Nota n.a.v. het (nader/tweede nader/enz.) verslag : Nota naar aanleiding van het verslag
36 774 Voorstel van wet van het lid Bushoff tot wijziging van de Mededingingswet in verband met de uitbreiding van het concentratietoezicht (Wet inroepbevoegdheid ACM)
Nr. 8
NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG
Ontvangen 25 juni 2026
I. ALGEMEEN DEEL
De leden van de D66-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel
van het lid Bushoff tot wijziging van de Mededingingswet in verband met de uitbreiding
van het concentratietoezicht (Wet inroepbevoegdheid ACM) (het wetsvoorstel).
De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel.
De leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel.
De leden van de CDA-fractie willen allereerst hun waardering uitspreken voor het lid
Bushoff en zijn ondersteuning voor het opstellen en indienen van deze uitgebreide
initiatiefwet. Zij zijn zich er terdege van bewust dat het opstellen van een dergelijk
initiatiefwetsvoorstel veel tijd en denkkracht vergt. De memorie van toelichting biedt
bovendien een interessant overzicht van het internationale mededingingsbeleid.
De leden van de CDA-fractie staan in beginsel niet onwelwillend tegenover de doelstelling
van het wetsvoorstel. Op basis van onderzoek van de Autoriteit Consument en Markt
(ACM) constateren zij dat in bepaalde markten sprake is van een afname van de concurrentie.
Een goed functionerende concurrentie draagt echter juist bij aan innovatie, economische
weerbaarheid, betaalbare prijzen en keuzevrijheid voor consumenten. Met betrekking
tot de risico’s die kunnen ontstaan door een reeks kleinere overnames, zogenoemd «kralenrijgen»,
of door de overname van innovatieve concurrenten die onder de huidige omzetdrempels
blijven, herkennen deze leden de door de initiatiefnemer geschetste problematiek.
Dat geldt in het bijzonder voor sectoren waarin de markt lokaal of regionaal is georganiseerd,
zoals delen van de zorgsector.
Tegelijkertijd constateren de leden van de CDA-fractie dat het wetsvoorstel een ingrijpende
uitbreiding van het instrumentarium van de ACM behelst. Deze leden achten het daarom
van belang dat overtuigend wordt aangetoond dat een generieke inroepbevoegdheid noodzakelijk,
proportioneel en uitvoerbaar is. Zij hebben in dat kader vragen over de gevolgen voor
de rechtszekerheid van ondernemingen, de administratieve lasten en doorlooptijden
voor het bedrijfsleven, de uitvoerbaarheid voor de ACM en de afweging tussen een generieke
bevoegdheid en meer sectorspecifieke alternatieven.
Daarnaast zien de leden van de CDA-fractie dat het voorliggende wetsvoorstel veel
open normen hanteert en veel beoordelingsruimte laat voor de ACM. Daarin kan een spanning
ontstaan tussen onafhankelijke uitvoering en democratische legitimiteit. Ook daar
zullen zij op ingaan.
De initiatiefnemer dankt de leden van de diverse fracties voor hun vragen en opmerkingen
over het voorliggend wetsvoorstel. Hij zal hierna trachten daar antwoord op te geven
of op te reageren.
Tevens is de initiatiefnemer verheugd dat in het Coalitieakkoord 2026–2030 van D66,
VVD en CDA het voornemen is opgenomen dat om een gezonde marktwerking te bevorderen
de Autoriteit Consument en Markt (ACM) als marktmeester een inroepbevoegdheid moet
krijgen. Hij hoopt met het voorliggend wetsvoorstel invulling aan dat voornemen te
kunnen geven.
1. Inleiding
De leden van de D66-fractie delen de analyse die ten grondslag ligt aan het wetsvoorstel:
ook concentraties die onder de huidige omzetdrempels blijven, kunnen de mededinging
en daarmee het belang van consumenten schaden, in het bijzonder via «kralenrijgen»
en zogenoemde killer acquisities. Deze leden wijzen erop dat het versterken van het
mededingingsinstrumentarium met een inroepbevoegdheid aansluit bij de afspraak in
het coalitieakkoord om de ACM als marktmeester twee nieuwe instrumenten te geven –
de call-inbevoegdheid en de New Competition Tool – en bij voorstellen die de leden
van de D66-fractie zelf hebben gedaan, onder meer bij de op 22 oktober 2024 door de
Kamer aangenomen motie die de regering verzocht een call-inbevoegdheid in de Mededingingswet
op te nemen.1 Deze leden steunen de hoofdlijn van het voorstel en hebben daarbij nog enkele vragen.
De leden van de VVD-fractie waarderen de inzet die de initiatiefnemer op dit onderwerp
toont. Deze leden delen de opmerking van de indiener in de toelichting dat het beter
is om onevenredige marktconcentraties te voorkomen dan dat dit achteraf wordt gecorrigeerd.
Deze leden hebben nog enkele opmerkingen en vragen over het wetsvoorstel.
De leden van de VVD-fractie lezen dat de initiatiefnemer de gezondheidszorg aanhaalt
als sector waarbij in zijn ogen onwenselijke overnames plaatsvinden. Tegelijkertijd
ontbreekt in de toelichting de notie dat investeringen in bijvoorbeeld de gezondheidszorg
nodig zijn om de Nederlandse consument te bedienen. Een overname kan additioneel kapitaal
in een sector teweegbrengen. Deelt de initiatiefnemer deze constatering? Zo ja, waarom
meent hij dat het voorgestelde wetsvoorstel proportioneel is ten aanzien van een mogelijke
reductie in investeringen in de economie?
De initiatiefnemer is het met de leden van de VVD-fractie eens dat investeringen in
de gezondheidszorg nodig zijn. Daarbij denkt de initiatiefnemer overigens eerder aan
investeringen vanuit de overheid dan vanuit de particuliere sector. Echter ook vanuit
die sector kunnen investeringen in de zorg er zeker aan bijdragen dat de Nederlandse
patiënt beter bediend wordt. Dit wetsvoorstel kent dan ook niet als uitgangspunt dat
investeringen, in dit geval door overnames of fusies, belemmerd zouden moeten worden.
Een beperking van concentraties in de gezondheidszorg kan echter wel noodzakelijk
zijn in de specifieke omstandigheid als door een concentratie de vrije mededinging
dermate bedreigd wordt dat er een situatie ontstaat waardoor de patiënt juist slechter
bediend zal kunnen gaan worden. In het geval van dergelijke marktverstorende concentraties
bestaat immers het gevaar dat het zorgaanbod verschraald. Of waar door een killer
acquisition innovatie in die kiem wordt gesmoord. Bij investeringen waarbij geen overname
of fusie aan de orde is, zoals in het geval van het oprichten van een geheel nieuwe
onderneming of investering in een bestaande onderneming, is de inroepbevoegdheid niet
van toepassing.
De leden van de CDA-fractie merken op dat de initiatiefnemer in de toelichting zelf
erkent dat overnames en schaalvergroting positieve effecten kunnen hebben, zoals efficiënter
werken, kwaliteitsverbetering en innovatie. Deze leden vragen de initiatiefnemer hoe
in de voorgestelde inroepbevoegdheid voldoende wordt gewaarborgd dat legitieme schaalvergroting
en bedrijfsgroei niet onnodig worden belemmerd. De initiatiefnemer verwijst terecht
naar het Towercast-arrest en de mogelijkheden die dit arrest biedt voor de ACM om
niet-meldingsplichtige overnames te toetsen aan het verbod op misbruik van een economische
machtspositie. De initiatiefnemer merkt daarbij op dat de bewijslast voor ingrijpen
hoog is. De leden van de CDA-fractie vragen de initiatiefnemer te reflecteren op de
vraag in hoeverre deze hoge bewijslast juist niet proportioneel is, gelet op de ingrijpende
aard van overheidsoptreden bij overnames en concentraties. Deze leden merken daarbij
op dat ingrijpen in een overname zorgvuldig en deugdelijk gemotiveerd dient te zijn.
Deze leden vragen hoe de initiatiefnemer aankijkt tegen de eerste Nederlandse praktijkervaringen
sinds het schrappen van artikel 24, tweede lid, van de Mededingingswet.
In antwoord op deze vraag van de leden van de CDA-fractie zou de initiatiefnemer er
op willen wijzen dat schaalvergroting en bedrijfsgroei enkel door dit wetsvoorstel
wordt geraakt als daarbij sprake is van een concentratie en dan alleen nog indien
door die concentratie de daadwerkelijke mededinging op de Nederlandse markt of een
deel daarvan op significante wijze zou kunnen worden belemmerd. Intrinsieke groei
van ondernemingen wordt door dit wetsvoorstel niet geraakt. Door effectieve concentratiecontrole
wordt marktmacht voorkomen; dat versterkt de marktdynamiek en is gunstig voor afnemers
en toeleveranciers en draagt zo bij aan een gunstig ondernemings- en investeringsklimaat.
Concentratietoezicht is er dan ook niet op gericht om fusies en overname die economische
voordelen zoals investeringen of schaalvergroting opleveren tegen te houden, maar
juist om die te onderscheiden van gevallen waar een mededingingsprobleem ontstaat.
Daarbij zou de initiatiefnemer er op willen wijzen dat veruit de meeste concentraties
die onder de bestaande wet gemeld worden al in een vroeg stadium goedgekeurd worden.
Ten aanzien van de bewijsstandaard zou de initiatiefnemer als volgt willen reageren:
Volgens het bestaande systeem verbiedt de ACM een concentratie als de concentratie
een significante belemmering van de daadwerkelijke mededinging tot gevolg zal hebben.
Deze bewijsstandaard ligt lager dan voor het vaststellen van een overtreding van artikel 24
Mededingingswet, het verbod om gebruik te maken van economische marktmacht. Het huidige
wetsvoorstel sluit aan bij de bewijsstandaard die al voor de concentratie controle
geldt.
In het arrest Towercast (2023) heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie bevestigd
dat, in bepaalde omstandigheden, een overname een misbruik van economische machtspositie
kan opleveren, dat wil zeggen een overtreding van art. 102 VWEU. De bewijsstandaard
van Towercast is dus hetzelfde als in andere zaken over misbruik van economische machtspositie
(art. 24 Mededingingswet). Dat is een punitief instrument voor een van de zwaarste
overtredingen van het mededingingsrecht. Een hogere bewijslast dan bij het concentratietoezicht
is daarom gerechtvaardigd, niet alleen vanwege mogelijke zwaarte van de sanctie –
een boete van maximaal 10% van de wereldomzet – maar ook omdat een overtreding wordt
vastgesteld op basis waarvan partijen die schade hebben geleden die in civiele procedures
zullen proberen te claimen.
De concentratiecontrole, waaronder een inroepbevoegdheid, is juist niet punitief maar
erop gericht een marktprobleem te voorkomen. Omdat een eventueel verbod op een overname
natuurlijk ingrijpend kan zijn voor de bedrijven is ook hier gedegen bewijsvoering
noodzakelijk, maar die lat kan minder hoog zijn dan bij mogelijk misbruik van economische
machtspositie.
De ACM heeft, sinds de afschaffing van artikel 24 lid 2 Mw vorig jaar, nog niet op
basis van artikel 24 Mw een concentratie beoordeeld. Wel heeft de ACM een dergelijk
onderzoek gestart op basis van art. 102 VWEU. Dat onderzoek is echter nog niet afgerond.
De leden van de CDA-fractie constateren dat de initiatiefnemer het advies van de Afdeling
advisering van de Raad van State pareert met de stelling dat het risico op mededingingsbeperkende
concentraties zich niet beperkt tot enkele specifieke sectoren, maar een breder structureel
karakter heeft. Deze leden vragen de initiatiefnemer echter nader te onderbouwen op
basis van welke concrete Nederlandse praktijkvoorbeelden, marktanalyses of empirische
gegevens hij concludeert dat een generieke inroepbevoegdheid voor de gehele economie
noodzakelijk en proportioneel is, in plaats van een meer sectorspecifieke benadering.
De initiatiefnemer zou graag als volgt op de vraag van de leden van de CDA-fractie
ingaan. Zijn keuze voor een generieke inroepbevoegdheid is ingegeven door het uitgangspunt
dat een sectorgewijze inroepbevoegdheid niet effectief is vooral omdat niet op voorhand
per sector is te voorspellen of er sprake kan zijn van mededinging verstorende concentraties.
De ACM wijst er op dat in markten waar de (technologische en/of economische) dynamiek
hoog is, vooraf gedefinieerde sectoren snel achterhaald kunnen zijn. Het nadeel van
een sectorgewijze inroepbevoegdheid is bovendien dat vooraf de sectoren aangewezen
moeten gaan worden omdat daar al langer sprake is van een ongewenste belemmering van
de concurrentie. Wat een inroepbevoegdheid dan nog toevoegt blijft dan beperkt tot
het er enkel nog voor zorgen dat nieuwe concentraties in die sector afgeremd worden.
Het gaat in dat geval hooguit om het tegengaan van verdere verstoringen zonder dat
de scheefgegroeide verhoudingen rechtgetrokken kunnen worden. Dit scenario is onwenselijk.
Een generieke inroepbevoegdheid kan juist al ingezet worden voor het te laat is en
er al sprake is van scheefgegroeide verhoudingen.
2. Aanpassing van de Mededingingswet
Verhouding tot de generieke omzetdrempels
De leden van de D66-fractie constateren dat de initiatiefnemer een verhoging van de
generieke omzetdrempels voor de reguliere meldingsplicht buiten de reikwijdte van
dit wetsvoorstel laat. Deze leden begrijpen die afbakening, maar wijzen erop dat beide
onderwerpen inhoudelijk nauw samenhangen. De ACM heeft in haar Wetgevingsbrief 2025
zelf bepleit de generieke omzetdrempel – die voor het laatst in 2003 is aangepast
– te verhogen van € 30 miljoen naar € 50 miljoen, en wel uitdrukkelijk in combinatie
met een inroepbevoegdheid voor onderdrempelige overnames. Volgens de ACM daalt het
aantal verplichte meldingen daardoor van gemiddeld circa 130 naar ongeveer 75 per
jaar, waardoor capaciteit vrijkomt om gericht de daadwerkelijk problematische concentraties
– waaronder kralenrijgen en killer acquisities – in te roepen en te onderzoeken. De
ACM presenteert de drempelverhoging en de inroepbevoegdheid daarmee als communicerende
vaten; ook D66 heeft deze combinatie eerder bepleit.
De leden van de D66-fractie vragen de initiatiefnemer hoe hij een eventuele verhoging
van de generieke omzetdrempel naar € 50 miljoen, conform het advies van de ACM, beoordeelt.
Ziet de initiatiefnemer de drempelverhoging en de inroepbevoegdheid eveneens als complementaire,
samenhangende maatregelen, en zo ja, wat betekent dit voor de weging van het voorliggende
wetsvoorstel? Acht de initiatiefnemer een inroepbevoegdheid zónder gelijktijdige verhoging
van de generieke drempel evenwichtig, mede gelet op de lasten voor het bedrijfsleven
en de gerichtheid van het toezicht?
De leden van de D66-fractie wijzen er voorts op dat de ACM blijkens de toelichting
verwacht per saldo geen extra middelen nodig te hebben voor de uitvoering van de inroepbevoegdheid.
Tegelijkertijd heeft de Minister van Economische Zaken en Klimaat in het commissiedebat
Marktordening en consumentenbescherming van 2 oktober 2025 gemeld dat de ACM heeft
aangegeven het inroepen van fusies binnen de bestaande capaciteit te kunnen opvangen,
mits dit wordt gecombineerd met de verhoging van de algemene omzetdrempel. Het voorliggende
wetsvoorstel voorziet echter niet in die verhoging. Deze leden vragen de initiatiefnemer
hoe de aanname dat de ACM geen extra middelen nodig heeft, zich verhoudt tot de voorwaarde
die de ACM aan dat capaciteitsoordeel lijkt te hebben verbonden. Hoe waarschijnlijk
acht de initiatiefnemer het dat de ACM de inroepbevoegdheid binnen de bestaande capaciteit
kan uitvoeren wanneer het aantal verplichte reguliere meldingen niet gelijktijdig
wordt teruggebracht, en is hij bereid het oordeel van de ACM op dit punt expliciet
te maken?
De initiatiefnemer acht het creëren van een inroepbevoegdheid zonder gelijktijdige
verhoging van de generieke drempel mogelijk. Het door de ACM ingeschatte lage aantal
in te roepen concentraties en de relatief lage bijkomende kosten voor extra personeel
bij de ACM maakt dat naar de mening van de initiatiefnemer een inroepbevoegdheid een
op zich zelf staand extra instrument kan zijn. Dat door het invoeren van de inroepbevoegdheid
de ACM niet binnen de bestaande capaciteit kan uitvoeren is voor de initiatiefgever
een gegeven. Echter meent hij dat een extra investering voor de 500 uur per jaar aan
capaciteit die de naar verwachting nodig zal zijn voor het behandelen van informele
meldingen en het behandelen van ingeroepen zaken verantwoord is. De initiatiefnemer
is van mening dat die benodigde 500 uur door middel van een verhoging van het budget
van de ACM gefinancierd kan gaan worden.
Tot slot vragen de leden van de D66-fractie aandacht voor de wijze waarop de omzetdrempels
in de toekomst worden geactualiseerd. Deze leden constateren dat de generieke omzetdrempel
sinds 2003 niet is aangepast, mede doordat een aanpassing telkens een wetswijziging
vergt. Zij vragen de initiatiefnemer of hij mogelijkheden ziet om de omzetdrempels
(zowel de generieke drempel als de in dit voorstel gehanteerde drempel) een meer dynamisch
karakter te geven, bijvoorbeeld door te voorzien in een grondslag voor periodieke
of automatische indexatie, dan wel voor aanpassing bij algemene maatregel van bestuur,
zodat de drempels kunnen meebewegen met bijvoorbeeld de inflatie zonder dat daarvoor
telkens een wetswijziging nodig is. Hoe weegt de initiatiefnemer een dergelijke systematiek,
mede gelet op enerzijds de rechtszekerheid en voorspelbaarheid voor ondernemingen
en anderzijds de wens om de drempels actueel en effectief te houden?
De initiatiefnemer staat neutraal ten opzichte van een grondslag waarmee de genoemde
omzetdrempels een meer dynamisch karakter zouden krijgen bijvoorbeeld om inflatiecorrectie
te kunnen toepassen. Aangezien het echter ook over de omzetdrempels gaat die het algemeen
concentratietoezicht betreffen en niet alleen de inroepbevoegdheid acht de initiatiefnemer
het niet binnen het onderhavige wetsvoorstel passend om deze grondslag enkel voor
de inroepbevoegdheid aan te passen. De initiatiefnemer wijst op de wenselijkheid van
eenduidig beleid en dat voorliggend wetsvoorstel aansluit bij de bestaande Mededingingswet.
Indien de wens er is om omzetdrempels een meer dynamisch karakter te geven, zou dat
logisch zijn om algeheel van toepassing te laten zijn in plaats van op enkel dit instrument.
Asymmetrische omzetdrempel en reikwijdte
De leden van de D66-fractie constateren dat de initiatiefnemer het voorstel naar aanleiding
van de internetconsultatie heeft aangepast, zodat ten minste één van de betrokken
ondernemingen een omzet in Nederland van ten minste € 30 miljoen moet behalen voordat
de inroepbevoegdheid kan worden toegepast. Deze leden begrijpen dat hiermee wordt
voorkomen dat zeer kleine transacties onder de bevoegdheid vallen, en dat dit rechtszekerheid
voor het midden- en kleinbedrijf (mkb) biedt. Tegelijkertijd vragen deze leden aandacht
voor het type concentraties dat juist de aanleiding voor dit voorstel vormt. Bij kralenrijgen
bouwt een partij regionale of lokale marktmacht op via een reeks op zichzelf kleine
overnames, waarbij ook de verwervende partij – bijvoorbeeld een opkomende keten of
een investeringsvehikel – aanvankelijk een beperkte omzet kan hebben. Deze leden vragen
de initiatiefnemer in hoeverre de asymmetrische drempel van € 30 miljoen voldoende
ruimte laat om deze kralenrijgstrategieën te kunnen inroepen. Bestaat het risico dat
problematische roll-ups in lokale of nichemarkten, waarbij in een vroege fase geen
van de betrokken partijen de € 30 miljoen haalt, alsnog buiten bereik van de bevoegdheid
blijven?
De initiatiefnemer had om de redenen die de leden van de D66-fractie noemen in het
voorstel zoals dat ter internetconsultatie is aangeboden geen omzetdrempels voor de
inroepbevoegdheid opgenomen. Namelijk om te voorkomen dat er in lokale of nichemarkten
problematische roll-ups zouden komen waar met een drempel geen greep op mogelijk zou
zijn. Echter vanwege de in de consultatieronde veelvuldig genoemde bezwaren tegen
het ontbreken van enige drempel en de daarmee gepaarde rechtsonzekerheid is er toch
voor gekozen om wel een omzetdrempel op te nemen. Zoals de leden van de D66-fractie
ook noemen wordt met een omzetdrempel voorkomen dat zeer kleine transacties onder
de inroepbevoegdheid komen te vallen en biedt het rechtszekerheid voor het midden-
en kleinbedrijf (mkb).
Rechtszekerheid
De leden van de D66-fractie hechten aan voorspelbaar en proportioneel toezicht. De
Afdeling advisering van de Raad van State heeft kanttekeningen geplaatst bij de breedte
van de bevoegdheid en bij de rechtszekerheid voor ondernemingen. Deze leden vragen
de initiatiefnemer nader toe te lichten hoe de voorspelbaarheid voor ondernemers wordt
geborgd, onder meer via het detectieproces van de ACM en de gehanteerde termijnen.
In antwoord op deze vraag van de leden van de D66-fractie over de rechtszekerheid
voor ondernemingen zou de initiatiefnemer graag als volgt ingaan. Deze rechtszekerheid
wordt op verschillende manieren gewaarborgd. Om te beginnen verwijst de initiatiefnemer
naar de hierboven al genoemde in de wet opgenomen omzetdrempel. Die brengt een voor
bedrijven heldere afbakening van de inroepbevoegdheid met zich mee. Deze drempel is
als zodanig al in de Mededingingswet opgenomen en heeft bewezen een in de praktijk
goed hanteerbare maatstaf voor het concentratietoezicht te zijn. Daarbij komt dat
de grond waarop de ACM een concentratie kan inroepen, namelijk het criterium of een
concentratie de mededinging «op significante wijze zou kunnen belemmeren», eveneens
al lang in de Mededingingswet is opgenomen en zich bewezen heeft als een werkbaar
criterium. Daarnaast zal de ACM om de rechtszekerheid verder te bevorderen in een
leidraad verduidelijken welke factoren van invloed kunnen zijn op het inroepen van
concentraties. Bovendien krijgen ondernemingen die snel duidelijkheid willen hebben
over een voorgenomen concentratie de mogelijkheid om dat op laagdrempelige informele
wijze aan de ACM voor te leggen. Tenslotte: mocht de ACM een concentratie willen inroepen
dan is die mogelijkheid in de tijd beperkt tot zeven maanden na de totstandbrenging
van een concentratie.
De leden van de VVD-fractie lezen dat met het wetsvoorstel wordt voorgesteld om in
de Mededingingswet een bepaling op te nemen dat de ACM als uitzondering op de geldende
omzetdrempels in de huidige wet, de bevoegdheid krijgt om melding van een concentratie
te eisen waarvan de ACM reden heeft om aan te nemen dat die concentratie de daadwerkelijke
mededinging op de Nederlandse markt of een deel daarvan op significante wijze zou
kunnen belemmeren. Die bevoegdheid kan worden ingeroepen als daarnaast één van de
bij de concentratie betrokken ondernemingen voldoet aan de omzetdrempel van € 30 miljoen
in Nederland. Deze leden lezen daarnaast dat de ACM zou hebben aangegeven dat indien
de inroepbevoegdheid in de Mededingingswet wordt opgenomen, zij op dit punt guidance
zal geven door via een leidraad vooraf duidelijk te maken waar zij op let bij het
mogelijk inroepen van concentraties. Deze leden vragen de indiener toe te lichten
of de Kamer nog een rol speelt in deze guidance en zo nee, waarom niet.
De ACM is een onafhankelijke toezichthouder die bij het uitoefenen van het concentratietoezicht
gebonden is aan met name de Mededingingswet. Om richting te geven aan hoe de ACM dat
toezicht invult worden beleidsregels, richtlijnen en leidraden opgesteld. Daarbij
heeft de Kamer geen directe rol. De bestaande beleidsregels en overige documenten
die de ACM voor het toezicht op concurrentie en marktwerking zijn niet in formele
wet- of onderliggende regelgeving vastgelegd.2 De initiatiefnemer heeft begrepen dat de ACM in de genoemde guidance gaat verduidelijken
welke factoren van invloed kunnen zijn op het inroepen van concentraties. Dat zullen
factoren zijn die reeds in de praktijk van de ACM en de Europese Commissie worden
gebruikt om concentraties te toetsen, waaronder, marktaandelen van de overnemende
partij, de concentratie van de markt, eerdere overnames of signalen van consumenten,
ondernemingen of andere belanghebbenden.
2.1 Enkele oplossingsrichtingen
De leden van de CDA-fractie constateren dat de initiatiefnemer verschillende alternatieven
bespreekt, waaronder lagere omzetdrempels, sectorspecifieke drempels en marktaandeeldrempels.
Deze leden begrijpen de door de initiatiefnemer genoemde bezwaren tegen deze alternatieven,
maar missen een nadere onderbouwing waarom de voorgestelde asymmetrische omzetdrempel
uiteindelijk de meest proportionele en effectieve oplossing vormt. Kan de initiatiefnemer
toelichten waarom is gekozen voor een omzetdrempel van € 30 miljoen bij slechts één
van de betrokken ondernemingen? Welke alternatieve drempels zijn overwogen en op basis
van welke criteria is deze keuze gemaakt?
De initiatiefnemer heeft geen alternatieve drempel overwogen omdat hij van mening
is dat het voor ondernemingen en de praktijk van het toezicht het meeste houvast geeft
om aan te sluiten bij de bekende omzetdrempel van € 30 miljoen en het daaraan verbonden
criterium of een concentratie boven die drempel de mededinging op significante wijze
zou kunnen belemmeren. Daarnaast, zo heeft de initiatiefnemer op een eerdere vraag
van de leden van de D66-fractie geantwoord, zou zonder enige drempel de rechtsonzekerheid
voor ondernemingen vergroot worden. Een (veel) hogere omzetdrempel zou behalve dat
die zou afwijken van wat in het bekende concentratietoezicht gebruikelijk is, ook
het toepassen van de inroepbevoegdheid belemmeren en daarmee het risico op ongewenste
concurrentieverhoudingen vergroten.
De leden van de CDA-fractie vragen daarnaast of de initiatiefnemer, gelet op de mogelijke
gevolgen van de voorgestelde inroepbevoegdheid voor ondernemingen, investeringen en
overnametrajecten, heeft overwogen de bevoegdheid in eerste instantie slechts van
toepassing te laten zijn op één of enkele specifieke sectoren waarin de geschetste
problematiek zich het meest nadrukkelijk voordoet. De leden van de CDA-fractie vragen
of de initiatiefnemer kan toelichten waarom niet is gekozen voor een meer gefaseerde
of sectorspecifieke invoering, zodat eerst ervaring kan worden opgedaan met de praktische
uitvoering, de effecten op de markt en de gevolgen voor de rechtszekerheid van ondernemingen.
De leden van CDA-fractie vragen de initiatiefnemer uiteen te zetten waarom het voorgestelde
model volgens hem beter scoort op rechtszekerheid, uitvoerbaarheid, administratieve
lasten en effectiviteit dan de besproken alternatieven. Kan de initiatiefnemer deze
vergelijking schematisch weergeven, bijvoorbeeld in tabelvorm, waarbij het voorgestelde
model wordt afgezet tegen alternatieven zoals lagere omzetdrempels, andere transactiewaarde
drempels, sectorspecifieke drempels, marktaandeeldrempels en invoering voor specifieke
sectoren in plaats van generiek?
De initiatiefnemer heeft alternatieven voor een generieke inroepbevoegdheid met een
asymmetrische drempel overwogen maar zag bij elk van die alternatieven onoverkomelijke
bezwaren. Hij zou de leden van de CDA-fractie kortheidshalve willen verwijzen naar
de memorie van toelichting waarin hij enkele alternatieve oplossingsrichtingen aan
de orde stelt (paragraaf 4.1). De keuze voor het in het wetsvoorstel opgenomen model
is overigens mede ingegeven door het feit dat in een groeiend aantal EU-lidstaten
een gelijkaardige generieke inroepbevoegdheid in hun mededingingswetgeving is of wordt
opgenomen.
Daarnaast merken deze leden op dat de ACM eerder heeft voorgesteld de huidige omzetdrempel
van € 30 miljoen te verhogen naar € 50 miljoen, juist om de toezichtcapaciteit gerichter
in te kunnen zetten op concentraties waarbij de grootste risico’s voor de mededinging
bestaan3. Hoe verhoudt de keuze van de initiatiefnemer om dezelfde omzetdrempel van € 30 miljoen
als aanknopingspunt voor de inroepbevoegdheid te hanteren zich tot deze eerdere aanbeveling
van de ACM? Heeft de initiatiefnemer overwogen aan te sluiten bij een hogere omzetdrempel
en zo ja, waarom is daarvan afgezien?
Tot slot vragen de leden van de CDA-fractie hoe de voorgestelde omzetdrempel zich
verhoudt tot eventuele toekomstige wijzigingen van de reguliere omzetdrempels in het
concentratietoezicht. Indien de generieke omzetdrempels worden verhoogd, stijgt de
drempel voor de inroepbevoegdheid dan automatisch mee? Is sprake van een dynamische
koppeling of van een zelfstandig in de wet vastgelegde drempel?
De initiatiefnemer heeft niet gekozen voor een verhoging van de omzetdrempel van € 30
miljoen naar € 50 miljoen omdat naar zijn mening daarmee een te hoge drempel voor
het inroepen van concentraties zou worden gecreëerd. De relatief beperkte extra capaciteit
die voor de inroepbevoegdheid nodig zal zijn, kan wat betreft de initiatiefnemer gefinancierd
worden door het verhogen van het budget voor de ACM. Wel is de initiatiefnemer van
mening dat als de algemeen geldende omzetdrempel van € 30 miljoen naar € 50 miljoen
verhoogd zou worden, dat vanwege de eenduidigheid binnen het concentratietoezicht
en de rechtszekerheid voor ondernemingen dan ook de in dit wetsvoorstel voorziene
drempel verhoogd zou kunnen worden. Een directe wettelijke koppeling tussen beide
drempels kent het wetsvoorstel echter niet.
2.2 Voorstellen op hoofdlijnen
Open norm en rechtszekerheid
De leden van de CDA-fractie lezen dat het uitgangspunt voor toepassing van de nieuwe
bevoegdheid is dat sprake moet zijn van het risico dat door een concentratie de mededinging
op de Nederlandse markt, of een deel daarvan, op significante wijze zou kunnen worden
belemmerd. De initiatiefnemer merkt daarbij zelf op dat het niet mogelijk is om vooraf
volledig duidelijk te maken wanneer van een dergelijk risico sprake zal zijn. Deze
leden constateren dat hier sprake is van een open norm die de ACM aanzienlijke beoordelingsruimte
laat. De leden van de CDA-fractie begrijpen dat de ACM voornemens is hierover guidance
te geven via een leidraad en achten dat op zichzelf verstandig. Zij vragen de initiatiefnemer
echter in hoeverre een dergelijke leidraad voldoende waarborgen biedt voor rechtszekerheid.
Hoe beoordeelt de initiatiefnemer het risico dat ondernemingen hierdoor terughoudender/risicomijdender
worden met investeringen, bedrijfsgroei of reguliere overnames? Heeft de initiatiefnemer
de mogelijke omvang van deze effecten op het vestigingsklimaat en de algemene marktdynamiek
onderzocht en inzichtelijk gemaakt en wat is zijn weging hiervan?
De initiatiefnemer meent, in antwoord op deze vraag van de leden van de CDA-fractie
en onder verwijzing naar het antwoord op een eerdere vraag van de leden van de VVD-fractie,
niet dat ondernemingen terughoudender zullen worden om investeringen te doen. De inroepbevoegdheid
is niet van toepassing op intrinsieke groei van een onderneming. Bij grotere overnames
gelden de reeds in de wet opgenomen twee omzetdrempels. Daar waar ondernemingen naar
eigen inzicht, eventueel daarbij geholpen door de guidance van de ACM of de informele
toets, van een concentratie afzien, is dat een beoogd effect van dit wetsvoorstel.
Dat geldt ook voor de gevallen de ACM na het gebruik maken van de inroepbevoegdheid
een concentratie blokkeert. In beide gevallen draagt het niet doorgaan van een concentratie
bij aan het voorkomen van voor consumenten of concurrerende ondernemingen onwenselijke
marktverstoring. De initiatiefnemer acht het derhalve niet nodig om vooraf de effecten
op het vestigingsklimaat en de algemene marktdynamiek te onderzoeken. Een invoeringstoets
een jaar na de inwerkingtreding van de inroepbevoegdheid en een wetsevaluatie na vijf
jaar kan meer inzicht hierin verschaffen. Op de evaluatie wordt verderop in deze nota
teruggekomen.
De leden van de CDA-fractie merken op dat begrippen als «kralenrijgen» en «killer
acquisities» een belangrijke rol spelen in de onderbouwing van het wetsvoorstel, maar
geen juridische begrippen zijn die in de wet worden gedefinieerd. Hoe wordt voorkomen
dat hierover in de praktijk onduidelijkheid ontstaat? Is de initiatiefnemer van mening
dat de ACM deze begrippen in haar leidraad nader dient af te bakenen aan de hand van
concrete en objectief toetsbare criteria, zodat voor ondernemingen vooraf beter voorspelbaar
is wanneer een concentratie mogelijk onder de reikwijdte van de inroepbevoegdheid
valt?
De reden waarom een concentratie door de ACM kan worden ingeroepen is als een concentratie
de daadwerkelijke mededinging op de Nederlandse markt of een deel daarvan op significante
wijze zou kunnen belemmeren. Dat geldt voor het bestaand concentratietoezicht als
ook voor de uitbreiding daarvan met de inroepbevoegdheid. Dat kunnen overnames zijn
met de intentie van «kralenrijgen» of een «killer acquisition» zijn. Dergelijke overnames
kunnen zich ook voordoen in het geval het een concentratie betreft die boven de twee
in de Mededingingswet genoemde omzetdrempels uitkomen. Dat neemt niet weg dat het
juist de relatief kleine concentraties zijn, die onder de radar van het mededingingstoezicht
dreigen te blijven. In de guidance zal de ACM verduidelijken welke factoren van invloed
kunnen zijn op het inroepen van deze concentraties. Dat zullen factoren zijn die reeds
in de praktijk van de ACM en de Europese Commissie worden gebruikt om concentraties
te toetsen, waaronder, marktaandelen van de overnemende partij, de concentratie van
de markt, eerdere overnames of signalen van consumenten, ondernemingen of andere belanghebbenden.
Daarbij kunnen begrippen zoals «killer acquisition» of «kralenrijgen» nader ingevuld
worden.
Informele zienswijze
De leden van de CDA-fractie achten het positief dat ondernemingen vooraf een informele
zienswijze van de ACM kunnen vragen om meer duidelijkheid te verkrijgen over de mogelijke
toepassing van de inroepbevoegdheid. Deze leden merken daarbij op dat snelheid, voorspelbaarheid
en kwaliteit van dergelijke zienswijzen cruciaal zijn voor ondernemingen die zich
in een overnametraject bevinden. De leden van de CDA-fractie vragen de initiatiefnemer
in hoeverre hij verwacht dat ondernemingen juist vanwege de open norm en de beoordelingsruimte
van de ACM in grotere aantallen gebruik zullen maken van deze mogelijkheid. Op welke
gegevens of ervaringen is de verwachting gebaseerd dat dit aantal beperkt zal blijven?
Tevens vragen deze leden hoe wordt voorkomen dat de ACM door een groot aantal verzoeken
om informele zienswijzen overbelast raakt. Hoe wordt voorkomen dat hierdoor de doorlooptijden
oplopen of dat de kwaliteit en daarmee de praktische waarde van deze zienswijzen onder
druk komt te staan? Is bij de raming van de uitvoeringskosten expliciet rekening gehouden
met een substantiële toename van dergelijke verzoeken?
Het primaire doel van de informele zienswijze is dat de ACM hiermee kennis verkrijgt
van de overname. Omdat het inhoudelijke beoordelingscriterium voor het gebruik maken
van de inroepbevoegdheid gelijk is aan het reeds bestaande beoordelingscriterium voor
het bestaande concentratietoezicht is het de verwachting dat het aantal informele
zienswijzen beperkt zal blijven. Ondernemingen en hun adviseurs kunnen immers eerst
zelf een eigen inschatting (self assessment) maken net zoals zij dat ook nu al doen.
Als gevolg van het wetsvoorstel zal in een beperkt aantal zaken die self assessment
niet eerst alleen moeten gaan over de vraag of de omzetdrempels gehaald zijn, maar
meteen ook over de vraag of er risico’s voor de mededinging zijn. In gevallen waar
duidelijke mededingingsrisico’s of grensgevallen worden verwacht ligt het voor de
hand de ACM om een zienswijze te vragen.
Mocht de ACM besluiten om een concentratie binnen te roepen zal de ACM hierover een
besluit publiceren. Een dergelijke toelichting zal waardevol zijn omdat dit inzichtelijk
maakt hoe het beleid van de ACM in de praktijk werkt, wat weer behulpzaam is voor
self assessments die daarna worden uitgevoerd. Dat geldt met name in de eerste jaren
nadat de inroepbevoegdheid is geïntroduceerd.
3. Consultatie
De leden van de VVD-fractie lezen dat een aantal organisaties tijdens de internetconsultatie
heeft aangedrongen op een verhoging van de omzetdrempels. Deze leden constateren dat
de indiener ervoor heeft gekozen de inroepbevoegdheid mogelijk te willen maken als
één bedrijf bij een overname, fusie of joint venture een omzet heeft die groter is
dan € 30 miljoen. Waarom heeft de indiener er niet voor gekozen om aan de kant van
de partij die wordt overgenomen eveneens met een omzetdrempel te werken?
De initiatiefnemer zou de leden van de VVD-fractie willen verwijzen naar het bovenstaande
antwoord op een gelijkaardige vraag van de leden van de CDA-fractie.
De leden van de CDA-fractie staan positief tegenover de mogelijkheid voor ondernemingen
om een voorgenomen fusie of overname vrijwillig via een eenvoudig (online) formulier
aan de ACM voor te leggen. Deze leden achten het van belang dat ondernemingen op een
laagdrempelige wijze vooraf duidelijkheid kunnen verkrijgen. Deze leden vragen de
initiatiefnemer echter nader toe te lichten wat de juridische status en rechtsgevolgen
zijn van een dergelijke informele zienswijze van de ACM. In hoeverre kunnen ondernemingen
hier daadwerkelijk op vertrouwen? Bestaat het risico dat ondernemingen op basis van
een informele beoordeling menen voldoende zekerheid te hebben verkregen, terwijl de
ACM op een later moment alsnog besluit de concentratie in te roepen of nader onderzoek
te starten?
Alhoewel het om een informele beoordeling gaat heeft de initiatiefnemer geen reden
om aan te nemen dat de ACM daar in een later stadium op zal terugkomen. Mocht de informele
beoordeling daar aanleiding toe geven zal de inroepprocedure in gang worden gezet.
Zo niet, mag aangenomen worden dat de ACM geen aanleiding ziet om de concentratie
nader te onderzoeken. Een voorwaarde daarvoor is uiteraard wel dat de betrokken ondernemingen
een waarheidsgetrouw beeld geven over de voorgenomen concentratie. Mocht dat achteraf
niet het geval blijken te zijn, blijft de mogelijkheid bestaan dat de concentratie
alsnog binnen de wettelijke periode ingeroepen gaat worden.
De leden van de CDA-fractie lezen dat het voorliggende wetsvoorstel niets verandert
aan de bestaande rolverdeling tussen de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) en de ACM.
Deze leden vragen de initiatiefnemer nader toe te lichten in hoeverre wordt voorkomen
dat zorgaanbieders in de praktijk met dubbel toezicht of dubbele toetsing worden geconfronteerd.
Hoe verhouden de sectorspecifieke concentratietoets van de NZa en de voorgestelde
inroepbevoegdheid van de ACM zich concreet tot elkaar? Bestaat het risico dat een
concentratie eerst door de NZa wordt beoordeeld en vervolgens alsnog door de ACM wordt
ingeroepen? Tevens vragen deze leden hoe wordt voorkomen dat dit leidt tot extra administratieve
lasten, langere doorlooptijden en meer onzekerheid voor betrokken zorgaanbieders.
De sectorspecifieke concentratietoets van de NZa ziet met name op zorgvuldigheid van
het besluitvormingsproces om tot een concentratie te komen, onder andere door de betrokken
organisaties en stakeholders daarbij te betrekken en op de gevolgen voor de continuïteit
van de zorg. Dat wil zeggen dat de NZa toestemming voor een concentratie kan weigeren
in het geval er onzorgvuldig is omgegaan met de belangen van het personeel of patiënten
of als de beschikbaarheid van bepaalde vormen van cruciale zorg in het geding is.
Het toetsingskader van de ACM is een andere namelijk het toetsen of een concentratie
leidt tot ongewenste beperking van de mededinging. Hoewel formeel beide toetsen los
van elkaar staan, is enige overlap niet te vermijden. Het voorliggend wetsvoorstel
verandert daar echter niets aan. Naar de initiatiefnemer heeft begrepen is er een
wetsvoorstel in consultatie gebracht op grond waarvan de NZa meer ruimte krijgt om
een concentratie op zorginhoudelijke gronden te toetsen. Mogelijk kan bij die gelegenheid
ingegaan worden op de genoemde overlap.
Wellicht ten overvloede zou de initiatiefnemer er voorts op willen wijzen dat de specifiek
voor de zorgsector geldende verlaagde omzetdrempels met betrekking tot het concentratietoezicht
door de ACM drie jaar geleden zijn losgelaten. Sinds die tijd gelden ook voor de zorgsector
de algemeen geldende omzetdrempels uit de Mededingingswet. Daardoor vallen aanzienlijk
minder concentraties binnen de zorgsector onder het toezicht van de ACM en zijn de
administratieve lasten voor die ondernemingen verminderd.
4. Financiële paragraaf
De leden van de VVD-fractie lezen dat volgens de indiener de ACM verwacht dat het
wetsvoorstel niet zal leiden tot extra benodigde middelen bij de toezichthouder. In
de toelichting wordt daarbij verwezen naar de verwachting dat het aantal overnames,
fusies of joint ventures dat daadwerkelijk «ingeroepen» zal worden, zeer beperkt zijn.
Dat laat onverlet dat de ACM veel meer zaken moet behandelen om te kijken of er mogelijk
sprake is van een overname, fusie of joint venture waarbij het de inroepbevoegdheid
zou willen toepassen. De leden van de VVD-fractie vragen in dit licht om een toelichting
op de stelling dat het wetsvoorstel niet tot extra benodigde middelen bij de ACM zal
leiden.
Zoals hierboven reeds in betoogd is het niet de verwachting dat er heel veel zaken
ingeroepen zullen moeten worden. Aangezien het toetsingscriterium om te beoordelen
voor de inroepbevoegdheid gelijk is aan die voor het bestaande concentratietoezicht
zullen ondernemingen die een concentratie willen aangaan aan de hand van een self-assessment
of eventueel het vragen om een informele zienswijze kunnen inschatten of een concentratie
toegestaan is. De guidance die de ACM daarbij gaat maken zal hen daarbij behulpzaam
zijn. Derhalve verwacht de initiatiefnemer dat de extra benodigde middelen voor de
ACM ook beperkt kunnen blijven.
De leden van de VVD-fractie lezen daarnaast dat de initiatiefnemer stelt dat er «slechts
geringe administratieve lasten» te verwachten zijn als dit wetsvoorstel wordt aangenomen.
Deze leden vragen de indiener of hij bereid is het wetsvoorstel voor te leggen aan
het Adviescollege Toetsing Regeldruk (ATR) en zo niet, waarom niet.
Onder verwijzing naar het bovenstaande antwoord op vragen van de VVD-fractie verwacht
de initiatiefnemer geen grote toename van de administratieve lasten. Gevoegd bij het
feit dat een jaar na inwerkingtreding van de wet een invoeringstoets is voorzien,
meent de initiatiefnemer dat het niet nodig is om het wetsvoorstel voor te leggen
aan het Adviescollege Toetsing Regeldruk.
De leden van de CDA-fractie lezen dat de toezichtskosten voor de ACM volgens de toelichting
slechts beperkt zouden toenemen en dat wordt uitgegaan van ongeveer 500 uur extra
capaciteit per jaar voor het behandelen van informele meldingen en zienswijzen. Deze
leden vragen in hoeverre deze inschatting realistisch is, gelet op de potentieel brede
reikwijdte van de voorgestelde inroepbevoegdheid en de mogelijke toestroom van verzoeken
om informele zienswijzen van ondernemingen die vooraf zekerheid wensen te verkrijgen.
De leden van de CDA-fractie vragen de initiatiefnemer om nader toe te lichten welke
aannames aan deze capaciteitsinschatting ten grondslag liggen. Is bij deze berekening
rekening gehouden met het risico dat grotere aantallen ondernemingen uit voorzorg
contact zullen opnemen met de ACM?
Tevens vragen de leden van de CDA-fractie hoe wordt voorkomen dat de ACM bij een grotere
toestroom van verzoeken onvoldoende capaciteit heeft om tijdig en zorgvuldig op dergelijke
verzoeken te reageren. Zijn er volgens de initiatiefnemer voldoende waarborgen om
te voorkomen dat ondernemingen gedurende langere tijd in onzekerheid verkeren over
een voorgenomen concentratie?
De initiatiefnemer zou de leden van de CDA-fractie graag verwijzen naar het bovenstaande
antwoord van dezelfde leden met betrekking tot de informele zienswijze. En het antwoord
op bovenstaande vragen van leden van de VVD-fractie.
De leden van de CDA-fractie vragen daarnaast hoe de prioritering binnen de ACM vorm
zal krijgen bij zowel de behandeling van verzoeken om een informele zienswijze als
het gebruik van de voorgestelde inroepbevoegdheid. Wie bepaalt welke zaken voorrang
krijgen en op basis van welke criteria wordt die afweging gemaakt?
Daarnaast vragen de leden van de CDA-fractie hoe wordt voorkomen dat de behandeling
van informele zienswijzen gaat concurreren met de inzet van capaciteit voor formele
onderzoeken en handhaving. Acht de initiatiefnemer het risico aanwezig dat de ACM
door prioriteringskeuzes minder capaciteit beschikbaar heeft voor andere mededingingsvraagstukken?
De ACM zal aan de hand van de aard en ernst van de te verwachten verstoring van de
belemmering van de mededinging prioriteren. Het is aan de toezichthouder zelf om dat
in concrete gevallen nader in te vullen. Aangezien het niet de verwachting is dat
het om grote aantallen informele verzoeken zal gaan en de initiatiefnemer van mening
is dat de capaciteit van de ACM voor de inroepbevoegdheid zal moeten worden uitgebreid,
is het niet aannemelijk dat er sprake zal zijn van te weinig capaciteit voor andere
mededingingsvraagstukken.
5. Overig
Evaluatie
De leden van de CDA-fractie merken op dat het wetsvoorstel geen evaluatiebepaling
bevat los van de invoeringstoets na één jaar. Gelet op de ingrijpende aard van de
voorgestelde bevoegdheid, de mogelijke gevolgen voor de rechtszekerheid van ondernemingen
en de onzekerheid over de uitvoeringslasten voor zowel de ACM als het bedrijfsleven,
achten deze leden een evaluatie van groot belang. Deze leden vragen de initiatiefnemer
hoe hij de evaluatie van deze wet voor zich ziet. Acht de initiatiefnemer het wenselijk
om binnen een vooraf bepaalde termijn na inwerkingtreding de werking van de wet te
evalueren? Zo ja, welke termijn acht hij daarvoor passend? Tevens vragen de leden
van de CDA-fractie of de initiatiefnemer bereid is een evaluatiebepaling in het wetsvoorstel
op te nemen.
Naar aanleiding van deze vraag van de leden van de CDA-fractie heeft de initiatiefnemer
gemeend dat het wenselijk is om vijf jaar na inwerkingtreding van de wet de doeltreffendheid
en effecten van de inroepbevoegdheid in de praktijk te evalueren. Hij dient daartoe
een nota van wijziging in.
II. ARTIKELSGEWIJS DEEL
Artikel I, onderdeel A
Artikel 49a
De leden van de PVV-fractie lezen dat de initiatiefnemer stelt dat problemen rondom
concentratievorming zich niet alleen voordoen bij grote overnames, maar ook in lokale
markten en bij relatief kleine overnames. Deze leden zijn het ermee eens dat dergelijke
overnames, zeker wanneer zij onderdeel zijn van een reeks opeenvolgende overnames,
kunnen leiden tot ongewenste marktmacht. Zij vragen daarom waarom er desondanks voor
is gekozen om als voorwaarde voor de inroepbevoegdheid op te nemen dat ten minste
één van de betrokken ondernemingen een omzet van € 30 miljoen in Nederland behaalt.
Welke potentieel schadelijke concentraties blijven hierdoor alsnog buiten het bereik
van de ACM? Wordt met dit initiatiefvoorstel beoogd de ACM de bevoegdheid te geven
om ook concentraties die onder de reguliere omzetdrempels van de Mededingingswet blijven,
alsnog te onderzoeken en zo nodig tegen te houden?
De initiatiefnemer zou de leden van de PVV-fractie graag willen verwijzen naar zijn
antwoord hierboven op gelijkaardige vragen van de leden van de D66-fractie.
De leden van de PVV-fractie wijzen erop dat de regering eerder heeft aangekondigd
de omzetdrempels voor het reguliere concentratietoezicht te willen verhogen naar € 50
miljoen. Deze leden vragen in hoeverre een dergelijke verhoging van invloed is op
het voorliggende initiatiefwetsvoorstel. Betekent een eventuele verhoging van de omzetdrempels
dat ook de in dit wetsvoorstel opgenomen omzetdrempel van € 30 miljoen wordt aangepast
naar € 50 miljoen, of staat deze drempel daar juridisch los van? Indien beide drempels
los van elkaar staan, kan de initiatiefnemer dan toelichten waarom binnen de voorgestelde
inroepbevoegdheid is gekozen voor een omzetdrempel van € 30 miljoen?
De initiatiefnemer zou de leden van de PVV-fractie graag willen verwijzen naar zijn
antwoorden hierboven op gelijkaardige vragen van de leden van de fracties van D66
en CDA.
De leden van de PVV-fractie begrijpen dat niet altijd op voorhand duidelijk is wanneer
sprake is van ongewenste lokale of regionale marktmacht. Deze leden onderschrijven
daarom het belang van een inroepbevoegdheid voor de ACM, zodat de toezichthouder kan
ingrijpen wanneer zij signalen ziet dat er ongewenste situaties ontstaan. Tegelijkertijd
merken deze leden op dat de ACM niet altijd volledig zicht zal hebben op ontwikkelingen
in specifieke markten of regio’s. Zou het daarom wenselijk zijn om een meldpunt in
te richten waar ondernemers en anderen signalen kunnen melden over mogelijk ongewenste
marktmacht of concentratievorming? Kan de initiatiefnemer toelichten of een dergelijk
meldpunt volgens hem kan bijdragen aan het tijdig signaleren van situaties waarin
gebruik van de inroepbevoegdheid wenselijk is?
De initiatiefnemer is het met de leden van de PVV-fractie eens dat ondernemers en
anderen signalen moeten kunnen doorgeven over mogelijk ongewenste marktmacht of concentratievorming.
De initiatiefnemer is bekend met het feit dat ondernemers bij de ACM melding kunnen
doen onder andere als een bedrijf zich niet houdt aan de regels ten aanzien van eerlijke
concurrentie4. Voor consumenten bestaat bij de ACM de ConsuWijzer5. Wellicht kunnen deze meldpunten ook gebruikt worden om tijdig van situaties waarin
gebruik van de inroepbevoegdheid wenselijk is te signaleren.
Artikel III
De leden van de CDA-fractie merken op dat het wetsvoorstel geen specifieke termijn
bevat voor de inwerkingtreding van de voorgestelde bevoegdheid. Zij vragen de initiatiefnemer
welke termijn hij redelijk acht tussen de aanvaarding van het wetsvoorstel en de daadwerkelijke
inwerkingtreding daarvan. Daarbij vragen deze leden in het bijzonder welke voorbereidingstijd
volgens de initiatiefnemer noodzakelijk is voor de ACM. De voorgestelde inroepbevoegdheid
lijkt immers in belangrijke mate afhankelijk van de ontwikkeling van guidance, een
leidraad en de mogelijkheid voor ondernemingen om vooraf een informele zienswijze
te verkrijgen. Voorts vragen de leden van de CDA-fractie hoe de initiatiefnemer het
risico beoordeelt dat de bevoegdheid formeel in werking treedt voordat deze ondersteunende
instrumenten voldoende zijn uitgewerkt. Acht de initiatiefnemer het wenselijk dat
de leidraad en de werkwijze rondom informele zienswijzen beschikbaar zijn voordat
de bevoegdheid daadwerkelijk van kracht wordt, mede om onzekerheid bij ondernemingen
te beperken? Tot slot vragen de leden van de CDA-fractie aan welke voorwaarden volgens
de initiatiefnemer moet zijn voldaan voordat de ACM deze nieuwe bevoegdheid op een
voorspelbare, uitvoerbare en rechtszekere wijze kan toepassen.
In antwoord op deze vragen van de leden van de CDA-fractie meent de initiatiefnemer
dat de wet niet eerder in werking dient te treden dan nadat de leidraad en de mogelijkheid
om een informele zienswijze te verkrijgen beiden beschikbaar zijn. Bovendien dient
de ACM de benodigde capaciteit te hebben om de inroepbevoegdheid te kunnen toepassen.
Het is aan het koninklijk besluit ter inwerkingtreding van de wet om hiermee rekening
te houden. Daarmee kan, naast het feit dat de inroepbevoegdheid in hoge mate gebaseerd
is op het reeds bestaande concentratietoezicht, deze bevoegdheid op een voorspelbare,
uitvoerbare en rechtszekere wijze worden toegepast.
Bushoff
Ondertekenaars
Julian Bushoff, Tweede Kamerlid
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.