Brief commissie : Brief van de tijdelijke commissie Grondrechten en Constitutionele toetsing over een advies over het Voorstel van wet van het lid Michon-Derkzen tot Wijziging van de Gemeentewet en de Wet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba in verband met de toevoeging van een bevoegdheid voor burgemeesters en gezaghebbers ter bevordering van de handhaving van de openbare orde met betrekking tot online oproepen (Wet online aangejaagde openbare-ordeverstoring)
36 789 Voorstel van wet van het lid Michon-Derkzen tot Wijziging van de Gemeentewet en de Wet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba in verband met de toevoeging van een bevoegdheid voor burgemeesters en gezaghebbers ter bevordering van de handhaving van de openbare orde met betrekking tot online oproepen (Wet online aangejaagde openbare-ordeverstoring)
Nr. 7
BRIEF VAN DE TIJDELIJKE COMMISSIE GRONDRECHTEN EN CONSTITUTIONELE TOETSING
Aan de Leden
Den Haag, 2 juli 2026
De tijdelijke commissie Grondrechten en constitutionele toetsing (hierna: de tijdelijke
commissie) heeft tijdens haar procedurevergadering van 4 juni 2026 besloten, gelet
op het dictum en het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State, een
adviestraject te starten voor het initiatiefvoorstel van het lid Michon-Derkzen voor
een Wet online aangejaagde openbare-ordeverstoring (36 789). De vaste commissie voor Justitie en Veiligheid is hierover geïnformeerd met een
brief van 4 juni 2026 (2026Z12009).
Inhoud wetsvoorstel
Het initiatiefwetsvoorstel introduceert een nieuwe bevoegdheid voor burgemeesters
om online berichten te laten verwijderen via een verwijderbevel. De burgemeester kan
een verwijderbevel opleggen wanneer een online bericht de openbare orde binnen de
eigen gemeentegrenzen ernstig verstoort, of wanneer er een ernstige vrees bestaat
dat het tot een dergelijke ernstige verstoring van de openbare orde zal komen. Wanneer
er geen gehoor wordt gegeven aan het verwijderbevel, kan de burgemeester een last
onder dwangsom opleggen.
De initiatiefnemer acht deze aanvullende wettelijke bevoegdheid voor burgemeesters
noodzakelijk omdat het steeds vaker voorkomt dat de openbare orde wordt verstoord
op basis van online berichten. Voorbeelden hiervan zijn «Project X» in Haren, de avondklokrellen
tijdens de coronapandemie of geweldsdelicten in de drillrapscene. Het handhaven van
de openbare orde is een wettelijke taak van burgemeesters, maar in de praktijk hebben
zij volgens de initiatiefnemer slechts beperkte mogelijkheden om effectief op te treden
tegen online uitingen waardoor de openbare orde kan worden verstoord. Zo liepen onder meer de
burgemeesters van Amsterdam en Utrecht tegen de grenzen van hun wettelijke bevoegdheden
aan toen zij poogden op te treden tegen online aangejaagde openbare-ordeverstoringen.1 Omdat verschillende burgemeesters aangeven dat er een behoefte bestaat aan een nieuw
bestuurlijk instrument, heeft de initiatiefnemer besloten dit initiatiefwetsvoorstel
aanhangig te maken.
Grondrechtelijke aspecten van het initiatiefwetsvoorstel
De tijdelijke commissie merkt op dat de voorgestelde bevoegdheid voor burgemeesters
om een verwijderbevel op te leggen raakt aan verschillende grondrechten. Zo raakt
het initiatiefwetsvoorstel ten eerste aan de vrijheid van meningsuiting, omdat het
verwijderbevel een inmenging betekent in de mogelijkheid van burgers om zich online
te uiten. De vrijheid van meningsuiting is opgenomen in artikel 7 van de Grondwet
en artikel 10 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Wanneer
in een online bericht wordt opgeroepen tot deelname aan een demonstratie, kan een
verwijderbevel ten tweede raken aan de vrijheid van demonstratie.2 Dit recht is opgenomen in artikel 9 van de Grondwet en artikel 11 van het EVRM. Omdat
er bij het opleggen van een verwijderbevel persoonsgegevens worden verwerkt, is ten
derde het recht op bescherming van persoonsgegevens van toepassing. Dit recht is opgenomen
in artikel 10 van de Grondwet en artikel 8 van het EVRM.
De effectiviteit en noodzaak van het verwijderbevel
Wanneer een maatregel raakt aan grondrechten, volgt uit het EVRM onder meer dat overtuigend
moet kunnen worden onderbouwd waarom die maatregel noodzakelijk is in een democratische
samenleving. De effectiviteit van een maatregel speelt hierin een rol: wanneer een
maatregel niet effectief is of hierover twijfel bestaat, kan dit van invloed zijn
op de mate waarin overtuigend kan worden onderbouwd dat die maatregel daadwerkelijk
noodzakelijk is. In dit verband geeft de Raad van State aan de zorgen van de initiatiefnemer
over online activiteiten die openbare-ordeverstoringen veroorzaken weliswaar te delen,
maar tegelijkertijd ernstige twijfels te hebben over de effectiviteit en de noodzaak
van het verwijderbevel. De Raad van State adviseert de initiatiefnemer daarom om dragend
te motiveren waarom de voorgestelde nieuwe bevoegdheid voor burgemeesters om een verwijderbevel
op te leggen noodzakelijk is en het initiatiefwetsvoorstel hier zo nodig op aan te
passen. Wanneer dit niet mogelijk is, adviseert de Raad van State om van het voorstel
af te zien.
De Raad van State noemt een aantal voorbeelden van knelpunten die de effectiviteit
van het verwijderbevel in de praktijk kunnen beïnvloeden. Zo kan een burgemeester
alleen een verwijderbevel opleggen wanneer de (mogelijke) openbare-ordeverstoring
zich binnen de eigen gemeentegrenzen voordoet. In de praktijk zal dit niet altijd
duidelijk zijn. Hierdoor kan het ofwel niet duidelijk zijn welke burgemeester bevoegd
is, ofwel zijn juist meerdere burgemeesters bevoegd. Ook wijst de Raad van State erop
dat berichten online snel kunnen worden gedeeld, al dan niet in iets gewijzigde vorm.
Bovendien vereist het op tijd ontdekken van een online bericht volgens de Raad van
State een sterke online informatiepositie, terwijl niet duidelijk is of bijvoorbeeld
de politie hiervoor voldoende is toegerust. Tot slot merkt de Raad van State op dat
het voorgestelde verwijderbevel alleen ziet op berichten die op het openbare internet
worden geplaatst. Dit roept volgens de Raad van State de vraag op in hoeverre oproepen
tot openbare-ordeverstoringen in de praktijk op het openbare internet worden gedaan,
of juist in besloten communicatiekanalen die buiten de reikwijdte van het initiatiefwetsvoorstel
vallen.
In reactie op het advies van de Raad van State geeft de initiatiefnemer aan dat het
verwijderbevel niet moet worden gezien als de enige effectieve maatregel die de burgemeester
tot diens beschikking heeft bij het handhaven van de openbare orde. Volgens de initiatiefnemer
is er ook niet één specifieke maatregel beschikbaar die alle problemen ten aanzien
van online aangejaagde openbare-ordeverstoringen oplost. Het initiatiefwetsvoorstel
beoogt dan ook niet om een alomvattende oplossing te bieden, maar moet worden gezien
als een aanvullend instrument in de gereedschapskist van burgemeesters om hun wettelijke
taken op het terrein van openbare orde goed te kunnen uitvoeren. Daarbij onderstreept
de initiatiefnemer dat het initiatiefwetsvoorstel een reactie is op de gerechtvaardigde
oproep van burgemeesters om te voorzien in een aanvullend wettelijk instrument.
De initiatiefnemer geeft bovendien aan dat er een aantal keuzes moest worden gemaakt
tussen de effectiviteit van het verwijderbevel enerzijds en een te grote inmenging
in grondrechten anderzijds. Zo zou het verbreden van het toepassingsbereik van het
initiatiefwetsvoorstel tot het niet-openbare internet wellicht de effectiviteit van
het verwijderbevel ten goede komen, maar zou dit ook leiden tot een meer indringende
inmenging in grondrechten. Ook heeft de initiatiefnemer er niet voor gekozen om een
bevelsbevoegdheid voor de burgemeester te creëren om een online bericht voor een bepaalde
periode verwijderd te houden, omdat dit op gespannen voet zou staan met het censuurverbod
dat is opgenomen in de Grondwet.
De tijdelijke commissie merkt op dat er in de Kamer verschillende keren aandacht is
gevraagd voor het handelingsperspectief van burgemeesters ingeval van online aangejaagde
openbare-ordeverstoringen. Zo hebben diverse Kamerleden – waaronder de initiatiefnemer3 – hier in verschillende commissiedebatten aandacht voor gevraagd.4 In de Kamer is ook aandacht besteed aan de effectiviteit en grondwettelijkheid van
een eventuele aanvullende wettelijke bevoegdheid voor burgemeesters. In dit kader
besloot de Minister van Justitie en Veiligheid in mei 2024 – na een onderzoek van
de Landsadvocaat5 – om niet te voorzien in een nieuwe wettelijke bevoegdheid voor burgemeesters, onder
meer vanwege twijfels over de effectiviteit van een dergelijke nieuwe bevoegdheid.6 Daarbij zette de Minister uiteen dat wanneer een maatregel niet effectief is, een
inbreuk op een grondrecht niet te rechtvaardigen is.7 Ook wees de Minister op het bestaan van andere strafrechtelijke, civielrechtelijke
en bestuursrechtelijke instrumenten om (online) openbare-ordeverstoringen aan te pakken.
De tijdelijke commissie onderstreept dat de discussie over de effectiviteit en daarmee
de noodzaak van een eventuele aanvullende wettelijke bevoegdheid voor burgemeesters
om op te treden tegen online aangejaagde openbare-ordeverstoringen vanuit constitutioneel
oogpunt fundamenteel van aard is. Omdat er over de (discussie over de) effectiviteit
al de nodige informatie beschikbaar is, gaat de tijdelijke commissie hier in dit advies
niet opnieuw inhoudelijk op in.8 Wel acht de tijdelijke commissie het van belang dat de beschikbare informatie wordt
meegenomen bij de behandeling van het initiatiefwetsvoorstel, in het bijzonder bij
het wegen van de noodzaak.
De tijdelijke commissie wijst erop dat er in de Kamer eerder aandacht is besteed aan
de vraag of een aanvullende bestuursrechtelijke bevoegdheid voor burgemeesters om
op te treden tegen online aangejaagde openbare-ordeverstoringen in de praktijk effectief
zal zijn. Omdat deze discussie raakt aan de onderbouwing van de noodzaak van deze
bevoegdheid – een vereiste dat voortvloeit uit het EVRM – adviseert de tijdelijke
commissie de leden om deze informatie9 mee te wegen bij de behandeling van het initiatiefwetsvoorstel.
De duidelijkheid en voorzienbaarheid van het verwijderbevel
Uit het EVRM en de Grondwet volgt dat een nieuwe wettelijke bevoegdheid voor burgemeesters
om een verwijderbevel op te leggen voldoende duidelijk en voorzienbaar moet zijn.
De achterliggende gedachte hiervan is dat het voor burgers in voldoende mate inzichtelijk
moet zijn wanneer zij een verwijderbevel opgelegd kunnen krijgen, zodat zij hierop
eventueel hun gedrag kunnen aanpassen.10 Uit de Grondwet volgt daarnaast dat een inmenging in de vrijheid van meningsuiting
vanwege de inhoud van een uiting alleen achteraf mag plaatsvinden, omdat er anders
sprake zou zijn van censuur. Ook moet er voor het opleggen van een verwijderbevel
een duidelijke en specifieke grondslag bestaan in een wet in formele zin. De bevoegdheid
om regels te stellen over een inmenging in de vrijheid van meningsuiting vanwege de
inhoud van een uiting mag volgens de Grondwet bovendien niet worden gedelegeerd aan
lagere regelgevers. Dit delegatieverbod heeft ook gevolgen voor de kwaliteitseisen
die aan de wettelijke grondslag voor het voorgestelde verwijderbevel worden gesteld:
het is de formele wetgever niet toegestaan om door het gebruik van vage formuleringen
in een wet het stellen van regels over een inmenging in grondrechten feitelijk alsnog
aan een lager orgaan, zoals de burgemeester, over te laten.11 Uit de wet zelf moet blijken hoever de grondrechtsbeperking gaat.
Met het oog op de eisen die het EVRM en de Grondwet stellen aan de voorzienbaarheid
en duidelijkheid, merkt de Raad van State op dat de voorgestelde bevoegdheid voor
burgemeesters om een verwijderbevel op te leggen in het initiatiefwetsvoorstel te
ruim is geformuleerd. Dit komt volgens de Raad van State omdat het begrip «openbare
orde» erg breed is, waardoor het voor burgers onvoldoende voorzienbaar is wanneer
er een verwijderbevel kan worden opgelegd. Zo moet hieronder volgens de memorie van
toelichting het «ordelijk verloop van het gemeenschapsleven ter plaatse worden verstaan»,
wat volgens de Raad van State te onbepaald is. Hierdoor wordt de invulling van het
begrip «openbare orde» in de praktijk in belangrijke mate overgelaten aan burgemeesters
en kunnen er verschillen ontstaan tussen gemeenten. Ook het feit dat een plaatser
van een bericht geen aanjagende intentie hoeft te hebben en onduidelijkheid over wat
het causale verband moet zijn tussen het online bericht en de (gevreesde) verstoring
van de openbare orde, maken volgens de Raad van State dat het lastig voorzienbaar
is wanneer er een verwijderbevel kan worden opgelegd.
In dit licht adviseert de Raad van State de initiatiefnemer om in het initiatiefwetsvoorstel
duidelijker af te bakenen wanneer er een verwijderbevel kan worden opgelegd. Zo zou
er volgens de Raad van State kunnen worden gedacht aan de mogelijkheid om een verwijderbevel
niet op te leggen bij vrees voor een «verstoring van de openbare orde» zoals de initiatiefnemer
voorstelt, maar in plaats daarvan te kiezen voor het nauwer afgebakende «(ernstige)
wanordelijkheden».12 Specifiek ten aanzien van de vrijheid van demonstratie merkt de Raad van State op
dat de initiatiefnemer nog beperkt aandacht besteedt aan de verhouding van het verwijderbevel
tot dit grondrecht. In dit kader wijst de Raad van State op Europese jurisprudentie,
waaruit criteria volgen waar burgemeesters rekening mee moeten houden wanneer een
verwijderbevel zowel raakt aan de vrijheid van meningsuiting als het demonstratierecht.13 In de memorie van toelichting wordt hieraan volgens de Raad van State nog te weinig
aandacht besteed.
In reactie op het advies van de Raad van State heeft de initiatiefnemer het initiatiefwetsvoorstel
en de toelichting aangepast, door niet meer te spreken van een «verstoring van de
openbare orde» maar van een «ernstige verstoring van de openbare orde» dan wel een ernstige vrees daarvoor. De bedoeling
hiervan is om de situaties waarin de burgemeester een verwijderbevel kan opleggen
nauwer af te bakenen, en inmengingen in de vrijheid van meningsuiting en het demonstratierecht
te beperken tot die gevallen waarin dat strikt noodzakelijk en proportioneel is. De
initiatiefnemer geeft aan hiermee aan te sluiten bij bestaande wettelijke begrippen
die weliswaar contextafhankelijk zijn, maar waarvan niet kan worden gezegd dat de
toepassing van deze begrippen onvoorzienbaar is voor burgers. Of er sprake is van
een ernstige verstoring van de openbare orde, is volgens de initiatiefnemer onvermijdelijk
casuïstisch van aard. Bij de weging van de ernst speelt volgens de initiatiefnemer
mee of er sprake is van een strafbaar feit, van de aard, duur en intensiteit van de
openbare-ordeverstoring en of er sprake is van substantiële schade of gevaar voor
de gezondheid en veiligheid van personen.
De initiatiefnemer geeft aan dat de lat te hoog zou komen te liggen wanneer wordt
gekozen voor de door de Raad van State geadviseerde formulering van «(ernstige) wanordelijkheden».
Zo wijst de initiatiefnemer erop dat dit begrip nu alleen wordt gebruikt voor de noodbevels-
en noodverordeningsbevoegdheid van de burgemeester. Daarbij merkt de initiatiefnemer
op dat het advies van de Raad van State bovendien niet geheel eenduidig is, omdat
er zowel wordt gesproken van «ernstige wanordelijkheden» als van «wanordelijkheden».
Ook wijst de initiatiefnemer erop dat de term «wanordelijkheden» afkomstig is uit
het demonstratierecht en niet wordt gebruikt in de Gemeentewet, in tegenstelling tot
de gekozen formulering. Het introduceren van nieuwe termen in de Gemeentewet – waarin
de bevoegdheid voor burgemeesters om een verwijderbevel op te leggen juist een plaats
zou moeten krijgen – acht de initiatiefnemer onwenselijk. Tot slot heeft de initiatiefnemer
de memorie van toelichting aangevuld met een passage over de vrijheid om te demonstreren,
waarin erop wordt gewezen dat de door de Raad van State aangehaalde Europese jurisprudentie
van toepassing is op het initiatiefwetsvoorstel.
De tijdelijke commissie merkt op dat de gekozen formulering bepalend is voor de gevallen
waarin de burgemeester wel of geen verwijderbevel kan opleggen. Hierdoor speelt dit
onderdeel van de wettekst een centrale rol in de weging van de duidelijkheid en voorzienbaarheid
van het verwijderbevel, zoals vereist is volgens de Grondwet en het EVRM. Met de gewijzigde
formulering «ernstige verstoring van de openbare orde» komt de initiatiefnemer gedeeltelijk tegemoet aan
het advies van de Raad van State, waarbij de initiatiefnemer opmerkt dat het door
de Raad van State voorgestelde criterium van «wanordelijkheden» te nauw wordt geacht.
In dit verband benadrukt de tijdelijke commissie dat het EVRM en de Grondwet de initiatiefnemer
de ruimte bieden om te kiezen voor een bepaalde formulering. Wel geldt daarbij dat
de gekozen formulering voldoende specifiek moet zijn en dat het voor burgers in voldoende
mate mogelijk moet zijn om op basis van de gekozen formulering te voorzien wanneer
zij een verwijderbevel opgelegd kunnen krijgen. Ook zal de gekozen afbakening van
situaties waarin een verwijderbevel kan worden opgelegd niet verder mogen gaan dan
wat noodzakelijk is in een democratische samenleving.
In dit licht signaleert de tijdelijke commissie dat het voor de weging van het initiatiefwetsvoorstel
– en in het bijzonder de voorzienbaarheid van de ondergrens van gevallen waarin volgens
de initiatiefnemer een verwijderbevel kan worden opgelegd – van toegevoegde waarde
zou zijn om meer inzicht te krijgen in de verschillen tussen de beide formuleringen.
Zo zou de ondergrens van situaties waarin er volgens de initiatiefnemer een verwijderbevel
moet kunnen worden opgelegd verder kunnen worden verduidelijkt door voorbeelden te
noemen van situaties die wel kwalificeren als een «ernstige verstoring van de openbare
orde», maar niet kwalificeren als «wanordelijkheden». Daarbij merkt de tijdelijke
commissie op dat uit de wetsgeschiedenis volgt dat er met «wanordelijkheden» inderdaad
een nauwer criterium wordt bedoeld dan het geval is bij «verstoringen van de openbare
orde».14 Zo moet er in de eerste plaats worden gedacht aan (dreigend) strafbaar gedrag, al
ontbreekt een wettelijke definitie van wanordelijkheden. De ernst van het delict –
misdrijf of overtreding – doet er daarbij in beginsel niet toe: ook relatief lichte
overtredingen kunnen wanordelijkheden opleveren.15 Ook kan de context tot op zekere hoogte van belang zijn bij het beantwoorden van
de vraag of er sprake is van wanordelijkheden.16
Ten aanzien van de vrijheid van demonstratie merkt de tijdelijke commissie tot slot
op dat de initiatiefnemer in de memorie van toelichting en het nader rapport weliswaar
kort stilstaat bij wat het EVRM hierover regelt, maar dat er nog niet wordt stilgestaan
bij wat de Grondwet hierover zegt. Zoals de initiatiefnemer aangeeft, is de term «wanordelijkheden»
in het Nederlandse demonstratierecht een bekend begrip. Zo speelt dit begrip een centrale
rol in de Wet op de openbare manifestaties (WOM) op basis waarvan de burgemeester
– onder voorwaarden – beperkingen mag stellen aan demonstraties, onder meer met oog
op het voorkomen en bestrijden van wanordelijkheden.
De tijdelijke commissie wijst erop dat de desbetreffende gedelegeerde bevoegdheden
in de WOM zijn gebaseerd op artikel 9, tweede lid van de Grondwet, op basis waarvan de formele wetgever bevoegdheden omtrent het
stellen van regels over inmengingen in het demonstratierecht alleen mag delegeren
aan lagere regelgevers met het oog op drie doeleinden: ter bescherming van de gezondheid,
in het belang van het verkeer of ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden.
De afgebakende bevoegdheden die de burgemeester op basis van de WOM heeft, mogen alleen
met het oog op die drie grondwettelijke doeleinden worden ingezet.17 Een kanttekening die hierbij kan worden geplaatst, is dat artikel 9, eerste lid van de Grondwet de wetgever de ruimte biedt om in een wet in formele zin óók
voor andere doeleinden beperkingen op het demonstratierecht mogelijk te maken, mits
er hierbij geen delegatie aan lagere regelgevers plaatsvindt.18 De tijdelijke commissie merkt op dat wanneer de (initiatief)wetgever hiervoor kiest,
een dergelijke wettelijke grondslag – naast de andere eisen die de Grondwet en het
EVRM hieraan stellen – voldoende duidelijk en voorzienbaar moet zijn om te voorkomen
dat de invulling hiervan feitelijk alsnog aan een lagere regelgever wordt overgelaten.
Met het oog op het wegen van de duidelijkheid en voorzienbaarheid van een mogelijke
inmenging in de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid om te demonstreren, adviseert
de tijdelijke commissie de leden om de initiatiefnemer te vragen te verduidelijken
onder welke omstandigheden de burgemeester een verwijderbevel kan opleggen. Daarbij
adviseert de tijdelijke commissie om de initiatiefnemer te vragen meer inzicht te
geven in de verschillen tussen situaties waarin sprake is van een «ernstige verstoring
van de openbare orde» en «wanordelijkheden», bijvoorbeeld door het geven van voorbeelden.
Ook adviseert de tijdelijke commissie de leden om de initiatiefnemer te vragen om
een nadere reflectie op de verhouding van het verwijderbevel tot het grondwettelijk
kader ten aanzien van de vrijheid om te demonstreren en de rol die het doel «bestrijding
of voorkoming van wanordelijkheden» daarin speelt.
De verwerking van persoonsgegevens voor het identificeren van personen
Om een verwijderbevel te kunnen opleggen, moet worden geïdentificeerd wie een bericht
heeft geplaatst. Informatie hierover kan door gemeenteambtenaren of de politie worden
doorgegeven aan de burgemeester. Volgens de huidige regels mogen gemeenten en de politie
enige mate van onderzoek verrichten in publiek toegankelijke (online) bronnen.19 Dit onderzoek moet beperkt blijven tot een «niet meer dan beperkte inbreuk» in de
bescherming van de persoonlijke levenssfeer.20 Wanneer er méér onderzoek nodig is, geldt dat hiervoor een meer specifieke wettelijke
grondslag nodig is omdat er persoonsgegevens worden verwerkt. Een dergelijke wettelijke
grondslag bestaat op dit moment (nog) niet in het kader van de openbare-ordetaak en
het initiatiefwetsvoorstel voorziet hierin evenmin. In dit licht wijst de Raad van
State erop dat er veel situaties denkbaar zijn waarin de identiteit van een persoon
niet direct duidelijk is, bijvoorbeeld omdat online berichten anoniem worden geplaatst.
Het identificeren van een persoon vergt dan nader onderzoek, terwijl de grondslag
voor de verwerking van persoonsgegevens voor dergelijk onderzoek naar persoonsgegevens
in het kader van de openbare-ordetaak volgens de Raad van State momenteel niet evident
is. De Raad van State merkt op dat hier in het initiatiefwetsvoorstel en de toelichting
niet op wordt ingegaan, en adviseert om dit alsnog te doen.
In reactie op het advies van de Raad van State merkt de initiatiefnemer in algemene
zin op dat het initiatiefwetsvoorstel niets verandert aan het bestaande wettelijke
kader om informatie te vergaren. In het nader rapport en de memorie van toelichting
staat de initiatiefnemer dan ook niet verder stil bij de eventuele verwerking van
persoonsgegevens bij de uitvoering van het initiatiefwetsvoorstel. Wel besteedt de
initiatiefnemer in de memorie van toelichting kort aandacht aan het concept-regeringsvoorstel
voor een Wet gegevensvergaring openbare orde. In dit regeringsvoorstel – dat momenteel
ter advisering is voorgelegd aan de Raad van State21 – worden ruimere bevoegdheden voor de politie voorgesteld voor de verwerking van
persoonsgegevens ter bescherming van de openbare orde. De inzet van deze bevoegdheid
loopt via de burgemeester, die hiervoor toestemming van de rechter-commissaris dient
te vragen. De initiatiefnemer merkt op dat dit regeringsvoorstel zal worden beoordeeld
op het moment dat het naar de Tweede Kamer wordt gestuurd.
De tijdelijke commissie signaleert dat het niet ondenkbaar is dat online berichten
in de praktijk anoniem of onder een pseudoniem worden geplaatst. Dat betekent dat
er enige mate van onderzoek nodig kan zijn om de identiteit van deze personen vast
te stellen, voordat een verwijderbevel kan worden opgelegd. In dit verband wijst de
tijdelijke commissie erop dat de grens van een «niet meer dan beperkte inbreuk» in
de praktijk mogelijk snel wordt bereikt.22 De reden hiervoor is dat in publiek toegankelijke online bronnen niet alleen gegevens
van feitelijke aard zijn te vinden, maar ook gegevens die gaan over gedrag, gevoelens,
meningen, voorkeuren en sociale contacten. Die gegevens zijn vaak dusdanig met elkaar
verknoopt dat deze niet altijd van elkaar te scheiden zijn.23 Hierdoor kan er – zelfs wanneer dit niet het doel is – relatief snel een min of meer
compleet beeld van iemands privéleven ontstaan, waarmee de grens van een «niet meer
dan beperkte inbreuk» wordt bereikt en mogelijk overschreden.24
In dit licht acht de tijdelijke commissie het behulpzaam om meer duidelijkheid te
krijgen over de vraag in hoeverre situaties waarin een online bericht is geplaatst
door een persoon waarvan de identiteit niet direct duidelijk is, volgens de initiatiefnemer
binnen de reikwijdte van het initiatiefwetsvoorstel vallen. Mocht de initiatiefnemer
beogen dat het ook in die situaties mogelijk moet zijn om een verwijderbevel op te
leggen, dan acht de tijdelijke commissie het van toegevoegde waarde om een reflectie
te ontvangen van de initiatiefnemer in hoeverre er voor deze situaties een aanvullende
wettelijke grondslag nodig is voor de verwerking van persoonsgegevens voor het onderzoeken
van de identiteit van anonieme plaatsers van een online bericht. Hierbij zou de initiatiefnemer
eventueel ook kunnen ingaan op de verhouding van het initiatiefwetsvoorstel tot het
concept-regeringswetsvoorstel voor een Wet gegevensvergaring openbare orde.
De tijdelijke commissie adviseert de leden om de initiatiefnemer te vragen om te verduidelijken
in hoeverre de situatie waarin een online bericht is geplaatst door een persoon waarvan
de identiteit niet direct duidelijk is en er (enig) onderzoek nodig is om de identiteit
van deze persoon vast te stellen, binnen de reikwijdte van het initiatiefwetsvoorstel
valt.
Wanneer deze situatie binnen de reikwijdte van het initiatiefwetsvoorstel valt, adviseert
de tijdelijke commissie de leden om de initiatiefnemer te vragen om een reflectie
op de vraag in hoeverre er een (aanvullende) wettelijke grondslag nodig is voor de
verwerking van persoonsgegevens ter identificatie van deze personen.
De hiervoor genoemde punten kunnen betrokken worden bij de verdere behandeling van
het wetsvoorstel.
De voorzitter van de tijdelijke commissie Grondrechten en Constitutionele toetsing, Bushoff
De griffier van de tijdelijke commissie Grondrechten en Constitutionele toetsing, Kling
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
T.J. Bushoff, voorzitter van de tijdelijke commissie Grondrechten en constitutionele toetsing -
Mede ondertekenaar
Y.C. Kling, griffier