Voorstel van wet : Voorstel van wet
36 978 Wijziging van de Arbeidsomstandighedenwet in verband met het scheppen van een wettelijke grondslag voor de subsidiëring van samenwerkingsverbanden voor kennisactiviteiten ter voorkoming of beperking van beroepsziekten, voor structurele tegemoetkomingsregelingen voor personen die lijden aan een beroepsziekte en de subsidiëring van het Steunpunt RI&E
ARTIKEL I
ARTIKEL II
Nr. 2
VOORSTEL VAN WET
Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau,
enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is te komen tot een wettelijke
grondslag voor de subsidiëring van samenwerkingsverbanden voor kennisactiviteiten
ter voorkoming of beperking van beroepsziekten, voor structurele tegemoetkomingsregelingen
voor personen die lijden aan een beroepsziekte en voor de subsidiëring van het Steunpunt
RI&E;
Zo is het dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen
overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden
en verstaan bij deze:
ARTIKEL I
De Arbeidsomstandighedenwet wordt als volgt gewijzigd:
A
Aan artikel 1 wordt een lid toegevoegd, luidende:
3. Voor de toepassing van artikel 9, 9a en 9b en de daarop rustende bepalingen wordt
onder beroepsziekte verstaan: een ziekte of aandoening als gevolg van een belasting
die in overwegende mate in arbeid of arbeidsomstandigheden heeft plaatsgevonden.
B
Aan artikel 5 worden twee leden toegevoegd luidende:
7. Ter bevordering van de naleving van de verplichting uit dit artikel en de daarop
rustende bepalingen wordt bij ministeriële regeling een instelling aangewezen die
tot taak heeft te ondersteunen met informatie en hulpmiddelen met betrekking tot de
risico-inventarisatie en -evaluatie.
8. Onze Minister kan de aangewezen instelling subsidie verstrekken voor de taken genoemd
in het zevende lid.
C
Na artikel 9 worden twee artikelen ingevoegd, luidende:
Artikel 9a. Subsidiëring van samenwerkingsverbanden voor kennisactiviteiten ter voorkoming
of beperking van beroepsziekten
1. Onze Minister kan op aanvraag subsidie verstrekken aan een samenwerkingsverband van
instellingen voor het verrichten van kennisactiviteiten ter voorkoming of beperking
van beroepsziekten.
2. Een samenwerkingsverband komt uitsluitend voor subsidie in aanmerking, indien:
a. alle instellingen die deelnemen aan het samenwerkingsverband:
1°. rechtspersoonlijkheid bezitten of onderdeel uitmaken van een rechtspersoon;
2°. over voldoende financiële stabiliteit beschikken; en
3°. voldoen aan de eisen die aan instellingen en samenwerkingsverbanden worden gesteld
in de hoofdlijnennotitie;
b. er op geen enkele wijze sprake is van belangenverstrengeling met commerciële partijen;
en
c. de kennisactiviteiten op onafhankelijke wijze en in overeenstemming met wetenschappelijke
normen zullen worden verricht.
3. Indien een samenwerkingsverband bestaat uit een of meer instellingen die onderdeel
uitmaken van de Staat, kan Onze Minister, in afwijking van het eerste lid, slechts
subsidie verstrekken aan de overige instellingen van het samenwerkingsverband.
4. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over:
a. de subsidieaanvraag;
b. de bekendmaking van het aanvraagtijdvak en het subsidieplafond;
c. het bedrag van de subsidie dan wel de wijze waarop dit bedrag wordt bepaald;
d. de voorwaarden waaronder de subsidie wordt verleend;
e. de verplichtingen van het samenwerkingsverband dan wel, in de situatie, bedoeld in
het derde lid, de niet tot de Staat behorende instellingen van het samenwerkingsverband;
f. de verlening, de vaststelling en de intrekking of wijziging van de verlening of vaststelling
van de subsidie;
g. het verlenen van voorschotten, de betaling van het voorschot en het terugvorderen
ervan;
h. de omschrijving van de subsidiabele kennisactiviteiten in de vorm van een hoofdlijnennotitie;
en
i. andere regels benodigd voor de goede uitvoering van de subsidie.
5. Een hoofdlijnennotitie beschrijft in ieder geval de volgende onderwerpen:
a. de thema’s en doelen van de kennisactiviteiten;
b. nadere eisen die worden gesteld aan een samenwerkingsverband en de daaraan deelnemende
instellingen;
c. nadere eisen over de samenwerking van een samenwerkingsverband met instellingen die
niet tot het samenwerkingsverband behoren;
d. de prioritering van de kennisactiviteiten; en
e. de criteria alsmede de weging daarvan waarop een subsidieaanvraag wordt beoordeeld.
6. Onze Minister verstrekt per aanvraagtijdvak en hoofdlijnennotitie subsidie aan één
samenwerkingsverband.
Artikel 9b. Tegemoetkoming voor beroepsziekten
1. Onze Minister kan een tegemoetkoming toekennen aan personen die lijden aan een beroepsziekte.
2. Bij ministeriële regeling worden ten minste regels gesteld over:
a. de beroepsziekte waarvoor de tegemoetkoming kan worden verstrekt en wie daarvoor in
aanmerking komt;
b. de organisatie ter uitvoering van de regeling;
c. het bedrag van de tegemoetkoming of de wijze waarop dit bedrag wordt bepaald;
d. de aanvraag van de tegemoetkoming;
e. de voorwaarden waaronder de tegemoetkoming wordt toegekend;
f. de verplichtingen van de ontvanger van de tegemoetkoming;
g. de intrekking en wijziging van de toekenning van de tegemoetkoming; en
h. de betaling van de tegemoetkoming, het verlenen van voorschotten en terugvorderen
ervan.
3. Onverminderd het tweede lid, kunnen bij ministeriële regeling regels worden gesteld
over de vergoeding van kosten die verband houden met de aanvraag van de tegemoetkoming.
4. Gelet op artikel 9, tweede lid, onderdeel b, van de Algemene verordening gegevensbescherming,
is het verbod om gegevens over gezondheid te verwerken niet van toepassing, indien
de verwerking geschiedt door bestuursorganen en instellingen die belast of mede belast
zijn met de uitvoering van een regeling als bedoeld in het tweede lid en de verwerking
noodzakelijk is voor een goede uitvoering van die regeling. Artikel 30, vierde lid,
van de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming is van overeenkomstige
toepassing.
D
Na artikel 45 wordt een artikel ingevoegd, luidende:
Artikel 45a. Evaluatiebepaling
Onze Minister zendt binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal
een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk.
ARTIKEL II
Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries,
autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering
de hand zullen houden.
Gegeven
De Minister van Werk en Participatie,
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.