Advies Afdeling advisering Raad van State en Nader rapport : Advies Afdeling advisering Raad van State en Nader rapport
36 984 (R 2222) Intrekking van de Rijkswet van 10 februari 2017, houdende wijziging van de Rijkswet op het Nederlanderschap in verband met het intrekken van het Nederlanderschap in het belang van de nationale veiligheid (Stb. 2017, 52) en tot wijziging van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017
Nr. 4
ADVIES AFDELING ADVISERING RAAD VAN STATE VAN HET KONINKRIJK EN NADER RAPPORT
Hieronder zijn opgenomen het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State
van het Koninkrijk d.d. 6 mei 2026 en het nader rapport d.d. 26 juni 2026, aangeboden
aan de Koning door de Minister van Justitie en Veiligheid. Het advies van de Afdeling
advisering van de Raad van State van het Koninkrijk is cursief afgedrukt.
Blijkens de mededeling van de Directeur van Uw Kabinet van 16 maart 2026, nr. 2026000582,
machtigde Uwe Majesteit de Afdeling advisering van de Raad van State van het Koninkrijk
haar advies inzake het bovenvermelde voorstel van rijkswet rechtstreeks aan mij te
doen toekomen. Dit advies, gedateerd 6 mei 2026, nr. W16.26.00069/II/K, bied ik U
hierbij aan.
De tekst van het advies treft u hieronder cursief aan, voorzien van mijn reactie in
normale typografie.
Bij Kabinetsmissive van 16 maart 2026, no.2026000582, heeft Uwe Majesteit, op voordracht
van de Staatssecretaris Rechtsbescherming en Gevangeniswezen, bij de Afdeling advisering
van de Raad van State van het Koninkrijk ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel
van wet tot intrekking van de Rijkswet van 10 februari 2017, houdende wijziging van
de Rijkswet op het Nederlanderschap in verband met het intrekken van het Nederlanderschap
in het belang van de nationale veiligheid (Stb. 2017, 5) en tot wijziging van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017, met
memorie van toelichting.
Samenvatting
Inhoud van het wetsvoorstel
Wanneer een meerderjarige Nederlander zich in het buitenland aansluit bij een terroristische
organisatie, kan de Minister van Justitie en Veiligheid zijn Nederlanderschap intrekken.
Deze bevoegdheid is met een tijdelijke wet ingevoerd in 2017, met als doel om deze
personen uit het Koninkrijk te weren en zo de nationale veiligheid te beschermen.
Om te voorkomen dat de bevoegdheid op 1 maart 2027 vervalt, regelt het wetsvoorstel
dat deze behouden blijft.
Noodzaak niet voldoende gemotiveerd
De Afdeling advisering van de Raad van State van het Koninkrijk merkt op dat intrekking
van het Nederlanderschap verstrekkende gevolgen heeft, die in beginsel onomkeerbaar
zijn. Wanneer de regering de intrekkingsbevoegdheid permanent wil maken, moeten daarvoor
zwaarwegende argumenten bestaan.
De Afdeling merkt op dat uit de toelichting bij het wetsvoorstel niet blijkt waarom
het noodzakelijk is de intrekkingsbevoegdheid te behouden. Zo is niet duidelijk waarom
de nationale veiligheid niet al voldoende kan worden beschermd met andere maatregelen,
zoals die uit het strafrecht. Ook is niet duidelijk welke toegevoegde waarde de intrekkingsbevoegdheid
heeft voor Aruba, Curaçao en Sint Maarten, waarop het wetsvoorstel ook van toepassing
is. De Afdeling adviseert de noodzaak van de intrekkingsbevoegdheid alsnog dragend
te motiveren, of anders van het voorstel tot het permanent maken van de bevoegdheid
af te zien.
Tijdelijk verlengen
Wanneer het niet mogelijk blijkt om de noodzaak van de intrekkingsbevoegdheid alsnog
toereikend te motiveren, kan de regering er ook voor kiezen de intrekkingsbevoegdheid
met vijf jaar te verlengen. De regering zou gedurende deze verlenging nader kunnen
onderzoeken wat de toegevoegde waarde is van de intrekkingsbevoegdheid. De Afdeling
adviseert deze optie te betrekken in de afweging over het al dan niet voortzetten
van de intrekkingsbevoegdheid.
Conclusie
De Afdeling adviseert het wetsvoorstel niet in te dienen bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal,
de Staten van Aruba, die van Curaçao en die van Sint Maarten, tenzij het is aangepast.
1. Inhoud en achtergrond
Wanneer een meerderjarige Nederlander zich in het buitenland aansluit bij, kort gezegd,
een terroristische organisatie, kan de Minister van Justitie en Veiligheid met gebruik
van een bevoegdheid in de Rijkswet op het Nederlanderschap (hierna: RWN) diens Nederlanderschap
intrekken.1 Een strafrechtelijke veroordeling is daarvoor niet vereist. Wel moet de Minister
voorafgaand aan het gebruik van de intrekkingsbevoegdheid een belangenafweging verrichten.2 Ook mag de intrekking van het Nederlanderschap niet leiden tot staatloosheid.3 Internationale verdragen staan in dat geval aan intrekking in de weg.4 Alleen personen met minstens één andere nationaliteit dan de Nederlandse komen dus
in aanmerking voor toepassing van de intrekkingsbevoegdheid.5
Doel van de intrekkingsbevoegdheid is om te voorkomen dat personen die zich in het
buitenland bij een terroristische organisatie hebben aangesloten, legaal kunnen terugkeren
naar Nederland. De regering achtte dit bij de invoering van deze bevoegdheid in 2017
noodzakelijk in het belang van de nationale veiligheid, omdat er sprake was van een
toegenomen dreiging van het internationaal jihadistisch geïnspireerd terrorisme. Met
dit doel wordt aan de betrokken personen ook een ongewenstverklaring of inreisverbod
opgelegd.
De bevoegdheid is in 2017 neergelegd in een tijdelijke wet, met 1 maart 2022 als vervaldatum.
Het WODC heeft de wet in 2020 geëvalueerd en daarbij onderzocht of de invoering van
artikel 14, vierde lid, van de RWN de legale terugkeer van Nederlandse leden van buitenlandse,
jihadistische organisaties naar Nederland heeft weten te verhinderen door intrekking
van het Nederlanderschap van deze personen.6 De geldigheidsduur van de tijdelijke wet is vervolgens in 2022 verlengd tot 1 maart
2027.7
Met het voorliggende wetsvoorstel beoogt de regering de intrekkingsbevoegdheid permanent
te maken.
2. Noodzaak van de intrekkingsbevoegdheid
Intrekking van het Nederlanderschap is een vergaande bevoegdheid, met in beginsel
onomkeerbare gevolgen.8 Voor een dergelijke ingrijpende maatregel moeten bijzonder zwaarwegende argumenten
bestaan. Niet alleen op het niveau van de toepassing ervan op individueel niveau,
maar ook op het niveau van de regeling als zodanig.
Dit geldt te meer nu het gaat om een bestuursrechtelijke bevoegdheid, die zonder tussenkomst
vooraf van de rechter kan worden benut, en het de Minister zelf is die bepaalt welke
organisaties zijn aan te merken als een terroristische organisatie.9 Weliswaar is voorzien in de mogelijkheid van beroep en hoger beroep bij de bestuursrechter.
De toelichting benadrukt ook het belang van rechterlijke toetsing achteraf. Om deze
toetsing te kunnen effectueren voorziet de RWN in een ambtshalve toetsing van het
besluit wanneer daartegen niet tijdig beroep wordt ingesteld door de belanghebbende.
De Minister moet in dat geval ambtshalve de bestuursrechter van het intrekkingsbesluit
in kennis stellen.10 In bijstand door een advocaat wordt voorzien.
Deze van de reguliere rechtsbescherming in het bestuurs(proces)recht sterk afwijkende
procedure lijkt noodzakelijk om effectieve rechtsbescherming te kunnen bieden. Tegelijk
illustreert deze afwijkende route naar de bestuursrechter dat het hier gaat om een
verstrekkende bevoegdheid, die zich moeilijk verhoudt tot het normaal toepasselijke
bestuurs(proces)rechtelijke kader.
2.1. Motivering noodzaak in huidige wetsvoorstel
Met het wetsvoorstel beoogt de regering de bevoegdheid tot intrekking van het Nederlanderschap
permanent te maken, omdat deze bevoegdheid noodzakelijk is om de nationale veiligheid
te beschermen.
Zij wijst hiertoe in de eerste plaats op het meest recente dreigingsbeeld van de NCTV
uit december 2025. Daaruit blijkt dat het dreigingsniveau «substantieel» is (niveau
4 van 5), oftewel dat er een «reële kans» is dat een aanslag plaatsvindt.11 Weliswaar is het aantal uitreizigers naar terroristische groeperingen in het buitenland
op dit moment beperkt, maar het is wel toegenomen in vergelijking met de afgelopen
vijf jaar.12 Bovendien wordt binnen de jihadistische beweging vaker dan voorheen de wens uitgesproken
om uit te reizen, en kan de dreiging snel fluctueren. Het is volgens de regering daarom
niet uit te sluiten dat de intrekkingsbevoegdheid in de toekomst weer vaker zal moeten
worden benut.
De regering licht in het verlengde hiervan in de tweede plaats toe dat de intrekkingsbevoegdheid
onderdeel uitmaakt van een breed pakket aan interventiemogelijkheden en maatregelen
om terrorisme te bestrijden. Dit pakket vertaalt zich naar vier hoofddoelen of pijlers:
verwerven van informatie, voorkomen van aanslagen, voorbereiden op terroristisch geweld,
en vervolgen van daders. De bevoegdheid om het Nederlanderschap in te trekken valt
onder de pijler «voorkomen».13
Ten derde wijst de regering op de evaluatie van de intrekkingsbevoegdheid uit 2020.14 Het WODC concludeerde daarin dat het niet mogelijk is om vast te stellen in hoeveel
gevallen de intrekking van het Nederlanderschap heeft voorkomen dat een uitreiziger
terugkeerde naar Nederland. Tegelijkertijd stelde het WODC wel vast dat geen van de
personen van wie het Nederlanderschap is ingetrokken, op legale wijze is teruggekeerd.
Er waren geen aanwijzingen dat deze personen op illegale wijze zouden zijn teruggekeerd.
De regering acht dit, net als in 2020, een positieve conclusie. Daaruit kan worden
afgeleid dat het doel van de intrekkingsbevoegdheid, het voorkomen van terugkeer,
is bereikt, aldus de regering.15 Een nieuwe evaluatie door het WODC is niet uitgevoerd, omdat dit volgens het WODC
geen nieuwe resultaten zou kunnen opleveren ten opzichte van het onderzoek uit 2020.16
2.2. Beoordeling
De Afdeling merkt op dat de in de toelichting gegeven motivering van de noodzaak van
het permanent maken van de intrekkingsbevoegdheid niet toereikend is.
i. Dreigingsbeeld
Zij merkt allereerst op dat een stijging van het dreigingsniveau op zichzelf niet
motiveert waarom specifiek de intrekkingsbevoegdheid noodzakelijk is om de dreiging
te bestrijden. Zoals de Afdeling opmerkte in haar advies over de verlenging van de
intrekkingsbevoegdheid, is niet uit te sluiten dat intrekking van het Nederlanderschap
juist averechtse effecten heeft voor de nationale veiligheid. Zo is het lastiger om
inlichtingen te verzamelen over vreemdelingen dan over Nederlanders,17 en kunnen maatregelen om hen te deradicaliseren niet langer worden toegepast. Het
is daarnaast niet ondenkbaar dat personen die niet kunnen terugkeren naar Nederland,
minder snel geneigd zullen zijn zich uit een terroristische organisatie terug te trekken.18
Voor zover ervan kan worden uitgegaan dat de intrekkingsbevoegdheid een positief effect
heeft op de nationale veiligheid, rijst de vraag of met andere maatregelen, zoals
die uit het strafrecht, niet evenzeer effectieve resultaten kunnen worden behaald.
ii. Breed instrumentarium
Deze vraag rijst ook bij het tweede argument van de regering, namelijk dat de intrekkingsbevoegdheid
onderdeel uitmaakt van een breder instrumentarium en daarbinnen is gericht op de pijler
«voorkomen». Ook andere maatregelen zijn namelijk gericht op het voorkomen van terroristisch
geweld. Zo bevat het strafrechtelijk instrumentarium meerdere maatregelen die met
dit doel zijn ingevoerd.19
Een voorbeeld is de mogelijkheid iemand strafrechtelijk te vervolgen voor deelname
aan een terroristische organisatie. Wanneer dit leidt tot een veroordeling, biedt
dit een zelfstandige grondslag voor intrekking van het Nederlanderschap.20 Ook kan worden gedacht aan niet-strafrechtelijke maatregelen, bijvoorbeeld een aanpak
die is gericht op deradicalisering. De toelichting bij het wetsvoorstel gaat niet
in op de vraag waarom het desondanks ter voorkoming van terroristisch geweld noodzakelijk
is om de voorliggende intrekkingsbevoegdheid permanent te maken.
iii. Evaluatie
Wat, ten derde, de evaluatie uit 2020 betreft, merkt de Afdeling op dat daaruit geen
conclusies kunnen worden getrokken over het bestaan van een causaal verband tussen
de intrekking van het Nederlanderschap en de mate waarin uitreizigers terugkeren naar
Nederland. Dat dit verband volgens de regering niettemin bestaat, is dan ook een niet
door het onderzoek gevalideerde aanname.
Dat het geen zin heeft een nieuw WODC-onderzoek te laten verrichten naar de effecten
van de intrekkingsbevoegdheid in de praktijk, laat ten slotte onverlet dat de meerwaarde
van die bevoegdheid wel op andere manieren zou kunnen worden onderzocht. Te denken
valt aan een analyse van de concrete toepassing van de intrekkingsbevoegdheid, waarbij
specifiek wordt ingegaan op de vraag hoe die bevoegdheid zich verhoudt tot andere
maatregelen tegen terroristisch geweld.
Over het feitelijk gebruik van de intrekkingsbevoegdheid is in de toelichting bij
het wetsvoorstel het volgende vermeld. De bevoegdheid is in 25 gevallen gebruikt,
waarvan vooralsnog 16 intrekkingsbesluiten definitief in stand zijn gebleven.21 Ten tijde van de verlenging van de intrekkingsbevoegdheid bedroeg het aantal definitieve
intrekkingen nog 17.22 Per saldo is het aantal intrekkingen van het Nederlanderschap gedurende de periode
van verlenging dus met één gedaald.
De toelichting vermeldt in algemene zin welke redenen hieraan ten grondslag liggen.
Het heeft er volgens de regering mee te maken dat van betrokkenen niet kon worden
aangetoond dat zij op of na 11 maart 2017 waren aangesloten bij een terroristische
organisatie. Wat de toelichting evenwel niet vermeldt, is welke consequenties het
wegvallen van negen intrekkingsbesluiten heeft voor de nationale veiligheid. Met andere
woorden: uit de toelichting blijkt niet of de dreiging die van de desbetreffende personen
uitging, kon worden opgevangen met andere maatregelen.
Ook wordt niet toegelicht hoe het gebruik van de intrekkingsbevoegdheid in de praktijk
wordt ervaren. Zo geeft de toelichting niet aan welke afwegingen in de praktijk een
rol hebben gespeeld bij het al dan niet intrekken van het Nederlanderschap,23 en meer specifiek waarom andere maatregelen – in het bijzonder van strafrechtelijke
aard – in die gevallen geen, of juist wel, uitkomst boden. Een dergelijke toelichting
is wel wenselijk, opdat de toegevoegde waarde van een permanente intrekkingsbevoegdheid
op goed geïnformeerde basis kan worden beoordeeld.
De Afdeling merkt daarbij op dat het verbod op staatloosheid mogelijk veel uitreizigers
buiten de reikwijdte van de intrekkingsbevoegdheid doet vallen. Het ligt voor de hand
dat de regering voor de desbetreffende personen heeft voorzien in andere maatregelen
ter bescherming van de nationale veiligheid.
Verder merkt de Afdeling op dat de intrekkingsbevoegdheid geldt voor het gehele grondgebied
van het Koninkrijk, dus inclusief de landen Aruba, Curaçao en Sint Maarten. Zoals
ook opgemerkt ten tijde van de verlenging, verdient de toegevoegde waarde van de intrekkingsbevoegdheid
voor die landen een afzonderlijke motivering.24 De toelichting bij het huidige wetsvoorstel gaat daar evenwel niet op in.
De Afdeling merkt in meer algemene zin nog het volgende op. De intrekkingsbevoegdheid
wordt in de toelichting overwegend als een geïsoleerd instrument besproken. Een meer
overkoepelende beschouwing over de noodzaak en wenselijkheid van contraterrorismebevoegdheden,
inclusief een plaatsbepaling van het voorstel daarbinnen, ontbreekt echter. Zicht
op het bredere verband van álle maatregelen ter voorkoming van terrorisme wordt aldus
onvoldoende geboden.
In algemene zin moet worden voorkomen dat bestuursbevoegdheden geleidelijk aan, stap
voor stap, steeds verder worden uitgebreid, zonder dat er afdoende zicht blijft op
het totaalbeeld. In 2023 heeft het WODC een rapport over dit bredere verband gepubliceerd.25 De toelichting bij het wetsvoorstel gaat daar niet op in.
De Afdeling adviseert in het licht van al het voorgaande de noodzaak van permanentmaking
van de intrekkingsbevoegdheid alsnog dragend te motiveren, dan wel van deze permanentmaking
af te zien. Daarnaast adviseert de Afdeling in de toelichting te verduidelijken op
welke wijze de regering nader inzicht wil gaan bieden in de samenhang van de contraterrorismewetgeving.
Reactie op punt 2 van het advies
Sinds de inwerkintreding van artikel 14, vierde lid, RWN in 2017 en de verlenging
daarvan in 2022 is er een aanhoudende terroristische dreiging, die er naar het zich
laat aanzien altijd in meer of mindere mate zal zijn.26 Ook de dreiging die uitgaat van een persoon die zich in het buitenland heeft aangesloten
bij een terroristische organisatie en vervolgens wil terugkeren naar het Koninkrijk,
blijft potentieel groot. Het kan daarom, gelet op de noodzaak tot bescherming van
de nationale veiligheid en na een afweging in het individuele geval, bezwaarlijk zijn
om een terugkeer af te wachten. De intrekking van het Nederlanderschap en de gelijktijdige
ongewenstverklaring is de enige maatregel die legale terugkeer in die gevallen onmogelijk
maakt. Bovendien wordt ook illegale terugkeer ernstig bemoeilijkt.
Het met de intrekking nagestreefde doel, het voorkomen van legale terugkeer en het
bemoeilijken van illegale terugkeer, kan met andere maatregelen niet worden bereikt.
Dat geldt ook voor de door de Afdeling genoemde voorbeelden, zoals een intrekking
van het Nederlanderschap na een strafrechtelijke veroordeling wegens, onder meer,
een terroristisch misdrijf.27 In dat geval is de betrokkene immers al teruggekeerd, terwijl het in het belang van
de bescherming van de nationale veiligheid juist noodzakelijk kan zijn om die terugkeer
te voorkomen. De inzet van het strafrecht en een daaropvolgende intrekking van het
Nederlanderschap na een strafrechtelijke veroordeling nemen deze dreiging voor de
nationale veiligheid niet weg. De intrekking van het Nederlanderschap in het belang
van de nationale veiligheid is de enige maatregel die deze dreiging kan mitigeren.
Reeds daarin ligt de toegevoegde waarde van de maatregel.
Het blijft daarom van onverminderd belang om de bevoegdheid tot intrekking van het
Nederlanderschap te behouden. De Afdeling constateert in dat verband terecht dat de
maatregel tot intrekking van het Nederlanderschap niet op zichzelf staat. De maatregel
is onderdeel van een totaalpakket aan mogelijke maatregelen die in een individueel
geval kunnen worden genomen om de nationale veiligheid te beschermen.
Bij de afweging of in een individueel geval tot intrekking wordt overgegaan gaat het
erom welke maatregel het meest effectief is ter bescherming van de nationale veiligheid.
In elk individueel geval wordt daarom beoordeeld of de intrekking van het Nederlanderschap
opportuun is, mede in het licht van mogelijke alternatieve maatregelen.28 De door de Afdeling bedoelde afweging wordt in de praktijk dus gemaakt, in elk individueel
geval, aan de hand van de specifieke omstandigheden van de betreffende casus, en kan
ertoe leiden dat in het concrete geval van intrekking wordt afgezien.
Zoals is opgemerkt in de memorie van toelichting, is de maatregel ook toepasbaar op
Nederlanders die voor hun uitreis woonachtig waren in de landen Aruba, Curaçao of
Sint Maarten.29 Deze bevoegdheid tot intrekking van het Nederlanderschap strekt immers tot bescherming
van de nationale veiligheid van het gehele Koninkrijk. Overigens is het Nederlanderschap
een Koninkrijksaangelegenheid, zodat een beperking van de bevoegdheid tot Europees
Nederland ook daarom niet in de rede ligt.30
De Afdeling wijst op een aantal gevallen waarin het Nederlanderschap niet kon worden
ingetrokken. Op de door de Afdeling genoemde cases is in de memorie van toelichting
bij het voorstel van wet uit 2021 ingegaan.31 Omdat het in die gevallen niet mogelijk bleek het Nederlanderschap in te trekken,
is berust in terugkeer. Dat geldt ook voor gevallen waarin de intrekking van het Nederlanderschap
weliswaar noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, maar toch achterwege
moet blijven omdat daardoor staatloosheid zou intreden.32 Hoewel de regering niet kan ingaan op de afwegingen die in een individuele casus
worden gemaakt, worden in zijn algemeenheid in dergelijke gevallen noodgedwongen andere
maatregelen getroffen ter bescherming van de nationale veiligheid. Deze andere maatregelen
sorteren echter niet hetzelfde effect en resultaat als de onderhavige maatregel, namelijk
het voorkomen van legale terugkeer naar het Koninkrijk en het ernstig bemoeilijken
van illegale terugkeer.
Tot slot memoreert de Afdeling terecht dat het geheel aan bevoegdheden ter bestrijding
van terrorisme telkens in onderlinge samenhang moet worden bezien. De regering onderschrijft
dit, zoals ook is benoemd in de reactie van het toenmalige kabinet op het door de
Afdeling genoemde onderzoek van het WODC.33 De maatregel tot intrekking van het Nederlanderschap is een onmisbaar onderdeel van
een totaalpakket aan mogelijke maatregelen die kunnen worden genomen om de nationale
veiligheid te beschermen, mede omdat de intrekking van het Nederlanderschap de enige
maatregel is die legale terugkeer naar het Koninkrijk onmogelijk maakt. Om die reden
kan de maatregel niet worden gemist.
3. Horizonbepaling
Het parlement was bij de invoering van de intrekkingsbevoegdheid in 2017 en ook bij
de verlenging daarvan in 2022 niet overtuigd van de noodzaak om daaraan een permanent
karakter te geven. Het tijdelijke karakter van de bevoegdheid is het gevolg van amendering
door de Tweede Kamer. Het idee achter de horizonbepaling was dat de wenselijkheid
van de regeling na vijf, later tien jaar, zou moeten worden heroverwogen.34
Wanneer het niet mogelijk blijkt om de noodzaak van een permanente intrekkingsbevoegdheid
alsnog toereikend te motiveren, kan de regering er ook voor kiezen de intrekkingsbevoegdheid
door een horizonbepaling opnieuw met vijf jaar te verlengen. De regering zou gedurende
deze verlenging nader kunnen onderzoeken wat de toegevoegde waarde is van de intrekkingsbevoegdheid.
Daarbij kan nader inzicht worden geboden in de samenhang van contraterrorismewetgeving.
De Afdeling adviseert de optie van een horizonbepaling te betrekken in de te maken
afweging over het al dan niet voort laten leven van de intrekkingsbevoegdheid.
Reactie op punt 3 van het advies
De Afdeling memoreert terecht dat de aard van de onderhavige maatregel bij de totstandkoming
daarvan aanleiding vormde om te voorzien in een evaluatie van de wenselijkheid daarvan
na vijf jaar. Daarom is in 2017, en in 2022 opnieuw, gekozen voor een tijdelijke werkingsduur.
Zoals in de memorie van toelichting is opgemerkt, heeft de regering stilgestaan bij
de mogelijkheid om de bevoegdheid tot intrekking van het Nederlanderschap opnieuw,
en daarmee voor een derde keer, tijdelijk te verlengen. Alles afwegende is daar niet
voor gekozen.
Zoals hiervoor is toegelicht kan het, gelet op de noodzaak tot bescherming van de
nationale veiligheid, bezwaarlijk zijn om een terugkeer af te wachten. De terugkeer
van uitgereisde personen moet nu en in de toekomst blijvend kunnen worden voorkomen,
als dat in het individuele geval noodzakelijk is. Naar het oordeel van de regering
is de meerwaarde van deze maatregel duidelijk gebleken. De aanhoudende terroristische
dreiging die van uitreizigers uitgaat en het gegeven dat in geen van de gevallen waarin
het Nederlanderschap is ingetrokken sprake was van ongecontroleerde legale terugkeer,
en voor zover bekend ook geen illegale terugkeer heeft plaatsgevonden, acht de regering
daarvoor zwaarwegend.
Alleen door een permanentmaking wordt de intrekking van het Nederlanderschap een vast
onderdeel van het instrumentarium om terrorisme te bestrijden en om onze samenleving
veilig te houden. Op die manier blijft deze maatregel altijd inzetbaar op momenten
waarop onze nationale veiligheid daarom vraagt.
De Afdeling advisering van de Raad van State van het Koninkrijk heeft een aantal bezwaren
bij het voorstel van rijkswet en adviseert de regering om het voorstel van rijkswet
niet in te dienen bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal, de Staten van Aruba, die
van Curaçao en aan die van Sint Maarten, tenzij het is aangepast.
De Vice-President van de Raad van State van het Koninkrijk,
Th.C. de Graaf
Overige punten
Van de gelegenheid is gebruikgemaakt om de ondertekening van het wetsvoorstel aan
te passen aan de portefeuilleverdeling van het inmiddels aangetreden kabinet. Daarnaast
zijn in de memorie van toelichting de passages over het dreigingsbeeld geactualiseerd.
Ik verzoek U het hierbij gevoegde gewijzigde voorstel van rijkswet en de gewijzigde
memorie van toelichting aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal, de Staten van Aruba,
de Staten van Curaçao en de Staten van Sint Maarten te zenden.
De Minister van Justitie en Veiligheid,
D.M. van Weel
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
Th.C. de Graaf, vicepresident van de Raad van State -
Mede ondertekenaar
D.M. van Weel, minister van Justitie en Veiligheid
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.