Nota n.a.v. het (nader/tweede nader/enz.) verslag : Nota naar aanleiding van het verslag
36 924 Wijziging van de Wet op het financieel toezicht, Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, de Wet handhaving consumentenbescherming en de Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek ter implementatie van Richtlijn (EU) 2023/2225 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten (Implementatiewet herziene richtlijn consumentenkrediet)
Nr. 8
NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG
Ontvangen 29 juni 2026
Inleiding
De regering is de vaste commissie voor Financiën erkentelijk voor de aandacht die
zij aan het onderhavige wetsvoorstel heeft geschonken, de prioriteit die zij hieraan
geeft en voor de door haar daarover gestelde vragen. De vragen worden, mede namens
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, beantwoord in de exacte volgorde van
het door de commissie uitgebrachte verslag.
Inleiding
De leden van de D66-fractie hebben met interesse kennisgenomen van het wetsvoorstel
herziene richtlijn consumentenkrediet (CCDII) en de Kamerbrief over de bescherming
van de consument bij achteraf betalen. Deze leden onderschrijven het belang van een
duidelijk beschermingskader bij krediet, in het bijzonder bij «koop nu, betaal later»-diensten
voor consumenten. Deze leden hebben nog enkele vragen.
De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het voorstel
tot implementatie van de herziene richtlijn consumentenkrediet (CCDII). Deze leden
onderschrijven het belang van goede consumentenbescherming en verantwoord kredietgebruik,
zeker nu nieuwe betaalvormen zoals «koop nu, betaal later»-diensten en digitale kredietproducten
steeds meer onderdeel uitmaken van het dagelijks betalingsverkeer. Tegelijkertijd
achten de leden van de VVD-fractie het van belang dat regelgeving proportioneel en
uitvoerbaar blijft, met ruimte voor innovatie en oog voor een goed functionerend Europees
speelveld. Deze leden hebben daarom nog enkele vragen aan de regering.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de
implementatiewet herziene richtlijn consumentenkrediet. Deze leden hebben nog enkele
opmerkingen en vragen.
De leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel ter implementatie
van de herziene richtlijn consumentenkrediet.
De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel ter implementatie
van de CCDII-richtlijn. Deze leden achten het positief dat stappen worden gezet om
de regelgeving rondom consumentenkrediet te moderniseren en beter aan te laten sluiten
op de huidige praktijk, waarin nieuwe kredietvormen en online aanbieders een steeds
grotere rol spelen. Tegelijkertijd constateren deze leden dat de implementatie lang
op zich heeft laten wachten, terwijl de problematiek van schulden en overkreditering
de afgelopen jaren juist verder is toegenomen.
Daarnaast signaleren de leden van de CDA-fractie dat het voorliggende wetsvoorstel
nog verschillende lacunes bevat. Daardoor rijst bij deze leden de vraag of de voorgestelde
maatregelen voldoende zijn om burgers daadwerkelijk en volledig te beschermen tegen
problematische schulden. Die zorg geldt in het bijzonder voor kwetsbare huishoudens
en jongeren, voor wie de verleiding van «kopen op de pof» groot is, terwijl de financiële
en maatschappelijke gevolgen van schulden vaak nog veel groter blijken. Juist in een
tijd waarin kredietverlening steeds toegankelijker, sneller en minder zichtbaar wordt
aangeboden, achten deze leden een stevige bescherming van consumenten van groot belang.
Onderstaande inbreng behandelt, aan de hand van de indeling van de memorie van toelichting,
de verschillende vragen die de leden van de CDA-fractie aan de regering hebben over
het voorliggende wetsvoorstel.
De leden van de JA21-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel tot implementatie
van de herziene richtlijn consumentenkrediet (CCDII). Deze leden onderschrijven het
belang van consumentenbescherming en het voorkomen van problematische schulden. Tegelijkertijd
achten deze leden het van belang dat de implementatie proportioneel, uitvoerbaar en
voorspelbaar blijft voor aanbieders en consumenten. Deze leden hebben daarom nog enkele
vragen.
De leden van de ChristenUnie-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de
Implementatiewet herziene richtlijn consumentenkrediet. Deze leden achten het van
het groot belang dat diensten als «koop nu, betaal later» gereguleerd worden om (jonge)
consumenten te beschermen tegen overkreditering en schuldgewenning. Deze leden hebben
kennisgenomen van de memorie van toelichting en zijn van mening dat deze in haar huidige
vorm ongestructureerd is en onvoldoende inzicht biedt in de gemaakte keuzes en de
onderliggende afwegingen, bijvoorbeeld rond de inhoud en gevolgen van de kredietwaardigheidstoetsing
en reikwijdte van het wetsvoorstel. Deze leden maken graag van de gelegenheid gebruik
om vragen te stellen over het voorliggende wetsvoorstel.
Algemeen
1. Inleiding
De leden van de CDA-fractie constateren dat de oorspronkelijke implementatietermijn
van 20 november 2025 inmiddels ruimschoots is overschreden. Deze leden zijn van mening
dat dit onwenselijk is, temeer daar het hier gaat om regelgeving die direct bijdraagt
aan betere bescherming van consumenten en het voorkomen van problematische schulden.
Deze leden benadrukken dat nu maximale inspanning vereist is om verdere vertraging
te voorkomen en te waarborgen dat de regels uiterlijk op 20 november 2026 daadwerkelijk
in werking treden.
Hoewel deze leden constateren dat er inmiddels voortgang wordt geboekt, stellen deze
leden vast dat de regering eerder onvoldoende voortvarend heeft gehandeld. Herhaalde
oproepen van de leden van de CDA-fractie, zowel via schriftelijke vragen als tijdens
debatten, om het implementatietraject te versnellen, hebben niet geleid tot het gewenste
resultaat. Dit roept bij deze leden vragen op over de prioritering en sturing binnen
de regering.
In de beantwoording van schriftelijke vragen uit oktober 2024 gaf de regering nog
aan dat het wetsvoorstel in het najaar van 2025 naar de Kamer zou worden gestuurd.
Deze planning is echter niet gehaald. In de Kamerbrief van 2 april 2026 wordt de vertraging
verklaard door te wijzen op de omvang en complexiteit van de implementatie van de
CCDII. Deze verklaring voelt te algemeen voor de leden van de CDA-fractie. Deze leden
vragen of de regering concreet kan uiteenzetten wat de belangrijkste oorzaken zijn
van de opgelopen vertraging in het implementatietraject. Ook vragen deze leden waarom
het niet is gelukt om dit traject te versnellen ondanks de breed erkende noodzaak
en het brede politieke draagvlak voor het voorliggende wetsvoorstel.
Nederland kent een uitgebreid wetgevingsproces, dat gemiddeld ten minste twee jaar
in beslag neemt en waarin veel partijen een rol hebben. Dit brengt met zich mee brengt
dat het tijdig implementeren van richtlijnen per definitie heel uitdagend is. Dit
geldt des te meer als er sprake is van technisch complexe wet- en regelgeving. De
regering en beide Kamers der Staten-Generaal zijn betrokken als wetgever maar ook
diverse adviescolleges zoals de Raad van State en het Adviescollege toetsing regeldruk
hebben een belangrijke rol. De Autoriteit Financiële Markten (AFM), Autoriteit Persoonsgegevens
(AP) en de Raad voor de Rechtspraak (RvdR) hebben uitvoeringstoetsen dan wel wetgevingsadviezen
uitgebracht. Deze adviezen zijn zorgvuldig beoordeeld en verwerkt. De Implementatiewet
herziene richtlijn consumentenkrediet (hierna: de implementatiewet) is op 10 november
2025 aanhangig gemaakt bij de Raad van State. Het advies van de Raad van State is
ontvangen op 28 januari 2026. In de twee maanden die daarop volgden is het nader rapport
opgemaakt en is de laatste hand gelegd aan de implementatiewet. Gedurende het proces
is er veelvuldig contact geweest met belanghebbenden als marktpartijen, Stichting
Bureau Krediet Registratie (BKR) en toezichthouders.
Naast het uitdagende proces, hebben andere factoren ervoor gezorgd dat de implementatiewet
niet eerder aan de Tweede Kamer kon worden gestuurd. Allereerst de 23 lidstaatopties
die per stuk zorgvuldig zijn geanalyseerd, beoordeeld, en waar nodig besproken met
belanghebbenden om een goed beeld te krijgen van de impact en gevolgen. Daarnaast
is bekeken welke ruimte er is om buiten deze lidstaatopties regelgeving in te voeren
en te handhaven. Zo is onder meer een nadere analyse uitgevoerd naar de mogelijkheden
van aanvullende regulering van «koop nu, betaal later»-diensten, naar aanleiding van
het politieke draagvlak voor strengere regels. De wensen van de Kamer zijn waar uitvoerbaar
verwerkt in de implementatiewet. Ook dit bracht uitdagingen met zich mee, bijvoorbeeld
waar het de afbakening betrof van overeenkomsten van krediet in de vorm van uitgestelde
betaling. Een nadere uiteenzetting over aanvullende regulering is gedaan in de brief
die gelijktijdig met de implementatiewet is verzonden aan de Kamer op 2 april 2026.
Een ander complicerende factor is de samenhang met het Wetsvoorstel stelsel kredietregistratie.1
Er is in de voorbereiding van de implementatiewet contact geweest met andere lidstaten
over de keuzes die nationaal gemaakt werden, onder andere via implementatieworkshops.
In die fase waren andere lidstaten minder ver in het implementatieproces waardoor
tijdens het schrijfproces nog geen gebruik kon worden gemaakt van de keuzes en ervaring
van andere lidstaten. Enkele andere lidstaten hebben ook de implementatiedatum van
20 november 2025 niet gehaald. Zo heeft Duitsland de implementatie in mei 2026 afgerond
en is in België het wetsvoorstel in mei 2026 naar het parlement gestuurd en het wetgevingsproces
ook nog gaande.
Deze vertraging leidt er tevens toe dat de parlementaire behandeling onder toenemende
tijdsdruk komt te staan, zo merken de leden van de CDA-fractie op. Daarnaast betekent
dit dat marktpartijen de implementatie van de richtlijn binnen een zeer korte termijn
moeten realiseren. In dat licht vragen deze leden of het implementatierisico voldoende
in beeld is gebracht. Deze leden vragen of de regering uiteen kan zetten welke risico’s
het voorziet voor zowel de uitvoerbaarheid voor marktpartijen als de handhaafbaarheid
door toezichthouders bij een dergelijke verkorte implementatieperiode. Ook willen
deze leden weten in hoeverre de regering partijen die nu onder tijdsdruk moeten gaan
handelen gaat ondersteunen.
Gedurende (de voorbereiding van) het wetgevingstraject is veelvuldig contact geweest
met marktpartijen om hen op de hoogte te houden van het proces. De financiële sector
kon reeds aan de slag met de implementatie van de richtlijn na publicatie daarvan,
maar heeft weinig voorbereidingstijd waar het gaat om nationale keuzes en de daarmee
samenhangende verplichtingen. Na inwerkingtreding van de nieuwe regels is de AFM bevoegd
om handhavend optreden. Waar het gaat om het aanvragen van een vergunning of registratie
kan deze voorafgaand aan de inwerkingtreding worden aangevraagd. De richtlijn biedt
geen ruimte voor een alternatieve inwerkingtredingsdatum. De regering heeft wel ruimte
gezien voor een uitgestelde implementatietermijn voor aanbieders van kaarten met uitgestelde
debitering. Deze ondernemingen kunnen zich zodoende beter voorbereiden op de nieuwe
regels. Die uitgestelde termijn is opgenomen in de implementatiewet.
De leden van de JA21-fractie hebben zorgen over de korte implementatietermijn van
het wetsvoorstel. Deze leden lezen dat de richtlijn uiterlijk op 20 november 2026
moet zijn geïmplementeerd. Tegelijkertijd constateren deze leden dat de regering het
wetsvoorstel pas laat bij de Kamer heeft ingediend, waardoor de feitelijke voorbereidingstijd
voor aanbieders, toezichthouders en uitvoerende partijen aanzienlijk korter wordt
dan oorspronkelijk door de Europese Commissie lijkt te zijn beoogd. Deze leden vragen
de regering hoe zij haar eigen handelen als wetgever beoordeelt in het licht van een
zorgvuldige implementatie. Acht de regering het redelijk dat ondernemers, aanbieders
en consumenten mogelijk de gevolgen dragen van een krap tijdpad dat mede door het
tempo van de wetgever is ontstaan?
Nederland kent een uitgebreid wetgevingsproces dat gemiddeld twee jaar in beslag neemt
en waarin meerdere partijen een rol hebben. De complexiteit van het traject heeft
ervoor gezorgd dat het traject langer heeft geduurd, onder andere door onderzoek naar
en weging van de 23 lidstaatopties en aanvullende nationale regulering van «koop nu,
betaal later»-diensten. In de voorbereiding van de implementatiewet is veelvuldig
contact geweest met marktpartijen, het BKR en toezichthouders. De financiële sector
kon reeds aan de slag met de implementatie van de richtlijn na publicatie daarvan,
maar heeft weinig voorbereidingstijd waar het gaat om nationale keuzes en de daarmee
samenhangende verplichtingen. Waar het gaat om het aanvragen van een vergunning of
registratie kan deze voorafgaand aan de inwerkingtreding worden aangevraagd. Hoewel
het onwenselijk is dat de sector en consumenten nu geconfronteerd worden met een krap
tijdspad, is het niet mogelijk om af te wijken van de datum voor toepassing van de
richtlijn. De regering heeft wel ruimte gezien voor een uitgestelde implementatietermijn
voor aanbieders van kaarten met uitgestelde debitering, zodat zij langer de tijd krijgen
om zich voor te bereiden. Die uitgestelde termijn is opgenomen in de implementatiewet.
De leden van de JA21-fractie vragen welke mogelijkheden de regering ziet om een zorgvuldige
overgang naar het nieuwe regime te faciliteren. Is de regering bereid om te voorzien
in een overgangstermijn, transitieperiode of tijdelijke terughoudendheid in de handhaving
na de invoeringsdatum? Kan de regering daarbij ook ingaan op de mogelijkheid om het
uitstel van zes maanden dat geldt voor aanbieders van kaarten met uitgestelde debitering
breder van toepassing te verklaren op andere aanbieders die aantoonbaar tijdig stappen
zetten om aan de nieuwe regels te voldoen?
De richtlijn biedt geen ruimte om af te wijken van de datum voor toepassing van de
richtlijn. Waar de regering wel ruimte heeft gezien en ook noodzakelijk heeft geacht
is de uitgestelde implementatietermijn voor aanbieders van kaarten met uitgestelde
debitering, zoals opgenomen in de implementatiewet. Het is voorts niet mogelijk en
niet doenlijk om een regel of set regels later voor te schrijven voor welwillende
aanbieders. Waar het gaat om handhaving is het aan de AFM om te beoordelen of zij
vanaf inwerkingtreding handhaaft en met welk handhavingsinstrument. Daarbij kan zij
de omstandigheden betrekken en tevens kan zij in overleg treden met marktpartijen.
2. Inhoud richtlijn
De leden van de VVD-fractie lezen dat de memorie van toelichting beschrijft dat «koop
nu, betaal later»-diensten en kaarten met uitgestelde debitering onder het toepassingsbereik
van de wet worden gebracht omdat zij vergelijkbare risico’s voor consumenten zouden
kennen. Daarbij wordt gewezen op het risico van overkreditering en impulsief koopgedrag.
Welke concrete empirische gegevens tonen aan dat kaarten met uitgestelde debitering
vergelijkbare risico’s opleveren als «koop nu, betaal later»-diensten, en waarom rechtvaardigt
dit een gelijke intensiteit wat betreft regulering?
De aanbieders van kaarten met uitgestelde debitering hebben toegelicht dat er zich
weinig betalingsproblemen voordoen met deze kaarten. Deze kaarten worden echter niet
gereguleerd vanwege bestaande betalingsproblemen, maar om consumenten met een kaart
met uitgestelde debitering dezelfde manier bescherming te bieden als consumenten van
andere soorten consumptief krediet. Ook wordt voorkomen dat aanbieders van «koop nu,
betaal later»-diensten de regels kunnen ontwijken door het uitbrengen van een dergelijke
kaart.
De leden van de VVD-fractie lezen dat de regering stelt dat regulering van «koop nu,
betaal later»-diensten kan leiden tot hogere kosten en mogelijk een beperkter aanbod,
maar acht dit aanvaardbaar gelet op de versterking van consumentenbescherming. Daarbij
wordt erkend dat kortlopende kredietvormen ook kunnen bijdragen aan budgetbeheer.
Hoe weegt de regering het risico dat huishoudens met een smalle beurs door deze regulering
juist minder toegang krijgen tot tijdelijk betalingsgemak en welke mitigerende maatregelen
worden overwogen?
Aan het samenstel van regels ligt een weging ten grondslag tussen bescherming van
de consument enerzijds en toegang van de consument tot krediet en proportionaliteit
voor de sector en de consument anderzijds. Zolang een consument een (kortlopend) krediet
kan dragen, kan hij of zij dat krediet ook krijgen. Wel vindt de regering het van
belang om overkreditering en schuldgewenning tegen te gaan.
Op de meeste punten schrijft de richtlijn dwingend regels voor en is de regering dus
verplicht deze te implementeren. Zo schrijft de richtlijn onder meer voor dat een
kredietwaardigheidsbeoordeling dient te worden uitgevoerd, die proportioneel mag zijn.
Op welke wijze deze wordt uitgevoerd, wordt nader uitgewerkt door aanbieders van krediet
en binnen de leennormen van de Vereniging van Financieringsondernemingen in Nederland
(VFN) voor de aanbieders die daarbij zijn aangesloten. De regering heeft binnen de
richtlijn ruimte gezien om voor kleine kredieten slechts een beperkte kredietwaardigheidsbeoordeling
voor te schrijven, zonder verplichte verificatie van bijvoorbeeld inkomsten. Dit is
onderdeel van het Implementatiebesluit herziene richtlijn consumentenkrediet (hierna:
het implementatiebesluit) dat recent aan uw Kamer is aangeboden in het kader van een
voorhangprocedure.
De leden van de VVD-fractie constateren dat meerdere Europese lidstaten gebruikmaken
van de mogelijkheid om kaarten met uitgestelde debitering uit te zonderen van de richtlijn.
Nederland kiest ervoor deze producten wel onder het toepassingsbereik te brengen.
Kan de regering toelichten waarom voor deze strengere implementatie is gekozen? Welke
gevolgen verwacht de regering hiervan voor de concurrentiepositie van Nederlandse
aanbieders en de werking van de Europese interne markt? Hoe weegt de regering daarbij
het feit mee dat producten met uitgestelde debitering historisch gezien beperkte betalingsproblematiek
kennen?
Een lidstaatoptie in een Europese richtlijn of verordening heeft altijd een risico
op fragmentatie tot gevolg. Het is denkbaar dat Nederlandse aanbieders worden geconfronteerd
met zwaardere lasten dan aanbieders van deze kaarten in andere lidstaten, ervan uitgaande
dat Nederland een grotere afzetmarkt is voor Nederlandse aanbieders in vergelijking
met deze buitenlandse aanbieders en daarmee een groter aandeel van de dienstverlening
wordt gereguleerd. Het gelijk speelveld tussen Nederlandse en buitenlandse aanbieders
wordt echter zoveel mogelijk behouden. Het is niet mogelijk voor aanbieders uit een
andere lidstaat, zonder vergunning in Nederland krediet aan te bieden. Daarvoor zal
de aanbieder eerst een vergunning van de AFM moeten krijgen of in het bezit moeten
zijn van een vergunning in een andere lidstaat op grond waarvan het toegestaan is
(grensoverschrijdend) krediet aan te bieden in Nederland, bijvoorbeeld een bankvergunning
in een andere lidstaat. Heeft een aanbieder in de lidstaat van herkomst wel een vergunning,
dan gelden in beginsel op grond van artikel 4:1 Wft de kredietregels uit de Wet op
het financieel toezicht (Wft) en is de AFM bevoegd om op toezicht te houden op naleving
van deze regels. Dit waarborgt een gelijk speelveld tussen Nederlandse en buitenlandse
aanbieders.
Als kaarten met uitgestelde debitering niet worden gereguleerd, dan kan er sprake
zijn van onvoldoende en ongelijkwaardige consumentenbescherming. Bij zowel «koop nu,
betaal later»-diensten, als bij kaarten met uitgestelde debitering is immers sprake
van kopen op afbetaling. De regering heeft ervoor gekozen om beide dan ook gelijkwaardig
te reguleren. Deze kaarten niet reguleren zou leiden tot een ongelijk speelveld tussen
verschillende aanbieders van consumptief krediet. Een uitzondering voor kaarten met
uitgestelde debitering kan ook betekenen dat regulering ontweken wordt, indien aanbieders
van bijvoorbeeld «koop nu, betaal later»-diensten een kaart met uitgestelde debitering
uitbrengen. Deze kaart met «koop nu, betaal later»-functionaliteit zou dan niet onder
de kredietregels vallen. Dat vindt de regering niet wenselijk. Van één bestaande aanbieder
van «koop nu, betaal later»-krediet is reeds bekend dat deze een dergelijke kaart
heeft uitgebracht. Hoewel het dus juist is dat kaarten met uitgestelde debitering
historisch gezien beperkte betalingsproblematiek kennen, heeft de regering, mede gezien
dit risico van ontwijking van regulering de afweging gemaakt om kaarten met uitgestelde
debitering niet uit te zonderen. Om de lastendruk te beperken, worden in lagere regelgeving
(het Besluit kredietvergoeding) wijzigingen voorgesteld die het mogelijk moeten maken
voor aanbieders om hun huidige kostenmodel zoveel mogelijk in stand te houden.
Creditcards en andere producten met uitgestelde debitering kennen maandelijkse volledige
aflossing zonder rente en zeer lage wanbetalingspercentages en verschillen daarmee
wezenlijk van «koop nu, betaal later»-diensten, zo constateren de leden van de VVD-fractie.
Desondanks worden deze producten in de implementatie grotendeels gelijk behandeld.
Acht de regering het proportioneel om producten met uitgestelde debitering onder vrijwel
hetzelfde regime te brengen als «koop nu, betaal later»-diensten en hoe wordt voorkomen
dat goed functionerende betaalmiddelen hierdoor minder toegankelijk worden?
Net als «koop nu, betaal later»-diensten zijn creditcards en andere producten met
uitgestelde debitering een vorm van krediet. De regering vindt het daarom proportioneel
om deze kaarten te reguleren. Indien deze producten niet worden gereguleerd ontstaat
een ongelijk speelveld tussen aanbieders van krediet. Daarnaast bestaat de verwachting,
die inmiddels al is gematerialiseerd, dat aanbieders van «koop nu, betaal later»-diensten
kaarten met uitgestelde debitering gaan uitgeven, waardoor regulering ontweken wordt.
In lagere regelgeving worden wijzigingen in de huidige kredietregels doorgevoerd,
zodat aanbieders van kaarten met uitgestelde debitering zoveel mogelijk hun bedrijfsmodel
kunnen hanteren en daarmee het product betaalbaar en toegankelijk kunnen houden. Het
gaat om onder meer de kosten die zij maandelijks in rekening mogen brengen voor de
kaart en de opname- en transactievergoeding. Daarnaast mogen kosten voor extra diensten
die niet onder krediet vallen, zoals toegang tot lobby's op vliegvelden, ook in rekening
worden gebracht. Voorts is ten aanzien van de verplichte kredietwaardigheidsbeoordeling
een zekere mate van proportionaliteit mogelijk. De individuele aanbieder kan die proportionaliteit
invullen of daarin de nieuwe Leennormenmethodiek Consumptief Krediet van de Vereniging
van Financieringsondernemingen (VFN) volgen, die op dit moment in ontwikkeling zijn.
De regering heeft zich beperkt tot het stellen van enkele algemene kaders voor de
kredietwaardigheidsbeoordeling. Er moet altijd een kredietwaardigheidsbeoordeling
worden uitgevoerd (conform de eisen van richtlijn). Daarbij is raadpleging verplicht
van het BKR op openstaande kredieten en achterstanden en van het Centraal curatele-
en bewindregister (CCBR). Daarnaast is, in lijn met de richtlijn, opgenomen dat verificatie
dient plaats te vinden van lasten en inkomen indien informatie daarover is opgevraagd
in het kader van de kredietwaardigheidsbeoordeling.
De leden van de VVD-fractie vragen of de regering erkent dat vrijwel iedere betaal-
of serviceoptie die leidt tot hogere conversie of omzet voor ondernemers in zekere
zin een financieel voordeel oplevert. Hoe voorkomt de regering dat daarmee een te
brede interpretatie van het begrip «financiële beloning» ontstaat?
Het begrip financiële beloning is van belang om te bepalen of er sprake is van bemiddelen
in krediet. Het aanbieden van andere betaal- of serviceopties kan in zekere zin een
financieel voordeel opleveren, maar dit is niet relevant, zolang het gaat op betaal-
of serviceopties die niet leiden tot het aangaan van een kredietovereenkomst. «Koop
nu, betaal later» als betaaloptie leidt tot een krediet, maar het aanbieden van bijvoorbeeld
een online bankoverschrijving als betaaloptie niet.
De leden van de VVD-fractie steunen het verbod op «koop nu, betaal later»-diensten
voor minderjarigen en onderschrijven het belang van leeftijdsverificatie. Deze leden
vragen wel welke vormen van leeftijdsverificatie volgens de regering als proportioneel
en uitvoerbaar worden beschouwd. Hoe wordt voorkomen dat hierbij onnodig veel persoonsgegevens
worden verwerkt?
Aanbieders van krediet verzamelen, afhankelijk van de omvang van de kredietwaardigheidsbeoordeling
in mindere of meerdere mate persoonsgegevens. Leeftijdsverificatie is daarvan slechts
een onderdeel. Marktpartijen zijn zelf verantwoordelijk voor naleving van Verordening
(EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende
de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens
en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn
95/46/EG (AVG), zoals het beginsel van minimale gegevensverwerking: persoonsgegevens
moeten op grond van artikel 5, lid 1, onderdeel c AVG toereikend zijn, ter zake dienend
en beperkt tot wat noodzakelijk is voor de doeleinden waarvoor zij worden verwerkt.
De implementatiewet schrijft de wijze van leeftijdsverificatie, bovenop de reeds geldende
privacynormen, op dit moment niet nader voor, anders dan dat dit aan de hand van een
betrouwbare bron dient plaats te vinden, bijvoorbeeld een kopie paspoort of via een
koppeling met een bank.
De regering geeft aan dat aanbieders zelf verantwoordelijk zijn voor het kiezen van
een passende methode van leeftijdsverificatie en dat geen specifieke methode wettelijk
wordt voorgeschreven. Tegelijkertijd wordt een delegatiegrondslag opgenomen om later
nadere eisen te stellen. Daarom vragen de leden van de VVD-fractie hoe wordt voorkomen
dat verschillen in leeftijdsverificatiemethoden leiden tot rechtsongelijkheid of handhavingsproblemen
en op welk moment de regering het noodzakelijk acht om gebruik te maken van de delegatiegrondslag.
Het is aan de aanbieder om te kiezen met welke bron zij wenst te werken, mits deze
betrouwbaar is. Dat kan bijvoorbeeld een kopie paspoort zijn of een koppeling met
een bank. In het kader van handhaving worden geen problemen verwacht, nu aanbieders
over beleid moeten beschikken ter verificatie van de leeftijd van de consument en
moeten kunnen aantonen dat zij leeftijdsverificatie hebben uitgevoerd. Er kan gebruik
worden gemaakt van de delegatiegrondslag indien blijkt dat vanuit Europese of nationale
wetgeving specifieke sectoroverstijgende eisen worden gesteld die ook op deze doelgroep
van toepassing verklaard zouden moeten worden. Er wordt nu geen aanleiding gezien
om gebruik te maken van deze grondslag, vanuit het beschermingskarakter van de AVG
en het karakter van de overeenkomst waarbinnen reeds persoonsgegevens worden verwerkt
in het kader van de kredietwaardigheidsbeoordeling en het «ken uw klant»-proces.
Voor andere vormen van consumptief krediet blijft het mogelijk dat minderjarigen,
met toestemming van de wettelijke vertegenwoordiger en soms de kantonrechter, krediet
aangaan. De regering stelt dat hiervoor geen aanleiding bestaat voor een totaalverbod.
Hoe beoordeelt de regering het risico dat minderjarigen via deze route alsnog schulden
opbouwen en acht de regering het huidige civielrechtelijke beschermingskader hiervoor
voldoende robuust?
Met de implementatiewet wordt geregeld dat krediet in de vorm van uitstel van betaling
nooit zelfstandig door minderjarige consumenten kan worden aangegaan (de voorgestelde
artikelen 3:34b Wft en artikel 7:75 BW). De regering vindt het niet nodig om een om
een totaalverbod voor regulier krediet voor minderjarigen in te voeren. Er zijn immers
redenen denkbaar op grond waarvan het voor (ondernemende) minderjarigen nuttig en
bovendien leerzaam kan zijn om een regulier krediet af te sluiten. De noodzaak en
aanleiding voor een verbod om elke vorm van krediet aan minderjarigen aan te bieden
ontbreken op dit moment. In de praktijk hebben zich voor de komst van nieuwe vormen
van uitgestelde betaling geen problemen voorgedaan en is ook niet bekend dat minderjarigen
hierdoor schulden opbouwen. Handelingsbekwaamheid is een van de kernbeginselen van
het civiele recht. Het is dan ook voldoende robuust voor het aangaan van regulier
krediet. Jongeren zijn en blijven hierbij beschermd, want voor het aangaan van deze
kredietovereenkomsten zal altijd toestemming nodig zijn van de wettelijke vertegenwoordiger
van de jongere en die toestemming zal een ondubbelzinnige en duidelijk bevestigende
handeling vereisen. De rechtshandeling is vernietigbaar wanneer die wordt aangegaan
door een handelingsonbekwaam persoon.
De leden van de VVD-fractie lezen dat uitsluitend «onder toezicht staande instellingen»
toegang mogen hebben tot databanken zoals het BKR. Hoe voorkomt de regering dat nieuwe
kredietaanbieders of buitenlandse partijen buiten effectief Nederlands toezicht toch
toegang verkrijgen tot deze gevoelige consumentengegevens?
Artikel 19, eerste lid, van de richtlijn schrijft voor dat elke lidstaat ervoor zorgt
dat kredietgevers uit andere lidstaten toegang hebben tot de databanken die in de
betrokken lidstaat worden gebruikt om de kredietwaardigheid van consumenten te beoordelen.
De voorwaarden voor toegang tot dergelijke databanken mogen daarnaast op grond van
dit lid niet discriminerend zijn. Vanuit het beginsel van de interne markt is het
niet mogelijk om toegang te beperken voor buitenlandse aanbieders. Uiteraard moeten
deze partijen wel onder toezicht staan van een nationale bevoegde autoriteit, dus
een toezichthouder in een andere lidstaat.
De leden van de VVD-fractie lezen dat de richtlijn en het wetsvoorstel een uitgebreidere
kredietwaardigheidsbeoordeling voorschrijven, waarbij de proportionaliteit wordt gekoppeld
aan aard, duur, waarde en risico’s van het krediet. Tegelijkertijd blijft sprake van
een open norm. Hoe wordt in de praktijk geborgd dat kredietaanbieders de proportionaliteitstoets
op een uniforme en voorspelbare wijze toepassen zodat rechtszekerheid voor zowel aanbieders
als consumenten ontstaat?
De richtlijn schrijft een proportionele kredietwaardigheidsbeoordeling voor. Daarmee
zal de beoordeling in de Europese Unie per definitie niet uniform worden uitgevoerd.
De huidige Nederlandse praktijk is dat aanbieders zich conformeren aan de Leennormenmethodiek
Consumptief Krediet van de VFN. Deze methodiek wordt jaarlijks geactualiseerd, onder
andere op basis van cijfers van het Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting (Nibud).
De VFN werkt op dit moment aan nieuwe leennormen, onder de nieuwe regels, in samenspraak
met de sector, de AFM en het Ministerie van Financiën. Dit zal de proportionaliteit
inkleuren en daarmee duidelijkheid bieden aan aanbieders over de omvang van de uit
te voeren kredietwaardigheidsbeoordeling. Het staat aanbieders vrij om zich niet te
conformeren aan deze leennormen en een eigen beleid hierop te voeren. De AFM ziet
ook dan uiteraard toe op het naleven van de verplichting tot het uitvoeren van een
passende kredietwaardigheidsbeoordeling.
De leden van de VVD-fractie lezen dat wordt erkend dat kredietwaardigheidsbeoordelingen
kunnen leiden tot extra administratieve lasten voor consumenten, bijvoorbeeld door
het aanleveren van financiële gegevens. Tegelijkertijd wordt gesteld dat dit het doenvermogen
niet wezenlijk aantast. Waarop baseert de regering de aanname dat het doenvermogen
van consumenten hierdoor niet significant wordt belast, met name bij laagdrempelige
en kortlopende kredietvormen?
Het is juist dat consumenten vaker, bijvoorbeeld bij «koop nu, betaal later»-krediet
en kaarten met uitgestelde debitering, een kredietwaardigheidsbeoordeling krijgen.
Die kredietwaardigheidsbeoordeling is zwaarder naar gelang de risico’s groter zijn
voor de consument en waarbij dus informatie zal moeten worden opgevraagd. Daarvoor
zullen consumenten – in hun eigen belang – inspanningen moeten verrichten door het
aanleveren van financiële gegevens. Dit gaat om dezelfde inspanningen voor een kredietwaardigheidsbeoordeling
als bij andere, reeds gereguleerde vormen van krediet. Er zijn geen aanwijzingen dat
consumenten de gevraagde handelingen onvoldoende begrijpen of niet kunnen uitvoeren.
Daarom is het niet de verwachting dat het doenvermogen van de consument significant
zal worden belast. Dit onderwerp is ook aangestipt op blz. 23 van de memorie van toelichting.
Hoewel het wetsvoorstel expliciet spreekt over een proportionele kredietwaardigheidsbeoordeling,
signaleren marktpartijen dat in de praktijk alsnog wordt uitgegaan van het verplicht
verzamelen en mogelijk verifiëren van inkomens- en uitgavengegevens bij alle transacties,
ongeacht bedrag of risico. De leden van de VVD-fractie vragen hoe de regering borgt
dat kredietverstrekkers daadwerkelijk ruimte krijgen om de kredietwaardigheidsbeoordeling
proportioneel in te richten, en niet verplicht worden tot een uniforme en zware toets
bij laag-bedrag en laag-risico kredieten?
De eisen aan de kredietwaardigheidsbeoordeling worden niet bij of krachtens wet voorgeschreven,
behalve de minimumverplichting dat in alle gevallen het BKR geraadpleegd dient te
worden en de grens van € 100 waaronder een beperkte kredietwaardigheidsbeoordeling
volstaat. Beide elementen zijn onderdeel van het implementatiebesluit. De proportionaliteit
is verder aan de aanbieder om toe te passen, daardoor gesteund door de richtlijn.
Daarnaast wordt die proportionaliteit op dit moment nader uitgewerkt in nieuwe Leennormenmethodiek
Consumptief Krediet van de VFN, specifiek voor kleine kredieten. Waar informatie wordt
opgevraagd dient deze geverifieerd te worden, zo is verduidelijkt in het implementatiebesluit.
De leden van de VVD-fractie onderschrijven dat perverse prikkels bij kredietverlening
moeten worden voorkomen, maar vragen de regering hoe wordt gewaarborgd dat nieuwe
regels over beloningsbeleid niet leiden tot onnodige administratieve lasten of beperking
van gezonde commerciële prikkels binnen de sector.
De regels omtrent het beloningsbeleid volgen uit artikel 32 van de richtlijn. Een
voorbeeld is dat het beloningsbeleid in overeenstemming moet zijn met en bijdraagt
aan de risicobeheerstrategie van de aanbieder en maatregelen omvat ter voorkoming
van belangenconflicten, door met name te bepalen dat de beloning niet afhankelijk
is van het aantal of het percentage aanvaarde kredietaanvragen. Lidstaten hebben geen
ruimte om af te wijken van de normen uit deze bepaling. De richtlijn spreekt van «beginselen»
en vereist ook dat aanbieders deze beginselen naleven. Aanbieders gaan zelf over het
beloningsbeleid en moeten zelf risico's inschatten op onder andere langetermijnbelangen
en belangenverstrengeling. Dat zal immers afhankelijk zijn van de omstandigheden van
het geval, zoals de diensten die de aanbieder verleent. Omdat de eisen volgen uit
de richtlijn heeft de regering geen invloed op deze regels en eventuele administratieve
lasten die gepaard gaan met de naleving hiervan. De aanbieder heeft voorts zelf in
de hand hoe het beleid wordt vormgegeven, mits daarbij de genoemde beginselen worden
nageleefd.
De leden van de CDA-fractie begrijpen dat het principe van maximumharmonisatie voordelen
oplevert voor de uniformering van de interne markt. Echter constateren deze leden
ook dat onder andere België en Spanje additionele maatregelen nemen bovenop de CCDII.
Deze leden vragen hoe de regering deze ontwikkelingen duidt in het licht van het uitgangspunt
van maximumharmonisatie. Daarnaast vragen deze leden welke juridische ruimte de CCDII
biedt om, bovenop de bestaande lidstaatopties, aanvullende nationale maatregelen te
treffen. Deze leden vragen of de regering deze juridische ruimte inzichtelijk kan
maken. Ten slotte vragen deze leden op dit punt hoe beoordeeld wordt of afwijkingen
binnen de proportionaliteits- en harmonisatiekaders van het Unierecht blijven, met
name omdat de wet op onderdelen werkt met open normenkaders waardoor interpretatieruimte
ontstaat.
De richtlijn heeft het karakter van maximumharmonisatie, maar bevat tegelijkertijd
23 lidstaatopties en diverse open normen of onbepaalde begrippen. Dit is een keuze
geweest in het Europese wetgevingsproces. Het risico is dat dit divergentie in de
hand werkt, ofwel in het toezicht, ofwel in regelgeving. Bevordering van de interne
markt is een van de hoofddoelen van de richtlijn, maar vervolmaking van de interne
kredietmarkt onder volledig dezelfde spelregels zal hierdoor mogelijk moeilijk blijken.
Voor de ruimte die de richtlijn biedt voor aanvullende nationale maatregelen wordt
verwezen naar de Kamerbrief van 2 april 2026.2 Over het algemeen geldt dat de regering bij de omzetting van de richtlijn ook de
richtlijntekst volgt. Hier en daar is echter een vertaalslag nodig naar de Nederlandse
situatie of is nadere invulling noodzakelijk. Voor de kredietwaardigheidsbeoordeling
heeft de regering zich beperkt tot het stellen van enkele algemene kaders. Er moet
altijd een kredietwaardigheidsbeoordeling worden uitgevoerd (conform de richtlijn),
raadpleging is verplicht van het BKR op lopende kredieten en langdurige achterstanden
(in overeenstemming met artikel 18, elfde lid, van de richtlijn) en raadpleging is
verplicht van het CCBR (in overeenstemming met civielrechtelijk beginsel van handelingsbekwaamheid).
Daarnaast is de proportionaliteit nader ingevuld door een beperkte kredietwaardigheidsbeoordeling
voor te schrijven voor kredieten tot € 100,–.
De leden van de CDA-fractie hebben daarnaast vragen over de samenloop met aanbieders
uit andere Europese lidstaten die weliswaar onder de CCDII vallen, maar gebruikmaken
van andere lidstaatopties, bijvoorbeeld doordat zij geen verbod op BNPL voor minderjarigen
hanteren. Deze leden maken zich zorgen dat strengere Nederlandse regelgeving op deze
wijze in de praktijk kan worden omzeild doordat aanbieders vanuit een andere lidstaat,
met een vergunning uit dat land, alsnog actief diensten aanbieden aan Nederlandse
consumenten.
Deze leden vragen de regering om toe te lichten hoe het bijvoorbeeld werkt als een
16-jarige online een spijkerbroek door middel van BNPL koopt via een aanbieder uit
respectievelijk Duitsland, België of Frankrijk. Ook vragen deze leden wat de gang
van zaken is als een Nederlandse 16-jarige in het buitenland in een fysieke winkel
een spijkerbroek koopt met BNPL. Deze leden vragen of dit valt onder het respectievelijke
buitenlandse regime of onder het Nederlandse regime.
Voor aanbieders uit andere lidstaten geldt artikel 4:1 Wft. De gedragsnormen uit Deel
4 van de Wft zijn van toepassing op aanbieders waaraan het ingevolge hoofdstuk 2.2
Wft is toegestaan in Nederland financiële diensten te verlenen. Dit is bijvoorbeeld
het geval als aanbieders uit andere lidstaten een vergunning hebben in die lidstaat
waaronder het toegestaan is krediet aan te bieden in Nederland of een verklaring van
ondertoezichtstelling hebben van De Nederlandsche Bank (DNB). Heeft een aanbieder
een vergunning in Nederland, dan gelden de gedragsregels, waaronder leeftijdsverificatie
bij het aangaan van een kredietovereenkomst. Die gelden dus ook in de situatie van
een vergunning in een andere lidstaat of een verklaring van ondertoezichtstelling,
bijvoorbeeld indien een aanbieder met een bankvergunning krediet aanbiedt in Nederland
en als zodanig staat geregistreerd. Ook dan gelden de Nederlandse verplichtingen.
Voor aanbieders uit andere lidstaten die niet over een vergunning beschikken in een
andere lidstaat, waaronder het toegestaan is krediet aan te bieden in Nederland, of
verklaring van ondertoezichtstelling van DNB, geldt in beginsel dat op een kredietovereenkomst
met een in Nederland woonachtige consument Nederlands civiel recht van toepassing
is, op grond van artikel 6 Verordening (EG) nr. 593/2008 van het Europees Parlement
en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen
uit overeenkomst (Rome I). Dat is zo in het geval de aanbieder zich kort gezegd richt
op de Nederlandse markt (artikel 6 Rome I).
Ook op dit moment, nog voor inwerkingtreding van de Implementatiewet herziene richtlijn
consumentenkrediet (hierna: de implementatiewet), is artikel 1:234 BW van toepassing,
waaruit volgt dat een minderjarige slechts handelingsbekwaam is als hij toestemming
heeft van de wettelijke vertegenwoordiger, waarbij toestemming wordt geacht te zijn
verleend voor «maatschappelijk gebruikelijke» handelingen. Als hier geen sprake van
is, is de rechtshandeling vernietigbaar, ook als het krediet is aangeboden door een
aanbieder uit een andere lidstaat.
Voor de situatie waarin een Nederlandse 16-jarige in het buitenland in een fysieke
winkel een spijkerbroek koopt met «koop nu, betaal later» geldt in beginsel het recht
van de EU-lidstaat in kwestie, inclusief de toezichtsrechtelijke (gedrags)normen.
In dit kader is wel relevant of er al voorafgaand aan de aankoop in de lidstaat een
kredietovereenkomst in Nederland is aangegaan, bijvoorbeeld met een limiet voor besteding
met uitgestelde betaling. In dat laatste geval zal eerder het Nederlandse recht van
toepassing zijn, dus artikel 1:234 BW.
Over het algemeen geldt wel dat handelingsbekwaamheid een vergelijkbare benadering
kent in EU-lidstaten waarbij in beginsel de leeftijdsgrens van 18 jaar geldt, met
enkele uitzonderingen voor aankopen die voor een minderjarige normaal worden geacht,
zoals het kopen van een ijsje of een bioscoopkaartje.
Daarnaast geldt dat uitgestelde betaling, onder het toepassingsbereik van de richtlijn
is komen te vallen. Dat betekent dat het in alle nationale stelsels is geïmplementeerd.
Daarmee is ook de kredietwaardigheidsbeoordeling voor uitgesteld betalen in alle lidstaten
verplicht gesteld, die proportioneel dient te worden uitgevoerd.
Tot slot bevat de implementatiewet de mogelijkheid voor de AFM om in uiterste gevallen
productinterventiebevoegdheden in te zetten en daarmee bijvoorbeeld een product of
marktpraktijk ten aanzien van consumentenkrediet te beperken of verbieden.
De leden van de CDA-fractie vragen welke gedragsinzichten, zoals toegelicht in de
memorie van toelichting, ten grondslag liggen aan de aanscherping van de precontractuele
informatie. Op welke wijze zijn inzichten uit de gedragswetenschappen betrokken bij
de vormgeving van deze informatieverplichtingen.
De aanscherping van de precontractuele informatieverplichtingen volgt uit de richtlijn.
In een consumentenuitvraag in het kader van de evaluatie van de oude richtlijn (CCDI)3 kwam naar voren dat niet iedereen het standaardinformatieformulier nuttig vond. In
uitvragen en gesprekken met stakeholders kwam daarnaast naar voren dat de lengte en
complexiteit van precontractuele informatie soms het daadwerkelijk begrijpen van de
inhoud van de overeenkomst kan bemoeilijken.4 In de preambule van de richtlijn staat niet expliciet welke inzichten uit de gedragswetenschappen
zijn betrokken bij de vormgeving van de informatieverplichtingen, maar uit de formulering
blijkt wel wat belangrijk is bevonden. Dat is bijvoorbeeld dat consumenten alle essentiële
informatie in één oogopslag moeten kunnen zien, ook indien zij die op het scherm van
een mobiele telefoon bekijken.5
Daarnaast vragen deze leden welke onderdelen van het ESIC-formulier de regering aanmerkt
als «noodzakelijke informatie» voor consumenten. Deze leden vragen of de regering
dit concreet kan specificeren. Daarnaast vragen deze leden hoe deze informatieverplichting
specifiek bij BNPL-aanbieders wordt geïmplementeerd. Deze leden vragen op welke wijze
wordt gecontroleerd of BNPL-aanbieders daadwerkelijk voldoen aan de informatie- en
wachttijdvereisten en welke sancties er op niet-naleving staan.
De verplichting om precontractuele informatie te verschaffen via het Europees standaardformulier
inzake consumentenkrediet staat opgenomen in artikel 112 van het Besluit Gedragstoezicht
financiële ondernemingen (BGfo). Het Europees standaardformulier inzake consumentenkrediet
is een bijlage bij het BGfo, namelijk bijlage D. Het Europees standaardformulier inzake
consumentenkrediet wordt gewijzigd in het implementatiebesluit, dat recent aan uw
Kamer is aangeboden in het kader van een voorhangprocedure. De regering heeft bij
het voorschrijven van deze standaardinformatie de richtlijn gevolgd. Op het formulier
staat duidelijk welke noodzakelijke informatie op de eerste pagina vermeld moet worden
tijdens de precontractuele fase. Het gaat om de identiteit van de aanbieder van krediet
en indien van toepassing de identiteit van de kredietbemiddelaar. Daarnaast gaat het
om het totale kredietbedrag, de duur van de kredietovereenkomst, de (verschillende)
debetrentevoet(en), het jaarlijks kostenpercentage, het totaal door de consument te
betalen bedrag, indien van toepassing de naam van het goed/de dienst en de contante
prijs daarvan en de kosten in geval van een betalingsachterstand.
Daarnaast moet na de precontractuele fase in de kredietovereenkomst in duidelijke
en beknopte vorm alle noodzakelijke informatie worden opgenomen. In artikel 7:61 BW
staat om welke informatie dit gaat. Het gaat onder meer om de hiervoor genoemde informatie
op het Europees standaardformulier inzake consumentenkrediet. Deze precontractuele
informatie dient ook door «koop nu, betaal later»-aanbieders verstrekt te worden via
het Europees standaardformulier inzake consumentenkrediet. De AFM houdt hier toezicht
op en op andere vereisten rondom het aangaan van een kredietovereenkomst. De AFM kan
op grond van artikel 10 van het Besluit bestuurlijke boetes financiële sector (Bbbfs)
een bestuurlijke boete opleggen in de tweede categorie bij overtreding van artikel
112 BGfo.
De leden van de CDA-fractie vragen hoe de regering de gedragsregels uit CCDII interpreteert
met betrekking tot beloningsbeleid. Deze leden vragen welke vormen van variabele beloning,
commerciële targets of provisies de regering verenigbaar acht met de verplichting
om in het belang van de consument te handelen en overkreditering te voorkomen. Breed
geldt dat veel van de gedragsregels relatief open normen zijn zoals «eerlijk handelen»,
«voldoende toelichting», «passend» en «rekening houden met belangen van consumenten».
Daardoor krijgen toezichthouders en beleidsmakers aanzienlijke interpretatieruimte.
Deze leden vragen waarom de regering van mening is dat dit passend is bij de voorliggende
wetgeving.
Hoewel de gedragsregels uit de richtlijn ten aanzien van de omgang met consumenten
relatief open normen betreffen, zijn de beloningsregels uit artikel 32 van de richtlijn
voor een gedeelte specifieker. Zo wordt bijvoorbeeld voorgeschreven dat het beloningsbeleid
in overeenstemming is met en bijdraagt aan de risicobeheerstrategie van de aanbieder
en maatregelen omvat ter voorkoming van belangenconflicten, door met name te bepalen
dat de beloning niet afhankelijk is van het aantal of het percentage aanvaarde kredietaanvragen.
Ook mogen aanbieders en bemiddelaars die adviseren de beloningsstructuur niet zodanig
inrichten dat ze afdoet aan het vermogen van de betrokken personeelsleden om in het
belang van de consument te handelen. De beloningsstructuur mag ook niet afhangen van
het behalen van verkoopdoelen. De richtlijn spreekt daarnaast van «beginselen» en
vereist ook dat aanbieders deze beginselen naleven. Aanbieders gaan zelf over het
beloningsbeleid en moeten zelf risico's inschatten op o.a. langetermijnbelangen en
belangenverstrengeling. Dat zal immers afhankelijk zijn van de omstandigheden van
het geval, zoals de diensten die de aanbieder verleent. Het is aan aanbieders en bemiddelaars
om te beoordelen welke vormen van beloningen in lijn zijn met de voorgeschreven normen
uit de richtlijn. Waar het gaat om provisies, gelden de provisieregels uit artikel 4:74
Wft en 155 BGfo.
De leden van de CDA-fractie vragen hoe de regering invulling geeft aan de bepalingen
in CCDII inzake financiële educatie en financiële geletterdheid. Deze leden vragen
of de regering aanvullende nationale initiatieven noodzakelijk acht om consumenten,
en in het bijzonder jongeren, beter bewust te maken van de risico’s van consumentenkrediet
en BNPL-diensten. Ook vragen deze leden of hierbij bestaande en succesvolle initiatieven,
zoals de Nationale Coalitie Financiële Gezondheid en SchuldenlabNL, actief worden
betrokken.
Zoals vermeld continueert de regering (in aanvulling op de implementatiewet) de maatregelen
die zij heeft genomen ter ondersteuning van de educatie van consumenten met betrekking
tot het verantwoordelijk lenen van geld en beheren van schulden. Dit doet zij onder
meer via het platform Wijzer in geldzaken en de publieke campagnes en de lespakketten
die in dat kader worden verstrekt. Zo is er tijdens de jaarlijkse Week van het geld
structureel aandacht voor leren omgaan met geld. Tijdens gastlessen en bij gebruik
van themapakketten worden docenten aangemoedigd om specifiek in te gaan op de risico’s
van financiële producten, zoals achteraf betalen.
Tot slot adresseren specifieke campagnes de gevolgen van risicogedrag onder jongeren,
zoals de campagne «Je geld de baas – Hoe voorkom jij een Betaal Later Kater?», die
is opgezet door Wijzer in geldzaken en het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
Deze campagne omvat onder meer praktische tips, sociale mediacontent (Instagram, YouTube,
Snapchat) en wordt ondersteund door influencers, met als doel jongeren handelingsperspectief te bieden en risicovol betaalgedrag
te voorkomen. Nederland behoort op basis van internationaal onderzoek tot de koplopers
op het gebied van financiële geletterdheid onder jongeren. Meer dan de helft van de
Nederlandse 15-jarigen heeft op school les gekregen over omgaan met geld, en uit onderzoek
blijkt dat jongeren in Nederland relatief goed op de hoogte zijn van financiële risico’s
en belang hechten aan verstandig financieel gedrag. Tegelijkertijd haalt bijna een
vijfde van de Nederlandse leerlingen het basisniveau financiële geletterdheid niet.
Daarom vindt de regering het van belang om blijvende aandacht te schenken aan actuele
risico’s, zoals het gebruik van «koop nu, betaal later». Het onderwerp krijgt jaarlijks
aandacht tijdens de Week van het geld en via gerichte campagnes. Continue bewustwording
en educatie zijn essentieel om te voorkomen dat jongeren ongewenste schulden opbouwen
door ondoordacht gebruik van consumentenkrediet of «koop nu, betaal later»-diensten.
Bestaande en succesvolle initiatieven worden nadrukkelijk betrokken en ingezet. Zo
werkt Wijzer in geldzaken samen met de Stichting Financieel Gezond Nederland (SFGN),
de opvolger van SchuldenlabNL en de Nationale Coalitie Financiële Gezondheid. Dankzij
deze samenwerking, waaraan overheid en financiële sector gezamenlijk bijdragen, kunnen
krachten op het gebied van financiële educatie en bewustwording optimaal worden gebundeld.
Een voorbeeld is het delen van campagnes als de «Betaal Later Kater» over de risico’s
van achteraf betalen via banken en andere partners. Ook zetten SFGN en Wijzer in geldzaken
een campagne op om Nederlanders aan te moedigen een minimale spaarbuffer op te bouwen.
Deze leden lezen daarnaast dat de kredietgever verplicht is om een redelijke mate
van respijt te geven voordat hij overgaat tot het innen van krediet. Deze leden vragen
hoe geborgd wordt dat de maatregelen beschreven in artikel 7:70 BW ook worden nageleefd.
Deze leden vragen wat het toezicht hierop is.
De verplichting om waar passend respijtmaatregelen aan te bieden volgt uit de Richtlijn
(EU) 2021/2167 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2021 inzake kredietservicers
en kredietkopers en tot wijziging van de Richtlijnen 2008/48/EG en 2014/17/EU (richtlijn
kredietservicers en kredietkopers). Dit is reeds geïmplementeerd in artikel 4:35a
Wft en artikel 7:70a BW. De richtlijn bevat enkel een aantal beperkte wijzigingen
ten opzichte van het artikel uit de richtlijn kredietservicers en kredietkopers. Omdat
de verplichting om artikel 7:70a BW na te leven expliciet staat opgenomen in de bepaling
van de Wft, samen met de verplichting om hier beleid op te voeren, kan de AFM toezicht
houden op de naleving van deze verplichting bij de kredietaanbieders en kan, indien
nodig, gebruikmaken van diverse maatregelen in haar toezichtsinstrumentarium. De AFM
kan in het zwaarste geval een boete opleggen van de derde categorie, op grond van
artikel 10 van het Bbbfs, dat wordt gewijzigd met het implementatiebesluit.
De leden van de CDA-fractie vragen daarnaast hoe de zorg- en respijtverplichtingen
uit CCDII zich verhouden tot de bestaande verplichtingen onder de Wet kwaliteit incassodienstverlening.
Deze leden vragen of er sprake is van overlap, aanvullende normering of een verschillend
toetsingskader. Deze leden vragen of de regering kan toelichten welke toezichthouder
verantwoordelijk is voor handhaving indien zowel kredietverleningsnormen als incassonormen
in het geding zijn.
Er kan sprake zijn van samenloop vanuit de richtlijn met de Wet kwaliteit incassodienstverlening
(Wki) wanneer een aanbieder van krediet ook beroepsmatig buitengerechtelijke incassowerkzaamheden
verricht voor een derde of na overdracht van een vordering bij een natuurlijk persoon
in Nederland. Aanbieders die in het kader van hun activiteiten ook incassowerkzaamheden
verrichten of aanbieden, en die voldoen aan de daarvoor in de Wki gestelde voorwaarden,
dienen zich in te schrijven in het daartoe gehouden openbaar register. De wettelijke
verplichtingen die voortvloeien uit de Wki gelden naast de verplichtingen die de richtlijn
voorschrijft.
Er is sprake van overlap of samenloop, in de zin dat aanbieders die volgens de reikwijdte
van de Wki actief zijn zowel een vergunning bij de AFM voor het aanbieden van krediet
nodig hebben, en ook een registratie bij Dienst Justis onder de Wki en onder toezicht
van de Inspectie Justitie en Veiligheid staan. Ook geldt zowel als gevolg van de richtlijn
als de Wki dat partijen een klachtenprocedure moeten hebben, aan bepaalde kwaliteitseisen
moeten voldoen, zoals vakbekwaamheidseisen van personeel. Deze eisen komen met elkaar
overeen en vullen elkaar aan. Beide toezichthouders hebben hun eigen bevoegdheid tot
handhaving bij overtreding van onder hun bevoegdheid vallende gestelde regels. De
Wki bevat in artikel 19 een samenwerkingsbepaling tussen de toezichthouders waaruit
volgt dat de toezichthouders met elkaar een samenwerkingsprotocol opstellen.6
In het verleden is gebleken dat een BNPL-aanbieder feitelijk incassoactiviteiten verrichtte
zonder onder het daarvoor bedoelde toezichtregime te vallen. De leden van de CDA-fractie
vragen welke lessen de regering heeft getrokken uit deze casus. Deze leden vragen
of naar aanleiding daarvan aanvullende maatregelen, verduidelijkingen of toezicht
instrumenten ontwikkeld zijn om herhaling te voorkomen.
Het is de verantwoordelijkheid van een incassodienstverlener om te voldoen aan de
wettelijke eisen. Op de naleving van deze wettelijke eisen wordt toezicht gehouden
door de Inspectie JenV op grond van de Wki en, voor zover sprake is van activiteiten
die onder de Wft vallen, door de AFM. Bij overtredingen kunnen deze toezichthouders
handhavend optreden. Daarnaast is het verrichten van buitengerechtelijke incassowerkzaamheden
onder de reikwijdte van de Wki zonder registratie of met een geschorste registratie
een economisch delict. Hierop kan strafrechtelijk worden gesanctioneerd op basis van
de Wet op de economische delicten.
De leden van de CDA-fractie merken op dat bij BNPL-aanbieders incasso- en aanmaningskosten
in korte tijd relatief hoog kunnen oplopen, met name door het wettelijke minimum van
40 euro. Bij kleinere bedragen leidt dit tot een hoge kostenratio. Deze leden wijzen
erop dat bij reguliere leningen doorgaans wordt gewerkt met een systematiek van vertragingsrente,
die proportioneel als percentage van de openstaande schuld oploopt. De leden vragen
in hoeverre het gerechtvaardigd is om bij BNPL in plaats daarvan of hierboven vaste
incassokosten in rekening te brengen. Deze leden vragen of het mogelijk is om primair
aan te sluiten bij een systematiek van vertragingsrente in plaats van vaste incassokostencomponenten.
Voor «koop nu, betaal later» geldt vanaf inwerkingtreding van de implementatiewet
een maximale vertragingsvergoeding van EUR 20,– per aanmaning tot een maximum van
EUR 60,– per kalenderjaar. Hiermee wordt voorkomen dat consumenten in de toekomst
worden geconfronteerd met hoge niet-nakomingskosten bij een aanvankelijk kleine openstaande
schuld. Het berekenen van dubbele incassokosten, dus een «kredietvergoeding» voor
incassoactiviteiten én incassokosten op grond van het Besluit buitengerechtelijke
incassokosten (BIK) is niet toegestaan. De vertragingsrente gaat uit van krediet waarbij
rente wordt gerekend. Deze reguliere systematiek past minder goed bij de incassokosten
die een aanbieder bij «koop nu, betaal later»-diensten in rekening brengt.
Daarnaast uiten deze leden de zorg dat het toestaan van incassokosten een prikkel
kan vormen voor aanbieders om krediet te verstrekken aan hoog-risicoklanten, omdat
kosten bij wanbetaling kunnen worden doorbelast. Deze leden vragen of de regering
deze zorgen herkent en welke maatregelen worden overwogen om dit te voorkomen.
De regering is bekend met deze zorgen over het rekenen van incassokosten als onderdeel
van het verdienmodel bij «koop nu, betaal later»-diensten. Als gevolg van de richtlijn
dienen aanbieders van «koop nu, betaal later»-diensten onder andere een kredietwaardigheidsbeoordeling
uit te voeren en het BKR te raadplegen. Ook hebben zij een vergunning nodig van de
AFM en komen zij onder toezicht te staan. Deze eisen gaan overkreditering van financieel
kwetsbare consumenten tegen.
De leden van de CDA-fractie lezen dat er met het voorliggende wetsvoorstel mede wordt
ingezet op vroegsignalering. Deze leden vragen of er een beeld is van hoeveel extra
signalen hierdoor naar gemeenten zullen gaan en of er overleg met gemeenten heeft
plaatsgevonden over de eventuele extra werkdruk die dit met zich mee gaat brengen
en of gemeenten dit ook aankunnen/waar kunnen maken.
De aanbieder van krediet heeft de verantwoordelijkheid om ook na het sluiten van de
overeenkomst alert te zijn op terugbetalingsproblemen van de consument. De aanbieder
is verplicht de consument bij terugbetalingsproblemen door te verwijzen naar schuldadviesdiensten.
In de praktijk betekent dit dat de aanbieder contact opneemt met de consument en de
consument doorverwijst naar de gemeente waarin de consument woont. Het is daarna aan
de consument om al dan niet contact op te nemen met de schuldhulpverlening voor hulp.
De gemeente is op grond van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening (Wgs) verantwoordelijk
voor schuldhulpverlening. Het is niet mogelijk om een inschatting te maken tot hoeveel
extra aanmeldingen of hulpvragen dit leidt bij gemeenten. Niet alle consumenten in
financiële moeilijkheden zullen zich immers voor hulp wenden tot de gemeente en soms
zijn consumenten al gebaat bij (kortstondige) lichte hulp.
Het beleid rondom het oplossen van problematische schulden is er de laatste jaren
steeds meer op gericht om te zorgen dat mensen met (mogelijk) problematische schulden
sneller in beeld zijn bij gemeenten. In 2024 is door het kabinet, de Vereniging van
Nederlandse Gemeenten (VNG) en de branchevereniging voor schuldhulp en financiële
hulpverlening (NVVK) de «basisdienstverlening schuldhulpverlening» afgesproken. Invoering
van de basisdienstverlening moet ervoor zorgen dat mensen kwalitatieve hulpverlening
krijgen en sneller perspectief hebben op een schuldenvrije toekomst. Het Rijk stelt
sinds 2024 structureel € 40 miljoen extra beschikbaar aan gemeenten om onder andere
de basisdienstverlening te implementeren. De mogelijke extra toestroom aan signalen
kan er juist aan bijdragen dat het bereik van schuldhulpverlening wordt verbeterd
en meer mensen met problematische schulden geholpen worden. Het is dan ook niet de
verwachting dat gemeenten deze potentiële extra toestroom niet zouden aankunnen. Het
Ministerie van SZW spreekt op periodieke basis met de NVVK en de VNG over de implementatie
van de afspraken basisdienstverlening en mogelijke knelpunten daarbij.
Deze leden vragen of de regering aanbieders van BNPL kan oproepen om, aanvullend op
de wettelijke vereisten, een vrijwillig koopstopregister in te stellen voor consumenten
die zichzelf willen beschermen. Deze leden vragen of de regering hierover in gesprek
is met BNPL-aanbieders en wat de actuele stand van zaken is.
Binnen de sector zijn al initiatieven ontwikkeld om zelfuitsluiting van achteraf betalen
mogelijk te maken en dit wordt door de betrokken ministeries besproken met de aanbieders.
Zo beschikt de «koop nu, betaal later»-aanbieder Billink over een zogenoemd «Schulden
Preventie Register», dat voorziet in de mogelijkheid tot individuele zelfuitsluiting,
zowel op verzoek van de consument als op verzoek van een hulpverlener. «Koop nu, betaal
later»-aanbieders Riverty, Klarna en in3 hebben aangegeven positief te staan tegenover
deelname aan dit register en zijn hierover in gesprek met Billink. Klarna beschikt
daarnaast al over een eigen opt-outfunctionaliteit, waarmee consumenten via de Klarna-app
kunnen kiezen om geen gebruik (meer) te maken van de kredietproducten «Betaal binnen
30 dagen» of «Betaal in 3 delen» en alleen de optie «Betaal nu» mogelijk blijft. De
regering heeft uw Kamer hierover geïnformeerd in de brief van 2 april 2026. Er zijn
geen nieuwe ontwikkelingen sindsdien.
3. Wijze van implementatie en hoofdlijnen van het voorstel
De leden van D66-fractie steunen het verbod op het aanbieden van uitstel van betaling
aan minderjarigen. Deze leden lezen in de memorie van toelichting dat aanbieders over
adequate processen dienen te beschikken om de leeftijd van de consument vast te stellen.
Welke verificatiemethoden volstaan als adequaat proces? Hoe wordt voorkomen, en omgegaan
met, gevallen waarbij een minderjarige gebruik maakt van een account op naam van een
meerderjarige? Kan hier een bepaalde aansprakelijkheid af worden gedwongen bij de
aanbieder?
Het is aan marktpartijen om (al dan niet) in samenspraak met de AFM te kiezen voor
een geschikte methode van leeftijdsverificatie. De verificatiemethode wordt niet wettelijk
voorgeschreven. Verificatie van de leeftijd dient in ieder geval plaats te vinden
aan de hand van documenten, gegevens of inlichtingen uit betrouwbare en onafhankelijke
bronnen, bijvoorbeeld een kopie paspoort of een koppeling met een bank. De AFM houdt
toezicht en kan in geval van niet-naleving handhavend optreden. In de situatie waarin
een minderjarige een account gebruikt op naam van een meerderjarige geldt dat het
de verantwoordelijkheid is van de betrokken meerderjarige om zijn accountgegevens
te beschermen.
De leden van de D66-fractie lezen dat in artikel 7:68a BW de verplichting wordt opgenomen
voor de kredietgever om consumenten in financiële moeilijkheden door te verwijzen
naar schuldadviesdiensten. Deze leden zijn benieuwd of hier verdere eisen aan worden
gesteld, dan wel kunnen worden gesteld. Onder welke omstandigheden moet een kredietgever
overgaan tot verwijzing en aan welke eisen dient een dergelijke verwijzing te voldoen?
Op grond van de richtlijn dienen kredietgevers de consument bij financiële moeilijkheden
door te verwijzen naar schuldadviesdiensten. Dat kan een bericht zijn, gericht aan
de consument, om bij financiële moeilijkheden aan te kloppen bij de gemeente. Er worden
geen verdere eisen gesteld. Wel volgt uit de bepaling dat de consument dient te worden
benaderd op het moment van signalering van financiële moeilijkheden. Algemene communicatie
op het moment van aangaan van de kredietovereenkomst volstaat niet. In de memorie
van toelichting is daarom verduidelijkt dat de kredietgever in de praktijk contact
op moet nemen met de consument en deze moet doorverwijzen naar de gemeente waar de
consument woont. De gemeente is op grond van de Wgs verantwoordelijk voor schuldhulpverlening.
Er is bewust aangesloten bij de brede term financiële moeilijkheden. Zo is het aan
de aanbieder om signalen te duiden die hierop kunnen wijzen. Bijvoorbeeld als een
consument ook na herinneringen een achterstand blijft houden, of als een consument
vraagt om een limietverhoging terwijl de betaalhistorie achterstanden kent. Dit zijn
slechts enkele voorbeelden die tot doorverwijzing kunnen leiden.
De leden van de D66-fractie vragen de regering hoe bij de implementatie van de herziene
richtlijn consumentenkrediet rekening is gehouden met de samenhang met andere Europese
richtlijnen op het terrein van de energietransitie, waaronder de Energy Efficiency
Directive (EED) en de Energy Performance of Buildings Directive (EPBD). Deze leden
wijzen erop dat in Europees verband expliciet wordt opgeroepen juridische obstakels
voor energieprestatiecontracten weg te nemen teneinde investeringen in woningverduurzaming
mogelijk te maken.
Artikel 17 van de Energy Performance of Buildings Directive (EPBD) bepaalt dat lidstaten
moeten voorzien in passende financiering, ondersteunende maatregelen en andere instrumenten
waarmee marktbelemmeringen kunnen worden aangepakt om ervoor te zorgen dat de nodige
investeringen worden gedaan met het oog op de transformatie van het nationale gebouwenbestand
tot emissievrije gebouwen tegen 2050. De EPBD schrijft niet een bepaalde financieringsvorm
of instrument voor om investeringen in verduurzaming te stimuleren. Op dit moment
kunnen consumenten op verschillende manieren verduurzamingsmaatregelen financieren.
Bijvoorbeeld door het verhogen van de hypotheek. Op grond van de Tijdelijke Regeling
hypothecair krediet kan voor het verduurzamen van een woning en voor het treffen van
energiebesparende maatregelen meer worden geleend. Verder kan de consument verduurzamingsmaatregelen
financieren via een consumptief krediet, een lening bij het Nationaal Warmtefonds
of via het Stimuleringsfonds Volkshuisvesting Nederlandse gemeenten (SVn). Daarnaast
zijn gemeentelijke of nationale subsidies beschikbaar. Derhalve zijn er reeds meerdere
financieringsmogelijkheden voor consumenten om hun woning te verduurzamen.
Deze leden constateren dat gebouwgebonden verduurzamingsdiensten en energieprestatiecontracten
in Nederland momenteel nauwelijks van de grond komen doordat de AFM dergelijke constructies
interpreteert als persoonsgebonden consumentenkrediet onder de Wet op het financieel
toezicht (Wft). Deze leden vragen of de regering onderschrijft dat hierdoor onzekerheid
ontstaat voor investeerders, aanbieders en woningeigenaren, waardoor innovatieve verduurzamingsconstructies
worden belemmerd.
Gebouwgebonden verduurzamingsdiensten en energieprestatiecontracten waarbij energiebesparende
maatregelen worden betaald uit de te verwachte energiebesparing kwalificeren als consumptief
krediet aangezien sprake is van het verstrekken van een geldsom aan de consument voor
het genot van een roerende zaak (bijvoorbeeld zonnepanelen) tegen een of meer betalingen.
Derhalve dient altijd een kredietwaardigheidstoets te worden uitgevoerd. Innovatieve
verduurzamingsconstructies zouden hierdoor niet hoeven te worden belemmerd omdat duidelijk
is dat voor bovengenoemde verduurzamingsdiensten en energieprestatiecontracten een
vergunning bij de AFM dient te worden aangevraagd.
De leden van de D66-fractie wijzen erop dat gebouwgebonden energieprestatiecontracten
zich juist onderscheiden van reguliere consumptieve kredietvormen doordat kosten,
verantwoordelijkheden en prestaties gekoppeld zijn aan de woning in plaats van uitsluitend
aan de persoon van de eigenaar. Bij verkoop van de woning gaan de afspraken over op
de volgende eigenaar, vergelijkbaar met bijvoorbeeld een warmteaansluiting of verplichtingen
binnen een VvE. Kan de regering reflecteren op deze vergelijking en uiteenzetten in
hoeverre deze kenmerken volgens hen aanleiding geven tot een andere juridische beoordeling
dan regulier consumentenkrediet?
Bij gebouwgebonden verduurzamingsdiensten/financiering gaat de lening bij verkoop
van de woning in principe over op de volgende woningeigenaar. De volgende woningeigenaar
dient wel de lasten van hypotheek en de gebouwgebonden financiering te kunnen dragen.
Verkoper en koper kunnen ook overeenkomen dat de verkoper de openstaande lening aflost
of dat de koper deze lening herfinanciert met de hypotheek. In het laatste geval zal
een hypotheekverstrekker een kredietwaardigheidstoets uitvoeren en beoordelen of de
hypotheek verantwoord is voor de consument.
Deze leden vragen de regering voorts of is onderzocht of binnen de implementatieruimte
van Richtlijn (EU) 2023/2225 expliciet kan worden verduidelijkt dat gebouwgebonden
verduurzamingsdiensten, mits voldaan wordt aan vooraf vastgelegde voorwaarden rondom
transparantie en consumentenbescherming, buiten de reikwijdte van de Wft en titel
2A van Boek 7 van het BW kunnen vallen. Indien dit niet mogelijk wordt geacht, verzoeken
deze leden de regering om uiteen te zetten welke juridische belemmeringen daarvoor
bestaan.
Bij brief van 18 november 2022 heeft de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke
Ordening toegezegd om gebouwgebonden financiering mogelijk te maken via een juridische
constructie die gebruikmaakt van een uitzondering beschreven in artikel 1:20, eerste
lid, onderdeel a, van de Wft.7 Om van de uitzondering in artikel 1:20, eerste lid, onderdeel a, gebruik te maken,
dient te worden voldaan aan de volgende voorwaarden: (1) het krediet dient krachtens
een wettelijke bepaling te worden aangeboden aan een beperkt publiek, (2) met een
doelstelling van algemeen belang, (3) tegen een lagere rente dan op de markt gebruikelijk
of een rente die niet hoger is dan de marktrente en onder gunstigere voorwaarden.
In de brief aan de Tweede Kamer is daarnaast aangegeven dat de financiering dient
plaats te vinden op basis van een woonlastenimpacttoets en de consumentenbescherming
gelijkwaardig dient te zijn aan de bescherming bij reguliere kredietverlening. Adviesbureau
KPMG is gevraagd om een adviesrapport op te stellen dat de uitgangspunten uitwerkt
voor gebouwgebonden financiering. Dit rapport zal voor de zomer gedeeld worden met
de Tweede Kamer. Een reactie op dit rapport zal na de zomer naar de Tweede Kamer worden
gestuurd.
De leden van de D66-fractie vragen daarnaast hoe de regering voorkomt dat de implementatie
van de herziene richtlijn consumentenkrediet onbedoeld leidt tot extra barrières voor
verduurzaming van particuliere woningen. Deze leden wijzen erop dat gebouwgebonden
verduurzamingsdiensten juist kansen kunnen bieden voor huishoudens die onvoldoende
middelen hebben om zelf grote investeringen in isolatie of warmtepompen te financieren
en daarmee tevens kunnen bijdragen aan het verminderen van energiearmoede.
Met de nieuwe regels wil de regering overkreditering als gevolg van consumptief krediet
voorkomen. Dit is ook van belang als een consumptief krediet wordt gebruikt voor verduurzaming
van de woning. Daarnaast zijn er buiten (de regels voor) consumptief krediet verschillende
mogelijkheden voor consumenten om verduurzamingsmaatregelen te financieren, zoals
het verhogen van de hypotheek, een lening via het Nationaal Warmtefonds (ook voor
consumenten die op grond van de leennormen niet in aanmerking komen voor een lening)
en verschillende subsidies.
Tot slot vragen de leden van de D66-fractie op dit punt of de regering bereid is om
gezamenlijk met de Ministeries van Klimaat en Groene Groei en Volkshuisvesting en
Ruimtelijke Ordening nader te bezien of aanvullende wettelijke verduidelijking noodzakelijk
is om gebouwgebonden financiering en energieprestatiecontracten beter mogelijk te
maken.
De regering zal bezien of verduidelijking noodzakelijk is om gebouwgebonden financiering
en energieprestatiecontracten beter mogelijk te maken. Het eerdergenoemde rapport
van KPMG over de gebouwgebonden financiering zal hierbij worden betrokken. Een reactie
op dit rapport zal na de zomer naar de Tweede Kamer worden gestuurd.
De leden van de VVD-fractie onderschrijven het belang van maatregelen tegen overkreditering
en problematische schulden. Deze leden constateren echter dat het wetsvoorstel verschillende
kredietvormen onder hetzelfde regime brengt, terwijl de risico’s tussen producten
aanzienlijk kunnen verschillen. Kan de regering toelichten hoe wordt gewaarborgd dat
onderscheid blijft bestaan tussen langlopende kredieten met een hoger risicoprofiel
en kortlopende betaalfaciliteiten met een beperkt risico? Op welke wijze wordt voorkomen
dat de regelgeving disproportioneel uitwerkt voor kleine en alledaagse transacties?
De richtlijn voorziet in een proportionaliteitstoets die toegepast dient te worden
door de aanbieder van krediet waarbij de omvang van de toets afhangt van onder andere
de omvang en duur van de overeenkomst. Deze proportionaliteit is ook ingebed in de
open norm die geldt voor het uitvoeren van de kredietwaardigheidsbeoordeling in de
implementatiewet. Het is aan aanbieders om deze norm passend in te vullen, waardoor
er wel degelijk onderscheid gemaakt kan worden in de omvang van de beoordeling afhankelijk
van het type krediet. Daarbij kunnen aanbieders zich aansluiten bij de Leennormenmethodiek
Consumptief Krediet van de VFN, die momenteel in het kader van de richtlijn worden
herzien in samenspraak met de AFM en het Ministerie van Financiën. In het kader van
proportionaliteit is in het implementatiebesluit een € 100-grens opgenomen waaronder
slechts een beperkte toets hoeft plaats te vinden.
Ook voor kleine, kortlopende kredieten in de vorm van uitgestelde betaling geldt dat
aanbieders ruimte hebben voor inrichting van een proportionele kredietwaardigheidsbeoordeling
om zo de balans te vinden tussen het voorkomen van overkreditering en bescherming
van de consument, zonder dat dit gepaard gaat met disproportionele (administratieve)
belemmeringen.
De leden van de VVD-fractie maken zich dan ook zorgen over de brede reikwijdte van
het wetsvoorstel. Deze leden lezen dat mogelijk ook telecomdiensten, parkeerapps,
mobiliteitsdiensten en andere vormen van dagelijks uitgesteld betalen geraakt kunnen
worden door de nieuwe regelgeving. Kan de regering verduidelijken welke diensten precies
onder het toepassingsbereik vallen? Hoe wordt voorkomen dat gebruikelijke maandfacturatie
of praktische betaaloplossingen onbedoeld onder zware kredietregelgeving komen te
vallen?
Met de implementatiewet worden alle vormen van uitstel van betaling gereguleerd als
krediet, tenzij er sprake is van een uitzondering. Uit overweging 17 van de preambule
van de richtlijn volgt dat het niet de bedoeling is geweest in het Europese wetgevingsproces
om alle vormen van uitstel van betaling onder het toepassingsbereik van de richtlijn
te plaatsen. Denk hierbij aan gangbare handelspraktijken die ook gunstig zijn voor
de consument. Dit zijn gevallen, waarbij de leverancier van roerende zaken of de dienstverlener,
zonder een derde partij die krediet aanbiedt of overkoopt, de consument tijd geeft
om voor een goed of dienst te betalen, de betaling volledig moet worden verricht binnen
een beperkte termijn van 14 of 50 dagen na de levering van de roerende zaak of de
verlening van de dienst, zonder rente of andere kosten, met uitzondering van beperkte
kosten voor betalingsachterstand overeenkomstig het nationale recht.8 Deze uitzondering volgt dwingend uit artikel 2, tweede lid, onderdeel h, van de richtlijn.
Het gaat bijvoorbeeld om een meubelzaak, waarbij na levering wordt gefactureerd en
een loodgieter waarbij na het verrichten van de diensten een factuur wordt gestuurd
waarbij de consument veelal binnen 14 of 30 dagen dient te betalen. Betaling op factuur
geschiedt momenteel op grote schaal en er zijn geen misstanden binnen deze praktijk
bekend. De regering wil zo veel mogelijk het normale handelsverkeer ontlasten waar
geen of slechts een beperkt risico is op het ontstaan van problematische schulden.
Daarom wordt op dit punt aangesloten bij het toepassingsbereik zoals voorgeschreven
door de richtlijn.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie merken op dat het wetsvoorstel nieuwe uitzonderingen
toevoegt voor «koop nu, betaal later»-diensten. Een eerste uitzondering betreft MKB-ondernemingen
die uit worden gezonderd van het toepassingsgebied van de Wft als de leverancier of
dienstverlener van de betreffende zaak of dienst zélf uitstel van betaling verleent.
Deze leden vragen of de regering nader kan duiden welke MKB-ondernemingen nu zelf
uitstel van betaling verlenen, op welke schaal dit gebeurt en of de regering op de
hoogte is van misstanden binnen deze praktijk. Kan deze uitzondering leiden tot een
verschuiving van «koop nu, betaal later»-diensten? Waarom wordt er niet gekozen voor
het harmoniseren door alle aanbieders van «koop nu, betaal later»-diensten onder de
Wft te brengen?
Mkb-ondernemingen die zelf uitstel van betaling verlenen zijn bijvoorbeeld de hierboven
genoemde meubelzaak, waarbij na levering wordt gefactureerd en een loodgieter waarbij
na het verrichten van de diensten een factuur wordt gestuurd waarbij de consument
veelal binnen 14 of 30 dagen dient te betalen. Betaling op factuur geschiedt momenteel
op grote schaal en er zijn geen misstanden binnen deze praktijk bekend. De regering
wil zo veel mogelijk het normale handelsverkeer ontlasten waar geen of slechts een
beperkt risico is op het ontstaan van problematische schulden. Daarom wordt op dit
punt aangesloten bij het toepassingsbereik zoals voorgeschreven door de richtlijn.
Een mogelijke verschuiving van «koop nu, betaal later»-diensten wordt in beperkte
mate verwacht, namelijk dat ondernemingen mogelijk hun betalingstermijn naar 14 dagen
inkorten, om zo binnen de uitzondering te blijven.
De leden van de PVV-fractie constateren dat de Afdeling advisering van de Raad van
State opmerkt dat bij onderdelen zoals het verbod op krediet aan minderjarigen onvoldoende
blijkt hoe deze zich verhouden tot de CCDII. Kan de regering per onderdeel dat niet
direct voortvloeit uit de richtlijn – zoals het specifieke verbod op uitstel van betaling
voor minderjarigen – expliciet motiveren waarom dit noodzakelijk wordt geacht, terwijl
de Raad van State vraagtekens zet bij de juridische basis hiervan?
Naar aanleiding van het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State is
in de memorie van toelichting verduidelijkt hoe het verbod op krediet aan minderjarigen
zich verhoudt tot de richtlijn en dat dit is gegrond op artikel 6 van de richtlijn.
Dit artikel maakt het mogelijk om onderscheid te maken bij toegang tot krediet, indien
de verschillende voorwaarden voor toegang tot krediet (zoals het hebben van een bepaalde
leeftijd) door objectieve criteria worden gerechtvaardigd. In het advies van de Afdeling
advisering van de Raad van State zet zij geen (verdere) vraagtekens bij de juridische
basis van onderdelen van de implementatiewet. In de implementatiewet staan ook geen
onderdelen zonder basis in de richtlijn.
Naar aanleiding van het verslag van het gesprek dat de wetgevingsrapporteurs hebben
gevoerd met de AFM, merken de leden van de PVV-fractie op dat de regering heeft besloten
betaalkaarten met uitgestelde debitering niet buiten het toepassingsgebied van de
richtlijn te plaatsen. Kan de regering toelichten waarom hier niet is gekozen voor
de lidstaatoptie om deze buiten de scope te laten, aangezien de AFM zelf aangeeft
dat deze kredietvorm momenteel niet tot veel problemen leidt? Ziet de regering in
dat dit wederom een verzwaring van de regeldruk is die niet strikt noodzakelijk is
vanuit de richtlijn?
Het uitzonderen van kaarten met uitgestelde debitering kan leiden tot onvoldoende
en ongelijke consumentenbescherming. Daarnaast wordt er in dat geval een ongelijk
speelveld gecreëerd tussen aanbieders van vergelijkbare kortlopende kredietproducten.
Een uitzondering voor kaarten met uitgestelde debitering kan tot gevolg hebben dat
regulering ontweken wordt indien aanbieders van bijvoorbeeld «koop nu, betaal later»-diensten
een kaart met uitgestelde debitering uitbrengen.
De leden van de CDA-fractie waarderen dat aanbieders worden verplicht om vroegtijdig
betalingsproblemen bij consumenten te signaleren en dat dit wordt verankerd in artikel
4:35b Wft. Tegelijkertijd vragen deze leden hoe deze verplichting in de praktijk concreet
wordt ingevuld door aanbieders.
Enerzijds dient de aanbieder beleid en processen te hebben inzake het doorverwijzen
naar schuldadviesdiensten. Daarnaast is er de plicht tot doorverwijzing naar schuldadviesdiensten.
Op beide elementen kan de AFM toezicht houden.
Daarnaast vragen deze leden in hoeverre wordt voorkomen dat deze signaleringsverplichting
verwordt tot louter «afvinkgedrag» door aanbieders. Deze leden vragen hoe wordt geborgd
dat signalering van betalingsproblemen niet slechts formeel wordt ingericht, maar
daadwerkelijk leidt tot tijdige interventie richting consumenten. Ook vragen zij op
welke wijze de toezichthouder toezicht houdt op de effectiviteit van deze verplichting
in plaats van uitsluitend op de procedurele naleving.
Op grond van overweging 81 van de preambule van de richtlijn hebben kredietgevers
een rol te spelen bij het voorkomen van overmatige schuldenlast door consumenten die
financiële moeilijkheden ondervinden, vroegtijdig op te sporen en te ondersteunen.
Die ondersteuning wordt nader ingevuld door de richtlijn en behelst onder andere doorverwijzing
naar schuldadviesdiensten en het treffen van respijtmaatregelen. Een aanbieder dient
processen in te richten voor vroegtijdige signalering van consumenten die financiële
moeilijkheden ondervinden, ook wel «preventief beheer» genoemd, en daarvoor beleid
op te stellen. Dit betreft de fase voordat er sprake is van een betalingsachterstand
en hierbij dient de aanbieder zich in te spannen om zoveel mogelijk betalingsachterstanden
te voorkomen of beperken. Als een aanbieder problemen signaleert, zal hij ook actie
moeten ondernemen om achterstanden te voorkomen, door bijvoorbeeld contact op te nemen
en/of respijtmaatregelen aan te bieden afhankelijk van het beleid. Samen met de consument
moet de aanbieder dus eerst op zoek naar een oplossing. Ook is doorverwijzing naar
schuldadviesdiensten aan de orde. De AFM houdt toezicht op deze verplichtingen en
heeft haar verwachtingen ten aanzien van achterstandsbeheer en preventief beheer al
eerder kenbaar gemaakt in de Leidraad Consumenten en Incassotrajecten. Deze nieuwe
verplichting geeft de AFM een extra waarborg om eisen te stellen aan vroegsignalering
door aanbieders. De AFM kan deze verplichting betrekken in haar toezicht en onderzoek
en waar nodig toezichtmaatregelen nemen, indien de vroegsignalering te beperkt is
ingericht.
De leden van de JA21-fractie hebben vragen over de proportionaliteit van de gekozen
reikwijdte van het wetsvoorstel. Deze leden begrijpen dat de herziene richtlijn beoogt
consumenten beter te beschermen tegen problematische schulden, maar vragen of de gekozen
implementatie voldoende onderscheid maakt tussen wezenlijk verschillende vormen van
kredietverlening. Doorlopende consumptief kredieten, creditcards, kaarten met uitgestelde
debitering, achteraf-betalingen bij een webshop en korte betalingstermijnen bij een
dienstverlener kennen niet hetzelfde risicoprofiel. Kan de regering toelichten of
en hoe bij de implementatie per kredietvorm en per maatregel is gewogen of de verplichting
proportioneel is?
De richtlijn voorziet in geharmoniseerde regels over krediet en bevat slechts zeer
beperkt bepalingen die toegespitst zijn op de verschillende vormen van kredietverlening.
In de implementatiewet is dan ook beperkte ruimte om onderscheid te maken tussen de
verschillende vormen van kredietverlening. Wel is bijvoorbeeld gebruik gemaakt van
een aantal lidstaatopties om zo proportionaliteit toe te passen waar mogelijk. Een
voorbeeld is de lidstaatoptie uit artikel 2, vierde lid, aanhef en b, van de richtlijn,
die lidstaten de ruimte biedt om kredietovereenkomsten in de vorm van overschrijding9 uit te zonderen van de verplichte kredietwaardigheidsbeoordeling. Ook is gebruik
gemaakt van de lidstaatoptie uit artikel 2, achtste lid, van de richtlijn waardoor
een aantal precontractuele informatieverplichtingen niet gelden voor i) kredietovereenkomsten
voor een totaal kredietbedrag van minder dan € 200, (ii) kredietovereenkomsten waarbij
krediet zonder rente of andere kosten wordt verleend of (iii) kredietovereenkomsten
waarbij krediet binnen drie maanden moet worden afgelost en waarbij slechts onbetekenende
kosten verschuldigd zijn. Verschillende vormen van krediet die nu voor het eerst onder
de richtlijn zijn gebracht kennen inderdaad een ander risicoprofiel dan bijvoorbeeld
een persoonlijke lening. Het belangrijkste thema waarin de richtlijn en dus ook de
implementatiewet differentieert is de kredietwaardigheidsbeoordeling. Deze is immers
afhankelijk van onder andere de omvang en duur van de overeenkomst. Er geldt een open
norm voor het uitvoeren van de kredietwaardigheidsbeoordeling. Er geldt geen door
de wetgever vastgesteld regime voor elke kredietsoort. Aanbieders kunnen zich aansluiten
bij de Leennormenmethodiek Consumptief Krediet van de VFN, die momenteel in het kader
van de richtlijn worden herzien voor nieuwe kortlopende kredietvormen, in samenspraak
met de AFM en het Ministerie van Financiën.
Deze leden vragen in het bijzonder aandacht voor achteraf-betalingsconstructies bij
derden. Kan de regering bevestigen of de voorgestelde reikwijdte ook situaties kan
raken waarin geen sprake is van een klassiek kredietproduct, maar van een praktische
betaaltermijn of betaalregeling, zoals bij parkeerapps, facturen voor onverzekerde
zorg of andere dienstverlening waarbij betaling achteraf plaatsvindt? Acht de regering
het wenselijk dat dergelijke situaties onder hetzelfde regime kunnen vallen als commerciële
kredietverlening? Zo nee, hoe wordt dit in de wet of lagere regelgeving uitgesloten?
Met de implementatiewet worden alle vormen van uitstel van betaling gereguleerd als
krediet, tenzij er sprake is van een uitzondering. De richtlijntekst is uiteindelijk
leidend. Uit overweging 17 van de preambule van de richtlijn volgt dat het niet de
bedoeling is geweest in het Europese wetgevingsproces om alle vormen van uitstel van
betaling onder het toepassingsbereik van de richtlijn te plaatsen. De regering vindt
het ook onwenselijk dat deze situaties onder hetzelfde regime vallen van commerciële
kredietverlening. Denk hierbij aan gangbare handelspraktijken die ook gunstig zijn
voor de consument. Dit zijn gevallen waarbij de leverancier van de goederen of de
dienstverlener de consument tijd geeft om voor een goed of dienst te betalen zonder
rente of andere kosten, met uitzondering van beperkte kosten voor betalingsachterstand
overeenkomstig het nationale recht. Deze gevallen zijn uitgezonderd indien er geen
derde partij is, zoals bij «koop nu, betaal later»-regelingen, die krediet aanbiedt
voor het goed of de dienst en de betaling volledig moet worden verricht binnen een
beperkte termijn van 14 of 50 dagen na de levering van het goed of de verlening van
de dienst. Het is de verantwoordelijkheid van de aanbieder om te controleren of de
producten of diensten onder het toepassingsbereik vallen.
De leden van de JA21-fractie wijzen erop dat Duitsland kennelijk een pragmatische
benadering hanteert waarbij betalingstermijnen korter dan 14 dagen niet als krediet,
maar als betaalregeling worden beschouwd. Is de regering bereid een vergelijkbare
benadering te hanteren, zodat kortlopende betaaltermijnen met een beperkt risico niet
onnodig onder een zwaar regime komen te vallen terwijl dat in omringende landen niet
hoeft? Hoe weegt de regering dit in het licht van het gelijke speelveld binnen de
interne markt?
In Nederland geldt hetzelfde regime als in Duitsland wat betreft uitgestelde betaling
met een termijn van korter dan veertien dagen, omdat dit volgt uit de richtlijn. In
de richtlijn worden bepaalde vormen van uitstel van betaling uitgezonderd van het
toepassingsbereik. Het gaat onder andere om uitstel van betaling verleend door een
mkb-onderneming of door een grootbedrijf met een fysieke winkel onder de voorwaarden
dat binnen 50 dagen de betaling volledig moet zijn verricht en er geen rente of andere
kosten worden gerekend (met uitzondering van redelijke kosten bij niet-nakoming).
Een andere uitzondering is uitstel van betaling verleend door een grote webwinkel
onder de voorwaarden dat binnen 14 dagen de betaling volledig moet zijn verricht,
er geen rente of andere kosten worden gerekend (met uitzondering van redelijke kosten
bij niet-nakoming) en er geen factoring plaatsvindt, dat wil zeggen dat de betalingsvordering
niet wordt overgedragen aan een derde partij. De genoemde uitzondering voor kredieten
korter dan 14 dagen volgt dus uit de richtlijn en is ook zo opgenomen in de implementatiewet,
waarbij wel de genoemde voorwaarden gelden om buiten het toepassingsbereik te vallen.
Op dit punt is sprake van een gelijk speelveld. In de implementatiewet is wel, aanvullend
op de richtlijn, krediet in de vorm van uitgestelde betaling binnen het toepassingsbereik
van de wetgeving gebracht waar het gaat om uitstel van betaling verstrekt door een
platform, zoals een grote online webshop die zelf uitstel van betaling aanbiedt voor
eigen producten, maar ook voor derde leveranciers. Voor de platforms geldt dezelfde
uitzondering voor kredieten korter dan 14 dagen. Dit is ook schematisch weergegeven
op blz. 66 van de memorie van toelichting en conform de richtlijn.
Deze leden vragen of de regering voldoende onderscheid maakt tussen BNPL-producten
enerzijds en creditcards en andere betaalproducten anderzijds. Kan de regering toelichten
waarom producten met aantoonbaar verschillende risicoprofielen op onderdelen toch
gelijk worden behandeld? Acht de regering het proportioneel dat betaalproducten waarbij
de consument doorgaans iedere maand volledig afrekent of waarbij reeds bestaande waarborgen
gelden onder dezelfde verplichtingen komen te vallen?
In de implementatiewet is geen onderscheid gemaakt tussen «koop nu, betaal later»-producten
en kaarten met uitgestelde debitering. De twee producten kennen op dit moment andere
achterstandcijfers. Dat komt waarschijnlijk doordat aanbieders van kaarten met uitgestelde
debitering een strenger afwijzingsbeleid voeren en online betalen met «koop nu, betaal
later» in recente jaren een opmars heeft gemaakt. Dat betekent niet dat het risicoprofiel
in alle gevallen anders is. In beide gevallen gaat het immers om uitstel van betaling
voor de aankoop van producten of diensten. Het is de verwachting dat het onderscheid
tussen deze aanbieders zal gaan vervagen en dat ook huidige «koop nu, betaal later»-aanbieders
kaarten met uitgestelde debitering gaan aanbieden. De regering vindt het daarom niet
gewenst om een onderscheid tussen die kredietvormen te maken, zowel vanuit het belang
van een gelijk speelveld als voor de bescherming van de consument.
De leden van de fractie van JA21 hebben vragen over de wijze waarop de kredietwaardigheidsbeoordeling
in het wetsvoorstel wordt ingevuld. Deze leden juichen toe dat in het wetsvoorstel
een proportionaliteitsvereiste is opgenomen, maar vragen of de concrete uitwerking
daar voldoende bij aansluit. Kan de regering toelichten hoe het proportionaliteitsvereiste
in de praktijk moet worden toegepast bij verschillende kredietbedragen, looptijden
en producttypen?
De concrete uitwerking is aan de aanbieder zelf en vindt daarnaast plaats in nieuwe
Leennormenmethodiek Consumptief Krediet van de VFN. Op dit moment worden de leennormen
herzien om ook nieuwe vormen van krediet, zoals kortlopende kredieten daarin op te
nemen. De leennormen komen tot stand in samenspraak met de sector, de AFM en het Ministerie
van Financiën. De AFM houdt toezicht op de toepassing van het proportionaliteitsvereiste.
De AFM communiceert aan de sector wat de randvoorwaarden zijn om een proportionele
krediettoets in te richten. De randvoorwaarden zijn afhankelijk van nadere regels
die zijn gesteld in lagere regelgeving.
Deze leden lezen dat kredietaanbieders inkomsten- en uitgavengegevens moeten betrekken
bij iedere kredietwaardigheidsbeoordeling. Deze leden vragen of dit betekent dat bij
iedere transactie, ongeacht het bedrag of het risico, gegevens over inkomsten en uitgaven
moeten worden verzameld. Acht de regering het proportioneel dat een consument voor
een beperkte betaalfaciliteit of een kleine aankoop gevoelige financiële gegevens
moet delen, terwijl het risico voor consument en kredietgever beperkt kan zijn?
De richtlijn schrijft voor dat voorafgaand aan elk krediet een kredietwaardigheidsbeoordeling
wordt uitgevoerd op basis van relevante en nauwkeurige informatie over het inkomen
en de uitgaven van de consument en andere financiële en economische omstandigheden,
die noodzakelijk is en evenredig met de aard, duur, waarde en risico's van het krediet
voor de consument. Het is dan ook onvermijdelijk dat gegevens van de consument ook
voor kleine kredieten worden opgevraagd. Het is echter voor aanbieders op basis van
deze norm wel mogelijk om proportionaliteit toe te passen in de omvang van deze kredietwaardigheidsbeoordeling.
Bij een klein krediet met een relatief laag risico betekent dit, dat volstaan kan
worden met minder gegevens. Indien het passend is naar de omstandigheden, hoeven voor
een kredietwaardigheidsbeoordeling dus niet altijd inkomsten- of uitgaveninformatie
te worden opgevraagd. Bij hele kleine kredieten in de vorm van uitgestelde betaling
is dat voorstelbaar. Indien informatie over inkomsten en lasten van de consument wel
noodzakelijk is om een passende kredietwaardigheidsbeoordeling uit te voeren, dient
dit wel te worden opgevraagd en geverifieerd. In het kader van proportionaliteit is
in het implementatiebesluit een € 100-grens opgenomen waaronder slechts een beperkte
toets hoeft plaats te vinden.
De leden van de JA21-fractie vragen of de regering bereid is om meer ruimte te bieden
voor een risicogebaseerde invulling van de kredietwaardigheidsbeoordeling zonder afbreuk
te doen aan effectieve bescherming tegen overkreditering, met name bij kwetsbare consumenten
en jongeren. Kan de regering ingaan op een model waarbij voor lage kredietbedragen
een klantverklaring kan volstaan, voor een middencategorie beperkte verificatie kan
plaatsvinden, bijvoorbeeld met een recente loonstrook, en pas bij hogere bedragen
of verhoogde risico’s een volledige beoordeling op basis van inkomsten- en uitgavengegevens
noodzakelijk is? Is de regering bereid een dergelijke differentiatie in te passen?
De richtlijn schrijft een proportionele kredietwaardigheidsbeoordeling voor, juist
omdat daarmee in de praktijk een balans kan worden gevonden tussen de bescherming
van de consument tegen overkreditering en een doenlijke beoordeling. De risicogebaseerde
invulling zal in de praktijk door de aanbieder zelf dan wel in de Leennormenmethodiek
Consumptief Krediet van de VFN worden uitgewerkt. In het kader van proportionaliteit
is in het implementatiebesluit een € 100-grens opgenomen waaronder slechts een beperkte
toets hoeft plaats te vinden.
Deze leden vragen voorts of in kaart is gebracht wat het effect is op consumenten
die vanwege privacyzorgen afzien van een aankoop of betaalfaciliteit wanneer zij voor
relatief beperkte transacties inkomens- en uitgavengegevens moeten delen. Is onderzocht
of deze verplichtingen zullen leiden tot minder gebruik van gereguleerde betaalfaciliteiten
of uitwijk naar minder transparante alternatieven?
Met de proportionele kredietwaardigheidsbeoordeling dient er een balans gevonden te
worden tussen de bescherming van de consument tegen overkreditering en dataminimalisatie.
Indien een consument dit punt van privacy bezwaarlijk vindt, bijvoorbeeld in het kader
van een aankoop van kleding door middel van «koop nu, betaal later», dan staat het
de consument vrij om via een andere wijze de aankoop te voltooien, bijvoorbeeld door
middel van een directe overboeking. Een mogelijk effect is dat consumenten in mindere
mate gebruik zullen maken van dit soort diensten. Op dit moment is er nog geen uitwijkrisico
in beeld, in de zin van ongereguleerde alternatieven voor deze gereguleerde producten.
De leden van de JA21-fractie vragen hoe volledig geautomatiseerde besluitvorming binnen
de kredietwaardigheidsbeoordeling wordt beoordeeld. In hoeverre staat het wetsvoorstel
toe dat kredietaanvragen volledig geautomatiseerd worden goedgekeurd of afgewezen?
Welke waarborgen gelden voor consumenten bij een negatieve uitkomst en wanneer bestaat
recht op menselijke tussenkomst, uitleg of herbeoordeling?
De regels voor geautomatiseerde besluitvorming volgen uit de AVG en de Verordening
(EU) 2024/1689 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juni 2024 tot vaststelling
van geharmoniseerde regels betreffende artificiële intelligentie (AI-verordening)
en vallen dus buiten het regelgevend kader van de richtlijn en de implementatiewet.
Wel volgt uit artikel 18, achtste lid, van de richtlijn dat het aanbieders van krediet
is toegestaan dat de kredietwaardigheidsbeoordeling het gebruik van geautomatiseerde
verwerking van persoonsgegevens omvat. Als de kredietaanvraag wordt afgewezen, dient
de aanbieder van krediet de consument onverwijld in kennis te stellen van de afwijzing
en, indien van toepassing, de consument door te verwijzen naar schuldadviesdiensten.
De aanbieder moet de consument onverwijld in kennis stellen van het feit dat de beoordeling
van de kredietwaardigheid is gebaseerd op geautomatiseerde verwerking van gegevens,
van het recht van de consument op een menselijke beoordeling en van de procedure om
de beslissing aan te vechten. Het recht op menselijke tussenkomst, uitleg en herbeoordeling
bestaat in alle gevallen. De richtlijn schrijft voor dat een consument daarbij het
recht heeft op een zinvolle, begrijpelijke toelichting van de verrichte beoordeling
en van de werking van de gebruikte geautomatiseerde verwerking, met inbegrip van de
belangrijkste variabelen, de logica en de risico's die daarbij komen kijken, en het
recht om hun standpunt kenbaar te maken en om herziening te vragen van de kredietwaardigheidsbeoordeling
en van het besluit om al dan niet krediet te verlenen. Ook moet de consument geïnformeerd
worden over de rechten die hij heeft nadat hij naar behoren informatie heeft ontvangen
over de te volgen procedure.
Deze leden wijzen erop dat de voorgestelde kredietwaardigheidsbeoordeling kan leiden
tot meer verzameling en verwerking van gevoelige financiële gegevens. Gelet op de
recente zorgen over datalekken vragen deze leden welke aanvullende waarborgen gelden
voor de beveiliging van deze gegevens. Hoe voorkomt de regering dat wetgeving die
aanbieders verplicht tot meer gegevensverzameling, tegelijkertijd het risico vergroot
dat consumenten slachtoffer worden van datalekken of misbruik van financiële persoonsgegevens?
Door de in de wet ingebedde proportionaliteitsnorm bij de kredietwaardigheidsbeoordeling
zullen aanbieders van krediet naar verwachting niet meer informatie opvragen van de
consument dan nodig is. Daarbij heeft de AP op grond van de AVG de taak om toezicht
te houden op de naleving van de wettelijke regels voor bescherming van persoonsgegevens.
Uit de richtlijn volgen geen specifieke waarborgen ten aanzien van de beveiliging
van deze gegevens.
De leden van de JA21-fractie vragen hoe de Nederlandse invulling van de kredietwaardigheidsbeoordeling
zich verhoudt tot de implementatie in omringende landen. Kan de regering toelichten
of Nederland op dit punt strenger implementeert dan Duitsland en België? Is de regering
bereid zo veel mogelijk aansluiting te zoeken bij ons omringende landen, mede met
het oog op het gelijke speelveld en het Nederlandse investeringsklimaat?
Elke lidstaat zal de richtlijn inpassen in de bestaande nationale systematiek van
regels die consumenten onder meer moeten beschermen tegen overkreditering, het voorkomen
van schuldenproblematiek en onevenredige incassokosten. Deze regels zijn breder dan
enkel de regels die deze richtlijn voorschrijft, waardoor ook verschillen mogelijk
zijn tussen lidstaten. De regering maakt steeds de afweging tussen de nodige mate
van consumentenbescherming enerzijds en proportionaliteit ten aanzien van aanbieders
anderzijds. Wel geldt voor alle lidstaten een proportionaliteitsnorm ten aanzien van
de kredietwaardigheidsbeoordeling.
Ten opzichte van onze buurlanden zijn er enkele overeenkomsten en verschillen ten
aanzien van de implementatie van de regels voor de kredietwaardigheidsbeoordeling.
In Duitsland en in Zweden is, net zoals in Nederland, verificatie van de opgevraagde
informatie in het kader van de kredietwaardigheidsbeoordeling verplicht en deze vindt
in Duitsland en Zweden «op een passende wijze» plaats. Niet duidelijk is hoe in Duitsland
«op een passende wijze» wordt ingevuld, maar dit zal op grond van de richtlijntekst
ook proportioneel zijn. In Zweden is voor de passende wijze van doorslaggevend beland
dat de informatie actueel en nauwkeurig is. In België is het implementatiewetsvoorstel
in mei jl. aangeboden aan het parlement en is dus nog niet definitief. In het voorstel
staat in het kader van de kredietwaardigheidsbeoordeling dat de informatie wordt verkregen
uit relevante interne of externe bronnen, met inbegrip van de consument. De consument
is ertoe gehouden daarop juist en volledig te antwoorden. Hier lijkt een zelfverklaring
van de consument voldoende te kunnen zijn in het kader van de kredietwaardigheidsbeoordeling.
Daarnaast is raadpleging van een databank in België ook voorgeschreven (de Centrale
voor Kredieten aan Particulieren). In Duitsland is geen sprake van een verplichte
raadpleging van een stelsel van kredietregistratie. In Nederland is en blijft raadpleging
bij het BKR verplicht. Het BKR is waardevol bij het beoordelen van de kredietwaardigheid
van een consument om betalingsproblemen te voorkomen.
De leden van de JA21-fractie lezen dat volledige harmonisatie het uitgangspunt van
de richtlijn is en dat lidstaten daar niet van mogen afwijken. In dat kader hebben
deze leden een vraag over de uitleg en implementatie van de kredietwaardigheidsbeoordeling.
Kan de regering bevestigen dat artikel 18 van de richtlijn voorschrijft dat een kredietwaardigheidsbeoordeling
louter plaats mag vinden bij het sluiten van de kredietovereenkomst en bij een significante
verhoging van het totale kredietbedrag? Zo ja, kan de regering dan verduidelijken
of de voorliggende wet ruimte biedt om een periodieke herbeoordeling van doorlopende
kredieten in lagere wetgeving te verankeren?
Op basis van een nadere analyse van de richtlijn is de verplichting tot een jaarlijkse
herbeoordeling in het implementatiebesluit geschrapt. De grondslag voor een dergelijke
verplichting ontbreekt namelijk in de richtlijn. In plaats daarvan is de verplichting
opgenomen voor de aanbieder om een doorlopend krediet opnieuw te beoordelen indien
dit volgt uit zijn actualisatiebeleid. In dit beleid staat in welke situaties, bijvoorbeeld
bij bepaalde signalen, de aanbieder opnieuw dient vast te stellen of het krediet nog
aansluit bij de financiële situatie van de consument. Dit is een uitwerking van de
verplichtingen uit artikel 36 van de richtlijn.
De leden van de ChristenUnie-fractie lezen dat de Wet stelsel kredietregistratie gelijktijdig
met het voorliggende wetsvoorstel in voorbereiding is. Kan de regering toelichten
wat de inhoud van dit voorstel zal zijn, in hoeverre dat wetsvoorstel samenhangt met
voorliggend wetsvoorstel en wat de planning van indiening, behandeling en beoogde
inwerkingtreding van het wetsvoorstel is?
Het wetsvoorstel stelsel kredietregistratie maakt het beheer van het stelsel van kredietregistratie
een wettelijke taak, toe te wijzen aan de stichting BKR. Het legt daarmee voorwaarden
vast voor een bestendig, hoogwaardig en objectief stelsel van kredietregistratie.
In het wetsvoorstel worden onder meer de eisen opgenomen die aan het BKR zullen worden
gesteld en worden regels opgenomen ten aanzien van de verwerking van (persoons)gegevens
(welke gegevens worden geregistreerd, de registratietermijnen en wie er toegang heeft
tot de gegevens en de wijze waarop betrokkenen kunnen verzoeken de gegevens te verwijderen).
Wegens inhoudelijke wijzigingen naar aanleiding van de consultatie is het wetsvoorstel
voor een tweede keer bij de AP voor advies voorgelegd. Dit advies is recent ontvangen
en wordt bestudeerd. Hierna wordt advies gevraagd aan de Raad van State. De verwachting
is dat het wetsvoorstel begin volgend jaar bij de Tweede Kamer wordt ingediend.
Deze leden van de ChristenUnie-fractie begrijpen dat veel van de details van de wet
zullen worden neergelegd in lagere regelgeving. Deze leden vragen de regering een
overzicht te verschaffen van de inhoud van lagere regelgeving en de planning hiervan.
Naast de implementatiewet wordt gewerkt aan een implementatiebesluit en een implementatieregeling.
Het implementatiebesluit wijzigt het BGfo, het Besluit Kredietvergoeding, het Besluit
bestuurlijke boetes financiële sector en het Besluit Markttoegang financiële ondernemingen.
Dit implementatiebesluit is recentelijk aan beide Kamers der Staten-Generaal aangeboden
in het kader van een voorhangprocedure. Nadat uw Kamer heeft ingestemd met de implementatiewet,
zal het implementatiebesluit worden voorgelegd aan de Raad van State ter advisering.
Belangrijkste onderdeel van de implementatieregeling is de wijziging van de Vrijstellingsregeling
Wft, waarmee mkb-bemiddelaars die bemiddelen in uitstel van betaling worden vrijgesteld
van de vergunningplicht. Deze regeling is momenteel in voorbereiding. De lagere regelgeving
zal tegelijk met de implementatiewet in werking treden.
De leden van de ChristenUnie-fractie hebben vragen over de gekozen reikwijdte van
het implementatiewetsvoorstel. Deze leden vragen de regering duidelijker uiteen te
zetten wat de exacte reikwijdte van het wetsvoorstel is. Deze leden vragen de regering
om te bevestigen dat de implementatiewet in de reikwijdte van het kredietbegrip geen
expliciet materieel onderscheid maakt tussen traditioneel consumptief krediet enerzijds
en kortlopend renteloos betalingsuitstel anderzijds en dat ook bij renteloos en kosteloos
betalingsuitstel sprake kan zijn van consumentenkrediet wanneer een derde partij de
betaling voorschiet, het uitstel faciliteert of de vordering overneemt en dat het
ontbreken van rente of een kredietvergoeding op zichzelf onvoldoende is om buiten
de reikwijdte van CCDII te blijven.
De implementatiewet is van toepassing op alle kredietovereenkomsten die zijn gesloten
met een consument, tenzij er sprake is van een uitzondering zoals volgt uit artikel
2 van de richtlijn en artikel 1:20 Wft en 7:58 BW. Er wordt noch door de richtlijn,
noch in de implementatiewet onderscheid gemaakt in verschillende soorten krediet.
Het klopt verder dat het ontbreken van rente of een kredietvergoeding op zichzelf
niet voldoende is om buiten het toepassingsbereik van de richtlijn te vallen. Het
is slechts een van de cumulatieve voorwaarden voor toepassing van een uitzondering.
Factoring – het overdragen of verkopen van de betalingsvordering aan een derde partij
– door mkb of grootbedrijven die leverancier zijn van goederen en diensten en deze
aanbieden in een fysieke winkel, is uitgezonderd van het toepassingsbereik van de
richtlijn. Het gaat bijvoorbeeld om het doorverkopen van een vordering door een tandarts.
Is de vordering echter doorverkocht door een grote online leverancier van goederen
of diensten, dan is de dienst niet uitgezonderd van het toepassingsbereik. Zie voor
deze uitzondering ook artikel 2, tweede lid, onderdeel h, van de richtlijn en overweging
17 van de preambule.
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering naar de overwegingen om kortlopende
renteloze betalingsuitstellen binnen de reikwijdte van het wetsvoorstel te laten vallen.
In hoeverre signaleert de regering betalingsproblemen bij dergelijke producten die
aanleiding zijn om dergelijke producten onder de reikwijdte van de implementatiewet
te laten vallen? Kan de regering uitleggen op grond van welke lidstaatoptie dergelijke
producten (geheel of gedeeltelijk) buiten de reikwijdte van de implementatie wet kan
laten vallen?
Welke typen uitstel van betaling binnen de reikwijdte van de implementatiewet vallen
volgt niet uit een lidstaatoptie, maar uit de geharmoniseerde bepalingen uit artikel
2, tweede lid, onderdeel h, van de richtlijn. De regering kan er niet voor kiezen
om bepaalde onder de richtlijn vallende vormen van uitstel van betaling van het toepassingsbereik
uit te zonderen.10 Kortlopende renteloze betalingsuitstellen vallen niet onder het toepassingsbereik
van de implementatiewet, behalve als uitstel van betaling door een derde wordt verleend
of uitstel van betaling langer dan 50 (bij mkb of niet online leveranciers) of 14
dagen (bij grote online leveranciers) wordt verleend. Het is dus niet zo dat alle
kortlopende renteloze betalingsuitstellen onder het toepassingsbereik vallen.
«Koop nu, betaal later»-krediet is een vorm van kortlopende renteloze vormen van uitstel
van betaling. De problematiek bij deze producten is bekend, onder meer uit onderzoek
van de AFM. Over andere kortlopende renteloze vormen van uitstel van betaling, bijvoorbeeld
door een mkb-onderneming zonder betrokkenheid van een derde partij met een maximale
betalingstermijn van 50 dagen, zijn geen misstanden bekend.
De leden van de ChristenUnie-fractie hebben vragen over de afbakening van de implementatiewet.
Deze leden zijn ervan overtuigd dat regulering van «koop nu, betaal later»-diensten
zeer noodzakelijk is (inclusief kredietwaardigheidstoetsing en registratie), omdat
bekend is dat dergelijke producten leiden tot schuldenproblematiek en schuldgewenning.
Deze leden hebben echter begrepen dat met de implementatiewet ook gekozen is om andere
producten die gebruikmaken van automatische incassomachtiging of het voorschieten
van bijvoorbeeld parkeerkosten door een derde partij aan de consument onder de reikwijdte
van de implementatiewet vallen. Deze leden vragen in hoeverre er met de implementatie
van de richtlijn onderscheid behouden en of gemaakt is tussen kredietovereenkomsten
die aan te merken zijn als «koop nu, betaal later»-diensten en producten die met een
automatische incassomachtiging worden betaald, zoals parkeerapps of ongecontracteerde
zorg? In hoeverre geldt er voor deze partijen een vergunningsplicht op grond van artikel 2:60
van de Wft? Acht de regering dit proportioneel en doelmatig?
Er is niet expliciet een onderscheid tussen verschillende soorten diensten opgenomen
in de implementatiewet. Op blz. 47 van de memorie van toelichting staat wel opgenomen
dat bepaalde vormen van uitstel van betaling, die gangbare handelspraktijken zijn,
niet onder het toepassingsbereik van de richtlijn vallen. In overweging 17 van de
preambule van de richtlijn wordt dit genoemd en in artikel 2, tweede lid, onderdeel
h van de richtlijn staan de voorwaarden. Indien aan de voorwaarden is voldaan (i.e.
aangeboden zonder derde, zonder rente of andere kosten en een betaaltermijn binnen
14 of 50 dagen, afhankelijk van de omvang en het type dienstverlener), dan vallen
producten niet onder het toepassingsbereik. Indien er geen sprake is van het aanbieden
van krediet, geldt voor deze partijen ook geen vergunningsplicht op grond van artikel
2:60 Wft. De voorwaarden zijn dwingend voorgeschreven in de richtlijn. Daar kan niet
van af worden geweken in de omzetting van de richtlijn.
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering of de regering inzichtelijk
heeft welke betaalvormen en sectoren met voorliggend wetsvoorstel onder de reikwijdte
van de CCDII komen te vallen. In hoeverre acht de regering het proportioneel en wenselijk
wanneer producten als parkeerapps, ongecontracteerde zorg of het automatisch opladen
van de OV-kaart onder de reikwijdte van het wetsvoorstel (inclusief kredietwaardigheidstoetsing
en kredietregistratie) vallen? Wat is de omvang van het aantal dagelijkse betaalmomenten
van dit soort producten? Zijn aanbieders van deze producten geïnformeerd over de mogelijke
gevolgen van de CCDII voor hun producten? Zo ja, wat was hun reactie? Zo nee, is de
regering dit voornemens te gaan doen?
Met de implementatiewet komen ten opzichte van de oude richtlijn kredietovereenkomsten
tot € 200 ook onder de reikwijdte van de richtlijn te vallen. Daarnaast komen huur-
of leasingovereenkomsten met een optie tot koop, kredietovereenkomsten die in de vorm
van een geoorloofde debetstand op een rekening worden verleend en die binnen een maand
moeten worden afgelost, kredietovereenkomsten waarover geen rente of andere kosten
moeten worden betaald en kredietovereenkomsten waarbij het krediet binnen drie maanden
moet worden terugbetaald en waarvoor slechts onbeduidende kosten worden gerekend onder
de reikwijdte van de richtlijn te vallen. Hiermee vallen nieuwe kredietproducten,
waartoe bijvoorbeeld ook «koop nu, betaal later»-diensten en kaarten met uitgestelde
debitering behoren, onder het toepassingsgebied.
Betaling op factuur geschiedt momenteel op grote schaal en er zijn geen misstanden
binnen deze praktijk bekend. De regering wil zo veel mogelijk het normale handelsverkeer
ontlasten waar geen of slechts een beperkt risico is op het ontstaan van problematische
schulden. Op dit punt wordt aangesloten bij het toepassingsbereik zoals voorgeschreven
door de richtlijn. Een mogelijke verschuiving van «koop nu, betaal later»-diensten
wordt in beperkte mate verwacht; mogelijk wijzigen ondernemingen hun betalingstermijn
van bijvoorbeeld 60 dagen naar 14 dagen, om zo binnen de uitzondering te blijven.
Het is niet bekend hoeveel facturatie- of betalingsvormen in de praktijk onder de
implementatiewet zullen vallen, omdat dit afhankelijk is van de wijze waarop de betaling
in de praktijk wordt vormgegeven.
Zowel de implementatiewet als het bijbehorende implementatiebesluit zijn openbaar
geconsulteerd, waardoor marktpartijen in de gelegenheid zijn gesteld om te reageren.
Daarnaast is gedurende het wetgevingsproces doorlopend met marktpartijen en brancheorganisaties
gesproken, waarbij de gevolgen van de implementatiewet ter sprake zijn gekomen. Het
blijft de verantwoordelijkheid van marktpartijen zelf om te voldoen aan de eisen van
de wet en een inschatting te maken van de gevolgen daarvan.
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering om duidelijk te maken in hoeverre
de gekozen reikwijdte, waarbij ook renteloze en kosteloze betalingsuitstellen onder
de reikwijdte van de CCDII komen te vallen, overeenkomt met de gekozen reikwijdte
van de door ons omliggende landen. In hoeverre kunnen Nederlandse consumenten en/of
Nederlandse bedrijven de bepalingen uit de wet omzeilen door goederen aan te schaffen
in andere lidstaten of hun bedrijfsactiviteiten te verplaatsen naar andere lidstaten?
Er is geen sprake van een door Nederland of een andere lidstaat gekozen reikwijdte,
maar van een door de richtlijn voorgeschreven reikwijdte. De richtlijn bepaalt in
artikel 2, tweede lid welke kredietovereenkomsten zijn uitgezonderd van het toepassingsbereik.
In het artikel 2, tweede lid onder h en j staat welke vormen van kredietovereenkomsten,
waarbij kosteloos uitstel van betaling wordt verleend zijn uitgezonderd. Dit geldt
voor alle lidstaten. Wel geldt dat in de implementatiewet platforms die zelf krediet
aanbieden in de vorm van uitgestelde betaling onder het toepassingsbereik zijn gebracht,
alsmede kaarten met uitgestelde debitering. Voor de beweegredenen hiervoor wordt verwezen
naar de memorie van toelichting en de eerdere beantwoording van vragen hierboven.
De richtlijn biedt expliciet ruimte om bepalingen van de richtlijn toe te passen op
gebieden die er niet onder vallen (overweging 14 van de preambule van de richtlijn).
Als een aanbieder vanuit het buitenland een kredietovereenkomst aan een Nederlandse
consument aanbiedt die in Nederland wel is gereguleerd, geldt het Nederlands recht
op grond van artikel 6 van de Rome I-verordening, waarin is geregeld welk recht van
toepassing is op consumentenovereenkomsten. Daarmee zijn ook de Nederlandse kredietregels
in het BW van toepassing. Daarnaast zijn de bepalingen uit Deel 4 van de Wft van toepassing
op aanbieders indien sprake is van een situatie genoemd in artikel 4:1 Wft. Is geen
sprake van een situatie genoemd in artikel 4:1 Wft en is sprake van diensten van de
informatiemaatschappij, dan geldt artikel 1:16 Wft.
Artikel 2:81 van de Wft introduceert een verplichting voor aanbieders om een kredietbemiddelaar
aan te melden bij de AFM, zo constateren deze leden. De leden van de ChristenUnie-fractie
vragen de regering een nadere duiding, dan wel een voorbeeld, te geven van situaties
wanneer deze verplichting van toepassing is.
Bedrijven die niet kwalificeren als micro-, kleine of middelgrote onderneming, als
bedoeld in Aanbeveling van 6 mei 2003 van de Commissie11, vallen onder een licht registratieregime als die grootbedrijven als nevenactiviteit
voor een of meerdere aanbieders bemiddelen in kredietovereenkomsten die voorzien in
uitstel van betaling van ten hoogste drie maanden na de levering van de roerende zaak
of dienst. Men kan denken aan grote woonwinkels of elektronicawinkels die gebruik
maken van derde partijen die krediet aanbieden. Bemiddelen in krediet is niet de hoofdactiviteit,
dat is de verkoop van producten en diensten. Koop op afbetaling langer dan drie maanden
valt buiten dit lichte registratieregime.
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen of de regering nader kan uitleggen, bijvoorbeeld
aan de hand van een voorbeeld, wat de voorwaarde uit de richtlijn betekent dat er
ook sprake is van bemiddelen in krediet of een kredietbemiddelaar indien de bemiddelaar
economisch voordeel ondervindt van de bemiddelingsactiviteiten, ook als daar geen
vergoeding van de kredietaanbieder tegenover staat.
Een voorbeeld van economisch voordeel zonder het vragen van een financiële vergoeding
door de kredietbemiddelaar volgt bijvoorbeeld uit het Rapport Buy Now, Pay Later van
de AFM12, waaruit blijkt dat het aanbieden van «koop nu, betaal later» als betaaloptie de
omzet van winkels kan verhogen en daarmee een economisch voordeel met zich brengt.
De leden van de ChristenUnie-fractie lezen in de memorie van toelichting dat een tweetal
uitzonderingen worden toegevoegd aan artikel 1:20, eerste lid, onderdeel e, van de
Wft. Deze leden vragen of deze uitzonderingen de bedoelde bedrijven voldoende duidelijkheid
biedt over of hun diensten voldoen aan de uitzondering? Is hierover overleg gepleegd
met het midden- en kleinbedrijf? Kan de regering nader uiteenzetten voor wat voor
soort diensten de uitzondering is bedoeld, dan wel kan de regering hier voorbeelden
bij geven?
In de memorie van toelichting is bij de artikelsgewijze toelichting nadere duiding
gegeven in overeenstemming met overweging 17 van de preambule van de richtlijn. Ter
illustratie is met een aantal voorbeelden inzichtelijk gemaakt welke vormen van uitgestelde
betaling in ieder geval onder het toepassingsbereik vallen van de Wft en welke vormen
mogelijk onder een uitzondering vallen. Het gaat bijvoorbeeld om een fietsenmaker
die de optie biedt om de factuur binnen 50 dagen te betalen of een tandarts die zijn
vorderingen verkoopt aan een derde partij waarbij de betaling na 30 dagen moet zijn
verricht. Daarnaast is er in het kader van de implementatie onder andere met brancheorganisaties
van de detailhandelsector gesproken, alsmede met meerdere platforms.
Deze leden vragen aanvullend ook hoe de situatie voor deze bedrijven was onder de
oude richtlijn. Hoe verandert de situatie als gevolg van de implementatiewet van de
nieuwe richtlijn?
Onder de oude richtlijn was uitstel van betaling van drie maanden uitgezonderd. Dit
betekent dat bedrijven drie maanden uitstel van betaling konden aanbieden, zonder
onder de kredietregels te vallen. De uitzondering is door de nieuwe richtlijn beperkt.
Bedrijven die niet meer onder de uitzondering vallen zullen onder andere de gedragsbepalingen
uit Deel 4 van de Wft moeten naleven en de AFM zal toezicht houden op de naleving.
Voor grootbedrijven die «koop nu, betaal later» van een derde partij als betaaloptie
aanbieden geldt daarbij dat zij geregistreerd moeten worden als bemiddelaar in krediet
bij de AFM. De aanbieder van krediet (de «koop nu, betaal later»-aanbieder) dient
de registratie te verzorgen voor de bemiddelaar.
De leden van de ChristenUnie-fractie achten het verstandig dat de regering een bepaling
voorstelt om een verbod op om kredietovereenkomsten met een minderjarige consument
aan te gaan. Deze leden vragen de regering naar de huidige wettelijke situatie rond
het aangaan van een kredietovereenkomst met een minderjarige. Was dit in alle gevallen
volstrekt legaal of via andere bepalingen uit het Burgerlijk Wetboek in beginsel nietig?
Een minderjarige kan op grond van artikel 1:234 BW in beginsel geen rechtsgeldige
overeenkomst aangaan, tenzij sprake is van toestemming van een wettelijke vertegenwoordiger
of van een rechtshandeling die gebruikelijk is in het maatschappelijk verkeer. Voor
kredietovereenkomsten wordt over het algemeen aangenomen dat deze niet als zodanig
worden beschouwd. In recente jaren hebben minderjarigen echter op grote schaal gebruik
gemaakt van «koop nu, betaal later»-diensten. In de praktijk zijn deze overeenkomsten
vernietigbaar op grond van artikel 3:40 BW. Een minderjarige of wettelijke vertegenwoordiger
van die minderjarige dient hierop dan een beroep te doen en de aanbieder hierop aan
te spreken.
In de memorie van toelichting wordt door de leden van de ChristenUnie-fractie en uitgebreide
uitleg van de vereisten en overwegingen over de gemaakte keuzes rond kredietregistratie
gemist. Deze leden vragen de regering om dit alsnog toe te lichten.
Registratie wordt geregeld in het wetsvoorstel stelsel kredietregistratie en is dus
geen onderdeel van de richtlijn die door middel van dit wetsvoorstel geïmplementeerd
wordt. Totdat deze wet gaat gelden, geldt de huidige praktijk van registraties. Deze
is als volgt. Overeenkomsten met een kredietbedrag vanaf € 250 met een looptijd van
meer dan één maand worden geregistreerd bij het BKR (positieve registratie). Daarnaast
worden betalingsachterstanden bij BKR geregistreerd in het geval van meerdere achterstallige
termijnen (negatieve registratie).
Voorts vragen deze leden naar het verwachte effect van voorliggend wetsvoorstel. Deze
leden verwachten een verschuiving van veel kortlopende kredietfaciliteiten (zoals
«koop nu, betaal later») naar doorlopende kredietfaciliteiten. Is dit ook de verwachting
van de regering? Kan de regering dit nader toelichten of onderbouwen?
Er is geen onderzoek gedaan naar de verwachte effecten, maar het is de verwachting
dat er een gedeeltelijke verschuiving zal plaatsvinden van kortlopende kredieten (die
nu nog ongereguleerd zijn) naar doorlopend krediet. Anders moet immers op het niveau
van elke transactie aan alle verplichtingen, bijvoorbeeld de kredietwaardigheidsbeoordeling,
maar ook de verstrekking van precontractuele informatie, te worden voldaan. Eén aanbieder
van «koop nu, betaal later»-diensten heeft echter aangegeven niet over te stappen
naar het aanbieden van doorlopend krediet.
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering om te bevestigen dat een consument
onder de huidige leennormen meerdere kortlopende kredietfaciliteiten naast elkaar
kan aanhouden en benutten zolang de toetslasten binnen de toepasselijke normen blijven?
Is de aanname van deze leden dan terecht dat voorliggend wetsvoorstel een stapeling
van kredietruimte mogelijkerwijs maar beperkt voorkomt?
Het klopt dat onder de huidige leennormen meerdere kleine kredieten naast elkaar kunnen
worden aangeboden als dit past binnen de totale leenruimte. Kleine kredieten onder
de € 250,– met een looptijd van meer dan een maand worden niet geregistreerd bij het
BKR, tenzij sprake is van een langdurige achterstand. Die kleine kortlopende kredieten
waar geen achterstand op is zijn daarmee niet zichtbaar voor andere kredietaanbieders
en worden dus niet als maandlast meegenomen in de berekening van de leenruimte.
De huidige Leennormenmethodiek Consumptief Krediet van de VFN worden op dit moment
herzien om ook kortlopende kredieten daaronder te vatten. De normen dienen zo opgesteld
te worden dat overkreditering zo goed mogelijk wordt voorkomen, maar tegelijkertijd
met ruimte voor proportionaliteit. Stapeling van kortlopende kredieten is een omstandigheid
die in de leennormen zal worden meegewogen.
De leden van de ChristenUnie-fractie achten het huidig systeem van kredietregistratie
niet optimaal. Registratie van betaalfaciliteiten signaleert namelijk daadwerkelijke
betalingsproblemen niet eerder omdat negatieve signalen pas ontstaan nadat een consument
al betalingsachterstanden heeft opgebouwd. Deze leden zien graag een reactie van de
regering op deze stellingname.
Het is juist dat betalingsachterstanden niet direct zichtbaar zijn in het huidige
systeem van kredietregistratie. Betalingsachterstanden worden bij BKR geregistreerd
in het geval van meerdere achterstallige termijnen (negatieve registratie). Dit komt
onder meer omdat de consument eerst, met aanmaningen van de aanbieder, alsnog in de
gelegenheid wordt gesteld om de achterstand in te lopen.
De leden van de ChristenUnie-fractie zien, naast registratie van verschillende openstaande
kredieten, een meerwaarde in een systeem dat actuele problematische betalingsachterstanden
signaleert op basis waarvan kredietaanbieders zien of iemand een betalingsachterstand
heeft («ja» of «nee») zodat zij kunnen beoordelen of zij een consument een krediet
kunnen verstrekken. Hoe ziet de regering dit? Is de regering bereid om een dergelijk
systeem vlot te trekken? Zo nee, waarom niet?
Het BKR registreert betalingsachterstanden in het geval van meerdere achterstallige
termijnen (negatieve registratie). De registratietermijn wordt bij of krachtens het
Wetsvoorstel stelsel kredietregistratie geregeld en kan eventueel in dat kader worden
herzien. Over het algemeen is het wenselijk als er door middel van een actuele negatieve
registratie zo snel mogelijk inzicht is in een achterstand. Tegelijkertijd is het
zo dat het missen van een betalingstermijn of zelfs een betalingsherinnering niet
meteen betekent dat sprake is van een problematische achterstand. In een eventuele
aanpassing van het registratiemoment – die in het kader van dit wetsvoorstel dus niet
aan de orde is – moet dit daarom zorgvuldig worden afgewogen.
De leden van de ChristenUnie-fractie zien het risico dat met de implementatie van
voorliggend wetsvoorstel wat zal leiden tot een enorme toename aan kredietregistraties
en A-coderingen, ook voor relatief lage vorderingen die een consument te laat heeft
betaald. Wanneer een consument een bestelling bij een kledingwinkel ter waarde van
100 euro te laat heeft betaald, staat de consument voor vijf jaar geregistreerd bij
BKR. Deze consument zou dan vijf jaar lang geen hypotheek kunnen afsluiten. De leden
van de ChristenUnie-fractie zien dit als een onaanvaardbaar disproportioneel gevolg.
Hoe ziet de regering dit? Acht de regering het, net als de leden van de ChristenUnie-fractie,
noodzakelijk dat de huidige handelingspraktijk van BKR wordt aangepast als gevolg
van het voorliggende wetsvoorstel? Zo nee, waarom niet?
De registratie van achterstandsbetalingen is onderdeel van het wetsvoorstel stelsel
kredietregistratie. Een achterstand wordt op basis van de huidige praktijk geregistreerd
in het geval van meerdere achterstallige termijnen (negatieve registratie). Een negatieve
registratie kan inderdaad gevolgen hebben voor andere kredietaanvragen. Het hoeft
echter niet meteen te leiden tot afwijzing van een aanvraag. Dit is ook verboden op
grond van het voorgestelde artikel 4:34 Wft, eerste lid, dat ook van toepassing is
op hypothecair krediet. Zeker waar het gaat om een aanvraag van een hypothecaire lening,
zal breder de financiële positie van de aanvrager in beeld worden gebracht. De coderingen
van het BKR kunnen daarin worden meegenomen, maar hebben geen doorslaggevende rol.
In de memorie van toelichting wordt aangegeven dat artikel 4:34 van de Wft wordt aangevuld
met een uitzondering op de verplichting van de kredietwaardigheidsbeoordeling. De
leden van de ChristenUnie-fractie achten de frase op pagina 11 van de memorie van
toelichting onduidelijk. Kan de regering deze tekst verhelderen?
De uitzondering op de kredietwaardigheidsbeoordeling zoals met de implementatiewet
wordt toegevoegd in artikel 4:34, vierde lid, Wft volgt direct uit artikel 35, eerste
lid, tweede alinea, van de richtlijn. De uitzondering speelt in de situatie waarin
de kredietaanbieder respijtmaatregelen treft en daarbij een nieuwe kredietovereenkomst
tot stand zou komen. Deze overeenkomst kan dan voor de consument gunstigere voorwaarden
bevatten. Strikt genomen zou dan op grond van artikel 4:34, eerste lid, opnieuw een
kredietwaardigheidsbeoordeling moeten worden uitgevoerd. Dit is echter niet logisch
en niet de bedoeling geweest in het Europese wetgevingsproces. De kredietwaardigheidsbeoordeling
hoeft in dat geval dus niet uitgevoerd te worden, onder de voorwaarde dat geen sprake
is van een belangrijke verhoging van de kredietlimiet, dan wel van de som van de bedragen
die aan de consument ter beschikking zijn gesteld. Voor nadere toelichting wordt verwezen
naar de artikelsgewijze toelichting bij artikel I, onderdeel K.
De leden van de ChristenUnie-fractie missen in de memorie van toelichting een uiteenzetting
van wat de nieuwe kredietwaardigheidsbeoordeling inhoudt, wat de overwegingen zijn
voor de keuzes die de regering heeft gemaakt en wat de gevolgen van de kredietwaardigheidsbeoordelingen
zijn voor zowel consumenten als bedrijven. Deze leden vragen de regering om dit alsnog
(uitgebreid) toe te lichten.
De richtlijn schrijft een proportionele kredietwaardigheidsbeoordeling voor die in
de implementatiewet in de vorm van een open norm is verwerkt. Deze open norm schrijft
alleen de verplichting voor om een kredietwaardigheidsbeoordeling uit te voeren. In
het implementatiebesluit is enkel bepaald dat opgevraagde informatie in het kader
van de kredietwaardigheidsbeoordeling geverifieerd moet worden, dat de aanbieder voorafgaand
aan het verstrekken van een krediet altijd het BKR dient te raadplegen en dat voor
hele kleine kredieten een beperkte kredietwaardigheidsbeoordeling geldt. Voor kredieten
met een som kleiner dan € 100 wordt namelijk bepaald dat raadpleging volstaat van
het BKR en van het CCBR. Daarboven mogen aanbieders de proportionaliteit zelf invullen.
Daarbij kunnen aanbieders zich aansluiten bij de Leennormenmethodiek Consumptief Krediet
van de VFN, die momenteel in het kader van de richtlijn worden herzien in samenspraak
met de AFM en het Ministerie van Financiën. De uitwerking van de kredietwaardigheidsbeoordeling
vindt dus grotendeels plaats in de praktijk. Hierdoor zijn de gevolgen van de kredietwaardigheidsbeoordeling
niet verder te specificeren.
Met artikel 4:35b van de Wft worden aanbieders verplicht om betalingsproblemen bij
een consument vroegtijdig te signaleren. De leden van de ChristenUnie-fractie vragen
de regering nader toe te lichten waarheen aanbieders deze signalen moeten zenden en
of de ontvangende partij(en) voorbereid zijn op mogelijke toestroom van dergelijke
signalen.
Als gevolg van vroegsignaleren kan een aanbieder van krediet bijvoorbeeld overgaan
tot verlaging van de kredietfaciliteit of met de consument in gesprek gaan over het
treffen van eventuele respijtmaatregelen, alvorens een incasso- of invorderingsprocedure
in te leiden. Ook geldt een verplichting om de consument door te verwijzen naar schuldadviesdiensten.
Het is daarna aan de consument om al dan niet contact op te nemen met de gemeente
voor hulp. Aanbieders van schuldadviesdiensten zullen geen rechtstreekse signalen
van kredietverstrekkers ontvangen, want kredietverstrekkers wijzen de consument op
de schuldadviesdiensten in de gemeente waar de consument woont. De mogelijke extra
toestroom aan signalen kan er juist aan bijdragen dat het bereik van schuldhulpverlening
wordt verbeterd en meer mensen met problematische schulden geholpen worden. Het is
niet de verwachting dat gemeenten deze potentiële extra toestroom niet aankunnen.
De leden van de ChristenUnie-fractie lezen dat er een nieuwe definitie komt van gebundelde
verkoop en koppelverkoop. Kan de regering duidelijk uiteenzetten wat er materieel
gaat veranderen met de koppelverkoopbepaling ten opzichte van de huidige wetgeving?
Wat was eerst wel toegestaan en straks niet meer?
In de huidige wetgeving is al een koppelverkoopbepaling opgenomen in Titel 2a, afdeling
2, van Boek 7 BW, maar ter implementatie van de richtlijn is een specifiekere koppelverkoopbepaling
opgenomen die van toepassing is op consumentenkrediet in de zin van Titel 2a, afdeling
1, van Boek 7 BW. Het uitgangspunt in de wet blijft dat koppelverkoop in beginsel
is verboden. Koppelverkoop van een betaal- of spaarrekening is slechts toegestaan
in de in artikel 7:60a, tweede lid BW genoemde gevallen, bijvoorbeeld indien de rekening
wordt gebruikt ter aflossing van het krediet of ter verschaffing van bijkomende zekerheden.
Dit is grotendeels in lijn met de huidige wetgeving, alleen zijn de gebruiksdoelen
van de rekening nauwer omschreven.
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering in hoeverre, dan wel in welke
vormen ongevraagde kredietverlening nu voorkomt, met het oog op het expliciete verbod
uit artikel 7:58a BW.
Artikel 7:58a BW implementeert artikel 15 en 17 van de richtlijn en betreft zuivere
implementatie. Op dit moment zijn er geen signalen bekend dat ongevraagde kredietverlening
door gereguleerde kredietaanbieders of bemiddelaars plaatsvindt.
Het voorliggende wetsvoorstel introduceert bredere reclameregels ten aanzien van kredietovereenkomsten
met consumenten. De leden van de ChristenUnie-fractie juichen dit toe. Echter wordt
uit de memorie van toelichting geenszins duidelijk wat deze bredere reclameregels
behelzen. Kan de regering dit toelichten?
De bredere reclameregels worden onder meer opgenomen in artikel 7:59 BW. Daarin is
bepaald dat reclame- en marketingcommunicatie niet misleidend, onduidelijk of oneerlijk
mag zijn. Dat is het geval wanneer reclame valse verwachtingen schept over de beschikbaarheid
van het krediet, de kosten van een krediet of het totale door de consument te betalen
bedrag. Daarnaast gelden de reclameverboden en reclameverplichtingen die staan opgenomen
en worden uitgebreid in artikel 53 BGfo. Deze wordt met het implementatiebesluit gewijzigd.
Daarnaast worden er verplichtingen gesteld ten aanzien van de waarschuwing en standaardinformatie
die bij reclame voor krediet moet worden opgenomen, waarin een rentevoet of cijfers
over de kredietkosten worden vermeld. Kredietaanbieders moeten in reclame voor krediet
een duidelijke waarschuwing opnemen: «Let op! Geld lenen kost geld». Dit volgt uit
artikel 2:2 Nadere regeling gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft (Nrgfo).
De leden van de ChristenUnie-fractie hebben ook vragen over de gewijzigde bepaling
ten aanzien van geoorloofde debetstand. Wat is nu de termijn waarbinnen het opgenomen
bedrag moet worden terugbetaald voordat een procedure van incasso of invordering wordt
gestart? Of was dit in de huidige wetgeving niet geregeld? De wet introduceert een
verplichting om een «ruime» termijn te hanteren. Wat is volgens de regering «ruim»?
Deze leden vragen de regering of de wetgever hier een open norm laat of dit wel nader
invult?
Wanneer een aanbieder de geoorloofde debetstand (roodstandlimiet) op een rekening
verlaagt of beëindigt, moet de aanbieder de consument de gelegenheid geven om het
opgenomen bedragen binnen 12 maanden terug te betalen, voordat de aanbieder een incasso-
of invorderingsprocedure inleidt. De richtlijn schrijft dit voor in artikel 24, vierde
lid, van de richtlijn, welke wordt geïmplementeerd in artikel 7:63, vijfde lid (nieuw)
BW. In de huidige wetgeving is deze twaalfmaandentermijn niet voorgeschreven.
Alvorens invordering op te starten en daarvoor kosten in rekening te brengen is de
kredietverlener verplicht om de consument eerst in kennis te stellen van een verhoging
van de debetrentevoet of kosten, geruime tijd voordat deze wordt doorgevoerd. Dit
volgt uit artikel 7:60, tweede lid BW. In de memorie van toelichting bij de implementatiewet
wordt verwezen naar de wetshistorie bij artikel 7:60 BW, waar deze term «geruime tijd»
ook terugkomt. Daaruit volgt dat van geval tot geval moet worden uitgemaakt wat hier
precies onder moet worden verstaan. De regering vult deze norm niet nader in. De termijn
van 14 dagen uit artikel 6:96 lid 5 BW is niet van toepassing. In een gerechtelijke
procedure kan de rechter aan de hand van de omstandigheden van het geval beoordelen
of er rauwelijks gedagvaard is. Indien de rechter van mening is dat daar sprake van
is kan de kredietverlener veroordeeld worden in de kosten van de procedure.
4. Mate van harmonisatie
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen de regering of er nader in kan worden
gegaan op de keuze om kaarten met uitgestelde debitering onder het toepassingsbereik
van de richtlijn te scharen. Wat zijn de gevolgen voor de Nederlandse consument op
dit punt? Is er bijvoorbeeld sprake van hogere kosten voor consumenten die dergelijke
kaarten aanhouden? Waarom is er gekozen om juist op dit punt geen gebruik te maken
van de uitzondering, daar waar voor MKB-aanbieders van «koop nu, betaal later»-diensten
juist wel een uitzondering wordt gemaakt? Kan de regering toelichten in hoeverre kaarten
met uitgestelde betaling een soortgelijke of andere werking hebben op consumentengedrag
dan «koop nu, betaal later»-diensten zoals Klarna? Met name als het gaat om de beschikbaarheid
onder jongeren?
In de implementatiewet worden kaarten met uitgestelde debitering onder het toepassingsbereik
van de kredietregels gebracht. Hiervoor is voornamelijk gekozen om de consument te
beschermen. Indien deze kaarten buiten het toepassingsbereik worden gelaten van de
regels, betekent dit dat aanbieders van «koop nu, betaal later»-diensten naar deze
dan ongereguleerde diensten kunnen uitwijken. De consument wordt dan niet beschermd
bij het aangaan van krediet in de vorm van een kaart met uitgestelde debitering, waar
deze bij andere vormen van krediet wel wordt beschermd. Bovendien leidt het uitzonderen
van deze kaarten van het toepassingsbereik tot een ongelijk speelveld tussen aanbieders
van consumptief krediet. De keuze om kaarten met uitgestelde debitering niet uit te
zonderen, is een nationale keuze. De uitzondering voor mkb-aanbieders van «koop nu,
betaal later»-diensten daarentegen, zoals genoemd in het verslag is geen nationale
keuze, maar volgt dwingend uit de richtlijn. In de richtlijn staat in artikel 2, tweede
lid, onder h dat uitstel van betaling verleend door MKB-aanbieders (onder de in dat
artikel genoemde voorwaarden) uitgezonderd is van de richtlijn.
Op dit moment worden «koop nu, betaal later»-diensten niet op dezelfde manier gebruikt
als kaarten met uitgestelde debitering. Dit heeft ermee te maken dat «koop nu, betaal
later»-diensten op dit moment makkelijk beschikbaar zijn voor jongeren boven de 18
jaar dan kaarten met uitgestelde debitering. «Koop nu, betaal later»-diensten kunnen,
zeker waar het gaat om het eerste gebruik, op dit moment vaak zonder enige kredietwaardigheidstoets
worden afgenomen. De oorspronkelijke aanbieders van kaarten met uitgestelde debitering
voeren op dit moment al een vorm van kredietwaardigheidsbeoordeling uit voorafgaand
aan het verstrekken van een kaart, waardoor deze producten minder makkelijk toegankelijk
zijn. Dit ongelijke speelveld gaat met de nieuwe regels veranderen en de regels voor
beide producten worden gelijkgetrokken. De gevolgen voor de consument zullen zijn
dat zij dezelfde bescherming krijgen bij een kaart met uitgestelde debitering als
bij andere vormen van consumptief krediet. Bij het aangaan van de kredietovereenkomst
is de aanbieder van een kaart net als andere aanbieders verplicht om te beoordelen
of het verantwoord is het krediet te verstrekken. De nieuwe regels kunnen tot gevolg
hebben dat de kaart met uitgestelde debitering duurder wordt en minder toegankelijk
wordt voor de consument. De kosten die in rekening mogen worden gebracht aan de consument
worden gemaximeerd, maar de regering heeft wel ruimte gelaten voor het zo veel mogelijk
in stand houden van het huidige bedrijfsmodel.
De leden van de PVV-fractie vragen waarom aan de AFM een nieuwe «productinterventiebevoegdheid»
wordt toegekend die verder gaat dan wat de CCDII minimaal vereist. In hoeverre leidt
dit type bevoegdheden tot rechtsonzekerheid bij bedrijven en een verstikkend werkklimaat?
De richtlijn bevat een lidstaatoptie om een productinterventiebevoegdheid toe te kennen
aan de nationale toezichthouder. De richtlijn vult dit niet nader in maar laat dit
aan lidstaten om nader in te vullen. De voorwaarden zijn in de implementatiewet en
het implementatiebesluit nader uitgewerkt. De verwachting is dat de productinterventiebevoegdheid
van de AFM niet zal leiden tot rechtsonzekerheid bij bedrijven. Deze bevoegdheid mag
immers uitsluitend worden uitgeoefend indien aan strenge voorwaarden wordt voldaan.
Ook mag de AFM in het geval van een significante reden tot bezorgdheid de bevoegdheid
pas uitoefenen als andere bevoegdheden uit haar instrumentarium niet toereikend zijn.
In lagere regelgeving wordt deze bevoegdheid verder uitgewerkt, namelijk in het BGfo.
Daarin wordt een niet limitatieve opsomming van factoren opgesomd die de AFM in aanmerking
kan nemen om te bepalen of er sprake is van een significante reden tot bezorgdheid
over de consumentenbescherming.
Deze voorwaarden worden gesteld om schadelijke marktpraktijken aan te pakken die anders
niet kunnen worden tegengegaan. De bevoegdheid is toegekend aan de AFM, omdat de markt
van kredietproducten zich snel ontwikkelt. Daarom is het wenselijk dat de AFM ook
voor bepaalde kredieten, kredieten met bepaalde kenmerken of bepaalde marktpraktijken
bij krediet, kan beoordelen of ingrijpen nodig is. Hierbij valt onder meer te denken
aan producten die voor schuldenproblematiek zorgen, zoals flitskredieten of marktpraktijken
waarbij het gemak waarmee het krediet wordt aangegaan reden tot bezorgdheid voor bescherming
van de consument vormen.
De leden van de CDA-fractie lezen dat kaarten met uitgestelde betalingen onder het
toepassingsbereik van de richtlijn komen te vallen. Deze leden vragen of dit betekent
dat alle kaarten met een bepaalde vorm van uitgestelde betaling hieronder komen te
vallen of dat er uitzonderingen zijn.
Alle kaarten met uitgestelde debitering komen onder het toepassingsbereik te vallen.
Daarop zijn geen uitzonderingen. In de praktijk worden ook reguliere betaalpassen
uitgegeven met mogelijkheden om bedragen te laten reserveren op het banksaldo. Dit
kwalificeert niet als krediet omdat de betaling niet later plaatsvindt. Het bedrag
(bijvoorbeeld borg voor een huurauto) wordt direct van het saldo afgehaald. De bestedingsruimte
op de betaalrekening moet dus toereikend zijn. Het bedrag kan zolang het is gereserveerd
niet ergens anders voor worden gebruikt. Indien het bestede bedrag lager uitvalt,
valt dat deel vrij op het saldo. Dit is een ander product dan geoorloofde debetstand
(roodstand). Hierbij wordt immers wel krediet verstrekt. De consument krijgt de mogelijkheid
om geleend geld te besteden, waarbij het saldo negatief kan worden.
De leden van de CDA-fractie lezen dat de regering gebruikmaakt van de lidstaatoptie
om de richtlijnbepalingen ten aanzien van standaardinformatie, reclame en precontractuele
informatie niet van toepassing te laten zijn op bepaalde kredietovereenkomsten, zijnde
kredietovereenkomsten van minder dan 200 euro, zonder rente en korter lopend dan drie
maanden. BNPL-diensten vallen de facto onder deze uitzonderingscategorie. Deze leden
vragen of de regering inhoudelijk inzichtelijk kan maken, bij voorkeur in tabelvorm,
welke informatieverplichtingen in deze situaties nog wel van toepassing blijven en
welke verplichtingen door het gebruik van deze lidstaatoptie komen te vervallen.
In het voorgestelde artikel 7:60, zesde lid (nieuw) BW staat welke verplichtingen
vervallen door gebruik van de lidstaatoptie. Het gaat om de verplichtingen uit artikel
10, vijfde lid, van de richtlijn. Voor het overige dienen «koop nu, betaal later»-aanbieders
aan al de verplichtingen ten aanzien van standaardinformatie, reclame en precontractuele
informatie te voldoen.
Deze leden vragen daarnaast of de regering kan verduidelijken of deze informatieverplichtingen
op transactieniveau of op accountniveau gelden. Met andere woorden: wordt de betreffende
informatie bij iedere afzonderlijke transactie verstrekt of uitsluitend bij het aanmaken
van een account of het aangaan van een eerste kredietrelatie met de aanbieder.
De informatieverplichtingen gelden bij het aangaan van iedere kredietovereenkomst.
Indien sprake is van een doorlopend krediet, gelden bij transacties binnen de limiet
niet opnieuw deze informatieverplichtingen. Het is aan de aanbieder om daarin een
afweging te maken.
Daarnaast lezen deze leden dat de regering stelt dat het verstrekken van precontractuele
informatie niet het belangrijkste element ter voorkoming van overkreditering is. Deze
leden ontvangen graag een toelichting op de grondslag van deze uitspraak, alsmede
welke elementen volgens de regering wel als de belangrijkste worden beschouwd en welke
maatregelen vervolgens specifiek op die belangrijkste elementen worden genomen.
Precontractuele informatie is belangrijk. Tegelijkertijd is niet de verwachting dat
alle consumenten bij bijvoorbeeld «koop nu, betaal later»-kredieten deze informatie
tot zich gaan nemen. Het belangrijkste element ter voorkoming van overkreditering
is de verplichte kredietwaardigheidsbeoordeling en raadpleging van het BKR-register
bij het aangaan van de kredietovereenkomst. Hierdoor wordt voorkomen dat een onverantwoord
krediet wordt aangegaan. Gezien het voorgaande en de daarbij behorende lastendruk
voor de kredietaanbieder en kredietbemiddelaar om deze informatie te verstrekken,
is gekozen voor deze specifieke uitzondering op deze verplichtingen.
De leden van de CDA-fractie vragen daarnaast hoe deze uitzondering op de reclamevoorschriften
zich verhoudt tot de breed aangenomen motie van het Lid Welzijn (Kamerstuk 24 515, nr. 810), waarin juist wordt opgeroepen om reclame voor BNPL-diensten te verbieden. Deze
leden vragen waarom er desondanks voor wordt gekozen om BNPL (deels) uit te zonderen
van de reclamevoorschriften. Deze leden vragen hoe de regering deze keuze weegt in
het licht van de duidelijke wens van de Kamer om reclame voor deze diensten juist
te beperken of te verbieden.
De uitzondering ziet op enkele precontractuele informatieverplichtingen bij reclame
en niet op reclameverboden. De reclameverboden die gelden voor consumptief krediet,
gelden ook voor «koop nu, betaal later»-diensten. Nederland maakt voor wat betreft
de reclameverboden juist gebruik van de lidstaatoptie om extra strenge verboden te
regelen en die gelden ook ten aanzien van «koop nu, betaal later»-aanbieders en gaat
daarmee zo ver als de richtlijn toelaat.
Bij de lidstaatoptie om bepaalde kredieten uit te zonderen van precontractuele informatieverplichtingen
gaat het om de standaardinformatie die moet worden opgenomen bij reclame voor krediet.
Bij reclame voor krediet dient bijvoorbeeld informatie te worden gegeven over het
totale kredietbedrag en het jaarlijkse kostenpercentage. Door de uitzondering hoeft
bij drie typen kredietovereenkomst een deel van de standaardinformatie niet te worden
verschaft bij het maken van reclame. Het gaat bijvoorbeeld om de duur van de kredietovereenkomst.
Dit geldt alleen voor het maken van reclame; indien een kredietovereenkomst wordt
aangeboden dient deze informatie wel te worden verschaft. Ratio achter deze lidstaatoptie
is dat voor «koop nu, betaal later»-diensten geldt dat deze overeenkomsten online
en in korte tijd worden afgesloten. Het is niet de verwachting dat de consument in
die situaties de genoemde aanvullende precontractuele informatie tot zich zal nemen
en de extra hoeveelheid informatie kan bovendien de kans vergroten dat de consument
de kernelementen van de overeenkomst over het hoofd ziet.
Voorts vragen deze leden of de regering alsnog wil inzetten op een (verdergaand) verbod
op reclame voor BNPL-diensten mogelijk is. Zo nee, waarom niet.
De richtlijn bevat specifieke en gedetailleerde bepalingen over reclame voor krediet,
waaronder «koop nu, betaal later»-diensten voor zover deze onder de richtlijn vallen.
In de artikelen 7 en 8 van de richtlijn zijn zowel inhoudelijke eisen aan kredietreclame
opgenomen als expliciete verboden, bijvoorbeeld ten aanzien van misleidende of agressieve
reclame en reclame die suggereert dat krediet de financiële situatie van de consument
zal verbeteren. Hiermee beoogt de richtlijn consumenten te beschermen tegen onverantwoorde
kredietprikkels, terwijl ruimte blijft voor feitelijke en evenwichtige informatievoorziening.
De richtlijn heeft het karakter van een maximumharmonisatierichtlijn. Dit betekent
dat lidstaten in beginsel geen verdergaande of strengere nationale regels mogen stellen
dan de richtlijn toestaat. De richtlijn biedt geen ruimte om alle reclame voor kredietproducten
zoals «koop nu, betaal later» volledig te verbieden. Een algeheel reclameverbod zou
verder gaan dan het Europese kader toestaat en is daarmee juridisch niet toegestaan
voor «koop nu, betaal later»-diensten die onder de reikwijdte van de richtlijn vallen.
Wel biedt de richtlijn een lidstaatoptie om extra reclameregels in te stellen. Nederland
heeft gebruikgemaakt van deze lidstaatoptie, waardoor het verboden is reclame te maken
voor krediet, waaronder «koop nu, betaal later», waarin bijvoorbeeld de snelheid of
het gemak waarmee krediet kan worden verkregen wordt benadrukt of wordt vermeld dat
een korting alleen maar geldig is indien er een krediet wordt opgenomen.
De leden van de CDA-fractie lezen dat gebruik is gemaakt van de lidstaatoptie om micro-,
kleine en middelgrote bemiddelaars die als nevenactiviteit bemiddelen in krediet,
vrij te stellen van de vergunnings- of registratieplicht. Deze leden vragen allereerst
wat de precieze definitie is van «micro, kleine en middelgrote bemiddelaars» in dit
kader. Daarnaast constateren deze leden dat (web)winkels die BNPL-diensten aanbieden
via een derde partij op deze wijze buiten de registratieplicht kunnen vallen. Deze
leden vragen wat de verwachte impact zou zijn indien deze bemiddelaars wél onder een
registratieplicht zouden vallen.
Voor deze definitie verwijst de richtlijn naar de Aanbeveling van de Europese Commissie
betreffende de definitie van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen. Van een micro-onderneming
is sprake als er minder dan 10 medewerkers zijn en in het geval van een balanstotaal
of jaaromzet van maximaal EUR 2 mln. Van een kleine onderneming is sprake als er minder
dan 50 medewerkers zijn en in het geval van een balanstotaal of jaaromzet van maximaal
EUR 10 mln. Van een middelgrote onderneming is sprake als er minder dan 250 medewerkers
zijn en bij een balanstotaal van maximaal EUR 43 mln. of jaaromzet van maximaal EUR 50 mln.
Materieel zou het voorschrijven van een registratieplicht voor deze bemiddelaars weinig
uitmaken. Het ontbreken van een registratieplicht ontslaat ook kleine winkels nu niet
van naleving van de gedragsregels uit Deel 4 Wft en toezicht door de AFM. Dit betekent
bijvoorbeeld dat reclameregels over achteraf betalen onverminderd van toepassing zijn
en de AFM toezicht op naleving kan houden. De consument is op dezelfde wijze beschermd.
De impact op de bemiddelaar, bij een eventuele verbreding van de registratieplicht,
is dus klein en voor de consumentenbescherming of vanuit toezichtsperspectief maakt
het weinig verschil.
De impact op aanbieders en de AFM is echter wel groot, indien deze kleine bemiddelaars
wel onder de registratieplicht zouden vallen. Het gevolg zou zijn dat elke winkelier
in Nederland (dus ook een kleine boetiek met één medewerker) die achteraf betalen
aanbiedt als betaaloptie zich als kredietbemiddelaar zou moeten registreren bij de
AFM. De aanbieder moet deze registraties verzorgen. De AFM dient vervolgens alle registraties
te verwerken.
De leden van de CDA-fractie vragen in hoeverre de regering verwacht dat een dergelijke
verplichting leidt tot een afname van het aanbod van BNPL-diensten in de winkelstraat.
Ook vragen deze leden hoe de regering dit effect weegt ten opzichte van het belang
van consumentenbescherming en toezicht op deze vorm van kredietverlening.
Indien ook kleinere winkels onder het zwaardere registratieregime gebracht zouden
worden, zal dit naar verwachting niet leiden tot een afname van «koop nu, betaal later»-diensten.
In theorie zou een aanbieder met minder winkeliers willen samenwerken, omdat zij dan
elke winkelier moeten registreren als bemiddelaar. Of die afweging zo wordt gemaakt
is niet te voorspellen. Zoals eerder toegelicht is de materiële impact verder beperkt,
maar zullen de lasten stijgen voor aanbieders en de AFM als gevolg van de extra registraties
van bemiddelaars zonder dat daar noemenswaardige voordelen tegenover staan.
De leden van de CDA-fractie waarderen dat het instrumentarium van de AFM wordt uitgebreid
met betrekking tot productinterventie. Tegelijkertijd lezen deze leden dat, alvorens
direct ingrijpen mogelijk is, eerst het overige handhavingsinstrumentarium moet worden
doorlopen. Deze aanvullende waarborg lijkt op gespannen voet te staan met de benodigde
snelheid van optreden. Deze leden vragen hoe de regering borgt dat de AFM, indien
nodig, tijdig en doelgericht kan ingrijpen. Daarnaast vragen deze leden of de regering
bereid is om te bezien of het handhavingsinstrumentarium zodanig kan worden ingericht
dat de AFM in urgente situaties sneller kan handelen, zonder onnodige procedurele
vertragingen.
De productinterventiebevoegdheid wordt aan de AFM toegekend voor situaties waarin
de bestaande handhavingsmogelijkheden niet toereikend zijn en het krediet of de marktpraktijk
een significante reden vormen tot bezorgdheid over de consumentenbescherming. De gestelde
voorwaarden aan een voor de AFM bij dit product nieuwe bevoegdheid borgen dat het
reguliere toezicht via het reguliere handhavingsinstrumentarium wordt uitgeoefend.
Er is geen aanleiding om te veronderstellen dat de AFM door de waarborgen die er zijn
niet tijdig en doelgericht kan optreden. Integendeel, deze bevoegdheid geeft de AFM
meer mogelijkheden, met behoud van waarborgen in het gebruikmaken van het toezichtsinstrumentarium.
De regering ziet dus ook geen aanleiding om het instrumentarium van de AFM anders
in te richten.
De leden van de JA21-fractie constateren dat CCDII-lidstaten ruimte biedt om bepaalde
kredietvormen uit te zonderen of lichter te behandelen. Deze leden vragen waarom Nederland
niet kiest voor een ruimere benutting van die mogelijkheden, bijvoorbeeld voor creditcards
of andere vormen van kredietverlening waarbij het risico op problematische schulden
beperkter of anders van aard is. Kan de regering toelichten waarom zij op deze punten
niet aansluit bij lidstaten die wel gebruikmaken van dergelijke uitzonderingen? Ziet
de regering het risico dat Nederland door een strengere implementatie afwijkt van
andere lidstaten, met mogelijke gevolgen voor het vestigingsklimaat en de beschikbaarheid
van betaalproducten voor Nederlandse consumenten?
Alleen voor de kredietvorm van kaarten met uitgestelde betaling biedt de richtlijn
expliciet de mogelijkheid om deze vorm uit te zonderen van het nationale toepassingsbereik.
Andere vormen die de richtlijn onder het toepassingsbereik brengt kunnen lidstaten
niet uitsluiten. De keuze om kaarten met uitgestelde debitering niet uit te zonderen
is bovenal gemaakt ter bescherming van de consument. Indien deze kaarten buiten het
toepassingsbereik worden gelaten van de regels, betekent dit dat aanbieders van «koop
nu, betaal later»-diensten naar deze dan ongereguleerde diensten kunnen uitwijken.
De consument wordt dan niet beschermd bij het aangaan van krediet in de vorm van een
kaart met uitgestelde debitering, waar deze bij andere vormen van krediet wel wordt
beschermd. Bovendien leidt het uitzonderen van deze kaarten van het toepassingsbereik
tot een ongelijk speelveld tussen aanbieders van consumptief krediet.
De kans bestaat dat de nationale keuze gevolgen heeft voor de beschikbaarheid van
kaarten met uitgestelde debitering voor Nederlandse consumenten, omdat Nederlandse
partijen voornamelijk de Nederlandse markt zullen bedienen en daarmee aan meer regels
moeten voldoen dan partijen die consumenten uit andere lidstaten bedienen. Tegelijkertijd
vindt de regering het risico dat de kaart met uitgestelde debitering de nieuwe vorm
van ongereguleerde «koop nu, betaal later» wordt zwaarder wegen. De regering heeft
in het implementatiebesluit wel wijzigingen voorgesteld om de impact op de creditcardbranche
te verzachten. Er is zoveel mogelijk rekening gehouden met het producttype van de
kaart met uitgestelde debitering, zodat de aanbieders van deze kaarten hun bedrijfsmodel
kunnen blijven hanteren. Het Besluit kredietvergoeding wordt bijvoorbeeld gewijzigd
zodat bepaalde kosten (zoals kosten voor een additionele pas of kosten voor wisselkoersopslag
bij transacties in vreemde valuta) buiten het Besluit Kredietvergoeding vallen en
dus in rekening mogen worden blijven gebracht aan consument.
Deze leden vragen of de regering heeft onderzocht welke onbedoelde neveneffecten kunnen
ontstaan als relatief laagrisico-betaalproducten onder een zwaarder regime worden
gebracht. Bestaat het risico dat aanbieders bepaalde producten staken, kosten doorberekenen
aan consumenten of de toegang tot betaalfaciliteiten beperken? Is in kaart gebracht
of consumenten daardoor zullen uitwijken naar minder gereguleerde of minder transparante
vormen van krediet?
De richtlijn schrijft dwingend voor dat bepaalde kredietovereenkomsten onder het toepassingsbereik
van de kredietregels vallen. Waar het krediet in de vorm van uitgestelde debitering
betreft en dus een nationale keuze, is door aanbieders daarvan gewezen op eventuele
effecten op de markt. De kans bestaat dat de nationale keuze gevolgen heeft voor de
kosten en de beschikbaarheid van kaarten met uitgestelde debitering voor Nederlandse
consumenten alsmede de toegang daartoe. Tegelijkertijd vindt de regering het risico
dat de kaart met uitgestelde debitering de nieuwe vorm van ongereguleerde «koop nu,
betaal later» wordt zwaarder wegen. De regering heeft in het implementatiebesluit
wijzigingen voorgesteld om de impact op de creditcardbranche te verzachten. Er is
zoveel mogelijk geprobeerd rekening te houden met het producttype van de kaart met
uitgestelde debitering, zodat de aanbieders van deze kaarten hun bedrijfsmodel kunnen
blijven hanteren. Het Besluit kredietvergoeding wordt bijvoorbeeld gewijzigd zodat
bepaalde kosten (zoals kosten voor een additionele pas of kosten voor wisselkoersopslag
bij transacties in vreemde valuta) buiten het Besluit Kredietvergoeding vallen en
dus in rekening mogen worden blijven gebracht aan consument. De regering ziet op dit
moment geen evident ontwijkingsrisico naar ongereguleerde kredietvormen als alternatief
voor de kaart met uitgestelde debitering. Het is de vraag of de gemiddelde consument
die bijvoorbeeld de kaart met uitgestelde debitering gebruikt voor vakanties, voor
dergelijk gebruik zich gaat wenden tot ongereguleerde kredietvormen.
De leden van de ChristenUnie-fractie begrijpen dat het noodzakelijk is om het onwenselijk
onderscheid tussen wanneer een consument iets van een platform zelf koopt of via een
aangesloten partij op te heffen. Deze leden vragen de regering welke keuzes omliggende
landen hier maken? Maken deze landen ook deze keuze? Kan de regering toelichten waarom
hier door de Richtlijn de mogelijkheid is geboden om hier onderscheid te kunnen maken?
Overweging 14 van de preambule van de richtlijn biedt aan lidstaten de ruimte om het
toepassingsbereik van de richtlijn uit te breiden. Van deze mogelijkheid is in de
implementatiewet gebruik gemaakt door ook kredietovereenkomsten in de vorm van uitgestelde
betaling door platforms onder het toepassingsbereik te brengen. De regering heeft
hiertoe besloten omdat anders de vreemde situatie kan ontstaan dat een consument die
via een platform producten koopt, soms wel en soms niet wordt beschermd. Duitsland
en Frankrijk reguleren platforms niet expliciet.
De leden van de ChristenUnie-fractie begrijpen de keuze om creditcards onder het toepassingsbereik
van de richtlijn te laten vallen. Welke keuze maken de ons omringende landen? Kunnen
Nederlandse consumenten dan een creditcard krijgen via een andere lidstaat om de wettelijke
voorwaarden te kunnen omzeilen? Zo ja, wat zijn hiervan de mogelijke gevolgen en risico’s?
De richtlijn brengt krediet in de vorm van kaarten met uitgestelde debitering onder
het toepassingsbereik. Lidstaten hebben de mogelijkheid om deze kaarten uit te zonderen
op grond van artikel 2, vijfde lid, van de richtlijn. Zweden reguleert kaarten met
uitgestelde debitering wel, maar schrijft geen verplichte kredietwaardigheidsbeoordeling
voor. Duitsland, Frankrijk en België reguleren de kaarten met uitgestelde debitering
niet. Zij zonderen de kaarten uit van het toepassingsbereik van de richtlijn. In de
implementatiewet worden deze kaarten in Nederland wel gereguleerd. Nu de richtlijn
expliciet uitgaat van de mogelijkheid van regulering van deze kaarten door lidstaten,
dienen aanbieders van deze kaarten die deze aanbieden op de Nederlandse markt de Nederlandse
regels na te leven. Indien een aanbieders van kaarten met uitgestelde debitering dus
krediet in de vorm van een kaart met uitgestelde debitering aanbiedt aan consumenten
in Nederland, valt dit onder de Nederlandse kredietregels in het BW en de Wft. De
risico’s voor omzeiling worden daarom beperkt ingeschat.
De leden van de ChristenUnie-fractie begrijpen niet goed waarom kaarten met uitgestelde
debitering via een lidstaatoptie onder toepassingsbereik van de Richtlijn kunnen worden
gebracht. Deze leden achten het gezien de argumenten van de regering (onvoldoende
en ongelijke consumentenbescherming en een ongelijk speelveld) onwenselijk wanneer
hierover binnen de Unie verschillen ontstaan. Hoe ziet de regering dit?
Het is inderdaad onwenselijk als verschillen ontstaan tussen lidstaten als gevolg
van de keuze om wel of niet gebruik te maken van de lidstaatoptie. De regering had
liever gezien dat kaarten met uitgestelde debitering in de hele Europese Unie verplicht
onder het toepassingsbereik van de richtlijn werden gebracht. Maar nu het een optie
is, vindt de regering het zoals eerder en in de memorie van toelichting toegelicht
van belang dat Nederland gebruik hiervan maakt.
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering naar de exacte invulling van
de wetgeving voor kaarten met uitgestelde debitering. Klopt het dat de wet (en/of
lagere regelgeving) voorschrijft dat aanbieders van kaarten met uitgestelde debitering
jaarlijks een controle moeten doen op kredietwaardigheid? In hoeverre acht de regering
dit proportioneel gezien de huidige beperkte omvang van consumenten die betalingsachterstanden
oplopen via hun kaart met uitgestelde debitering?
De wetgeving voor kaarten met uitgestelde debitering is hetzelfde als voor andere
kredietvormen. Net als voor andere vormen van consumptief krediet gaat een verplichte
kredietwaardigheidsbeoordeling met een raadpleging bij het BKR gelden bij het aangaan
van een kredietovereenkomst. Daarnaast zullen de regels met betrekking tot reclame,
inclusief de reclameverboden, de precontractuele informatieverplichtingen en de standaardinformatie
gelden. Ook gaat het besluit kredietvergoeding gelden voor kaarten met uitgestelde
debitering. Hierin is geregeld dat de aanbieders van kaarten met uitgestelde debitering
bij een regelmatige afwikkeling jaarlijks maximaal € 60 aan kosten in rekening mogen
brengen, bijvoorbeeld in de vorm van kaartkosten. Daarnaast mag een overboekings-
en opnamevergoeding in rekening worden gebracht, maar die mag niet meer bedragen dan
2 of 3% van het opgenomen of overgeboekte bedrag. Bij niet nakoming geldt een ten
hoogste toegelaten vertragingsvergoeding van € 20 tot een maximum van € 60 per kalenderjaar
per kredietnemer.
In de consultatieversie van het implementatiebesluit stond opgenomen dat kredietaanbieders
van consumptief krediet, waaronder de aanbieders van kaarten met uitgestelde debitering,
jaarlijks een controle moeten doen op kredietwaardigheid. Dit is inmiddels aangepast
naar aanleiding van de consultatie. In plaats van een jaarlijkse verplichte kredietwaardigheidsbeoordeling
wordt een actualisatiebeleid verplicht voor aanbieders van doorlopend krediet. Uit
het beleid volgt in welke situaties er opnieuw een kredietwaardigheidsbeoordeling
wordt uitgevoerd.
De leden van de ChristenUnie-fractie lezen dat er gebruik gemaakt wordt van een lidstaatoptie
om enkele precontractuele informatieverplichtingen niet van toepassing te verklaren
op kaarten met uitgestelde debitering, «koop nu, betaal later»-diensten en kleine
kredieten tot 200 euro. De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering om
deze keuze nader te motiveren.
Er is gekozen voor deze lidstaatoptie met een uitzondering op de informatieverplichtingen,
omdat dit volgens de regering vanuit het oogpunt van proportionaliteit en lastendruk
toelaatbaar is. Voor kaarten met uitgestelde debitering geldt dat er op dit moment
in de praktijk geen sprake is van grote achterstanden op deze kredietovereenkomsten.
Dit geeft aanleiding voor een verlicht regime van precontractuele informatieverplichtingen.
Voor «koop nu, betaal later»-diensten geldt dat deze overeenkomsten online en in korte
tijd worden afgesloten, zodat het niet de verwachting is dat de consument in deze
situaties de genoemde aanvullende precontractuele informatie zal lezen. De extra hoeveelheid
informatie kan bovendien zelfs de kans vergroten dat de consument de kernelementen
van de kredietovereenkomst over het hoofd ziet. Dit laatste geldt ook voor kleine
kredieten tot een bedrag van € 200. Daarnaast is het ontvangen van precontractuele
informatie niet het belangrijkste element ter voorkoming van overkreditering, maar
de verplichte kredietwaardigheidsbeoordeling en raadpleging van het BKR-register bij
het aangaan van de kredietovereenkomst.
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering voorbeelden te schetsen van
micro, kleine- en middelgrote aanbieders van krediet die als nevenactiviteit krediet
aanbieden waarvoor de regering regelt dat zij een uitzondering krijgen van de verplichting
om een vergunning aan te vragen bij de AFM? Wat is de schaal van een middelgrote aanbieder?
Wat is een nevenactiviteit? Hoe klein moet deze nevenactiviteit zijn om tot nevenactiviteit
te behoren?
Het gaat bijvoorbeeld om een kledingboetiek die uitstel van betaling via een «koop
nu, betaal later»-aanbieder als betaaloptie aanbiedt in de winkel of webshop. Van
een middelgrote onderneming is sprake als er minder dan 250 medewerkers zijn en bij
een balanstotaal van maximaal EUR 43 mln. of jaaromzet van maximaal EUR 50 mln. Het
begrip «nevenactiviteit» wordt niet gedefinieerd in de richtlijn. Het uitgangspunt
bij een nevenactiviteit zoals beschreven in de memorie van toelichting is dat het
verrichten van de activiteit niet de hoofdactiviteit is van de bemiddelaar in krediet
en meer het karakter heeft van een ondersteunende activiteit. Een voorbeeld is een
winkel die als hoofdactiviteit zich bezighoudt met het verkopen van kleding of andere
goederen. De nevenactiviteit in het kader van bemiddelen in krediet is dan het aanbieden
van achteraf betalen via een «koop nu, betaal later»-aanbieder als betaaloptie in
de winkel.
De uitwerking van de nieuwe productinterventiebevoegdheid vindt plaats in lagere regelgeving,
zo lezen de leden van de ChristenUnie-fractie. In welke regelgeving wordt dit uitgewerkt?
Wat voor soort zaken worden neergelegd in de lagere regelgeving om de productinterventiebevoegdheid
nader in te vullen en waarom heeft de regering gekozen dit niet op wetsniveau te doen?
In de implementatiewet is bepaald dat voor de uitoefening van de productinterventiebevoegdheid
onder meer sprake moet zijn van een significante reden tot bezorgdheid over de consumentenbescherming.
In het implementatiebesluit wordt vervolgens een (niet-limitatieve) opsomming van
factoren opgenomen die de AFM in aanmerking kan nemen bij het bepalen of er sprake
is van een significante reden tot bezorgdheid over de consumentenbescherming. Voorbeelden
van factoren zijn de omvang van potentieel nadelige gevolgen voor de consument, het
soort consument dat bij een gedraging of beleid betrokken is en aan wie het krediet
wordt aangeboden. De uitwerking van deze nieuwe productinterventiebevoegdheid vindt
plaats in een nieuw artikel in het BGfo (in artikel 115ad BGfo) dat wordt voorgesteld
in het implementatiebesluit. De reden voor uitwerking in lagere regelgeving is dat
eventuele wijzigingen in de nadere regels – indien noodzakelijk – sneller kunnen worden
doorgevoerd. De hoofdvoorwaarden volgen echter uit de wet.
5. Verhouding van de richtlijn tot het unierecht en het nationale recht
De leden van de D66-fractie begrijpen dat andere Europese landen ervoor kiezen om
minder aanvullende maatregelen te treffen. Verwacht de regering dat dit negatieve
effecten heeft voor de uitvoering van de maatregelen in Nederland?
De richtlijn heeft het karakter van maximumharmonisatie. Hierdoor zijn de regels in
de lidstaten voor het overgrote deel gelijk en kan daarop toezicht worden gehouden.
Tegelijkertijd biedt de richtlijn soms ruimte om andere keuzes te maken. Het is niet
uit te sluiten dat regels tussen lidstaten als gevolg hiervan kunnen verschillen.
Tegelijkertijd acht de regering de gemaakte keuzes uitvoerbaar voor de sector en ook
de toezichthouders hebben dit bevestigd. Hierdoor verwacht de regering dat eventuele
negatieve effecten beperkt zijn. Verder zullen verschillen in nationale implementatie
in de contacten tussen de sector en toezichthouder aan de orde komen. De verschillen
zullen ook, zoals genoemd in artikel 46, derde lid, van de richtlijn, onderwerp zijn
van de evaluatie van de richtlijn door de Europese Commissie.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie juichen toe dat er eindelijk een wettelijk
verbod komt op uitstel van betalingen voor jongeren. Deze leden vragen de regering
hoe de regering effectief het verbod zal handhaven en hoe de sanctionering eruit ziet
voor overtreders.
Het voorgestelde artikel 4:34b, waarin het publiekrechtelijk verbod staat opgenomen
en de verplichting tot leeftijdsverificatie, wordt in artikel 10 Bbbfs beboetbaar
gesteld met een boete van de derde categorie. Tevens staan de AFM andere minder zware
handhavingsinstrumenten ter beschikking. Het Bbbfs wordt gewijzigd met het implementatiebesluit
dat recent aan uw Kamer is aangeboden in het kader van een voorhangprocedure.
De leden van de CDA-fractie stellen vast dat aanbieders op grond van de richtlijn
verplicht zijn deel te nemen aan het stelsel van kredietregistratie (in Nederland
het BKR). De nadere voorwaarden voor registratie in het BKR worden echter geregeld
in het wetsvoorstel Stelsel kredietregistratie, dat nog in behandeling moet worden
genomen in het parlement. In dat licht vragen deze leden wat de voorgenomen inzet
van de regering is ten aanzien van BKR-registraties in het kader van de implementatie
van de CCDII. Deze leden vragen wanneer krediet precies wordt geregistreerd en of
hierbij een minumumdrempelwaarde geldt en zo ja, welke. Daarnaast vragen deze leden
hoe lang deze kredieten geregistreerd blijven. Ook vragen deze leden of bij deze registratie
gekeken wordt naar het effect van stapeling van verschillende kleine kredieten. Als
laatste vragen deze leden of elke vorm van krediet ongeacht de hoogte van het krediet
wordt getoetst.
Registratie wordt geregeld in het wetsvoorstel stelsel kredietregistratie, en is dus
geen onderdeel van de richtlijn die door middel van de implementatiewet geïmplementeerd
wordt. Totdat de wet stelsel kredietregistratie gaat gelden, blijft de huidige werkwijze
van het BKR van kracht, zoals vastgelegd in het algemeen reglement van het BKR. Overeenkomsten
met een kredietbedrag vanaf € 250 met een looptijd van meer dan één maand worden geregistreerd
bij het BKR (positieve registratie). Daarnaast worden betalingsachterstanden in het
geval van meerdere achterstallige termijnen geregistreerd (negatieve registratie).
De gegevens met betrekking tot overeenkomsten met een kredietbedrag vanaf € 250 met
een looptijd van meer dan één maand worden vijf jaar geregistreerd na afloop van de
kredietovereenkomst. De gegevens met betrekking tot betalingsachterstanden worden
vijf geregistreerd na het aflossen van de achterstand.
Het gevolg van de drempelwaarde is dat kleine kortlopende kredieten niet in alle gevallen
worden geregistreerd in het BKR, omdat een consument bij meerdere aanbieders kredieten
onder de € 250 kan aanvragen waarna deze niet positief worden geregistreerd bij het
BKR. Daar kan dus stapeling optreden. Tegelijkertijd kan niet bij dezelfde aanbieder
worden gestapeld en worden achterstanden wel vanaf € 0 geregistreerd.
Voor raadpleging van het BKR geldt dat in het implementatiebesluit, via wijziging
van artikel 114 BGfo, wordt bepaald dat een kredietaanbieder bij ieder te verstrekken
krediet het BKR dient te raadplegen. Eerst bestond er een grens voor raadpleging van
kredieten vanaf € 250, maar deze komt te vervallen.
Naast mogelijke onduidelijkheid voor kredietnemers voorzien de leden van de CDA-fractie
ook implementatieproblemen voor kredietverstrekkers indien deze parameters bij inwerkingtreding
van de CCDII nog niet volledig zijn uitgekristalliseerd. Deze leden vragen op welke
wijze deze samenloop tussen beide trajecten wordt gemitigeerd en hoe geborgd wordt
dat dit niet leidt tot uitvoeringsproblemen of inconsistenties in de praktijk.
De implementatiewet heeft een toepassingsdatum die niet kan worden uitgesteld. Ondertussen
wordt verder gewerkt aan het wetsvoorstel stelsel kredietregistratie, waarop recent
een tweede wetgevingstoets van de AP is ontvangen. Totdat de wet stelsel kredietregistratie
in werking is getreden geldt de huidige situatie. Hiermee wordt voorkomen dat beide
wetsvoorstellen door elkaar heen gaan lopen.
De leden van de CDA-fractie staan achter een verbod op BNPL-diensten aan minderjarigen.
Alleen wanneer er sprake is van toestemming van de wettelijke vertegenwoordiger (ouders,
voogd) is er een uitzondering. Deze leden vragen echter op welke wijze wordt geborgd
dat een dergelijke toestemmingsverklaring daadwerkelijk ondubbelzinnig, expliciet
en verifieerbaar door de ouder zelf wordt afgegeven en niet kan worden omzeild of
gefingeerd.
Een toestemmingsverklaring volstaat niet voor krediet in de vorm van uitstel van betaling
van roerende zaken of diensten. Minderjarigen kunnen deze overeenkomsten dus niet
gebruiken, ook niet met toestemming.
Deze leden benadrukken dat een wettelijk verbod op BNPL voor minderjarigen uiteindelijk
staat of valt met effectieve handhaving en naleving in de praktijk. Hoewel verankering
in de Wft en het BW hierbij een belangrijke basis vormt, achten deze leden het van
belang dat ook de platforms zelf een actieve en controleerbare rol vervullen in de
naleving. Deze leden vragen op welke wijze hier concreet op ingezet wordt. Deze leden
vragen ook welke eisen gesteld worden aan de verificatie van ouderlijke toestemming
en hoe gecontroleerd wordt dat aanbieders deze verplichtingen niet slechts formeel,
maar ook materieel naleven.
Het voorgestelde artikel 4:34b Wft, waarin het publiekrechtelijk verbod staat opgenomen
en de verplichting tot leeftijdsverificatie bij «koop nu, betaal later», wordt in
artikel 10 Besluit bestuurlijke boetes beboetbaar gesteld met een boete van de derde
categorie. Tevens staan de AFM andere, minder zware handhavingsinstrumenten ter beschikking.
Toestemming van een wettelijke vertegenwoordiger is bij krediet in de vorm van uitgestelde
betaling uitgesloten. Ook met die toestemming is het aangaan van een dergelijk krediet
met een minderjarige niet toegestaan. Waar het gaat om andere vormen van krediet is
dit wel toegestaan. Artikel 4:34b Wft vereist als lex specialis een ondubbelzinnige en duidelijke bevestigende handeling. Dit is een zwaar vereiste
en legt het risico van onvolledige controle van de leeftijd bij de aanbieder.
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen of er nog recenter onderzoek beschikbaar
is over hoeveel transacties er zijn gedaan via rekeningen op naam van een minderjarige
aan BNPL-aanbieders dan het onderzoek uit 2023 wat genoemd wordt in de memorie van
toelichting? Is bekend of de gedragscode materieel effect heeft gehad? Aanvullend
vragen deze leden of er ook cijfers beschikbaar zijn over het gebruik door minderjarigen
van «koop nu, betaal later»-diensten via platforms die uitgestelde betaling aanbieden?
Voor zover bekend is er geen recenter openbaar onderzoek beschikbaar dat opnieuw heeft
gemeten hoeveel transacties via rekeningen op naam van minderjarigen zijn gedaan bij
«koop nu, betaal later»-aanbieders. De meest recente gepubliceerde meting is het onderzoek
van de AFM, gepubliceerd in april 2024.
De AFM heeft in haar Buy Now, Pay Later Marktupdate 202513 geen nieuwe cijfers gepubliceerd over het aantal transacties door minderjarigen.
Wel verwijst zij daarin opnieuw naar de eerder vastgestelde circa 600.000 mogelijke
«koop nu, betaal later»-transacties door minderjarigen in 2023 en constateert zij
dat aanbieders inmiddels aanvullende maatregelen hebben genomen om minderjarigen uit
te sluiten. Voor zover bekend zijn geen afzonderlijke cijfers beschikbaar over het
gebruik van uitgestelde betaalmogelijkheden door minderjarigen via e-commerceplatforms die zelf achteraf betalen aanbieden. De AFM heeft wel onderzoek gepubliceerd
naar het gebruik van «koop nu, betaal later» door minderjarigen bij «koop nu, betaal
later»-aanbieders en heeft daarnaast in haar Buy Now, Pay Later Marktupdate 2025 gerapporteerd
over het gebruik van achteraf betalen via grote e-commerceplatforms. De AFM heeft
daarbij echter geen uitsplitsing naar minderjarige gebruikers van deze platformdiensten
gepubliceerd.
Er zijn aanwijzingen dat de Gedragscode BNPL effect heeft gehad. Uit de jaarlijkse
zelfevaluatie van de bij de gedragscode aangesloten aanbieders blijkt onder meer dat
het aandeel transacties waarbij incassokosten in rekening zijn gebracht is gedaald
van 4,0% naar 2,59% en dat het aandeel transacties dat is doorgezet naar een incassobureau
is afgenomen van 0,84% naar 0,75%. Daarnaast is het aantal afgewezen transacties van
consumenten die eerder een ingebrekestelling hebben ontvangen gestegen van circa 0,9
miljoen naar circa 1,8 miljoen. Dit laatste hangt samen met de in de gedragscode opgenomen
afspraak dat aan deze consumenten geen nieuwe «koop nu, betaal later»-diensten worden
verleend.
Op basis van deze cijfers lijkt de gedragscode bij te dragen aan het terugdringen
van betalingsachterstanden en incassotrajecten. Tegelijkertijd kan niet vastgesteld
worden in welke mate de waargenomen verbeteringen rechtstreeks aan de gedragscode
zijn toe te schrijven omdat geen onafhankelijke evaluatie is uitgevoerd.
De leden van de ChristenUnie-fractie begrijpen dat een overeenkomst die gesloten is
met een minderjarige die niet voldoet aan artikel 7:75, vierde lid, van het BW vernietigbaar
is. Deze leden vragen in hoeverre deze vernietigbaarheid ook geldt voor de andere
wettelijke voorwaarden die aan kredietovereenkomsten worden gesteld, bijvoorbeeld
rond kredietwaardigheidsbeoordelingen?
De verplichtingen in de Wft zijn in beginsel toezichtrechtelijk van aard en zijn via
die weg gesanctioneerd. De rechter moet op grond van rechtspraak van het Hof van Justitie
van de Europese Unie toetsen of bij de totstandkoming van de kredietovereenkomsten
aan bepalingen inzake voorkomen van overkreditering is voldaan. Als blijkt dat sprake
is van schending van informatieplichten of de kredietwaardigheidstoets, dan kan dit
leiden tot vernietiging van de kredietovereenkomsten. In de rechtspraak heeft in individuele
gevallen een ontoereikende kredietwaardigheidsbeoordeling geleid tot vernietiging
van de rechtshandeling.
6. Juridische en overige niet-financiële gevolgen
De leden van de VVD-fractie lezen dat de kredietwaardigheidstoets verder wordt uitgebreid.
Deze leden begrijpen het belang van een zorgvuldige toetsing, maar vragen tegelijkertijd
aandacht voor proportionaliteit en privacy. Kan de regering verduidelijken of bij
iedere kleine transactie inkomens- en uitgavengegevens moeten worden verzameld? Hoe
verhoudt dit zich tot het principe van dataminimalisatie en het beperken van administratieve
lasten voor consumenten en ondernemers? Is de regering bereid om ruimte te bieden
voor een risico-gebaseerde en proportionele benadering bij laag-risico kredieten?
Er wordt niet voorgeschreven om bij iedere kleine transactie inkomens- en uitgavengegevens
te verzamelen. Indien het passend is naar de omstandigheden, hoeven voor een kredietwaardigheidsbeoordeling
geen inkomsten of uitgaveninformatie te worden opgevraagd. Bij hele kleine kredieten
in de vorm van uitgestelde betaling is dat voorstelbaar. Indien informatie over inkomsten
en lasten van de consument wel noodzakelijk is om een passende kredietwaardigheidsbeoordeling
uit te voeren, dient dit wel te worden opgevraagd en geverifieerd. In het implementatiebesluit
is daarnaast opgenomen dat bij kredieten onder de € 100 een kredietwaardigheidsbeoordeling
volstaat waarbij het BKR wordt geraadpleegd en het CCBR.
De ruimte die de richtlijn en de implementatiewet geeft voor het toepassen van proportionaliteit
bij de kredietwaardigheidsbeoordeling, maakt dat aanbieders, samen met de toezichthouder,
kunnen beoordelen welke gegevens van de consument nodig zijn per soort krediet. Daarbij
zal een aanbieder de afweging maken tussen informatie die daadwerkelijk bijdraagt
aan de risicobeoordeling en informatie geeft over de kredietwaardigheid van de consument
versus de administratieve lasten die daarmee gepaard gaan voor zowel de aanbieder
zelf als de consument.
In diverse position papers wordt breed gewaarschuwd dat standaard externe verificatie
van financiële gegevens leidt tot grootschalige verwerking van gevoelige persoonsgegevens,
terwijl het merendeel van deze kredieten probleemloos wordt terugbetaald. Dit raakt
volgens de leden van de VVD-fractie aan het AVG-beginsel van dataminimalisatie. Hoe
verhoudt de verplichte gegevensverzameling en -verificatie zich tot het beginsel van
dataminimalisatie onder de AVG en is overwogen de Autoriteit Persoonsgegevens hierover
expliciet te betrekken?
De AP heeft een wetgevingstoets uitgevoerd op de implementatiewet. De AP heeft in
haar advies op de implementatiewet geschreven dat het beginsel van dataminimalisatie
geldt in het kader van de kredietwaardigheidsbeoordeling. Bij het uitvoeren van de
kredietwaardigheidsbeoordeling zal de aanbieder dan ook dit beginsel moeten wegen,
naast de weging welke informatie daadwerkelijk nodig is om tot een gedegen beoordeling
te komen over de kredietwaardigheid van de consument.
De leden van de VVD-fractie lezen dat het wetsvoorstel toestaat dat bijzondere categorieën
van persoonsgegevens tijdelijk worden verwerkt om deze te «lakken» voordat zij worden
gebruikt voor de kredietwaardigheidsbeoordeling. Dit wordt gerechtvaardigd vanuit
een zwaarwegend algemeen belang. Hoe wordt voorkomen dat deze tijdelijke verwerking
in de praktijk leidt tot ruimere gegevensverzameling dan strikt noodzakelijk en hoe
wordt hier effectief toezicht op gehouden?
De richtlijn verbiedt in artikel 18, derde lid dat de kredietwaardigheidsbeoordeling
wordt uitgevoerd met informatie die bestaat uit bijzondere categorieën van persoonsgegevens
en wordt geïmplementeerd met een voorgesteld nieuw artikel 4:34a Wft. Het artikel
schrijft verder voor dat het lakken van deze gegevens dient te gebeuren door een aparte
afdeling van de aanbieder van krediet of een derde die niet betrokken is bij de totstandkoming
van de kredietwaardigheidsbeoordeling. Voor de partij of afdeling die de informatie
opvraagt geldt, ook in het kader van de kredietwaardigheidsbeoordeling, het beginsel
van dataminimalisatie. De hierboven genoemde verwerking mag alleen plaatsvinden onder
strikte voorwaarden. De verwerking mag er alleen toe dienen om de van de consument
voor de kredietwaardigheidsbeoordeling verkregen informatie te controleren op de aanwezigheid
van bijzondere categorieën van persoonsgegevens en deze, waar aanwezig, te verwijderen.
Deze verwerking moet bovendien als doel hebben dat de geschoonde informatie uiteindelijk
wordt gebruikt voor de kredietwaardigheidsbeoordeling (de informatie mag dus niet
ergens anders voor worden gebruikt). De AFM houdt toezicht op de norm voor verantwoorde
kredietverstrekking in de Wft en de AP is de bevoegde toezichthouder wat betreft de
verwerking van persoonsgegevens conform de AVG.
De leden van de JA21-fractie vragen hoe de voorgestelde gegevensverzameling zich verhoudt
tot het beginsel van gegevensminimalisatie onder de AVG. Kan de regering toelichten
welke gegevens minimaal noodzakelijk zijn voor de kredietwaardigheidsbeoordeling en
welke gegevens aanbieders juist niet zouden moeten opvragen? Hoe wordt voorkomen dat
aanbieders uit toezichtsvrees meer persoonsgegevens verzamelen dan noodzakelijk?
De AP heeft in haar advies op de implementatiewet geschreven dat het beginsel van
dataminimalisatie geldt in het kader van de kredietwaardigheidsbeoordeling. Bij het
uitvoeren van de kredietwaardigheidsbeoordeling zal de aanbieder dan ook dit beginsel
moeten wegen, naast de weging welke informatie daadwerkelijk nodig is om tot een gedegen
beoordeling te komen over de kredietwaardigheid van de consument. De bepaling in zowel
de richtlijn als implementatiewet ten aanzien van de kredietwaardigheidsbeoordeling
betreft een open norm. Uit deze norm volgt enkel dat de kredietwaardigheidsbeoordeling
wordt uitgevoerd op basis van relevante en nauwkeurige informatie inzake het inkomen
en de uitgaven van de consument en andere financiële en economische omstandigheden,
die noodzakelijk is en evenredig met de aard, duur, waarde en risico's van het krediet
voor de consument. Welke gegevens minimaal noodzakelijk zijn is aan de aanbieder van
krediet om te bepalen, eventueel samen met de toezichthouder. In dat kader worden
op dit moment door de VFN nieuwe leennormen ontwikkeld, in overleg met de AFM en het
Ministerie van Financiën. De leennormen worden in beginsel sectorbreed gedragen, maar
het staat aanbieders die niet zijn aangesloten bij de VFN om een eigen beleid over
leennormen te voeren. Er dient een balans te worden gevonden tussen enerzijds het
beginsel van dataminimalisatie en anderzijds een zinvolle kredietwaardigheidsbeoordeling.
Die balans kan worden gevonden in de open norm van een proportionele kredietwaardigheidsbeoordeling.
Zowel de AFM als de AP zijn bevoegd als toezichthouder om toe te zien op het naleven
van deze normen. Dit verkleint het risico dat de balans naar één kant doorslaat. Tot
slot hebben aanbieders ook een commercieel belang om niet meer informatie bij de consument
op te vragen dan noodzakelijk. Bijvoorbeeld omdat consumenten kiezen om niet over
te gaan tot het sluiten van het krediet wanneer te veel informatie versterkt moet
worden of het verstrekken van het krediet door de hoeveelheid informatie niet snel
genoeg kan worden gedaan.
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering of er informatie bekend is
over het aantal transacties en de omvang daarvan van de 10 aanbieders van krediet
in de subcategorie «koop nu, betaal later»-diensten? Voorts vragen deze leden of het
doel van deze implementatiewet is om de omvang hiervan terug te dringen?
In de memorie van toelichting wordt gesproken van tien aanbieders die actief zijn
in Nederland, waarvan drie platforms. Deze aantallen zijn aan verandering onderhevig
gezien de concurrentie op de markt. Er is informatie bekend over het aantal transacties
en de omvang daarvan van vier aanbieders van krediet in de categorie «koop nu, betaal
later»-diensten. Deze informatie komt uit de Buy Now Pay Later Marktupdate 2025 van
de AFM. Deze marktupdate is gebaseerd op vier aanbieders die zich hebben gecommitteerd
aan de Gedragscode BNPL, te weten Billink, in3, Klarna en Riverty. Bekend is dat er
in 2024 zo'n 53 miljoen «koop nu, betaal later»-transacties plaatsvonden met een gemiddelde
waarde van € 96,60. Deze vier kredietaanbieders hadden zo'n 5,5 miljoen gebruikers
in 2024. In dezelfde marktupdate is ook aandacht besteed aan drie grote e-commerce
platforms die achteraf betalen aanbieden: Amazon, Bol en Zalando. De drie e-commerceplatforms
hadden in 2024 zo'n 4,4 miljoen (niet unieke) gebruikers, waardoor de AFM concludeerde
dat in termen van gebruikersaantallen de drie e-commerceplatforms op het gebied van
achteraf betalen bijna even groot zijn als de «koop nu, betaal later»-sector. Het
doel van de implementatiewet is niet om de omvang van het aantal partijen, aantal
transacties of omvang van transacties terug te dringen. Het doel van de implementatiewet
is het waarborgen van een hoog niveau van consumentenbescherming en het bevorderen
van de interne markt.
De leden van de ChristenUnie-fractie zien dat aanbieders die bekend staan om hun «koop
nu, betaal later»-diensten andere wegen zoeken om hun producten aan de man te brengen,
waaronder kaarten met uitgestelde debitering (ofwel creditcards). Deze leden vragen
de regering uiteen te zetten in hoeverre de kosten en de wettelijke vereisten overeenkomen
dan wel verschillen voor het te laat betalen van het tegoed op de creditcard ten opzichte
van de kosten voor het te laat betalen van de «koop nu, betaal later»-vordering?
Met het implementatiebesluit wordt het Besluit kredietvergoeding gewijzigd zodat aanbieders
die krediet aanbieden zonder rentevaste kredietkosten mogen rekenen, inclusief vaste
kosten voor niet-nakoming. Voor aanbieders die krediet aanbieden en daarbij rente
rekenen blijven de bestaande regels van de maximale kredietvergoeding uitgedrukt in
een rentepercentage van toepassing. Aanbieders kunnen afhankelijk van de kredietvorm
(mét of zonder rente) kiezen voor één van deze twee regimes.
Met deze wijziging is beoogd het voor aanbieders van kaarten met uitgestelde debitering
mogelijk te maken zowel de gebruikelijke kaartkosten, als de transactiegerelateerde
kosten (gedefinieerd als de overboekings- of opnamevergoeding) te blijven rekenen.
Wel worden de kaartkosten gemaximeerd op een totaal van € 60 per jaar, en de overboekings-
of opnamevergoeding op 3% per overboeking of opname. Deze regels gaan ook gelden voor
«koop nu, betaal later»-krediet, waardoor aanbieders hiervan deze kosten ook in rekening
mogen brengen.
Voor uitstel van betaling (dus zowel kaarten met uitgestelde debitering als «koop
nu, betaal later»-diensten), waarbij geen rente in rekening wordt gebracht, is in
het Besluit Kredietvergoeding een maximumvertragingsvergoeding in de vorm van (i)
een maximumbedrag van € 20 per keer dat een kredietnemer niet nakomt en in gebreke
is gesteld en (ii) een maximumbedrag van € 60 dat een kredietgever in totaal per jaar
per kredietnemer in rekening mag brengen opgenomen. Een vertragingsvergoeding mag
bovendien pas in rekening worden gebracht als de betalingstermijn is verstreken en
de kredietnemer schriftelijk is aangemaand tot betaling binnen een termijn van veertien
dagen na aanmaning. Het implementatiebesluit is recentelijk aangeboden aan beide Kamers
der Staten-Generaal in het kader van een voorhangprocedure.
De leden van de ChristenUnie-fractie zien dat consumenten gebruik maken van het leasen
van witgoed. Deze leden achten dat onverstandig en onwenselijk. Hoe beschouwt de regering
dit? Wat is de verwachting van de regering over het gebruik van deze huur- en leasingsovereenkomsten
nu zij onder toepassingsgebied van de richtlijn worden gebracht?
Private lease voor witgoed betreft veelal operational lease, oftewel, een soort huurovereenkomst waarbij het goed niet in eigendom komt van de
consument na afloop van de overeenkomst. Operational lease of financial lease zijn geen termen in de wet. Het verschil zit erin dat bij financial lease de eigendomsoverdracht
aan het einde van de overeenkomst plaatsvindt en bij operational lease in beginsel
niet. Operational lease zonder optie tot koop is en blijft uitgezonderd van de Wft
op grond van de richtlijn. In de richtlijn is het toepassingsgebied wel uitgebreid
in die zin dat operational lease met optie tot koop daaronder is gebracht. Naar verwachting
zal het gebruik van de huur- en leasingovereenkomsten met betrekking tot witgoed niet
sterk beïnvloed worden door de implementatie van de richtlijn, omdat die dus veelal
operational lease zonder optie tot koop behelst en dus uitgezonderd blijft van het
toepassingsbereik van de wet.
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen of het klopt dat huur- of leasingsovereenkomsten
zonder optie tot koop al onder toepassingsbereik van de richtlijn waren gebracht?
Deze leden vragen aanvullend wat de redenering is achter het onderscheid tussen een
optie met of zonder koop?
Alleen financial lease (leasingovereenkomst met verplichting tot koop) viel al onder
het toepassingsbereik van de vorige richtlijn en valt onder de huidige kredietregels.
Operational lease werd in zijn geheel niet gereguleerd door de richtlijn. Met de nieuwe
richtlijn is het toepassingsbereik uitbreid naar operational lease indien sprake is
van een optie tot koop. Als ook geen sprake is van optie tot koop, is er sprake van
een huurovereenkomst. Huurovereenkomsten kwalificeren niet als krediet in de zin van
de richtlijn en de Wft.
Wat zijn de huidige wettelijke vereisten aan aanbieders van autolease en op welke
belangrijke punten gaat de wetgeving voor hen veranderen?
Voor autolease waarbij sprake is van financial lease (dus eigendomsoverdracht) geldt
reeds op grond van de oude richtlijn dat de dienst kwalificeert als krediet en de
Wft van toepassing is op aanbieders van deze leasevorm. Als gevolg van de implementatiewet
is de Wft straks ook van toepassing op operational autoleaseovereenkomsten met intentie
of optie tot koop. Dit betekent onder meer dat aanbieders van dit type overeenkomsten
een vergunning moeten aanvragen bij de AFM en onder toezicht komen te staan. Verder
zijn onder andere diverse informatieverplichtingen en reclameregels van toepassing,
is een BKR-check verplicht en een kredietwaardigheidsbeoordeling. Waar geen optie
tot koop wordt geboden en geen sprake is van een intentie van de aanbieder dat de
consument op enig moment het object in eigendom verkrijgt, valt de overeenkomst buiten
het toepassingsbereik van de kredietregels en zijn deze dus niet van toepassing. Overigens
geldt momenteel wel voor 98% van de Nederlandse autoleasemaatschappijen dat zij zijn
aangesloten bij het Keurmerk private lease (zelfregulering). Dit keurmerk mag alleen
door deze maatschappijen worden gedragen als zij enkele consumentenbeschermende maatregelen
nemen, zoals het aanbieden van uniforme, redelijke algemene voorwaarden en het opnemen
van een bedenktijd van veertien dagen.
Nieuwe en bestaande aanbieders van krediet worden met de implementatiewet verplicht
een mate van respijt aan te houden alvorens een tenuitvoerleggingsprocedure te beginnen.
De leden van de ChristenUnie-fractie zijn benieuwd wat de huidige wettelijke bepalingen
hieromtrent zijn? Zijn bestaande aanbieders nu in het geheel niet wettelijk verplicht
een mate van respijt aan te houden? Welke eisen worden gesteld aan deze «mate van
respijt»?
De verplichting om waar passend respijtmaatregelen aan te bieden volgt uit de Richtlijn
(EU) 2021/2167 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2021 betreffende
kredietservicers en kredietkopers en tot wijziging van Richtlijn 2008/48/EG (richtlijn
kredietservicers en kredietkopers). Deze zijn reeds geïmplementeerd in artikel 4:35a,
Wft en artikel 7:70a BW. De richtlijn bevat enkel een aantal beperkte wijzigingen
ten opzichte van het artikel uit de richtlijn kredietservicers en kredietkopers. Ten
aanzien van consumentenkrediet golden voor de inwerkingtreding van de richtlijn kredietservicers
en kredietkopers geen specifieke verplichtingen tot respijtmaatregelen. Wel gold de
algemene zorgplicht voor financiële dienstverleners uit de Wft op grond van artikel
4:24a Wft en een algemene, contractuele zorgplicht op grond van artikel 7:401 BW.
Uit de Wft-zorgplicht volgt de verplichting om de consument op een eerlijke, billijke
en professionele wijze te behandelen en het belang van de consument of de begunstigde
bij die dienst centraal te stellen. Het bieden van respijtmaatregelen bij betalingsproblemen
kan volgen uit deze zorgplicht. De mate van respijt die wordt geboden aan de consument
hangt af van de individuele omstandigheden van de consument, zoals de belangen en
rechten van de consument, zijn of haar vermogen om het krediet af te lossen en redelijke
kosten van levensonderhoud van de consument. De aanbieder van krediet moet de kosten
voor consumenten bij niet-nakoming beperken. De respijtmaatregelen die geboden kunnen
worden zijn bijvoorbeeld: een totale of gedeeltelijke herfinanciering van een kredietovereenkomst,
of een wijziging van de bestaande voorwaarden van een kredietovereenkomst, die bijvoorbeeld
betrekking hebben op verlenging van de duur van de kredietovereenkomst, wijziging
van het soort kredietovereenkomst, uitstel van betaling voor de volledige of een deel
van de aflossing van krediettermijnen gedurende een bepaalde periode, verlaging van
de debetrentevoet, het aanbieden van een betalingsvrije periode, gedeeltelijke aflossingen,
valutaomrekeningen, gedeeltelijke kwijtschelding en schuldconsolidatie.
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen of aanbieders voor elke transactie die
via «koop nu, betaal later»-diensten worden gedaan een toets moet doen bij BKR en
het krediet moet registreren bij BKR?
Bij elk aangaan van een kredietovereenkomst, waaronder een «koop nu, betaal later»-krediet
dient een BKR-toets plaats te vinden. Indien de kredietaanbieders van «koop nu, betaal
later»-krediet een doorlopend krediet aanbieden waarbij sprake is van een kredietlimiet,
dan is alleen bij het aangaan of een verhoging van het kredietbedrag raadpleging van
het BKR verplicht omdat dan een nieuwe kredietovereenkomst tot stand komt. Registratie
van een krediet vindt pas plaats bij kredieten met een looptijd langer dan een maand
en met een som van meer dan € 250. De registratie van krediet volgt echter niet uit
de richtlijn, maar is al de huidige praktijk en wordt onderdeel van het wetsvoorstel
stelstel kredietregistratie.
Deze leden missen in de memorie van toelichting een nadere beschouwing op de rol van
BKR in het licht van dit wetsvoorstel. Ze verzoeken de regering de rol van het BKR
nader toe te lichten. Wat is de totale verwachte toename van het gebruik van BKR?
In hoeverre is BKR hierop voorbereid en in staat om aan de verwachte vraagtoename
te kunnen voldoen?
Het wetsvoorstel stelsel kredietregistratie geeft wettelijke waarborgen voor de huidige
praktijk van kredietregistratie door van het beheer van het stelsel van kredietregistratie
een wettelijke taak te maken. Dit wetsvoorstel beoogt de wettelijke taak van het beheer
van het stelsel van kredietregistratie te beleggen bij het BKR, zodat het BKR de kredietregistratie
blijft uitvoeren. De kaders waarbinnen BKR deze werkzaamheden kan uitvoeren en de
voorwaarden waaronder een krediet geregistreerd moet worden, komen in dit wetsvoorstel
aan de orde.
De implementatiewet leidt mogelijk tot een toename van de raadpleging van het register
door aanbieders van krediet. Het is op dit moment niet mogelijk om een meer kwantitatieve
duiding te geven voor een toename van het gebruik van het BKR. Dat hangt samen met
verschillende factoren, zoals het feit dat de Nederlandse implementatiewet inclusief
de lagere regelgeving nog niet definitief is vastgesteld. De precieze Nederlandse
invulling bepaalt uiteindelijk in belangrijke mate welke producten, aanbieders en
raadpleegmomenten daadwerkelijk onder de verplichtingen gaan vallen en of daarbij
sprake zal zijn van een transitieperiode voor aanbieders van kaarten met uitgestelde
debitering. Daarnaast streven sommige aanbieders van uitgesteld betalen mogelijk naar
impactminimalisatie door in de dienstverlening een doorlopend krediet aan te bieden
met een bestedingslimiet en andere niet. Het BKR houdt daarom mede rekening met een
initiële piek in het aantal raadplegingen op het kredietregister ten behoeve van de
acceptatiebeoordelingen.
Op basis van dit samenstel van factoren en ontwikkelingen werkt het BKR vooralsnog
met scenario’s en bandbreedtes in plaats van met één vastomlijnd eindbeeld. Tot op
heden heeft het BKR nog geen formele verzoeken ontvangen van nieuwe partijen om zich
aan te sluiten bij het kredietregister. Het BKR geeft aan voorbereid te zijn en blijft
zich tijdens de verdere implementatieperiode adequaat voorbereiden op een toename
van het gebruik van het kredietregister.
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering of het klopt dat onder de
huidige Wft conform artikel 4:32, eerste lid, en artikel 11, vierde lid, van de BGfo
kredietaanbieders enkel verplicht zijn deel te nemen aan een stelsel van kredietregistratie?
Klopt het dat de wet Stichting BKR niet bij naam aanwijst, noch een wettelijke taak
toekent? Deze leden vragen de regering om een nadere beschouwing van de taak en rol
van Stichting BKR in het licht van voorliggend wetsvoorstel. Klopt het tevens dat
de Hoge Raad in 2021 expliciet heeft geoordeeld dat registratie door BKR berust op
zelfregulering door de financiële sector en niet op een wettelijke plicht?
Onder de huidige Wft zijn kredietaanbieders van consumptief krediet verplicht deel
te nemen aan een stelsel van kredietregistratie. In de praktijk is er één stelsel
van kredietregistratie in Nederland, namelijk het BKR. In de Wft en het BGfo wordt
het BKR niet bij naam aangewezen. Het BKR is in 1965 opgericht door de banken en financiële
dienstverleners in Nederland. De Hoge Raad heeft in het arrest van 3 december 2021
inderdaad geoordeeld dat het Centraal Krediet Informatie Systeem van het BKR, waarin
de betalingsachterstanden bij kredietovereenkomsten worden vermeld, berust op zelfregulering
door de financiële sector en niet op een wettelijke plicht.14 In het wetsvoorstel stelsel kredietregistratie wordt van het beheer van een stelsel
van kredietregistratie een wettelijke taak gemaakt. Het legt de voorwaarden voor een
bestendig, hoogwaardig en objectief stelsel van kredietregistratie vast. De wettelijke
taak zal met een aanwijzingsbesluit worden toegewezen aan het BKR.
7. Bedrijfseffecten en financiële gevolgen
De leden van de VVD-fractie lezen dat voor mkb-ondernemingen verschillende uitzonderingen
en lichtere regimes worden gehanteerd, met name bij bemiddeling in krediet als nevenactiviteit.
Tegelijkertijd worden grote online aanbieders strenger gereguleerd. Hoe wordt voorkomen
dat de grens tussen mkb en grootbedrijf leidt tot strategisch gedrag of ontwijkconstructies?
De richtlijn verwijst naar de definities in de Aanbeveling van 6 mei 2003 van de Commissie
betreffende de definitie van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen. De grens
om tot mkb in de zin van de richtlijn te behoren is duidelijk. Het gaat om ondernemingen
met maximaal 250 medewerkers en een balanstotaal van maximaal EUR 43 mln. of EUR 50 mln.
omzet. Pas boven die grenzen kwalificeert een onderneming tot het grootbedrijf. Er
zullen dus veel ondernemingen onder lichte regimes vallen. Waar het gaat om aanbieders
is de grootte relevant in het kader van de uitzondering van artikel 1:20, eerste lid,
onderdeel e, van de Wft. Waar het gaat om mkb-bemiddelaars zijn zij uitgezonderd van
een vergunningplicht en waar zij kwalificeren als grootbedrijf, dienen zij geregistreerd
te zijn als bemiddelaar. De aanbieder is verantwoordelijk voor de registratie van
deze bemiddelaar. Het is niet mogelijk om in het kader van de registratieplicht of
vrijstelling van bemiddelaars van deze definities van mkb-ondernemingen af te wijken.
Deze leden lezen voorts dat de AFM met het voorliggende wetsvoorstel een nieuwe productinterventiebevoegdheid
krijgt om kredietproducten of marktpraktijken te verbieden of te beperken. De regering
benadrukt dat deze bevoegdheid terughoudend zal worden ingezet. Welke concrete waarborgen
bestaan er om te voorkomen dat deze bevoegdheid leidt tot rechtsonzekerheid of een
rem op innovatie?
De concrete waarborgen zijn de voorwaarden die staan opgesomd in het wetsartikel voor
uitoefening van de productinterventiebevoegdheid. Deze bevoegdheid mag uitsluitend
worden uitgeoefend indien aan die voorwaarden is voldaan. Dit betekent dat ingrijpen
slechts mogelijk is indien, naar het redelijke oordeel van de AFM, de bestaande handhavingsmogelijkheden
niet toereikend zijn en het krediet of de marktpraktijk een significante reden vormt
tot bezorgdheid over de consumentenbescherming.
De AFM heeft aangegeven dat de verwachte toezichtpopulatie aanzienlijk groter is dan
waarmee in het kostenkader rekening is gehouden, zo constateren de leden van de VVD-fractie.
Dit kan gevolgen hebben voor de uitvoerbaarheid van het toezicht. Hoe borgt de regering
dat de AFM over voldoende capaciteit beschikt zonder dat dit leidt tot onevenredige
kostenstijgingen voor marktpartijen?
De kosten voor doorlopend toezicht zullen worden gedekt door de marktpartijen waarop
toezicht wordt ingesteld. Indien meer capaciteit nodig is om toezichttaken uit te
voeren dan is toegewezen, zal de AFM eerst nagaan of de benodigde capaciteit kan worden
opgevangen binnen haar begroting en bijbehorend kostenkader. Als dit niet mogelijk
is, zal de regering in gesprek gaan met de AFM om een passende oplossing te vinden.
De leden van de VVD-fractie lezen dat kredietgevers consumenten met financiële moeilijkheden
vroegtijdig moeten opsporen en ondersteunen, maar dat hiervoor geen aanvullende wettelijke
grondslag voor verwerking van persoonsgegevens noodzakelijk wordt geacht. Kan de regering
nader toelichten op welke bestaande wettelijke grondslag kredietgevers deze persoonsgegevens
verwerken?
De verplichting voor aanbieders van krediet om financiële moeilijkheden vroegtijdig
op te sporen volgt uit artikel 36 van de richtlijn en wordt geïmplementeerd in het
voorgestelde artikel 4:35b Wft. Mogelijk geeft deze richtlijnbepaling onvoldoende
grondslag om persoonsgegevens te verwerken. De regering onderzoekt momenteel of het
nodig is om een grondslag alsnog toe te voegen.
De leden van de PVV-fractie wijzen op de nalevingskosten voor nieuwe aanbieders, die
volgens de regering kunnen oplopen tot 368.986 euro per aanbieder. Is de regering
niet bang dat door deze enorme kostenstijging het aanbod van kleine, kortlopende kredieten
zal verschralen of onbetaalbaar wordt voor de gewone burger?
Kleine kortlopende kredieten zoals «koop nu, betaal later»-diensten komen voor het
eerst onder het toepassingsbereik te vallen. Het klopt dat daarmee lasten gepaard
gaan voor aanbieders. Deze kosten worden gemaakt om de consumenten te beschermen die
nu het risico lopen bij deze diensten schulden op te bouwen. Het is de verwachting
dat de kosten in ieder geval deels zullen worden doorberekend. Tegelijkertijd zijn
de kosten die aan de consument in rekening mogen worden gebracht gemaximeerd. De kostenstijging
zou kunnen leiden tot meer concurrentie en eventueel marktconsolidatie, maar de regering
verwacht niet dat daarmee het aanbod van kleine, kortlopende kredieten zal verdwijnen.
Daarnaast vragen deze leden in hoeverre de nieuwe processen voor kredietwaardigheidsbeoordeling
– inclusief de complexe regels rondom het lakken van persoonsgegevens – leiden tot
extra kosten die uiteindelijk door de consument betaald moeten worden.
In de memorie van toelichting is in de paragraaf over de financiële gevolgen van de
implementatiewet ingegaan op de nalevingskosten die zullen ontstaan door naleving
van de verplichtingen die volgen uit de implementatiewet. De kredietwaardigheidsbeoordeling
zal voor nieuwe aanbieders eenmalige en structurele nalevingskosten opleveren. Per
aanbieder worden de eenmalige nalevingskosten voor het inrichten van processen en
het opstellen van beleid geschat op € 25.000 tot € 250.000. De structurele nalevingskosten
per aanbieder, bestaande uit het onderhoud van de relevante ICT-systemen en het in
stand houden van het beleid en de processen ten aanzien van de kredietwaardigheidsbeoordeling,
bedragen naar schatting tussen € 15.000 en € 100.000 op jaarbasis. Indien een kredietwaardigheidsbeoordeling
niet geautomatiseerd kan worden uitgevoerd, zal dit handmatig moeten gebeuren. Voor
welk percentage van de beoordelingen dit geldt, hangt voornamelijk af van de kredietsoort
die de aanbieder doorgaans verstrekt en het bedrijfsmodel van de aanbieder. Alles
afwegende gaat de implementatiewet uit van 2.500 tot 15.000 handmatige beoordelingen
per aanbieder. Verwacht wordt dat een administratief medewerker (uurloon € 39) per
beoordeling gemiddeld een halfuur bezig is, waardoor de additionele, geschatte, structurele
nalevingskosten voor nieuwe aanbieders op dit punt uitkomen op jaarlijks € 292.500.
De kosten voor raadpleging van het BKR, een verplichting die volgt het implementatiebesluit,
worden nader gespecificeerd in het wetsvoorstel stelsel kredietregistratie. De regels
rondom het lakken leiden ook tot kosten en zijn tegelijkertijd niet te voorkomen omdat
de richtlijn verbiedt dat bijzondere persoonsgegevens worden gebruikt in de kredietwaardigheidsbeoordeling
en tegelijkertijd deze gegevens mogelijk staan op informatie die wordt opgevraagd
in het kader van de kredietwaardigheidsbeoordeling. Mogelijk zal het afschermen (het
lakken) deels geautomatiseerd kunnen worden uitgevoerd. De structurele kosten voor
het onderhouden van een dergelijk systeem of het uitbesteden van de gegevensverwerking
worden geschat op € 10.000 tot € 50.000 per aanbieder per jaar. Daarnaast wordt geschat
dat een aanbieder gemiddeld 1,5 fte administratief medewerkers voor één jaar nodig
heeft ter controle en aanvulling van de geautomatiseerde gegevensverwerking, waarvan
de kosten uitkomen op (1,5*1.840 uur*39=) € 107.640. De extra kosten zullen door de
kredietaanbieder worden gedragen en mogelijk ook door consumenten en de winkeliers
die deze diensten willen aanbieden als betaaloptie.
8. Uitvoering
De leden van de VVD-fractie begrijpen het belang van kredietregistratie ter voorkoming
van overkreditering. Tegelijkertijd constateren deze leden dat de uitbreiding van
verplichte BKR-raadplegingen naar grote aantallen kleine transacties aanzienlijke
gevolgen kan hebben voor betaalprocessen en systemen. Kan de regering aangeven of
het BKR technisch en operationeel volledig gereed is voor real-time raadplegingen
op grote schaal? Welke risico’s ziet de regering voor vertragingen of verstoringen
in betaalprocessen? Acht de regering een gefaseerde invoering of overgangsperiode
wenselijk om uitvoeringsproblemen te voorkomen?
Het BKR heeft aangegeven dat zij technisch en operationeel gereed is voor real-time raadplegingen op grote schaal. Tegelijkertijd zullen onder de regelgeving nieuwe
aanbieders van krediet voor het eerst gebruikmaken van de systemen. Het is niet ondenkbaar
dat de eerste periode nog enkele opstartproblemen naar voren komen. Een gefaseerde
invoering of overgangsperiode wordt echter niet mogelijk geacht. De richtlijnbepalingen
dienen op 26 november 2026 in werking te treden. Onderdeel daarvan is de raadpleging
bij het BKR. Een gefaseerde invoering of overgangsperiode staat ook haaks op de breed
gedeelde wens om overkreditering te voorkomen bij kortlopende kredieten die voor het
eerst onder de kredietregels gaan vallen.
De leden van de PVV-fractie benadrukken dat iedere burger die handelingsbekwaam is
(18 jaar en ouder) zelfstandig over zijn financiën moet kunnen beschikken. Kan de
regering garanderen dat de voorgestelde verplichtingen voor leeftijdsverificatie de
toegang tot kredietmogelijkheden, zoals «koop nu, betaal later» oftwel BNPL, voor
volwassen burgers op geen enkele wijze zal belemmeren of vertragen?
Een betrouwbare leeftijdsverificatie is van groot belang voor de bescherming van minderjarigen.
Het is de verantwoordelijkheid van de aanbieder om de wettelijke verplichtingen daaromtrent
na te leven. Daarin zijn wel keuzes te maken over de verificatiemethode die wordt
gebruikt en het moment waarop de verificatie wordt uitgevoerd, waardoor de aanbieder
vertraging of belemmering voor volwassenen mogelijk kan beperken of voorkomen.
Met betrekking tot de rol van retailers (niet-MKB) die bemiddelen in BNPL-diensten,
heeft de AFM aangegeven dat de verantwoordelijkheid voor het toezicht in eerste instantie
bij de BNPL-aanbieders moet komen te liggen. De leden van de PVV-fractie vragen hoe
de regering in de lagere regelgeving gaat waarborgen dat retailers niet worden opgezadeld
met disproportionele administratieve lasten of directe toezichtverplichtingen van
de AFM?
De voorstellen die de regering doet om winkeliers die niet zelf krediet aanbieden,
waar mogelijk op grond van de richtlijn, zo veel mogelijk te ontzien, zijn reeds onderdeel
van de implementatiewet en het implementatiebesluit dat recentelijk aan uw Kamer is
aangeboden in het kader van een voorhangprocedure. Verder zal de uitzondering voor
registratie bij de AFM voor mkb-bemiddelaars in krediet worden opgenomen in de Vrijstellingsregeling
Wft, die bij ministeriële regeling wordt gewijzigd.
De leden van de JA21-fractie vragen of de AFM in staat is om binnen dit korte tijdsbestek
alle noodzakelijke vergunningsaanvragen zorgvuldig te behandelen. Hoeveel nieuwe of
gewijzigde vergunningsaanvragen verwacht de regering als gevolg van dit wetsvoorstel,
hoeveel capaciteit is daarvoor beschikbaar bij de AFM en wat gebeurt er met aanbieders
die tijdig een aanvraag indienen maar op de invoeringsdatum nog geen besluit hebben
ontvangen?
De AFM heeft eerder dit jaar besloten om, vooruitlopend op de vaststelling en publicatie
van de implementatiewet, open te staan voor de ontvangst van vergunningaanvragen van
aanbieders van krediet onder de nieuwe regelgeving. Op deze manier wil de AFM zoveel
als mogelijk in samenwerking met marktpartijen bijdragen aan een tijdige beoordeling
van de aanvraag vóór de inwerkingtreding van de richtlijn op 20 november 2026. Daarbij
is de AFM echter sterk afhankelijk van tijdige vergunningaanvragen. De AFM heeft hiervoor
capaciteit vrijgemaakt, maar door de beperkte tijd tussen implementatie en inwerkingtreding
kan hier wel een knelpunt ontstaan. Partijen die bij inwerkingtreding niet over de
juiste vergunning beschikken is het niet toegestaan krediet aan te bieden. De AFM
heeft verschillende aanvragen in behandeling van partijen, maar kan nog geen concrete
inschatting maken. In de memorie van toelichting wordt uitgegaan van 64 nieuwe aanbieders.
Deze leden vragen voorts of de systemen voor kredietregistratie tijdig gereed zijn
voor de verwachte toename van realtime raadplegingen. Is onderzocht of de systemen
van BKR de extra belasting vanaf 20 november 2026 aankan? Is hiervoor een stresstest
uitgevoerd, en zo ja, wat waren daarvan de uitkomsten? Zo nee, waarom niet?
Het BKR is voorbereid en blijft zich tijdens de verdere implementatieperiode adequaat
voorbereiden op de verwachte uitbreiding van het gebruik van het kredietregister.
Dit geldt niet alleen voor de toename van het aantal raadplegingen van het kredietregister,
maar ook voor de verwerking van nieuwe registraties van nieuwe aanbieders die onder
de wetgeving komen te vallen. Die voorbereiding richt zich zowel op technische capaciteit
als op operationele, juridische en ketenmatige gereedheid. Daarbij hoort onder meer
het analyseren van verschillende groeiscenario’s, het aanpassen van processen waar
nodig, en het in gesprek blijven met overheid, toezichthouders en marktpartijen over
de praktische gevolgen van de nieuwe regels.
Het uitgangspunt is volgens het BKR dat de systemen tijdig gereed moeten zijn om de
verwachte toename van raadplegingen te kunnen ondersteunen op de wijze die men van
het BKR mag verwachten. Het BKR onderzoekt in het kader van de voorbereiding op de
richtlijnimplementatie doorlopend de gevolgen van verschillende gebruiksscenario’s
voor capaciteit, prestaties en operationele continuïteit. Daaronder vallen ook analyses
van verwachte piekbelasting en de technische inpasbaarheid van een stijgend aantal
raadplegingen. Het BKR verwerkt nu zo'n 16 miljoen raadplegingen op het kredietregister
per jaar en op de drukste dag waren dat er wel 5 per seconde. Recente testen wijzen
uit dat het BKR in het nieuwe systeem tot 100 raadplegingen per seconde kan verwerken
en zo’n 3 miljard raadplegingen op jaarbasis.
9. Toezicht, handhaving en rechtsbescherming
De leden van de VVD-fractie lezen dat de richtlijn sancties niet harmoniseert, maar
wel voorschrijft dat sancties doeltreffend, evenredig en afschrikkend moeten zijn.
De richtlijn geeft aan dat geldboetes verplicht worden ingevoerd. Hoe wordt gewaarborgd
dat sancties proportioneel blijven, met name voor kleinere aanbieders en bemiddelaars?
Er zijn voor bemiddelaars slechts enkele verplichtingen opgenomen de implementatiewet.
Het merendeel van de verplichtingen berust bij de aanbieders van krediet.
De boetecategorieën die zijn opgenomen in het implementatiebesluit zijn hoog, om hier
een afschrikkende werking vanuit te laten gaan, zoals ook vereist op grond van de
richtlijn. De boetecategorieën betreffen maximumboetes. De AFM dient op grond van
de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 1b, eerste lid Bbbfs onder andere rekening
te houden met de omstandigheden van het geval. De lijst genoemd in artikel 1b is niet
limitatief.
Deze leden lezen dat de regering kiest voor een combinatie van civielrechtelijke en
bestuursrechtelijke handhaving, waarbij de AFM ook via de Wet handhaving consumentenbescherming
kan optreden. Leidt deze dubbele handhavingsstructuur niet tot overlap of onduidelijkheid
voor marktpartijen en hoe wordt dit in de praktijk voorkomen?
Er is gekozen voor uitbreiding van handhavingsmogelijkheden via de systematiek van
de Wet handhaving consumentenbescherming (Whc), omdat de richtlijn, net als zijn voorganger,
wordt geïmplementeerd in zowel de Wft als het BW. Dit is niet anders dan voorheen,
zij het dat het aantal bepalingen waarop kan worden gehandhaafd is uitgebreid.
De leden van de PVV-fractie hebben vragen over de proportionaliteit bij het verifiëren
van informatie. De AFM geeft aan dat de richtlijn bepaalt dat ingewonnen informatie
ook gecheckt moet worden, wat spanning oplevert met dataminimalisatie. Kan de regering
bevestigen dat in de lagere regelgeving wordt vastgelegd dat de proportionaliteitstoets
alleen geldt voor het inwinnen van informatie en niet voor het verplicht verifiëren
van álle opgevraagde informatie, om zo onnodige bureaucreatie en privacyinbreuken
te voorkomen?
In de nota van toelichting van het implementatiebesluit staat opgenomen dat ingewonnen
informatie ook geverifieerd dient te worden. Een eigen opgave van inkomsten door de
consument volstaat niet in het kader van de kredietwaardigheidsbeoordeling. Dit betekent
tegelijkertijd niet dat in alle gevallen informatie opgevraagd dient te worden. Daarin
kan proportionaliteit worden toegepast.
De leden van de CDA-fractie vragen of het uitgangspunt dat de kredietwaardigheidstoets
proportioneel moet zijn aan aard, duur, omvang en risico van het krediet ook geldt
voor de mate waarin door consumenten opgegeven financiële gegevens moeten worden geverifieerd
met onafhankelijk controleerbare documenten. Deze leden vragen of verificatie van
gegevens meer risicogestuurd kan plaatsvinden, bijvoorbeeld op basis van signalen
van betalingsachterstanden, waarbij een balans wordt gezocht tussen verantwoorde kredietverstrekking,
dataminimalisatie en beperking van administratieve lasten. Deze leden vragen of de
AFM hiermee rekening dient te houden.
Het uitgangspunt van de richtlijn en van de implementatieregelgeving is een open norm
voor de kredietwaardigheidsbeoordeling. In de kredietwaardigheidsbeoordeling moeten
de inkomsten en lasten en andere financiële en economische omstandigheden van de consument
worden getoetst indien dit noodzakelijk en evenredig is met de aard, duur, waarde
en risico's van het krediet voor de consument. In de nota van toelichting van het
implementatiebesluit staat opgenomen dat ingewonnen informatie ook geverifieerd dient
te worden. Die verificatie dient op grond van de richtlijn plaats te vinden, indien
nodig aan de hand van onafhankelijke verifieerbare bronnen. Waar een krediet zwaardere
lasten oplevert voor de consument zal een zwaardere kredietwaardigheidsbeoordeling
noodzakelijk zijn met verificatie van inkomsten en lasten. Het is dan ook niet nodig
om een consument die een krediet aanvraagt van bijvoorbeeld € 200 aan dezelfde kredietwaardigheidsbeoordeling
te onderwerpen als een krediet van € 10.000. De regering biedt daarnaast ook expliciet
de ruimte voor aanbieders om inkomsten en lasten bij zeer kleine kredieten niet op
te vragen. In het kader van proportionaliteit is in het implementatiebesluit daarom
een € 100-grens opgenomen waaronder slechts een beperkte toets hoeft plaats te vinden.
Hoe proportionaliteit daarboven wordt toegepast is aan de aanbieder en wordt tevens
uitgewerkt in de Leennormenmethodiek Consumptief Krediet van de VFN. De AFM dient
de tekst en het doel van regelgeving in aanmerking te nemen en dus ook oog te hebben
voor de balans die moet worden gevonden in de afbakening in de kredietwaardigheidsbeoordeling.
Ook vragen deze leden of de huidige vrijstelling voor bemiddeling in goederenkrediet
als nevenactiviteit gehandhaafd wordt, ook voor ondernemingen die kwalificeren als
grootbedrijf. Zo nee, waarom niet. Deze leden vragen ook of deze ondernemingen dan
ook in aanmerking voor het verlichte registratieregime van artikel 2:81, vierde lid,
van de Wft komen.
De implementatiewet wijzigt de bestaande regels voor goederenkrediet niet. Het registratieregime
voor «koop nu, betaal later»-bemiddelaars die kwalificeren als grootbedrijf zal naast
de bestaande regels over goederenkrediet gelden. Het is aan marktpartijen om te beoordelen
welke eisen van de wet zij moeten naleven.
10. Evaluatie
De leden van de CDA-fractie constateren dat in de evaluatieparagraaf geen expliciete
aandacht wordt besteed aan de effecten van consumentenkrediet, en in het bijzonder
BNPL-diensten, op het ontstaan van problematische schulden bij kwetsbare groepen.
Deze leden vragen of de regering bereid is om deze effecten van consumentenkrediet
en BNPL expliciet en structureel mee te nemen in de monitoring en evaluatie van de
wet. Deze leden vragen of de regering kan toezeggen dat hierbij wordt gewerkt met
concrete en toetsbare indicatoren, zoals het aantal gebruikers met betalingsachterstanden,
het aandeel jongeren en andere kwetsbare groepen met consumentenkrediet en BNPL gerelateerde
schulden, het aantal doorverwijzingen naar schuldhulpverlening en het aandeel incassotrajecten
dat voortvloeit uit consumentenkrediet.
Het kabinet vindt het van belang om de effecten te monitoren van de implementatie
van de richtlijn op consumenten en de markt voor consumentenkrediet, waaronder «koop
nu, betaal later»-diensten. De regering onderschrijft het belang van kwantitatieve
en toetsbare indicatoren bij de monitoring van de effecten van de richtlijn. Bij de
monitoring zal daarom onder meer aandacht worden besteed aan signalen over betalingsachterstanden,
incassotrajecten en de mate waarin de nieuwe regels bijdragen aan een betere consumentenbescherming.
Tegelijkertijd wordt de precieze set indicatoren nog nader uitgewerkt. De regering
wil zich daarbij niet op voorhand vastleggen op een limitatieve lijst, maar streeft
ernaar om in de evaluatie zoveel mogelijk gebruik te maken van beschikbare data om
de effecten op consumenten en de markt inzichtelijk te maken.
De leden van de CDA-fractie vragen daarnaast onder welke omstandigheden de regering
voornemens is gebruik te maken van de delegatiegrondslag in het geval dat blijkt dat
de huidige eisen ten aanzien van leeftijdsverificatie onvoldoende effectief zijn.
Deze leden vragen welke concrete en bindende voorschriften de regering op basis van
deze delegatiegrondslag kan vaststellen. Deze leden vragen of de regering daarbij
kan specificeren aan welk typen maatregelen wordt gedacht, bijvoorbeeld ten aanzien
van verificatiemethoden of technische standaarden.
De voorschriften die de regering op basis van deze delegatiegrondslag kan vaststellen
kunnen betrekking hebben op de wijze van leeftijdsverificatie alsmede de veiligheids-
en betrouwbaarheidsnormen ten aanzien van die verificatie. Op dit moment wordt het
nog niet noodzakelijk geacht om nadere voorschriften te stellen. Het is de verwachting
dat de norm toereikend is. Met het oog op te verwachten ontwikkelingen op Europees
en nationaal niveau op het thema van leeftijdsverificatie is een delegatiegrondslag
opgenomen, om op die ontwikkelingen te kunnen inspelen, indien nodig.
Voorts vragen deze leden waarom er niet voor is gekozen om dergelijke voorschriften
reeds in de wet zelf op te nemen, in plaats van te wachten op mogelijke nadere regelgeving.
Deze leden vragen welke afweging de regering hierbij heeft gemaakt en of de regering
het risico aanvaardbaar acht dat in de tussentijd onvoldoende effectieve leeftijdsverificatie
plaatsvindt.
De wettelijke norm schrijft al voor dat de aanbieder dient te beschikken over adequate
processen om de door de consument opgegeven geboortedatum te verifiëren aan de hand
van een betrouwbare bron. De AFM houdt toezicht op deze norm. Op dit moment wordt
het nog niet noodzakelijk geacht om nadere voorschriften te stellen. Het is de verwachting
dat de norm toereikend is voor effectieve leeftijdsverificatie. Daarnaast zijn marktpartijen
verantwoordelijk voor naleving van de AVG, zoals het beginsel van minimale gegevensverwerking
ingevolge artikel 5, lid 1, onderdeel c, van de AVG.
Uit de Europese en nationale inzet op betrouwbare en privacyvriendelijke leeftijdsverificatie
kunnen nieuwe ontwikkelingen volgen die maken dat specifieke eisen dienen te worden
gesteld, indien nodig.
11. Advies en consultatie
De leden van de PVV-fractie constateren dat de AFM nauw betrokken is bij het opstellen
van de concepten voor de relevante lagere regelgeving. Kan de regering toezeggen dat
de Kamer tijdig wordt geïnformeerd over de voortgang van deze lagere regelgeving,
aangezien de AFM aangeeft dat deze cruciaal is voor de inrichting van het toezicht
en IT-aanpassingen bij aanbieders?
Het implementatiebesluit is recentelijk aangeboden aan beide Kamers der Staten-Generaal
in het kader van een voorhangprocedure. Wanneer uw Kamer instemt met de implementatiewet
kan het besluit worden aangeboden aan de Raad van State voor advies. Op de website
van de Raad van State wordt gepubliceerd wanneer het implementatiebesluit in behandeling
is genomen. Ook wordt daar het advies gepubliceerd. Daarna zal het nader rapport worden
opgemaakt en aangeboden aan de Koning. Na vaststelling kan het besluit worden gepubliceerd.
Verder wordt alleen nog een ministeriële regeling opgesteld. Beoogd is om de implementatiewet,
het implementatiebesluit en de ministeriële regeling op hetzelfde moment in werking
te laten treden.
Er lopen initiatieven voor woningeigenaren die de energieprestatie van hun woning
willen verbeteren. Woningeigenaren met een slecht energielabel kunnen met gebouwgebonden
financiering en ontzorging in de vorm van een gebouwgebonden energieprestatiecontract
hun label verbeteren. Belanghebbenden geven aan dat door deze contractvorm vanwege
de interpretatie van de Wft door de AFM e.e.a. nog niet van de grond komt. De AFM
ziet deze innovatieve contractvormen als een persoonsgebonden krediet binnen de reikwijdte
van de Wft en herkent niet dat dergelijke gebouwgebonden contractvormen andere eigenschappen
en zekerheden hebben. De initiatiefnemers geven aan dat alleen een verduidelijking
van de Wft de huidige belemmeringen kan wegnemen en de zekerheid kan bieden die nodig
is. De leden van de CDA-fractie vragen of de regering deze discussie herkent en hoe
de regering deze weegt in het kader van het doel van het voorliggende wetsvoorstel.
De regering herkent deze discussie, maar volgt de AFM in haar beredenering dat gebouwgebonden
verduurzamingsdiensten en energieprestatiecontracten waarbij energiebesparende maatregelen
worden betaald uit de te verwachte energiebesparing kwalificeren als consumptief krediet,
aangezien sprake is van het verstrekken van een geldsom aan de consument voor het
genot van een roerende zaak (bijvoorbeeld zonnepanelen) tegen een of meer betalingen.
Daarom dient altijd een kredietwaardigheidstoets te worden uitgevoerd. Bij brief van
18 november 2022 heeft de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening toegezegd
om gebouwgebonden financiering mogelijk te maken via een juridische constructie die
gebruikmaakt van een uitzondering beschreven in artikel 1:20, eerste lid, onderdeel
a, Wft. Om van de uitzondering in artikel 1:20, eerste lid, onderdeel a, gebruik te
maken, dient te worden voldaan aan de volgende voorwaarden: (1) het krediet dient
krachtens een wettelijke bepaling te worden aangeboden aan een beperkt publiek, (2)
met een doelstelling van algemeen belang, (3) tegen een lagere rente dan op de markt
gebruikelijk of een rente die niet hoger is dan de marktrente en onder gunstigere
voorwaarden. In de brief aan de Tweede Kamer is daarnaast aangegeven dat de financiering
dient plaats te vinden op basis van een woonlastenimpacttoets en de consumentenbescherming
gelijkwaardig dient te zijn aan de bescherming bij reguliere kredietverlening. Adviesbureau
KPMG is gevraagd om een adviesrapport op te stellen dat de uitgangspunten uitwerkt
voor gebouwgebonden financiering. Dit rapport zal voor de zomer gedeeld worden met
de Tweede Kamer. Een reactie op dit rapport zal na de zomer naar de Tweede Kamer worden
gestuurd. Een eventuele wijziging van de Wft zal moeten plaatsvinden in een separaat
wetsvoorstel.
12. Advies Autoriteit Persoonsgegevens
De leden van de D66-fractie lezen dat de kredietwaardigheidsbeoordeling evenredig
moet zijn naar aard, duur, waarde en risico’s van het krediet en dat verdere invulling
door middel van een gedragscode wordt bevorderd. Kan de regering de huidige stand
van zaken en planning van deze gedragscode schetsen?
De Leennormenmethodiek Consumptief Krediet van de VFN zijn in ontwikkeling in samenspraak
met de sector, de AFM en het Ministerie van Financiën. In gezamenlijk overleg wordt
getracht zo veel mogelijk over en weer elkaar te betrekken in de zienswijze vanuit
ieders rol, om nog vóór inwerkingtreding nieuwe leennormen te kunnen publiceren.
De Autoriteit Persoonsgegevens heeft gewezen op de ingrijpende risico’s van het gebruik
van volledige rekeningafschriften en heeft alternatieven gesuggereerd, zoals gestandaardiseerde
rapportages. De regering geeft aan dat deze alternatieven technisch nog niet haalbaar
zijn. Welke stappen zet de regering om dergelijke privacyvriendelijkere alternatieven
alsnog te ontwikkelen en op termijn verplicht te stellen, zo vragen de leden van de
VVD-fractie.
Dergelijke private initiatieven zijn in ontwikkeling maar omdat deze nog niet naar
volledigheid werken, heeft de sector het nog niet aangedurfd om daarnaar over te stappen.
De regering moedigt de doorontwikkeling van zulke initiatieven aan en blijft hierover
met de sector in gesprek.
13. Overgangsrecht en inwerkingtreding
De leden van de D66-fractie lezen dat de deadline voor implementatie 20 november 2026
is. Wat is er ondertussen gedaan, en wordt er gedaan, om BNPL-aanbieders ondertussen
aan te sporen om consumenten te beschermen in lijn met de CCDII? Is de Gedragscode
BNPL daarvoor voldoende?
Sinds 30 oktober 2023 is de Gedragscode BNPL in werking getreden, die door vier aanbieders
van «koop nu, betaal later»-diensten is ondertekend. Vooruitlopend op de implementatie
van de richtlijn hebben deze aanbieders zich door middel van de gedragscode gebonden
aan bepaalde gedragsnormen om consumenten beter te beschermen tegen de risico’s van
achteraf betalen, waaronder het verstrekken van duidelijke informatie over kosten
en voorwaarden, het toepassen van strengere acceptatie- en leeftijdscontroles en het
beperken van incasso- en aanmaningskosten. Daarnaast bevat de gedragscode maatregelen
om problematische schulden en overkreditering bij financieel kwetsbare consumenten
te voorkomen. Het kabinet blijft er bij de «koop nu, betaal later»-aanbieders op aandringen
om de gedragscode, in aanloop naar de implementatie van de richtlijn, aan te scherpen
naar een beschermingsniveau dat verder in lijn komt met de regelgeving uit de richtlijn.
Voor kaarten met uitgestelde debitering wordt een overgangstermijn van zes maanden
gehanteerd vanwege de impact op bestaande bedrijfsmodellen en de benodigde aanpassingen.
Tegelijkertijd geldt voor andere nieuw gereguleerde kredietvormen deze overgangstermijn
niet constateren de leden van de VVD-fractie. Waarom is uitsluitend voor kaarten met
uitgestelde debitering een overgangstermijn opgenomen en acht de regering deze termijn
voldoende om ingrijpende aanpassingen in systemen en processen te realiseren?
Alleen voor kaarten met uitgestelde debitering wordt ruimte gezien in de richtlijn
voor uitgestelde inwerkingtreding. Er wordt daarom gebruik gemaakt van deze ruimte
die de lidstaatoptie biedt om een latere inwerkingtredingsdatum voor te schrijven
voor dit type krediet. Voor de creditcardbranche gelden voorts bijzondere omstandigheden.
Als gevolg van de lidstaatoptie voor kaarten met uitgestelde debitering blijft lange
tijd onzeker of, en in hoeverre deze branche onder de kredietregels gaan vallen. Pas
na instemming van beide Kamers der Staten-Generaal is hierover duidelijkheid bij marktpartijen.
Dit, tezamen met de niet tijdige implementatie van de richtlijn en de uitzonderingspositie
die de branche wel in andere lidstaten verwacht, maakt dat niet voldoende kenbaar
en voorzienbaar is voor deze marktpartijen hoe zij zich moeten voorbereiden. Als gevolg
hiervan wordt een aanvullende aanpassingstermijn van zes maanden redelijk geacht.
In de termijn is een balans gezocht tussen de tijd die de creditcardbranche nodig
heeft om voor te bereiden enerzijds en gelijk speelveld en consumentenbescherming
anderzijds. Vanuit het streven naar een gelijk speelveld in de kredietmarkt, en gezien
het belang van consumentenbescherming bij uitgestelde betaling, waaronder ook «koop
nu, betaal later» in de vorm van een kaart, vindt de regering een langere termijn
onwenselijk. De uitzonderingsmogelijkheid ziet immers niet alleen op de creditcardbranche
maar ook op andere aanbieders van uitgesteld betalen die besluiten om kaarten aan
te bieden.
De leden van de VVD-fractie constateren dat nadere regelgeving nog niet volledig is
uitgewerkt, terwijl de implementatiedeadline snel nadert. Ondernemers moeten systemen,
processen en klantreizen aanpassen en testen. Kan de regering toelichten hoe zij de
uitvoerbaarheid binnen de beschikbare termijn beoordeelt? Is de regering bereid te
kijken naar een gefaseerde invoering, overgangsperiode of terughoudendheid in de handhaving
om onnodige uitvoeringsproblemen te voorkomen?
Met aanbieding van het implementatiebesluit aan uw Kamer in het kader van een voorhangprocedure
wordt getracht zo veel mogelijk duidelijkheid te geven over de regels die gaan gelden.
Enkele onderwerpen landen nog in een ministeriële regeling, die na consultatie direct
kan worden gepubliceerd. Inwerkingtreding van de regeling zal gelijktijdig zijn met
de implementatiewet en het implementatiebesluit. Het is niet mogelijk om een gefaseerde
invoering of overgangsperiode voor te schrijven. Dit zou waar het gaat om richtlijnverplichtingen
neerkomen op gebrekkige of vertraagde omzetting, en kan in het uiterste geval leiden
tot een dwangsom of boete voor de Nederlandse staat.
De leden van de JA21-fractie wijzen erop dat de invoeringsdatum samenvalt met de aanloop
naar de feestdagen en daarmee met een piekperiode voor online retail en digitaal betalingsverkeer.
Welke risico’s ziet de regering op verstoringen in het online betalingsverkeer als
gevolg van een abrupte invoering? Is in kaart gebracht welke gevolgen dit kan hebben
voor consumenten, webwinkels en betaaldienstverleners indien systemen, vergunningverlening
of kredietwaardigheidsprocessen op dat moment nog niet volledig zijn ingericht?
Er is een risico is dat volledige kredietwaardigheidsbeoordelingen wellicht niet in
korte tijdspanne verricht kunnen worden. Als alsnog krediet wordt verstrekt zonder
een proportioneel kwalitatieve kredietwaardigheidsbeoordeling of zonder te voldoen
aan andere geldende verplichtingen, vormt dat een business- of compliance risico voor
de kredietaanbieder en in een enkel geval de kredietbemiddelaar (winkel) waar verplichtingen
zich richten tot bemiddelaars.
Indien het krediet in de vorm van uitgestelde betaling niet in korte tijdspanne kan
worden verstrekt, kan dit betekenen voor winkels en consumenten dat deze betaaloptie
van krediet niet kan worden gebruikt in het betaalproces. Dit kan eventueel invloed
hebben op de omzet van betrokken ondernemingen. Tegelijkertijd is het niet wenselijk
als, juist in een piekperiode, voorschriften omtrent kredietverlening ter bescherming
van de consument niet in acht worden genomen.
Deze leden vragen tevens hoe aanbieders zich tijdig kunnen voorbereiden zolang onderdelen
van het regime nog nader moeten worden uitgewerkt bij algemene maatregel van bestuur.
Kan de regering garanderen dat alle lagere regelgeving, soft law via de toezichthouder
en technische uitvoeringsvereisten ruim voor de invoeringsdatum beschikbaar zijn?
Zo nee, acht de regering het dan verantwoord om aanbieders wel volledig aan de nieuwe
verplichtingen te houden vanaf 20 november 2026?
Met aanbieding van het implementatiebesluit aan uw Kamer in juni wordt getracht zo
veel mogelijk duidelijkheid te geven over de regels die gaan gelden. Aanbieders hebben
zich voor een gedeelte reeds voor kunnen bereiden op de nieuwe verplichtingen. Voor
zover het richtlijnimplementatie betreft is duidelijk wat de verplichtingen worden.
Waar het nationale keuzes en invulling betreft, is dit later bekend. Aanbieders dienen
zover mogelijk te voldoen aan de verplichtingen. Er is doorlopend contact met de sector
over de gevolgen van de implementatie. Daarmee wordt geprobeerd zoveel mogelijk duidelijkheid
te verschaffen. De AFM is ter voorbereiding op de implementatie van de regelgeving
afgelopen periode veelvuldig in gesprek gegaan met de sector over de invulling van
de open norm voor verantwoorde kredietverstrekking voor de nieuwe aanbieders van krediet.
Daarbij heeft de AFM de verwachtingen van de AFM uitgesproken voor de kredietwaardigheidstoets
van aanbieders, die eerder niet onder kredietregelgeving vielen, zodat zij tijdig
een kredietwaardigheidstoets kunnen inrichten.
De wet bevat ook nieuwe regels voor achterstandsbeheer en vroegsignalering. De AFM
heeft aangegeven de Leidraad Consumenten en Incassotrajecten aan te passen, maar dit
zal na de inwerkingtreding zijn. Aanbieders dienen zich tot die tijd te houden aan
de wetsbepalingen en de eerdere soft law van de toezichthouder op dit onderwerp. Op dit moment is niet bekend dat gewerkt
wordt aan andere soft law van de toezichthouder op dit onderwerp.
De leden van de ChristenUnie-fractie missen in de memorie van toelichting een erkenning
van het feit dat veel cruciale informatie voor zowel toezichthouder als aanbieders
om te kunnen voldoen aan de wet wordt neergelegd in lagere regelgeving. Deze lagere
regelgeving is op dit moment grotendeels nog onbekend. Deze leden vragen de regering
om een reflectie hieromtrent. Wanneer verwacht de regering de lagere regelgeving te
kunnen vaststellen? Is er dan voldoende tijd over voor implementatie in processen
en systemen? Hoe denkt de regering de gevolgen van te late vaststelling van lagere
regelgeving en onvoldoende tijd voor adequate implementatie te kunnen mitigeren? Tot
slot vragen de leden van de ChristenUnie-fractie hoe de Kamer nog democratisch invloed
kan uitoefenen op de inhoud van de lagere regelgeving.
De onderdelen die bij besluit worden uitgewerkt zijn dermate belangrijk voor het bedrijfsmodel
van meerdere typen ondernemingen dat zorgvuldigheid is betracht in het opstellen van
deze lagere regelgeving. Wanneer vaststelling kan plaatsvinden van lagere regelgeving
is afhankelijk van het verloop van de voorhangprocedure bij beide Kamers der Staten-Generaal.
Met de aanbieding van het implementatiebesluit dat recent aan uw Kamer is aangeboden
in het kader van een voorhangprocedure, is getracht zo veel mogelijk duidelijkheid
te geven over de regels die gaan gelden. Indien uw Kamer met de implementatiewet heeft
ingestemd en de voorhangprocedure bij beide Kamers is afgerond, kan het implementatiebesluit
voor advies worden aangeboden aan de Raad van State. Voor advisering door de Raad
van State staat een termijn van drie maanden. Ik zal de Raad van State vragen dit
besluit met voorrang te behandelen en een spoedadvies vragen. Na ontvangst van het
advies van de Raad van State wordt zo snel mogelijk een nader rapport opgesteld, zodat
dit nader rapport samen met het besluit spoedig daarna kan worden vastgesteld en gepubliceerd
en op hetzelfde moment als de implementatiewet in werking kan treden. De ministeriële
regeling kan direct na consultatie worden gepubliceerd en zal gelijktijdig met de
implementatiewet en het implementatiebesluit in werking treden. De regering zet zich
in om het implementatietraject zo spoedig mogelijk af te ronden. Er is doorlopend
contact tussen mijn ministerie en de sector over de gevolgen van de implementatie
en ook de AFM zet zich samen met de sector in om zich zo goed mogelijk voor te bereiden
op de inwerkingtreding van de wet, wanneer de regels zullen gaan gelden.
Artikelsgewijze toelichting
Kan de regering middels een tabel uiteenzetten welke aanvullende verplichtingen wel
en niet van toepassing zijn op het aan de Nederlandse consument aanbieden van «koop
nu, betaal later»-diensten door zowel in een andere lidstaat gevestigde aanbieders
als buiten de Europese Unie gevestigde aanbieders? Zijn er juridische voordelen voor
aanbieders van «koop nu, betaal later»-diensten om zich te vestigen in een lidstaat
met minder regels en van daaruit Nederlandse consumenten te bedienen?
De keuzes omtrent vestiging en dienstverlening in andere lidstaten zijn aan marktpartijen
zelf. Voor aanbieders buiten de Europese Unie geldt de Nederlandse wet onverkort.
Voor aanbieders uit andere lidstaten die zich tot Nederlandse consumenten richten
geldt ook het Nederlandse recht. Het kan echter in uitzonderingsgevallen zo zijn dat
bepaalde beperkingen aan het vrije handelsverkeer niet effectief gehandhaafd kunnen
worden op grond van de Richtlijn 2000/31/EG van het Europees Parlement en de Raad
van 8 juni 2000 betreffende bepaalde juridische aspecten van de diensten van de informatiemaatschappij,
met name de elektronische handel, in de interne markt (Richtlijn inzake elektronische
handel), zoals geïmplementeerd in artikel V van de Aanpassingswet richtlijn inzake
elektronische handel. Dit is afhankelijk van de omstandigheden van het geval en de
uiteindelijke beoordeling van de rechtmatigheid van de beperking of handhavingsmaatregel
is aan de rechter om te beoordelen. Voor die situaties wijzigt de implementatiewet
daarom artikel 1:16 Wft, met als gevolg dat buitenlandse online-aanbieders als zij
krediet aanbieden aan consumenten in Nederland alsnog (i) verplicht zijn zich aan
te sluiten bij het BKR, (ii) verplicht een kredietwaardigheidsbeoordeling dienen uit
te voeren op basis van de Nederlandse regels en (iii) onderhevig zijn aan de Nederlandse
maximumkredietvergoeding zoals vastgelegd in het Besluit kredietvergoeding. Ook kan
de AFM in het geval van schadelijke marktpraktijken en onder de in de implementatiewet
genoemde voorwaarden productinterventiebevoegdheden inzetten.
De Minister van Financiën,
E. Heinen
Indieners
E. Heinen, minister van Financiën