Initiatiefnota : Initiatiefnota
36 983 Initiatiefnota van het lid Claassen over slimmer testen en eerder ingrijpen: de invoering van kosteneffectieve preventieve biomarkerdiagnostiek voor volwassen verzekerden
Nr. 2
INITIATIEFNOTA
1. Samenvatting
Nederland staat voor een dubbele opgave. De last van chronische ziekten zoals hart-
en vaatziekten, diabetes, nierschade en stofwisselingsziekten neemt toe, terwijl de
betaalbaarheid en de personele houdbaarheid van de zorg onder druk staan. Veel van
deze aandoeningen worden nu pas opgespoord wanneer er al onomkeerbare schade is ontstaan.
Dat is slecht voor de patiënt en duur voor de samenleving.
Deze initiatiefnota stelt voor om gerichte, vroegtijdige opsporing van gezondheidsrisico’s
via eenvoudig bloedonderzoek als nieuwe preventieve prestatie in het basispakket op
te nemen, voor volwassen verzekerden. Niet de ziekte, maar de afgewogen doelmatigheid
bepaalt wat wordt vergoed, en testtype, leeftijd en frequentie worden afgestemd op
waar de waarde het grootst is. Omdat de vraag welke zorg tot het basispakket behoort
niet in de Zorgverzekeringswet zelf maar in het Besluit zorgverzekering wordt geregeld,
verzoekt de initiatiefnemer de regering deze prestatie langs die weg in te voeren.
De kern van het voorstel omvat:
• Een nieuwe preventieve prestatie «gerichte biomarkerdiagnostiek» voor volwassen verzekerden,
op te nemen in het Besluit zorgverzekering;
• Een breed doelmatigheidsoordeel door Zorginstituut Nederland langs de bestaande vier
pakketcriteria, waarin de kosten per QALY een belangrijke maar niet de enige maatstaf
zijn;
• Een op de levensloop afgestemde opzet: een eenmalige, zorgvuldig uitgevoerde genetische
en farmacogenetische basistest vanaf achttien jaar, een risico- en leeftijdsgestuurd
bloedpanel, en een meegroeiend spoor voor opkomende, herhaalbare markers;
• Gerichte risicostratificatie en getrapt testen in plaats van brede screening, om fout-positieven
en medicalisering te beperken;
• Laagdrempelige toegang in de eerste lijn, het actief uitnodigen van hoog-risicogroepen
en de mogelijkheid voor verzekerden om binnen de gestelde grenzen zelf een onderzoek
aan te vragen;
• Extreem strikte gegevensbescherming via een nieuwe norm, met quantumveilige versleuteling,
opslag losgekoppeld van andere systemen, een opt-out en een recht op verwijdering;
• Publieke verankering van de uitvoering bij ziekenhuizen en gereguleerde diagnostische
centra, in plaats van bij commerciële, met private equity gefinancierde aanbieders;
• Dekking binnen het Zvw-kader en een doorrekening door het Centraal Planbureau en het
RIVM.
2. Woord vooraf
Onze gezondheidszorg is wereldwijd toonaangevend in het behandelen van ziekten, maar
veel minder in het vóór zijn ervan. Decennialang lag de nadruk op genezen in plaats
van voorkomen. Met een vergrijzende bevolking, een groeiend aantal chronisch zieken
en oplopende zorgkosten is dat geen houdbare koers meer. De initiatiefnemer is van
mening dat preventie en gerichte vroegopsporing de volgende grote stap in de Nederlandse
gezondheidszorg moeten zijn.
Vroegopsporing is geen doel op zich. Zij is een middel om mensen langer gezond te
houden, om dure en ingrijpende late zorg te voorkomen, en om mensen meer regie te
geven over hun eigen gezondheid. Tegelijk moet preventie verstandig gebeuren: niet
door iedereen breed en ongericht te laten testen, met fout-positieven en medicalisering
tot gevolg, maar door slim en gericht te meten bij wie er baat bij heeft, en door
alleen te vergoeden wat van aantoonbare waarde is. De initiatiefnemer kiest daarbij
bewust voor verankering binnen de publieke zorg, met de gegevensbescherming van de
burger als harde voorwaarde vooraf.
3. Aanleiding en probleemstelling
3.1. Stijgende ziektelast en oplopende zorgkosten
De last van chronische ziekten zoals hart- en vaatziekten, diabetes, nierschade en
stofwisselingsziekten neemt de komende decennia toe, terwijl de betaalbaarheid en
de personele houdbaarheid van de zorg onder druk staan; de zorguitgaven groeien naar
verwachting van € 113 miljard (2022) tot ongeveer € 202 miljard in 2050 (!).1 Veel van deze aandoeningen worden bovendien pas opgespoord wanneer er al onomkeerbare
schade is ontstaan, en dat is kostbaar: nierfalen behoort tot de duurste zorg die
wij kennen, met een dialysebehandeling van al gauw € 80.000 tot ruim € 100.000 per
patiënt per jaar en een stijgend aantal nieuwe patiënten.2 Hoe later het ingrijpen, hoe groter de schade en de kosten.
3.2. Waarom de huidige vroegopsporing tekortschiet
De huidige praktijk van vroegopsporing schiet op twee manieren tekort. Enerzijds bereikt
preventie vaak vooral de toch al gezondheidsbewuste burger, en juist niet de hoogste-risicogroepen
die de huisarts mijden. Anderzijds leveren brede, ongerichte gezondheidschecks veel
ruis op: wie veel waarden tegelijk meet, vindt vrijwel altijd wel iets buiten de norm,
met fout-positieven, onnodig vervolgonderzoek en medicalisering tot gevolg. De bestaande,
evidence-based Nederlandse praktijk kiest daarom voor gerichte vroegopsporing bij
de juiste leeftijdsgroep.3 De initiatiefnemer wil deze gerichte benadering verankeren in het basispakket en
haar moderniseren: niet «meer testen», maar «slimmer testen».
3.3. Drie soorten maatschappelijk voordeel
De winst van gerichte vroegopsporing is drieledig. In de eerste plaats levert zij
gezondheidswinst per individu op: ziektecomplicaties worden uitgesteld of voorkomen
en mensen winnen gezonde levensjaren. In de tweede plaats is er mogelijke systeemwinst:
vroeg en goedkoop ingrijpen is doorgaans veel goedkoper dan een laat hartinfarct,
een beroerte, dialyse of orgaanschade. De initiatiefnemer is op dit punt eerlijk:
een netto besparing is niet gegarandeerd, omdat ook mensen worden behandeld die anders
nooit ziek waren geworden. De juiste claim is daarom gezondheidswinst tegen aanvaardbare
kosten, en niet «het verdient zichzelf terug». In de derde plaats is er een gedragseffect:
een concrete uitslag is een krachtig moment dat mensen aanzet tot blijvende leefstijlverandering.
4. Een gerichte, doelmatige aanspraak op vroegopsporing
4.1. Het voorstel op hoofdlijnen
De kern van het voorstel is de invoering van een nieuwe preventieve prestatie in het
basispakket: gericht bloedonderzoek voor volwassen verzekerden, gericht op de vroegtijdige
opsporing van een verhoogd risico op ziekten, inclusief de bijbehorende risicoduiding
en advisering. De prestatie omvat klinisch-chemische, genetische en, te zijner tijd,
epigenetische bepalingen. Bewust kiest de initiatiefnemer geen vaste ziektelijst;
het bepalende criterium is niet welke ziekte het betreft, maar of de betreffende bepaling
aantoonbare waarde heeft voor de doelgroep waarin zij wordt ingezet. Zo ontstaat een
dynamische, getoetste lijst die meegroeit met de wetenschap. De initiatiefnemer verzoekt
de regering deze prestatie via het Besluit zorgverzekering in te voeren, zodat zij
aansluit bij de bestaande systematiek van het pakketbeheer en bij de reguliere taak
van Zorginstituut Nederland.
4.2. Een breed doelmatigheidsoordeel, niet de QALY alleen
Het hart van het voorstel is een doelmatigheidsoordeel door Zorginstituut Nederland.
De initiatiefnemer hecht eraan dat dit oordeel niet op de QALY alleen berust. Het
Zorginstituut weegt nieuwe zorg al langs vier pakketcriteria, te weten noodzakelijkheid
(ziektelast), effectiviteit, kosteneffectiviteit en uitvoerbaarheid; de kosten per
gewonnen QALY, getoetst aan de referentiewaarden van € 20.000, € 50.000 en € 80.000
naar ziektelast, vormen daarvan slechts één.4,
5 Voor preventieve biomarkerdiagnostiek wil de initiatiefnemer dat deze brede afweging
expliciet wordt gemaakt.
Een zuiver op de QALY gebaseerd oordeel onderschat namelijk de waarde van diagnostiek.
De gezondheidseconomie erkent waarde-elementen die een enkele QALY-ratio niet vangt:
de waarde van weten en het verminderen van onzekerheid, de risicobescherming voor
de hele gescreende groep, de reële optiewaarde van vroeg kunnen ingrijpen, gelijke
toegang en het verkleinen van gezondheidsverschillen, en behoud van productiviteit
bij een nog werkende bevolking.6 Bovendien overschat een standaard kostenutiliteitsanalyse de waarde van zorg bij
lichte aandoeningen en onderschat zij die bij ernstige; nieuwere modellen corrigeren
hiervoor.7 De initiatiefnemer stelt daarom voor de doelmatigheid te beoordelen met een gestructureerde,
meervoudige afweging waarin de kosten per QALY een belangrijke, maar niet de enige,
maatstaf zijn.
De referentiewaarden blijven daarbij een nuttige waarborg tegen ondoelmatige uitgaven,
want de kosteneffectiviteit van vroegopsporing loopt sterk uiteen: van circa $ 27.000
per QALY bij hoog-risicogroepen tot boven $ 1 miljoen per QALY in laag-risicopopulaties.8 Een voorbeeld dat ook bij een smalle toets ruim doelmatig is, is de vroege opsporing
van nierschade via eenvoudig urine- en bloedonderzoek (circa € 9.225 per QALY, ruim
onder de drempel).9 De doelmatige drempel is daarmee biomarker-specifiek: voor een dure of schade-gevoelige
test ligt hij smal bij de hoogste risico’s, terwijl hij voor een goedkope, veilige
en beïnvloedbare marker verder de lagere-risicogroepen in kan reiken. Dat is van belang
omdat in absolute zin het merendeel van de ziektegevallen uit de grote groep met een
laag of matig risico komt (de preventieparadox van Rose); niet de ziekte maar de afgewogen
waarde bepaalt per marker en doelgroep wat wordt toegelaten en hoe breed dat verantwoord
is.10
4.3. Een op de levensloop afgestemde opzet
Eén vaste leeftijdsgrens met één jaarlijks panel zou een te grof instrument zijn.
De initiatiefnemer stelt daarom voor om testtype, leeftijd en frequentie te laten
verschillen, telkens bepaald door het doelmatigheidsoordeel. De prestatie kent zo
drie samenhangende onderdelen.
Ten eerste een eenmalige, zorgvuldig uitgevoerde genetische en farmacogenetische basistest,
beschikbaar vanaf achttien jaar. Het erfelijk materiaal verandert niet, dus deze test
hoeft maar één keer goed te worden gedaan en is juist op jonge leeftijd het meest
doelmatig, omdat er meer jaren preventie te winnen zijn; de farmacogenetische uitslag
blijft bovendien levenslang bruikbaar bij elk volgend recept. Klinisch-genetische
preventie zoals cascadescreening op familiaire hypercholesterolemie en tests op erfelijke
borst-, eierstok- en darmkanker is in onderzoek kosteneffectief en soms kostenbesparend,11 en een farmacogenetisch panel verlaagt bijwerkingen met circa 30%.12 De basistest wordt actief en laagdrempelig aangeboden, zodat wie een verhoogd erfelijk
risico draagt vroeg in beeld komt en er gericht kan worden gehandeld.
Ten tweede een risico- en leeftijdsgestuurd bloedpanel voor cardiometabool en nierrisico.
Dit panel wordt niet jaarlijks aan iedereen aangeboden, maar begint met een goedkope
basismeting die een persoonlijke uitgangswaarde en risicoscore vastlegt, waarna de
frequentie meeschaalt met leeftijd en risico, en intensiveert vanaf ongeveer vijfenveertig
jaar, in lijn met de bestaande Nederlandse praktijk (paragraaf 3.2). Zo wordt een
deel van de populatiewinst goedkoop bereikt, terwijl de intensieve diagnostiek geconcentreerd
blijft waar de waarde hoog is.
Ten derde een meegroeiend spoor voor opkomende, herhaalbare markers, zoals het verouderingstempo
en bloedtesten voor kanker. Dit onderdeel is in paragraaf 5 uitgewerkt.
4.4. Slimmer testen: gerichte risicostratificatie en getrapt testen
Het zwakke punt van klassieke, brede gezondheidschecks is de ruis. Dit voorstel kiest
daarom voor gerichte opsporing. Een gevalideerd, beslissingsondersteunend systeem
combineert biomarkers, leeftijd, geslacht en eerdere waarden tot een persoonlijke
risicoscore, selecteert welke bepalingen voor een individu zinvol zijn, en slaat alleen
alarm bij wie werkelijk een verhoogd risico heeft. Het testen verloopt bovendien getrapt:
een goedkope kernset eerst, en pas bij een signaal aanvullende, duurdere bepalingen.
Onderzoek laat zien dat selectie op basis van risicoscores een bredere groep en tegelijk
kosteneffectief kan identificeren, met minder fout-positieven dan brede screening.13 De inzet is dus niet «meer testen», maar «slimmer testen» dan de checks waar de eerste
lijn terecht kritisch over is.
4.5. Gelijke toegang tot preventie
Preventieve checks bereiken in de praktijk vaak vooral de reeds gezondheidsbewuste
burger, en niet de hoogste-risicogroepen die de huisarts juist mijden. Om gezondheidsverschillen
te verkleinen in plaats van te vergroten, is het uitdrukkelijk de bedoeling dat de
prestatie laagdrempelig in de eerste lijn wordt aangeboden, in de huisartsenpraktijk
of in een diagnostisch centrum, en dat verzekerden met een verhoogd risico actief
worden uitgenodigd. Tegelijk krijgen verzekerden meer eigen regie: binnen de grenzen
van het systeem, te weten het op het risicoprofiel afgestemde panel, het doelmatigheidsoordeel
en het maximumaantal onderzoeken per jaar, kunnen zij de prestatie ook op eigen initiatief
aanvragen. De initiatiefnemer verzoekt de regering dit bij de uitwerking in het Besluit
zorgverzekering te borgen.
4.6. Gegevensbescherming en zeggenschap
De gegevens die met dit voorstel ontstaan, in het bijzonder genetische gegevens, behoren
tot de meest gevoelige die er zijn: zij zijn levenslang geldig en raken ook familieleden.
Gegevensbescherming is daarom geen sluitstuk maar een voorwaarde vooraf. De Algemene
verordening gegevensbescherming en de norm NEN 7510 vormen de ondergrens; de initiatiefnemer
verzoekt de regering een onafhankelijke commissie in te stellen, met onder meer het
NEN, de Autoriteit Persoonsgegevens, beveiligingsexperts, de klinische genetica en
patiëntvertegenwoordiging, die een nieuwe, aanzienlijk striktere norm opstelt.14
Daarbij gelden ten minste de volgende uitgangspunten: versleuteling die ook tegen
toekomstige quantumcomputers bestand is (post-quantum cryptografie volgens de internationale
standaarden); opslag die technisch en organisatorisch is losgekoppeld van andere systemen,
zoals die van zorgverzekeraars, werkgevers en het bredere medische dossier, zodat
de gegevens niet zonder meer koppelbaar of herleidbaar zijn; dataminimalisatie, waarbij
waar mogelijk alleen de geduide uitslag en niet het volledige genoom wordt bewaard;
toegang uitsluitend voor de behandelend zorgverlener en de verzekerde zelf; een opt-out;
en een afdwingbaar recht op verwijdering. Zo wordt voorkomen dat preventieve diagnostiek
leidt tot risicoselectie of gegevensmisbruik, en houdt de verzekerde de regie over
de eigen gegevens.
4.7. Publieke verankering en het belang van de ziekenhuizen
De vraag is niet óf er preventieve biomarkerdiagnostiek komt, maar wie haar uitvoert.
De vraag naar gezondheidschecks groeit hoe dan ook, en zonder publieke regeling wordt
dit veld ingevuld door commerciële, veelal met private equity gefinancierde aanbieders.
Zulke partijen richten zich uit hun aard op de meest koopkrachtige klanten, kennen
geen uniforme doelmatigheidstoets en hebben een verdienprikkel om meer te testen in
plaats van gerichter, terwijl het rendement wegvloeit naar private investeerders.
De initiatiefnemer wil deze ontwikkeling juist binnen de publieke zorg verankeren.
Door de bloedafname en -analyse onder te brengen bij de ziekenhuizen en de daaraan
verbonden gereguleerde diagnostische centra, blijft de waarde binnen het zorgstelsel
en profiteren de ziekenhuizen er zelf van: zij benutten hun laboratoriuminfrastructuur
beter, bouwen volume en kennis op, en versterken hun rol in de regionale keten. Tegelijk
zijn standaardisatie, kwaliteitsborging en medische ondersteuning geborgd, en blijft
de toegang laagdrempelig via de eerste lijn. Dat is beter voor de patiënt dan een
versnipperd, commercieel aanbod: één getoetste kwaliteitsstandaard, een zorgvuldige
duiding van de uitslag, en een korte lijn naar vervolgzorg. Vroege opsporing verschuift
bovendien zorg van de dure, late ziekenhuisfase naar de goedkope, vroege fase en ontlast
zo de tweede lijn.
4.8. Doelmatige en geautomatiseerde uitvoering van de bloedafname
Een programma dat zich richt op miljoenen verzekerden vraagt om een efficiënt en opschaalbaar
afnameproces. De initiatiefnemer bepleit daarom het streven om de bloedafname en -analyse
zo veel mogelijk geautomatiseerd en gestandaardiseerd uit te voeren. Dat verlaagt
de kosten per test, ontlast de schaarse capaciteit aan laboratorium- en afnamepersoneel,
en verhoogt via standaardisatie de datakwaliteit. De techniek is geen toekomstmuziek
meer: een autonoom, AI- en echogeleid robotsysteem voor bloedafname van Nederlandse
makelij ontving in 2024 een Europese CE-markering en wordt sinds 2025 in Europese
zorginstellingen uitgerold.15 De streefbepaling is bewust technologieneutraal en behoudt het toezicht van een bevoegde
zorgverlener.
5. Toekomstvast: meegroeien met de wetenschap
5.1. Een open, getoetste lijst
Doordat de lijst open en getoetst is, kunnen nieuwe biomarkers worden toegevoegd zodra
zij het doelmatigheidsoordeel doorstaan, zonder dat de regeling telkens hoeft te worden
herzien. De prestatie is beperkt tot bloeddiagnostiek; zolang zij behandelbare risicofactoren
betreft, valt zij buiten de vergunningplicht van de Wet op het bevolkingsonderzoek.16 Biomarkers die er wel onder vallen, zoals bloedtesten voor de vroege opsporing van
kanker, kunnen op termijn in beeld komen zodra er voldoende bewijs is en aan die wet
wordt voldaan.17
5.2. Het verouderingstempo: herhaalbaar en bewijssturend
Het duidelijkste voorbeeld van waarde die een smalle QALY-toets misloopt, is de meting
van het verouderingstempo. Mensen van dezelfde kalenderleeftijd verouderen verschillend,
en een groot verschil tussen biologische en kalenderleeftijd is geen op zichzelf staand
gegeven: het weerspiegelt een opeenstapeling van ontregeling in meerdere lichaamssystemen
tegelijk, in het hart- en vaatstelsel, de hormoonhuishouding en de afweer. Omdat veroudering
de gemeenschappelijke motor is achter hart- en vaatziekten, diabetes, nierschade en
stofwisselingsziekten, signaleert een versneld tempo vroeg een verhoogd risico op
een heel cluster van aandoeningen in plaats van op één ziekte.18
Dat dit klinisch betekenisvol is, blijkt uit onderzoek: mensen in het snelst verouderende
kwart hebben circa 41 tot 44% meer kans op multimorbiditeit en circa 54% hogere sterfte
dan het langzaamst verouderende kwart.19 Maten als DunedinPACE schatten dit tempo uit één bloedafname.20 Anders dan de eenmalige genetische test is zo’n meting juist herhaalbaar: het verouderingstempo
verandert in de tijd, en de trend over meerdere metingen maakt het effect van leefstijl
of behandeling zichtbaar. In een gerandomiseerde studie vertraagde een leefstijlinterventie
het gemeten tempo, wat zich vertaalt naar een lagere sterftekans.21 Een herhaalde uitslag is daarmee een handelingsgericht aangrijpingspunt, geen etiket.
De initiatiefnemer is eerlijk dat deze maten nog niet rijp zijn voor bevolkingsbrede
toepassing: gestandaardiseerde protocollen en afkapwaarden ontbreken nog.22 Juist daarom is een meegroeiende toets nodig in plaats van een wettelijke vastlegging.
Onder het in paragraaf 4.2 beschreven oordeel kan zo’n marker worden toegelaten zodra
hij zich bewijst, niet omdat hij in één QALY-getal te vangen is, maar omdat hij hoog
scoort op het vroeg signaleren van multimorbiditeit, op beïnvloedbaarheid, op de waarde
van weten en op risicobescherming. De toelating is daarbij niet alleen evidence-based
maar ook evidence-directed: markers worden voorwaardelijk en onder monitoring toegelaten,
waarbij dat gemonitorde gebruik zélf het bewijs genereert en bijstuurt dat de definitieve
toelating bepaalt.23
6. Verhouding tot bestaande wetgeving
De nieuwe prestatie wordt ingebed in de systematiek van de artikelen 10 en 11 van
de Zorgverzekeringswet, waarbij de inhoud en omvang, conform artikel 11, derde lid,
bij algemene maatregel van bestuur (het Besluit zorgverzekering) worden geregeld.24 Het doelmatigheidsoordeel sluit aan bij de bestaande pakketcriteria en de reguliere
taak van Zorginstituut Nederland in het pakketbeheer. Zolang de prestatie zich beperkt
tot behandelbare risicofactoren valt zij buiten de vergunningplicht van de Wet op
het bevolkingsonderzoek; voor toekomstige biomarkers die er wel onder vallen geldt
die plicht onverkort. De verwerking van de gegevens vindt plaats binnen de Algemene
verordening gegevensbescherming en de aanvullende norm uit paragraaf 4.6. De dekking
is uitgewerkt in de financiële paragraaf.
7. Beslispunten
De initiatiefnemer stelt de Kamer de volgende beslispunten voor:
1. De regering neemt gerichte biomarkerdiagnostiek voor volwassen verzekerden, bestaande
uit klinisch-chemische, genetische en epigenetische bepalingen in bloed met de daarmee
samenhangende risicoduiding en advisering, als nieuwe preventieve prestatie op in
het Besluit zorgverzekering (hoofdstuk 2), binnen de systematiek van de artikelen
10 en 11 van de Zorgverzekeringswet en zonder beperking tot een vast ziektedomein.
2. De regering laat bepalingen aanwijzen op grond van een breed doelmatigheidsoordeel
van Zorginstituut Nederland langs de vier pakketcriteria, waarin de kosten per QALY
een belangrijke maatstaf zijn naast de waarde van vroege risicosignalering, de waarde
van weten, de risicobescherming, gelijke toegang en productiviteit, en geeft de aanwijzing
vorm als een dynamische, periodiek herziene lijst.
3. De regering stemt testtype, leeftijd en frequentie af op de waarde: een eenmalige
genetische en farmacogenetische basistest vanaf achttien jaar, een risico- en leeftijdsgestuurd
bloedpanel dat intensiveert vanaf ongeveer vijfenveertig jaar, en een meegroeiend
spoor voor herhaalbare markers.
4. De regering borgt dat de selectie van bepalingen en de duiding van uitslagen plaatsvinden
via een gevalideerd, op persoonlijke risicoprofielen (demografisch en topografisch
risico meegenomen) afgestemd beslissingsondersteunend systeem en via getrapt testen,
om fout-positieven en medicalisering te beperken.
5. De regering geeft de prestatie laagdrempelig vorm in de eerste lijn, nodigt verzekerden
met een verhoogd risico actief uit, en stelt verzekerden in staat de prestatie binnen
de gestelde grenzen ook op eigen initiatief aan te vragen, teneinde gezondheidsverschillen
te verkleinen en de eigen regie te versterken.
6. De regering stelt een onafhankelijke commissie in die een nieuwe, striktere norm voor
gegevensbescherming opstelt (omwille het feit dat genetische data op grote schaal
in behandeling wordt genomen), met ten minste quantumveilige versleuteling, opslag
losgekoppeld van andere systemen, dataminimalisatie, een opt-out en een afdwingbaar
recht op verwijdering, en hanteert deze beveiliging als voorwaarde vooraf.
7. De regering belegt de uitvoering binnen de publieke, gereguleerde diagnostische infrastructuur
van ziekenhuizen en diagnostische centra, en stimuleert een doelmatige, zo veel mogelijk
geautomatiseerde uitvoering van de bloedafname, technologieneutraal en onder medisch
toezicht.
8. De regering stelt een maximumaantal onderzoeken per kalenderjaar vast, waarbij diagnostiek
daarboven voor rekening van de verzekerde komt, ter begrenzing van volume en kosten.
9. De regering geeft de regeling toekomstvast vorm, zodat nieuwe biomarkers, waaronder
kankertesten en maten van het verouderingstempo, kunnen instromen zodra zij het brede
doelmatigheidsoordeel doorstaan en aan de Wet op het bevolkingsonderzoek voldoen,
met een voorwaardelijke toelating die niet alleen evidence-based maar ook evidence-directed
is.
10. De regering dekt de lasten binnen de bestaande financieringssystematiek van de Zorgverzekeringswet
en werkt de dekking nader uit als onderdeel van de doorrekening, met inachtneming
van het feit dat de financieringsverdeling niet zonder meer op een verhoging kan worden
toegepast.
11. De regering laat de invoering en de dekking doorrekenen door het Centraal Planbureau
en het RIVM, en monitort en evalueert de prestatie op gezondheidswinst, doelmatigheid
en gelijke toegang.
8. Financiële paragraaf
De lasten laten zich op basis van de NZa-tarieven voor eerstelijnsdiagnostiek ramen.
Het terugkerende bloedpanel voor cardiometabool en nierrisico (lipidenprofiel, HbA1c,
kreatinine en micro-albumine in urine) kost tegen de NZa-maximumtarieven 2025 circa
€ 38 per onderzoek, met enkele aanvullende bepalingen gemiddeld € 40 à € 45.25 Doordat de frequentie meeschaalt met leeftijd en risico in plaats van jaarlijks voor
iedereen, en geconcentreerd is rond de groep vanaf ongeveer vijfenveertig jaar (circa
acht miljoen verzekerden), komen de lasten van dit panel bij een realistische deelname
op ongeveer € 0,3 tot € 0,5 miljard per jaar.
De eenmalige genetische en farmacogenetische basistest is een uitgave die per persoon
maar één keer plaatsvindt (orde € 100 tot € 300)26. Voor elk nieuw cohort van achttienjarigen is dat structureel ongeveer € 10 tot € 40
miljoen per jaar; een eenmalige inhaalslag voor de bestaande volwassen verzekerden
vergt, gespreid over circa tien jaar, in de orde van € 75 tot € 260 miljoen per jaar.
Het effect op de premie is navenant klein: in de structurele situatie (een nieuw cohort
achttienjarigen) blijft het onder € 0,10 per maand op de nominale premie en in de
orde van + 0,001 tot + 0,003%-punt op de inkomensafhankelijke bijdrage, terwijl de
tijdelijke inhaalslag oploopt tot circa € 0,17 à € 0,60 per maand op de premie en
+ 0,006 tot + 0,022%-punt op de IAB. Voor het meegroeiende spoor van herhaalbare markers,
zoals de epigenetische meting van het verouderingstempo, gelden vooralsnog commerciële
tarieven van circa € 150 tot € 500 per test (gemiddeld orde € 200 à € 300 per test;
de onderliggende DNA-methylatie-array circa € 380 per monster), die bij publieke uitvoering
op schaal dalen27. Omdat deze markers nog niet direct (althans in 2026) rijp zijn voor bevolkingsbrede
toepassing (paragraaf 5.2), ligt het volume nog niet vast; ter illustratie leidt een
gerichte inzet in de orde van € 50 tot € 200 miljoen per jaar tot een effect op de
nominale premie van circa € 0,12 tot € 0,46 per maand en op de IAB van circa + 0,004
tot + 0,017%-punt. Daar staan vermeden bijwerkingen en vroege preventie bij dragers
tegenover. De investering in gegevensbescherming wordt in de raming meegenomen.
De budgettaire impact wordt begrensd doordat het doelmatigheidsoordeel alleen bepalingen
met aangetoonde waarde toelaat, de frequentie risicogestuurd is en getrapt wordt getest,
een maximumaantal onderzoeken per jaar (met eigen betaling daarboven) het volume beperkt,
en de eenmalige genetische test niet jaarlijks terugkeert. Goedkopere, geautomatiseerde
uitvoering verlaagt de kosten per test verder, waardoor meer bepalingen de doelmatigheidsdrempel
halen.
Voor de dekking stelt de initiatiefnemer voor de lasten binnen het Zvw-kader op te
vangen, via de reguliere financieringssystematiek. De Zorgverzekeringswet wordt in
2026 voor ongeveer de helft gefinancierd via de inkomensafhankelijke bijdrage, voor
circa 40% via de nominale premie en voor elk ongeveer 5% via de rijksbijdrage voor
kinderen tot achttien jaar en (5%) het eigen risico.28 Toegepast op een structurele last van € 0,3 tot € 0,5 miljard komt dit, op basis
van een indicatieve doorrekening, neer op een effect op de nominale premie van ongeveer
€ 0,70 tot € 1,40 per maand per premiebetaler (circa € 8 tot € 17 per jaar) en op
een verhoging van de inkomensafhankelijke bijdrage van ongeveer 0,03 tot 0,04%-punt
(van 6,10% naar circa 6,13% à 6,14%). De onderkant van die premiebandbreedte hoort
bij de proportionele financieringsmix van 2026 (ongeveer 50% inkomensafhankelijke
bijdrage, 40% nominale premie en elk 5% rijksbijdrage en eigen risico); de bovenkant
bij de wettelijke 50/50-verdeling tussen de inkomensafhankelijke bijdrage en de nominale
kant. Het IAB-effect is in beide varianten vrijwel gelijk en komt voor een modaal
inkomen neer op ongeveer € 12 tot € 21 per jaar, oplopend tot ongeveer € 20 tot € 34
per jaar rond het maximumbijdrage-inkomen (€ 79.409); samen met de hogere nominale
premie bedraagt de netto lastenstijging voor een modaal huishouden dan circa € 21
tot € 38 per jaar, terwijl huishoudens met recht op maximale zorgtoeslag grotendeels
worden gecompenseerd. Deze uitkomsten zijn nadrukkelijk indicatief: het betreft een
eigen modelmatige benadering en geen officiële raming, waarbij het eigen risico (een
vast bedrag) en de rijksbijdrage voor kinderen tot achttien jaar niet automatisch
met de uitgaven meestijgen, zodat een marginale, op volwassenen gerichte verhoging
in de praktijk vooral op de inkomensafhankelijke bijdrage en de nominale premie neerslaat
en daarmee dichter bij de bovenkant van de genoemde bandbreedte ligt. VWS tekent daarbij
aan dat deze verdeling niet zonder meer op een verhoging kan worden toegepast, omdat
zij afhangt van het type uitgaven; de initiatiefnemer verzoekt de regering de premie-
en IAB-effecten daarom formeel te laten doorrekenen door het Centraal Planbureau en
het RIVM. De hogere uitgaven kunnen worden ingepast door de premie te laten stijgen
of door binnen de Zvw besparingen te realiseren, bijvoorbeeld door de zorg doelmatiger
te organiseren. De precieze dekking, inclusief de beveiligingsinvestering, wordt als
onderdeel van de doorrekening uitgewerkt.
Daar staan mogelijke, niet gegarandeerde systeembesparingen tegenover door vermeden
of uitgestelde dure late zorg, zoals dialyse, hartinfarcten en orgaanschade. De initiatiefnemer
verzoekt de regering de invoering en de dekking te laten doorrekenen door het Centraal
Planbureau en het RIVM, zodat de Kamer over een formele raming en gezondheidseconomische
onderbouwing beschikt.
Claassen
Indieners
René Claassen, Kamerlid
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.