Voorstel van wet : Voorstel van wet
36 981 Wijziging van de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra, de Wet voortgezet onderwijs 2020, de Wet primair onderwijs BES en de Wet medezeggenschap op scholen in verband met de invoering van de mogelijkheid voor het funderend onderwijs bijzondere verplichtingen te verbinden aan aanvullende bekostiging bij bijzondere ontwikkelingen (gerichte bekostiging)
ARTIKEL I. WIJZIGING WET OP HET PRIMAIR ONDERWIJS
ARTIKEL II. WIJZIGING WET OP DE EXPERTISECENTRA
ARTIKEL III. WIJZIGING WET VOORTGEZET ONDERWIJS 2020
ARTIKEL IV. WIJZIGING WET PRIMAIR ONDERWIJS BES
ARTIKEL V. WIJZIGING WET MEDEZEGGENSCHAP OP SCHOLEN
ARTIKEL VI. INWERKINGTREDING
Nr. 2
VOORSTEL VAN WET
Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is mogelijk te maken dat
aan de aanvullende bekostiging voor het primair, voortgezet en speciaal onderwijs
bijzondere verplichtingen kunnen worden verbonden;
Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen
overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden
en verstaan bij deze:
ARTIKEL I. WIJZIGING WET OP HET PRIMAIR ONDERWIJS
A
In artikel 119, tweede lid, wordt «kunnen regels worden gesteld» vervangen door «worden
regels gesteld».
B
Na artikel 119 wordt een artikel ingevoegd, luidende:
Artikel 119a. Gerichte bekostiging
1. In dit artikel wordt onder «gerichte bekostiging» verstaan: aanvullende bekostiging,
verstrekt met toepassing van het tweede lid.
2. Aan het recht op aanvullende bekostiging bij bijzondere ontwikkelingen als bedoeld
in artikel 119, kunnen gedurende een periode van ten hoogste vijf jaren bijzondere
verplichtingen worden verbonden. Bijzondere verplichtingen zijn niet van toepassing
voor zover een bevoegd gezag aan Onze Minister per school of vestiging heeft aangegeven
geen gebruik te maken van het recht op de in de eerste volzin bedoelde aanvullende
bekostiging. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur of bij ministeriële regeling
kunnen regels worden gesteld over de termijn waarbinnen en de wijze waarop een bevoegd
gezag dit kan aangeven.
3. Gerichte bekostiging wordt slechts verstrekt met het oog op:
a. het bevorderen van noodzakelijke en duurzame verbetering van de kwaliteit, toegankelijkheid
of doelmatigheid van het onderwijs, uitsluitend voor zover het betreft:
1°. kennis, inzicht en vaardigheden op het gebied van taal, rekenen of wiskunde, burgerschap
en digitale geletterdheid;
2°. gelijke kansen van leerlingen;
3°. de bekwaamheid en beschikbaarheid van personeel; en
4°. bij algemene maatregel van bestuur te regelen onderwerpen; of
b. spoedeisende gevallen waarbij sprake is van een dringend maatschappelijk belang.
4. Gerichte bekostiging wordt in afwijking van artikel 119, tweede lid, geregeld:
a. bij of krachtens algemene maatregel van bestuur indien de gerichte bekostiging wordt
verstrekt met het oog op de doelstelling, bedoeld in het derde lid, onderdeel a, waarbij
de bijzondere verplichtingen, bedoeld in het tweede lid, worden geregeld bij algemene
maatregel van bestuur voor zover het niet gaat om administratieve verplichtingen of
verplichtingen in het kader van de verantwoording;
b. bij ministeriële regeling indien de gerichte bekostiging wordt verstrekt met het oog
op de doelstelling, bedoeld in het derde lid, onderdeel b.
5. De in het tweede lid bedoelde bijzondere verplichtingen kunnen slechts betrekking
hebben op:
a. de besteding van de gerichte bekostiging, waaronder het doel en de termijn van besteding;
b. te verrichten activiteiten; of
c. de verstrekking van informatie aan Onze Minister en de wijze waarop de informatie
wordt verstrekt.
6. In geval van een bestedingsverplichting als bedoeld in het vijfde lid, onderdeel
a, kan in de algemene maatregel van bestuur of de regeling die voorziet in gerichte
bekostiging binnen de algemene bestemmingsdoelen van bekostiging, bedoeld in artikel
115, en in afwijking van het derde lid van dat artikel, een specifieke bestemming
worden verbonden aan de aanwending van de gerichte bekostiging door het bevoegd gezag.
7. De bijzondere verplichtingen, bedoeld in het tweede lid, hebben geen betrekking op:
a. de keuze van te hanteren leermethoden en leermiddelen; en
b. de te behalen leerresultaten.
8. De periode van ten hoogste vijf jaren, bedoeld in het tweede lid, kan bij algemene
maatregel van bestuur eenmalig worden verlengd voor ten hoogste vijf jaren en uitsluitend
voor zover gerichte bekostiging wordt verstrekt bij of krachtens een algemene maatregel
van bestuur. De voordracht voor een algemene maatregel van bestuur tot verlenging
van de termijn wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide
Kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
9. In afwijking van artikel 119, derde lid, worden de in dat lid bedoelde regels over
de mogelijkheid een bekostigingsplafond in te stellen en de verdeling gesteld bij
of krachtens algemene maatregel van bestuur of bij ministeriële regeling.
10. Overeenkomstig artikel 3, tweede lid, onderdeel a, van de Wet overige OCW-subsidies
kan subsidie worden verstrekt voor een onderwerp dat betrekking heeft op een doel
als bedoeld in het derde lid, onderdeel a, onder 1°, 2° of 3°, indien:
a. met het oog op dat doel geen gerichte bekostiging wordt verstrekt op grond van een
algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het vierde lid, onderdeel a; of
b. met het oog op die subsidieverstrekking is voorzien in een subsidieplafond dat niet
hoger is dan € 15 miljoen en de subsidieverstrekking plaatsvindt gedurende ten hoogste
3 jaar.
C
In de artikelen 122, vijfde lid, en 124, zevende lid, wordt «De artikelen 115, 119
en 120» vervangen door «De artikelen 115, 119, 119a en 120».
D
Aan artikel 165, eerste lid, wordt onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel
c door een komma een onderdeel toegevoegd, luidende:
d. een verantwoording met betrekking tot het voldoen aan de verplichtingen, bedoeld in
artikel 119a, tweede lid, en artikel 120, tweede lid, onderdeel b, met betrekking
tot de aanvullende bekostiging in het voorafgaande kalenderjaar voor zover dit bij
of krachtens algemene maatregel van bestuur, bij ministeriële regeling of in het besluit
tot verstrekking van de aanvullende bekostiging is bepaald.
E
Artikel 169 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid wordt na «bestedingen» ingevoegd «, naar de naleving van de verplichtingen,
bedoeld in artikel 119a, tweede lid, en artikel 120, tweede lid, onderdeel b,».
2. Het tweede lid komt te luiden:
2. Indien uit een op grond van het eerste lid ingesteld onderzoek blijkt dat de bekostiging
voor een school onjuist is vastgesteld of indien blijkt dat verplichtingen als bedoeld
in artikel 119a, tweede lid, of artikel 120, tweede lid, onderdeel b, niet of onvoldoende
zijn nagekomen, kan Onze Minister correcties aanbrengen op de bekostiging. Bij of
krachtens algemene maatregel van bestuur of bij ministeriële regeling kunnen regels
worden gesteld over de wijze van corrigeren met betrekking tot het niet of onvoldoende
nakomen van deze verplichtingen.
F
Na artikel 214c wordt een artikel toegevoegd, luidende:
Artikel 214d. Uitfasering lopende subsidies op het terrein van gerichte bekostiging
Gedurende een periode van vijf jaren na de datum van inwerkingtreding van artikel
119a kan subsidie worden verstrekt overeenkomstig artikel 3, tweede lid, onderdeel
a, van de Wet overige OCW-subsidies voor een onderwerp, waarvoor op grond van artikel
119a, derde lid, onderdeel a, gerichte bekostiging wordt verstrekt indien het wettelijk
voorschrift op grond waarvan de subsidie wordt verstrekt in werking is getreden voor
de datum van inwerkingtreding van artikel 119a.
ARTIKEL II. WIJZIGING WET OP DE EXPERTISECENTRA
De Wet op de expertisecentra wordt als volgt gewijzigd:
A
In artikel 117, tweede lid, wordt «kunnen regels worden gesteld» vervangen door «worden
regels gesteld».
B
Na artikel 117 wordt een artikel ingevoegd, luidende:
Artikel 117a. Gerichte bekostiging
1. In dit artikel wordt onder «gerichte bekostiging» verstaan: aanvullende bekostiging,
verstrekt met toepassing van het tweede lid.
2. Aan het recht op aanvullende bekostiging bij bijzondere ontwikkelingen als bedoeld
in artikel 117, kunnen gedurende een periode van ten hoogste vijf jaren bijzondere
verplichtingen worden verbonden. Bijzondere verplichtingen zijn niet van toepassing
voor zover een bevoegd gezag aan Onze Minister per school of vestiging heeft aangegeven
geen gebruik te maken van het recht op de in de eerste volzin bedoelde aanvullende
bekostiging. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur of bij ministeriële regeling
kunnen regels worden gesteld over de termijn waarbinnen en de wijze waarop een bevoegd
gezag dit kan aangeven.
3. Gerichte bekostiging wordt slechts verstrekt met het oog op:
a. het bevorderen van noodzakelijke en duurzame verbetering van de kwaliteit, toegankelijkheid
of doelmatigheid van het onderwijs, uitsluitend voor zover het betreft:
1°. kennis, inzicht en vaardigheden op het gebied van taal, rekenen of wiskunde, burgerschap
en digitale geletterdheid;
2°. gelijke kansen van leerlingen;
3°. de bekwaamheid en beschikbaarheid van personeel; en
4°. bij algemene maatregel van bestuur te regelen onderwerpen; of
b. spoedeisende gevallen waarbij sprake is van een dringend maatschappelijk belang.
4. Gerichte bekostiging wordt in afwijking van artikel 117, tweede lid, geregeld:
a. bij of krachtens algemene maatregel van bestuur indien de gerichte bekostiging wordt
verstrekt met het oog op de doelstelling, bedoeld in het derde lid, onderdeel a, waarbij
de bijzondere verplichtingen, bedoeld in het tweede lid, worden geregeld bij algemene
maatregel van bestuur voor zover het niet gaat om administratieve verplichtingen of
verplichtingen in het kader van de verantwoording;
b. bij ministeriële regeling indien de gerichte bekostiging wordt verstrekt met het oog
op de doelstelling, bedoeld in het derde lid, onderdeel b.
5. De in het tweede lid bedoelde bijzondere verplichtingen kunnen slechts betrekking
hebben op:
a. de besteding van de gerichte bekostiging, waaronder het doel en de termijn van besteding;
b. te verrichten activiteiten; of
c. de verstrekking van informatie aan Onze Minister en de wijze waarop de informatie
wordt verstrekt.
6. In geval van een bestedingsverplichting als bedoeld in het vijfde lid, onderdeel
a, kan in de algemene maatregel van bestuur of de regeling die voorziet in gerichte
bekostiging binnen de algemene bestemmingsdoelen van bekostiging, bedoeld in artikel
113, en in afwijking van het derde lid van dat artikel, een specifieke bestemming
worden verbonden aan de aanwending van de gerichte bekostiging door het bevoegd gezag.
7. De bijzondere verplichtingen, bedoeld in het tweede lid, hebben geen betrekking op:
a. de te hanteren leermethoden en leermiddelen; en
b. de te behalen leerresultaten.
8. De periode van ten hoogste vijf jaren, bedoeld in het tweede lid, kan bij algemene
maatregel van bestuur eenmalig worden verlengd voor ten hoogste vijf jaren en uitsluitend
voor zover gerichte bekostiging wordt verstrekt bij of krachtens een algemene maatregel
van bestuur. De voordracht voor een algemene maatregel van bestuur tot verlenging
van de termijn wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide
kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
9. In afwijking van artikel 117, derde lid, worden de in dat lid bedoelde regels over
de mogelijkheid een bekostigingsplafond in te stellen en de verdeling gesteld bij
of krachtens algemene maatregel van bestuur of bij ministeriële regeling.
10. Overeenkomstig artikel 3, tweede lid, onderdeel a, van de Wet overige OCW-subsidies
kan subsidie worden verstrekt voor een onderwerp dat betrekking heeft op een doel
als bedoeld in het derde lid, onderdeel a, onder 1°, 2° of 3°, indien:
a. met het oog op dat doel geen gerichte bekostiging wordt verstrekt op grond van een
algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het vierde lid, onderdeel a; of
b. met het oog op die subsidieverstrekking is voorzien in een subsidieplafond dat niet
hoger is dan € 15 miljoen en de subsidieverstrekking plaatsvindt gedurende ten hoogste
3 jaar.
C
Aan artikel 141, eerste lid, wordt onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel
c door een komma een onderdeel toegevoegd, luidende:
d. een verantwoording met betrekking tot het voldoen aan de verplichtingen, bedoeld in
artikel 117a, tweede lid, en artikel 118, tweede lid, onderdeel b, met betrekking
tot de aanvullende bekostiging in het voorafgaande kalenderjaar voor zover dit bij
of krachtens algemene maatregel van bestuur, bij ministeriële regeling of in het besluit
tot verstrekking van de aanvullende bekostiging is bepaald.
D
Artikel 145 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid wordt na «bestedingen» ingevoegd «, naar de naleving van de verplichtingen,
bedoeld in artikel 117a, tweede lid, en artikel 118, tweede lid,».
2. Het tweede lid komt te luiden:
2. Indien uit een op grond van het eerste lid ingesteld onderzoek blijkt dat de bekostiging
voor een school onjuist is vastgesteld of indien blijkt dat verplichtingen als bedoeld
in artikel 117a, tweede lid, of artikel 118, tweede lid, onderdeel b, niet of onvoldoende
zijn nagekomen, kan Onze Minister correcties aanbrengen op de bekostiging. Bij of
krachtens algemene maatregel van bestuur of bij ministeriële regeling kunnen regels
worden gesteld over de wijze van corrigeren met betrekking tot het niet of onvoldoende
nakomen van deze verplichtingen.
E
Na artikel 188b wordt een artikel toegevoegd, luidende:
Artikel 188c. Uitfasering lopende subsidies op het terrein van gerichte bekostiging
Gedurende een periode van vijf jaren na de datum van inwerkingtreding van artikel
117a kan subsidie worden verstrekt overeenkomstig artikel 3, tweede lid, onderdeel
a, van de Wet overige OCW-subsidies voor een onderwerp, waarvoor op grond van artikel
117a, derde lid, onderdeel a, gerichte bekostiging wordt verstrekt indien het wettelijk
voorschrift op grond waarvan de subsidie wordt verstrekt in werking is getreden voor
de datum van inwerkingtreding van artikel 117a.
ARTIKEL III. WIJZIGING WET VOORTGEZET ONDERWIJS 2020
A
Na artikel 5.9 wordt een artikel ingevoegd, luidende:
Artikel 5.9a. Gerichte bekostiging
1. In dit artikel wordt onder «gerichte bekostiging» verstaan: aanvullende bekostiging,
verstrekt met toepassing van het tweede lid.
2. Aan het recht op aanvullende bekostiging bij bijzondere ontwikkelingen als bedoeld
in artikel 5.9, kunnen gedurende een periode van ten hoogste vijf jaren bijzondere
verplichtingen worden verbonden. Bijzondere verplichtingen zijn niet van toepassing
voor zover een bevoegd gezag aan Onze Minister per school of vestiging heeft aangegeven
geen gebruik te maken van het recht op de in de eerste volzin bedoelde aanvullende
bekostiging. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur of bij ministeriële regeling
kunnen regels worden gesteld over de termijn waarbinnen en de wijze waarop een bevoegd
gezag dit kan aangeven.
3. Gerichte bekostiging wordt slechts verstrekt met het oog op:
a. het bevorderen van noodzakelijke en duurzame verbetering van de kwaliteit, toegankelijkheid
of doelmatigheid van het onderwijs, uitsluitend voor zover het betreft:
1°. kennis, inzicht en vaardigheden op het gebied van taal, rekenen of wiskunde, burgerschap
en digitale geletterdheid;
2°. gelijke kansen van leerlingen;
3°. de bekwaamheid en beschikbaarheid van personeel; en
4°. bij algemene maatregel van bestuur te regelen onderwerpen; of
b. spoedeisende gevallen waarbij sprake is van een dringend maatschappelijk belang.
4. Gerichte bekostiging wordt in afwijking van artikel 5.9, eerste lid, geregeld:
a. bij of krachtens algemene maatregel van bestuur indien de gerichte bekostiging wordt
verstrekt met het oog op de doelstelling, bedoeld in het derde lid, onderdeel a, waarbij
de bijzondere verplichtingen, bedoeld in het tweede lid, worden geregeld bij algemene
maatregel van bestuur voor zover het niet gaat om administratieve verplichtingen of
verplichtingen in het kader van de verantwoording;
b. bij ministeriële regeling indien de gerichte bekostiging wordt verstrekt met het oog
op de doelstelling, bedoeld in het derde lid, onderdeel b.
5. De in het tweede lid bedoelde bijzondere verplichtingen kunnen slechts betrekking
hebben op:
a. de besteding van de gerichte bekostiging, waaronder het doel en de termijn van besteding;
b. te verrichten activiteiten; of
c. de verstrekking van informatie aan Onze Minister en de wijze waarop de informatie
wordt verstrekt.
6. De bijzondere verplichtingen, bedoeld in het tweede lid, hebben geen betrekking op:
a. de te hanteren leermethoden en leermiddelen; en
b. de te behalen leerresultaten.
7. De periode van ten hoogste vijf jaren, bedoeld in het tweede lid, kan bij algemene
maatregel van bestuur eenmalig worden verlengd voor ten hoogste vijf jaren en uitsluitend
voor zover gerichte bekostiging wordt verstrekt bij of krachtens een algemene maatregel
van bestuur. De voordracht voor een algemene maatregel van bestuur tot verlenging
van de termijn wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide
kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
9. In afwijking van artikel 5.9, tweede lid, worden de in dat lid bedoelde regels over
de mogelijkheid een bekostigingsplafond in te stellen en de verdeling gesteld bij
of krachtens algemene maatregel van bestuur of bij ministeriële regeling.
10. Overeenkomstig artikel 3, tweede lid, onderdeel a, van de Wet overige OCW-subsidies
kan subsidie worden verstrekt voor een onderwerp dat betrekking heeft op een doel
als bedoeld in het derde lid, onderdeel a, onder 1°, 2° of 3°, indien:
a. met het oog op dat doel geen gerichte bekostiging wordt verstrekt op grond van een
algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het vierde lid, onderdeel a; of
b. met het oog op die subsidieverstrekking is voorzien in een subsidieplafond dat niet
hoger is dan € 15 miljoen en de subsidieverstrekking plaatsvindt gedurende ten hoogste
3 jaar.
B
In artikel 5.15, zevende lid, wordt «De artikelen 5.9 en 5.10» vervangen door «De
artikelen 5.9, 5.9a en 5.10».
C
Artikel 5.39 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid wordt «tweede tot en met zesde lid» vervangen door «tweede tot
en met zevende lid».
2. Onder vernummering van het zevende lid tot het achtste lid wordt een lid ingevoegd,
luidende:
7. In geval van een bestedingsverplichting als bedoeld in artikel 5.9a, vijfde lid,
onderdeel a, kan in de algemene maatregel van bestuur of de regeling die voorziet
in gerichte bekostiging binnen de algemene bestemmingsdoelen van bekostiging, bedoeld
in artikel 5.4, en in afwijking van het derde lid, een specifieke bestemming worden
verbonden aan de besteding van de gerichte bekostiging door het bevoegd gezag.
D
Artikel 5.40 wordt als volgt gewijzigd:
1. De bestaande tekst van het artikel wordt aangeduid als het eerste lid.
2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:
2. Artikel 5.39, zevende lid, is van overeenkomstige toepassing op een samenwerkingsverband.
E
Artikel 5.46, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:
1. Aan het slot van onderdeel b vervalt «en».
2. De punt aan het slot van onderdeel c wordt vervangen door «; en»
3. Er wordt een onderdeel toegevoegd, luidende:
d. een verantwoording met betrekking tot het voldoen aan de verplichtingen, bedoeld in
artikel 5.9a, tweede lid, en artikel 5.10, tweede lid, onderdeel b, met betrekking
tot de aanvullende bekostiging in het voorafgaande kalenderjaar voor zover dit bij
of krachtens algemene maatregel van bestuur, bij ministeriële regeling of in het besluit
tot verstrekking van de aanvullende bekostiging is bepaald.
F
Artikel 5.49 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid wordt na «bestedingen» ingevoegd «, naar de naleving van de verplichtingen,
bedoeld in artikel 5.9a, tweede lid, en artikel 5.10, tweede lid, onderdeel b,».
2. Het tweede lid komt te luiden:
2. Indien uit een op grond van het eerste lid ingesteld onderzoek blijkt dat de bekostiging
voor een school onjuist is vastgesteld of indien blijkt dat verplichtingen als bedoeld
in artikel 5.9a, tweede lid, of artikel 5.10, tweede lid, onderdeel b, niet of onvoldoende
in acht zijn genomen, kan Onze Minister correcties aanbrengen op de bekostiging. Bij
of krachtens algemene maatregel van bestuur of bij ministeriële regeling kunnen regels
worden gesteld over de wijze van corrigeren met betrekking tot het niet of onvoldoende
nakomen van deze verplichtingen.
G
Na artikel 12.47 wordt een paragraaf toegevoegd, luidende:
Paragraaf 18. Overgangsrecht Wet van … tot wijziging van de Wet op het primair onderwijs,
de Wet op de expertisecentra, de Wet voortgezet onderwijs 2020, de Wet primair onderwijs
BES in verband met de invoering van de mogelijkheid voor het funderend onderwijs bijzondere
verplichtingen te verbinden aan aanvullende bekostiging bij bijzondere ontwikkelingen
Artikel 12.48. Uitfasering lopende subsidies op het terrein van gerichte bekostiging
Gedurende een periode van vijf jaren na de datum van inwerkingtreding van artikel
5.9a kan subsidie worden verstrekt overeenkomstig artikel 3, tweede lid, onderdeel
a, van de Wet overige OCW-subsidies voor een onderwerp, waarvoor op grond van artikel
5.9a, derde lid, onderdeel a, gerichte bekostiging wordt verstrekt indien het wettelijk
voorschrift op grond waarvan de subsidie wordt verstrekt in werking is getreden voor
de datum van inwerkingtreding van artikel 5.9a.
ARTIKEL IV. WIJZIGING WET PRIMAIR ONDERWIJS BES
De Wet primair onderwijs BES wordt als volgt gewijzigd:
A
In artikel 103, tweede lid, wordt «kunnen regels worden gesteld» vervangen door «worden
regels gesteld».
B
Na artikel 103 wordt een artikel ingevoegd, luidende:
Artikel 103a. Gerichte bekostiging
1. In dit artikel wordt onder «gerichte bekostiging» verstaan: aanvullende bekostiging,
verstrekt met toepassing van het tweede lid.
2. Aan het recht op aanvullende bekostiging bij bijzondere ontwikkelingen als bedoeld
in artikel 103, kunnen gedurende een periode van ten hoogste vijf jaren bijzondere
verplichtingen worden verbonden. Bijzondere verplichtingen zijn niet van toepassing
voor zover een bevoegd gezag aan Onze Minister per school of vestiging heeft aangegeven
geen gebruik te maken van het recht op de in de eerste volzin bedoelde aanvullende
bekostiging. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur of bij ministeriële regeling
kunnen regels worden gesteld over de termijn waarbinnen en de wijze waarop een bevoegd
gezag dit kan aangeven.
3. Gerichte bekostiging wordt slechts verstrekt met het oog op:
a. het bevorderen van noodzakelijke en duurzame verbetering van de kwaliteit, toegankelijkheid
of doelmatigheid van het onderwijs, uitsluitend voor zover het betreft:
1°. kennis, inzicht en vaardigheden op het gebied van taal, rekenen of wiskunde, burgerschap
en digitale geletterdheid;
2°. gelijke kansen van leerlingen;
3°. de bekwaamheid en beschikbaarheid van personeel; en
4°. bij algemene maatregel van bestuur te regelen onderwerpen; of
b. spoedeisende gevallen waarbij sprake is van een dringend maatschappelijk belang.
4. Gerichte bekostiging wordt in afwijking van artikel 103, tweede lid, geregeld:
a. bij of krachtens algemene maatregel van bestuur indien de gerichte bekostiging wordt
verstrekt met het oog op de doelstelling, bedoeld in het derde lid, onderdeel a, waarbij
de bijzondere verplichtingen, bedoeld in het tweede lid, worden geregeld bij algemene
maatregel van bestuur voor zover het niet gaat om administratieve verplichtingen of
verplichtingen in het kader van de verantwoording;
b. bij ministeriële regeling indien de gerichte bekostiging wordt verstrekt met het oog
op de doelstelling, bedoeld in het derde lid, onderdeel b.
5. De in het tweede lid bedoelde bijzondere verplichtingen kunnen slechts betrekking
hebben op:
a. de besteding van de gerichte bekostiging, waaronder het doel en de termijn van besteding;
b. te verrichten activiteiten; of
c. de verstrekking van informatie aan Onze Minister en de wijze waarop de informatie
wordt verstrekt.
6. In geval van een bestedingsverplichting als bedoeld in het vijfde lid, onderdeel
a, kan in algemene maatregel van bestuur of de regeling die voorziet in gerichte bekostiging
binnen de algemene bestemmingsdoelen van bekostiging, bedoeld in artikel 99, en in
afwijking van het derde lid van dat artikel, een specifieke bestemming worden verbonden
aan de aanwending van de gerichte bekostiging door het bevoegd gezag.
7. De bijzondere verplichtingen, bedoeld in het tweede lid, hebben geen betrekking op:
a. de te hanteren leermethoden en leermiddelen; en
b. de te behalen leerresultaten.
8. De periode van ten hoogste vijf jaren, bedoeld in het tweede lid, kan bij algemene
maatregel van bestuur eenmalig worden verlengd voor ten hoogste vijf jaren en uitsluitend
voor zover gerichte bekostiging wordt verstrekt bij of krachtens een algemene maatregel
van bestuur. De voordracht voor een algemene maatregel van bestuur tot verlenging
van de termijn wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide
kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
9. In afwijking van artikel 103, derde lid, worden de in dat lid bedoelde regels over
de mogelijkheid een bekostigingsplafond in te stellen en de verdeling gesteld bij
of krachtens algemene maatregel van bestuur of bij ministeriële regeling.
10. Overeenkomstig artikel 3, tweede lid, onderdeel a, van de Wet overige OCW-subsidies
kan subsidie worden verstrekt voor een onderwerp dat betrekking heeft op een doel
als bedoeld in het derde lid, onderdeel a, onder 1°, 2° of 3°, indien:
a. met het oog op dat doel geen gerichte bekostiging wordt verstrekt op grond van een
algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het vierde lid, onderdeel a; of
b. met het oog op die subsidieverstrekking is voorzien in een subsidieplafond dat niet
hoger is dan € 15 miljoen en de subsidieverstrekking plaatsvindt gedurende ten hoogste
3 jaar.
C
Aan artikel 125, eerste lid, wordt onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel
c door een komma een onderdeel toegevoegd, luidende:
d. een verantwoording met betrekking tot het voldoen aan de verplichtingen, bedoeld in
artikel 103a, tweede lid, en artikel 104, tweede lid, onderdeel b, met betrekking
tot de aanvullende bekostiging in het voorafgaande kalenderjaar voor zover dit bij
of krachtens algemene maatregel van bestuur, bij ministeriële regeling of in het besluit
tot verstrekking van de aanvullende bekostiging is bepaald.
D
Artikel 129 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid wordt na «bestedingen» ingevoegd «, naar de naleving van de verplichtingen,
bedoeld in artikel 103a, tweede lid, en artikel 104, tweede lid, onderdeel b,».
2. Het tweede lid komt te luiden:
2. Indien uit een op grond van het eerste lid ingesteld onderzoek blijkt dat de bekostiging
voor een school onjuist is vastgesteld of indien blijkt dat verplichtingen als bedoeld
in artikel 103a, tweede lid, of artikel 104, tweede lid, onderdeel b, niet of onvoldoende
zijn nagekomen, kan Onze Minister correcties aanbrengen op de bekostiging. Bij of
krachtens algemene maatregel van bestuur of bij ministeriële regeling kunnen regels
worden gesteld over de wijze van corrigeren met betrekking tot het niet of onvoldoende
nakomen van deze verplichtingen.
E
Na artikel 164b wordt een artikel toegevoegd, luidende:
Artikel 164c. Uitfasering lopende subsidies op het terrein van gerichte bekostiging
Gedurende een periode van vijf jaren na de datum van inwerkingtreding van artikel
103a kan subsidie worden verstrekt overeenkomstig artikel 3, tweede lid, onderdeel
a, van de Wet overige OCW-subsidies voor een onderwerp, waarvoor op grond van artikel
103a, derde lid, onderdeel a, gerichte bekostiging wordt verstrekt indien het wettelijk
voorschrift op grond waarvan de subsidie wordt verstrekt in werking is getreden voor
de datum van inwerkingtreding van artikel 103a.
ARTIKEL V. WIJZIGING WET MEDEZEGGENSCHAP OP SCHOLEN
Aan artikel 11, eerste lid, van de Wet medezeggenschap op scholen wordt onder verwijdering
van «en» aan het slot van onderdeel q en onder vervanging van de punt aan het slot
van onderdeel r door een puntkomma een onderdeel toegevoegd, luidende:
s. het voldoen aan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur of bij ministeriële
regeling gestelde verplichtingen als bedoeld in artikel 119a, tweede lid, van de Wet
op het primair onderwijs, artikel 117a, tweede lid, van de Wet op de expertisecentra
of artikel 5.9a, tweede lid, van de Wet voortgezet onderwijs 2020, voor zover daarin
wordt voorzien in het vragen van advies van de medezeggenschapsraad en het bevoegd
gezag gebruik maakt van het recht op de in die artikelen bedoelde aanvullende bekostiging.
ARTIKEL VI. INWERKINGTREDING
Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries,
autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering
de hand zullen houden.
Gegeven
De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.