Inbreng verslag schriftelijk overleg : Inbreng verslag van een schriftelijk overleg inzake de geannoteerde Agenda informele Raad voor Concurrentievermogen 9 en 10 juli 2026 (Kamerstuk 21501-30-706)
2026D34270 INBRENG VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
De vaste commissie voor Economische Zaken heeft een aantal vragen en opmerkingen aan
de Minister van Economische Zaken over de Geannoteerde Agenda informele Raad voor
Concurrentievermogen 9 en 10 juli 2026 (Kamerstuk 21 501-30, nr. 706).
De voorzitter van de commissie,
Van Eijk
De griffier van de commissie,
Reinders
Inhoudsopgave
I
Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de PRO-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie
II
Antwoord/Reactie van de Minister
I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
Financieringskloof
De leden van de D66-fractie lezen dat het kabinet zich blijft inzetten voor de verdieping
van de Europese kapitaalmarktunie en pleit voor opschalingsfinanciering, onder meer
via blended finance. Deze leden delen deze inzet. De financieringskloof is een van
de grootste remmen op ons verdienvermogen. Tegelijk constateren zij dat de kapitaalmarktunie
al jaren wordt bepleit zonder dat het tempo navenant is, en dat het financieringsinstrumentarium,
nationaal én Europees, sterk versnipperd is. Zij hebben hierover een aantal vragen.
Welke concrete en afdwingbare stappen zal de Minister in de Raad bepleiten om de kapitaalmarktunie,
inclusief de spaar- en investeringsunie, daadwerkelijk te realiseren, en is zij bereid
zich in te zetten voor een heldere deadline? Hoe voorkomt de Minister dat de vele
nationale en Europese financieringsinstrumenten het landschap verder versnipperen,
en hoe borgt zij dat zij samen genoeg schaal bieden om scale-ups met een grote kapitaalbehoefte
in Nederland te houden?
Verduurzaming industrie
De leden van de D66-fractie lezen dat het kabinet verduurzaming en concurrentievermogen
hand in hand ziet gaan. Deze leden onderschrijven dit, maar leggen de nadruk anders:
verduurzaming is niet primair een kostenpost die de industrie moet overleven, maar
de motor van toekomstig verdienvermogen en de snelste route naar minder afhankelijkheid
van fossiele import. Zij constateren dat netcongestie en de trage uitrol van hernieuwbare
energie de verduurzaming van de industrie juist afremmen – in de regionale industrie
kan een groot deel van de verduurzamingsplannen niet tijdig doorgaan. Zij hebben hierover
een aantal vragen. Hoe zet de Minister zich in de Raad in voor een versnelde uitrol
van hernieuwbare energie, elektrificatie en netinfrastructuur, zodat verduurzaming
de Europese industrie vooruithelpt in plaats van dat de transitie op de rem blijft
staan? Deelt de Minister de opvatting dat het concurrerend houden van de industrie
geen argument mag zijn om het verduurzamingsraamwerk af te zwakken, en is zij bereid
te bepleiten dat publieke steun aan de energie-intensieve industrie gekoppeld wordt
aan concrete verduurzamingsstappen?
Interne markt
De leden van de D66-fractie lezen dat Nederland zich in zal zetten voor concrete acties
die de interne marktwerking bevorderen en daarnaast de eigen verantwoordelijkheid
van lidstaten zal bepleiten. Dit zijn belangrijke stappen, de interne markt is immers
het fundament van de Europese Unie, maar toch liggen er vaak nog forse handelsbarrières.
Nederland is een van de lidstaten die vooroploopt op dit vlak. Zo haalde in een recent
artikel de Europese Centrale Bank Nederland nog aan als maatstaf voor een land met
lage frictie. De leden van de D66-fractie zijn positief over het feit dat Nederland
deze unieke positie inzet om een aanjagersrol op zich te nemen. Zij hebben hierover
een aantal vragen. Welke concrete acties zal de Minister voorstellen in de Raad om
de interne marktwerking te bevorderen? Op welke wijze verwacht de Minister te realiseren
dat lidstaten die meer frictie op de interne markt creëren verantwoordelijkheid zullen
nemen? Welke voorstellen zal zij doen die een sterker verantwoordelijkheidsgevoel
voor lidstaten zullen stimuleren? Is de Minister bereid om hierbij aantoonbaar succesvolle
maatregelen uit de interne-marktactieagenda uit te wisselen met andere lidstaten?
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van de geannoteerde agenda voor de
Raad voor Concurrentievermogen van 9 en 10 juli 2026. Deze leden hebben hierover nog
vragen en opmerkingen.
De leden van de VVD-fractie lezen dat het kabinet tijdens het agendapunt «financieringskloof
voor opschaling in Europa» wil pleiten voor aanpassing van de definitie van ondernemingen
in moeilijkheden. Deze leden steunen dit voornemen. Tijdens de afgelopen Raad voor
Concurrentievermogen zou de Europese Commissie al hebben aangegeven de definitie te
willen aanpassen. Waar wil het kabinet tijdens de aankomende Raad precies op inzetten?
En wanneer verwacht het kabinet resultaten van de Europese Commissie?
Tijdens het schriftelijk overleg voor de laatste Raad voor Concurrentievermogen is
in reactie op vragen van de leden van de VVD-fractie toegezegd een overzicht met de
Kamer te delen van EU-regels die inmiddels zijn afgeschaft, zodra de verantwoordelijk
Eurocommissaris dit, zoals beloofd aan de Raad, met de Raad heeft gedeeld. Is dit
overzicht inmiddels met de Raad gedeeld? Zo ja, kan dit dan met de Kamer worden gedeeld,
zoals toegezegd? Zo nee, is het kabinet bereid de Eurocommissaris te herinneren aan
deze belofte? Hoe verloopt de uitvoering van de motie-Becker (Kamerstuk 36 866, nr. 5) over het smeden van een kopgroep in Europa voor het verminderen van de regeldruk?
Vragen en opmerkingen van de leden van de PRO-fractie
De leden van de PRO-fractie hebben kennisgenomen van de geannoteerde agenda voor de
informele Raad voor Concurrentievermogen van 9 en 10 juli 2026. Zij hebben hierover
nog enkele vragen.
De leden van de PRO-fractie maken zich zorgen over de wijze waarop de Europese Commissie
via de zogenoemde omnibusvoorstellen in hoog tempo bestaande wetgeving herziet of
schrapt die vaak dient ter bescherming van het milieu, de gezondheid en de positie
van werknemers. Zij wijzen in dat verband op de recente signalering van de Sociaal-Economische
Raad (SER), waarin wordt gewaarschuwd dat de opeenstapeling van omnibusvoorstellen
en andere versnelde herzieningen van bestaande Europese regelgeving ten koste dreigt
te gaan van de zorgvuldigheid, voorspelbaarheid en kwaliteit van Europese wetgeving.
Volgens de SER dreigen fundamentele beginselen van betere regelgeving, zoals gedegen
impactanalyses, uitvoerbare wetgeving, voldoende consultatie en rechtszekerheid, steeds
vaker ondergeschikt te raken aan de wens om regelgeving snel aan te passen. Dat leidt
volgens de SER niet alleen tot onzekerheid bij bedrijven en andere maatschappelijke
partijen, maar ondermijnt ook het vertrouwen in de Europese rechtsorde. Hoe beoordeelt
de Minister deze analyse van de SER? Kan de Minister een reactie geven op de SER-brief
van 25 juni? Deelt de Minister de opvatting dat voorspelbare en stabiele regelgeving
juist een belangrijke vestigingsfactor is voor bedrijven en daarmee onderdeel vormt
van een sterk Europees concurrentievermogen?
De leden van de PRO-fractie vragen of de Minister bereid is zich er in Brussel voor
in te zetten dat ook toekomstige omnibusvoorstellen volledig worden getoetst aan de
uitgangspunten van Better Regulation, waaronder een volwaardige impactanalyse, een
zorgvuldige consultatie van stakeholders en een gedegen beoordeling van de gevolgen
voor investeringszekerheid en uitvoerbaarheid? Kan de Minister daarnaast aangeven
hoe wordt voorkomen dat bedrijven die reeds hebben geïnvesteerd in de naleving van
Europese regelgeving, door tussentijdse ingrijpende wijzigingen op achterstand worden
gezet ten opzichte van ondernemingen die dergelijke investeringen hebben uitgesteld?
Deelt de Minister de opvatting dat dit een ongewenst signaal afgeeft aan ondernemingen
die juist tijdig hebben gehandeld?
De leden van de PRO-fractie lezen dat tijdens de Raad zal worden gesproken over de
weerbaarheid en het concurrentievermogen van de Europese industrie. Tegen deze achtergrond
vragen zij hoe de Minister aankijkt tegen de oproep van de Duitse bondskanselier Merz
om de Europese Unie assertiever te laten optreden ten aanzien van China. De Europese
Commissie heeft aangekondigd de dialoog met China te willen intensiveren. Welke concrete
doelstellingen ziet de Minister voor deze dialoog? Waar liggen volgens de Minister
de mogelijkheden om de economische positie van Europa tegenover China daadwerkelijk
te versterken?
De leden van de PRO-fractie zouden verder graag een bredere reflectie van de Minister
ontvangen op wat inmiddels is gaan heten de China Shock 2.0, waarbij omvangrijke Chinese overcapaciteit – mede als gevolg van staatssteun en
een zwakke binnenlandse vraag – haar weg vindt naar de Europese markt. Deze leden
maken zich zorgen over de gevolgen hiervan voor de Europese industrie, in het bijzonder
voor energie-intensieve sectoren zoals de chemie, maar ook voor andere strategische
industrieën die cruciaal zijn voor de groene en digitale transitie. Hoe beoordeelt
de Minister de risico’s van een China Shock 2.0 voor de Nederlandse en Europese economie?
Beschikt de Minister over een analyse van de sectoren die hiervoor het meest kwetsbaar
zijn? Welke lessen trekt de Minister uit de eerdere China Shock voor het huidige Europese
industriebeleid?
De leden van de PRO-fractie vragen voorts welke aanvullende maatregelen de Minister
noodzakelijk acht om te voorkomen dat Europese bedrijven worden weggeconcurreerd door
structureel gesubsidieerde of onder de kostprijs aangeboden Chinese producten. Is
de Minister van mening dat de huidige Europese handelsdefensieve instrumenten hiervoor
toereikend zijn, of ziet de Minister aanleiding om deze verder te versterken? Welke
rol ziet de Minister daarbij voor een meer proactieve inzet van de Europese Commissie,
bijvoorbeeld door eerder gebruik te maken van anti-dumping- en anti-subsidie-instrumenten
of door strategische sectoren beter te beschermen tegen marktverstoringen? Ziet de
Minister daarnaast aanleiding om de Europese instrumenten voor screening van inkomende
buitenlandse investeringen (FDI), de coördinatie van uitgaande investeringen en de
aanpak van economische dwang verder te versterken? Welke concrete voorstellen zal
de Minister daarvoor in Europees verband steunen? En hoe wil de Minister ervoor zorgen
dat de Europese Unie meer met één stem spreekt en een sterkere vuist kan maken tegenover
China? Erkent de Minister dat daarvoor ook meer Europese coördinatie op het gebied
van handel, industriebeleid en economische veiligheid noodzakelijk is?
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
De leden van de CDA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de geannoteerde
agenda voor de Raad voor Concurrentievermogen van 9 en 10 juli. Zij wensen Ierland
veel succes met het komende voorzitterschap van de Raad van de Europese Unie en spreken
de hoop uit dat in de komende periode belangrijke stappen kunnen worden gezet op het
gebied van de verdere verdieping van de interne markt en de verdere integratie van
de Europese kapitaalmarkt. Deze leden hebben naar aanleiding van de agenda nog enkele
vragen.
Financieringskloof Opschaling Europa
De leden van de CDA-fractie juichen het toe dat tijdens de Raad wordt gesproken over
de financieringskloof voor opschaling van innovatieve ondernemingen in Europa. Zij
ondersteunen de inzet van het kabinet om deze kloof te verkleinen. Deze leden zijn
van mening dat verdere integratie van de Europese kapitaalmarkt hierbij een belangrijke
randvoorwaarde is. Nederland heeft zich samen met de E6-landen nadrukkelijk ingezet
om deze discussie te versnellen en de leden van de CDA-fractie waarderen deze voortrekkersrol.
De leden van de CDA-Fractie vragen in hoeverre het kabinet het realistisch acht dat
tijdens het Ierse voorzitterschap stevige voortgang of zelfs een akkoord kan worden
bereikt op onderdelen van de agenda voor verdere kapitaalmarktintegratie. Op welke
dossiers verwacht het kabinet de grootste stappen? Daarnaast vragen deze leden welke
lidstaten Nederland actief probeert te betrekken bij een kopgroep die verdere integratie
van de kapitaalmarkt wil versnellen.
De leden van de CDA-fractie waarderen de inzet van het kabinet om herhaaldelijk aandacht
te vragen voor de definitie van Ondernemingen in Moeilijkheden (OiM). Deze leden zijn
verheugd dat de Europese Commissie voornemens is deze definitie aan te passen. Wel
vragen deze leden naar het concrete tijdpad. Wanneer verwacht het kabinet dat de aangepaste
definitie daadwerkelijk in werking zal treden?
Daarnaast vragen de leden van de CDA-Fractie welke mogelijkheden het kabinet ziet
om in de tussenliggende periode start-ups en scale-ups beter te ondersteunen en begeleiden
zodat ze niet ten onrechte als OiM worden aangemerkt?
De leden van de CDA-fractie merken op dat alleen het wegnemen van de financieringskloof
en aanpassingen OiM definitie nog niet voldoende is om Europese start-ups en scale-ups
succesvol te laten doorgroeien. Ook uiteenlopende nationale regels vormen nog altijd
een belangrijke belemmering voor grensoverschrijdend ondernemen. Wordt in Europees
verband gewerkt aan een bredere inventarisatie van deze knelpunten? Zo ja, welke rol
speelt Nederland daarbij? Ziet het kabinet mogelijkheden om ook regelgeving op terreinen
als accountingregels, ondernemingsrecht en andere administratieve verplichtingen verder
te harmoniseren?
De leden van de CDA Fractie vragen welke rol het kabinet daarbij ziet voor het aangekondigde
28e regime. Op welke onderdelen verwacht het kabinet dat dit regime daadwerkelijk
een verschil kan maken voor Europese start-ups en scale-ups?
Verduurzaming Industrie
De leden van de CDA-fractie vragen het kabinet een inschatting te geven van de voortgang
van de onderhandelingen over de Industrial Accelerator Act. In welke fase bevinden
de onderhandelingen zich en hoe realistisch acht het kabinet het dat op afzienbare
termijn overeenstemming wordt bereikt?
De leden van de CDA-fractie vragen voorts wat de inzet van het kabinet is bij de verdere
onderhandelingen. Op welke onderdelen zet Nederland in om tot een akkoord te komen
en welke concrete knelpunten of verschillen van inzicht tussen de lidstaten voorziet
het kabinet? Verwacht het kabinet dat deze knelpunten tijdens het Ierse voorzitterschap
kunnen worden opgelost en verwacht het kabinet dat de beoogde deadline van eind 2026
haalbaar is?
Interne Markt
De leden van de CDA-fractie zien grote waarde in het verder harmoniseren van de interne
markt om handelsbelemmeringen weg te nemen, de productiviteit te verhogen en het concurrentievermogen
van Europa te versterken. Zij verwelkomen daarom de routekaart «Een Europa, één markt». Deze leden onderschrijven het belang van duidelijke doelstellingen, concrete acties
en periodieke evaluaties om de voortgang te bewaken. Tegelijkertijd merken zij op
dat de daadwerkelijke voortgang uiteindelijk afhankelijk is van de inzet van de individuele
lidstaten.
De leden van de CDA-fractie vragen hoe de Minister aankijkt tegen de voortgang van
de uitvoering van de routekaart. Indien de voortgang achterblijft, ziet het kabinet
dan mogelijkheden om, naar analogie van de samenwerking binnen de E6 op het terrein
van de kapitaalmarktunie, met een kopgroep van lidstaten verdere integratie te versnellen?
Zo ja, op welke onderdelen van de interne markt acht het kabinet een dergelijke aanpak
het meest kansrijk? Ziet het kabinet daarbij bijvoorbeeld mogelijkheden om met een
kopgroep voortgang te boeken op het 28e regime of de Industrial Accelerator Act, of
acht het kabinet andere dossiers hiervoor meer geschikt?
Uitbreiding technologiegebieden wet Vifo
De leden van de CDA-fractie begrijpen en steunen de keuze van het kabinet om, gelet
op de nationale veiligheidsbelangen, vooruitlopend op de implementatie van de herziene
Europese screeningsverordening aanvullende technologiegebieden onder de Wet Vifo te
brengen. Tegelijkertijd achten deze leden het van belang dat de Europese aanpak van
investeringsscreening niet onnodig uiteen gaat lopen. Kan het kabinet aangeven welke
inzet het kabinet pleegt om ook andere lidstaten ertoe te bewegen deze aanvullende
technologiegebieden onderdeel te maken van hun nationale screeningsmechanismen? Welke
mogelijkheden ziet het kabinet om hierover binnen de Raad afspraken te maken, zodat
zowel de economische veiligheid als een gelijk speelveld op de interne markt worden
versterkt? Met welke lidstaten verwacht het kabinet hierbij het meest succesvol te
kunnen optrekken?
Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie
De leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van de geannoteerde agenda voor de
informele Raad voor Concurrentievermogen van 9 en 10 juli 2026. Deze leden onderschrijven
het belang van een sterke Europese interne markt en een concurrerende industrie, maar
benadrukken dat nieuwe Europese plannen merkbaar moeten bijdragen aan lagere lasten,
betaalbare energie, investeringen en groeikansen voor Nederlandse ondernemers. Zij
hebben hierover nog enkele vragen.
De leden van de BBB-fractie lezen dat tijdens de Raad wordt gesproken over de financieringskloof
voor Europese scale-ups en dat Nederland inzet op blended finance, Invest-NL, institutioneel
kapitaal en Europese fondsen. Kan de Minister aangeven welk concreet financieringsprobleem
met ieder van deze instrumenten wordt opgelost en hoe wordt voorkomen dat publieke
regelingen elkaar overlappen of vooral financiering vervangen die ook uit de markt
had kunnen komen? Hoe wordt daarbij geborgd dat ook Nederlandse mkb-bedrijven en scale-ups
buiten de bekende technologische regio’s toegang krijgen tot groeikapitaal? Kan de
Minister daarnaast aangeven wanneer de Europese Commissie de aangekondigde aanpassing
van de definitie van een onderneming in moeilijkheden presenteert en welke oplossing
voor Nederland minimaal noodzakelijk is?
De leden van de BBB-fractie lezen dat het kabinet verduurzaming en concurrentievermogen
hand in hand wil laten gaan. Deze leden merken op dat de Nederlandse industrie juist
zwaar wordt geraakt door hoge energieprijzen, netcongestie, trage vergunningverlening
en verschillen in steunmogelijkheden tussen lidstaten. Welke concrete inzet heeft
Nederland tijdens deze Raad om de energieprijsverschillen binnen Europa te verkleinen
en een gelijk speelveld te beschermen? Kan de Minister bevestigen dat Nederland bij
de Industrial Accelerator Act zal inzetten op technologieneutraliteit, uitvoerbare
regels en voldoende ruimte voor bestaande energie-intensieve industrie, en zich zal
verzetten tegen aanvullende verplichtingen zolang cruciale randvoorwaarden zoals netcapaciteit
en betaalbare energie niet op orde zijn?
De leden van de BBB-fractie lezen tot slot dat de Europese instellingen via de routekaart
One Europe, One Market snel politieke akkoorden willen bereiken over een groot aantal nieuwe voorstellen,
terwijl tegelijkertijd wordt gesproken over vereenvoudiging en vermindering van regeldruk.
Hoe voorkomt het kabinet dat deze snelheid ten koste gaat van zorgvuldige effectbeoordelingen,
uitvoerbaarheid en betrokkenheid van ondernemers? Deelt de Minister de zorgen van
de SER over de kwaliteit van het Europese wetgevingsproces? Kan zij toezeggen dat
Nederland alleen instemt met nieuwe interne-marktwetgeving wanneer aantoonbaar is
dat deze bestaande belemmeringen en administratieve lasten vermindert, en niet leidt
tot een nieuwe laag Europese regels voor het mkb?
II Antwoord/Reactie van de Minister
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
W.P.J. van Eijk, voorzitter van de vaste commissie voor Economische Zaken -
Mede ondertekenaar
R.D. Reinders, griffier
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.