Stenogram : Vragenuur: Vragen van het lid Van Duijvenvoorde aan de staatssecretaris Onderwijs en Emancipatie over een gelekte taalgids van het ministerie van OCW, waarin diverse woorden en termen als ongewenst of te vermijden zouden worden aangemerkt.
2 Vragenuur
Vergaderjaar 2025-2026
Vergaderingnummer 60
Te raadplegen sinds
2026-06-24Inhoudsopgave
Gerelateerde informatie
Toon alle items in vergaderingHandelingen TK 2025-2026, 60
Vragenuur
Aan de orde is het mondelinge vragenuur, overeenkomstig artikel 12.3 van het Reglement van Orde.
Vragen Van Duijvenvoorde
Vragen van het lid Van Duijvenvoorde aan de staatssecretaris Onderwijs en Emancipatie over een gelekte taalgids van het ministerie van OCW, waarin diverse woorden en termen als ongewenst of te vermijden zouden worden aangemerkt.
De voorzitter:
Aan de orde is het vragenuur. Ik heet de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap daarvoor van harte welkom in vak K. Ik geef het woord aan de heer Van Duijvenvoorde voor zijn vragen namens de fractie van Forum voor Democratie.
De heer Van Duijvenvoorde (FVD):
Voorzitter. Deze week is op GeenStijl een document van OCW gelekt over welke taal er gebruikt dient te worden door de ambtenaren. Ik citeer: "Om gelijkwaardigheid te bevorderen, kiest OCW in sommige gevallen termen die nog niet gangbaar zijn in de officiële Nederlandse taal." Voorbeelden hiervan zijn "Jij-dag" in plaats van "Vader- of Moederdag", "Eid al-Fitr" in plaats van "Suikerfeest", of "illegaal verkregen geld" in plaats van "zwart geld".
Voorzitter. Taal is een weerbarstig iets. Eerst dachten we dat taal de werkelijkheid beschreef en daarna ontdekten we dat de werkelijkheid nu juist aan taal ontsnapt. Nu zijn we tot slot tot de conclusie gekomen dat taal de werkelijkheid niet altijd vatten kan, maar wel kan construeren. Deze gedachte is leidend in het nieuwe taaldocument van OCW. Meerduidigheid van taal wordt zo veel mogelijk teruggedrongen door voor steeds meer situaties specifieke termen voor te schrijven. Oneffenheden in taal mogen niet meer bestaan. Dit project is zonder einde, want taal is altijd meerduidig. Taal schiet altijd tekort. Taal is een hulpeloos hulpmiddel dat het enige is, en tegelijkertijd alles is, dat we hebben. Juist daarom is het problematisch wanneer een overheid de pretentie krijgt taal te kunnen vastleggen of zuiveren. Het zal immers altijd gekleurd zijn en het zal nooit afdoende zijn.
Daarom heb ik een aantal vragen voor de staatssecretaris. Erkent de staatssecretaris dat taalgebruik zoals in deze taalgids niet slechts beschrijvend is, maar de werkelijkheid waarin wordt gedacht en gehandeld, mede vormgeeft? De tweede vraag. Erkent de staatssecretaris dat de taalgids daarmee uitgaat van een specifieke, niet-waardeneutrale visie op taal? En op basis waarvan acht de overheid zich bevoegd om dergelijke taalnormen richtinggevend te maken voor haar handelen en voor haar communicatie? Vraag drie. Hoe wordt binnen deze taalgids ruimte gelaten voor andere opvattingen over taal, die nadruk leggen op bijvoorbeeld afbakening, op precisie of op culturele continuïteit? Op basis waarvan meent het ministerie dat deze taalnormen aansluiten op een behoefte in de samenleving? En indien dit niet kan worden onderbouwd, op basis waarvan acht de staatssecretaris het dan gerechtvaardigd dat de overheid hierin een normerende rol vervult? Tot slot. Deelt de staatssecretaris de opvatting dat het niet de taak van de overheid is om via taal een bepaalde visie op mensen en op de samenleving normatief vast te leggen? Op basis waarvan denkt het ministerie dat deze taalnormen aansluiten op een behoefte in de samenleving? En als dit niet vastgesteld kan worden, op basis waarvan acht de staatssecretaris dan dat het ministerie hier een rol in kan spelen?
Dank u wel.
De voorzitter:
Het woord is aan de staatssecretaris.
Staatssecretaris Tielen:
Wat zegt u?
De voorzitter:
Ik zei niks. Gaat uw gang.
Staatssecretaris Tielen:
Voorzitter, dank. Laat mij drie dingen zeggen over de vragen die meneer Van Duijvenvoorde namens Forum voor Democratie stelt. Ik begin graag door te zeggen dat het belangrijk is dat we zorgvuldig en gelijkwaardig met elkaar omgaan en elkaar niet onnodig kwetsen. Taal doet er daarbij toe. Maar de wereld verandert niet als je het ene woord wel en het andere woord niet gebruikt; ik denk dat meneer Van Duijvenvoorde dat ook bedoelde. De minister en ik zijn voortdurend met elkaar bezig om de kwaliteit van ons onderwijs te verbeteren, en in mijn geval ook om gelijkwaardigheid te verbeteren aan de hand van ons emancipatiebeleid. Maar wij doen dat zonder te betuttelen. Betutteling druist juist in tegen de emancipatie. Meneer Van Duijvenvoorde heeft dat woord zelf niet in de mond genomen, maar het werd wel bij mij opgeroepen toen hij zijn vragen stelde. Ik kan me voorstellen dat het enigszins betuttelend kan overkomen, terwijl ik de ambtenaren die op het departement werken om te zorgen dat de minister en ik ons kunnen inzetten voor de kwaliteit van onderwijs, elke dag heel goed werk zie leveren vanuit gelijkwaardigheid. Volgens mij kunnen zij dat heel goed zonder spiekbriefjes. Ik zie in ieder geval elke dag de professionaliteit van mijn ambtenaren in de taal die zij daarbij gebruiken.
De heer Van Duijvenvoorde (FVD):
Ik dacht eigenlijk dat dit de inleidende beschietingen waren en dat het antwoord nog zou komen. Natuurlijk geloof ik, zoals de staatssecretaris ook zegt, dat iedereen met elkaar omgaat op basis van gelijkwaardigheid. Daarom vind ik juist dat dit document alles zo doodslaat. Dit speelt toch allemaal al in het contact van mens tot mens? We stemmen het met elkaar af, we merken dat sommige dingen vervelend zijn of we merken dat dingen een bepaalde context hebben. De zwarte bladzijde heeft gewoon een heel andere context dan een discriminatoire context. Voor mij is nog niet duidelijk dat de ambtenaren blijkbaar al goed met elkaar omgaan, waarom dit zo enorm gedetailleerde documenten nodig is en wat er precies mee beoogd wordt wat momenteel in de werkelijkheid niet al gaande is.
Staatssecretaris Tielen:
De vraag is of het document de waarde heeft die meneer Van Duijvenvoorde eraan hecht. Als meneer Van Duijvenvoorde vraagt of het ministerie het ook zonder taalgids kan, dan denk ik dat dat heel goed kan, omdat de professionaliteit gewoon heel hoog is. Dat is mijn antwoord op de vraag van meneer Van Duijvenvoorde.
De heer Van Duijvenvoorde (FVD):
Dan is mijn wedervraag: als het al zo goed gaat en zo goed kan, wat is dan het nut van het document? En is er bereidheid op het ministerie om dit document te herzien?
Staatssecretaris Tielen:
Het document is een jaar geleden gelanceerd, om het maar zo te zeggen, dus gepubliceerd. Het lijkt mij best wel een goed moment om te kijken of het daadwerkelijk nog nodig is. Nogmaals, ik zie in de dagelijkse praktijk dat de professionaliteit van de ambtenaren op het ministerie van OCW heel hoog is en bijdraagt aan de zorgvuldigheid en gelijkwaardigheid die ik heel belangrijk vind. Herzien is dus zeker een optie, om te kijken of het überhaupt nog nodig is.
De heer Van Duijvenvoorde (FVD):
Dan zal ik daar vervolgens iets mee gaan doen om het te herzien, zoals een motie indienen of een debat aanvragen, maar voor nu is het afdoende beantwoord.
De heer Martin Bosma (PVV):
Het is totale waanzin wat hier gebeurt. We mogen het woord "blank" niet meer gebruiken. "Zwart" moet met een hoofdletter. "Vluchtelingenstroom" mogen we niet meer zeggen. "Gouden Eeuw" kan ook niet meer. "Moederdag" is ook al kwetsend. "Meneer of mevrouw" mag niet meer. "Beste dames en heren" kan niet meer. "Slaaf" is ook een verboden woord. Nou is de realiteit dat een op de drie 15-jarige leerlingen in Nederland onvoldoende kan lezen om te functioneren in deze maatschappij. Zou het niet handig zijn dat in plaats van het importeren van al die Amerikaanse woke shit, de staatssecretaris en de minister zich gewoon gaan concentreren op het onderwijs en dit soort onzin gewoon door de papershredder halen?
Staatssecretaris Tielen:
Het antwoord op de tweede vraag van meneer Bosma gaf ik net al aan; eigenlijk was het één vraag, maar ik wil nog iets zeggen over zijn inleiding. Dat antwoord is dat de minister en ik ons dagelijks inzetten, met behulp van een hele grote groep professionele ambtenaren, om de kwaliteit van het onderwijs te verbeteren. Meneer Bosma heeft helemaal gelijk, en ik hoop dat we dat kunnen keren en dat we de leesvaardigheid en het taalbegrip van onze jonge mensen verbeteren. Meneer Bosma zei in zijn inleiding ook iets over verboden, maar dat is natuurlijk geenszins aan de hand. Er bestaat geen verbod op taal. Iedereen mag de taal gebruiken die die wil.
De heer Martin Bosma (PVV):
Kom dan ook niet aan met lijstjes met "vaders en moeders" en dat je in plaats daarvan moet zeggen "ouders" of "ouders/verzorgers". Doe dat dan ook gewoon niet. Maar ik heb een principiële vraag. In dit werkje staat ook: "We vermijden taal die het Westen beter doet lijken". De taal moet dus gedekoloniseerd worden. Mensen mogen blijkbaar niet denken, want uw ministerie wil denken beïnvloeden. Het ministerie wil niet dat mensen denken dat het Westen superieur is. Maar het Westen, onze beschaving, die alles heeft voortgebracht, die wetenschap, die cultuur, die schrijvers, die muziek, Beethoven en noem maar op, is toch gewoon superieur? Het Westen ís toch superieur?
Staatssecretaris Tielen:
Ik heb niet de behoefte om de hele taalgids samen met de heer Bosma te recenseren, ook omdat ik daarover al eerder iets heb gezegd in antwoord op de vragen van de heer Van Duijvenvoorde.
De heer Russcher (FVD):
Ik denk dat mijn vraag een beetje aansluit op die van de heer Bosma. In de inclusieve woordenlijst van het ministerie van OCW lezen we dat men "Zwart" met een hoofdletter moet schrijven en "tot slaaf gemaakte" moet gebruiken in plaats van "slaaf". "Gouden Eeuw" wordt "zeventiende eeuw", "minderheden" worden "gemarginaliseerde mensen" en "westerse beschaving" mag niet worden gebruikt. "Midden-Oosten" wordt "Zuidwest-Azië" en je mag niet "vluchtelingenprobleem" zeggen, want het is een "opvangprobleem". Ook mag je niet meer spreken over "illegale vluchtelingen". Het is niet meer "inburgeren", maar "integreren", en je brief mag niet meer beginnen met "Geachte heer/mevrouw". Mijn vraag is gewoon heel simpel: wie verzint dit en waarom vindt het ministerie überhaupt dat het als een soort woordenpolitie moet functioneren? Hoeveel mensen hebben hieraan gewerkt en hoeveel geld is hieraan uitgegeven?
Staatssecretaris Tielen:
In herhaling op wat ik net al zei: dit gaat niet over verboden of wat dan ook. Maar ik herken wel dat zodra je iets in een lijstje zet, het gewoon onhandig is. Volgens mij zou ik mezelf niet eens meer een "powervrouw" mogen noemen als dat de strekking zou zijn van het document. Dat is dus niet zo, want ik noem mezelf graag wel een powervrouw. Maar de vraag was hoeveel mensen hieraan gewerkt hebben en hoeveel geld eraan besteed is. Het aantal mensen durf ik zo niet te zeggen. Ik kan wel zeggen dat er ongeveer €40.000 is besteed aan het tot stand brengen van de taalgids, die bedoeld is als document waarmee ambtenaren een handvat hebben. Zoals ik ook al zei in mijn inleiding, komt het op mij over als enige mate van betutteling, terwijl ik zie dat de professionaliteit van de ambtenaren heel hoog is en het dus de vraag is of ze die nodig hebben.
De heer De Beer (VVD):
De staatssecretaris gaf net volgens mij heel duidelijk aan dat het lijstje geen meerwaarde heeft voor goed onderwijs. Daaraan werken en trekken we eigenlijk ook vanuit de Kamer al jarenlang, namelijk zorgen dat het onderwijs wordt vernieuwd en verbeterd en dat de veiligheid van studenten wordt gewaarborgd op campussen die worden belegerd. De vraag is: als het geen meerwaarde heeft, waarom kan het dan niet gewoon de papierbak in? Moeten we niet gewoon open zeggen dat je woorden zoals "brandweerman", "thuiszitten" en "partner" gewoon moet kunnen blijven gebruiken?
Staatssecretaris Tielen:
Allereerst: iedereen mag alle woorden gebruiken die die wil gebruiken. Dat geldt voor iedereen. Tegelijkertijd roept de vraag bij mij ook een dilemma op. Aan de ene kant wil ik mij niet te veel bemoeien met wat ambtenaren dagelijks over hun werkwijze met elkaar afspreken. Met hoe ze met elkaar e-mailen en op welke manier ze documenten delen, wil ik me gewoon echt niet bemoeien als staatssecretaris. Dat geldt uiteraard ook voor de minister. Deze taalgids is een dergelijke werkwijze. Moet ik me daar dan mee bemoeien of niet? Dat vind ik ingewikkeld. Gezien de vragen die er zijn in de Kamer, gaat het om iets meer dan onderlinge afspraken over hoe en wanneer je met elkaar e-mailt, om het maar zo te zeggen. Zoals ik al zei, is de taalgids wat mij betreft niet nodig voor de professionaliteit van mijn ambtenaren. Die mag wat mij betreft de kast in.
De heer Boomsma (JA21):
De minister zegt dat die taalgids wat haar betreft niet nodig is, maar het is natuurlijk niet zomaar even een document. Het is een heel specifiek, ideologisch zeer geladen document, met een hele specifieke ideologie. Die wordt hier als het ware opgelegd, of in ieder geval uitgedragen. Dat gebeurt uiteraard een beetje op een passief agressieve manier, met "liever zus of zo" in plaats van echte verplichtingen. Maar wat is de opvatting van de staatssecretaris zelf over deze inhoudelijke taalgids? Erkent zij dat hier een hele specifieke ideologie achter schuilgaat en dat het dus niet gewenst is dat dit soort documenten worden gehanteerd als een soort instructie?
Staatssecretaris Tielen:
Ik vind het belangrijk dat de overheid op een zorgvuldige en gelijkwaardige manier communiceert. Dat is mijn opvatting. Dat vind ik oprecht heel belangrijk. Gelijkwaardigheid zit wat mij betreft in de kern van waar ik bestuurlijk voor sta opgesteld. Taal speelt daar een rol in; dat kunnen we niet negeren. Tegelijkertijd zeggen woorden op zichzelf vaak niet zo veel. Daarom heb ik ook een probleem met lijstjes. Het gaat ook over de context en de toon. Iedereen die weleens een communicatietraining heeft gevolgd, weet dat het veel meer is dan dat, vandaar dat ik die lijstjes lastig vind. Dat zei ik net ook al. Wat vind ik er dan zelf van? Ik zei net al: het suggereert volgens mij een mate van betutteling. Tegelijkertijd is taal wel belangrijk. Elkaar begrijpen begint met taal spreken en taal met elkaar delen. Dat maakt dat de vraag van meneer Boomsma bij mij een dilemma oproept. Taal is namelijk belangrijk en taalbegrip is ook heel belangrijk. In antwoord op de vraag van meneer Bosma zei ik al dat het ook mijn ambitie is om ervoor te zorgen dat onze jonge mensen gewoon een goed taalbegrip hebben. Daarom moet je ook met elkaar in gesprek over taal. Om het in dit soort lijstjes te vatten is dan misschien niet per se het beste.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
De staatssecretaris zegt dat iedereen de woorden mag gebruiken die men wil, maar dat mag dus niet! Er is namelijk een hele afdeling bezig en er wordt €40.000 in gestoken om een lijstje te maken van wat mensen eigenlijk horen te zeggen. Dit lijstje is dus helemaal niet bedoeld als iets wat men gewoon even gedaan heeft en "voor de rest mag iedereen zeggen wat ie wil". Deze lijst is er niet voor niks gekomen. Mijn vraag aan de staatssecretaris is ten eerste: welk probleem lossen we hier mee op? En weet de staatssecretaris überhaupt dat dit soort dingen op haar ministerie aan de hand zijn?
Staatssecretaris Tielen:
Ik herhaal wat ik net zei: zorgvuldige en gelijkwaardige communicatie vanuit de overheid is heel belangrijk. Dat geldt trouwens ook voor begrijpelijke communicatie; die derde zal ik er nog aan toevoegen. Ik ben daar ook zelf erg alert op. Dat we erover in gesprek zijn hoe je dat dan doet, met welke woorden en op welke manier je praat, is op zichzelf niet verkeerd. Ik denk zelfs dat het heel goed is dat we met elkaar praten over taal en over wat taal wel en niet kan doen. Het is de vraag of het helpt als je dat vervolgens in een lijstje vat. Daarvan zei ik al: ik zie niet dat dat nodig is, omdat ik elke dag brieven, teksten en nota's op mijn bureau krijg, van hele professionele ambtenaren die zorgvuldig, gelijkwaardig en begrijpelijk communiceren.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Nogmaals: er is een afdeling binnen het ministerie die hier kennelijk met een doel mee bezig is. Dat moeten we toch niet willen, laat staan dat er gewoon tienduizenden euro's aan belastinggeld worden besteed aan dit soort onzin? Er is hier gewoon een afdeling mee bezig. Ik herhaal mijn eerste vraag nog even; daar heb ik geen antwoord op gekregen. Weten de bewindspersonen, de minister en de staatssecretaris, überhaupt dat dit soort onzin bij hen op de afdeling aan de gang is, met het doel om mensen toch te duwen naar een bepaald welgevallig woordgebruik?
Staatssecretaris Tielen:
Deze afdeling is bezig ervoor te zorgen dat overheidscommunicatie zorgvuldig, gelijkwaardig en begrijpelijk is. De taalgids is een van de producten die hieruit zijn voortgekomen. Daar heb ik al het een en ander over gezegd en dat hebt u net ook kunnen horen. Op zichzelf is het, denk ik, echter heel belangrijk dat wij als overheid zorgvuldig, gelijkwaardig en begrijpelijk communiceren. Dat daar mensen mee bezig zijn, lijkt mij op zichzelf ook belangrijk.
De heer Ceder (ChristenUnie):
De taalgids van OCW heeft een hele ambitieuze doelstelling. Er staat namelijk: "Hiermee stellen we een norm voor inclusieve taal binnen en buiten OCW." Voor de ChristenUnie is dat best ingewikkeld, want het grijpt in op het dagelijks leven en ook bijvoorbeeld op het gezinsleven. Er wordt namelijk een advies gegeven dat "Moederdag" en "Vaderdag" tegenwoordig beide aangeduid zouden moeten worden als "Jij-dag". Dat, specifiek het eruit halen van "Moederdag" en "Vaderdag", is bedoeld voor binnen OCW, maar ook bedoeld om het als norm te stellen voor buiten OCW en dus in de samenleving. Erkent de minister dat OCW hier een grens overgaat, en voorbijgaat aan de doelstelling die de minister net zelf schetst?
De voorzitter:
Het is de staatssecretaris.
Staatssecretaris Tielen:
Als ik terugga naar zorgvuldigheid, gelijkwaardigheid en begrijpelijkheid, dan snap ik heel goed dat meneer Ceder denkt: wat is dit nou? Dat begrijp ik heel goed.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Dit stuk lijkt het bestaan van het stuk uit te sluiten. In het stuk staat namelijk als een van de adviezen "neem elkaar serieus en voorkom tone policing". Tone policing is dat iemand wordt aangevallen op de toon, in plaats van op boodschap of op argument. Dit stuk zegt echter eerder dat dit stuk ook bedoeld is om de toon neer te zetten, zowel binnen als buiten OCW. Kan de staatssecretaris erkennen dat dit stuk een vorm van tone policing is, en op grond van de strekking van dit stuk dus niet had mogen bestaan?
Staatssecretaris Tielen:
Dat vind ik een ingewikkelde vraag, maar vooral door de formulering van meneer Ceder. Ik ga even terug. Taal is ontzettend belangrijk en meer dan alleen maar lijstjes met woorden. Ik denk dat deze taalgids, mede doordat er lijstjes met woorden in staan, niet volledig bijdraagt aan het goed met elkaar kunnen communiceren en het begrijpen van elkaar. Zorgvuldige, gelijkwaardige en begrijpelijke overheidscommunicatie moet volgens mij het uitgangspunt zijn van wat we doen.
De heer Stoffer (SGP):
Achter de staatssecretaris zit de minister van Infrastructuur. De afgelopen weken ben ik geregeld benaderd over gaten in de weg en sluizen die het niet meer doen. Daar is geen geld voor. Nu hoor ik dat er €40.000 wordt uitgegeven aan iets waarvan ook de staatssecretaris zegt: "Tja, of dat nu echt gemoeten had …" Zou het kabinet na kunnen gaan hoeveel van dit soort dingen er in de breedte van de ministeries gebeuren, om te kijken of we echt efficiënt met het geld omgaan en of we dat wellicht in de gaten in de weg of de kapotte sluizen kunnen stoppen?
Staatssecretaris Tielen:
Dit is een hele grote vraag van meneer Stoffer. Ik vind het een hele sympathieke vraag, maar ook wel een hele grote. Ik ben maar de staatssecretaris Onderwijs en Emancipatie. Ik ga maar over een klein stukje van het totaal waarmee we bezig zijn. Plus, we hebben allerlei begrotingsregels over hoe we met dingen omgaan. Het uitgangspunt dat we heel efficiënt, doelgericht en doelmatig omgaan met belastinggeld is volgens mij een opdracht aan het hele kabinet. Als meneer Stoffer dat bedoelt, dan neem ik die vraag zeker serieus.
Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer):
Goed om te horen dat de staatssecretaris de taalgids in een kast wil stoppen. Dan moet ze wel even langs alle musea en de cultuursector om al deze newspeak er daar ook uit te krijgen. Daar ziet mijn vraag ook op. Dit komt natuurlijk weg achter het steeds maar willen beschermen van elke minderheid, de volgende minderheid en die daarna, waarbij je elke keer weer nieuwe woorden wil verbieden. Hoeveel ambtenaren zitten er op OCW? 2.500 ambtenaren, zo heb ik net opgezocht; ik weet niet of dat klopt. Is het niet verstandiger om aan iedereen gewoon een exemplaar van het boek "1984" van Orwell te geven? Dan krijgen ze misschien eindelijk een keer in de gaten waar dit uiteindelijk toe leidt, namelijk een dystopische samenleving waarin niemand wil verblijven.
Staatssecretaris Tielen:
Een van onze kernboodschappen binnen het ministerie gaat over boeken en boeken lezen. Een ander mooi motto is: een dag niet geleerd, is een dag niet geleefd. Mevrouw Keijzer suggereert iets wat ik niet helemaal herken en waar ik ook niet helemaal in meega. Waar mevrouw Keijzer volgens mij naar vraagt en waar ik wel in meega, is het volgende. Ik heb dit namelijk eerder gezegd: ik vind het belangrijk dat we als overheid zorgvuldig, gelijkwaardig en begrijpelijk communiceren. Dat is de manier waarop we met communicatie om moeten gaan. Dat is wat mij betreft neutraal.
De voorzitter:
Ik dank de staatssecretaris voor haar beantwoording van de gestelde vragen.