Stenogram : Vastlegging van de doelen van het gebruik van het Europees strafregisterinformatiesysteem
6 Vastlegging van de doelen van het gebruik van het Europees strafregisterinformatiesysteem
Vergaderjaar 2025-2026
Vergaderingnummer 59
Te raadplegen sinds
2026-06-24Inhoudsopgave
Gerelateerde informatie
Toon alle stukken over dossier36657Toon alle items in vergaderingHandelingen TK 2025-2026, 59
Voorzitter: Michon-Derkzen
Vastlegging van de doelen van het gebruik van het Europees strafregisterinformatiesysteem
Aan de orde is de behandeling van:
-het wetsvoorstel Wijziging van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens ter vastlegging van de doelen van het gebruik van het Europees strafregisterinformatiesysteem (36657).
De voorzitter:
Ik heropen de vergadering. We bespreken vandaag het wetsvoorstel Wijziging van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens ter vastlegging van de doelen van het gebruik van het Europees strafregisterinformatiesysteem. Dat is een hele mond vol. We hebben zeven sprekers in de eerste termijn. Ik wil maar gelijk starten met die eerste termijn.
De algemene beraadslaging wordt geopend.
De voorzitter:
Ik nodig mevrouw Faber uit voor haar bijdrage. Mevrouw Faber spreekt namens de PVV. Het woord is aan u.
Mevrouw Faber (PVV):
Dank u wel, voorzitter. ECRIS is een systeem bestaande uit decentrale informatiesystemen van de EU-lidstaten waarin veroordelingen worden geregistreerd. ECRIS voorziet in de infrastructuur voor de onderlinge uitwisseling van informatie over veroordelingen. Het zijn niet enkel veroordelingen van burgers wonende in de lidstaten, maar ook van burgers uit derde landen. Alleen derdelanders worden geregistreerd in ECRIS-TCN, dat weer een onderdeel is van ECRIS.
Op dit moment kan er informatie worden uitgewisseld ten bate van de strafrechtpleging. Denk aan de vog gerelateerd aan activiteiten waarbij er sprake is van direct contact met kinderen, een uittreksel van justitiële gegevens en vergunningen voor explosieven. Zo kan de overheid ECRIS bijvoorbeeld raadplegen om te kijken of een burger veroordeeld is in een andere lidstaat. Dit kan gevolgen hebben voor de afgifte van een vog voor iemand die bijvoorbeeld wil werken met kinderen.
Voorzitter. In Nederland is Justid de centrale autoriteit in dezen. Doet de naam Justid bij u een bel rinkelen? Dat doet die in ieder geval wel bij de Rekenkamer. Bij minimaal 867 vonnissen werd namelijk een foute tenaamstelling geconstateerd. In 141 gevallen zou het zelfs gaan om ernstige zaken zoals moord en doodslag, geweld, terroristische misdrijven en zeden- en drugsdelicten. Dat is echt geen kattendrek.
Het was niks nieuws, want dit probleem kwam al twaalf jaar geleden oppoppen, in 2014. Het werd onderschat en vooruitgeschoven. Dat is niet mijn conclusie, maar die van de Auditdienst Rijk, de ADR. U zou denken dat men zich een dergelijke conclusie zou aantrekken. Maar wat blijkt? Als men dacht dat het niet klopte, gingen medewerkers gewoon door met het wijzigen van namen in dossiers. Je vraagt je dan ook af of er zaken tussen zitten die te kwader trouw zijn gewijzigd. Het is niet met zekerheid te zeggen dat dat niet het geval is. Medewerkers die aan de bel trokken, zouden zijn tegengewerkt. Zo kunnen zware jongens onder de radar blijven. Stelt u zich eens voor dat een zedendelinquent een positief advies krijgt om te werken met kinderen of dat een onschuldige ten onrechte in een Bulgaarse cel belandt. Zie daar maar eens uit te komen. Je moet dan maar hopen dat de Nederlandse overheid alles op alles zet om jou uit die cel te halen, waar je door haar fout in bent terechtgekomen. Deze puinzooi raakt de kern van de rechtsstaat. Gaat de staatssecretaris nu, twaalf jaar later, eindelijk eens de boel op orde brengen bij Justid? Graag een reactie van de staatssecretaris.
Voorzitter. Iemand kan ook onopgemerkt blijven als de persoon in kwestie zijn of haar naam wettig heeft gewijzigd en het misgaat bij het automatisch koppelen van de overheidssystemen. Mijn vraag aan de staatssecretaris is dan ook: wordt er bij een naamswijziging gecontroleerd op de aanwezigheid van eventuele vonnissen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke maatregelen worden er dan genomen om een mismatch te voorkomen?
Voorzitter. Ik heb nog een dingetje. Jarenlang heeft Nederland ten onrechte gegevens doorgespeeld inzake strafbeschikkingen, terwijl ECRIS enkel voorziet in het uitwisselen van informatie over veroordelingen. Zo zijn er van 2012 tot en met 2022 ten onrechte zo'n 22.000 strafbeschikkingen verstrekt. De staatssecretaris geeft aan dat deze praktijk is stopgezet, maar de vraag is of deze strafbeschikkingen nog steeds worden opgenomen in ECRIS. En hoe zit het met geseponeerde zaken? Worden deze ook nog steeds opgenomen in ECRIS? Zo ja, waarom? Graag een reactie van de staatssecretaris.
Voorzitter. De staatssecretaris wil gebruikmaken van de mogelijkheid om de informatie-uitwisseling uit te breiden. Zij wil extra nationale doelen toevoegen. Dit betreft een uitbreiding rond de vog, de Wet Bibob, het geschiktheidsonderzoek voor aspirant-adoptiefouders en -pleegouders, en migratiebeslissingen inzake de Vreemdelingenwet 2000. Er kan een uitwisseling van informatie plaatsvinden tussen twee EU-lidstaten die beide zijn voorzien van een nationale wettelijke grondslag. Maar gaat de staatssecretaris hier ook de boer voor op? De vraag is: in hoeverre willen andere lidstaten deze doelen omarmen? De staatssecretaris kan nu niet aangeven of andere lidstaten extra doelen ambiëren. Het lijkt erop dat dit ook niet het gesprek van de dag is tijdens internationale bijeenkomsten en overleggen. Is deze stelling juist?
Daarbij komt dat de staatssecretaris liever leunt op multilaterale afspraken op EU-niveau, omdat bilaterale afspraken veel diplomatieke inspanningen vergen. Zij wil zich wel uitsloven voor de vog, maar niet op het gebied van migratiebeslissingen inzake de Vreemdelingenwet, terwijl migratie een van de grootste zorgen is in de samenleving, zeker als het de openbare orde betreft. Waarom maakt de staatssecretaris zich er niet hard voor om zo snel mogelijk afspraken te maken met andere lidstaten inzake het uitwisselen van informatie over veroordeelden met een migratieachtergrond?
Voorzitter. Het Verenigd Koninkrijk gedraagt zich altijd anders dan het continent: links rijden, een afwijkend meetstelsel enzovoorts. De brexit begrijp ik dan nog wel. Er werd een handels- en samenwerkingsovereenkomst gesloten tussen de Europese Unie en het Verenigd Koninkrijk. Dit laat zien dat je als niet-EU-lidstaat ook op vrijwillige basis aansluiting kunt hebben met de Europese Unie, zonder je soevereiniteit op te geven. Vervolgens kun je gewoon bilaterale afspraken maken met een EU-lidstaat, zoals nu het geval is tussen Nederland en het Verenigd Koninkrijk. Nederland wil de uitvoeringswet wijzigen ten bate van die extra doelen, zodat er tussen beide landen extra informatie-uitwisseling mogelijk is. Het is onbegrijpelijk dat de staatssecretaris dit weigert te doen inzake de toegang tot Nederland voor vreemdelingen bij de grens. Het Verenigd Koninkrijk geeft aan deze gegevens niet door te kunnen geven. De reden daarvoor is dat het nog onderwerp van discussie zou zijn tussen het Verenigd Koninkrijk en de Europese Commissie. Ik vind dat geklets. Je kunt altijd bilaterale afspraken maken. Extra bilaterale afspraken zijn zelfs opgenomen in dit wetsvoorstel. Waarom kan je wél afspraken maken over informatie ten bate van een uitbreiding van de vog, de Wet Bibob of een geschiktheidsonderzoek aspirant-adoptiefouder en -pleegouder, maar níét over de toegang van vreemdelingen aan de grens? Zijn over dit laatste echt geen gesprekken gevoerd? Wil het Verenigd Koninkrijk echt geen informatie uitwisselen inzake veroordelingen van deze vreemdelingen? Of wil de staatssecretaris dat niet? Graag een reactie.
De staatssecretaris schermt vervolgens met ETIAS. ETIAS zou de poortwachter zijn aan de grens. ETIAS zou in 2026 in gebruik worden genomen. Wat is de status in dezen? Graag een reactie. Reizigers die visumvrij naar Nederland kunnen reizen, moeten zich voor het inreizen aanmelden bij ETIAS. Het ETIAS-systeem werkt betreffende derdelanders alleen voor visumvrije derdelanders, maar hoe zit het met derdelanders die wel een visum nodig hebben? Worden die ook gecontroleerd door ETIAS of op andere wijze?
Ik zal het nader toelichten. Derdelanders die vanuit het Verenigd Koninkrijk naar het Schengengebied reizen, kunnen dat op basis van een visum of zijn vrijgesteld van een visum. Indien men is vrijgesteld van een visum, dient men voorafgaand aan de reis naar het Schengengebied een ETIAS-autorisatie aan te vragen. Dit is een reisautorisatie. Het bijzondere is dat bij de aanvraag via ETIAS ook ECRIS wordt geraadpleegd. Worden daarbij ook gegevens door het Verenigd Koninkrijk met Nederland uitgewisseld? Als dat het geval is, heeft dit gevolgen voor visumvrije derdelanders. Worden deze dan geweigerd aan de grens?
Dan de derdelanders die wél een visum nodig hebben. Zij vragen geen reisautorisatie aan via ETIAS. Zij moeten een visum aanvragen. Maar hoe zit dat dan? Wordt er bij het toewijzen van een visum wel of niet informatie uitgewisseld tussen het Verenigd Koninkrijk en Nederland, al dan niet via ECRIS? Graag een reactie van de staatssecretaris.
Tot zover, voorzitter.
De voorzitter:
Ik dank mevrouw Faber. Ik zie dat er geen interrupties zijn. Dan gaan we luisteren naar de bijdrage van mevrouw Mutluer. Zij spreekt namens GroenLinks-PvdA. Gaat uw gang.
Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
Dank u wel, voorzitter. Onwijs fijn om u weer een keertje te zien, alleen nu van een andere kant en niet als collega-woordvoerder Justitie en Veiligheid. Ook heel fijn om mijn eerste debat te mogen voeren met deze staatssecretaris. Dus welkom!
Voorzitter. Vandaag spreken wij over de Wijziging van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens. Die oogt op het eerste gezicht best wel technisch, maar in werkelijkheid zet die een hele noodzakelijke stap in hoe wij omgaan met strafrechtelijke gegevens binnen Europa. Mevrouw Faber startte met een korte inleiding, en ook ik heb daar even behoefte aan, juist vanwege dat technische element. Daarna zal ik een aantal hele concrete vragen aan de staatssecretaris stellen.
Sinds 2012 bestaat het Europees Strafregister Informatiesysteem, dat lidstaten verplicht om informatie over strafrechtelijke veroordelingen met elkaar te delen ten behoeve van de opsporing, vervolging en berechting bij strafbare feiten in een andere lidstaat. Ik ben blij dat dat grotendeels goed is geregeld, maar dat hele informatiesysteem wordt veel breder gebruikt. Het wordt ook betrokken bij een vog, een Bibob-toets, bij adoptieprocedures, en bij besluiten over verblijfsvergunningen en het Nederlanderschap. Dat vind ik ook logisch, want het risico voor de samenleving is niet kleiner als een veroordeling in een andere lidstaat en niet in Nederland is uitgesproken.
De vier doelen worden nu bij wet verankerd. Tegelijkertijd constateer ik dat voor deze vormen van gebruik tot nu toe een expliciete wettelijke grondslag ontbrak. Wij dachten allemaal dat dat niet nodig is, maar onder invloed van de Europese regelgeving en dus ook de privacy is die opvatting, terecht, niet langer houdbaar. Juist omdat het hier om zeer gevoelige strafrechtelijke persoonsgegevens gaat, vind ik het goed dat deze praktijk nu alsnog een duidelijke wettelijke basis krijgt, want dat vergroot de rechtszekerheid, de transparantie en de controleerbaarheid.
Mijn fractie staat dus in beginsel positief tegenover dit wetsvoorstel. Ik heb echter een aantal kritische kanttekeningen. De Raad van State heeft in zijn advies terecht benadrukt dat de verwerking van strafrechtelijke gegevens diep ingrijpt in de persoonlijke levenssfeer. De raad vroeg de regering dan ook om nadrukkelijk aandacht te schenken aan de proportionaliteit en de doelbinding. De regering, het kabinet, heeft deze opmerking overgenomen en de toelichting aangevuld, onder andere door expliciet te maken dat er bij het gebruik van het Europees Strafregister Informatiesysteem steeds een evenredigheidstoets moet komen. Mijn fractie wil wel benadrukken dat dit niet alleen een papieren waarborg mag zijn. Mijn eerste vraag is: hoe wordt in de praktijk geborgd dat die evenredigheidstoets daadwerkelijk en consequent wordt uitgevoerd? En wie houdt daar überhaupt toezicht op? Graag een reactie.
In het verlengde van wat de Raad van State opmerkte, heeft ook de Autoriteit Persoonsgegevens gevraagd om een betere onderbouwing van de noodzakelijkheid, rechtszekerheid en doelbinding bij het gebruik van deze gegevens. Hoe breder de doelen worden geformuleerd, hoe groter het risico dat gegevens in de toekomst voor andere doeleinden worden ingezet dan oorspronkelijk bedoeld. Dat moeten we zien te voorkomen. Ik wil weten hoe het in de uitvoering gaat. Ten behoeve van de procedures binnen het migratierecht en het nationaliteitsrecht wordt het Europees Strafregister Informatiesysteem al gebruikt. In de nota naar aanleiding van het verslag geeft de staatssecretaris al aan dat de wet zal leiden tot een toename van het gebruik en daardoor ook van de kosten en werklast bij de IND. Ik wil dat de staatssecretaris daar toch nog even nader op ingaat, want ik mag aannemen dat het in de wet vastleggen van een staande praktijk eigenlijk geen verschil zou moeten uitmaken voor de werkwijze en de belasting van de IND. Als daar wel iets in verandert, zoals ook in de nota stond, wat is dat dan en wat gaat de staatssecretaris daaraan doen?
Dan het punt van toegang tot gegevens. De burgemeesters van een aantal Brabantse gemeenten hebben heel nadrukkelijk de wens uitgesproken om zelf toegang te krijgen tot het Europees Strafregister Informatiesysteem voor hun lokale Bibob-onderzoeken. Ik snap die behoefte, maar gezien de gevoeligheid van deze gegevens heb ik hier wel de nodige vraagtekens bij. Is het, zo vraag ik aan de staatssecretaris, niet belangrijk dat toegang tot strafrechtelijke gegevens strikt wordt begrensd en zorgvuldig wordt georganiseerd? De gemeenten hebben nu al de mogelijkheid om gebruik te maken van het Landelijk Bureau Bibob, dat wel toegang heeft tot deze informatie. Ik wil dat de staatssecretaris bevestigt, ook voor de Handelingen, dat deze route beschikbaar blijft en dat er geen voornemen is om directe toegang tot het ECRIS voor gemeenten te verruimen.
Voorzitter. Tot slot een punt over de reikwijdte van het Europees Strafregister Informatiesysteem. Ik dacht dat mevrouw Faber daar ook even aan refereerde. Strafbeschikkingen worden momenteel niet opgenomen in het ECRIS, omdat het formeel geen veroordelingen zijn. Tegelijkertijd weten we dat strafbeschikkingen in Nederland wel degelijk een rol kunnen spelen bij de beoordeling van iemands integriteit, bijvoorbeeld bij een vog. Het kan daarbij gaan om feiten als diefstal, bedreiging, heling of lichte mishandeling die wel relevant zijn. Daarom heb ik de volgende vraag aan de staatssecretaris. Bestaat er in Nederland of in Europees verband de behoefte om dit anders te regelen? En wordt er overwogen om in de toekomst ook strafbeschikkingen of vergelijkbare instrumenten in andere lidstaten onder het bereik van het Europees Strafregister Informatiesysteem te brengen?
Ik rond af, voorzitter. Dit wetsvoorstel brengt de praktijk en de wetgeving weer met elkaar in overeenstemming. Ik vind dat heel verstandig, maar juist bij de verwerking van strafrechtelijke gegevens geldt: hoe groter het belang, hoe groter de verantwoordelijkheid. Voor mij en mijn fractie blijven deze kernwaarden daarom helder: strikte doelbinding, zorgvuldige toepassing en stevige waarborgen voor burgers. Met die kanttekeningen kunnen wij positief kijken naar dit wetsvoorstel en wacht ik de antwoorden van de staatssecretaris af.
De voorzitter:
Dank u wel. Dit leidt tot een vraag van mevrouw Faber.
Mevrouw Faber (PVV):
Even een verhelderende vraag aan mevrouw Mutluer. Mevrouw Mutluer had het erover dat strafbeschikkingen ook een rol kunnen spelen in beoordelingen, maar worden er in Nederland niet veel strafbeschikkingen uitgegeven omdat onze strafrechtketen verstopt zit en het OM en de rechtbank niet voldoende capaciteit hebben?
Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):
Dat is een terechte vraag. Hij is een beetje buiten de orde van dit wetsvoorstel, maar we hebben niet voor niets met collega Ellian een hele uitgebreide parlementaire verkenning gedaan van de vastgelopen strafrechtketen. Wij willen gewoon dat slachtoffers serieus worden genomen door de politie, dat daders worden vervolgd, dat het OM genoeg capaciteit heeft en dat rechters ook genoeg ruimte hebben om hun werk te doen. Dat is nu niet aan de orde. Er zijn natuurlijk wel richtlijnen om wel of geen strafbeschikkingen toe te kennen. In mijn beleving moet daar gewoon heel zorgvuldig mee worden omgegaan. Alleen omdat je anders geen capaciteit hebt, mag niet de reden zijn om die richtlijnen te gebruiken. Ik snap wel waar mevrouw Faber naartoe wil. Volgens mij moeten we deze discussie heel uitvoerig een keertje gaan voeren met de minister van JenV, want de strafrechtketen loopt vast en de daders zijn de lachende derden.
De voorzitter:
Dank u wel. Daarmee komen we bij de bijdrage van mevrouw Straatman. Ik nodig haar uit. Mevrouw Straatman spreekt namens het CDA.
Mevrouw Straatman (CDA):
Dank u wel, voorzitter. Het is inderdaad een hele technische wet, dus ik dacht: ik start met een casus. Stel, je runt een taxibedrijf en je zoekt een nieuwe chauffeur. Een Spanjaard, een Pool en een Nederlander solliciteren. Die moeten allen een vog kunnen overleggen. Nu blijkt dat de Spanjaard in kwestie een zedendelict op zijn naam heeft staan in Spanje, dat de Pool op doorreis in Duitsland veroordeeld is voor ernstige mishandeling en dat de Nederlander op vakantie in Griekenland is veroordeeld voor handel in drugs. De werkgever wil natuurlijk dat uit die vog-procedure blijkt dat deze sollicitanten niet geschikt zijn om bij hem in dienst te treden, maar dan moet deze informatie van buiten Nederland wel bij de Nederlandse autoriteiten bekend zijn.
Dat is precies het doel van het Europees Strafregister Informatiesysteem, oftewel ECRIS. Al sinds 2012 maakt ECRIS het mogelijk dat EU-lidstaten onderling informatie uitwisselen over strafrechtelijke veroordelingen. ECRIS zorgt ervoor dat Nederlandse autoriteiten informatie krijgen over veroordelingen in andere EU-landen en andersom krijgt Nederland ook informatie als Nederlanders in het buitenland worden veroordeeld.
Het voorbeeld laat zien dat dit geen overbodige luxe is. Criminelen houden zich niet aan landsgrenzen. Voor onze veiligheid en ter bescherming van kwetsbare groepen of sectoren in de Nederlandse samenleving is het dus van belang om binnen de EU goed samen te werken. Met deze wet benut Nederland de ruimte die de EU biedt om ECRIS ook te gebruiken voor niet-strafrechtelijke doelen. Nederland kiest ervoor om ECRIS ook in te zetten voor onderzoek naar de beoordeling van de vog, ter beoordeling van integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, ten derde ten behoeve van het geschiktheidsonderzoek naar de aspirant-adoptieouder en -pleegouder en ten vierde in het kader van beoordelingen van de openbare orde en de veiligheid in het migratie- en nationaliteitsrecht. Dit zijn wat het CDA betreft logische doelen. Het is evident dat het belangrijk is om ook in deze situaties een volledig beeld te hebben van iemands strafrechtelijk verleden.
Voorzitter. Dat gezegd hebbende, is ECRIS helaas niet een volledig waterdicht systeem. Vandaar dat ik vandaag nog op drie punten wil terugkomen: eerst de effectiviteit, dan de mogelijke uitbreidingsmogelijkheden en tot slot de implementatie van ECRIS-TCN.
Allereerst de effectiviteit. Informatie-uitwisseling via ECRIS voor niet-strafrechtelijke doeleinden is alleen zinvol als andere lidstaten diezelfde niet-strafrechtelijke doelen in nationale wetgeving hebben opgenomen. Met andere woorden, informatie over het strafrechtelijk verleden van de solliciterende taxichauffeur uit Spanje kan Nederland alleen opvragen als Spanje in nationale wetgeving ook heeft opgenomen van ECRIS gebruik te willen maken in het kader van beoordelingen van de vog. Zo niet, dan gaat die informatie alsnog verloren. Daarom heb ik de volgende vragen aan de staatssecretaris op dit punt. Hoe wordt beoordeeld of er sprake is van eenzelfde soort doel? Neem opnieuw het voorbeeld van die vog, want dat is een uniek Nederlands systeem. Is voor informatie-uitwisseling ter beoordeling van die vog dan nodig dat met afzonderlijke lidstaten overeenkomsten worden gesloten, zoals met België en Luxemburg is gedaan, of volstaat dat een handjevol andere Europese landen, bijvoorbeeld Duitsland, Letland, Oostenrijk, Polen en Zweden, in nationale wetgeving nu al hebben opgenomen ECRIS te gebruiken voor werkgelegenheidsscreening? Hoe zit dat precies met die beoordeling van hetzelfde doel? In het kader van eenzelfde type vraag geeft de staatssecretaris in de nota naar aanleiding van het verslag aan dat ECRIS op dit moment reeds volledig wordt gebruikt door de Raad voor de Kinderbescherming in het kader van de geschiktheidsonderzoeken en ook door de IND in het kader van de beoordeling van de openbare orde. Mag dan uit deze opmerkingen worden afgeleid dat voor deze twee niet-strafrechtelijke doeleinden praktisch alle andere EU-lidstaten onderling dus al informatie uitwisselen en dat dus diezelfde doelen in die landen al zijn opgenomen in nationale wetgeving?
Voorzitter. Dan het gebruik van een vog bij alle derdelanders. Justis stelt dat hier politieke risico's aan verbonden zijn en beveelt daarom aan ECRIS-TCN niet bij alle vog-aanvragen van derdelanders te gebruiken. Wat is de reactie van de staatssecretaris hierop?
Tot slot op het punt van de informatieverstrekking het volgende. De staatssecretaris schrijft dat uit het ECRIS-TCN-besluit volgt dat er drie categorieën gegevens zijn: zij die altijd worden verstrekt, zij die worden gedeeld voor zover ze in het strafregister staan en zij die worden gedeeld indien voorhanden. Maar wie bepaalt of die aanvullende informatie nu wel of niet wordt verstrekt en wat is hierin de standaardhandelswijze van Nederland?
Voorzitter. Dan kom ik nu bij de mogelijke uitbreidingsmogelijkheden van de wet. In eerdere schriftelijke rondes is door meerdere fracties gevraagd of ECRIS ook nuttig kan zijn voor de afgifte van een vergunning op basis van de Wet wapens en munitie of op basis van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties. Daarop kwam wat het CDA betreft geen heel duidelijk antwoord. Worden deze vergunningaanvragen op dit moment voldoende gedekt door de Wet Bibob of ziet de staatssecretaris nog nut en noodzaak om ECRIS ook buiten het Bibob-traject beschikbaar te maken?
Ten tweede het punt waar mevrouw Faber het ook over had, de gesprekken tussen het Verenigd Koninkrijk en de Europese Commissie. Die lopen op dit moment nog in het kader van migratie en het nationaliteitsrecht, met de bedoeling om ook op die punten informatie uit te wisselen. Maar wat is op dit moment de stand van zaken en kan Nederland eventueel ook bilateraal op dit punt met het Verenigd Koninkrijk afspraken maken?
Voorzitter. Tot slot mijn laatste punt, de implementatie van ECRIS-TCN. In de nota naar aanleiding van het verslag staat dat ECRIS-TCN in november 2025 in gebruik zou moeten zijn, maar dat de planning onzeker is vanwege de vertraging van het inreis-uitreissysteem. Wat is hiervan nu de stand van zaken?
Uit de uitvoeringstoets van Justis blijkt dat Ierland voor vog-aanvragen om te kunnen werken met kinderen niet altijd gegevens verstrekt. De aanbeveling wordt dan ook gedaan om dit met Ierland te bespreken voor implementatie van ECRIS-TCN. Kan de staatssecretaris op dit punt ook een update geven?
Voorzitter, ik rond af. ECRIS laat zien hoe belangrijk Europese samenwerking is. Het is cruciaal om criminelen niet weg te laten komen met grensoverschrijdende criminaliteit. Het is ook heel belangrijk voor de bescherming van kwetsbaren in de samenleving. Wij onderschrijven dan ook de doelstelling van deze wet en kijken uit naar de beantwoording.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Daarmee nodig ik de heer Ellian uit voor zijn bijdrage in dit debat. De heer Ellian spreekt namens de VVD. Aan u het woord.
De heer Ellian (VVD):
Dank, voorzitter. Het is goed dat we als Tweede Kamer, maar uiteraard ook als commissie Justitie en Veiligheid, gewoon weer een wet doorakkeren met elkaar, want daar zijn we immers ook toe op aarde als medewetgever.
Voorzitter. Ik heb een korte inbreng. De wet die nu voorligt en ziet op het Europese strafregistratiesysteem — ik kort het even af — beoogt eigenlijk geen beleidswijziging, maar is een verankering van een aantal doelen. Deze doelen stonden overigens al in de uitvoering en het beleid centraal, maar het is goed dat bepaalde doelen ook in de wet worden vastgelegd. Die doelen zijn door een aantal collega's al genoemd. Ik denk dan aan de Wet Bibob, de vog, nationaliteitskwesties en adoptie door pleegouders. Ik wil nog wel toevoegen, ook voor de Handelingen, dat er natuurlijk ook gewoon een EU-rechtelijk doel is, namelijk de opsporing van criminaliteit. Ten behoeve van dat doel, dat in het EU-recht ook is vastgelegd, kunnen natuurlijk ook strafrechtelijke bronnen geraadpleegd worden door lidstaten. Ik wil dat markeren. Ik vraag de staatssecretaris of ik dit goed zie. Dit is namelijk voor mijn fractie misschien nog wel een van de allerbelangrijkste doelen van het Europese strafregistratiesysteem. Uiteraard ook in het licht van de huidige migratiestromen zal dit systeem alleen maar belangrijker worden. Daar wordt natuurlijk een aanvullende database op gemaakt.
Voorzitter. Het viel mij op dat de regering in de nota naar aanleiding van het verslag schrijft: het heeft geen zin om ECRIS te gebruiken voor een doel waarvoor een andere lidstaat geen grondslag heeft. Dat is op zich logisch. Alle lidstaten moeten dezelfde grondslag hebben; dat is ter bescherming van ons allemaal. Maar dan ga ik er natuurlijk wel van uit dat we allemaal diezelfde grondslagen hébben, anders heeft het geen zin. Ten tweede ga ik er dan, in het verlengde van mijn eerste punt, namens de VVD-fractie wel van uit dat die doelstelling van opsporing en berechting van georganiseerde criminaliteit, op EU-niveau sowieso als een paal boven water staat en dat er geen lidstaten zijn die daarin verzaken. Dat lijkt me ook niet kunnen, aangezien EU-recht rechtstreekse doorwerking heeft, maar voor de Handelingen vraag ik het toch maar.
Voorzitter. Een vraag die mij al bezighoudt sinds een jaar of drie geleden, toen we hier ook met elkaar over ECRIS debatteerden, is natuurlijk in hoeverre je aan kunt op de juistheid van het systeem. De wet regelt altijd een aantal zaken zoals doelbinding en grondslagen, en geeft uiteindelijk de ruimte en de eventuele beperkingen aan, maar in de realiteit van het leven moet je kijken hoe iets uiteindelijk tot uitvoering komt. Als ik het me goed herinner, was het een paar jaar geleden zo dat in ECRIS 8% onjuiste gegevens stonden. Dat is vrij fors voor een strafregistratiesysteem. Ik ben benieuwd hoe het staat met de inspanningen, die wel gepleegd moeten worden, om ervoor te zorgen dat het systeem ook de juiste informatie bevat. Ik las daar in de wetstoelichting vrij weinig over. Daarbij wil ik aanhaken bij de vraag van, ik denk, collega Faber. We zijn natuurlijk recent wel opgeschrikt — ik denk dat je dat rustig mag zeggen — door het geval van de Justitiële Informatiedienst, waarbij er minimaal in een geval of 800 vonnissen op de verkeerde naam stonden. Het ging daarbij om een aantal ernstige delicten. Dat kan twee kanten op werken. De ene kant is dat je er volstrekt niks mee te maken hebt, maar je wordt geconfronteerd met de strafrechtpleging, met de uitvoering daarvan. De andere kant is er ook: toedeledokie, ik kom er goed mee weg als ernstig delinquent. Dat baart me zorgen, met name omdat een van de klokkenluiders recent zei dat het ook weleens 50.000 fouten zouden kunnen zijn. Dat raakt natuurlijk wel direct de wet die nu voorligt. Ik ben benieuwd of de staatssecretaris daarop in kan gaan. Volgens mij lopen er aanvullende onderzoeken. Dat is wel van fundamenteel belang, want als onze informatie niet op orde is, dan is het niet gek dat andere lidstaten zeggen: ja, Nederland, je levert foute informatie af. Erger nog is dat misdadigers dan de dans ontspringen.
Voorzitter. Het moge duidelijk zijn dat de VVD-fractie dit wetsvoorstel kan steunen. Het steekt goed in elkaar. Het is duidelijk omschreven. Wij vinden dit ook van belang; vandaar ook mijn vragen over de uitvoering.
Tot slot ben ik echt benieuwd naar de appreciatie van het amendement van collega Faber. Die gaan we straks horen. We moeten namelijk niet doen alsof het Verenigd Koninkrijk nu ver van ons is. Het is nog steeds een superbelangrijke partner, ook als het gaat om georganiseerde criminaliteit en om het tegengaan van grote migratiestromen. Ik begrijp collega Faber wel in die zin dat ze zegt: laten we het gewoon alvast regelen, ook al zijn de Britten er nog niet klaar voor. We horen straks de appreciatie. Als je nu niet wettelijk de mogelijkheid creëert om ten behoeve van het registratiesysteem met de Britten te kunnen samenwerken, moet er dan later weer een nieuwe wet langs de Kamer? Dat zou ik niet zo zinnig vinden, eerlijk gezegd. Ik ben dus benieuwd hoe de staatssecretaris daarnaar kijkt.
Voorzitter, dan ben ik aan het einde van mijn bijdrage. Het is goed om nu alvast even te zeggen dat ik me mogelijk voor de tweede termijn moet verontschuldigen. Dat komt omdat een van de meest spraakmakende rechtszaken in misschien wel de geschiedenis van de strafrechtspleging, wat mij betreft, nu gaande is, namelijk de zaak tegen Inez Weski. Daar wil ik graag even naartoe. Mogelijk ben ik er dus niet in de tweede termijn. Ik verontschuldig me daarvoor, maar ik vertrouw dit toe aan mij collega's. Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel, meneer Ellian. We gaan luisteren naar de heer Sneller voor zijn bijdrage in eerste termijn. De heer Sneller spreekt namens D66.
De heer Sneller (D66):
Dank voor het teken van vertrouwen, collega Ellian.
Voorzitter. Ik twijfelde even over hoe ik zou beginnen. Ik wilde beginnen met een compliment aan de schrijvers, de opstellers van de nota naar aanleiding van het verslag. Pas bij het lezen van de nota naar aanleiding van het verslag dacht ik te begrijpen wat nou eigenlijk precies in dit wetsvoorstel wordt geregeld en ook waar de dilemma's zitten. Enkele collega's hebben volgens mij al veel terechte vragen gesteld, dus ik zal daar gedurende mijn betoog kortheidshalve af en toe naar verwijzen.
Voorzitter. Het doel van dit wetsvoorstel is natuurlijk om Nederlanders veilig en vrij te houden, dus om ervoor te zorgen dat wij onze levens kunnen inrichten zoals we dat willen. Gelukkig doet Nederland dat niet meer alleen. Nederland is onderdeel van de Europese Unie en dat heeft ons veel gebracht: welvaart, veiligheid, vrede en ook een ruimte zonder binnengrenzen, waarin we vrij kunnen reizen. Dan moeten we wel samenwerken om ervoor te zorgen dat er geen misbruik wordt gemaakt van de vrijheid. Om ons in Nederland veilig te houden, moeten we dus ook Europees samenwerken. Het ECRIS zorgt ervoor dat de justitiële autoriteiten van de lidstaten dat ook kunnen doen. Vervolgens moeten we waarborgen dat dit kan bijdragen aan de veiligheid en dat het ook zorgt voor de juiste doelbinding.
In dat opzicht voelde het gepast om vandaag ook een artikel aan te halen van de Founding Fathers van de Verenigde Staten. Het komt uit 1788, maar bevat wat mij betreft een tijdloze opdracht. Federalist Paper 51 beschrijft namelijk treffend de dubbele opgave van de democratische rechtsstaat: de overheid in staat stellen om burgers te beschermen en burgers tegelijkertijd beschermen tegen diezelfde overheid. Of in hun woorden: "Als mensen engelen waren, zou geen regering nodig zijn. Als engelen over mensen zouden regeren, zouden noch externe, noch interne beperkingen op de overheid nodig zijn. Bij het vormgeven van een regering die door mensen over mensen wordt uitgeoefend, ligt de grote moeilijkheid hierin: men moet de overheid eerst in staat stellen om de burgers te beschermen en haar vervolgens dwingen om zichzelf te beheersen."
Ik dacht daarmee ook wat meer reliëf te geven aan een van die cruciale waarborgen: de doelbinding. Dit is een wat beleidsmatige term die in veel van dit soort debatten en wetsbehandelingen opduikt, maar eigenlijk gewoon betekent dat persoonsgegevens alleen mogen worden gebruikt voor het doel waarvoor ze zijn verzameld, en niet zomaar voor iets anders. Daarom moeten we de bevoegdheden van de overheid en waar de grenzen liggen, precies neerleggen in de wet, niet alleen nu maar ook eventueel in de toekomst. Dat is geen technocratisch detail, maar een voorwaarde voor vertrouwen in de overheid.
Net als voorgaande sprekers ben ik het ook eens met de doelstelling van de wet, maar ik heb nog twee punten. Het eerste gaat over de doelbinding. Ten tweede heb ik een aantal opmerkingen over de uitvoerbaarheid. Ik zal niet alles herhalen, maar maak één opmerking terzijde, omdat deze staatssecretaris ook gaat over wetgevingskwaliteit. Het was weer een zoekplaatje in de memorie van toelichting. We krijgen heel netjes het advies van de Autoriteit Persoonsgegevens meegestuurd over de consultatieversie van de wet. Dan krijgen we het advies van de Raad van State, ook heel netjes, maar dat gaat over de versie die op basis van de consultatie naar de Raad van State is gegaan. De enige versie die wij hier krijgen, is het voorstel van wet zoals het naar de Tweede Kamer is gestuurd naar aanleiding van al die voorgaande adviezen. Dus voor ons is het, om uit te kunnen pluizen of in het wetsvoorstel in voldoende mate uitvoering is gegeven aan de aanbevelingen van bijvoorbeeld de Autoriteit Persoonsgegevens, zeer nuttig om een soort track-changesversie te hebben, waarin we ook kunnen zien hoe die oorspronkelijk luidde en wat ermee gedaan is. Collega Michon-Derkzen, die meeluistert, en ik hebben dit eerder ook gevraagd aan voorgangers van deze staatssecretaris met wetgevingskwaliteit in hun portefeuille en hebben ook gevraagd om dit door te geven aan de rest van de collega's in het kabinet, want daar kunnen wij als medewetgever ons voordeel mee doen.
Collega Mutluer haalde het belang van die doelbinding al even goed aan. Ik wil specifiek het advies van de Raad van State aanstippen. Dat gaat namelijk onder andere over gegevens als namen van de ouders, identiteitsnummers van de veroordeelde, vingerafdrukken en een gezichtsopname, en de vraag of die onder de uitwisseling kunnen vallen. Daar wordt eigenlijk wat gemakkelijk over gezegd: wat je niet bijhoudt, kan je ook niet delen, dus maakt u zich geen zorgen. Tegelijkertijd erkent de regering in de reactie op de Raad van State dat het delen van strafrechtelijke gegevens een significante inbreuk kan vormen op de grondrechten.
Daarnaast staat dat het slechts in een besluit wordt geregeld op basis van de Wjsg. Mijn vraag aan de staatssecretaris is: kan de wettelijke basis die we hier vandaag bespreken een eventuele wijziging van dat besluit dragen? Er wordt terecht veel gewag gemaakt van de noodzakelijkheid, de proportionaliteit en de subsidiariteit, maar dat geldt wel voor de huidige reikwijdte van gegevens zoals in het huidige besluit vastligt. Maar een volgend kabinet kan zomaar besluiten om dat besluit aan te passen, zonder dat de wetgever daar weer iets over te zeggen heeft. Kan dit wetsvoorstel dat ook dragen, nog los van de wenselijkheid ervan?
Voorzitter. Ten slotte drie opmerkingen over de uitvoerbaarheid en de uitvoering. Ten eerste het punt dat collega's Faber en Ellian al hebben genoemd ten aanzien van databases, namelijk garbage in, garbage out. Als de invoer niet juist is, is het ook lastig om er goede gegevens uit te halen, zowel voor de Nederlandse kant maar ook voor andere landen. De percentages die collega Ellian noemde, zijn inderdaad relatief fors. Wat wordt er parallel aan dit wetsvoorstel gedaan om dat op orde te krijgen?
Dan de vraag van collega Straatman en de CDA-fractie in het verslag over wat we eigenlijk kunnen uitwisselen; complimenten voor die vraag. Het is een prachtig raamwerk. We hebben prachtige grondslagen in de wet. Tegelijkertijd hebben 8 van de 27 landen een vog-achtige grondslag. Is het dan de moeite waard, dacht ik toen ik het las. Dat dacht ik ook toen ik de financiële paragraaf las. De kosten bedragen 1,5 miljoen voor een paar uitwisselingen met een paar landen. Is dat nou de moeite waard? Dus daar hoor ik graag meer over.
Met hoeveel landen verwacht men dat er kan worden uitgewisseld op basis van die verschillende extra niet-strafrechtelijke doelen? Dan heb ik het ook specifiek over de vog, omdat daar wat meer op wordt ingezoomd in de impactanalyse/uitvoeringstoets. Daarin wordt namelijk gevraagd: waar is die kostenraming op gebaseerd? Wij gaan ervan uit dat ECRIS voor alle vog-aanvragen in combinatie met alle EU-nationaliteiten wordt bevraagd. Dat gaat om ongeveer 38.000 extra bevragingen van ECRIS voor de vog. Dan is het minder effectief. Als er acht landen zijn, verwacht ik dat dit niet alle EU-nationaliteiten betreft, want er missen er nogal wat. Aan de ene kant doet dat afbreuk aan de effectiviteit en dus de reikwijdte van wat we hier vandaag bespreken. Aan de andere kant betekent dat ook dat de kosten van 1,5 miljoen waarschijnlijk niet zo hoog zullen uitvallen. Tegenwoordig draaien we elk dubbeltje om als het gaat om amendementen die subsidietaakstellingen terugdraaien, dus ik hoor graag hoe dat precies zit. In dit opzicht stel ik ook de vraag over de wederkerigheid met andere landen, want ja, we moeten het dan inderdaad allebei hebben.
Tot slot. We gaan hier een soort extra bevoegdheid creëren in het kader van de Bibob. Er werd door collega Mutluer al verwezen naar de brief van een aantal Brabantse burgemeesters. Daarom wil ik hier toch weer extra aandacht voor vragen, ook op basis van de evaluatie van de Bibob, waar we nog een kabinetsreactie op krijgen. We moeten ook extra aandacht besteden aan de capaciteit en expertise bij het Landelijk Bureau Bibob, waar de doorlooptijden oplopen, zodat het primaire systeem optimaal kan blijven werken. Tegelijkertijd is het ook belangrijk om ervoor te zorgen dat de gegevens waarop die analyse gebaseerd is zo volledig mogelijk zijn. Daar kan dit wetsvoorstel goed bij helpen.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank aan de heer Sneller; dat zeg ik ook als rapporteur wetgevingskwaliteit. We gaan luisteren naar de bijdrage van mevrouw Schilder. Zij spreekt namens de Groep Markuszower. Het woord is aan u.
Mevrouw Schilder (Groep Markuszower):
Voorzitter, dank u wel. Er is al veel gezegd, dus ik zal mijn verhaal niet al te lang maken. ECRIS is het Europese systeem waarmee strafrechtelijke veroordelingen tussen lidstaten worden gedeeld voor bepaalde doeleinden. Dat is nuttige informatie, want mensen bewegen zich vrij door Europa. Iedereen kan hier aankloppen voor werk, een vergunning of een verblijfsstatus. Dan kun je als overheid niet volstaan met alleen een blik op het Nederlandse strafblad. Je moet het hele plaatje zien en op basis daarvan een beoordeling maken.
Mijn eerste vraag aan de staatssecretaris is dan ook: hoe betrouwbaar en volledig is de informatie die we krijgen op dit moment? Is getest in hoeveel procent van de gevallen lidstaten daadwerkelijk alles delen? Weten we hoe hoog de foutmarge in de justitiële systemen op dit moment is?
Met de wetswijziging die vandaag voorligt, wordt het gebruik van ECRIS-gegevens verbreed bij vog-aanvragen, Bibob-toetsen, adoptie, pleegouders en migratiestukken. Dit zijn logische toepassingen van het systeem, maar hier wringt het gelijk ook. Nederland is namelijk volledig afhankelijk van wat andere lidstaten aanleveren. Als de wetgeving in die landen niet voorziet in gegevensverstrekking voor deze doelen, krijgen we de informatie niet. Daarom mijn volgende vraag: hoe voorkomt de staatssecretaris dat iemand bijvoorbeeld een vog krijgt, terwijl er in een andere lidstaat een relevante veroordeling bestaat die wij niet ontvangen omdat de wetgeving van dat land het delen van gegevens niet toestaat?
Voorzitter. Dat leidt ook tot een ander punt. Van Nederlanders die in Nederland wonen en hier strafbare feiten hebben gepleegd, is alles bekend. Er is een volledig beeld. Daardoor kan een zorgvuldige en volledige afweging worden gemaakt, en dat is goed. Voor burgers uit andere lidstaten is het lastiger. Via ECRIS zijn we afhankelijk van wat een lidstaat deelt. Voor derdelanders is het nog ingewikkelder: ten eerste omdat feiten buiten Europa onbekend blijven, terwijl deze niet minder ernstig zijn, en ten tweede omdat ECRIS-TCN niet operationeel is. Ik vraag de staatssecretaris wat er op dit moment wordt gedaan om ervoor te zorgen dat we ook goede afwegingen kunnen maken voor de groep derdelanders. Hoe weten we wat zij hebben gedaan in landen buiten de EU? En hoe volledig is het beeld van deze groep binnen de EU? Hoe worden die gegevens nu gedeeld? Hoelang gaat het nog duren voordat ECRIS-TCN operationeel is?
Doordat van Nederlanders alle informatie bekend is, maar van mensen uit andere lidstaten en zeker van derdelanders een stuk minder, ontstaat het risico dat Nederlanders zwaarder worden beoordeeld dan niet-Nederlanders. Ik vraag de staatssecretaris hoe zij dit wil voorkomen, want voor iedereen zouden toch dezelfde regels moeten gelden?
Tot slot, voorzitter. Het verbreden van de gronden voor het gebruik van ECRIS-informatie is op zich goed. Het maakt duidelijk in welke situatie we buitenlandse strafgegevens kunnen opvragen. Maar ik vraag me af wat hier het nut van is als het andere lidstaten vrij blijft staan geen informatie te delen. Mijn vraag aan de staatssecretaris is dan ook: hoeveel lidstaten zijn op korte termijn van plan om, net zoals wij, de regels voor ECRIS-informatie te verbreden? Kunnen we de risico's daardoor überhaupt goed inschatten?
Ik kijk uit naar de beantwoording. Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Dit leidt tot een vraag van de heer Sneller. Meneer Sneller, aan u het woord.
De heer Sneller (D66):
Ik miste nog heel even de redenering achter de opmerking dat "Nederlanders zwaarder worden gestraft door dit wetsvoorstel".
Mevrouw Schilder (Groep Markuszower):
Dank u wel voor de vraag. Nou, niet "zwaarder gestraft". Het gaat mij er voornamelijk om dat alles bekend is van Nederlanders die in Nederland wonen en strafrechtelijke feiten hebben gepleegd. We kunnen dus een goede afweging maken van hun strafblad voordat we bijvoorbeeld een vog afgeven. Van mensen uit derde landen is niet alle informatie beschikbaar. Ik zeg dat Nederlanders daardoor harder worden aangepakt.
De voorzitter:
Dank u wel. Daarmee komen we bij de laatste spreker in de eerste termijn van de Kamer. Dat is de heer El Abassi. Hij spreekt namens DENK. Aan u het woord.
De heer El Abassi (DENK):
Dank, voorzitter. Ik wil mijn bijdrage beginnen met een citaat van Thorbecke: "Van een waggelend gebouw moet men de fundamenten herstellen, niet hier en daar een enkele steen veranderen." In dat licht spreken wij vandaag over een nieuw wetsvoorstel, de Wijziging van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens, waarin wordt vastgelegd voor welke niet-strafrechtelijke doelen het Europese strafregistersysteem, kortweg ECRIS, mag worden gebruikt.
Voorzitter. Op het eerste gezicht is het voorstel technisch en juridisch, maar wie beter kijkt, ziet dat hier een fundamenteel rechtsstatelijk vraagstuk voorligt. In de kern wordt dan ook een fundamentele vraag geraakt: hoever mag de overheid gaan in het verzamelen, uitwisselen en gebruiken van strafrechtelijke gegevens van burgers binnen Europa? Waar met het voorstel de indruk wordt gewekt dat er orde wordt gebracht in een bestaand systeem, gebeurt in werkelijkheid het tegenovergestelde: het fundament wordt niet hersteld, maar de reikwijdte van het systeem wordt verder uitgebreid, terwijl de onderliggende waarborgen voor de bescherming van het privéleven van mensen en hun persoonsgegevens worden aangetast.
Voorzitter. Voor mijn fractie staat het uitgangspunt voorop dat gevoelige strafrechtelijke persoonsgegevens niet zomaar gedeeld en beschikbaar gesteld mogen worden binnen een Europees systeem dat toegankelijk is voor alle lidstaten. Hierbij is namelijk niet alleen sprake van een instrument voor strafrechtelijke samenwerking binnen de EU, maar ook van een systeem waarin gegevens zich gemakkelijk over grenzen verplaatsen en daardoor door meerdere autoriteiten kunnen worden geraadpleegd. De vraag is dan ook niet alleen of gegevens mogen worden gedeeld, maar vooral ook welke gegevens, in welke omvang en met welk doel.
Voorzitter. Het gaat hier niet zomaar om een paar technische aanpassingen. Het gaat om doelen die verder gaan dan het strafrecht alleen. We zien dat strafrechtelijke gegevens zullen worden gebruikt voor andere besluiten, buiten de strafzaak om. Denk aan het beoordelen van een verklaring omtrent het gedrag, aan adviezen in het kader van Bureau Bibob, aan onderzoeken naar geschikte adoptie- en pleegouders en aan beslissingen binnen het migratie- en nationaliteitsrecht.
Voorzitter. Dat baart mij zorgen. De staatssecretaris wekt namelijk de indruk dat ECRIS slechts ziet op beperkte identificatiegegevens en informatie over veroordelingen, zoals naam, geboortedatum, geboorteplaats en het strafbare feit. Maar dat beeld is niet compleet: de staatssecretaris laat belangrijke informatie weg. In werkelijkheid kunnen ook veel verdergaande gegevens van mensen worden gedeeld, zoals aanvullende persoonsgegevens die beschikbaar zijn in strafregisters in andere lidstaten. Denk aan identiteitsnummers, familiegegevens en zelfs biometrische gegevens zoals vingerafdrukken en gezichtsopnamen.
Voorzitter. Daarbij is de Raad van State helder in zijn advies. De raad zegt heel duidelijk: het is niet inzichtelijk welke concrete gegevens precies worden gedeeld via dit systeem. Dat is een zeer essentieel detail, want het delen van strafrechtelijke gegevens raakt direct aan het recht op privacy. Het gaat om informatie die diep ingrijpt in iemands leven, over veroordeling, over strafbaar gedrag en over situaties die mensen hun hele leven kunnen achtervolgen. Daarom dient heel precies duidelijk te zijn wat er wordt gedeeld, met wie, waarom en wat de omvang is. De staatssecretaris noemt de inbreuk op de privacy "gering", maar de Raad van State corrigeert dat beeld nadrukkelijk. Is de staatssecretaris het met mij eens dat het structureel delen van strafrechtelijke persoonsgegevens binnen een Europees systeem als ECRIS een zeer zware inbreuk vormt op het recht op privacy?
Voorzitter. De Raad van State zegt dit niet zomaar. Die verzint dit natuurlijk niet. De raad sluit zich aan bij een duidelijke lijn van het Europese Hof van Justitie. Het Hof heeft herhaaldelijk gezegd dat het verwerken van strafrechtelijke gegevens een zeer, zeer zware inbreuk maakt op het privéleven en op de bescherming van persoonsgegevens. Dat is ook logisch, omdat strafrechtelijke gegevens stigmatiserend werken. Nogmaals, het gaat om informatie over iemands strafrechtelijk verleden, die iemand kan blijven achtervolgen bij het vinden van werk, bij contact met de overheid of bij belangrijke beslissingen over iemands toekomst. Een van de meest zorgwekkende punten is niet alleen de omvang van de gegevensuitwisseling, maar ook de manier waarop deze wet wordt toegelicht.
De Raad van State zegt: de toelichting geeft geen volledig beeld van de gegevens die worden gedeeld. Dat is problematisch, omdat er in een rechtsstaat een eenvoudig uitgangspunt geldt: geen macht zonder transparantie en geen gegevensverwerking zonder duidelijke verantwoording. Wanneer de overheid stelt dat het wel meevalt, terwijl uit Europese regelgeving blijkt dat de gegevensuitwisseling aanzienlijk breder kan zijn, ontstaat er een informatiekloof tussen wat de overheid zegt en wat er daadwerkelijk mogelijk is. Die kloof ondermijnt vertrouwen en rechtszekerheid. Kan de staatssecretaris toelichten hoe het ontbreken van een helder overzicht van de gedeelde gegevens zich verhoudt tot het vereiste van voorzienbaarheid en duidelijkheid, zoals dat volgt uit de grondbeginselen van onze rechtsstaat?
Voorzitter. De genoemde zorg staat immers niet op zichzelf. Ook de Autoriteit Persoonsgegevens is hierover glashelder: deze gegevensdeling is niet noodzakelijk en zelfs onwenselijk. Het gebruik van dit Europese systeem voor deze doeleinden betekent een diepe inbreuk op de grondrechten van mensen en is volgens de autoriteit niet goed te rechtvaardigen. Juist de gezamenlijke signalen van zowel de Raad van State als de toezichthouder op onze privacy, maken dat wij niet kunnen volstaan met een beperkte of optimistische lezing van dit voorstel. Kan de staatssecretaris daarom concreet onderbouwen waarom deze gegevensdeling noodzakelijk is voor niet-strafrechtelijke doelen en waarom minder ingrijpende alternatieven niet volstaan? Waarom kiest de staatssecretaris ervoor het zwaarwegende advies van zowel de Raad van State als de AP niet te volgen?
DENK maakt zich daarnaast ook zorgen over iets wat vaak niet expliciet in wetten staat, maar in de praktijk wel zichtbaar wordt: function creep. Dat betekent dat systemen die worden ingevoerd voor één specifiek doel, gaandeweg worden uitgebreid en steeds vaker voor andere doeleinden worden gebruikt. Vandaag gaat het om de vog, Bibob-adviezen en migratiebeslissingen, maar morgen kan dat veel breder worden. Dat kan niet alleen breder worden, maar kan ook verschuiven van karakter.
Je ziet dat strafrechtelijke gegevens en conclusies steeds vaker worden gebruikt in andere rechtsdomeinen, met ingrijpende gevolgen, die verder reiken dan het strafrecht alleen. Wie goed kijkt naar deze ontwikkeling, ziet een geleidelijke verschuiving van het strafrechtelijke domein naar het bestuursrechtelijke domein. Wij zien niet alleen een uitbreiding van gebruiksdoelen, maar ook een structurele beweging waarbij strafrechtelijke gegevens stap voor stap hun context verliezen. Gegevens die ooit zijn verzameld binnen het strafrecht, met de daarbij horende zware waarborgen en rechtsbescherming, worden vervolgens ingezet in bestuursrechtelijke procedures, waarbij die bescherming aanzienlijk beperkter is. Dat is een ontwikkeling die we in de praktijk steeds vaker zien gebeuren. Daarom gaat DENK nog een stap verder in de beoordeling van dit voorstel. De kernvraag is niet alleen of dit juridisch mogelijk is, maar ook of het wenselijk is binnen een rechtsstaat die burgers tegenover overmatige staatsmacht zou moeten beschermen. Mijn laatste vraag is dan ook of de staatssecretaris het met mij eens is dat de kernvraag niet alleen is wat juridisch mogelijk is, maar ook wat rechtsstatelijk wenselijk is.
Dank u wel, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel. Dat leidt tot een vraag van de heer Sneller.
De heer Sneller (D66):
Ik denk dat het goed is dat we heel strikt zijn in de beoordeling van wetsvoorstellen, maar de heer El Abassi maakt er voor mijn gevoel wel een beetje een karikatuur van. Hij stelt bijvoorbeeld dat de Raad van State wordt genegeerd. Over de ernstige mate van inbreuk op grondrechten die kan worden gemaakt door het delen van strafrechtelijke gegevens schreef staatssecretaris Struycken gewoon: "Dit wordt door de regering erkend en is waar nodig verduidelijkt in de memorie van toelichting." De heer El Abassi zegt: de Autoriteit Persoonsgegevens wordt genegeerd. In de memorie van toelichting staat: "Ten slotte is de toelichting op advies van de Autoriteit Persoonsgegevens aangevuld met een onderbouwing van de noodzakelijkheid per doel." Hij zegt: de Autoriteit Persoonsgegevens zegt dat het niet wenselijk is. We hebben best wel veel adviezen van de Autoriteit Persoonsgegevens gelezen. Die kunnen inderdaad flink uithalen, maar dit is er niet zo eentje. Ik zoek dus een beetje naar wat de heer El Abassi vindt van de manier waarop met al die adviezen is omgegaan, want daar moeten we inderdaad streng op zijn.
De heer El Abassi (DENK):
Volgens mij is de Raad van State heel helder. Ik heb het hier voor me. Het is voor hen niet duidelijk welke gegevens er precies gedeeld worden. Het is voor hen niet duidelijk waarom er zo'n grote inbreuk gemaakt moet worden. Het is voor hen niet duidelijk wat de noodzaak en de proportionaliteit zijn. Ik heb geen antwoorden gehoord van de staatssecretaris hierop. Wat betreft antwoord geven in de memorie van toelichting: we weten allemaal dat we dit gewoon moeten verwerken in de wet. Daarnaast is het ook niet voldoende uitgewerkt in de memorie van toelichting. Ik zou zeggen: het moet terug naar de Raad van State; laat de Raad van State daar wat van vinden. Ik vind het antwoord van de staatssecretaris summier. Ik hoor straks graag in haar beantwoording wat ze daar zelf van vindt.
De voorzitter:
Dat leidt niet tot een vervolgvraag. Daarmee zijn we aan het einde gekomen van het betoog van de heer El Abassi. Ik kijk hem even aan. Is dat het geval?
De heer El Abassi (DENK):
Ja, ik ben klaar. Dank u wel, voorzitter.
De voorzitter:
Daarmee zijn we aan het einde gekomen van de eerste termijn aan de zijde van de Kamer. Ik wil voorstellen om te schorsen voor de lunch en om de staatssecretaris de beantwoording in haar eerste termijn voor te laten bereiden.
De algemene beraadslaging wordt geschorst.
De voorzitter:
We schorsen tot 12.45 uur. Een belangrijke mededeling daarbij is dat we bij de aanvang van de middagvergadering zullen stemmen over de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026. We schorsen dus tot 12.45 uur en dan stemmen we over de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026. Het debat is geschorst.
De vergadering wordt van 12.08 uur tot 12.45 uur geschorst.
Voorzitter: Van Campen