt. Het gemeentehuis, wijkcentra, bibliotheken en sportaccommodaties
zijn voorbeelden van gemeentelijk vastgoed die onder de reikwijdte van de verordening
vallen, mits de gemeente eigenaar is van of zeggenschap heeft over het vastgoed. Overigens
bevat de verordening mogelijkheden om de toegang tot specifieke infrastructuur te
weigeren, bijvoorbeeld vanwege technische ongeschiktheid van de infrastructuur of
om bepaalde veiligheidsredenen, in reactie op de opmerking van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
dat de maatschappelijk functies niet beperkt of minimaal beperkt moeten worden. De
vraag van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie of de regering met de Vereniging
van Nederlandse Gemeenten heeft gesproken ter voorbereiding van de uitvoeringswet,
kan bevestigend worden beantwoord. Daarnaast is ook gesproken met het Gemeentelijk
Platform Kabels en Leidingen (GPKL), waarbij deze partij via o.a. kennisdeling over
de verordening zijn achterban informeert over de werking van de verordening.
10.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen de regering om in heldere taal uit
te leggen wat de GIA verandert aan de rechten van huurders en verhuurders ten opzichte
van aanbieders van telecommunicatie. De alinea die dit beschrijft vinden zij onvoldoende
duidelijk. Wat verandert in de praktijk voor huurders, verhuurders en woningcorporaties
door deze verordening? Hoe raakt de verordening aan het instemmingsrecht van bewoners?
Kunnen bewoners in het geval dat zij hinder ondervinden aan het aansluiten van een
netwerk, compensatie vragen? Is het bijvoorbeeld mogelijk dat er als tegenprestatie
voor het gebruiken van een huurwoning voor telecommunicatie-infrastructuur, er ook
snelle internetaansluitingen voor een gunstige prijs worden gerealiseerd voor bewoners?
Aan wie is het om dergelijke afspraken te maken?
Antwoord
De in de verordening opgenomen verplichting om te voldoen aan redelijke verzoeken
om toegang tot fysieke infrastructuur geldt voor netwerkexploitanten en overheidsinstanties.
In het algemeen vallen particuliere verhuurders dus niet onder de werking van de verordening.
Zoals al aangegeven in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel is de regering
van opvatting dat woningbouwcorporaties niet zijn te beschouwen als overheidsinstantie
zoals bedoeld in de verordening. Dit betekent dat ook voor woningbouwcorporaties geldt
dat deze niet onder de werking van de verordening vallen. De verordening heeft volgens
de regering dan ook geen gevolgen voor de rechten van verhuurders en huurders. De
afspraken gemaakt tussen de Rijksoverheid, de VNG en de telecommunicatieaanbieders
in het antenneconvenant blijven van kracht. In die afspraken is vastgelegd dat de
bewoners instemmingsrecht hebben bij het plaatsen van (vergunningsvrije) antennes.
Over compensatie bij eventuele hinder zijn geen afspraken gemaakt. Dit betekent dat
het civiele recht van toepassing is en dat eventueel juridische actie kan worden ondernomen
op grond van onrechtmatige daad (artikel 6:162 Burgerlijk Wetboek). Ook ten aanzien
van eventuele «tegenprestaties» jegens huurders geldt dat daarover geen afspraken
zijn opgenomen in het convenant. Dat betekent niet dat hierover in een concreet geval
geen afspraken kunnen worden gemaakt met de telecompartij die de antenne plaatst.
Het initiatief voor dergelijke afspraken zou kunnen komen van de eigenaar/verhuurder
van de woningen. Hij is immers degene met wie de telecompartij onderhandelt over de
plaatsing.
11.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat de verordening de Europese Commissie
toestaat om nadere richtsnoeren vast te stellen voor toegang tot infrastructuur. Deze
leden vragen welke belanghebbenden hierbij worden geraadpleegd.
Antwoord
Voor het antwoord op deze vraag wordt verwezen naar het antwoord op vraag 7.
12.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vinden de waarborgen voor de veiligheid van
overheidsgebouwen onvoldoende duidelijk. De regering schrijft dat op grond van veiligheid,
toegang tot overheidsgebouwen aan aanbieders geweigerd mag worden. Het is echter niet
duidelijk hoe deze weigering onderbouwd moet worden. Zij vragen de regering om duidelijk
uit te leggen bij wie de bewijslast ligt. Hoe moeten overheden onderbouwen dat de
veiligheid, integriteit of vertrouwelijkheid van infrastructuur in het geding komt
bij een verzoek tot toegang? Hoeveel tijd is er om deze weigering te onderbouwen?
Hoe kan een aanbieder hiertegen in bezwaar gaan? Deze leden benadrukken dat gevoelige
informatie over infrastructuur goed beveiligd dient te worden, en stellen voor om
op dit punt zeer terughoudend te zijn. Zij horen graag van de regering hoe zij dit
betracht. Hiertoe achten zij het noodzakelijk dat de Autoriteit Consument & Markt
voldoende capaciteit heeft om de handhavingsverzoeken te behandelen.
Antwoord
In beginsel zal de partij die toegang weigert aannemelijk moeten maken dat het verlenen
van toegang een gevaar oplevert voor de veiligheid. Ook zal aannemelijk moeten worden
gemaakt dat het gevaar niet tot een acceptabel niveau kan worden beperkt door specifieke
(proportionele) maatregelen te nemen of af te spreken. Opgemerkt wordt dat «aannemelijk
maken» een minder zware lading heeft dan bewijzen: het gaat er niet om dat onomstotelijk
vast komt te staan dat er gevaar is voor de veiligheid maar dat er aannemelijke risico’s
zijn. De onderbouwing van dergelijke risico’s hangt sterk af van de omstandigheden
van het geval: wat voor kwetsbaarheden zijn er, wat voor informatie is er in een gebouw
aanwezig, hoe ernstig zijn de gevolgen als de veiligheid wordt geschonden, enz. Van
belang is verder dat de regering voornemens is om, gebruikmakende van de mogelijkheden
die de verordening biedt, bij algemene maatregel van bestuur verschillende overheidsdiensten
uit te sluiten van de toepassing van de verordening. Het gaat daarbij onder andere
om fysieke infrastructuur van defensie, de politie en de rechtspraak.
13.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vinden het onzorgvuldig dat niet kan worden
gesteld welke entiteit in positie is om, op basis van nationale veiligheid, een toegangsverzoek
te weigeren. Deze leden volgen de redenering van de regering dat dit gaat om netwerkexploitanten
en overheidsinstanties, maar hebben zekerheid nodig dat dit ook echt het geval wordt.
Hoe gaat de regering hier zo snel mogelijk helderheid over krijgen? Kan de regering
bevestigen dat alle EU-lidstaten deze uitleg volgen? Zo ja, acht zij het van toegevoegde
waarde om dit punt in de wet of in algemene maatregelen van bestuur (AMvB) nader te
specificeren?
Antwoord
De verordening geeft duidelijk aan wie in de positie is om toegang tot fysieke infrastructuur
te weigeren. Dat is namelijk de entiteit die om toegang wordt gevraagd, zijnde de
netwerkexploitant of de overheidsinstantie die eigenaar is van of zeggenschap heeft
over de fysieke infrastructuur. Dat geldt voor alle weigeringsgronden, dus ook voor
een toegangsweigering op basis van de nationale veiligheid. De regering heeft geen
gronden om aan te nemen dat hier in andere lidstaten anders tegenaan wordt gekeken.
Ook waar het gaat om de (nationale) veiligheid is van belang op te merken dat bij
algemene maatregel van bestuur de fysieke infrastructuur van overheidsinstanties waarbij
de veiligheid in het geding is zal worden uitgezonderd van de verplichtingen op basis
van de verordening.
14.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat in AMvB’s nadere regels kunnen worden
gesteld aan de civiele werken die buiten de informatieplicht komen te vallen. Dit
achten deze leden een nuttig instrument om nationale veiligheidsrisico’s af te dekken.
Zij vragen de regering om duidelijk te maken welke bepalingen de regering voornemens
is om per AMvB op te nemen op dit punt.
Antwoord
De regering is inderdaad voornemens om bij algemene maatregel van bestuur omwille
van de veiligheid van fysieke infrastructuur van de bepaalde overheidsorganisaties
uit te zonderen van de toepassing van de verordening. Daarbij kan onder meer worden
gedacht aan de fysieke infrastructuur van defensie, de politie en de rechtspleging.
Maar ook aan infrastructuur van het parlement en internationale organisaties.
15.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben vragen over de aanvraagtermijn voor
vergunningen. Het is voor hen niet duidelijk of 20 werkdagen een haalbare en noodzakelijke
tijdsspanne is. Zijn er andere termijnen overwogen? Is er ook ruimte om op nationaal
niveau kortere termijnen te bepalen, is dat overwogen? Wel stellen deze leden dat
ten zeerste moet worden voorkomen dat vergunningen verleend worden, omdat de termijn
niet gehaald wordt. Zij vragen de regering om duidelijk te maken wat er nodig is om
dit te voorkomen.
Antwoord
De verordening stelt in artikel 7 maximumtermijnen met betrekking tot de verlening
van vergunningen nodig voor de uitrol van VHC-netwerken. Zo bepaalt de verordening
dat binnen 20 werkdagen na ontvangst van een aanvraag voor een vergunning de bevoegde
autoriteit (bijvoorbeeld een gemeente) moet aangeven of de vergunningaanvraag volledig
is. Deze eis betekent niet dat binnen 20 werkdagen op de vergunningsaanvraag moet
zijn beslist maar dat binnen die termijn duidelijk moet zijn of de informatie die
nodig is voor de beoordeling van de verordening is verschaft. De termijn van 20 dagen
komt bovenop de eisen die aan vergunningverlening worden gesteld door de Algemene
wet bestuursrecht (Awb). De Awb stelt op dit punt geen termijn maar geeft wel aan
dat een bestuursorgaan kan besluiten een aanvraag niet te behandelen, indien de door
de aanvrager verstrekte gegevens onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag.
Daarbij stelt de Awb wel de voorwaarde dat de aanvrager de gelegenheid heeft gehad
binnen een door het bestuursorgaan te stellen termijn de aanvraag aan te vullen. Die
gelegenheid moet de aanvrager op grond van de verordening nu in ieder geval binnen
de 20 werkdagen termijn worden geboden. In het oorspronkelijke voorstel van de Europese
Commissie was een termijn van 15 dagen opgenomen. Op aandringen van meerdere lidstaten
is deze termijn uiteindelijk verruimd naar 20 dagen. Nederland heeft hier mee ingestemd.
Het is op basis van artikel 1, derde lid, van de verordening voor een lidstaat mogelijk
om strengere eisen te stellen dan in de verordening zijn opgenomen. Nederland zou
dus een kortere termijn dan 20 dagen kunnen vaststellen. Hier is echter van afgezien vanuit het beginsel
van lastenluwe implementatie van Europese wetgeving. Voor wat betreft het voorkomen
dat vergunningen worden verleend door het verstrijken van de termijn merkt de regering
op dat dit voorkomen is door in de uitvoeringswet gebruik te maken van de door de
verordening geboden mogelijkheid om af te zien van de toepasselijkheid van de in de
verordening opgenomen hoofdregel dat termijnoverschrijding leidt tot toekenning van
de vergunning (lex silencio positivo).
16.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben vragen over hoe vertrouwelijkheid in
de centrale informatiepunten wordt gewaarborgd. Gevoelige informatie over infrastructuur
dient maximaal beschermd te worden. Kan de regering helder schetsen hoe beoordeeld
wordt welke informatie wél en niet wordt gedeeld met oog op gevoelige informatie?
Hoe voorkomt zij dat verschillende verstrekte documenten, die op zichzelf niet gevoelig
zijn, alsnog in gezamenlijkheid een risico kunnen vormen voor de nationale veiligheid?
Komt er een beveiligde omgeving waarbinnen informatie wordt verschaft om te voorkomen
dat het gezien wordt door derden? Zijn er, naast het Kadaster en de Rijksinspectie
Digitale Infrastructuur, nog andere organisaties overwogen als bevoegde instanties?
Antwoord
De verordening biedt verschillende mogelijkheden om informatie uit te zonderen van
de verplichting tot transparantie, zoals nationale veiligheid. In het uitvoeringsbesluit
zal hier nader invulling aan gegeven worden. Daarbij is goed om op te merken dat voor
transparantie over fysieke infrastructuur wordt aangesloten bij bestaande informatiedeling.
Zo wordt informatie over bovengrondse fysieke infrastructuur reeds openbaar gemaakt
in de Basisregistratie Grootschalige Topografie (BGT) en het Antenneregister. Voor
ondergrondse fysieke infrastructuur wordt reeds informatie gedeeld via het KLIC. In
de huidige situatie geldt voor deze systemen al dat uitzonderingen bestaan voor gevoelige
informatie. Om deze reden wordt ervoor gekozen om de bevoegde instanties die deze
informatiepunten beheren, aan te wijzen als bevoegde instanties in het uitvoeringsbesluit.
Voor de nieuwe dienst, ten behoeve van informatiedeling over geplande civiele werken,
zullen slechts beperkt organisaties toegang hebben tot de informatie. Ook daarvoor
geldt dat gevoelige informatie zal worden uitgezonderd van de transparantieplicht.
Als laatste geldt voor alle informatie de mogelijkheid voor bronhouders om informatie
te weigeren op een aantal gronden als nationale veiligheid, zoals uiteengezet in de
verordening.
17.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen of de «redelijke uitleg van de verordening»
over het glasvezelklaar maken van wooncomplexen voldoende helder is. Is de regering
bereid om dit in de wetstekst of per algemene maatregel van bestuur te bestendigen,
zodat er geen onzekerheid bestaat over de soorten gebouwen die hier wel niet onder
vallen?
Antwoord
De nadere uitwerking van de verplichting is geregeld via lagere regelgeving van de
Omgevingswet, namelijk het Besluit bouwwerken leefomgeving5 (Bbl) en het onderliggende Omgevingsregeling6 (Or). Deze regels zijn eind maart 2026 in werking getreden. In het Bbl (artikelen
4.244 en 4.245) is aangegeven voor welke gebouwen de regels gelden en welke gebouwen
zijn uitgesloten van de verplichtingen. Een brochure geeft uitgebreide toelichting
over de uitwerking van de regels in het Bbl en de Or7.
18.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat in de GIA ook een voorstel staat
om de kosten voor roaming in heel Europa gelijk te trekken. Zij vragen de regering
hoe groot de kostenverschillen tussen roaming in het binnenland en binnen Europa nu
nog zijn en met hoeveel de kosten zullen worden verlaagd. Heeft dit nog financiële
consequenties voor telecombedrijven of lidstaten?
Antwoord
Artikel 17 van de verordening wijzigt een artikel in de Roamingverordening waar het
communicatie binnen de EU betreft. Dat wil zeggen bellen en sms’en vanuit de eigen
lidstaat naar een andere EU-lidstaat. Dit is iets anders dan roaming, waarmee smartphones
in een ander EU-land onder voorwaarden verbonden blijven met het internet zonder aanvullende
kosten. Daar verandert in deze verordening niks aan.
Er verandert wel wat aan de kostenverschillen in het binnenland en binnen Europa voor
de intra-EU calls en sms-berichten.
Voor intra-EU communicatie gelden momenteel op grond van Europese regelgeving maximumtarieven
van € 0,19 per minuut voor gesprekken en € 0,06 per sms (exclusief btw). Telecomaanbieders
mogen echter ook lagere tarieven rekenen, en zelfs al sinds 1 januari 2025 vrijwillig
de kosten gelijktrekken met de in het binnenland geldende tarieven.
De GIA bepaalt dat deze tarieven per 1 januari 2029 voor alle telecomaanbieders gelijk
worden getrokken met de tarieven voor binnenlandse gesprekken en sms-berichten. Daarmee
wordt de situatie voor communicatie binnen de EU gelijkgetrokken met roaming.
De Europese Commissie voert uiterlijk medio 2027 een evaluatie-onderzoek uit naar
de mogelijke nadelige effecten voor bijvoorbeeld concurrentie op de markt. Mochten
er nadelige effecten zijn dan kan het artikel nog aangepast worden.
Voor lidstaten worden geen directe financiële consequenties voorzien, het betreft
namelijk een regulering van de tarieven die aanbieders aan eindgebruikers mogen rekenen.
2.1. Toegang tot fysieke infrastructuur
19.
De leden van de CDA-fractie lezen dat netwerkexploitanten en overheidsinstanties die
eigenaar zijn van of zeggenschap hebben over fysieke infrastructuur moeten voldoen
aan alle redelijke verzoeken van exploitanten om toegang tot die infrastructuur. Deze
leden constateren dat het begrip «redelijk verzoek» ruimte laat voor interpretatie.
Wat voor een exploitant een redelijk verzoek is, kan door een eigenaar van infrastructuur
immers als onevenredig of belastend worden ervaren. Kan de regering nader uiteenzetten
aan de hand van welke criteria wordt beoordeeld of sprake is van een redelijk verzoek?
20.
De leden van de CDA-fractie constateren dat veel bepalingen in de verordening open
normen bevatten, zoals de begrippen «redelijke verzoeken» en «redelijke en billijke
voorwaarden». In hoeverre verwacht de regering dat de nadere invulling van deze normen
in de praktijk door de ACM zal plaatsvinden en vindt de regering dit wenselijk?
Antwoord
De beantwoording van vraag 19 en vraag 20 is in dit antwoord samen genomen. Zoals
hiervoor is opgemerkt naar aanleiding van een vraag van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
is het in eerste instantie aan de om toegang onderhandelende partijen om te bepalen
wat in hun specifieke geval redelijk is en wat niet. Het feit dat het hier gaat om
een open norm maakt het mogelijk om rekening te houden met de omstandigheden van het
geval. Van partijen mag worden verwacht dat zij te goeder trouw met elkaar hierover
onderhandelen. Natuurlijk kan het gebeuren dat partijen er niet uitkomen. In dat geval
kunnen zij, zoals ook al eerder is aangegeven, hun verschil van mening aan de ACM
voorleggen. Uitgangspunt is daarbij dat er in beginsel toegang moet worden verleend.
Maar er kunnen echter goede gronden zijn om de toegang te weigeren. Zo zal door ACM
moeten worden bekeken of er een of meer in de verordening genoemde weigeringsgronden
aan de orde zijn in het geschil. Ook is van belang dat de (financiële) vergoeding
recht doet aan de kosten die de toegangsverlener maakt door het geven van toegang.
Veel hangt daarbij af van de omstandigheden van het geval. Het open karakter van de
norm maakt dat de ACM hier afdoende rekening mee kan houden. De regering vindt dit
een goede zaak en wijst er, net als bij de beantwoording van de vragen van de leden
van de GroenLinks-PvdA-fractie, op dat dergelijke open normen in het recht niet ongebruikelijk
zijn, en in dit domein ook al bestaan, bijvoorbeeld ter implementatie van de Richtlijn
breedband, en in de praktijk hun nut hebben bewezen.
21.
De leden van de CDA-fractie lezen dat informatie over fysieke infrastructuur in beginsel
direct via het centrale informatiepunt (CIP) beschikbaar moet zijn en, indien deze
informatie daar niet beschikbaar is, alsnog binnen tien dagen na een verzoek elektronisch
moet worden verstrekt. Deze leden vragen hoe de regering ervoor zorgt dat deze termijn
in de praktijk daadwerkelijk wordt gehaald. Hebben gemeenten dit punt inmiddels goed
ingericht? Kan de regering tevens aangeven welke gevolgen het heeft indien netwerkexploitanten
of overheidsinstanties deze termijn niet naleven? Welke handhavingsinstrumenten staan
de ACM daarbij ter beschikking en hoe verwacht de regering dat hiervan gebruik zal
worden gemaakt?
Antwoord
De informatie over fysieke infrastructuur wordt via verschillende centrale informatiepunten
beschikbaar gesteld, namelijk het KLIC, BGT en het Antenneregister. Het BGT en het
Antenneregister kennen een openbaar karakter, waarbij informatie direct beschikbaar
is. Hierbij is het niet nodig om elektronisch een verzoek in te dienen. Bij het KLIC
dient wel een informatieverzoek ingediend te worden, waarbij de informatie normaal
gesproken geautomatiseerd wordt verstrekt. Daarmee is de informatie via het CIP beschikbaar
en in die gevallen wordt de informatie binnen tien dagen verstrekt. De ACM kan bij
niet nakomen van de informatieplicht een dwangsom of boete opleggen. Gezien de huidige
praktijk van informatiedeling wordt niet verwacht dat dit in veel gevallen nodig zal
zijn.
22.
De leden van de CDA-fractie vragen hierbij of de ACM actief zal handhaven of meer
reactief naar aanleiding van handhavingsverzoeken. Kan de regering hier meer duidelijkheid
over geven?
Antwoord
Met de inwerkingtreding van de verordening is de richtlijn breedband8 ingetrokken. Ter uitvoering van de richtlijn breedband had ACM al handhavings- en
geschilbeslechtingstaken, zoals bijvoorbeeld de bevoegdheid om geschillen te beslechten
over toegangsverzoeken tot fysieke infrastructuur en de geschilbevoegdheid over het
gebruiken van fysieke binnenhuisinfrastructuur of toegangspunten. Het wetsvoorstel
brengt hierdoor enkel een uitbreiding en aanvulling van de huidige taken met zich
mee voor ACM. Het is daarbij aan ACM, als onafhankelijke toezichthouder, om te besluiten
hoe zij het toezicht inricht.
23.
De leden van de CDA-fractie lezen dat er terechte weigeringsgronden zijn aangewezen
om informatieverzoeken te weigeren. Deze leden vragen echter welke instanties bepalen
of deze weigeringsgronden terecht toegepast worden.
Antwoord
In het voorgestelde artikel 5a.3 Telecommunicatiewet wordt bepaald dat handelen in
strijd met artikel 4, eerste lid, laatste alinea, derde, vijfde, en achtste lid uit
de verordening verboden is. Met dit artikel wordt het toezicht op en de handhaving
van artikel 4 belegd bij de Autoriteit Consument en Markt ingevolge artikel 15.1,
derde lid, van de Telecommunicatiewet. Het is daarmee de ACM – en uiteindelijk de
rechter – die bepaalt of informatieverzoeken terecht zijn geweigerd.
24.
Meer in algemene zin vragen de leden van de CDA-fractie hoe wordt voorkomen dat kwaadwillenden
via de centrale informatiepunten inzicht verkrijgen in de ligging, aard of kwetsbaarheden
van vitale infrastructuur. Welke technische, organisatorische en juridische waarborgen
zijn opgenomen om misbruik van deze informatie te voorkomen? Zijn dit dezelfde waarborgen
die kritieke (of essentiële) entiteiten onder de Cyberbeveiligingswet hebben te regelen?
Antwoord
In de verordening zijn geen technische of organisatorische waarborgen opgenomen om
misbruik van informatie te voorkomen. Wel kent de verordening mogelijkheden om nationale
kritieke infrastructuur uit te zonderen van de transparantieverplichtingen. In Nederland
zal hier invulling aan gegeven worden in het uitvoeringsbesluit. Hiermee wordt aangesloten
op bestaande systematiek van informatiedeling van infrastructuur, inclusief een uitzondering
voor vitale infrastructuur. Hiermee wordt aangesloten bij de staande praktijk in Nederland.
Daarnaast vallen de bevoegde instanties ter uitvoering van deze taken voor centrale
informatiepunten onder de Cyberbeveiligingswet. De vereisten die volgen uit de Cyberbeveiligingswet
kennen verschillende technische en organisatorische waarborgen om dergelijke risico’s
verder te minimaliseren.
25.
De leden van de CDA-fractie vragen of de Kamer periodiek geïnformeerd worden, eventueel
vertrouwelijk, over de voortgang en de eventuele kwetsbaarheden, voor zowel de nieuwe
als de reeds bestaande infrastructuur.
Antwoord
De Cyberbeveiligingswet bevat geen verplichting tot periodieke terugkoppeling aan
de Tweede Kamer.
26.
De leden van de JA21-fractie begrijpen dat de Gigabitinfrastructuurverordening uitgaat
van een ruimere mogelijkheid voor aanbieders om gebruik te maken van bestaande fysieke
infrastructuur. Deze leden constateren dat daarbij geen afbreuk wordt gedaan aan het
eigendomsrecht van de eigenaar van de betreffende infrastructuur. Zij vragen de regering
nader toe te lichten hoe de aansprakelijkheid is geregeld wanneer schade ontstaat
aan gedeelde infrastructuur.
27.
De leden van de JA21-fractie vragen of de regering kan aangeven welke partij verantwoordelijk
is indien werkzaamheden van een aanbieder leiden tot beschadiging van bestaande infrastructuur
of verstoring van dienstverlening. Kan de regering tevens toelichten hoe wordt vastgesteld
wie de schade heeft veroorzaakt als meerdere partijen dezelfde infrastructuur gebruiken?
En wie draagt de kosten als schade niet direct aan één partij kan worden toegerekend?
Kan een eigenaar anderzijds aansprakelijk worden gesteld door derden voor een storing
die feitelijk is veroorzaakt door een gebruiker van de infrastructuur?
28.
De leden van de JA21-fractie vragen de regering eveneens toelichten wie verantwoordelijk
is voor preventief onderhoud van gedeelde infrastructuur? Zijn de bestaande regels
voldoende duidelijk, of verwacht de regering meer geschillen door het verplichte delen
van infrastructuur?
Antwoord
De beantwoording van vraag 26, vraag 27 en vraag 28 is in dit antwoord samen genomen.
Het merendeel van de vragen van de leden van de JA21-fractie heeft betrekking op de
civielrechtelijke aansprakelijkheid van de toegangsvrager en de toegangsgever in het
geval er iets verkeerd gaat bij het medegebruik en daardoor bij hen of derden schade
ontstaat. Vooropgesteld zij dat deze materie niet wordt geregeld in de verordening.
Anders gezegd: de verordening geeft geen regels omtrent de civiele aansprakelijkheid
van de toegangsvrager en de toegangsgever. De regels van het privaatrecht zijn hier
van toepassing, in het bijzonder van het contractenrecht en van het recht met betrekking
tot de onrechtmatige daad. Het voert te ver om in het kader van deze wetsbehandeling
een uitgebreid overzicht te geven van de toepasselijke regels. Uitgangspunt is dat
zowel de toegangsverzoeker als de toegangsverlener in beginsel kunnen worden aangesproken
op de gevolgen van hun handelen of nalaten. Daarbij speelt uiteraard ook een rol of
en, zo ja wat, de partijen in het kader van de toegang hierover met elkaar zijn overeengekomen.
In het door de leden van de JA21-fractie genoemde voorbeeld van verstoring van de
dienstverlening aan derden zal degene die de dienst verleent aan de derde daarvoor
jegens die derde aansprakelijk zijn. Indien echter komt vast te staan dat de verstoring
van de dienstverlening het gevolg is van een handelen of nalaten van de partij aan
wie de dienstverlener toegang heeft gegeven tot zijn fysieke infrastructuur, zal de
dienstverlener de door de verstoring van de dienstverlening gemaakte kosten kunnen
verhalen op de partij aan wie hij toegang heeft gegeven. Voor wat betreft het onderhoud
van de infrastructuur geldt eveneens dat hierover geen regels zijn opgenomen in de
verordening en dat ook deze materie wordt beheerst door het privaatrecht. Het uitgangspunt
is daarbij dat ieder der partijen verantwoordelijk is voor het onderhoud van de infrastructuur
waarover hij zeggenschap heeft. Uiteraard kunnen in de overeenkomst die partijen ter
zake van de toegang sluiten afspraken worden opgenomen over wie voor welk onderhoud
verantwoordelijk is. Overigens verwacht de regering niet dat door het van kracht worden
van de verordening meer geschillen over onderhoud ontstaan. De regering merkt in dit
verband op dat de verplichting voor netwerkexploitanten om toegang te geven tot hun
fysieke infrastructuur al vele jaren bestaat en dat, voor zover de regering weet,
zich geen problemen hebben voorgedaan op het punt van de aansprakelijkheid en verantwoordelijkheid
voor het onderhoud.
I.2. Coördinatie van civiele werken
De leden van de CDA-fractie hopen dat de verordening leidt tot de beoogde versnelling
van de uitrol van digitale infrastructuur. Deze leden zien daarnaast ook graag dat
aanlegwerkzaamheden in de openbare ruimte efficiënter worden uitgevoerd en beter op
elkaar worden afgestemd. Het is immers hinderlijk voor inwoners en ondernemers én
inefficiënt in een tijd van personeelsschaarste wanneer dezelfde straat of wijk binnen
korte tijd meermaals moet worden opengebroken voor verschillende werkzaamheden.
29.
Deze leden vragen daarom in hoeverre de verordening naar verwachting zal bijdragen
aan een betere coördinatie van civiele werken. Heeft de regering inzicht in de mate
waarin de voorgestelde maatregelen zullen leiden tot minder graafbewegingen en minder
overlast voor inwoners en ondernemers?
Antwoord
De regering heeft geen hoge verwachtingen ten aanzien van het effect van de door de
verordening voorgeschreven coördinatie van civiele werken. Dit komt doordat de aanbieders
van telecommunicatienetwerken hebben aangegeven dat zij in de praktijk weinig gebruik
maken van de nu al bestaande mogelijkheid tot coördinatie. Dit komt onder andere doordat
de civiele werken voor andere infrastructuur dan telecommunicatie-infrastructuur (riool,
elektra enz.) andere doorlooptijden hebben dan de aanleg van elektronische communicatienetwerken.
Ook de coördinatie van werken tussen aanleggers/aanbieders van elektronische communicatienetwerken
is beperkt. Daar spelen naast praktische zaken (de aanbieders zijn vaak niet actief
in hetzelfde gebied) ook nog concurrentieoverwegingen een rol. Hiermee is echter niet
gezegd dat er in de praktijk geen coördinatie van werkzaamheden is. Op basis van hoofdstuk
5 van de Telecommunicatiewet is voor de gemeente een belangrijke rol weggelegd bij
het afstemmen van de diverse (grond)werkzaamheden. Immers op grond van artikel 5.4
van de Telecommunicatiewet heeft een partij die openbare elektronische communicatienetwerken
aanlegt de toestemming nodig van burgemeester en wethouders van de gemeente waarin
hij wil aanleggen. In deze toestemming kan de gemeente onder meer aangeven op welk
tijdstip de werkzaamheden mogen plaatsvinden. Het is daarbij de bedoeling dat de gemeente
er daarbij voor zorgt dat de straat zo min mogelijk open moet. Dat kan de gemeente
doen door de verschillende geplande werkzaamheden qua tijd op elkaar af te stemmen.
30.
Daarnaast vragen de leden van de CDA-fractie of de verordening ook regels bevat ten
aanzien van het opruimen of verwijderen van verouderde infrastructuur wanneer nieuwe
kabels, leidingen of installaties worden aangelegd. Kan de regering aangeven welke
regels momenteel gelden voor het beheer en de verwijdering van buiten gebruik gestelde
telecominfrastructuur?
Antwoord
De verordening bevat geen regels ten aanzien van het verwijderen van overbodig geworden
infrastructuur. Dit betekent dat de huidige regels die zijn opgenomen in de Telecommunicatiewet
van kracht blijven. Het gaat daarbij met name om artikel 5.2, negende lid, van de
Telecommunicatiewet. Daaruit volgt dat de aanbieder van een openbaar elektronisch
communicatienetwerk verplicht is om aangelegde kabels die gedurende een aaneengesloten
periode van tien jaar geen deel uitmaken van een openbaar elektronisch communicatienetwerk
op te ruimen wanneer degene op wie de gedoogplicht rust de aanbieder daartoe een redelijk
verzoek doet. De gedoogplicht vervalt op het moment dat een verzoek als bedoeld in
de eerste volzin is gedaan. Deze bepaling geeft de gedoogplichtige het recht om opruiming
van overbodige kabels te eisen van de aanbieder. Verder is van belang dat in dit kader
door Rijkswaterstaat, het GPKL en ProRail afspraken zijn gemaakt met de telecomaanbieders
over het opruimen van ongebruikte telecommunicatiekabels. Deze afspraken bevatten
een gewogen pakket procesafspraken voor de gemeente en de telecomaanbieder op basis
waarvan zij samen een afweging kunnen maken om een verzoek tot het verwijderen van
ongebruikte telecomkabels te doen.
31.
De leden van de CDA-fractie hebben ook een eerdere zienswijze van de VNG gelezen waarin
een zorg wordt geuit over de consequenties voor andere ruimtelijke opgaven en (het
gebrek aan) samenhang. Kan de regering toelichten hoe de samenhang met andere ruimtelijke
opgaven wordt geborgd? Welke ondersteuning wordt geboden aan gemeenten om de verschillende
infrastructuuropgaven integraal af te wegen en te coördineren?
Antwoord
Zoals benoemd in antwoord op vraag 29 vervullen gemeenten op grond van hoofdstuk 5
van de Telecommunicatiewet een belangrijke rol bij het afstemmen van andere geplande
ondergrondse werkzaamheden met de graafwerkzaamheden van een partij die openbare elektronische
communicatienetwerken aanlegt. Die rol verdwijnt niet met de inwerkingtreding van
de GIA. Verder vindt er op interdepartementaal niveau afstemming plaats over de samenhang
(in sectorale wet- en regelgeving) tussen de verschillende ruimtelijke opgaven (in
de ondiepe ondergrond).9
I.3. Vergunningen
32.
De leden van de D66-fractie lezen dat Nederland gebruikmaakt van de mogelijkheid om
af te wijken van de hoofdregel dat een vergunning van rechtswege wordt verleend indien
niet tijdig wordt beslist (lex silencio positivo). Deze leden vragen waarom de regering
voor deze afwijking heeft gekozen. Welke risico’s of bezwaren zag de regering in toepassing
van de hoofdregel uit de verordening? Hoe wordt geborgd dat bevoegde autoriteiten
vergunningaanvragen desondanks tijdig blijven behandelen? Worden doorlooptijden gemonitord?
Kan de regering aangeven hoe de Nederlandse keuze zich verhoudt tot die van andere
lidstaten? Maken andere lidstaten eveneens gebruik van deze afwijkingsmogelijkheid
en hoe verhouden de Nederlandse vergunningstermijnen zich tot die elders in de Europese
Unie?
Antwoord
De regering heeft er inderdaad voor gekozen gebruik te maken van de mogelijkheid om
af te wijken van de hoofdregel dat een vergunning van rechtswege wordt verleend, indien
niet tijdig wordt beslist (lex silencio positivo). In afstemming met decentrale overheden
heeft Nederland zich bij de onderhandelingen over de verordening hard gemaakt voor
het opnemen van deze mogelijkheid.10 Het overgrote deel van de vergunningen die onder de reikwijdte van de verordening
valt betreft namelijk omgevingsvergunningen, waarbij dikwijls rechten van derden betrokken
zijn. Met de Omgevingswet is de lex silencio positivo uitdrukkelijk afgeschaft voor
omgevingsvergunningen.11 De regering acht het niet wenselijk en moeilijk uitvoerbaar om voor een specifieke
categorie omgevingsvergunningen (nodig voor de uitrol van elementen van VHC-netwerken)
de lex silencio positivo opnieuw in te voeren. Bovendien is, naar het oordeel van
de regering, met de verordening niet bedoeld de lex silencio positivo in te voeren
voor vergunningen waarvoor op grond van (andere, specifieke) EU-regelgeving altijd
een inhoudelijke beoordeling plaats moet vinden, bijvoorbeeld ten aanzien van bepaalde
milieuaspecten. Zelfs als Nederland ervoor zou kiezen de hoofdregel te volgen, en
voor de uitrol van elementen van VHC-netwerken de lex silencio positivo zou gelden,
zouden er weer allerlei uitzonderingen moeten zijn op die hoofdregel. Ook dat acht
de regering onwenselijk en moeilijk uitvoerbaar voor zowel overheden als bedrijven.
Op verschillende manieren is geborgd dat bevoegde autoriteiten vergunningaanvragen
tijdig blijven behandelen. Zo voorziet de Algemene wet bestuursrecht in de zogenoemde
dwangsom bij niet tijdig beslissen. Op grond van artikel 4.17, eerste lid, verbeurt
het bestuursorgaan aan de aanvrager – onder bepaalde voorwaarden – een dwangsom voor
elke dag die het in gebreke is, doch voor ten hoogste 42 dagen. Daarnaast kan een
belanghebbende – zonder eerst bezwaar te maken – beroep instellen bij de bestuursrechter.
Tot slot kan een belanghebbende recht hebben op vergoeding van schade die hij heeft
geleden door het niet tijdig beslissen.
De verordening bevat geen verplichting tot het actief monitoren van doorlooptijden
voor het behandelen van vergunningen. Ook maakt dit geen deel uit van de door de lidstaten
op grond van het tweede lid van artikel 16 opgestelde verplichte indicatoren waarover
zij de Europese Commissie verslag moeten uitbrengen over de uitvoering en het effect
van de verordening in de Unie.
Wat betreft de vraag hoe de Nederlandse vergunningstermijnen zich verhouden tot andere
lidstaten van de unie, heeft de regering beperkt zicht. Uit een eerdere inventarisatie
door lidstaten12 en de impact assessment bij de verordening13 blijkt dat de beslistermijn voor vergunningsaanvragen in veel gevallen niet meer
dan 4 maanden bedraagt en dat een minderheid korte termijnen hanteert (1–2 maanden).
Overigens moet daarbij worden opgemerkt, dat de gehanteerde termijn afhangt van het
soort vergunning dat benodigd is voor de uitrol van (elementen) van elektronische
communicatienetwerken. De regering heeft geen beeld of lidstaten hun termijnen wijzigen
als gevolg van de verordening. Of andere lidstaten eveneens gebruik maken van de afwijkingsmogelijkheid
in de verordening, zal voornamelijk afhangen van het reeds bestaande systeem van de
betreffende lidstaat. Lidstaten die breder gebruik maken van een lex silencio positivo
zullen daar nu ook gebruik van maken, en lidstaten die minder of zo min mogelijk gebruik
maken van een lex silencio positivo, zullen naar verwachting – net als Nederland –
vaker gebruikmaken van de uitzondering. Daarnaast stelt de verordening enkele eisen
aan het gebruikmaken van de uitzondering: exploitanten moeten in het nationale recht
mogelijkheden hebben om schadevergoeding te vorderen, als zij die hebben geleden,
en exploitanten moeten de zaak kunnen doorverwijzen naar een rechtbank of toezichthoudende
instantie. In Nederland is aan deze voorwaarden voldaan, maar dat is voor andere lidstaten
niet vanzelfsprekend. De regering heeft geen gedetailleerd zicht op hoe de Nederlandse
keuze en termijnen zich verhouden tot die van andere lidstaten.
33.
De leden van de CDA-fractie zijn voorstander van het versnellen van vergunningprocedures
en kunnen zich vinden in het uitgangspunt dat vergunningaanvragen voor de uitrol van
digitale infrastructuur in beginsel binnen vier maanden worden afgehandeld. Deze leden
hebben echter wel vragen over de naleving van deze termijn in de praktijk. Op welke
wijze wordt geborgd dat bevoegde autoriteiten deze beslistermijn daadwerkelijk halen?
Welke mogelijkheden bestaan er om op te treden wanneer de termijn wordt overschreden?
En hoe kan de Rijksoverheid hierop samenwerken met gemeenten, zodat er sprake van
eenduidige, geharmoniseerde uitvoering van beleid?
Antwoord
Bevoegde autoriteiten zijn verplicht zich te houden aan de beslistermijn. Op verschillende
manieren is geborgd dat bevoegde autoriteiten vergunningaanvragen tijdig behandelen.
In dit kader voorziet de Algemene wet bestuursrecht in de zogenoemde dwangsom bij
niet tijdig beslissen. Op grond van artikel 4.17, eerste lid, verbeurt het bestuursorgaan
aan de aanvrager – onder bepaalde voorwaarden – een dwangsom voor elke dag dat het
in gebreke is, doch voor ten hoogste 42 dagen. Daarnaast kan een belanghebbende –
zonder eerst bezwaar te maken – beroep instellen bij de bestuursrechter. Tot slot
kan een belanghebbende recht hebben op vergoeding van schade die hij heeft geleden
door het niet tijdig beslissen.
Ik ben voornemens om in het kader van de uitvoering van de gigabitinfrastructuurverordening
in gesprek te blijven met betrokken organisaties, waaronder exploitanten en decentrale
overheden, om samenwerking en eenduidige, geharmoniseerde uitvoering van beleid –
waar mogelijk – te bevorderen.
34.
De leden van de JA21-fractie onderschrijven verder het belang van efficiënte vergunningprocedures
voor de uitrol van elektronische communicatienetwerken. Tegelijkertijd achten deze
leden het van belang dat gemeenten voldoende mogelijkheden behouden om publieke belangen,
waaronder veiligheid en de inrichting van de openbare ruimte, te beschermen. Zij constateren
dat de Gigabitinfrastructuurverordening vergunningverlening van rechtswege als hoofdregel
kent bij niet tijdig beslissen, maar dat Nederland in artikel 5a.5 kiest voor uitsluiting
daarvan. Kan de regering nader motiveren waarom in dit domein wordt afgeweken van
deze prikkel tot tijdige besluitvorming, welke concrete publieke belangen deze afwijking
noodzakelijk maken, en welke maatregelen worden genomen om te voorkomen dat aanvragers
alsnog worden geconfronteerd met trage besluitvorming? Kan de regering aangeven welk
algemeen toetsingskader zij hanteert voor de vraag in welke vergunningstelsels een
lex silencio positivo passend is en in welke niet?
Antwoord
De regering heeft ervoor gekozen gebruik te maken van de mogelijkheid om af te wijken
van de hoofdregel van de verordening dat een vergunning van rechtswege wordt verleend,
indien niet tijdig wordt beslist (lex silencio positivo). In afstemming met decentrale
overheden heeft Nederland zich bij de onderhandelingen over de verordening hard gemaakt
voor het opnemen van deze mogelijkheid.14 Het overgrote deel van de vergunningen die onder de reikwijdte van de verordening
valt betreft namelijk omgevingsvergunningen, waarbij dikwijls rechten van derden betrokken
zijn. Met de Omgevingswet is de lex silencio positivo uitdrukkelijk afgeschaft voor
omgevingsvergunningen.15 De regering acht het niet wenselijk en bovendien lastig uitvoerbaar om voor een specifieke
categorie omgevingsvergunningen (nodig voor de uitrol van elementen van VHC-netwerken)
de lex silencio positivo opnieuw in te voeren.
Op verschillende manieren is geborgd dat bevoegde autoriteiten vergunningaanvragen
tijdig blijven behandelen. Zo voorziet de Algemene wet bestuursrecht in de zogenoemde
dwangsom bij niet tijdig beslissen. Op grond van artikel 4.17, eerste lid, verbeurt
het bestuursorgaan aan de aanvrager – onder bepaalde voorwaarden – een dwangsom voor
elke dag dat het in gebreke is, doch voor ten hoogste 42 dagen. Daarnaast kan een
belanghebbende – zonder eerst bezwaar te maken – beroep instellen bij de bestuursrechter.
Tot slot kan een belanghebbende recht hebben op vergoeding van schade die hij heeft
geleden door het niet tijdig beslissen.
Bij het maken van beleid gebruikt de Rijksoverheid het Beleidskompas en, specifiek
bij de totstandkoming van wet- en regelgeving, de Aanwijzingen voor de regelgeving
(hierna: de Aanwijzingen). Het Beleidskompas en de Aanwijzingen voorzien onder andere
in een algemeen toetsingskader voor vergunningstelsels. De lex silencio positivo maakt
deel uit van dit algemeen toetsingskader, dat zijn oorsprong heeft in de Dienstenrichtlijn
en een brief van de Minister van Justitie van 9 juli 2009.16
I.4. Centrale informatiepunten
35.
De leden van de JA21-fractie zien de meerwaarde van een centraal informatiepunt voor
het delen van gegevens over infrastructuur en geplande werkzaamheden. Tegelijkertijd
merken deze leden op dat een dergelijke voorziening een grote hoeveelheid informatie
over vitale infrastructuur bijeenbrengt. Kan de regering nader toelichten welke technische
en organisatorische maatregelen worden getroffen om de beveiliging van het centrale
informatiepunt te waarborgen? Hoe wordt verder voorkomen dat het centrale informatiepunt
zelf een aantrekkelijk doelwit wordt voor cyberaanvallen, spionage of andere vormen
van ongeoorloofde toegang? Acht de regering verder de getroffen waarborgen afdoende
gelet op het vitale karakter van de informatie die via het systeem beschikbaar wordt
gesteld?
Antwoord
Voor het antwoord op deze vraag wordt verwezen naar het antwoord op vraag 24.
3. Inhoud van het wetsvoorstel
3.1. Hoofdstuk 5a
36.
De leden van de VVD-fractie lezen dat de regering voorstelt af te zien van de mogelijkheid
die deze wet biedt tot lex silencio positivo, wat inhoudt dat de vergunning wordt
geacht te zijn toegekend als er niet binnen de passende termijn een besluit is genomen
over de vergunning. Deze leden vragen zich af hoe zich dit verhoudt tot de afspraak
uit het coalitieakkoord welke stelt dat wordt bezien of vergunningen voor eenvoudige
aanvragen automatisch kunnen worden goedgekeurd als termijnen worden overschreden,
alsmede van de afspraak nationale koppen op EU-wet- en regelgeving te schrappen.
Antwoord
Het regeerakkoord 2026–2030 bevat het voornemen om vergunningverlening voor bedrijven
te versnellen, bijvoorbeeld via digitalisering. Daarbij is afgesproken te bezien of
en hoe bij eenvoudige aanvragen, wanneer termijnen door de overheid worden overschreden,
een vergunning automatisch kan worden goedgekeurd en de leges worden kwijtgescholden.17 De regering is op dit moment bezig met de uitvoering van dit voornemen en beziet
dus inderdaad of en hoe bij eenvoudige aanvragen een vergunning automatisch wordt
verleend, als termijnen worden overschreden. Hierover zal de Tweede Kamer nog worden
geïnformeerd. Dit vergt een integrale beoordeling. Gelet op de nauwe relatie tussen
deze uitvoeringswet en de Omgevingswet kan de regering hier niet op vooruit lopen
binnen het bestek van de uitvoering van de gigabitinfrastructuurverordening.
Het regeerakkoord bevat ook de ambitie om onnodige nationale koppen op Europese regels
te schrappen.18 De regering onderschrijft deze ambitie uiteraard nog steeds. Er zijn op dit moment
echter goede redenen om op dit punt af te wijken van de hoofdregel van de verordening.
Naar het oordeel van de regering is deze afwijking dus niet onnodig.
37.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen de regering welke algemene maatregelen
bestuur zij van plan is te maken bij hoofdstuk 5a. Kan de regering uitleggen of zij
van plan is hier gebruik van te maken, en zo ja, welke maatregelen zij op wil nemen?
Antwoord
Zoals hiervoor al is aangegeven is de regering van plan gebruik te maken om bij algemene
maatregel van bestuur regels te stellen. Ik verwacht op zeer korte termijn een voorstel
voor een algemene maatregel van bestuur via internet te kunnen consulteren. Na de
consultatie zullen de reacties op de consultatie worden verwerkt en zal de algemene
maatregel van bestuur, na goedkeuring van de Tweede Kamer van dit wetsvoorstel, ter
advisering aan de Raad van State worden aangeboden. De hierin volgende schets van
de inhoud heeft dan ook een voorlopig karakter. De intentie is om in de algemene maatregel
van bestuur de volgende onderwerpen te regelen:
– Uitzonderingen op de verplichting toegang te geven tot fysieke infrastructuur en de
daarmee samenhangende transparantieverplichting. Daarbij gaat het in de meeste gevallen
om overheidsinstanties waarbij de (nationale) veiligheid met zich meebrengt dat er
geen toegang moet worden verleend. Daarbij valt te denken aan toegang tot de fysieke
infrastructuur van defensie, de politiek en de rechtspleging. Maar ook aan infrastructuur
van het parlement en internationale organisaties.
– Uitzonderingen op de coördinatieplicht en de daarmee samenhangende transparantie.
Hierbij gaat het onder meer over de fysieke infrastructuur van de onder hierboven
genoemde overheidsinstanties. Daarnaast zullen werken van beperkte omvang van de coördinatieplicht
en transparantieplicht worden uitgezonderd.
– De vrijstellingen op het vergunningsvereiste. Daarbij wordt zoveel mogelijk aangesloten
bij de vrijstellingen zoals die op dit moment al door gemeenten worden gehanteerd.
– Tot slot is het voornemen om in de algemene maatregel van bestuur de centrale informatiepunten
aan te wijzen (o.a. Kadaster en gemeenten).
38.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie begrijpen niet dat er geen bepaling is opgenomen
in de wet over de voorwaarden waarmee vertrouwelijke informatie over civiele werken
wordt verkregen. In het kader van nationale veiligheid achten de leden van het grootste
belang dat dit helder en volledig wordt ingekaderd, voordat de wet in werking treedt.
Hoe gaat de regering hiervoor zorgen?
Antwoord
In artikel 4, achtste lid, van de verordening, is bepaald dat exploitanten die op
basis van dat artikel toegang krijgen tot informatie over fysieke infrastructuur passende
maatregelen moeten nemen om ervoor te zorgen dat de vertrouwelijkheid van handels-
en bedrijfsgegevens wordt gewaarborgd. Zij zijn verplicht deze informatie vertrouwelijk
te gebruiken en mogen deze uitsluitend gebruiken voor de uitrol van hun netwerken.
Deze bepaling van de verordening is niet van toepassing op civiele werken. De regering
acht dit een omissie in de verordening. Daarom is in het wetsvoorstel een bepaling
opgenomen waarmee voorwaarden worden gesteld aan het verkrijgen van informatie over
civiele werken: het hiervoor beschreven artikel 4, achtste lid, van de verordening,
is in het wetsvoorstel van overeenkomstige toepassing verklaard op informatie over
geplande civiele werken (artikel 6 van de verordening). Dat betekent dat exploitanten
ook informatie over civiele werken vertrouwelijk moeten gebruiken en dat zij passende
maatregelen moeten nemen om ervoor te zorgen dat de vertrouwelijkheid van deze informatie
wordt gewaarborgd.
Zoals hiervoor is aangegeven bestaat verder het voornemen om bij algemene maatregel
van bestuur de bestaande en geplande fysieke infrastructuur van overheidsinstanties
waarbij de (nationale) veiligheid een rol speelt uit te zonderen van de toegangsverplichting
en de informatieplicht. Daarnaast geldt dat mocht de nationale veiligheid een rol
spelen bij een instantie die niet valt onder de werking van de eerder genoemde algemene
maatregel van bestuur, er altijd een beroep kan worden gedaan op de in de verordening
op dit punt opgenomen weigeringsgrond.
39.
De leden van de CDA-fractie lezen dat Nederland gebruikmaakt van de mogelijkheid om
af te wijken van de hoofdregel van de lex silencio positivo. Deze leden begrijpen
dat een vergunning daardoor niet automatisch van rechtswege wordt verleend indien
niet tijdig wordt beslist. Kan de regering nader toelichten welke mogelijkheid een
aanvrager in dat geval heeft om toch snel duidelijkheid te krijgen? Wat zijn de gevolgen
indien een bevoegde autoriteit geen gehoor geeft aan een verzoek tot een gesprek over
de vergunningaanvraag of anderszins niet tijdig handelt?
Antwoord
Op verschillende manieren is geborgd dat bevoegde autoriteiten vergunningaanvragen
tijdig behandelen. Zo voorziet de Algemene wet bestuursrecht in de zogenoemde dwangsom
bij niet tijdig beslissen. Op grond van artikel 4.17, eerste lid, verbeurt het bestuursorgaan
aan de aanvrager – onder bepaalde voorwaarden – een dwangsom voor elke dag dat het
in gebreke is, doch voor ten hoogste 42 dagen. Daarnaast kan een belanghebbende –
zonder eerst bezwaar te maken – beroep instellen bij de bestuursrechter. Tot slot
kan een belanghebbende recht hebben op vergoeding van schade die hij heeft geleden
door het niet tijdig beslissen. Dezelfde voorschriften gelden voor de verplichting
om een aanvrager uit te nodigen voor een gesprek over de vergunningaanvraag: indien
een bestuursorgaan de aanvrager niet uitnodigt voor een gesprek, handelt het bestuursorgaan
in strijd met een wettelijke verplichting. Als een aanvrager hierdoor schade lijdt,
is het bestuursorgaan onder bepaalde omstandigheden verplicht deze schade te vergoeden.
40.
De leden van de CDA-fractie vragen of inzichtelijk is in hoeverre de in de verordening
opgenomen beslistermijn van vier maanden aansluit bij de huidige praktijk. Kan de
regering aangeven welk percentage van de vergunningaanvragen die benodigd zijn voor
de uitrol van VHC-netwerken momenteel binnen vier maanden wordt afgehandeld en welk
percentage deze termijn overschrijdt?
Antwoord
De regering beschikt niet over dergelijke gegevens. Toch acht de regering de kans
dat bij instemmingsbesluiten nodig voor de aanleg van openbare elektronische communicatienetwerken
de vier maanden termijn wordt overschreden zeer gering. Dit omdat voor zogenoemde
instemmingsbesluiten de termijnen in de Telecommunicatiewet zijn opgenomen, namelijk
acht weken met de mogelijkheid de termijn nog acht weken te verlengen. Hierbij moet
echter wel worden aangetekend dat de termijn wordt opgeschort indien onvoldoende informatie
is aangeleverd door de aanvrager van het instemmingsbesluit. De kans dat hierbij de
vier maanden termijn wordt overschreden is echter klein. Dit kan anders liggen als
voor de aanleg ook een omgevingsvergunning benodigd is. Als dit aan de orde is kan
er een overschrijding van de vier maanden termijn plaatsvinden. Bij een omgevingsvergunning
gelden namelijk de termijnen van de Omgevingswet (in beginsel 8 weken, en in sommige
gevallen 12 weken). Deze termijn kan met zes weken worden verlengd. In sommige gevallen
is ook de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van toepassing. In het geval van
deze procedure moet het bestuursorgaan – behoudens enkele uitzonderingen – binnen
6 maanden na de aanvraag beslissen.
In hoeveel gevallen bij een dergelijke vergunning nog niet binnen vier maanden een
besluit is genomen is echter niet bekend, maar de regering verwacht dat deze termijn
in het kader van de aanleg van VHC-netwerken in de praktijk niet vaak zal worden overschreden.Overigens
biedt de verordening in artikel 7, vijfde lid, vierde alinea, lidstaten de mogelijkheid
om in uitzonderlijke en naar behoren gemotiveerde gevallen de termijn van vier maanden
(ambtshalve) te verlengen. Voorwaarde is wel dat lidstaten deze uitzonderlijke gevallen
van tevoren bepalen en publiceren via een centraal informatiepunt. Het voornemen bestaat
van deze mogelijkheid gebruik te maken en deze uit te werken in de algemene maatregel
van bestuur.
41.
Voorts vragen de leden van de CDA-fractie wat de concrete effecten zouden zijn geweest
indien Nederland ervoor had gekozen de lex silencio positivo wel van toepassing te
verklaren. Heeft de regering inzicht in hoeveel vergunningprocedures hierdoor naar
verwachting zouden zijn versneld? Zij vragen op basis van welke overwegingen is geconcludeerd
dat de gekozen alternatieve waarborgen voldoende zijn om tijdige besluitvorming te
stimuleren?
Antwoord
Bij de aanleg van kabels ten behoeve van telecommunicatie speelt de gemeente een belangrijke
rol. Immers de aanleg mag pas plaatsvinden als de gemeente heeft ingestemd met de
plaats, het tijdstip en de wijze van uitvoering van de werkzaamheden. Dit geeft de
gemeente de mogelijkheid om ervoor te zorgen dat de omgeving zo min mogelijk hinder
ondervindt van de werkzaamheden. Vaak zijn er meerdere plannen om de ondergrond open
te maken. Door het instemmingsbesluit kan de gemeenten de diverse plannen coördineren.
Bovendien kunnen voorwaarden gesteld worden om de veiligheid voor de omgeving te vergoten.
Hierbij past niet een situatie dat met de aanleg van infrastructuur wordt begonnen
zonder dat de gemeente hier een inhoudelijk besluit over heeft genomen. Dat laatste
zou precies het concrete gevolg zijn van de toepassing van de lex silencio positivo.
De regering acht dat ongewenst. Hiervoor is bij het antwoord op vraag 39 aangegeven
hoe geborgd is dat bevoegde autoriteiten vergunningaanvragen tijdig behandelen. De
regering is van oordeel dat deze waarborgen in combinatie met de nadelige gevolgen
voor de besluitvorming van de lex silencio positivo de keuze voor het niet toepassen
van de lex silencio positivo rechtvaardigen.
42.
De leden van de CDA-fractie lezen dat de in de Telecommunicatiewet opgenomen gedoogplicht
voor de aanleg van openbare elektronische communicatienetwerken in stand blijft. Deze
leden vragen de regering nader uiteen te zetten wat de precieze reikwijdte van deze
gedoogplicht is. Welke werkzaamheden, voorzieningen en infrastructuur vallen hieronder
en welke niet?
Antwoord
De gedoogplicht houdt in dat eigenaren van openbare grond moeten toestaan dat partijen
in en op deze grond infrastructuur aanleggen ten behoeve van openbare elektronische
communicatienetwerken. Daarbij gaat het niet alleen om kabels maar ook om zogenoemde
ondersteuningswerken, dat wil zeggen alle ondergrondse en bovengrondse hulpmiddelen
en constructies die nodig zijn om de kabels goed te beschermen en op hun plek te houden.
Ook zogenoemde straatkasten, waarin bijvoorbeeld verbindingen naar individuele woningen
worden gemaakt, vallen onder de gedoogplicht. Naast de aanleg valt ook het onderhoud
en het verwijderen van kabels en ondersteuningswerken onder de gedoogplicht. Het plaatsen
van masten en antennes valt niet onder de gedoogplicht. De regels hiervoor staan in
de Omgevingswet.
3.2. WIBON
43.
De leden van de CDA-fractie lezen dat met de komst van de verordening verschillende
bepalingen uit de Wet informatie-uitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten
en netwerken (WIBON) komen te vervallen, met name waar het gaat om informatie-uitwisseling
en geschillenbeslechting ten behoeve van medegebruik van infrastructuur en de coördinatie
van civiele werken. Deze leden vragen of de verordening op deze punten volledig in
de plaats treedt van de bestaande nationale regelgeving, of dat daarnaast nog aanvullende
verplichtingen of bevoegdheden worden geïntroduceerd. Kan de regering inzichtelijk
maken welke rechten en plichten materieel wijzigen ten opzichte van de huidige situatie?
Antwoord
De komst van de verordening, die rechtstreeks toepasselijk is in de Nederlandse rechtsorde,
maakt bepalingen uit de WIBON overbodig aangezien in de verordening zelf zowel het
aanleveren als het beschikbaar krijgen van de informatie ten behoeve van medegebruik
en de coördinatie van civiele werken is geregeld. De daarmee verband houdende bepalingen
uit de WIBON komen dan ook te vervallen. Tevens bevat de WIBON bepalingen over geschillenbeslechting
in het kader van de informatie-uitwisseling. Ook deze bepalingen komen te vervallen
aangezien de mogelijkheid van geschillenbeslechting op grond van de verordening wordt
geregeld in de Telecommunicatiewet.
4. Gevolgen
44.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zijn benieuwd naar de verdere afweging die
de Europese Commissie heeft gemaakt om de GIA op deze manier in te richten. Er worden
vier opties opgesomd waaruit gekozen is. Deelt de regering de analyse dat optie 3,
welke nu voorligt, de meeste voordelen heeft? Welke onderdelen van de andere drie
opties hebben meerwaarde en kunnen deze nog ter inspiratie dienen voor de verdere
behandeling en implementatie van de GIA?
Antwoord
De opties zijn eerder kort besproken in het BNC fiche in aanloop naar de onderhandelingen
over de verordening.19 De regering deelt de analyse van de Europese Commissie dat de gekozen optie 3 (gedeeltelijke
harmonisatie d.m.v. een verordening met uitbreiding van maatregelen t.o.v. de richtlijn
breedband), gelet op de verschillende uitgangssituaties in lidstaten, de meeste voordelen
heeft en tegelijkertijd flexibiliteit behoudt voor lidstaten. In de onderhandelingen
heeft Nederland zich hard gemaakt voor een proportioneel voorstel dat voldoende flexibiliteit
biedt voor lidstaten, wat er mede toe heeft geleid dat het voorstel op punten is aangepast
(o.a. rond automatische vergunningverlening). Aangezien optie 3 met name voortbouwt
op de maatregelen uit opties 1 en 2 door de toevoeging van meer en gedetailleerde
maatregelen, is de meerwaarde van onderdelen uit deze opties beperkt. Optie 4 heeft
als uitgangspunt maximale harmonisatie van regels, door verdere verzwaring van maatregelen
uit optie 3 en het beleggen van meer bevoegdheden bij de Europese Commissie. De regering
acht deze maatregelen, mede in het licht van de gepleegde inzet tijdens de onderhandelingen,
te verstrekkend en weinig meerwaarde hebben voor de Nederlandse situatie.
45.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zijn benieuwd waarom het niet is gelukt om
een Nederlandse provincie bereid te vinden om mee te werken aan een onderzoek naar
de impact op decentrale overheden. De GIA heeft een sterke lokale werking en dient
goed uitvoerbaar te zijn voor overheden, mede gezien de termijnen voor vergunningsverlening.
Heeft de regering contact gehad met het Interprovinciaal Overleg (IPO) over de gevolgen
van de verordening? Kan zij schetsen welke gevolgen er zijn voor Provincies en of
deze vergelijkbaar zijn als de gevolgen voor gemeenten?
Antwoord
In het onderzoek naar de impact van de verordening op verplichtingen voor medeoverheden
kwam naar voren dat de impact van nieuwe of veranderende verplichtingen voor medeoverheden
niet eenvoudig bleek in te schatten. Dit wordt mede veroorzaakt doordat een aantal
belangrijke onderwerpen nog wordt uitgewerkt in lagere regelgeving. Wellicht heeft
dit ertoe geleid dat provincies een afwachtende houding hebben aangenomen. Overigens
zullen de provincies bij de uitwerking van de nadere regels in een algemene maatregel
van bestuur opnieuw de gelegenheid krijgen om de nodige inbreng te leveren.
46.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zijn benieuwd hoe gebouwen van zbo’s, agentschappen
en staatsdeelnemingen onder de verordening vallen. Nederland kent immers veel zelfstandige
organen die desondanks financieel gebonden zijn aan overheden. Is volledig duidelijk
welke gevolgen de verordening heeft op dergelijke organen? De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
stellen in het verlengde de vraag welke definitie de ACM hanteert van «overheidsinstanties»
en of deze de volle breedte van instanties volgens de regering ook dekt.
Antwoord
De gebouwen die gebruikt worden door zbo’s en agentschappen worden aan deze entiteiten
beschikbaar gesteld door de rijksoverheid, in het bijzonder door het Rijksvastgoedbedrijf.
Het Rijksvastgoedbedrijf is dan ook de partij die moet worden aangesproken bij een
verzoek om toegang tot fysieke infrastructuur op basis van de verordening. Uiteraard
houdt het Rijksvastgoedbedrijf bij het behandelen van een verzoek om toegang rekening
met de behoeften van de gebruikers van de gebouwen waartoe toegang wordt gevraagd.
Bij staatsdeelnemingen zal, wanneer deze kunnen worden aangemerkt als publiekrechtelijke
instantie in de zin van artikel 2, tweede lid, van de verordening een verzoek om toegang
moeten worden gericht tot de privaatrechtelijke rechtspersoon waarin door de Staat
wordt deelgenomen. Deze rechtspersoon wordt daarbij vertegenwoordigd door het bestuur
van de rechtspersoon. Ten aanzien van de definitie die de ACM hanteert van «overheidsinstanties»
merkt de regering op dat dit bij de toepassing van de verordening de definitie zal
zijn zoals die is opgenomen onder artikel 2, derde lid, van de verordening. Deze definitie
is zodanig breed dat alle zbo’s en agentschappen daaronder vallen. Voor de staatsdeelnemingen
geldt dat deze alleen overheidsinstantie zijn als ze ook publiekrechtelijke instantie
zijn in de zin van de verordening. Dat is het geval als de rechtspersoon waarin de
staat deelneemt is opgericht met het specifieke doel te voorzien in behoeften van
algemeen belang die niet van industriële of commerciële aard zijn. Zo maakt (tijdelijke)
deelname van de staat in een commerciële bank deze niet tot een publiekrechtelijke
instantie en dus ook niet tot een overheidsinstantie. Anderzijds is een besloten vennootschap
als ProRail wel een publiekrechtelijke instantie en dus een overheidsinstantie omdat
ProRail tot doel heeft vanuit het algemeen belang te zorgen voor de spoorwegen in
Nederland.
47.
De leden van de CDA-fractie lezen dat de wet pas uitgevoerd kan worden na goedkeuring
van de eerstvolgende suppletoire begroting. Kan de regering aangeven wat de omvang
is van de incidentele en structurele kosten die met de uitvoering van dit wetsvoorstel
gemoeid zijn? Kan zij daarbij tevens aangeven onder welke begrotingsartikelen deze
middelen zijn opgenomen en hoe deze kosten zijn opgebouwd?
Antwoord
Met de uitvoering van de verordening zijn zowel incidentele als structurele kosten
gemoeid. De incidentele kosten bedragen in totaal voor 2026 en 2027 2,6 miljoen euro,
de structurele kosten voor 2028 e.v. zijn 2,4 miljoen euro. De kosten vallen uiteen
in kosten van toezicht en geschilbeslechting door ACM en in kosten voor uitvoering
door Kadaster voor ontwikkeling en beheer van een nieuw centraal informatiepunt van
waaruit de informatie over geplande civiele werken wordt ontsloten.
5. Adviezen en consultatie
48.
De leden van de D66-fractie lezen dat de ACM extra structurele middelen nodig acht
voor de uitvoering van haar nieuwe taken. Hoe verhoudt zich dit tot de verwachte langetermijnbesparingen
voor publiekrechtelijke instanties, en ziet de regering aanleiding de verdeling van
middelen binnen de uitvoering hierop aan te passen?
Antwoord
De taakstellingen t.a.v. deefficiencykorting en de taakstelling slagvaardige overheidzien
op langetermijnbesparingen op het apparaat en de taakorganisaties. Dat neemt niet
weg dat bij nieuwe taken er altijd middelen nodig zijn voor de uitvoering van deze
nieuwe taken. De extra structurele middelen van ACM zien op een uitbreiding van taken
t.o.v. de eerdere implementatie van de richtlijn kostenreductie breedband. De taken
uit de GIA zijn passend bij de rolopvatting van ACM (gelet op de aanwezige kennis
en expertise van de telecommarkt). Om versplintering in het toezicht te voorkomen
is er daarnaast voor gekozen om alleen ACM als toezichthouder aan te wijzen en de
toezichtstaken die RDI eerder had op grond van de richtlijn, bij ACM te beleggen.
49.
De leden van de D66-fractie lezen voorts dat de ACM adviseert de taken, verantwoordelijkheden
en capaciteit tijdig te evalueren en dat de regering hieraan tegemoet wil komen. Wanneer
wordt deze evaluatie voorzien?
Antwoord
De evaluatie van de uitvoeringswet is drie jaar na inwerkingtreding voorzien.
I. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING
Artikel ....
Artikel 6
50.
De leden van de VVD-fractie vragen welke nationale infrastructuur straks als kritiek
aangemerkt gaat worden waarvoor dan uitzonderingen zouden gelden. Vallen elektronische
communicatienetwerken hier ook onder?
Antwoord
Zoals hiervoor al aangegeven zal in een algemene maatregel van bestuur nader worden
uitgewerkt wat in de context van de verordening moet worden beschouwd als kritieke
infrastructuur. Dat wil zeggen fysieke infrastructuur die is uitgesloten van de in
de verordening opgenomen toegangs- en transparantieplicht. Het voornemen bestaat om
onder meer de fysieke infrastructuur van defensie, de politie en de rechtspraak uit
te sluiten van de toepassing van de verordening. Elektronische communicatienetwerken
zullen echter niet onder de uitzondering worden gebracht. Het tussen aanbieders van
elektronische communicatienetwerken over en weer bieden van toegang tot hun fysieke
infrastructuur vormt immers een van de kernelementen van de verordening. De regering
wijst er op dat het medegebruik van fysieke infrastructuur, zoals het delen van antenne-opstelpunten
en mantelbuizen al geruime tijd is voorgeschreven in het telecommunicatierecht en
niet tot veiligheidsproblemen heeft geleid. Wellicht ten overvloede merkt de regering
nog op dat het niet aanwijzen van elektronische communicatienetwerken als kritieke
infrastructuur in de zin van de verordening niets zegt over de status van die netwerken
in de context van andere wetgevingscomplexen, zoals, bijvoorbeeld, de NIS2 richtlijn
en de implementatie daarvan in de Cyberbeveiligingswet.
Artikel 7
51.
De leden van de VVD-fractie lezen dat er besluittermijnen van acht weken gehanteerd
worden, met de mogelijkheid tot acht weken uitstel. Deze leden vragen of deze termijnen
voor Nederland ook gewenst zijn of dat het in Nederland sneller en efficiënter kan
met kortere termijnen.
Antwoord
De leden van de VVD-fractie vragen vermoedelijk naar de besluittermijnen ten aanzien
van de instemmingsbesluiten, bedoeld in artikel 5.4 van de Telecommunicatiewet. Op
grond van artikel 5.4, eerste lid, van de Telecommunicatiewet, zijn aanbieders verplicht
om een voornemen om werkzaamheden uit te voeren in of op openbare gronden in verband
met de aanleg, instandhouding of opruiming van kabels, een schriftelijke melding te
doen bij het college van burgemeester en wethouders van de gemeente binnen wier grondgebied
de uit te voeren werkzaamheden plaats zullen vinden. De aanbieder is verplicht te
wachten met het starten van de werkzaamheden totdat het college hiermee heeft ingestemd.
Op grond van artikel 5.4, tweede lid, van de Telecommunicatiewet, geldt inderdaad
een termijn van acht weken, met de mogelijkheid deze termijn eenmaal te verlengen
met ten hoogste acht weken. De regering heeft geen aanwijzingen dat deze termijnen
in de praktijk te lang zijn en verwacht ook niet dat het verkorten van deze termijnen
de aanleg van VHC-netwerken daadwerkelijk sneller en efficiënter zou maken. Overigens
blijft de besluittermijn voor het instemmingsbesluit ruimschoots binnen de beslissingstermijn
van 4 maanden die de verordening voorschrijft.
Artikel 5a.4 en Artikel 14a
52.
De leden van de JA21-fractie constateren dat artikel 5a.4 van het wetsvoorstel de
grondslag biedt om bepaalde nationale kritieke infrastructuur uit te zonderen van
verplichtingen die voortvloeien uit de Gigabitinfrastructuurverordening. Deze leden
merken op dat de Telecommunicatiewet reeds een beschermingsregime kent in artikel
14a (Wet ongewenste zeggenschap telecommunicatie), waarin voor de bescherming van
nationale veiligheidsbelangen wordt gewerkt met concrete criteria voor vitale telecominfrastructuur.
Kan de regering toelichten in hoeverre bij de uitwerking van artikel 5a.4 aansluiting
wordt gezocht bij de criteria die reeds worden gehanteerd in artikel 14a van de Telecommunicatiewet?
Hoe voorkomt de regering dat verschillende afbakeningen van vitale of kritieke digitale
infrastructuur naast elkaar ontstaan? Acht de regering het tot slot mogelijk dat infrastructuur
die onder artikel 14a bescherming geniet vanwege nationale veiligheidsbelangen, niet
onder de uitzonderingsregeling van artikel 5a.4 valt? Zo ja, hoe beoordeelt de regering
dit vanuit het oogpunt van digitale weerbaarheid en nationale veiligheid?
Antwoord
Hoofdstuk 14a van de Telecommunicatiewet bevat – kort gezegd – een wettelijk regime
dat er op gericht is te voorkomen dat de aldaar gedefinieerde telecommunicatiepartijen
in handen vallen van partijen die hun zeggenschap in de telecommunicatiepartij mogelijk
gebruiken om de Nederlandse regering onder druk te zetten door te dreigen met uitval
of misbruik van de telecommunicatievoorzieningen. Daarom kan het verkrijgen van zeggenschap
of bestaande zeggenschap door de Minister van Economische Zaken worden verboden. Voorwaarde
daarbij is wel dat degene die de zeggenschap verwerft of heeft een grote, dat wil
zeggen een zogenoemde relevante, invloed heeft in de telecommunicatiesector. In een
algemene maatregel van bestuur (Besluit ongewenste zeggenschap telecommunicatie) is
uitgewerkt in welke gevallen van een dergelijk invloed in de sector sprake is. Vanuit
de gedachte dat de Nederlandse regering mogelijke uitval of misbruik als een bedreiging
moet kunnen zien is het meewegen van de invloed in de sector van de partij die zeggenschap
verwerft of heeft begrijpelijk. Dat verkrijgen van zeggenschap is immers ook het moment
om de wenselijkheid daarvan te toetsen.
De gigabitinfrastructuurverordening, het uitvoeringswetsvoorstel, en de daarin opgenomen
mogelijkheden om uitzonderingen te formuleren op de verplichtingen om toegang of informatie
te verstrekken hebben echter een heel ander karakter dan hoofdstuk 14a van de Telecommunicatiewet.
Met deze uitzonderingen wordt immers op voorhand al concreet bepaald welke categorieën
fysieke infrastructuur naar hun aard moeten worden uitgezonderd. Het al dan niet vallen
van een verwerving van zeggenschap onder de regels van hoofdstuk 14a van de Telecommunicatiewet
is niet het juiste criterium op grond waarvan de betrokken infrastructuur of dienstverlening
moet worden beschermd tegen, bijvoorbeeld, cyberaanvallen of, zoals hier aan de orde,
tegen toegang van partijen in het kader van een door hen voorgenomen uitrol van VHC-netwerken.
Het gaat immers om andersoortige bedreigingen met ieder hun eigen risico’s die ieder
hun eigen aanpak, ook wat betreft de te beschermen infrastructuur, rechtvaardigen.
De regering vindt het dan ook begrijpelijk dat de verschillende wettelijke regimes
ieder hun eigen invulling geven aan de te beschermen infrastructuur en ziet dit niet
als nadelig voor de digitale weerbaarheid en nationale veiligheid.
OVERIG
53.
Gelet op het belang van de nog uit te werken lagere regelgeving vragen de leden van
de D66-fractie op welke wijze de parlementaire betrokkenheid bij de verdere uitwerking
van het wetsvoorstel wordt vormgegeven. Is de regering bereid daarbij een voorhangprocedure
toe te passen?
Antwoord
Uitgangspunt bij gedelegeerde wetgeving, zoals een algemene maatregel van bestuur,
is dat deze niet wordt opgesteld met (directe) betrokkenheid van de Tweede en Eerste
Kamer. Dat geldt ook voor de algemene maatregel van bestuur ter uitwerking van de
GIA. Bij het opstellen van de algemene maatregel van bestuur wordt overleg gevoerd
met en inbreng gevraagd van de diverse belanghebbenden, zoals diverse onderdelen van
de Rijksoverheid, gemeenten, en (vertegenwoordigers van) netwerkexploitanten. Verder
zal de ontwerpversie van de algemene maatregel van bestuur via internet openbaar worden
geconsulteerd en zal de ontwerpversie door de toekomstige toezichthouder worden getoetst
op uitvoerbaarheid. Daarna zal de algemene maatregel van bestuur voor advies worden
voorgelegd aan de Raad van State. De regering ziet daarom geen reden een voorhangprocedure
toe te passen.
54.
De leden van de CDA-fractie lezen dat de uitvoeringstermijn van 11 november 2025 niet
is gehaald. Zij vragen de regering wat dit betekent voor de bepalingen en verplichtingen
voortvloeiend uit dit wetvoorstel. Wat is het concrete effect van het niet halen van
deze implementatietermijn met daarbij specifiek het effect van een infractieprocedure
van de Europese Commissie.
Antwoord
De verordening is rechtstreeks toepasselijk in de Nederlandse rechtsorde. Dat betekent
dat verschillende bepalingen en verplichtingen van de verordening op dit moment al
gelden, ook al is de uitvoeringswet nog niet vastgesteld. Het belangrijkste effect
van het ontbreken van de uitvoeringswet is dat toezicht en handhaving van de verordening
nog niet zijn geregeld. De regering verwacht evenwel dat het concrete effect van het
niet halen van de implementatietermijn in de praktijk beperkt is, omdat ter implementatie
van de richtlijn breedband in Nederland al voorzieningen bestaan, de uitrol van VHC-netwerken
in Nederland in zijn algemeenheid voorspoedig verloopt, en er in de markt tamelijk
beperkte behoefte is aan de aanvullende mogelijkheden die de verordening biedt. Ik
heb op dit moment geen signalen ontvangen dat de Europese Commissie van plan is op
korte termijn een infractieprocedure te starten vanwege het niet halen van de implementatietermijn,
maar ik kan uiteraard niet uitsluiten dat de Commissie hier de komende tijd alsnog
toe zal besluiten.
55.
De leden van de CDA-fractie vragen daarnaast welke concrete maatregelen de regering
neemt om vertraging te beperken.
Antwoord
Mijn ambtenaren en ik geven prioriteit aan de totstandkoming van deze uitvoeringswet,
en de hierop gebaseerde gedelegeerde regelgeving. Daarmee streef ik ernaar om verdere
vertraging zoveel mogelijk te voorkomen. Daarbij teken ik wel aan dat een zorgvuldig
wetgevingsproces nu eenmaal tijd kost, waaronder een zorgvuldige behandeling door
en discussies met het parlement.
56.
De leden van de JA21-fractie vragen de regering om in bredere zin uiteen te zetten
welk toetsingskader zij hanteert bij de vraag of vergunningverlening van rechtswege
passend is. Deze leden achten het van belang dat de overheid niet per beleidsterrein
willekeurig kiest voor of tegen de lex silencio positivo, maar werkt vanuit een herkenbare
lijn waarin rechtszekerheid, uitvoerbaarheid, bescherming van publieke belangen en
snelheid van besluitvorming in balans zijn. Kan de regering aangeven in welke typen
vergunningstelsels zij de lex silencio positivo verantwoord acht en in welke typen
vergunningstelsels niet? Kan de regering daarbij expliciet ingaan op vergunningprocedures
waar grote publieke belangen en urgente investeringsopgaven samenkomen, zoals energie-infrastructuur
en mijnbouwactiviteiten? Welke lessen trekt de regering uit dit wetsvoorstel voor
andere domeinen waar trage vergunningverlening investeringen in energiezekerheid,
infrastructuur of economische ontwikkeling kan vertragen? Is de regering bereid een
kabinetsbrede lijn te ontwikkelen voor toepassing van de lex silencio positivo, zodat
burgers en bedrijven beter weten wanneer zij mogen rekenen op tijdige besluitvorming
met duidelijke rechtsgevolgen bij overschrijding van termijnen?
Antwoord
Bij het maken van beleid gebruikt de Rijksoverheid het Beleidskompas en, specifiek
bij de totstandkoming van wet- en regelgeving, de Aanwijzingen voor de regelgeving
(hierna: de Aanwijzingen). Het Beleidskompas en de Aanwijzingen voorzien onder andere
in een algemeen toetsingskader voor vergunningstelsels. De lex silencio positivo maakt
deel uit van dit algemeen toetsingskader, dat zijn oorsprong heeft in de Dienstenrichtlijn
en een brief van de Minister van Justitie van 9 juli 2009.20 Hiermee hanteert de Rijksoverheid een herkenbare, Rijksbrede lijn, waarin rechtszekerheid,
uitvoerbaarheid, bescherming van publieke belangen, en snelheid van besluitvorming
in balans zijn.
Kort gezegd is de lex silencio positivo op basis van deze Rijksbrede lijn in de volgende
typen vergunningstelsels denkbaar: vergunningstelsels waarbij Europese en internationale
regelgeving en verdragen niet in de weg staan aan het toepassen van de lex silencio
positivo (dikwijls verplichten Europese of internationale regelgeving namelijk tot
een inhoudelijke beoordeling vooraf), en waarbij er sprake is van een laag maatschappelijk
risico in het geval een vergunning achteraf onterecht van rechtswege blijkt te zijn
verleend (in sommige gevallen kunnen onterecht van rechtswege verleende vergunningen
aanzienlijke risico’s met zich brengen voor de volksgezondheid, de veiligheid, het
milieu, en voor de bescherming van kwetsbare groepen, zoals minderjarigen, kwetsbare
volwassenen of dieren, of kunnen zij grote onomkeerbare schade veroorzaken).
De vraag over vergunningprocedures bij energie-infrastructuur en mijnbouwactiviteiten
valt buiten het bestek van de gigabitinfrastructuurverordening en het voorliggende
wetsvoorstel, en buiten mijn verantwoordelijkheid als Staatssecretaris van Economische
Zaken en Klimaat. Ik zal deze vragen overbrengen aan mijn collega-bewindspersonen
die zich bezighouden met deze specifieke onderwerpen, en met de uitvoering van de
afspraak uit het regeerakkoord om vergunningverlening voor bedrijven te versnellen,
zodat zij deze kwestie in een breder perspectief kunnen behandelen.
Ondertekenaars
W.J.M. Aerdts, staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat