Nota n.a.v. het (nader/tweede nader/enz.) verslag : Nota naar aanleiding van het nader verslag
36 742 Regels betreffende de financiering van politieke partijen en transparantieregels met betrekking tot hun interne organisatie en financiën, evenals regels met betrekking tot het toezicht en het verbieden van politieke partijen (Wet op de politieke partijen)
Nr. 19
NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET (NADER) VERSLAG HOUDENDE EEN LIJST MET VRAGEN
Ontvangen 30 juni 2026
De vaste commissie voor Binnenlandse Zaken heeft een aantal vragen voorgelegd aan
de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties inzake het voorstel van
wet houdende regels betreffende de financiering van politieke partijen en transparantieregels
met betrekking tot hun interne organisatie en financiën, evenals regels met betrekking
tot het toezicht en het verbieden van politieke partijen (Wet op de politieke partijen)
(Kamerstukken 36 472, nr. 10). De regering dankt de leden voor de gestelde vragen over het voorstel van wet. In
het navolgende reageert zij daarop. Zoals door uw commissie is verzocht, is elke vraag
één op één beantwoord direct onder de vraag zelf.
1
Kunt u aangeven waarom er gekozen is om géén grondwettelijke verankering van politieke
partijen op te nemen, terwijl in veel andere Europese landen partijen wél grondwettelijk
beschermd of geregeld zijn?
Antwoord:
Zoals ook beschreven in de memorie van toelichting bij dit wetsvoorstel, kiest de
regering ervoor om een wet tot stand te brengen die geen uitdrukkelijke grondslag
heeft in de Grondwet. Deze keuze is in lijn met de overweging van de Staatscommissie
parlementair stelsel (commissie-Remkes), die in haar rapport een constitutionele verankering
«niet direct nodig acht». De regering ziet dat er nog geen brede en duurzame overeenstemming
bestaat over wat de constitutionele rol van politieke partijen is en wat daaromtrent
in de Grondwet, ook in verhouding tot andere grondwetsbepalingen, geregeld zou moeten
worden. En hoewel het klopt dat in een aantal andere Europese landen politieke partijen
wel worden genoemd in de Grondwet, is de bedoeling of betekenis hiervan ook verre
van eenduidig. Alvorens grondwettelijke verankering van politieke partijen door de
wetgever wordt overwogen, is nadere verkenning gewenst
2
Waarom acht u het wenselijk dat ook decentrale politieke partijen onder de werking
van deze wet vallen, terwijl zij vaak op vrijwilligers draaien en over beperkte middelen
beschikken?
Antwoord:
Sinds de invoering van de Wet financiering politieke partijen (hierna: Wfpp) zijn
steeds meer taken en verantwoordelijkheden bij het decentraal bestuur belegd. Voor
decentrale politieke partijen geldt daarmee in toenemende mate dat zij, net als landelijke
politieke partijen, bijdragen aan publieke besluitvorming en verantwoordelijkheid
dragen voor wat er op decentraal niveau gebeurt. In het licht hiervan acht de regering
het passend om de bestaande regelgeving ten aanzien van landelijke politieke partijen
in de Wpp in grote lijnen ook toe te passen op decentrale politieke partijen.
Ook in het rapport van de Adviescommissie Wet financiering politieke partijen naar
aanleiding van de evaluatie van de Wet financiering politieke partijen werd geadviseerd
om in de Wfpp bindende regelgeving op te nemen inzake de transparantie van de inkomsten
van decentrale partijen. De commissie deelt in haar rapport de zorg voor de administratieve
lasten, maar benadrukt ook het belang van transparantie van de geldstromen van partijen
in het decentraal bestuur. Ook in het decentrale bestuur moet het voor burgers duidelijk
zijn welke mogelijke financiële beïnvloedingsrelaties er zijn.1
Tot slot brengt het gegeven dat decentrale politieke partijen onder de werking van
de Wpp worden gebracht niet alleen dat politieke partijen moeten voldoen aan (transparantie)regels,
maar wordt met deze wet ook geregeld dat zij aanspraak kunnen maken op subsidie. Dit
sluit aan bij het streven om een gelijker speelveld te creëren tussen landelijke en
decentrale politieke partijen.
3
Hoe verhoudt de oprichting van de nieuwe Nederlandse autoriteit politieke partijen
zich tot het bestaande toezichtstelsel, en welke waarborgen zijn er dat dit niet leidt
tot extra bureaucratische lasten?
Antwoord:
Met de inwerkingtreding van de Wet op de politieke partijen zal het toezicht op de
naleving van de normen voor de financiering van politieke partijen overgaan van de
Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) naar de nieuw in te stellen
Nederlandse autoriteit politieke partijen (hierna: Napp). De Napp is een onafhankelijke
toezichthouder. Dit is in lijn met de oproep die door uw Kamer is gedaan om een afzonderlijke,
onafhankelijke, toezichthouder in te stellen.2 In uw Kamer en bij internationale organisaties als de Group of States against Corruption
(GRECO) en de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE) bestonden
bezwaren tegen het beleggen van het toezicht bij de Minister van BZK omdat de Minister
een politieke ambtsdrager is. Dit zou (de schijn van) politieke beïnvloeding met zich
mee kunnen brengen.
De Napp heeft alleen die bevoegdheden die haar in de wet zijn toegekend. De Napp ziet
toe op de naleving van de normen zoals die in de wet zijn vastgelegd. Deze zijn steeds
zo precies mogelijk beschreven. Dit biedt zekerheid over de geldende normen. Voor
zover de inwerkingtreding van de Wet op de politieke partijen voor een toename in
de administratieve lasten zou leiden, zal die toename derhalve niet zijn toe te rekenen
aan de Autoriteit.
4
Kunt u toelichten waarom het maximum voor giften (100.000 euro) gelijk blijft, terwijl
maatschappelijke zorgen over grote invloed van geld op de politiek toenemen?
Antwoord:
Het verlagen van het maximumbedrag dat een politieke vereniging per jaar van een gever
mag aannemen, kent voor- en nadelen. Enerzijds verlaagt het het risico op ongewenste
beïnvloeding, anderzijds beperkt het ook de hoogte van de inkomsten van politieke
verenigingen. Inkomsten die in zekere mate nodig zijn om hun werkzaamheden goed te
kunnen uitvoeren. Bij de parlementaire behandeling van de Evaluatiewet Wfpp (Stb. 2022, 412) heeft uw Kamer door het aannemen van het amendement-Leijten & Omtzigt3 in de Wet financiering politieke partijen een bepaling opgenomen waarin staat dat
een landelijke politieke partij per jaar van een gever ten hoogste € 100.000,– mag
aanvaarden. Deze bepaling, artikel 29b, is op 1 januari 2023 in werking getreden.
Een vergelijkbaar amendement van het lid Bromet om een giftenmaximum in te stellen
op € 25.000,– werd door de Tweede Kamer verworpen.4 De Tweede Kamer heeft zich daarmee betrekkelijk recent nog uitgesproken over de
wenselijkheid van een giftenplafond en de wenselijke hoogte daarvan. Daarom heeft
de regering gemeend er goed aan te doen aansluiting te zoeken bij de keuze die nog
betrekkelijk kortgeleden door de wetgever is gemaakt.
5
Hoe wordt voorkomen dat politieke partijen door de zware transparantie-eisen onevenredig
veel administratieve lasten krijgen in verhouding tot hun omvang, met name bij lokale
partijen?
Antwoord:
De regering erkent dat de transparantie-eisen die volgen uit de Wpp voor administratieve
lasten zorgen voor politieke verenigingen. Dit kan een uitdaging vormen, in het bijzonder
voor kleinere decentrale politieke verenigingen. Tegelijkertijd is het van belang
dat ook decentrale politieke partijen transparant zijn over de bijdragen die zij hebben
aanvaard en de schulden die zij zijn aangegaan. Om de voornoemde reden geldt er dan
ook voor decentrale politieke partijen een lichter verantwoordingsregime dan voor
landelijke politieke partijen.
Decentrale politieke partijen zijn bijvoorbeeld niet verplicht om een accountantsverklaring
te laten opstellen bij hun financieel verslag. Voor het aanvragen van subsidie op
basis van deze wet zijn decentrale politieke partijen niet verplicht om een activiteitenplan
en een bijbehorende begroting op te stellen. Ook is er geen minimumaantal leden vastgesteld
dat een decentrale politieke partij moet hebben om in aanmerking te kunnen komen voor
subsidie. Om nader tegemoet te komen aan de lagere administratieve capaciteit van
decentrale politieke partijen is bovendien besloten om ruimere termijnen te hanteren
voor de openbaarmaking van substantiële bijdragen. Een decentrale politieke partij
moet het binnen drie weken openbaar maken als zij van een gever een substantiële bijdrage
van meer dan € 2.000,–.5 In de 21 dagen voor de dag van de stemming gebeurt dit binnen vijf werkdagen.6 Uit de voorgenoemde verschillen in regels voor decentrale politieke partijen en landelijke
politieke partijen blijkt dat de regering oog heeft gehad voor de soms beperkte(re)
administratieve capaciteit van decentrale politieke partijen.
Voor landelijke partijen en hun neveninstellingen geldt dat veel in de Wpp voorkomende
verplichtingen niet nieuw zijn. Zij bestaan reeds op grond van de Wfpp. Zo zijn landelijke
partijen onder de Wfpp al verplicht om een administratie bij te houden en mogen zij
niet zomaar elke bijdrage accepteren. De Wpp voegt hier enkele verplichtingen aan
toe, met name transparantieregels over de interne organisatie. Politieke verenigingen
moeten bijvoorbeeld op hun website kenbaar maken hoe hun interne besluitvormingsprocedures
zijn ingericht. Voor veel van deze verenigingen is dit al staande praktijk, omdat
statuten en reglementen doorgaans online beschikbaar zijn. Indien aanpassingen nodig
zijn om te voldoen aan de nieuwe eisen, betreft dit in de regel een eenmalige en beperkte
administratieve handeling zonder noemenswaardige financiële gevolgen.
6
Op welke wijze acht u het verenigbaar met de vrijheid van vereniging dat politieke
verenigingen verplicht worden hun interne organisatie en procedures openbaar te maken?
Antwoord:
De vrijheid van vereniging wordt onder andere gewaarborgd door artikel 8 van de Grondwet
voor het Koninkrijk der Nederlanden. De in het voorstel van wet opgenomen verplichting
voor politieke verenigingen om transparant te zijn over hun interne organisatie vormt
geen beperking op dit grondrecht. Er worden daarmee immers geen regels gesteld over
de interne organisatie van politieke verenigingen. Van politieke verenigingen wordt
slechts gevraagd om naar buiten toe open te zijn over hoe de vereniging is opgebouwd
en welke regels en procedures er binnen de vereniging gelden.7
7
Hoe realistisch is het dat kleine partijen en nieuwe initiatieven aan alle eisen rond
administratie, registratie van giften en schulden (vanaf 25.000 euro) kunnen voldoen?
Antwoord:
Zie het antwoord op vraag 5
8
Kunt u een overzicht geven van de geraamde structurele kosten voor de Autoriteit politieke
partijen, en hoe deze gefinancierd zullen worden?
Antwoord:
De projectorganisatie voor de oprichting van de Napp is inmiddels opgestart en heeft
een raming gemaakt van de structurele kosten. Volgens deze raming is er vier miljoen
euro per jaar benodigd om de Nederlandse autoriteit politieke partijen de aan hem
opgedragen taken te kunnen laten uitvoeren. Met de voorjaarsnota van 2026 is het budget
voor de Napp op de begroting van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
bijgesteld naar € 4 mln.
9
Hoe wordt geborgd dat de bevoegdheid om een politieke partij te verbieden (artikel
2:20 BW vervalt) niet te ruim wordt toegepast en niet leidt tot politieke willekeur?
Antwoord:
Het partijverbod is een zwaar middel, waarbij zorgvuldigheid is geboden. De regering
heeft daarom bij de vormgeving van de voorwaarden voor het opleggen van een partijverbod
de eisen die het EHRM en de Raad van Europa stellen aan het verbieden van politieke
partijen als uitgangspunt genomen. Een partijverbod kan dan ook alleen aan de orde
zijn wanneer een politieke vereniging een daadwerkelijke en ernstige dreiging voor
de democratische rechtsstaat vormt. Daarnaast is de bevoegdheid voor een partijverbod
in eerste en enige instantie belegd bij de Hoge Raad, op verzoek van de Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad. De onafhankelijkheid van deze instanties staat buiten kijf en er
is daarom ook geen risico op politieke willekeur.
10
Hoe verhoudt dit wetsvoorstel zich tot de lopende discussie over versterking van de
lokale democratie, waar juist wordt gepleit om drempels voor deelname van nieuwe partijen
te verlagen?
Antwoord:
Decentrale politieke partijen spelen een belangrijke rol in de lokale democratie.
De Wpp draagt bij aan de versterking van decentrale politieke partijen door subsidies
beschikbaar te stellen. Dit kunnen de partijen bijvoorbeeld gebruiken voor het professionaliseren
van hun organisatie of het organiseren van partijbijeenkomsten. Dit maakt hen minder
afhankelijk van bijdragen. Door politieke verenigingen te verplichten tot transparantie
over de financiering en hun interne organisatie wordt het risico op oneigenlijke beïnvloeding
verkleind en wordt de weerbaarheid van politieke verenigingen en de democratische
rechtsstaat vergroot.
De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
P.E. Heerma
Indieners
P.E. Heerma, minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties