Inbreng verslag schriftelijk overleg : Inbreng verslag van een schriftelijk overleg over de voorhangprocedure oprichting stichting Ziezon (Kamerstuk 36530-37)
2026D32148 INBRENG VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
Binnen de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap hebben enkele fracties
de behoefte om vragen en opmerkingen voor te leggen over de brief van de Staatssecretaris
d.d. 29 mei 2026 inzake de voorhangprocedure oprichting stichting Ziezon (Kamerstuk
36 530, nr. 37).
De voorzitter van de commissie,
Koorevaar
Adjunct-griffier van de commissie
Easton
Inhoud
I
Vragen en opmerkingen uit de fracties
•
Inbreng van de leden van de D66-fractie
•
Inbreng van de leden van de VVD-fractie
•
Inbreng van de leden van de PRO-fractie
•
Inbreng van de leden van de CDA-fractie
II
Reactie van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
I Vragen en opmerkingen uit de fracties
Inbreng van de leden van de D66-fractie
De leden van de D66-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het voornemen
van de regering tot oprichting van stichting Ziezon. Deze leden onderschrijven het
belang van een goede, toegankelijke en toekomstbestendige onderwijsondersteuning voor
zieke leerlingen en studenten. Voor kinderen en jongeren die ernstig of langdurig
ziek zijn, is onderwijs veel meer dan het volgen van lessen. Het is contact met klasgenoten,
structuur in een ontwrichtende periode en de mogelijkheid om onderdeel te blijven
van het gewone leven. Juist daarom vinden deze leden dat bij de inrichting van stichting
Ziezon steeds één vraag centraal moet staan: hoe wordt de ondersteuning voor zieke
leerlingen en studenten beter, sneller en dichterbij georganiseerd?
De leden van de D66-fractie vragen hoe de Staatssecretaris voorkomt dat de oprichting
van stichting Ziezon vooral leidt tot een nieuwe bestuurslaag. Welke waarborgen worden
ingebouwd om ervoor te zorgen dat middelen maximaal terechtkomen bij de ondersteuning
van leerlingen en studenten, en niet bij overhead, bestuur, huisvesting of interne
organisatiekosten?
De leden van de D66-fractie hebben eerder hun zorgen geuit over het risico dat door
een landelijke aanpak de regionale verankering van de huidige ondersteuning verzwakt
worden. Korte lijnen tussen consulenten, scholen, ziekenhuizen, samenwerkingsverbanden
en ouders maken dat ondersteuning snel en passend kan worden ingezet. Deze leden vragen
hoe de Staatssecretaris er concreet voor gaat zorgen dat dit niet gebeurt. Kan de
Staatssecretaris aangeven welke regionale ondersteuningsstructuur stichting Ziezon
voor ogen heeft? Wordt gewerkt met vaste regio’s, regionale teams en regionale aanspreekpunten
voor scholen en ouders? Zo ja, welke uitgangspunten gelden daarbij? Zo nee, hoe wordt
dan voorkomen dat de ondersteuning afstandelijker wordt en consulenten minder goed
aangesloten blijven op lokale en regionale netwerken?
De leden van de D66-fractie benadrukken dat het succes van stichting Ziezon staat
of valt met de mensen die het werk doen. Onderwijsconsulenten beschikken over specialistische
kennis, kennen scholen en ziekenhuizen in hun regio en kunnen ouders en leerlingen
op kwetsbare momenten veel zorgen uit handen nemen. Deze leden vragen de Staatssecretaris
hoeveel huidige consulenten inmiddels hebben aangegeven over te willen stappen naar
stichting Ziezon en hoeveel consulenten daarover nog twijfelen of hebben aangegeven
niet mee te willen gaan.
De leden van de D66-fractie hebben signalen ontvangen dat een deel van de consulenten
het werk voor zieke leerlingen nu combineert met andere onderwijskundige, orthopedagogische
of adviserende taken. Juist die combinatie kan bijdragen aan hun expertise, inzetbaarheid
en werkplezier. Deze leden vragen hoe de Staatssecretaris voorkomt dat deze groep
door de nieuwe inrichting moet kiezen en daardoor voor het werk met zieke leerlingen
verloren gaat.
Kan de Staatssecretaris uiteenzetten op welke wijze de ministeriële verantwoordelijkheid
wordt geborgd wanneer de uitvoering wordt belegd bij een stichting met wettelijke
taak? Welke sturingsmogelijkheden heeft de Staatssecretaris als de stichting onvoldoende
presteert, de regionale inbedding niet waarmaakt of middelen onvoldoende doelmatig
inzet?
Inbreng van de leden van de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de Voorhangprocedure
oprichting stichting Ziezon en hebben daar geen vragen over.
Inbreng van de leden van de PRO-fractie
De leden van de PRO-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de voorliggende
stukken met betrekking tot de oprichting stichting Ziezon. Deze leden hebben enkele
vragen en opmerkingen.
De leden van de PRO-fractie hebben tijdens het debat over de Wet onderwijsondersteuning
zieke leerlingen (ozl) aangegeven dat zij er belang aan hechten dat kinderen mee mogen
praten over alle gelegenheden die hen aangaan. Dit is een recht, volgend uit het Kinderrechtenverdrag.
Ook zijn deze leden ervan overtuigd dat inbreng van betrokkenen de organisatie in
het onderwijs verbetert.
De leden van de PRO-fractie lezen dat er is voorzien in een belanghebbendenraad in
de statuten voor de oprichting van de stichting. Deze leden zijn van mening dat hiermee
ten dele wordt voldaan aan de vragen en opmerkingen van de leden van de PRO-fractie
tijdens het debat. Voor deze inbreng zullen zij zich dan ook met name hierop concentreren.
Allereerst hebben de leden van de PRO-fractie enkele vragen over het advies van het
Ministerie van Financiën. Deze leden lezen dat het Ministerie van Financiën heeft
geadviseerd om in de statuten op te nemen hoe de verdeling van de functies binnen
de raad van toezicht is geregeld. In het advies van het Ministerie van Financiën is
tevens te lezen dat zij aanbeveelt dat het onderwijs- en het zorgveld evenredig vertegenwoordigd
zou moeten zijn. De leden van de PRO-fractie lezen dat dit advies niet is overgenomen.
Deze leden zijn van mening dat ook minstens één oud-leerling zitting zou moeten hebben
in de Raad van Toezicht.
De leden van de PRO-fractie volgen de redenering dat het bij het benoemen van een
nieuw lid van de Raad van Toezicht handig is om het profiel optimaal af te stemmen
op wat de Raad van Toezicht op dat moment daadwerkelijk versterkt, maar zijn van mening
dat het opnemen van achtergronden in de statuten dit niet in de weg zou hoeven staan.
Net als dat het vastleggen dat een stichting ten minste één en ten hoogste drie bestuursleden
moet hebben mogelijk is, is het mogelijk vast te leggen dat er in de Raad van Toezicht
in elk geval één oud-leerling plaats moet nemen. Waarom is hier niet voor gekozen?
Is de Staatssecretaris het met deze leden eens dat een oud-leerling in de Raad van
Toezicht een zeer waardevolle toevoeging kan zijn vanuit de praktijkervaring van dergelijke
oud-leerlingen? Is de Staatssecretaris het verder met deze leden eens dat een oud-leerling
ook prima in een algemeen profiel naar ten minste deskundigheden, vaardigheden en
diversiteit zou passen, waarna er voor iedere vacature een specifiek profiel op wordt
gesteld? Is de Staatssecretaris het met deze leden eens dat het een het ander niet
uitsluit en zo nee, kan de Staatssecretaris aangeven waarom dat wel het geval zou
zijn? Kan de Staatssecretaris toezeggen de conceptstatuten zodanig aan te passen dat
er wél ruimte wordt gecreëerd voor ten minste één oud-leerling in de Raad van Toezicht?
Daarnaast hebben de leden van de PRO-fractie enkele vragen over de akte van oprichting
van stichting Ziezon. In een aangenomen amendement tijdens de wetsbehandeling hebben
deze leden aangegeven er belang aan te hechten dat er ook voldoende aandacht is voor
kinderen die psychisch ziek zijn, specifiek door middel van een grondslag om de werkwijze
van de stichting ook in latere jaren toe te kunnen passen op leerlingen met psychische
problemen.1 Deze kennis moet worden geborgd. De leden van de PRO-fractie zijn benieuwd of bij
de oprichting van de stichting in de oprichtingsstatuten rekening wordt gehouden dat
kennis en expertise op dit vlak wordt geborgd.
Dan over artikel 4.3 van de oprichtingsakte: de leden van de PRO-fractie lezen dat
in de statuten staat opgenomen dat het bestuur belanghebbenden, waaronder ouders,
leerlingen en (het bevoegd gezag van) scholen en andere betrokken, betrekt ten behoeve
van een structurele dialoog en daartoe een belanghebbendenraad opricht. Ook merken
deze leden op dat in de statuten niet is opgenomen hoeveel ruimte ouders en (oud-)leerlingen
dienen in te nemen in een dergelijke belanghebbendenraad. De leden van de PRO-fractie
willen nogmaals benadrukken dat zij er belang aan hechten dat in de statuten formeel
is vastgelegd hoeveel ruimte dergelijke belanghebbenden minstens in moeten nemen in
een belanghebbendenraad, teneinde te verzekeren dat alle belanghebbende stemmen daadwerkelijk
gehoord worden in een dergelijke raad. Kan de Staatssecretaris aangeven waarom niet
voor een dergelijk minimum is gekozen? Deze leden vragen zich verder af of in de statuten
opgenomen kan worden uit hoeveel leden de belanghebbendenraad minstens zou moeten
bestaan, zodat verzekerd kan worden dat de belanghebbendenraad daadwerkelijk een relevante
doorsnee van de belanghebbenden vertegenwoordigt. Kan de Staatssecretaris uitgebreid
bij deze punten stilstaan? Is de Staatssecretaris bereid om de statuten zodanig aan
te passen dat zowel het minimumaantal leden van de belanghebbendenraad als de minimumsamenstelling
van de belanghebbendenraad (zoals minstens één ouder en minstens één oud-leerling)
wordt opgenomen?
Ten slotte zijn de leden van de PRO-fractie ook benieuwd wat de precieze bevoegdheden
van de belanghebbendenraad wordt. Deze leden hebben eerder het belang van participatie
van kinderen en jongeren benadrukt. De belanghebbendenraad is hierin een belangrijke
stap, maar deze leden vragen zich af hoe wordt geborgd dat de stem van (oud-)leerlingen
niet alleen formeel aanwezig is, maar ook daadwerkelijk invloed heeft op de besluitvorming
van de stichting. Kan nader toegelicht worden op welke wijze gestimuleerd wordt dat
(oud)leerlingen actief betrokken worden bij beleid, evaluatie en het aankaarten van
knelpunten? Kan nader toegelicht worden welke concrete bevoegdheden de belanghebbendenraad
zal hebben? Zijn er bijvoorbeeld na de installatie van de belanghebbendenraad door
henzelf nog mogelijkheden om het reglement ten aanzien van de belanghebbendenraad
aan te scherpen of voorstellen daartoe te doen? Kan de Staatssecretaris hier uitgebreid
op reflecteren en in deze reflectie tevens aangeven of het juridisch mogelijk is om
iets dergelijks een plek te geven in de statuten?
De leden van de PRO-fractie danken de Staatssecretaris en betrokken ambtenaren voor
de beantwoording.
Inbreng van de leden van de CDA-fractie
De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de voorhangprocedure gezien de
oprichting van stichting Ziezon. Deze leden hebben op dit moment geen aanvullende
of verduidelijkende vragen of opmerkingen.
II Reactie van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
J.C. Koorevaar, voorzitter van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap -
Mede ondertekenaar
A.E.W. Easton, adjunct-griffier
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.