Stenogram : Vastlegging van de doelen van het gebruik van het Europees strafregisterinformatiesysteem
10 Vastlegging van de doelen van het gebruik van het Europees strafregisterinformatiesysteem
Vergaderjaar 2025-2026
Vergaderingnummer 59
Te raadplegen sinds
2026-06-24Inhoudsopgave
Gerelateerde informatie
Toon alle stukken over dossier3665736657Toon alle items in vergaderingHandelingen TK 2025-2026, 59
Vastlegging van de doelen van het gebruik van het Europees strafregisterinformatiesysteem
Aan de orde is de voortzetting van de behandeling van:
-het wetsvoorstel Wijziging van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens ter vastlegging van de doelen van het gebruik van het Europees strafregisterinformatiesysteem (36657).
De voorzitter:
Dan gaan we luisteren naar de beantwoording van de zijde van het kabinet. We bespreken de Wijziging van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens ter vastlegging van de doelen van het gebruik van het Europees strafregisterinformatiesysteem. We hebben in de ochtend de eerste termijn van de Kamer gehad.
De algemene beraadslaging wordt hervat.
De voorzitter:
Ik geef graag het woord aan de staatssecretaris voor haar beantwoording.
Staatssecretaris Van Bruggen:
Hartelijk dank, voorzitter. Hartelijk dank ook dat ik hier vandaag mag staan, voor het eerst in de plenaire zaal. Het is meteen een heel mooi onderwerp, waar de verschillende inleidingen van de Kamerleden ook wel een reden tot overdenking gaven. Zo ging het over Thorbecke en de Founding Fathers. Dat is eigenlijk precies wat we vandaag met elkaar wegen. Het is heel belangrijk dat we daar een serieus debat met elkaar over kunnen voeren.
Vandaag behandelt de Kamer het wetsvoorstel over de vastlegging van een aantal doelen voor het gebruik van het Europees Strafregister Informatiesysteem, ECRIS. Het gaat om de volgende doelen, die vanochtend ook al meermaals voorbij zijn gekomen: het onderzoek in het kader van de verklaring omtrent gedrag, de vog, het advies van het bureau bevordering integriteitsbeoordeling door het openbaar bestuur, de Bibob, het geschiktheidsonderzoek naar personen die adoptiefouder of pleegouder willen worden en de beoordeling van de gevolgen voor de openbare orde en nationale veiligheid in het vreemdelingenrecht en de Rijkswet op het Nederlanderschap.
Ik wil graag vooropstellen dat de doelen waarvoor dit wetsvoorstel het gebruik van ECRIS vastlegt al sinds jaar en dag zijn vastgelegd in onze eigen Nederlandse wetgeving voor de raadpleging van de Nederlandse justitiële documentatie. Het zijn dus geen nieuwe doelen, maar wat wel nieuw is voor deze doelen, is dat ECRIS ervoor gebruikt kan worden. Het gaat hierbij om het gebruik van ECRIS voor de doelen die niet verplicht zijn volgens het EU-recht. Welke doelen zijn dan wél verplicht volgens het EU-recht? Dat zijn de strafrechtpleging, het veiligheidsonderzoek voor het werken met kinderen, het verzoek van betrokkenen om een uittreksel van een strafblad en het verlenen van vergunningen voor het gebruikmaken van stoffen waarmee explosieven kunnen worden gemaakt. De nationale wetgever heeft de ruimte om aan het gebruik van het Europese strafrechtinformatiesysteem voor niet-strafrechtelijke doelen zelf invulling te geven. Het wetsvoorstel wijzigt hiertoe de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens. Daar hebben we het vandaag over. Daarnaast regelt het wetsvoorstel dat voor dezelfde doelen informatie over veroordelingen wordt uitgewisseld tussen het Verenigd Koninkrijk en Nederland. Om dit te regelen wijzigt dit wetsvoorstel de Uitvoeringswet Handels- en Samenwerkingsovereenkomst EU - VK Justitie en Veiligheid. Ik kom daar graag straks in de beantwoording uitgebreider op terug.
Ik ga graag over tot die beantwoording en heb daar vijf blokjes voor ingericht, waarbij het eerste blok gaat over de doelen voor het gebruik van ECRIS. De tweede beantwoordingsmix gaat over migratiebeleid en de samenwerking met het VK. Dan hebben we nog de vragen die gesteld zijn over de waarborgen van het hogere recht, de adviezen van de Raad van State en de AP en als laatste diverse belangrijke andere onderwerpen die voorbij zijn gekomen.
Ik begin heel graag met de doelen. De heren Sneller en Ellian van D66 en de VVD hebben gevraagd hoe het in andere landen zit met de grondslagen voor de gegevensuitwisseling van niet-strafrechtelijke doelen. Zij zijn benieuwd of de andere EU-lidstaten onderling hiervoor informatie kunnen uitwisselen en of bij hen dus nationale grondslagen bestaan. Voor de niet-strafrechtelijke doeleinden vindt reeds informatie-uitwisseling plaats. Indien er sprake is van die informatie-uitwisseling kan ervan uit worden gegaan dat de betrokken lidstaten dit in hun nationale wetgeving hebben verankerd. Het is inderdaad wel de verantwoordelijkheid van die lidstaten zelf om een verzoek om informatie te toetsen aan hun eigen wetgeving en daarvoor dus die wettelijke grondslag ook daadwerkelijk te hebben.
Mevrouw Faber vroeg in hoeverre de lidstaten de doelen willen omarmen. Op basis van de verzoeken van andere lidstaten die de Justitiële Informatiedienst via ECRIS ontvangt, is er het beeld dat de andere lidstaten ECRIS inderdaad voor doelen gebruiken die vergelijkbaar zijn met de doelen van Nederland.
De voorzitter:
Dit leidt tot een vraag van mevrouw Faber. Mevrouw Faber.
Mevrouw Faber (PVV):
Ik heb even een vraag ter verduidelijking. Dat zijn waarschijnlijk de doelen die zijn vastgelegd door de Europese Unie. Of zijn dat de extra doelen die de staatssecretaris wil toevoegen?
Staatssecretaris Van Bruggen:
Het zijn de vastgelegde doelen. Wat betreft die extra doelen moet je natuurlijk onderling ook het vertrouwen hebben dat dat daadwerkelijk ook geregeld is. Ik kom daar later in de beantwoording iets uitgebreider op terug.
De voorzitter:
Ja. Vervolgt u uw betoog.
Staatssecretaris Van Bruggen:
Dan een vraag van mevrouw Straatman van het CDA. Zij vroeg hoe wordt beoordeeld of er sprake is van eenzelfde soort doel in de wetgeving van verschillende lidstaten en of met afzonderlijke lidstaten ook afspraken moeten worden gemaakt. Het is de verantwoordelijkheid — ik val misschien ook wel in herhaling in de verschillende beantwoordingen — van de lidstaten zelf om een verzoek om informatie te toetsen aan hun eigen wetgeving. Indien er sprake is van informatie-uitwisseling moet ervan uit worden gegaan dat de betrokken lidstaten dit in hun nationale wetgeving hebben verankerd. Met andere woorden, daar ligt geen verantwoordelijkheid voor de uitvragende lidstaat, zoals Nederland. Wij gaan daar dus onderling van uit.
Mevrouw Straatman had ook een vraag over de nota naar aanleiding van het verslag. Zij benoemt dat ik daarin aangeef dat ECRIS reeds volledig wordt gebruikt door de Raad voor de Kinderbescherming in het kader van geschiktheidsonderzoeken, door de IND in het kader van de beoordeling van de openbare orde en door Bureau Bibob in het kader van hun beoordeling. Zij vroeg of met deze opmerking aangenomen mag worden dat voor deze drie niet-strafrechtelijke doelen praktisch alle andere EU-lidstaten onderling al informatie uitwisselen en nationale grondslagen dus ook al bestaan. Het is de verantwoordelijkheid van de lidstaten zelf om een verzoek om informatie te toetsen aan hun eigen wetgeving. Indien er sprake is van informatie-uitwisseling moeten we daarvan uitgaan. Dit is, zoals ik net ook al zei, een verantwoordelijkheid die bij de lidstaat zelf ligt. Dit geldt dus ook als het gaat over die geschiktheidsonderzoeken, de beoordeling van de Bibob en de beoordeling van de IND.
Dan de vraag van mevrouw Mutluer over de gemeenten die al toegang hebben tot de Bibob. Zij vroeg of deze toegang beschikbaar blijft en waarom de toegang tot ECRIS niet wordt verruimd. Bestuursorganen, waaronder de gemeenten, hebben geen toegang tot ECRIS in het kader van de toepassing van de Wet Bibob. Bestuursorganen kunnen wel een Bibob-adviesaanvraag indienen bij het Landelijk Bureau Bibob. Het wetsvoorstel geeft het Landelijk Bureau Bibob dan een grondslag om ECRIS te gebruiken voor zijn adviezen. Indien in het kader van de Wet Bibob onderzoek nodig is naar een burger van een andere lidstaat of een burger van een derde land, biedt het advies van het Bureau Bibob dus een uitkomst. De bevoegdheid voor het gebruik van ECRIS is enkel toebedeeld aan het Landelijk Bureau Bibob, omdat dat meer dan de andere bestuursorganen waar u op doelt, dus onder andere de gemeenten, geëquipeerd is om complexe en privacygevoelige Bibob-informatie te verwerken.
Dan de vraag van mevrouw Straatman. In een eerdere schriftelijke ronde is de vraag gesteld of ECRIS ook nuttig kan zijn voor de afgifte van een vergunning op basis van de Wet wapens en munitie of op basis van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties. Daarop kwam volgens haar geen duidelijk antwoord. Worden deze vergunningaanvragen voldoende gedekt door de Wet Bibob of zie ik nog ruimte voor nut en noodzaak om ECRIS buiten het Bibob-traject beschikbaar te stellen voor deze vergunningaanvragen? Het antwoord is dat de Wet wapens en munitie en de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus momenteel worden herzien. In het kader van deze herziening wordt ook gekeken of het wenselijk is om expliciet wettelijk te regelen dat ECRIS bevraagd mag worden voor het proces van de vergunningverlening en voor de controle en het toezicht op vergunninghouders met een niet-Nederlandse nationaliteit. Mogelijk kan bij die vergunningaanvraag van niet-ingezetenen het overleggen van een vog verplicht worden gesteld, waardoor gebruik wordt gemaakt van de nieuwe mogelijkheid van het voorliggende wetsvoorstel om bij een vog standaard ECRIS te bevragen. Via bilaterale contacten wordt reeds navraag gedaan in het betreffende land van herkomst van de aanvrager.
Dan een vraag van de heer Ellian. Klopt het dat de opsporing van georganiseerde criminaliteit ook een doel is in andere lidstaten? Op grond van de EU-regelingen is het gebruik van ECRIS voor een viertal doelen al verplicht. Ik heb die ook opgenoemd in de inleiding. De doelen strekken, in lijn met het doel waarvoor ECRIS is opgericht, tot het voorkomen en bestrijden van criminaliteit. Met andere woorden, de al bestaande doelen van ECRIS waarvoor het gebruik van ECRIS tussen lidstaten op basis van EU-regelgeving al verplicht is, zijn er onder andere ten behoeve van de strafrechtpleging. De strafrechtpleging omvat juist de opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten, en daarnaast de tenuitvoerlegging van straffen en maatregelen.
Mevrouw Schilder vroeg hoeveel lidstaten op korte termijn van plan zijn om de regels omtrent ECRIS-informatie te verbreden. Ik heb geen informatie over de stand van zaken bij aanpassing van wetgeving in andere lidstaten. De Europese Commissie houdt dit bij. Ik zou zeggen dat dit ook voor mijzelf een reminder is om actief na te gaan hoe de Europese Commissie dat precies bijhoudt.
Dan kom ik bij de vraag van mevrouw Mutluer van GroenLinks-Partij van de Arbeid en van mevrouw Faber van de PVV of er bij de regering of bij andere lidstaten behoefte is om ook strafbeschikkingen via ECRIS te laten uitwisselen. De Nederlandse OM-strafbeschikking is nog altijd, zoals u beiden aangaf, bijzonder in Europa. Andere EU-lidstaten kennen wel vormen van buitengerechtelijke of vereenvoudigde afdoening, maar die zijn minder goed vergelijkbaar met de Nederlandse strafbeschikking. Het ECRIS-kaderbesluit voorziet alleen in de uitwisseling van gegevens over door de rechter uitgesproken veroordelingen. Zoals bekend heeft Nederland in het verleden wel gegevens over strafbeschikkingen via ECRIS aan andere EU-lidstaten toegezonden, maar Nederland is daarmee gestopt toen bleek dat daar geen grondslag voor was in het ECRIS-kaderbesluit. Ook voor andere vormen van buitengerechtelijke afdoening was er geen grondslag in het ECRIS-kaderbesluit. Mij is geen behoefte bekend om buitengerechtelijke afdoeningen te delen via ECRIS. Daarvoor zijn er noch uit de Nederlandse uitvoeringspraktijk noch uit andere landen signalen. Ook voor geseponeerde zaken geldt dat deze niet via ECRIS worden gedeeld.
De voorzitter:
Dat leidt tot een vraag van mevrouw Faber.
Mevrouw Faber (PVV):
Ja, een korte vraag, voorzitter. Worden de geseponeerde zaken en de beschikkingen nog wel door Nederland zelf in het systeem geregistreerd, maar niet meer gedeeld? Is dat de status?
Staatssecretaris Van Bruggen:
Ik wil graag in de tweede termijn op deze vraag terugkomen, voordat ik te snel bevestigend antwoord. Mijn beeld daarbij is nu dat dat inderdaad klopt. Ik zal deze vraag in de tweede termijn beantwoorden.
De voorzitter:
Nog een verduidelijking, mevrouw Faber?
Mevrouw Faber (PVV):
Ja, ik heb nog een andere vraag over het vorige onderwerp. Het ging allemaal heel snel. Dat is op zich goed, dus daar ben ik niet op tegen. De staatssecretaris gaf ook aan dat de vraag vanuit de Kamer hoe andere landen erin zitten en wat zij wettelijk gaan regelen, voor haar wel een reminder was om bij de Europese Commissie te vragen naar het hoe of wat. Wil de staatssecretaris de Kamer daarvan op de hoogte houden?
Staatssecretaris Van Bruggen:
Daar wil ik de Kamer graag over informeren, omdat het belangrijk is dat we onderling weten wat de Europese Commissie bijhoudt. Het kan heel helpend zijn bij de omgang met dit soort wetsvoorstellen, als we zien dat dit in andere landen op deze manier ook heel serieus wordt genomen en dat het een belangrijke bron is voor het uitwisselen van informatie.
De voorzitter:
Ja, u vervolgt uw betoog.
Staatssecretaris Van Bruggen:
Dan had mevrouw Straatman een vraag over het ECRIS-besluit. Dat kent drie typen gegevens. Dat zijn de verplichte gegevens, de facultatieve gegevens en de aanvullende gegevens. Mevrouw Straatman vroeg welke informatie nou precies valt onder de typen twee en drie. Onder de facultatieve gegevens vallen de namen van de ouders van de veroordeelden, het referentienummer van de veroordeling, de plaats waar het strafbaar feit is gepleegd en de ontzettingen als gevolg van de veroordeling. Als deze gegevens zijn opgenomen in het Nederlandse justitiële informatiesysteem Justid, dan kunnen ze worden doorgegeven via ECRIS. Dat geldt bijvoorbeeld niet voor de namen van ouders, want die worden niet in de Nederlandse justitiële documentatie geregistreerd. Onder de aanvullende gegevens vallen het identiteitsnummer van de veroordeelde, het soort identiteitsdocument, het nummer van het identiteitsdocument, de vingerafdrukken van de betrokkene en voor zover van toepassing pseudoniemen of bijnamen, en daarnaast ook gezichtsopnamen. Voor deze gegevens geldt dat ze niet zijn opgenomen in de justitiële documentatie en daarom ook niet via ECRIS worden gedeeld. Justid is de centrale autoriteit in Nederland en die beoordeelt welke gegevens er precies worden gedeeld, onder andere als het gaat over deze drie definities.
Dan kom ik op de vraag van mevrouw Schilder en de heer Sneller: hoe betrouwbaar en volledig is de informatie die we op dit moment krijgen? Iedere EU-lidstaat is gebonden aan het Europese niveau van vastgelegde vereisten van gegevensbescherming. Die moeten borgen dat er slechts juiste, nauwkeurige en volledige informatie over strafrechtelijke veroordelingen wordt verwerkt. Ik heb geen aanleiding om te veronderstellen dat de ontvangen informatie niet of minder betrouwbaar is of onvolledig is. Dat is natuurlijk ook wel het uitgangspunt. Als je informatie met elkaar deelt, mag je ervan uitgaan dat de andere landen er zo zorgvuldig als zij kunnen en zo zorgvuldig mogelijk mee omgaan.
De voorzitter:
Mevrouw Mutluer met een interruptie op dit punt.
Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
Ik snap dat de staatssecretaris aangeeft dat zij daar geen aanleiding toe ziet, maar het kan wel gebeuren. Dan heb ik de volgende heel concrete vraag. Iemand wiens gegevens verkeerd in de systemen staat, zal de behoefte hebben om dat ergens te melden. Dat moet wel helder zijn in mijn beleving. Voorzitter, met uw permissie: wij hebben deze discussie eerder gevoerd ten aanzien van zwarte lijsten van mensen die in het buitenland als crimineel worden gekwalificeerd en dan dat land niet binnen kunnen komen. Eerder hebben wij gezegd: moeten er dan geen witte lijsten komen? Dus ik vraag de staatssecretaris wat mensen moeten doen als hun gegevens verkeerd zijn opgeslagen. Wellicht komt zij daar in tweede termijn op terug.
Staatssecretaris Van Bruggen:
Ik kom daar graag in de tweede termijn op terug. Het gesprek over zwarte en witte lijsten is mij natuurlijk bekend. Ik kom graag in tweede termijn iets uitgebreider terug op de vraag of je ervan kunt uitgaan dat de lidstaten gebonden zijn aan een Europees niveau, waardoor de rechtsbescherming geregeld zou moeten zijn of in ieder geval afdoende zou moeten zijn.
De voorzitter:
Een vervolgvraag.
Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
Dat lijkt me verstandig. De kans is misschien klein, maar nogmaals, een fout is zo gemaakt. Wat gebeurt er dan? Ik vind echt dat daar wel goed over moet worden nagedacht, ten aanzien van mensen die ten onrechte ergens van worden beschuldigd.
De voorzitter:
De minister komt daar in tweede termijn op terug.
Staatssecretaris Van Bruggen:
In de tweede termijn, zeker. Dan heb ik een vraag van mevrouw Schilder. Hoe voorkom ik dat iemand een vog krijgt terwijl er in een andere lidstaat een relevante veroordeling ligt, en de wetgeving in die lidstaat het delen juist niet toestaat? Wanneer na twintig werkdagen geen reactie is ontvangen, gaat Justis over tot een inhoudelijke beoordeling van de vog-aanvraag op grond van de eventueel aanwezige justitiële gegevens in de Nederlandse justitiële documentatie. Indien er geen antecedenten bekend zijn, geeft Justis de vog af. Als de praktijk uitwijst dat niet alle landen reageren op informatieverzoeken, zal alsnog worden ingezet op het maken van bilaterale afspraken, zoals met enkele landen al is gedaan. Ik kom zo dadelijk nog terug op een belangrijk aspect van die bilaterale afspraken, in relatie tot het VK.
Dan de vraag, ook van mevrouw Schilder, of getest is in hoeveel procent van de gevallen lidstaten alles delen. Iedere EU-lidstaat heeft een eigen strafregister waarin de onherroepelijke veroordelingen zijn opgenomen die in voorkomend geval aan de EU-lidstaat van de nationaliteit van de veroordeelde burger moeten worden verstuurd. De inhoud van het strafregister en de veroordelingen die daarin geregistreerd worden, kunnen dus per EU-lidstaat verschillen. Om die reden is het niet goed mogelijk om te testen in hoeveel procent van de gevallen lidstaten alles delen.
Dan de vraag van mevrouw Faber over de foute tenaamstelling bij Justid. Anderen hebben daar ook opmerkingen over gemaakt. Dat komt er ook nog achteraan. Ik begin met de vraag van mevrouw Faber of er zaken te kwader trouw zijn gewijzigd en of de staatssecretaris de boel op orde gaat brengen bij Justid. Ik begin met het tweede. Ik breng graag overal waar ik kom de boel op orde, zeker als er op onderdelen vraagtekens zijn gerezen, zoals in dit geval bij de tenaamstellingen in vonnissen. Dat is absoluut een dossier dat bovenaan mijn lijst staat. Hier staat ook een commissiedebat over gepland op 18 juni. Dat is het commissiedebat over de strafrechtketen. Daarin kom ik inhoudelijk terug op het grote programma dat bij JenV is gestart en dat gaat over dit onderwerp. Ik heb nu geen aanleiding om te denken dat er te kwader trouw door Justid is gehandeld.
Dan de vraag van de heer Ellian: hoe betrouwbaar en volledig is de informatie die we op dit moment krijgen, en hoe staat het met de inspanningen die gepleegd moeten worden om ervoor te zorgen dat het systeem de juiste informatie bevat? Daarbij werd ook gedoeld op de problematiek van de tenaamstellingen. Ik heb dat net aan mevrouw Faber toegelicht. In de voortgangsrapportage is daar enige informatie over gegeven, maar het belangrijkste is dat we 18 juni het debat over de strafrechtketen hebben met elkaar. Daarin komen we ook verder te spreken over het onderzoek dat daar nu naar loopt en over wat voor conclusies en aanbevelingen we daaruit moeten meenemen.
De voorzitter:
De heer Sneller heeft een vraag op dit punt.
De heer Sneller (D66):
De heer Ellian noemde in zijn bijdrage dat 7% tot 8% van de gegevens uit ECRIS niet zou kloppen. Dat betreft niet alleen de Nederlandse input, maar juist ook de informatie waar mevrouw Mutluer naar vraagt. Als de staatssecretaris nu een stap terug doet, wat zouden we dan moeten doen, ook richting andere landen, om dat percentage verder naar beneden te krijgen?
Staatssecretaris Van Bruggen:
Dat is absoluut een goede vraag. Ik heb geprobeerd mijn vinger achter die 8% te krijgen, om te zien of het gaat om de informatie die via ECRIS door de verschillende landen wordt gedeeld, of om het percentage onjuiste informatie dat nu in Justid is opgeslagen. Daar wil ik in de tweede termijn iets specifieker op terugkomen. Juist in de bilaterale gesprekken gaat het ook over hoe we ervoor zorgen dat de informatie op orde is, dat we dezelfde definities hanteren, en hoe we informatie betrouwbaar met elkaar blijven delen. We zetten als Nederland nu een hele nette en formele stap. Ik wil dat heel graag verder brengen in gesprek met de partners in Europa.
Ik ben aan het einde van dit blokje gekomen.
De voorzitter:
Mevrouw Faber heeft nog een vraag voor u.
Mevrouw Faber (PVV):
Ik heb nog even een verhelderende vraag. Het rapport van de Rekenkamer stelt dat die naamfouten in Justid staan. Ik begreep — misschien heb ik het verkeerd begrepen — dat de staatssecretaris vroeg of het nu verkeerd staat in Justid of in ECRIS.
Staatssecretaris Van Bruggen:
Ja, dat ging over die 7% tot 8%. Excuus, waar doelt u op?
Mevrouw Faber (PVV):
Dat het in Justid staat.
Staatssecretaris Van Bruggen:
Dat is precies de vraag waar ik in de tweede termijn graag expliciet op terug wil komen. We gaan het debat over Justid natuurlijk nog voeren. Over de informatie die via ECRIS wordt uitgewisseld — volgens mij had de heer Ellian het daarover — moeten we met de partners in Europa praten. Hebben we het over hetzelfde systeem met dezelfde informatie-uitwisseling? Wat is jullie kwaliteitsniveau van de informatie-uitwisseling? Dat wil ik natuurlijk terug laten komen in die gesprekken.
Mevrouw Faber (PVV):
Ik begreep dat het ook om vonnissen in Nederland ging. Ik had de aanvullende vraag gesteld hoe er bijvoorbeeld met naamsveranderingen wordt omgegaan. Als iemand zijn naam laat veranderen en er nog een oude veroordeling staat geregistreerd, dan loopt dat mank. Hoe wordt daarmee omgegaan in de praktijk? Wordt daarop gecontroleerd voordat een naam wordt veranderd? Hoe gaat dat? Wordt er een extra koppeling gelegd?
Staatssecretaris Van Bruggen:
Dit is precies waar het grote onderzoek over gaat: Hoe zorgen we ervoor dat er een handelingskader is voor de medewerkers die ergens op stuiten? Waar zijn ze in het verleden op gestuit en waar kunnen ze in de toekomst op stuiten? Krijgen ze voldoende kader mee om te weten hoe ze moeten handelen? Graag ga ik daar verder over in gesprek in het commissiedebat.
De voorzitter:
Daarmee zijn we aangekomen bij het kopje migratie, begrijp ik.
Staatssecretaris Van Bruggen:
Ja, het migratiebeleid en de samenwerking met het VK. Daar zijn best een heel aantal vragen over gesteld.
Ik begin bij de vragen van mevrouw Faber en mevrouw Straatman over de samenwerkingsovereenkomst met het VK. Er werd gezegd dat de staatssecretaris aangeeft dat de gesprekken tussen het VK en de Europese Commissie nog lopen, ook in het kader van migratie en grenstoegang, met betrekking tot de informatie over het wel of niet toetreden tot ECRIS voor dit onderdeel. Wat is de stand van zaken hiervan? Kan Nederland op dit punt eventueel ook bilateraal afspraken maken met het VK? Met het Verenigd Koninkrijk zijn afspraken gemaakt over de doelen van de wederzijdse doorgifte van justitiële gegevens, onder meer ten behoeve van de beoordeling van asielaanvragen, reguliere verblijfsvergunningen en naturalisatie. Het Verenigd Koninkrijk heeft ten tijde van het maken van deze afspraken aangegeven nog niet te kunnen instemmen met de uitwisseling van strafrechtelijke gegevens aan de grens, aangezien het EU-VK-handels- en samenwerkingsakkoord, het EU-UK Trade and Cooperation Agreement, niet voorziet in het gebruik van die EU-strafgegevens aan de grens voor immigratie. Het VK voert hierover momenteel nog gesprekken met de Europese Commissie.
Nederland kan slechts in beperkte mate bilaterale afspraken maken met het Verenigd Koninkrijk over de uitwisseling van strafrechtelijke gegevens in het kader van de grenstoegang. Voor zover de Europese Unie op dit terrein gedeelde of exclusieve bevoegdheden uitoefent, is Nederland gehouden aan de kaders van het Unierecht, waaronder het EU-VK-handels- en samenwerkingsakkoord. Bilaterale afspraken zijn alleen toegestaan indien en voor zover die verenigbaar zijn met dit kader en geen afbreuk doen aan bestaande of toekomstige afspraken tussen de Europese Unie en het Verenigd Koninkrijk die onderwerp van gesprek zijn. In de praktijk betekent dit dat dergelijke gegevensuitwisseling primair plaatsvindt via of in lijn met de EU-VK-overeenkomst die ik net noemde, dus de handels- en samenwerkingsovereenkomst. Het bredere Unierechtelijke kader dient daarvan grondlegger te zijn, of "onderlegger", moet ik zeggen.
De voorzitter:
Mevrouw Faber heeft een vraag op dit punt.
Mevrouw Faber (PVV):
Maar we kunnen toch altijd bilaterale afspraken maken? Dat doet de staatssecretaris nu ook met het Verenigd Koninkrijk, want er staan gewoon een aantal punten in dit wetsvoorstel waarover ook gewoon bilaterale afspraken worden gemaakt.
Staatssecretaris Van Bruggen:
Absoluut. Zoals ik al zei, zijn over onderdelen, zoals beoordeling van de asielaanvragen, de reguliere verblijfsvergunningen en de naturalisatie, al afspraken gemaakt. Juist over dit onderdeel, het uitwisselen van strafrechtelijke gegevens aan de grens, vindt een ander gesprek plaats tussen het VK en de EU. Daarin gaan wij niet treden. Wij zeggen wel dat de gesprekken over dit onderwerp in EU-verband voor ons natuurlijk ook belangrijk zijn, maar we zoeken naar een manier om niet door een andere overeenkomst heen te gaan met de gesprekken die we op dit onderdeel voeren.
De voorzitter:
Een vervolgvraag van mevrouw Faber.
Mevrouw Faber (PVV):
Ik begrijp wel dat de staatssecretaris aangeeft daar niet tussendoor te willen fietsen, zeg ik maar even, maar het kan wel. Volgens mij kan het dus gewoon wel. Dan verbaast het me dus een beetje dat het uitwisselen betreffende de Vreemdelingenwet 2000 eruit is gehaald.
Staatssecretaris Van Bruggen:
Dat begrijp ik goed. Er is ook een amendement, dat misschien dadelijk door mevrouw Faber nog wat nader wordt toegelicht. Dan geef ik hier graag een reactie op. Ik begrijp goed de gedachte dat we op alle onderdelen bilaterale gesprekken kunnen voeren. Tegelijkertijd, en dat zeggen we hier natuurlijk ook, moet dat zorgvuldig gebeuren op het moment dat er ten aanzien van andere akkoorden of verdragen afspraken gemaakt worden. Die ruimte moet er zijn, dus we zoeken naar de mogelijkheid om de druk erop te houden. Volgens mij zouden we wat dat betreft in het gesprek dat we met elkaar hebben hierover, nader tot elkaar kunnen komen.
Dan de vraag van mevrouw Faber hoe het zit met de derdelanders die een visum nodig hebben. Onderdanen van visumplichtige landen moeten een visum aanvragen, terwijl onderdanen van visumvrije landen — u noemde het al — een ETIAS-autorisatie moeten aanvragen. Welke verplichting geldt, hangt af van de status van het land: visumplichtig of visumvrij. Zo zit het dus met de derdelanders.
De voorzitter:
Ik zie mevrouw Faber naar de interruptiemicrofoon rennen.
Mevrouw Faber (PVV):
Ja, dat scheelt weer tijd. Ik had daar een aanvullende vraag bij. Ik weet dat je als je visumvrij reist, een reisautorisatie aan moet vragen. Dat gaat dan via ETIAS. Maar wordt er dan ook gecontroleerd in ETIAS? Of nee, in ECRIS. Sorry, al die namen!
Staatssecretaris Van Bruggen:
Al die namen overvallen mij af en toe ook een beetje! Maar ik ga dat even na. Dan kom ik er in tweede termijn graag bij u op terug.
Mevrouw Faber (PVV):
Ik heb nog een aanvullende vraag. Er zijn derdelanders die wel een visum aan moeten vragen. Wordt dat dan gecontroleerd in ECRIS of anderszins?
Staatssecretaris Van Bruggen:
Ik begrijp de vragen goed en kom er graag in de tweede termijn even op terug.
Mevrouw Straatman vroeg: "Justis stelt dat aan het gebruik van de vog bij alle derdelanders politieke risico's verbonden zijn en beveelt aan om ECRIS-TCN niet bij alle vog-aanvragen voor derdelanders te gebruiken. Wat is uw reactie hierop?" De zorg bij Justis zag op de situatie waarin ECRIS-TCN een hit zou geven, maar de lidstaat geen gegevens van veroordelingen zou verstrekken. Justid, en ten aanzien van die verstrekking wellicht ook Justis, zou dan kennis hebben van de aanwezigheid van een EU-veroordeling, maar geen informatie over de veroordeling zelf ontvangen. Als er geen andere weigeringsgrond is, zal de vog moeten worden verstrekt. Dat is de simpele conclusie die dan getrokken moet worden. Justis is hierop teruggekomen in de aanvulling op de uitvoeringstoets. Uit nader onderzoek is gebleken dat het risico zoals geschetst niet zo zwaar wordt ingeschat. Het is goed om ECRIS-TCN wél in alle gevallen toe te passen, omdat er meer EU-lidstaten zijn die wel reageren en het zou zonde zijn als je de informatie uit die landen dan ook niet opvraagt en meeweegt. Als de praktijk uitwijst dat niet alle landen hierop reageren, dan zal alsnog ingezet worden op het maken van afspraken daarover.
Dan de vraag van mevrouw Faber over de status van ETIAS. Die komt eigenlijk terug in de tweede termijn. ETIAS wordt momenteel geïmplementeerd en zal naar verwachting in het vierde kwartaal van 2026 operationeel zijn.
Dan de vraag van mevrouw Schilder: "Wat wordt er op dit moment gedaan om ook goede afspraken en afwegingen te maken voor de groep derdelanders? Hoe weten we wat ze gedaan hebben buiten en binnen de EU? Wanneer wordt TCN operationeel?" Ik heb net antwoord gegeven op de laatste vraag. Voor het eerste gedeelte geldt: op dit moment worden gegevens van derdelanders niet betrokken bij de beoordeling, want justitiële gegevens uit het land van herkomst kunnen alleen bij dat betreffende derde land worden opgevraagd. ECRIS-TCN is nog niet operationeel. Dat volgt dus richting het einde van dit jaar. Dat houdt verband met de vertragingen die bij eu-LISA zijn ontstaan. Dat heeft u in de stukken ook kunnen lezen. Dat is het agentschap van de EU voor het beheer van de grote IT-systemen ten behoeve van de uitvoering van het EU-beleid op het gebied van justitie en binnenlandse zaken.
Mevrouw Faber vroeg: "Internationaal zijn er inspanningen voor de vog, maar niet voor migratie. Waarom zouden we niet zo snel mogelijk afspraken maken over het uitwisselen van informatie van veroordeelden met een migratieachtergrond?" Het is complexer om met landen buiten de EU, dus met derde landen, strafrechtelijke gegevens te delen. Daar heb ik net ook iets over gezegd. Dat komt door de waarborgen op het gebied van privacy, maar ook doordat andere vragen minder gemakkelijk te beantwoorden zijn en per land en geval opnieuw moeten worden bezien. Daarom zijn er geen generieke afspraken zoals bij de vog-uitwisseling binnen de EU.
U vraagt: zijn er internationaal wel inspanningen voor de vog? De inspanningen zijn daar natuurlijk altijd op gericht. Je moet dus nagaan dat je ook in Nederland en vice versa wilt weten of mensen ergens anders in een strafrechtdossier voorbijkomen op het moment dat we de wens hebben om die informatie met elkaar te delen. Natuurlijk zijn de inspanningen daarop gericht, maar het is niet zo eenvoudig als het lijkt om daar afspraken over te maken.
Dan de vraag van de heer Ellian: als je nu niet de wettelijke mogelijkheid creëert om in het registratiesysteem met de Britten samen te werken, moet er dan later weer een nieuw wetsvoorstel langs de Kamer? Hierover kan ik kort zijn: feitelijk is dat zo; daar is weer een wetswijziging voor nodig. We zoeken dus ook naar mogelijkheden om dat misschien te voorkomen, maar de facto is dat zo. Doelen voor het gebruik van ECRIS liggen gewoon vast in de wet en dat is maar goed ook. Een wijziging hiervan zal moeten gebeuren via een wetswijziging.
Hier heb ik een lijntje naar het amendement. Het belangrijkste is dat we kijken naar wat de mogelijkheden zijn, juist op het moment dat er ruimte is om het uitgangspunt te nemen dat we informatie met het VK willen delen. Daar vraagt het amendement ook om.
Voorzitter, is bekend of het amendement er is?
De voorzitter:
Hebben we het over het amendement op stuk nr. 7 van mevrouw Faber?
Staatssecretaris Van Bruggen:
Ja.
De voorzitter:
Dat maakt onderdeel uit van de beraadslaging.
Staatssecretaris Van Bruggen:
Prima, heel goed. Daarom is het goed dat ik er op dit moment dan ook een antwoord op geef. Wat mij betreft strekt het amendement ertoe dat de uitzondering voor gegevensdeling met het VK inzake de beoordeling van de criteria voor openbare orde en nationale veiligheid in bepaalde procedures van het migratierecht wordt geschrapt. Mijn appreciatie is als volgt. We leggen de andere doelen met dit wetsvoorstel vast in de wet. Nieuwe doelen vergen dus een wetswijziging, zoals ik net zei. Dat kwam ook naar voren in mijn eerdere beantwoording. De handels- en samenwerkingsovereenkomst, HSO, is ook een wet. We weten dat het Verenigd Koninkrijk nu geen justitiële gegevens doorgeeft voor de verlening van toegang tot Nederland van de vreemdeling aan de grens. Wederzijdse doorgift is een noodzakelijke voorwaarde voor deze samenwerking. We kunnen het doel dus niet al in de wet, in de HSO, zetten. Maar met mevrouw Faber en anderen hoop ik dat de uitkomst van de onderhandelingen met het VK ertoe zullen leiden dat deze uitzondering kan vervallen. Daarom zou ik graag ambtelijke bijstand verlenen aan mevrouw Faber, om het voorstel zo vorm te geven dat eerst de uitzondering wel geldt, maar dat een aparte wijziging om die uitzondering te schrappen later, voor de inwerkingtreding, ook meteen vervalt op het moment dat de afspraken zijn gemaakt. Dan hoeven we dus niet het hele nieuwe wetstraject te doorlopen. Dan kan de inwerkingtreding van de aparte wijziging, en feitelijk daarmee ook de uitzondering, vervallen. Ik moet het amendement in de huidige vorm op dit moment wel ontraden, maar ik doe dus graag het aanbod om ambtelijke bijstand daarop te verlenen.
De voorzitter:
Het amendement op stuk nr. 7 is door de staatssecretaris ontraden. Zij heeft mevrouw Faber een aanbod gedaan. Ik denk dat zij daar nu op ingaat.
Mevrouw Faber (PVV):
Dank aan de staatssecretaris. Als ik de staatssecretaris goed begrijp, zou het mogelijk zijn om het juridisch zo te regelen dat zo'n artikel geactiveerd wordt op het moment dat er een overeenkomst met de VK is. Heb ik dat goed begrepen?
Staatssecretaris Van Bruggen:
Exact. Dat is precies wat het is.
Mevrouw Faber (PVV):
Dan heb ik een nadere vraag. Ik had ondertussen bij Bureau Wetgeving ook al het een en ander nagevraagd. Dat zegt dat het niet mogelijk is om de inwerkingtreding zo in te stellen dat die afhankelijk is van de instemming van het VK. Ik wil de staatssecretaris natuurlijk heel graag geloven in dezen, maar ik wil wel graag weten — het is een beetje een simpele vraag — of het klopt. Ik neem aan dat de staatssecretaris overleg heeft gehad met haar juristen.
De voorzitter:
Mevrouw Faber, volgens mij moeten we het volgende doen, want anders is het niet meer te volgen. Het amendement dat nu onderdeel van de beraadslaging is, is ontraden. De staatssecretaris heeft het aanbod gedaan om met u te kijken naar een nieuw dan wel aangepast amendement. Ook op dat nieuwe amendement hebben we een reactie van de staatssecretaris nodig. Het is dus prettig, zeg ik richting de staatssecretaris, als we daar voor de stemming op schrift een reactie op hebben. Dan weten we het oordeel van de staatssecretaris. Ik ga ervan uit dat het aanbod van de ambtelijke bijstand niet voor niets wordt gedaan. Vervolgens stemmen we erover. De discussie over hoe het eruitziet, zou ik dan dus eigenlijk willen verplaatsen naar het overleg met de ambtelijke ondersteuning dat u wordt aangeboden.
Mevrouw Faber (PVV):
Dat begrijp ik. Ik ben natuurlijk ook blij met de ambtelijke ondersteuning. Maar dan hebben we wel even iets meer tijd nodig. Ik weet niet wanneer de stemming op de rol staat, maar we hebben dan natuurlijk wel een extra week nodig om dat te regelen. We zitten namelijk ook met Pasen. Ik neem aan dat de juristen dan niet doorwerken. Ik wil wel doorwerken, maar …
De voorzitter:
De stemming over het amendement en het wetsvoorstel was voorzien op dinsdag 14 april. Dat maakt dus eigenlijk dat we vrij ruim in de tijd zitten.
Mevrouw Faber (PVV):
Voorzitter, dan lijkt me dat een mooie handreiking. We gaan gauw aan de slag om dat te regelen. Dank u wel.
De voorzitter:
Oké, dank u wel. Klopt het dat we hiermee naar het derde blokje, waarborgen, gaan?
Staatssecretaris Van Bruggen:
Dat klopt helemaal, voorzitter. We gaan naar de waarborgen van het hoge recht. Daar zijn door de heer El Abassi van DENK veel vragen over gesteld. Ik begin met de vraag waarom de gegevensdeling via ECRIS nodig is voor niet-strafrechtelijke doelen en wat in dezen rechtsstatelijk wenselijk is. Het belang van het vastleggen van de andere doelen van het gebruik van ECRIS is juist gelegen in onze rechtsstaat. Het gebruik van ECRIS betreft een verwerking van persoonsgegevens. Met de verwerking van persoonsgegevens worden de grondrechten van de betrokkene beperkt. Het betreft de grondrechten op de bescherming van het privéleven en de bescherming van de persoonsgegevens. De beperking van grondrechten moet bij wet worden gesteld. Daarom kiezen we ervoor om dat op deze manier netjes en formeel te doen, met de goeie waarborgen en afweging. Als het over de beperking van grondrechten is dat wel belangrijk. Zo maak je het ook voorzienbaar voor de burger.
Dan de vraag van mevrouw Schilder hoe ik wil voorkomen dat niet voor iedereen dezelfde regels gelden. Het gebruik van ECRIS beoogt mogelijk te maken dat de relevante veroordelingen uit andere lidstaten ook betrokken kunnen worden bij bijvoorbeeld een vog-aanvraag. Om een zo volledig mogelijk beeld te krijgen van iemands justitieel verleden is het van belang dat andere lidstaten gegevens over veroordelingen onderling delen via ECRIS. Dit is misschien niet helemaal het blokje hoger recht, maar het is wel belangrijk. Ik zet in op multilaterale afspraken op EU-niveau om de uitwisseling voor een bepaald doel met elkaar goed te kunnen regelen.
Er was een vraag van de heer El Abassi over dat het systeem een forse inbreuk vormt op het recht van privacy. Ik ben het eens met de heer El Abassi dat de verwerking van strafrechtelijke persoonlijke gegevens in zeer ernstige mate inbreuk kan maken op het recht op bescherming van het privéleven. In het nader rapport heeft de regering dit ook erkend. Het is betrokken bij de evenredigheidsbeoordeling van het gebruik van ECRIS. Ik wijs er ten slotte nog op dat het gebruik van justitiële gegevens voor de doelen die in het wetsvoorstel staan, al vele jaren in de wetgeving is vastgelegd in Nederland. Het wetsvoorstel voegt in dit opzicht slechts toe dat voor deze doelen ook ECRIS kan worden geraadpleegd.
De volgende vraag van de heer El Abassi ging over het ontbreken van een helder overzicht van de gegevens die worden verstrekt en hoe dat zich verhoudt tot de eisen van voorzienbaarheid en duidelijkheid. De justitiële en strafvorderlijke gegevens over veroordelingen die via ECRIS worden verstrekt, zijn vastgelegd in het besluit. Het betreft gegevens die op grond van het ECRIS-kaderbesluit verplicht moeten worden verstrekt. Hiermee wordt voldaan aan de eisen van de voorzienbaarheid en duidelijkheid.
De heer El Abassi vroeg ook of ECRIS niet een grote inbreuk vormt op de privacy, ook gelet op de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie. Ik had 'm misschien aan die vorige vraag kunnen koppelen. Vanwege het evenredigheidsbeginsel uit het Handvest van de grondrechten van de EU, is het van belang dat het gebruik van ECRIS een legitiem doel dient en daarvoor geschikt en noodzakelijk is. Een beperking van grondrechten moet bij wet worden gesteld. Daarmee is de beperking van de grondrechten toegankelijk en voorzienbaar voor elke burger. De mate van de beperking van die grondrechten is betrokken bij de evenredigheidsbeoordeling van het gebruik van ECRIS en ECRIS-TCN voor de in het wetsvoorstel genoemde doelen. Het betreft de grondrechten op de bescherming van het privéleven en bescherming van de persoonsgegevens, zoals ik net zei. Ook in andere lidstaten van de EU worden andere doelen van het gebruik van ECRIS bij wet vastgelegd.
Dat was het blokje hoger recht.
De voorzitter:
Dat leidt tot een vraag van de heer Sneller.
De heer Sneller (D66):
Ik dacht: hij moet in de doelen zitten of in dit blokje. Maar mijn vraag is niet langsgekomen. Mijn vraag was of een aanpassing van dat Besluit justitiële en strafvorderlijke gegevens zou kunnen op grond van de wettelijke basis zoals hier voorgesteld. Het gaat om de artikelen 6 tot en met 9, waarin wordt geregeld welke andere gegevens er eventueel kunnen worden verzameld en kunnen worden gedeeld.
Staatssecretaris Van Bruggen:
Ik herinner me de vraag zeker. Ik kom daar graag in de tweede termijn op terug, want hij zit nu gewoon even niet bij de beantwoording, maar het is een heel heldere vraag waar ik ook een heel helder antwoord op zou moeten kunnen geven.
De voorzitter:
We gaan naar de adviezen van de Raad van State en de Autoriteit Persoonsgegevens, als ik het goed heb. Klopt dat?
Staatssecretaris Van Bruggen:
Klopt, we zijn bij de adviezen. We beginnen bij de vraag die de heer El Abassi gesteld heeft: waarom worden de zwaarwegende adviezen van de AP en de Raad van State niet opgevolgd? In een interruptie werd er ook al even aan gerefereerd. Naar aanleiding van het advies van de Autoriteit Persoonsgegevens is verduidelijkt welke gegevens over strafrechtelijke veroordelingen via ECRIS worden uitgewisseld. Het betreft gegevens om de betrokkene te identificeren, zoals een naam, een geboortedatum, een geboorteplaats, en gegevens over de veroordeling, dus onder andere het strafbare feit, de pleegdatum en de datum van veroordeling. Dit is in het ECRIS-kaderbesluit vastgelegd in artikel 11. Verder is naar aanleiding van het AP-advies het wederkerige karakter van het gebruik van ECRIS verder verduidelijkt. Via ECRIS worden uitsluitend verzoeken van centrale autoriteiten van andere lidstaten beantwoord die betrekking hebben op doelen waarvoor het gebruik van ECRIS is verplicht op grond van EU-regelingen of doelen die zijn opgenomen in dit wetsvoorstel.
Ten aanzien van de rechtszekerheid merkt de AP op dat onvoldoende duidelijk is in welke gevallen via ECRIS om de doorgifte van justitiële gegevens wordt verzocht. In de toelichting is verduidelijkt dat dit het geval is indien de betrokkene mede de nationaliteit heeft van een andere lidstaat of indien uit raadpleging via ECRIS-TCN volgt dat de betrokkene in een andere lidstaat is veroordeeld. In beide gevallen wordt het verzoek uitsluitend gericht aan de desbetreffende lidstaat. In andere gevallen ontbreekt de noodzakelijkheid voor het gebruik van ECRIS, omdat er geen aanleiding zal zijn voor de veronderstelling dat een andere lidstaat beschikt over de justitiële gegevens van de betrokkene. Het gebruik van ECRIS is dan niet toegestaan. De Wjsg en het EU-recht vormen het kader en geven de waarborgen voor het gebruik van ECRIS. De toetsing aan de noodzakelijkheid is juist hierin neergelegd. Ten slotte is de toelichting op het advies van de AP aangevuld met een onderbouwing van de noodzakelijkheid per doel.
Dan het advies van de Raad van State. De vragen die daarover gesteld zijn, neem ik in één adem mee. In het advies van de Raad van State staan twee opmerkingen bij de concept-memorie van toelichting. Het nader rapport bevat een reactie op die opmerkingen. Ten eerste is in de memorie van toelichting nader ingegaan op de categorieën persoonsgegevens die via ECRIS worden doorgegeven. De Raad van State merkt op dat het ECRIS-kaderbesluit ruimte geeft voor de doorgifte van andere categorieën persoonsgegevens dan vermeld in de memorie van toelichting. Echter, die andere categorieën persoonsgegevens worden alleen doorgegeven voor zover die in het nationaal strafregister aanwezig zijn of bij de centrale autoriteit voorhanden zijn. Dat is niet het geval.
Ten tweede merkt de Raad van State op dat in de context van de Algemene verordening gegevensbescherming de verwerking van strafrechtelijke persoonsgegevens in zeer ernstige mate inbreuk kan maken op het recht van bescherming van het privéleven. In het nader rapport is aangegeven dat het door de regering wordt erkend en dat het is betrokken bij de evenredigheidsbeoordeling van het gebruik van ECRIS. Ik wijs er ten slotte graag nog op dat het gebruik van justitiële gegevens voor de doelen die in het wetsvoorstel worden vastgelegd, al vele jaren in de Nederlandse wetgeving is vastgelegd.
Ik heb nog een aanvulling op het antwoord op deze vraag. In de beantwoording gaat het ook over wat de Raad van State en de Autoriteit Persoonsgegevens precies hebben vermeld en over hoe we kunnen komen tot inzicht in wat wel en niet verwerkt is. Ik begrijp dat mijn voorgangers daar ook al ruimhartig mee zijn omgegaan. Ik wil u absoluut zo veel mogelijk de ruimte geven om te zien hoe het verwerkt is in de memorie van toelichting, zodat u kunt meenemen hoe wij dat als regering zien. Het is belangrijk dat we dat doen met track changes, zodat het helder wordt.
De heer Sneller vroeg of de consultatieversie die aan de Autoriteit Persoonsgegevens is voorgelegd, alsnog naar de Kamer kan worden gezonden. Ik heb goed nieuws. Die is openbaar te vinden op internetconsultatie.nl, maar ik kan die zeker ook nog nazenden.
Dit was het blokje over de adviezen van de Autoriteit Persoonsgegevens en de Raad van State.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan komen we nu aan bij de overige …
Staatssecretaris Van Bruggen:
Bij diverse andere belangrijke onderwerpen.
Mevrouw Faber vroeg of er bij naamswijzigingen in de justitiële documentatie wordt gecontroleerd op de aanwezigheid van eventuele vonnissen en, zo ja, welke maatregelen er worden genomen om fouten te voorkomen. Bij naamswijzigingen wordt niet op de aanwezigheid van vonnissen gecontroleerd. Dat is het simpele antwoord.
Mevrouw Straatman vroeg: is ECRIS-TCN al operationeel? Daar heb ik al op geantwoord. ECRIS-TCN is nog niet operationeel. Het zal aan het einde van het jaar operationeel zijn. Dat houdt verband met de vertragingen bij eu-LISA, het agentschap voor het beheer van de grote IT-systemen ten behoeve van Justitie en Binnenlandse Zaken.
De voorzitter:
Er is nog een vraag van mevrouw Faber. Ik neem aan dat die nog over het vorige punt gaat.
Mevrouw Faber (PVV):
De staatssecretaris geeft aan dat er bij naamsveranderingen niet wordt gecontroleerd op eventuele aanwezige vonnissen. Maar zou daar niet wel op gecontroleerd moeten worden? Zou de staatssecretaris bereid zijn om dat in werking te stellen?
Staatssecretaris Van Bruggen:
Ik voer dat gesprek heel graag op het moment dat we het hebben over de tenaamstellingen van vonnissen. We gaan nog een gesprek voeren over Justid richting de zomer. Op dit moment voel ik die urgentie niet. We gaan het er nog over hebben.
De voorzitter:
Dat komt terug in een debat voor de zomer.
Staatssecretaris Van Bruggen:
De heer Sneller vraagt naar de 38.000 verwachte extra bevragingen van ECRIS. Hij zegt: acht landen en niet alle EU-nationaliteiten. Dat zou afbreuk doen aan de effectiviteit en de reikwijdte. De kosten zijn 1,5 miljoen. Misschien liggen ze niet zo hoog als ze nu geraamd worden, maar toch. Hoe zit het nu precies met de uitvoeringsconsequenties? De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat je niet op voorhand kunt zeggen hoeveel lidstaten wel en niet zullen reageren. In eerste instantie zal de inzet van Justis ten behoeve van de bevragingen juist wel bestaan, maar de praktijk moet het echt gaan uitwijzen. We moeten hier steeds het gesprek blijven voeren over hoe belangrijk we het vinden dat we de juiste informatie krijgen. Het zou fantastisch zijn als de uitvoeringsconsequenties meevallen en het uiteindelijk allemaal minder geld kost, maar dan heb ik het alleen nog maar over de middelen. Daarnaast heb je de uitvoering en de druk die je bij een organisatie kunt ervaren. Tegelijkertijd valt niet op voorhand te zeggen hoeveel lidstaten erop zullen reageren.
Dan de vraag van mevrouw Mutluer. Ten behoeve van de procedures binnen het migratierecht en het nationaliteitsrecht wordt ECRIS reeds toegepast. Ligt het tegen die achtergrond voor de hand dat het wettelijk vastleggen van deze bestaande praktijk geen wezenlijke verandering met zich meebrengt voor de werkwijze of de uitvoeringslast van de IND? Dat ligt mogelijk in het verlengde van de vorige vraag. Dat klopt. Het wettelijk vastleggen van de huidige praktijk zal geen wezenlijke verandering met zich meebrengen voor de werkwijze of de belasting van de IND. Mocht mevrouw Mutluer andere signalen ontvangen, dan hoor ik dat natuurlijk heel graag. Maar ik heb nu geen aanleiding om dat aan te nemen.
Dan de vraag van de heer Sneller … Dit is best een lang antwoord, maar ik zal het toch proberen.
De voorzitter:
Wilt u voordat u het antwoord krijgt, eerst de vraag stellen, meneer Sneller? Ja, dat wilt u!
De heer Sneller (D66):
Als u het zo stelt, voorzitter ... Nee, mijn vraag gaat nog over de bevragingen en de financiële consequenties, ook omdat er geen evaluatiebepaling in de wet zit. Die wil ik er ook niet in amenderen, maar ik heb wel het gevoel dat de begroting niet heel ruim is. Daar wordt 1,5 miljoen voor geraamd. Dat bedrag is gebaseerd op iets waarvan we eigenlijk nu al kunnen zeggen, mede op basis van de beantwoording nu maar ook op basis van de schriftelijke beantwoording van vragen van de CDA-fractie in de nota naar aanleiding van het verslag, dat het niet realistisch is, namelijk dat alle landen gaan meedoen. Dat is mede zo omdat ze zelf een wettelijke grondslag moeten hebben et cetera et cetera. Dus hoe worden we de komende tijd op de hoogte gehouden van het aantal landen dat daadwerkelijk gaat meewerken aan de ene kant, en van de financiële realisatie aan de andere kant?
Staatssecretaris Van Bruggen:
Het is absoluut ook mijn bedoeling om daar zo helder en transparant mogelijk over te zijn. Ik ben in dit geval wellicht liever wat ruimhartiger in het begroten van wat we daarvoor nodig hebben, dan dat er steeds weer een plus bij komt. Want het is juist zo belangrijk dat we dit met al die landen gaan doen. Tegelijkertijd wil ik op het moment dat er ruimte ontstaat, de eerste zijn die zegt dat het allemaal niet nodig blijkt te zijn. Maar dan heb ik wel een gesprek te voeren, want dit is wel wat we natuurlijk verwachten. Ik denk dus dat we elkaar daarin zeker tegemoet moeten kunnen komen. Laat ik zeggen dat ik in ieder geval na de zomer een eerste beeld kan hebben. Dan kan ik daar schriftelijk op terugkomen, zodat we wellicht kunnen zien wat het dan begrotingstechnisch doet.
Dan de vraag van de heer Sneller waar ik net al half mee begon: kan de wettelijke basis die we hier vandaag bespreken een eventuele wijziging van het Besluit justitiële en strafvorderlijke gegevens dragen? Dat is de vraag waar de heer Sneller aan het begin van het debat al even aan refereerde. Het voorstel dat we vandaag bespreken, legt de doelen voor het gebruik van ECRIS vast in de wet. Dat is geen nieuws. Via ECRIS worden voor deze doelen gegevens over de veroordelingen verstrekt binnen het kader dat het ECRIS-kaderbesluit en het Bjsg hiervoor geven. Het treft alleen de gegevens die op basis van het ECRIS-besluit verplicht zijn. De niet-verplichte gegevens worden op grond van het besluit daarom niet verwerkt in de justitiële documentatie en daarom niet door de Nederlandse autoriteit via ECRIS doorgegeven. Via een eventuele wijziging van dit besluit kunnen de te verstrekken gegevens worden uitgebreid, voor zover dat binnen het kader van het ECRIS-besluit blijft. Zolang het binnen het kader blijft, kan het besluit worden gewijzigd. Blijft het niet binnen het kader, dan kunnen we niet zomaar, in welke situatie we ook komen, het besluit wijzigen. Dat is misschien wel de simpele uitleg.
De voorzitter:
Dat leidt tot een vraag van de heer Sneller.
De heer Sneller (D66):
Hoeveel ruimte zit er dan tussen die twee cirkels die de staatssecretaris als het ware schetst? Wat kan er nog worden toegevoegd aan het besluit dat hangt onder de Wjsg maar wel binnen het kaderbesluit blijft? Voor dát deel is de vraag: kan dat ook, op basis van de noodzakelijkheidsargumentatie uit deze wet?
Staatssecretaris Van Bruggen:
Ik kom daar in de tweede termijn graag uitgebreider op terug, omdat ik nu niet goed kan inschatten of we heel duidelijk hebben wat dan precies die ruimte wel of niet is. Ongetwijfeld kan ik daar in tweede termijn iets duidelijker op antwoorden.
Dan de vraag van mevrouw Mutluer: hoe wordt in de praktijk geborgd dat de evenredigheidstoets daadwerkelijk wordt uitgevoerd? En wie houdt hier toezicht op? Voor de verwerking van justitiële gegevens geeft de Wjsg regels en waarborgen. Die regels en waarborgen gelden ook voor de raadpleging van ECRIS en voor de doelen waarin dit wetsvoorstel voorziet. Dat houdt onder meer in dat justitiële gegevens slechts mogen worden verwerkt voor zover dit noodzakelijk is voor, bij of krachtens de in de Wjsg geformuleerde doeleinden. De gegevens mogen voor welbepaalde, uitdrukkelijk omschreven en legitieme doeleinden worden verwerkt en niet op een met die doeleinden onverenigbare wijze worden verwerkt. Dit is ook een zin waarvan je denkt: dat kan ik misschien wat simpeler omschrijven. We hebben natuurlijk afspraken met elkaar gemaakt over hoe je juist die gegevens wel en niet mag delen. De gegevens mogen als ze niet verenigbaar zijn met het welbepaalde, uitdrukkelijk omschreven en legitieme doel, niet verwerkt worden. Op de gegevensverwerking moet toereikend, ter zake dienend en niet bovenmatig ... Sorry, ik kom hier misschien ook niet helemaal uit.
De voorzitter:
Mevrouw Mutluer met de vraag: wat staat hier nou eigenlijk?
Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
Ik denk meer dat de kijker nu denkt: waar gaat dit over? Ik stel voor dat we dit in jip-en-janneketaal even goed uitleggen, opdat het ook voor de Handelingen helder is wanneer en hoe die evenredigheidstoets plaatsvindt en wie daar uiteindelijk toezicht op houdt.
De voorzitter:
Ja, dat komt in de tweede termijn.
Staatssecretaris Van Bruggen:
De vraag van mevrouw Straatman is de laatste. "Uit de uitvoeringstoets van Justis blijkt dat Ierland niet altijd de gegevens verstrekt bij vog's voor werken met kinderen. De aanbeveling is om dit met Ierland te bespreken voor de implementatie van ECRIS-TCN. Kan de staatssecretaris een update geven over de gesprekken met Ierland?" Het beeld dat Ierland niet altijd gegevens verstrekt bij vog's voor werken met kinderen lijkt inmiddels achterhaald, maar ik wil zeker wel toezeggen dat ik dat naga. De genoemde uitvoeringstoets dateert uit 2021 en geeft daarmee geen actueel beeld van de huidige praktijk. Recente cijfers laten zien dat de gegevensuitwisseling is verbeterd. In 2025 bedroeg de gemiddelde doorlooptijd ongeveer vier dagen. Ik kom daar graag ook schriftelijk op terug, omdat het belangrijk is dat u die informatie vanuit de uitvoeringstoets ontvangt.
De voorzitter:
Dank u wel.
Staatssecretaris Van Bruggen:
Daarmee ben ik aan het einde gekomen van de beantwoording van deze vragen.
De voorzitter:
Dan dank ik de staatssecretaris voor de beantwoording in eerste termijn. Ik wil voorstellen om voor een enkel moment te schorsen, echt een minuut of twee, drie. Daarmee vindt er ook een kleine wisseling van voorzitter plaats. Een andere persoon zal in deze stoel plaatsnemen voor de tweede termijn. Mevrouw Mutluer kijkt mij indringend aan. Help ik u met vijf minuten? Vijf minuten schorsen en dan gaan we direct over tot de tweede termijn van de zijde van de Kamer. Ik schors voor vijf minuten.
De vergadering wordt van 13.50 uur tot 13.56 uur geschorst.
Voorzitter: Van der Lee
De voorzitter:
Ik heropen de vergadering. Aan de orde is de voortzetting van het debat over de Wijziging van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens ter vastlegging van de doelen van het gebruik van het Europees strafregisterinformatiesysteem — een heel mooi scrabblewoord. We gaan verder met de tweede termijn van de zijde van de Kamer. Als eerste ga ik het woord geven aan mevrouw Faber. Zij voert dat woord namens de fractie van de PVV. U mag nog even plaatsnemen, mevrouw de staatssecretaris, want de Kamer doet haar tweede termijn en daarna bent u weer aan de beurt. Gaat uw gang, mevrouw Faber.
Mevrouw Faber (PVV):
Dank u wel, voorzitter. Ten eerste wil ik de staatssecretaris bedanken voor haar beantwoording en haar toegestoken hand wat betreft het amendement op stuk nr. 7. Daar gaan we mee aan de slag. Ik denk dat we er wel uit gaan komen. Tot zover dank.
Dan geeft de staatssecretaris aan dat er een commissiedebat is over de strafrechtketen en dat daar ook zaken in besproken worden betreffende het op orde brengen van zaken bij Justis, ook inzake ECRIS. Ik heb daar nog wel twee moties over, maar ik hoop dat u die gewoon ziet als aanmoediging.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat ECRIS de infrastructuur biedt om informatie tussen de lidstaten uit te wisselen over veroordelingen;
constaterende dat het automatisch koppelen van overheidssystemen niet vlekkeloos verloopt en dat dit ertoe kan leiden dat vonnissen niet aan de juiste persoon worden gekoppeld;
constaterende dat personen soms hun wettige naam veranderen en deze naam daardoor niet meer overeenkomt met een oud vonnis;
overwegende dat dit ertoe kan leiden dat de veroordelingen in ECRIS niet meer accuraat zijn, waardoor veroordeelden onder de radar blijven;
verzoekt de regering bij naamswijziging alle (oud-)vonnissen op de juiste wijze te koppelen aan de nieuwe naam in de overheidssystemen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Faber.
Zij krijgt nr. 8 (36657).
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat ECRIS de infrastructuur biedt om informatie tussen lidstaten uit te wisselen over veroordelingen;
constaterende dat het in het belang van de nationale veiligheid noodzakelijk is controle te houden over wie toegang krijgt tot ons land;
verzoekt de regering om afspraken te maken met andere EU-lidstaten om informatie uit te wisselen in het kader van de Vreemdelingenwet 2000,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Faber.
Zij krijgt nr. 9 (36657).
Mevrouw Faber (PVV):
Dat was het. Tot zover. Dank u wel.
De voorzitter:
Hartelijk dank. Dan gaan we luisteren naar mevrouw Mutluer namens de fractie GroenLinks-Partij van de Arbeid. Gaat uw gang.
Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
Dank, voorzitter. Ook dank aan deze staatssecretaris voor haar eerste plenaire debat en voor de antwoorden die ze zojuist heeft gegeven. Volgens mij hebben we bijna allen aangegeven dat we het een belangrijke wet vinden en dat het goed is dat we het een en ander wettelijk verankeren. Voor mij blijft het belangrijk dat in de praktijk goed geborgd wordt dat de evenredigheidstoets daadwerkelijk en consequent wordt uitgevoerd en dat de wet niet voor andere doeleinden wordt gebruikt dan waar hij voor bedoeld is.
Ik heb maar één motie. Die is eigenlijk naar aanleiding van die laatste discussie die ik met de staatssecretaris had over onjuiste informatie. De motie luidt als volgt.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat het Europese systeem voor uitwisseling van strafregistergegevens (ECRIS) een belangrijke rol speelt bij het delen van justitiële informatie tussen lidstaten;
constaterende dat uit onderzoeken en signalen blijkt dat naar schatting 7% tot 8% van de gegevens in dergelijke systemen onjuist of onvolledig kan zijn;
overwegende dat dit grote gevolgen kan hebben voor burgers, bijvoorbeeld bij het niet verkrijgen van een vog;
overwegende dat onduidelijk is waar en hoe burgers fouten kunnen laten corrigeren;
verzoekt de regering te zorgen voor een duidelijke en toegankelijke procedure voor correctie van onjuiste gegevens in ECRIS, te waarborgen dat burgers weten bij welke instantie zij terechtkunnen, en zich in Europees verband in te zetten voor betere datakwaliteit,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Mutluer.
Zij krijgt nr. 10 (36657).
Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
Ik wil daarbij zeggen dat ik me terdege bewust ben van wat de staatssecretaris wel en niet kan. Ik wil hier dus echt een inspanningsverplichting naar voren brengen, opdat met name burgers die ten onrechte ergens van worden beschuldigd of bepaalde vog's niet kunnen ontvangen, wel ongeveer weten welke route ze moeten bewandelen om het een en ander te laten corrigeren. Soms moet dat in Nederland, soms in een ander land. Ik ben me daar terdege van bewust. Zo moet de staatssecretaris mijn motie lezen.
Dank u wel, voorzitter.
De voorzitter:
Hartelijk dank. Omdat een aantal leden geen behoefte heeft aan een tweede termijn, kijk ik naar mevrouw Schilder. Die heeft daar ook geen behoefte aan. Dan kijk ik naar de heer El Abassi. Hij gaat als laatste in de tweede termijn het woord voeren. Dat doet hij namens de fractie van DENK. Gaat uw gang.
De heer El Abassi (DENK):
Dank u, voorzitter. Ik ga meteen aan de slag.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat onduidelijk is welke concrete persoonsgegevens via ECRIS worden gedeeld;
overwegende dat het delen van strafrechtelijke gegevens een zware inbreuk vormt op de persoonlijke levenssfeer;
verzoekt de regering om vóór inwerkingtreding van deze wet een volledig en concreet overzicht aan de Kamer te sturen van álle categorieën persoonsgegevens die via ECRIS worden verwerkt en gedeeld,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid El Abassi.
Zij krijgt nr. 11 (36657).
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de Autoriteit Persoonsgegevens en de Raad van State twijfels hebben geuit over de noodzaak en proportionaliteit van het wetsvoorstel;
verzoekt de regering per niet-strafrechtelijk doel afzonderlijk te onderbouwen waarom gebruik van ECRIS noodzakelijk is en waarom minder ingrijpende alternatieven niet volstaan,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid El Abassi.
Zij krijgt nr. 12 (36657).
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat het gebruik van ECRIS wordt uitgebreid naar niet-strafrechtelijke doelen;
overwegende dat dit het risico op function creep vergroot;
verzoekt de regering om expliciet vast te leggen voor welke doelen ECRIS niet mag worden gebruikt en toekomstige uitbreiding alleen mogelijk te maken na expliciete parlementaire goedkeuring,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid El Abassi.
Zij krijgt nr. 13 (36657).
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat het wetsvoorstel geen evaluatiebepaling bevat;
verzoekt de regering binnen drie jaar na inwerkingtreding een evaluatie uit te voeren naar de werking, effectiviteit en impact op grondrechten van het gebruik van ECRIS, en de Kamer hierover te informeren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid El Abassi.
Zij krijgt nr. 14 (36657).
De heer El Abassi (DENK):
Dan de laatste.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat fouten in gegevensverwerking kunnen leiden tot ernstige gevolgen voor betrokkenen;
verzoekt de regering aanvullende waarborgen te treffen om misidentificatie en onterechte koppelingen in ECRIS te voorkomen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid El Abassi.
Zij krijgt nr. 15 (36657).
De heer El Abassi (DENK):
Dank u wel, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel voor uw inbreng. Dat was de tweede termijn van de zijde van de Kamer. Ik kijk even naar de staatssecretaris om te zien of zij wil schorsen. Er zijn acht moties ingediend. Ja, er wordt vijf minuten geschorst. Dan krijgen we een reactie in de tweede termijn plus een appreciatie van de acht ingediende moties. We zijn even vijf minuten geschorst.
De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.
De voorzitter:
Ik heropen de vergadering. Aan de orde is de voortzetting van het debat over de wet die het gebruik van het Europees Strafregister Informatiesysteem regelt. We zijn toe aan de tweede termijn van de zijde van de regering. Ik geef het woord aan de staatssecretaris.
Staatssecretaris Van Bruggen:
Voorzitter, dank u wel. Nu ben ik dan toch echt aan de beurt. Het is goed om te zien dat dit deskje dan vanzelf weer omhooggaat. Ik ga ook zeker de mores van de Kamer nog goed leren begrijpen. Vandaag zet ik al grote stappen, volgens mij.
Dit is de tweede termijn, waarin een aantal vragen al eerder gesteld is door Kamerleden. Dat geldt onder andere voor een vraag van mevrouw Faber. Worden strafbeschikkingen en sepots door Justid geregistreerd in justitiële documentatie, maar niet verstrekt aan andere landen? Dat is correct. Het wordt in Nederland wel geregistreerd door Justid, maar het wordt niet verstrekt via ECRIS.
Mevrouw Mutluer vroeg wat mensen moeten doen als hun gegevens verkeerd zijn geregistreerd in het Justitieel Documentatiesysteem. Daar refereert haar motie die later aan bod komt natuurlijk ook aan. De gegevens over veroordelingen worden door Justid geregistreerd. Via ECRIS worden gegevens uit dit systeem verstrekt. Dat weten we. Gegevens over veroordelingen worden dus niet geregistreerd, maar er worden alleen verzoeken over en weer uitgewisseld via ECRIS. Iedere burger kan bij Justid een inzageverzoek of rectificatieverzoek indienen op grond van de Wjsg. Als een dergelijk verzoek wordt afgewezen, dan kan de burger de zaak altijd voorleggen aan de bestuursrechter. Dat is hoe we de rechtsbescherming hebben geregeld.
Dan de vraag van de heer Sneller en mevrouw Faber.
De voorzitter:
Een ogenblik. Er is nog een interruptie van mevrouw Mutluer op dit punt.
Staatssecretaris Van Bruggen:
Ja.
Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
Het is interessant hoe het is geregeld, maar eigenlijk zijn de vragen of we daarmee alle problemen tackelen en wat de ervaring is met hoe we het hebben geregeld nog interessanter. Een van de suggesties die ik doe in mijn motie is om het corrigeren veel toegankelijker en makkelijker te maken. Ik vind de gang naar de rechter best ingewikkeld. Dus ik wil van de staatssecretaris horen hoe ze daarnaar kijkt en of ze mogelijkheden ziet om dit voor de toekomst wat eenvoudiger te maken.
Staatssecretaris Van Bruggen:
In de appreciatie van de motie zo dadelijk kan ik erop terugkomen, maar het belangrijkste is dat het "zo makkelijk mogelijk" moet zijn. Rechtsbescherming is gewoon een ongelofelijk belangrijk uitgangsprincipe en -beginsel van onze rechtsstaat. Het is belangrijk dat we er alles aan doen om dat te waarborgen. Daar hebben we de formele routes voor. Dus dit is ook het formele antwoord over hoe dat geregeld is. Maar weet dat dit voor mij een belangrijk onderwerp en onderdeel is.
Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
Tot slot, voorzitter. De formele route snap ik. Wellicht moeten we een keertje met een hele open blik kijken naar die formele route en wat daarin wellicht anders of beter kan. Ik hoop dat de staatssecretaris daarvoor openstaat en dat wellicht al in gang wil zetten. Graag een reactie daarop.
Staatssecretaris Van Bruggen:
Ik ben altijd bereid om erover na te denken hoe we de rechtsbescherming in Nederland zo goed mogelijk regelen. Als het ten aanzien van dit onderwerp belangrijk is om daarover door te praten, ben ik daartoe van harte bereid.
De voorzitter:
De staatssecretaris vervolgt haar betoog.
Staatssecretaris Van Bruggen:
Ja, ik vervolg de beantwoording, met een vraag van de heer Sneller en mevrouw Faber. Wat moeten we doen om die foutenmarge van 8% naar beneden te krijgen? Er zijn al diverse herstelacties voltooid. Er wordt een meetmethode ontwikkeld om registraties te vergelijken tussen het OM en Justid. We gaan hier natuurlijk nog over in gesprek in het debat dat we hierover zullen hebben. Het programma foutieve tenaamstellingen is ingesteld. Ik hoop in juni een heel scherp beeld te hebben, ten eerste van wat er is gebeurd en ten tweede van hoe we voorkomen dat het ooit weer gebeurt. U vroeg ook om een toelichting op die 8%. Het kan bijvoorbeeld komen door foutief aangeleverde informatie door ketenpartners. Die komt dan uiteindelijk terecht in justitiële documentatie van Justid. Het voorbeeld dat genoemd werd over het OM klopt. Het kan zijn dat het daar begint. Dat gaan we dus graag na, en daar gaan we met elkaar het gesprek over aan.
Dan de vervolgvraag van de heer Sneller over de wijziging van het besluit. Welke gegevens hebben we dan? Kan de motivering voor evenredigheid uit dit wetsvoorstel die wijziging van het besluit dragen? Het betreft dan de gegevens die niet verplicht hoeven te worden verstrekt op grond van het ECRIS-kaderbesluit. Dit gaat over de hypothetische situatie dat de ruimte volstrekt genomen wordt binnen de situatie die nu nog niet denkbaar is voor ons maar die zich zou kunnen voordoen, namelijk het zonder een wetswijziging wel heel erg oprekken van het besluit. Die situatie zou van toepassing kunnen zijn op de gegevens inzake de vingerafdrukken en de gezichtsopname. Het is binnen het besluit dus wel degelijk mogelijk om dat te wijzigen zonder daar een wetswijziging voor aan te moeten gaan. Die evenredigheidsafweging zal bij de wijziging van het besluit wel opnieuw worden gemaakt. Maar goed, dat doet natuurlijk niet af aan de zorg die u daarmee onderliggend uitspreekt.
Dan nog een vraag van mevrouw Faber. Als je visumvrij reist, moet je reisautorisatie aanvragen via ETIAS. Wordt er dan ook gecontroleerd in ECRIS? Worden derdelanders die een visum nodig hebben sowieso gecontroleerd in ECRIS of anderszins? Bij de aanvraag van een ETIAS door een visumvrije derdelander wordt ook een check gedaan in ECRIS. Wat visumplichtige derdelanders betreft is de minister van BZ, Buitenlandse Zaken, bezig met de implementatie van de herziene VIS-verordening. In dat kader zal bij toekomstige visumaanvragen ECRIS bevraagd worden. Voor verdere informatie hierover verwijs ik dan ook graag naar de collega die verantwoordelijk is voor juist dit visumbeleid.
Mevrouw Faber (PVV):
De staatssecretaris geeft aan dat als je visumvrij reist, het via ETIAS gaat. Je moet de autorisatie aanvragen en dan worden de gegevens dus wel gecontroleerd, ook in ECRIS. Maar zitten daar dan ook al de gegevens in die zijn verstrekt door het Verenigd Koninkrijk?
Staatssecretaris Van Bruggen:
Dat antwoord moet ik achterwege laten. Ik denk dat het belangrijk is dat we het Verenigd Koninkrijk nog steeds als apart onderdeel in de beantwoording blijven uitleggen, zoals ik dat ook in de eerdere beantwoording heb gedaan. Ik wil hier ook niet onzorgvuldig in zijn. Als dat goed is, zal ik dus graag schriftelijk terugkomen op hoe het geregeld is voor het visumvrije reizen.
Dan de vraag van mevrouw Mutluer — ik kijk even — of het wetsvoorstel voldoet aan de principes van proportionaliteit en subsidiariteit. Volgens mij is dit dan ook meteen de laatste vraag en ga ik daarna over naar de moties. Het gebruik van ECRIS betreft de verwerking van persoonsgegevens. Dat moet evenredig zijn. De verwerking betreft in deze context een beperking van het recht op eerbiediging van het privéleven en het recht op de bescherming van persoonsgegevens. Een beperking kan slechts worden ingesteld als het noodzakelijk is en als het geschikt is om een legitiem doel te verwezenlijken. De doelen van het gebruik van ECRIS die in dit wetsvoorstel worden geregeld, dienen dat legitieme doel. Het gebruik van ECRIS is daartoe noodzakelijk en geschikt. In een Europa zonder binnengrenzen is buitenlandse informatie over veroordelingen belangrijk voor het al dan niet verstrekken van de verklaring omtrent het gedrag, het Bibob-advies, het geschiktheidsonderzoek naar aspirant-adoptiefouders en -pleegouders en het intrekken of verlenen van een verblijfsvergunning voor de Nederlandse nationaliteit.
Voorzitter. Dan ga ik graag over naar de appreciatie van de moties die we hebben gekregen. Dat zijn er acht, te beginnen met de motie van mevrouw Faber op stuk nr. 8. Dat is een verzoek aan de regering om bij naamswijzigingen alle oud-vonnissen op de juiste wijze te koppelen aan de nieuwe naam in overheidssystemen. Die wil ik heel graag aan het oordeel van de Kamer laten, met dien verstande dat het al gebeurt. Ik laat het dus vooral aan uw Kamer wat u daar verder mee zou willen.
Dan de tweede motie van mevrouw Faber …
Mevrouw Faber (PVV):
De staatssecretaris geeft aan dat het al gebeurt, dat het omgehangen wordt; laat ik het maar zo noemen. Maar ik heb wel al eerder in dit debat gevraagd of er bij naamswijziging in ECRIS wordt gecontroleerd. Toen was het antwoord volgens mij: nee. Misschien is het …
Staatssecretaris Van Bruggen:
Het zijn dan ook twee verschillende dingen, hè?
De voorzitter:
Ja, mevrouw Faber? Uw vraag.
Mevrouw Faber (PVV):
Pardon, voorzitter. Het ligt er natuurlijk wel aan uit welke hoek je het bekijkt. Ik begrijp dan uw vorige antwoord, maar u zegt al — ik moet het via de voorzitter zeggen — dat de namen als het ware worden omgehangen. Heb ik dat goed begrepen? Stel dat je eerst A heette en daarna B. Op het moment dat je B bent, wordt dat in ECRIS op B geregistreerd. Klopt dat?
Staatssecretaris Van Bruggen:
Ja. Het gebeurt al. Ik laat het dus ook graag aan uw Kamer of u wilt dat ik daar op een andere manier mee zou omgaan. Maar ik kan me voorstellen dat de bedoeling van de motie juist is dat we dat blijven doen.
Mevrouw Faber (PVV):
Juist.
De voorzitter:
Daarmee heeft de motie op stuk nr. 8 oordeel Kamer. We gaan naar de motie op stuk nr. 9.
Staatssecretaris Van Bruggen:
De motie op stuk nr. 9 is ook van mevrouw Faber en verzoekt de regering om afspraken te maken met andere EU-lidstaten om informatie uit te wisselen in het kader van de Vreemdelingenwet 2000. Ook hier: oordeel Kamer. Met de implementatie van de EU-systemen zoals ETIAS en VIS wordt dit mogelijk. Ik laat het dus ook graag aan u hoe u dit zelf zou willen zien.
Dan de motie op stuk nr. 10 over zorgen voor duidelijke, toegankelijke procedures voor correctie van onjuiste gegevens en waarborgen dat burgers weten bij welke instantie ze terechtkunnen, en zich in Europees verband inzetten voor een betere datakwaliteit. Die motie is van mevrouw Mutluer. Die neem ik graag over. Het is echt ondersteuning van beleid, dus ik neem 'm graag over.
De voorzitter:
Ik kijk even naar mevrouw Mutluer. Ja?
Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
We gaan niks overnemen. Ik wil hem graag in stemming brengen, want ik vind dat wel belangrijk. Het is wel een signaal. Niets ten nadele van deze staatssecretaris, want ik waardeer het enorm dat ze het onderschrijft. Maar wel graag de motie in stemming brengen, omdat die een duidelijk signaal is, gelet op de foutmarges die aannemelijk zijn.
De voorzitter:
Nou, als de indiener zich verzet tegen overnemen, dan wordt de motie in stemming gebracht.
Staatssecretaris Van Bruggen:
Zeker. Dan wordt de appreciatie van de motie op stuk nr. 10 oordeel Kamer.
De motie op stuk nr. 11 van de heer El Abassi verzoekt de regering om voor inwerkingtreding van deze wet een volledig en concreet overzicht aan de Kamer te sturen van alle categorieën persoonsgegevens die via ECRIS worden verwerkt en gedeeld. Die motie laat ik graag aan het oordeel van de Kamer.
De motie op stuk nr. 12 vraagt de regering per niet-strafrechtelijk doel afzonderlijk te onderbouwen waarom het gebruik van ECRIS noodzakelijk is. Gevraagd wordt ook waarom minder ingrijpende alternatieven niet volstaan. Dat doen we niet. We gaan juist opschrijven wat we wél doen en niet alles noteren wat we niet van plan zijn om te doen, dus ik ontraad deze motie.
Dan hebben we de motie stuk nr. 13 die gaat over het expliciet vastleggen voor welke doelen ECRIS niet mag worden gebruikt. In het verlengde van mijn eerdere antwoord ontraad ik deze motie.
De motie op stuk nr. 14 verzoekt de regering binnen drie jaar na inwerkingtreding een evaluatie uit te voeren. Mijn voorstel hierbij zou zijn … Normaal gesproken doen we een evaluatie na vijf jaar. Als het mogelijk zou zijn voor de indiener om daar ook de ruimte te zoeken, dan laat ik die motie graag aan het oordeel van de Kamer.
De voorzitter:
Ik kijk even naar de heer El Abassi. "Drie jaar" moet wat minder strikt worden geïnterpreteerd dan drie jaar. Is hij het daarmee eens?
De heer El Abassi (DENK):
Mag ik dat opvatten als maximaal vijf jaar, dus tussen de drie en vijf jaar?
Staatssecretaris Van Bruggen:
Uitstekend.
De voorzitter:
Ja? Met die interpretatie krijgt de motie op stuk nr. 14 oordeel Kamer.
Staatssecretaris Van Bruggen:
Dan kom ik bij de motie op stuk nr. 15. Die gaat over de aanvullende waarborgen op het vlak van misidentificatie en onterechte koppelingen in ECRIS. Dit is ook een motie van de heer El Abassi. Ik ga die ontraden, want er zijn er al voldoende waarborgen. Het is een bestaande verplichting, dus hier is de appreciatie: ontraden.
Voorzitter, dan kom ik tot het eind van mijn bijdrage.
De voorzitter:
Hartelijk dank daarvoor. Daarmee is er ook een einde gekomen aan uw eerste plenaire debat. U bent nu een ervaring rijker. Het is te danken aan de bodes dat het katheder een beetje omhoog- en omlaaggaat. Er wordt op u gelet, inderdaad.
Staatssecretaris Van Bruggen:
Zeker. Hartelijk dank.
De algemene beraadslaging wordt gesloten.
De voorzitter:
We gaan op dinsdag 14 april stemmen over het wetsvoorstel, de ingediende moties en het amendement. Er is één amendement ingediend.
We gaan nu schorsen; best wel lang, 40 minuten, want het volgende debat kan pas om 15.00 uur starten. Dat gaat over de kraamzorg.
De vergadering wordt van 14.20 uur tot 15.00 uur geschorst.