Verslag van een schriftelijk overleg : Verslag van een schriftelijk overleg over de geannoteerde agenda Formele Raad WSB van 29 juni 2026 en Informele Raad WSB van 6 juli 2026 (Kamerstuk 21501-31-828)
21 501-31 Raad voor de Werkgelegenheid, Sociaal Beleid, Volksgezondheid en Consumentenzaken
Nr. 829
VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
Vastgesteld 23 juni 2026
De vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft een aantal vragen en
opmerkingen voorgelegd aan de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid over brief
van 15 juni 2026 over de geannoteerde agenda Formele Raad WSB van 29 juni 2026 en
Informele Raad WSB van 6 juli 2026 (Kamerstuk 21 501–31, nr. 828).
De vragen en opmerkingen zijn op 19 juni 2026 aan de Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid voorgelegd. Bij brief van 23 juni 2026 zijn de vragen beantwoord.
De voorzitter van de commissie, Van der Lee
Adjunct-griffier van de commissie, Morrin
Inhoudsopgave
I
Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
2
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
2
Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie
5
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
8
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
9
Vragen en opmerkingen van de leden van de PRO-fractie
20
Vragen en opmerkingen van de leden van de FVD-fractie
26
Vragen en opmerkingen van de leden van de SGP-fractie
30
I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
De leden van de D66-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de agenda's van
de Raad WSB op 29 juni en de Informele Raad van 6 juli. Deze leden hebben nog enkele
vragen.
De leden van de D66-fractie lezen dat de Commissie opnieuw aanbeveelt om het gebruik
van flexibele en tijdelijke contracten minder aantrekkelijk te maken. Deze leden lezen
dat in de reactie op deze aanbeveling wordt gewezen op het wetsvoorstel Meer zekerheid
flexwerkers en het wetsvoorstel Verduidelijking beoordeling arbeidsrelaties en rechtsvermoeden.
Voldoen deze voorstellen genoeg aan om de aanbeveling van de Commissie tegemoet te
komen, zo vragen deze leden.
Eén van de voorgestelde landspecifieke aanbevelingen voor Nederland op sociaal- en
werkgelegenheidsterrein luidt: 5.1 Neem en implementeer maatregelen om de prikkels voor flexibele en tijdelijke arbeidscontracten
te verminderen. Zoals toegelicht in de nagestuurde Geannoteerde Agenda over de Ecofinraad van 12 juni1, herkent het kabinet zich in de aanbeveling. Het wetsvoorstel «Meer zekerheid flexwerkers»
draagt hieraan bij. Het wetsvoorstel ziet erop dat werknemers met een oproepcontract
meer zekerheid over hun inkomen en rooster krijgen.
De Commissie volgt de voortgang van de lidstaten bij de uitvoering van de landspecifieke
aanbevelingen en beoordeelt de impact van de maatregelen in het jaarlijks uitkomend
landenrapport. De Commissie publiceert het eerstvolgende rapport in de lente van 2027.
De leden van de D66-fractie lezen ook dat de Commissie aanbeveelt om mobiliteit naar
hoogproductieve sectoren en maatschappelijke relevante sectoren te stimuleren. Deze
leden lezen dat wordt verwezen naar de Talentstrategie die rond de zomer naar de Kamer
komt. Deze leden kijken uit naar publicatie van deze Talentstrategie.
De leden van de D66-fractie begrijpen dat gerichte arbeidsmigratie als middel wordt
gezien om krapte op de arbeidsmarkt te verlichten maar ook dat arbeidsmigratie geen
structurele oplossing vormt voor personeelstekorten. Welke rol ziet de Minister voor
arbeidsmigratie in sectoren waar de tekorten naar verwachting lang zullen aanhouden?
Hoe wil de Minister bevorderen dat naast gerichte arbeidsmigratie kraptesectoren ook
werken aan goed werkgeverschap? En wat is de stand van zaken met de pilot, zo vragen
deze leden.
Het kabinet deelt dat arbeidsmigratie vooral tijdelijk kan bijdragen aan het verlichten
van tekorten op de arbeidsmarkt, conform de adviezen van de Staatscommissie Demografische
Ontwikkelingen 2050 en het IBO Arbeidsmigratie. Ten aanzien van langdurige tekorten
geldt verder dat de economie zich op de langere termijn aan zou moeten passen via
innovatie en de prijs van arbeid (arbeidsvoorwaarden). Het kabinet richt zich op arbeidsmigratie
die Nederland écht nodig heeft voor de huidige maatschappelijke opgaven waar zij voor
staat. Voor sectoren waarin tekorten naar verwachting hardnekkig blijven is het cruciaal
om in te zetten op het verhogen van de arbeidsproductiviteit, goed werkgeverschap
en verbetering van de aansluiting met het onderwijs. Met de Talentstrategie laat het
kabinet verschillende instrumenten op elkaar aansluiten: onderwijs, arbeidsmarkt,
productiviteit, fiscaliteit en gerichte migratie. De Talentstrategie biedt richtinggevende
keuzes over economie en arbeidsmarkt, ook in relatie tot arbeidsmigratie. De Kamerbrief
hierover wordt binnenkort aan uw Kamer verzonden.
Eén van de maatregelen in het kader van gerichte arbeidsmigratie en de Talentstrategie
betreft een pilot waarmee tijdelijk onder strenge voorwaarden, actief en gericht goed
geschoolde krachten naar Nederland kunnen worden gehaald in vooraf afgebakende tekortsectoren.
Daarbij is voor het kabinet van belang dat waarborgen worden ingebouwd om de positie
van de werknemer te beschermen. Zoals toegezegd in het debat Arbeidsmigratie, ontvangt
uw Kamer na de zomer een brief met daarin de opzet van de pilot, de voorwaarden en
de planning.
De leden van de D66-fractie lezen dat de Minister tijdens de Raad van maart samen
met meerdere lidstaten heeft gepleit voor een uitwerking van het Fair Labour Mobility
Package en voor verduidelijking van de regels rond detachering van derdelanders. Welke
concrete voorstellen wil de Minister terugzien om uitbuiting tegen te gaan en een
gelijk speelveld op de Europese arbeidsmarkt te bevorderen, zo vragen deze leden.
Wat is de stand van zaken van de inzet van de Minister?
De Europese Commissie zal naar verwachting na de zomer het eerlijke arbeidsmobiliteit
pakket publiceren. Wat het kabinet betreft zouden twee zaken prominent terug moeten
komen in dit pakket.
Ten eerste zet het kabinet erop in dat de begrippen in het Europese juridisch kader
voor de detachering van derdelanderwerknemers worden verduidelijkt, om misbruik en
onrechtmatig gebruik te voorkomen en om het gelijke speelveld voor bedrijven te bevorderen.
Nederland heeft hiertoe een position paper2 opgesteld samen met gelijkgezinde lidstaten. Het juridisch kader kan worden verduidelijk
met een juridisch bindend instrument of via richtsnoeren. Zoals toegelicht in de verkenning3 kennen deze oplossingsrichtingen voor- en nadelen. Voor het kabinet is daarbij het
doel (verduidelijking van het juridisch kader) leidend.
Parallel zet het kabinet ook op nationaal niveau stappen om het juridisch kader rondom
de detachering van derdelanders te verduidelijken. Daarbij kijkt het kabinet o.a.
naar de vereiste dat iemand vóór tewerkstelling in Nederland, eerst een vaste periode
in het land moet werken waar die een werkvergunning heeft. Hiermee wordt de maximale
ruimte opgezocht die Europese regels bieden, terwijl rekening gehouden wordt met de
regeldruk voor het bedrijfsleven. Deze zomer gaan de wijzigingen in internetconsultatie.
In het najaar wordt uw Kamer verder geïnformeerd over de wijzigingen.
Ten tweede zet het kabinet ten aanzien van het eerlijke arbeidsmobiliteitspakket in
op versterking van de Europese Arbeidsautoriteit (ELA) middels een mandaatherziening.
Effectieve grensoverschrijdende handhaving, in samenwerking met een sterke ELA, en
een duidelijk juridisch kader gaan namelijk hand in hand. In lijn met het met de Kamer
gedeelde position paper4 pleit het kabinet voor: (1) een sterkere rol van ELA ten aanzien van (gedetacheerde)
derdelanders, (2) een ruimer onderzoeksmandaat voor de ELA, met name op het terrein
van persoonsgegevensverwerking, zodat een gerichte grensoverschrijdende aanpak mogelijk
wordt op basis van EU-brede risicoanalyses, (3) een meer proactieve rol voor de ELA
bij het initiëren en coördineren van gezamenlijke inspecties, en (4) betere toegang
tot relevante informatie, teneinde de positie en rechtsbescherming van kwetsbare groepen
arbeidsmigranten verder te versterken.
Het kabinet gebruikt verschillende beïnvloedingsmomenten om bovenstaande inzet onder
de aandacht te brengen bij de Europese Commissie en andere lidstaten. Zo zal Nederland
ook tijdens het beleidsdebat over grensoverschrijdende handhaving op 6 juli haar prioriteiten
voor de ELA mandaatherziening kenbaar maken.
De leden van de D66-fractie lezen dat het kabinet stelt dat een hoogproductieve economie
vraagt om een vermindering van de afhankelijkheid van laagbetaalde arbeid. Tegelijkertijd
wordt dit najaar de Europese Jobs Quality Act verwacht. Welke kansen ziet de Minister
om de kwaliteit van werk te verbeteren en daarmee de transitie naar een meer productieve
economie te ondersteunen? Hoe wordt deze aanbeveling voor een hoogproductieve economie
betrokken bij de hierboven genoemde Talentstrategie?
Het kabinet streeft naar een hoogproductieve economie die bijdraagt aan onze toekomstige
welvaart. Hiertoe is onder meer de «Ministeriële Taskforce Toekomstige Welvaart en
Vestigingsklimaat» ingesteld, om de randvoorwaarden zoals de talentenstrategie hiervoor
te realiseren. Onderdeel van deze strategie is een lagere afhankelijkheid van laagbetaalde
arbeid die weinig toevoegt aan onze economie.
De leden van de D66 fractie constateren terecht dat de Europese Quality Jobs Act mogelijk kansen biedt om de kwaliteit van werk te verbeteren. Ook de Quality Jobs Act beoogt de productiviteit te verhogen, te investeren in vaardigheden en LLO, de arbeidsparticipatie
te verhogen en technologische innovatie zoals AI beter te benutten.5 De Nederlandse en Europese inzet kunnen elkaar derhalve versterken. Waarbij de Nederlandse
strategie toegespitst is op de unieke kenmerken van de Nederlandse economie met een
grote nadruk op onderwijs, omscholing, innovatie en vaardigheden van de toekomst.
Het kabinet kijkt uit naar het voorstel voor de Quality Jobs Act, en zal uw Kamer daar nader over informeren na publicatie. Daarnaast zal het kabinet
binnenkort uw Kamer informeren over de verdere uitwerking van de Nederlandse talentenstrategie.
De leden van de D66-fractie lezen dat in het kader van de IORP II een denkrichting
in het Europees Parlement is om pensioenfondsen verplicht te laten investeren in durfkapitaal.
Deze leden onderkennen het belang van voldoende investeringen in durfkapitaal, maar
hebben nog wel aarzelingen of dit de meest geëigende route daartoe is. Hoe kijkt de
Minister naar een verplichte investeringsnorm voor durfkapitaal, zo vragen deze leden.
Hoe kijkt de Minister bijvoorbeeld naar een dergelijk Europees voorschrift in het
licht van de verantwoordelijkheidsverdeling tussen de EU en lidstaten? Is er met het
opnemen van dit voorstel nog sprake van minimumharmonisatie? En hoe verhoudt het voorstel
zich tot het prudent person beginsel om te beleggen in het belang van de deelnemers?
Pensioenfondsen handelen op basis van het prudent person beginsel in belang van hun
deelnemers en gepensioneerden volgens de Wet toekomst pensioenen. Het is goed dat
pensioenfondsen bij het bepalen van hun strategisch beleid de ruimte hebben om de
belangen van hun deelnemers te volgen.6 Het Commissievoorstel voor de herziening van IORP II onderschrijft het prudent person
beginsel en geeft daarmee ook aan dat het inderdaad belangrijk is dat pensioenfondsen
in het belang van hun deelnemers kunnen handelen.
Het voorstel om minimaal 2% van het pensioenvermogen van pensioenfondsen met meer
dan één miljard euro aan vermogen te beleggen in durfkapitaal is opgenomen in het
concept-rapport van rapporteur Boeselager en betreft geen definitief standpunt van
het Europees Parlement op het voorstel tot herziening van IORP II. Dit voorstel is
niet in lijn met het prudent person beginsel. Een dergelijke verplichting belemmert
pensioenfondsen om hun beleggingsbeleid zo in te richten dat dit in lijn is met het
beleggingsrisico dat deelnemers kunnen en willen nemen. Dit is niet in het belang
van de deelnemers aan het pensioenfonds. Een minimum investeringslimiet past bovendien
niet bij minimum harmonisatie. Ik ben dus ook geen voorstander van het voorstel van
de rapporteur. Mocht het EP dit voorstel in deze vorm in de triloog-fase inbrengen
dan zal ik bovenstaande hierover inbrengen.
De leden van de PVV-fractie constateren dat de herziening Verordening 883/2004 inzake
de Coördinatie van Sociale Zekerheidsstelsels de export van WW-uitkeringen fors verruimt:
werklozen mogen niet langer drie, maar zes maanden met behoud van uitkering in een
andere lidstaat naar werk zoeken, terwijl bepaalde grensarbeiders en migrerende werknemers
hun Nederlandse WW gedurende de volledige uitkeringsduur vanuit hun woonland kunnen
ontvangen. Tegelijkertijd ontbreken volgens het kabinet voldoende waarborgen voor
activering, controle en rechtmatigheid. Nederland is daarom voornemens tegen te stemmen,
maar het kabinet verwacht dat desondanks een gekwalificeerde meerderheid vóór het
akkoord bestaat.
De leden van de PVV-fractie vragen wat het kabinet concreet gaat doen wanneer andere
lidstaten het akkoord ondanks de Nederlandse tegenstem aannemen. Deze leden vragen
de Minister zich tot het laatste moment standvastig te verzetten en actief steun te
zoeken voor een blokkerende minderheid. Deze leden vragen de Minister nadrukkelijk
zich niet bij voorbaat neer te leggen bij de verwachte meerderheid. Deze leden vragen
de Minister welke juridische en politieke mogelijkheden de Minister zal benutten om
te voorkomen dat Nederland wordt gedwongen WW-uitkeringen langer en ruimer te exporteren
zonder dat Nederland nog voldoende grip heeft op sollicitatieverplichtingen, fraudebestrijding
en
rechtmatigheidscontrole.
Twee keer eerder werd in de trilogen een voorlopig politiek akkoord bereikt, in 2019
en in 2021. Beide keren werd, mede door de inzet van Nederland, het akkoord verworpen
door een blokkerende minderheid van lidstaten in de Raad.
Deze keer was er echter een ruime gekwalificeerde meerderheid. In de Coreper-vergadering
van 29 april jl. heeft een grote meerderheid van lidstaten aangegeven het akkoord
te kunnen steunen. Slechts vijf lidstaten – waaronder Nederland – konden het akkoord
niet steunen. Eén lidstaat heeft een voorbehoud gemaakt. De EMPL-commissie van het
Europees Parlement heeft het akkoord op 6 mei jl. met een ruime meerderheid aangenomen.
Naar verwachting zal het EP tijdens de plenaire sessie van 6 tot en met 9 juli akkoord
gaan in eerste lezing.
Wanneer de tekst vervolgens teruggaat naar Coreper en daarna naar de Raad, zal dit
slechts zijn voor formele aanname. Het hiervoor geschetste krachtenveld zal niet wijzigen.
Zoals ik heb aangegeven in mijn brief van 10 juni jl. is het kabinet van mening dat,
hoewel het bereikte akkoord ook verschillende positieve elementen bevat, het akkoord
onder de streep onvoldoende tegemoetkomt aan de Nederlandse wensen. Daarom zal Nederland,
wanneer het akkoord voor formele aanname door de Raad geagendeerd staat, tegenstemmen.
Ik richt mijn blik nu vooruit en zal me, net als Nederland in de afgelopen jaren heeft
gedaan, ook in de komende periode blijven inzetten voor maatregelen die de samenwerking
tussen de werkloosheidsinstanties van de lidstaten verbeteren. Zo blijf ik bij de
Europese Commissie aandringen op het nemen van maatregelen op het terrein van controle
en arbeidsbemiddeling in het kader van het Fair Labour Mobility Package. Ik zal hier voorstellen voor blijven doen en daarvoor steun zoeken bij andere lidstaten.
De EPSCO-Raad van 6 juli aanstaande biedt hiervoor een eerste gelegenheid.
De leden van de PVV-fractie constateren dat armoedebestrijding in de eerste plaats
een nationale verantwoordelijkheid is, maar dat de Europese Commissie met de Europese
Anti-Armoede Strategie inzet op steeds verdergaande Europese aansturing, monitoring,
financiering en coördinatie van nationaal sociaal beleid. De Commissie kondigt onder
meer nieuwe indicatoren, aanbevelingen, kaders, een Europese coalitie, een gezamenlijk
actieplan en de aanstelling van een nationale anti-armoedecoördinator op het hoogste
politieke niveau aan. Deze leden vragen waarom de Minister deze ontwikkeling verwelkomt,
terwijl de Minister zelf erkent dat armoedebeleid een nationale competentie is. Ook
vragen deze leden waar voor de Minister de harde grens ligt tussen vrijblijvende Europese
kennisuitwisseling en feitelijke Europese bemoeienis met de inrichting van het Nederlandse
inkomens-, arbeidsmarkt-, pensioen- en socialezekerheidsbeleid.
De Europese Anti-Armoede Strategie schetst een alomvattende, integrale aanpak om armoede
in de EU te voorkomen en te bestrijden en zo bij te dragen aan de verwezenlijking
van de Europese pijler van sociale rechten, zonder dat dit raakt aan competenties
van lidstaten.
Hoewel bestrijding van armoede een nationale competentie is, kunnen Europese landen
wel veel van elkaar leren op het gebied van armoedebestrijding. De niet-bindende Strategie
stimuleert om kennis en ervaring op het terrein van armoedebestrijding uit te wisselen
tussen de lidstaten. Dit kan leiden tot effectiever beleid. Eventuele nadere voorstellen
die zullen voortkomen uit de Anti-Armoede Strategie zal het kabinet na publicatie
nader appreciëren.
De leden van de PVV-fractie vragen de Minister ondubbelzinnig toe te zeggen dat Nederland
niet zal instemmen met toekomstige voorstellen die nationale beleidsruimte beperken,
Europese normen opleggen of nationale uitgaven, inkomensvoorzieningen en sociale dienstverlening
indirect afhankelijk maken van Europese doelstellingen, indicatoren of financieringsvoorwaarden.
Deze leden vragen de Minister ieder aangekondigd vervolgvoorstel afzonderlijk vooraf
aan de Kamer voor te leggen, inclusief een concrete toets op bevoegdheid, subsidiariteit,
proportionaliteit en gevolgen voor de Nederlandse begrotings- en beleidsautonomie.
Tevens vragen deze leden de Minister te garanderen dat geen nationale anti-armoedecoördinator,
EU-monitoringskader of Europees governance-instrument wordt ingevoerd zonder voorafgaande
uitdrukkelijke instemming van de Staten-Generaal.
Indien er voorstellen volgen waaruit nieuw beleid voorkomt, bijvoorbeeld in de vorm
van een voorstel voor een raadaanbeveling of een richtlijn, dan zal het kabinet deze
na publicatie appreciëren middels een BNC-fiche en met uw Kamer delen. In BNC-fiches
wordt altijd getoetst op bevoegdheid, subsidiariteit en proportionaliteit en worden
ook eventuele financiële gevolgen meegenomen.
De leden van de PVV-fractie vragen waar voor de Minister de grens ligt tussen Europese
ondersteuning en overdracht van zeggenschap over kinderen, gezinnen, onderwijs en
sociaal beleid. Deze leden vragen de Minister uit te sluiten dat de Europese kindergarantiekaart
wordt gebruikt voor Europese registratie, gegevensuitwisseling, het vastleggen van
aanspraken of het afdwingen van uniforme toegang tot nationale voorzieningen. Deze
leden vragen de Minister zich te verzetten tegen iedere toekomstige aanbeveling, richtlijn
of financieringsvoorwaarde die de inrichting van kindregelingen, kinderopvang, voorschoolse
educatie, jeugdhulp of inkomensondersteuning mede vanuit Brussel voorschrijft. Deze
leden vragen de Minister bovendien toe te zeggen dat de Kamer vooraf expliciet om
een mandaat wordt gevraagd, voordat in Europees verband wordt ingestemd met nieuwe
afspraken die gevolgen hebben voor de Nederlandse beleidsautonomie, begrotingsbevoegdheid
of de democratische zeggenschap over het gezins- en jeugdbeleid.
In 2021 heeft de Commissie een voorstel gedaan voor een aanbeveling van de Raad tot
instelling van een Europese kindergarantie. De onderhavige Raadsaanbeveling draagt
eraan bij dat het bestrijden van armoede en sociale uitsluiting ten aanzien van kinderen
in de EU-lidstaten op de agenda blijft en biedt landen tevens concrete handvatten
om invulling te geven aan hun nationale beleid. De aanbeveling heeft tot doel sociale
uitsluiting te voorkomen en te bestrijden door de toegang van kinderen in nood tot
een reeks essentiële diensten te waarborgen. Kinderen die in armoede leven of kinderen
uit kansarme milieus hebben immers meer kans op barrières bij de toegang tot voor-
en vroegschoolse educatie en -zorg, inclusief onderwijs, gezondheidszorg, gezonde
voeding en adequate huisvesting. Ze beginnen hun leven met een achterstand, wat op
lange termijn gevolgen kan hebben voor hun ontwikkeling en toekomstperspectieven.
Armoede en sociale uitsluiting onder kinderen heeft daarmee impact op de opwaartse
sociaaleconomische convergentie tussen de lidstaten van de Unie.
Het kabinet ziet daarom de meerwaarde in de kindergarantie. Het gaat om een juridisch
niet-bindende handeling. Het voorstel is geschikt om lidstaten te ondersteunen bij
het nemen van maatregelen ten aanzien van de bevordering van de toegang van kinderen
in nood tot essentiële diensten, en kan een aanvulling vormen op de nationale aanpak
van sociale uitsluiting van kinderen. Ook biedt het voorstel ruimte voor een gedifferentieerde
aanpak die de nationale, regionale of lokale situaties van de lidstaten weerspiegelt.
Daarmee gaat het voorstel niet verder dan noodzakelijk.
Indien er voostellen volgen waaruit nieuw beleid voorkomt, bijvoorbeeld in de vorm
van een voorstel voor een raadaanbeveling of een richtlijn, dan zal het kabinet deze
na publicatie appreciëren middels een BNC-fiche en met uw Kamer delen. In BNC-fiches
wordt altijd getoetst op bevoegdheid, subsidiariteit en proportionaliteit en worden
ook eventuele financiële gevolgen meegenomen.
De leden van de VVD-fractie lezen dat het Cypriotische voorzitterschap hoopt de onderhandelingen
IORP in de Raad nog deze maand af te ronden en dat de Minister voornemens is in te
stemmen met een concept-Raadspositie indien deze aansluit bij de Nederlandse inzet
en geen substantiële nieuwe elementen bevat die daarvan afwijken. Deze leden vragen
de Minister of inmiddels een concept-Raadspositie voorligt en, zo ja, of daarin de
eerder door deze leden benoemde aandachtspunten afdoende zijn geborgd, in het bijzonder
het behoud van nationale beleidsruimte bij het Uniform Pensioenoverzicht, de proportionaliteit
van de aanvullende informatievereisten en de bezwaren tegen een brede, algemene zorgplicht.
Deze leden verzoeken de Minister de Kamer over de hoofdlijnen van een concept-Raadspositie
te informeren voordat Nederland daarmee instemt.
Er is thans een concept-Raadspositie verspreid en hiervoor geldt een stilteprocedure
tot woensdag 24 juni 18.00 uur. Daarna zal een concept-Raadspositie worden voorgelegd
aan Coreper van 26 juni.
De concept-Raadspositie bevat significante verbeteringen in lijn met de Nederlandse
inzet. Zo zijn de in het oorspronkelijke voorstel aan EIOPA en de Europese Commissie
toegekende gedelegeerde bevoegdheden geschrapt. Ook zijn toezichteisen die zouden
leiden tot aanzienlijke regeldruk voor fondsen en toezichthouders, uit het voorstel
gehaald. Ten aanzien van de door de VVD genoemde aandachtspunten, geldt dat het voorstel
voor harmonisering van het Uniform Pensioenoverzicht is geschrapt en de informatievereisten
significant zijn verminderd.
De algemene zorgplicht maakt nog steeds onderdeel uit van de concept-Raadspositie,
maar zoals ik eerder heb aangegeven is er al veel in de Nederlandse wet geregeld7. Mijn inschatting is dat, gezien hetgeen nu al in de wet is opgenomen, het voorschrift
inzake een algemene zorgplicht zoals dat nu in de concept-Raadspositie staat, niet
zal leiden tot een significante verzwaring van de regeldruk voor pensioenfondsen.
Bij de implementatie van de richtlijn zal ik binnen de ruimte die daar dan voor is,
ook scherp oog blijven houden voor de regeldrukeffecten voor Nederlandse pensioenfondsen.
Op basis van de huidige tekst ben ik van mening dat de concept-Raadspositie op belangrijke
onderdelen tegemoetkomt aan de Nederlandse belangen. Zoals ik in de geannoteerde agenda8 al heb aangeven zal Nederland instemmen met de concept-Raadspositie als de concept-Raadspositie
voldoet aan de BNC-inzet en geen substantiële nieuwe elementen bevat die afwijken
van de Nederlandse inzet. Nederland kan instemmen met de tekst die in stilteprocedure
is gebracht. Ik verwacht dat uw Kamer de concept-Raadspositie ten behoeve van Coreper
op 26 juni a.s. later deze week in kan zien op het Delegates Portal van de Raad van de Europese Unie.
De leden van de VVD-fractie lezen voorts dat de rapporteur een nieuw concept van qualifying
productive investments introduceert, bedoeld om de langetermijnfinanciering van de
reële economie te ondersteunen. Deze leden ontvangen graag een nadere toelichting
op de reikwijdte van dit begrip en op de verplichtingen die daaruit voor pensioenfondsen
zouden kunnen voortvloeien. Genoemde leden vragen de Minister in hoeverre dit concept
in de praktijk leidt tot sturing van het beleggingsbeleid, hoe het zich verhoudt tot
de vrijheid van fondsen om naar eigen inzicht en risicohouding te beleggen, maar ook
wat de positieve effecten op de economie en toegang tot financiering voor start- en
scale-ups zullen zijn.
In het concept-rapport van de rapporteur Boeselager wordt het concept qualifying productive investments geïntroduceerd. Het betreft geen definitief standpunt van het Europees Parlement
op het voorstel tot herziening van IORP II. In artikel 19, lid 1dc, van het concept-rapport
wordt hiervoor een lidstaatoptie geïntroduceerd om gunstigere regels toe te passen
op productieve investeringen die gereguleerd zijn of een laag risicoprofiel kennen
volgens het voorstel. Dit is dus geen verplichting. Vervolgens wordt een lijst genoemd
van o.a. Europese investeringsvehikels waarin belegd kan worden tegen gunstige regulering
zoals het European Long-term Investment Fund en European Venture Capital Fund. Als dit concept zou worden toegepast zou het echter sturend kunnen zijn voor het
beleggingsbeleid en het handelen door het pensioenfonds in het belang van deelnemers
volgens het prudent person beginsel kunnen belemmeren. Ik ben geen voorstander van
regelgeving die een belemmering of verstoring kan zijn van afwegingen in het (strategisch)
beleggingsbeleid die in het belang van de deelnemers worden gemaakt ten behoeve van
het prudent person beginsel.
Ik sta positief tegenover meer investeringen in Europa in bijvoorbeeld durfkapitaal.
Echter, stimulering van deze investeringen door sturing van de investeringen met een
lijst van investeringsvehikels kan leiden tot onnodige prijsopdrijving door een grotere
vraag naar deze investeringsmogelijkheden. Dit zou de opbrengst van deze investeringen
doen verminderen en deze investeringsmogelijkheden onnodig duur maken. Ik ben daarom
ook voorstander om start-ups en scale-ups op andere wijzen te stimuleren.9
De leden van de CDA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de geannoteerde
agenda voor de Formele Raad Werkgelegenheid en Sociaal Beleid van 29 juni 2026 en
de Informele Raad Werkgelegenheid en Sociaal Beleid van 6 juli 2026, alsmede van de
bijbehorende brieven en fiches. Deze leden hebben hierover enkele vragen.
De leden van de CDA-fractie nemen kennis van de stand van zaken rond de herziening
van de IORP II-richtlijn. Zij onderschrijven dat aanvullende pensioenstelsels in Europa
kunnen bijdragen aan een adequaat pensioeninkomen en langetermijninvesteringen, maar
benadrukken dat Europese regels geen afbreuk mogen doen aan goed functionerende nationale
pensioenstelsels zoals het Nederlandse stelsel.
In Nederland hangt het aanvullende pensioenstelsel nauw samen met collectieve afspraken
en de rol van sociale partners. Deze leden vragen hoe de regering in de verdere onderhandelingen
borgt dat de rol van sociale partners en de nationale kenmerken van het Nederlandse
pensioenstelsel voldoende beschermd blijven.
In de huidige IORP II richtlijn is al vastgelegd dat de richtlijn geen afbreuk doet
aan het nationale sociaal- en arbeidsrecht op het gebied van de organisatie van pensioenstelsels,
waaronder verplichte deelneming en het resultaat van collectieve arbeidsovereenkomsten.
Dat uitgangspunt is in de voorstellen voor de herziening van IORP II onverminderd
van toepassing. In de Raadsonderhandelingen is waar nodig aandacht gevraagd voor de
rol van de sociale partners en de nationale kenmerken van het Nederlandse pensioenstelsel.
Er bestaat begrip voor de Nederlandse inbreng. Het Nederlandse stelsel van aanvullende
pensioenen is het grootste van de Europese Unie en onze argumenten dragen in dat opzicht
gewicht. Ik ben van mening dat in de concept-Raadspositie van het Cypriotische voorzitterschap
de rol van sociale partners en de nationale kenmerken van het Nederlandse pensioenstelsel
voldoende beschermd blijven.
Daarnaast lezen deze leden dat in het Europees Parlement een voorstel is gedaan waarbij
pensioenfondsen met meer dan € 1 miljard vermogen minstens 2% daarvan zouden moeten
beleggen in durfkapitaal. Zij vragen hoe de regering dit voorstel beoordeelt.
Pensioenfondsen handelen op basis van het prudent person beginsel in belang van hun
deelnemers en gepensioneerden volgens de Wet toekomst pensioenen. Het is goed dat
pensioenfondsen bij het bepalen van hun strategisch beleid de ruimte hebben om de
belangen van hun deelnemers te volgen. Het Commissievoorstel voor de herziening van
IORP II onderschrijft het prudent person beginsel en geeft daarmee ook aan dat het
inderdaad belangrijk is dat pensioenfondsen in het belang van hun deelnemers kunnen
handelen.
Het voorstel om minimaal 2% van het pensioenvermogen van pensioenfondsen met meer
dan één miljard euro aan vermogen te beleggen in durfkapitaal komt uit het concept-rapport
van rapporteur Boeselager en betreft geen definitief standpunt van het Europees Parlement
op het voorstel tot herziening van IORP II. Dit voorstel is niet in lijn met prudent
person beginsel. Een dergelijke verplichting belemmert pensioenfondsen om hun beleggingsbeleid
zo in te richten dat dit in lijn is met het beleggingsrisico dat deelnemers kunnen
en willen nemen. Dit is niet in het belang van de deelnemers aan het pensioenfonds.
Een minimum investeringslimiet past niet bij minimum harmonisatie. Ik ben dus ook
geen voorstander van dit voorstel. Mocht het EP dit voorstel in deze vorm te zijner
tijd in de triloog-fase inbrengen dan zal ik bovenstaande bezwaren hierover inbrengen.
Het versterken van de bescherming van deelnemers op Europees niveau is een belangrijke
ambitie, de leden van de CDA-fractie lezen dat de Minister hierover in zijn antwoorden
van maart schrijft: «Voor wat betreft de zorgplicht geldt dat er al veel in de wet
geregeld is» en dat de inzet van het kabinet tijdens deze onderhandelingen is «om
de aanvullende regeldruk in de sector te beperken, terwijl ook het belang van de bescherming
van deelnemers goed in het vizier wordt gehouden».
Kan de Minister concretiseren waar deze inzet van het kabinet precies op ziet als
het gaat om het beperken van aanvullende regeldruk? Deelt de Minister de zorg van
de Pensioenfederatie dat een algemene zorgplicht kan leiden tot juridische onduidelijkheid
voor pensioenuitvoerders, toezichthouders en de rechtspraak?
De inzet van het kabinet is er in zijn algemeenheid op gericht om voorstellen die
leiden tot aanvullende regeldruk voor de sector, kritisch te beoordelen op de vraag
of de voorstellen ook daadwerkelijk leiden tot betere bescherming van deelnemers.
Het oorspronkelijke voorstel is in de concept-Raadsinstructie op een aantal punten
in belangrijke mate aangepast. Het voorstel voor een algemene zorgplicht maakt nog
steeds onderdeel uit van de concept-Raadspositie. Ik heb inderdaad eerder aangegeven
dat voor wat betreft de zorgplicht geldt dat er al veel in de wet geregeld is.10 Mijn inschatting is dat, gezien hetgeen nu al in de wet is opgenomen, het voorschrift
inzake een algemene zorgplicht zoals dat nu in de concept-Raadsinstructie staat, niet
zal leiden tot een significante verzwaring van de regeldruk voor pensioenfondsen.
Waar nodig zal ik bij de implementatie verder toelichten wat de zorgplicht betekent.
Ik merk hierbij op dat een Raadspositie niet het eindstation van de onderhandelingen
is. Nadat ook het Europees Parlement een positie heeft bepaald (naar verwachting dit
najaar), zal de Raad samen met het EP tot een uiteindelijk politiek akkoord moeten
komen. Ook in deze zogenoemde triloog-onderhandelingen zal Nederland zich blijven
inzetten voor het beperken van de regeldruk voor pensioenfondsen.
De leden van de CDA-fractie nemen kennis van het voorlopig akkoord over de herziening
van Verordening 883/2004 en constateren dat het kabinet dit akkoord niet heeft gesteund,
onder meer vanwege de verruiming van de export van werkloosheidsuitkeringen. Deze
leden vragen hoe de regering de risico’s beoordeelt voor controle, handhaving en activering
naar werk wanneer WW-uitkeringen langer kunnen worden geëxporteerd, en welke concrete
waarborgen noodzakelijk worden geacht om te voorkomen dat begeleiding naar werk tekortschiet
of de rechtmatigheidscontrole verslechtert. Daarnaast vragen deze leden wanneer de
Kamer duidelijkheid ontvangt over de uitvoeringsgevolgen en de kosten, die door UWV
en SVB in kaart worden gebracht.
Activering naar werk
Risico’s
Wanneer een WW-gerechtigde met behoud van WW-uitkering gedurende maximaal zes maanden
in een andere lidstaat naar werk gaat zoeken, moet de betrokkene zich houden aan de
sollicitatieverplichtingen van die lidstaat en is diezelfde lidstaat verantwoordelijk
voor ondersteuning bij het vinden van werk en controle op het voldoen aan de voorwaarden
voor het recht op uitkering. De kern van dit systeem verandert niet. Onder de huidige
exportregeling is bekend dat WW-gerechtigden die de uitkering exporteren in de andere
lidstaat minder vaak werk vinden dan WW-gerechtigden die in Nederland verblijven.
Dat risico zal zich over een langere duur kunnen voordoen (nu drie maanden, straks
zes maanden). Mogelijk speelt hier – vooral in lidstaten die lagere kosten van levensonderhoud
hebben – het ontbreken van een financiële prikkel voor het vinden van werk een rol.
Ook kan de situatie op de plaatselijke arbeidsmarkt meespelen.
Waarborgen
Nederland heeft zich in de onderhandelingen onder meer ingespannen voor het verkrijgen
van een betere informatiepositie van UWV. Deze inspanningen zijn beloond. In het politiek
akkoord is in de laatste fase van de onderhandelingen aan de tekst van het akkoord
toegevoegd dat de lidstaat waar naar werk wordt gezocht, de lidstaat die de uitkering
betaalt maandelijks moet informeren of de WW-gerechtigde zich houdt aan de controle-
en arbeidsbemiddelings- of activeringsprocedures in die lidstaat. Met deze toevoeging
wordt beoogd UWV meer zicht en grip te geven op de situatie van de WW-gerechtigde
die in een andere lidstaat naar werk zoekt.
Om de financiële stimulans voor het vinden van werk te bevorderen, heeft Nederland
zich tijdens de onderhandelingen daarnaast onder meer ingespannen voor een wijziging
van de bepaling in Verordening 883/2004 die de berekening van de hoogte van de werkloosheidsuitkering
regelt. Nederland wil hierin opnemen dat inkomsten die tijdens de (dagloon)referteperiode
zijn ontvangen in een andere lidstaat, worden meegenomen in de hoogte van de WW-uitkering.
Als die inkomsten in die andere lidstaat lager zijn heeft dit een dempend effect op
de hoogte van de WW. Daarmee wordt de hoogte van de geëxporteerde WW-uitkering van
mensen die korter dan een jaar in Nederland hebben gewerkt meer in overeenstemming
gebracht met de kosten voor levensonderhoud van het woonland. Dit voorstel van Nederland
is niet overgenomen. Nederland zal zich hiervoor blijven inzetten in het kader van
nieuwe voorstellen die de Europese Commissie wil presenteren om de werkhervattingskansen
bij de export van werkloosheidsuitkeringen te verbeteren.
Controle en handhaving
Risico’s
Controle en handhaving is per definitie ingewikkelder als de uitkeringsgerechtigde
niet in Nederland verblijft. In Nederland is er door een koppeling van systemen immers
meer inzicht in de situatie van de WW-gerechtigde. Een dergelijke koppeling bestaat
niet met andere lidstaten. Daardoor is het moeilijker om te controleren of de WW-gerechtigde
bijvoorbeeld werk hervat in een andere lidstaat.
Waarborgen
In de tekst van het akkoord is afgesproken dat de lidstaat waar de WW-gerechtigde
woont de lidstaat die de uitkering betaalt moet informeren (onmiddellijk of op verzoek
van UWV), wanneer zich een situatie voordoet die van invloed kan zijn op het recht
op uitkering. Deze verplichting bestond al maar is aangescherpt, mede op aandringen
van Nederland. De informatiepositie van UWV is hierdoor verbeterd.
Nederland heeft tijdens de onderhandelingen gepleit voor verdergaande maatregelen.
Zo heeft Nederland voorgesteld dat UWV maandelijks op de hoogte wordt gesteld van een eventuele werkhervatting wanneer de WW-gerechtigde
in een andere lidstaat naar werk zoekt met behoud van uitkering. Ook heeft Nederland
gepleit voor het opnemen van afspraken over de mogelijkheid van bulkgegevensuitwisseling
wanneer WW-gerechtigden in een andere lidstaat verblijven. In het politiek akkoord
is wel een expliciete grondslag opgenomen voor dergelijke gegevensuitwisselingen op
bilateraal niveau, maar Nederland had graag concretere en EU-brede procesafspraken
gezien voor dergelijke gegevensuitwisselingen in het kader van de export van werkloosheidsuitkeringen.
Nederland zal zich hiervoor blijven inzetten in het kader van nieuwe voorstellen die
de Europese Commissie wil presenteren om de controle en handhaving bij de export van
werkloosheidsuitkeringen te verbeteren.
Uitvoeringstoetsen
Ik zal UWV en de SVB vragen om een uitvoeringstoets te verrichten om inzicht te krijgen
in de kosten en eventuele besparingen voor de implementatie en uitvoering van het
akkoord. Naar verwachting zullen UWV en de SVB de uitvoeringstoetsen begin december
opleveren.
De leden van de CDA-fractie verzoeken de Minister om de geraamde extra WW-uitgaven
van circa € 14 miljoen per jaar uit te splitsen naar grensarbeiders, andere mobiel
werkenden en overige uitkeringsgerechtigden.
De geraamde circa € 14 miljoen per jaar is de som de drie belangrijkste wijzigingen
in het werkloosheidshoofdstuk11:
1) De verwachte kosten van de invoering van een wachttijd van één maand voordat tijdvakken
van verzekering worden meegeteld voor de opening van het recht op een uitkering. Deze
kosten worden geraamd op circa € 1,5 miljoen per jaar en vallen in de categorie «overige
uitkeringsgerechtigden». Hierbij gaat het om mensen die eerder in Nederland werkten
en binnen een maand in een andere lidstaat werkloos zijn geworden.
2) De verwachte kosten van de verlenging van de exporttermijn van drie naar zes maanden.
Deze kosten worden geraamd op circa € 1,6 miljoen per jaar en vallen voor 80–90% in
de categorie «andere mobiel werkenden (hierna: niet-grensarbeiders)».12
3) De verwachte kosten van de nieuwe aanwijsregel voor volledig werkloze grensarbeiders
en niet-grensarbeiders. Deze kosten worden in totaal geraamd op € 10,6 miljoen per
jaar. Naar verwachting bestaat deze groep voor circa 75% uit grensarbeiders en voor
25% uit de categorie niet-grensarbeiders.13
Tevens vragen deze leden om een inkomenseffectanalyse van de voorgestelde wijzigingen
voor grensarbeiders, uitgaande van een werknemer woonachtig in Nederland en werkzaam
in België respectievelijk Duitsland, een werknemer woonachtig in België respectievelijk
Duitsland en werkzaam in Nederland, een bruto maandloon van € 3.500, volledige werkloosheid
na 20 en 24 weken arbeid als grensarbeider en een verzekeringsverleden van 10 jaar
in het woonland. Daarbij vragen deze leden tevens inzicht in de hoogte, duur en financieringsbron
van de werkloosheidsuitkering onder zowel het huidige als het voorgestelde stelsel.
Allereerst moet worden opgemerkt dat de bestaande uitkeringsrechten onaangetast blijven.
De nieuwe regels zien alleen op aanvragen voor werkloosheidsuitkeringen die zijn ingediend
op of na de datum van toepassing van de wijzigingsverordening.14
Het antwoord op deze vraag wordt voor België en Duitsland gebaseerd op de Missoc-tabellen
(die algemene informatie geven over de socialezekerheidsstelsels van de lidstaten)
en op de website van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening (RVA).15
Bij de beantwoording wordt uitgegaan van een bruto maandloon van € 3.500. Doordat
tijdvakken uit andere lidstaten kunnen worden meegeteld, geldt bij het uitwerken van
de voorbeelden dat er sprake is van een arbeids- / verzekeringsverleden van tien jaar.
Daarbij wordt er ook vanuit gegaan dat er sprake is van een ononderbroken verzekeringsperiode
van tien jaar.
Hoogte, duur en financieringsbron Nederlandse WW in 2026
• € 2.625 bruto per maand (eerste 2 maanden, 75% van € 3.500 bruto)
• € 2.450 bruto per maand (daarna, 70% van € 3.500 bruto)
• Duur: 10 maanden
• De WW-uitkering wordt gefinancierd door het Algemeen Werkloosheidsfonds (AWf). Werkgevers
betalen AWf-premies over het brutoloon van hun werknemers.
Hoogte, duur en financieringsbron Belgische werkloosheidsregeling
• € 2.275 bruto per maand (eerste 3 maanden, 65% van € 3.500 bruto)
• € 2.100 bruto per maand (4e tot 12e maand, 60% van € 3.500 bruto)
• Duur:
– Basisperiode: 12 maanden (voor iedereen die aan de toelatingsvoorwaarden voldoet)
– Bij 10 jaar verzekeringsverleden wordt de uitkering verlengd tot maximaal 24 maanden.
Voorwaarde: Minimaal 312 arbeids- of gelijkgestelde dagen in de afgelopen 36 maanden.
• De Belgische werkloosheidsuitkering wordt gefinancierd door sociale bijdragen (werkgeversbijdragen
en werknemersbijdragen).
Hoogte, duur en financieringsbron Duitse werkloosheidsregeling (Arbeitslosengeld I)
• € 1.657 bruto per maand (met kinderen: € 1.845 bruto per maand.)
• Duur:12 maanden als de verzekerd jonger is dan 50 jaar
– 15 maanden als de gerechtigde tussen de 50 en 54 jaar oud is;
– 18 maanden tussen de 55- en 57-jarige leeftijd; en
– 24 maanden als de uitkeringsgerechtigde ouder is dan 58.
• De Duitse werkloosheidsverzekering wordt gefinancierd door werkgevers- en werknemersbijdragen.
Wanneer welke uitkering
In de twee tabellen hieronder wordt weergegeven wanneer welke lidstaat bevoegd is
Woonland Nederland
Huidige situatie
Toekomstige situatie
Werkland België meer dan 22 weken gewerkt
Nederland bevoegd
België bevoegd
Werkland België, minder dan 22 weken gewerkt
Nederland bevoegd
Nederland bevoegd
Werkland Duitsland, meer dan 22 weken gewerkt
Nederland bevoegd
Duitsland bevoegd
Werkland Duitsland, minder dan 22 weken gewerkt
Nederland bevoegd
Nederland bevoegd
Werkland Nederland
Huidige situatie
Toekomstige situatie
Woonland België meer dan 22 weken gewerkt
België bevoegd
Nederland bevoegd
Woonland België, minder dan 22 weken gewerkt
België bevoegd
België bevoegd
Woonland Duitsland, meer dan 22 weken gewerkt
Duitsland bevoegd
Nederland bevoegd
Woonland Duitsland, minder dan 22 weken gewerkt
Duitsland bevoegd
Duitsland bevoegd
De leden van de CDA-fractie vragen voorts welke staat op grond van de belastingverdragen
tussen Nederland en België respectievelijk Duitsland bevoegd is tot belastingheffing
over WW-uitkeringen die door het voormalige werkland worden betaald aan grensarbeiders
die in een andere lidstaat wonen, en of is onderzocht of de nieuwe coördinatie kan
leiden tot situaties waarin premieheffing, uitkeringsfinanciering en belastingheffing
in verschillende lidstaten plaatsvinden. Indien dat het geval is, vragen deze leden
wat dit betekent voor de netto-uitkeringspositie van betrokken grensarbeiders en of
dergelijke situaties wenselijk worden geacht, en indien dat niet het geval is, welke
mogelijkheden het kabinet ziet om deze fiscale en sociale discoördinatie te voorkomen.
WW-uitkeringen die door het voormalig werkland worden betaald, worden in principe
onder het belastingverdrag Nederland-België in het woonland van de grensarbeider belast,
terwijl de premieheffing plaatsvindt in het voormalig werkland. De wijziging van de
Verordening leidt ertoe dat de premieheffing over WW-uitkeringen verschuift van het
woonland naar het voormalig werkland. Deze «discoördinatie» doet zich onder de huidige
Verordening 883/2004 niet voor bij volledig werkloze grensarbeiders.
Wat betreft de netto-uitkeringspositie kan het volgende worden opgemerkt: de exacte
gevolgen zijn afhankelijk van de feiten en omstandigheden van de individuele situatie
en kunnen voordelig of nadelig uitpakken.
Hoewel discoördinatie idealiter wordt voorkomen, zijn de afspraken in de belastingverdragen
primair bedoeld om heffingsrechten te verdelen en dubbele belasting te voorkomen.
Volledigheidshalve moet worden opgemerkt dat een herziening van belastingverdragen
alleen mogelijk is met instemming van beide landen. Het ligt niet op voorhand in de
rede om het belastingverdrag met België te herzien.
In relatie tot Duitsland is er geen sprake van «discoördinatie» tussen de premieheffing
en de belastingheffing, omdat onder het belastingverdrag Nederland-Duitsland het heffingsrecht
over de WW-uitkering wordt toegewezen aan land waar de uitkering uit afkomstig is.
De betrokken persoon is dan sociaal verzekerd in het voormalige werkland en betaalt
daar ook belasting.
De leden van de CDA-fractie lezen dat verwijzingen naar tweede-pijlerpensioenen uit
Bijlage XI van Verordening 883/2004 worden verwijderd, waardoor een flexibel gekozen
pensioendatum met een tweede-pijlerpensioen of vergelijkbare uitkering voorafgaand
aan de AOW-leeftijd niet langer kan leiden tot verdragsrecht op zorg ten laste van
Nederland. Deze leden vragen welke categorieën personen hierdoor worden geraakt, hoeveel
personen naar verwachting worden getroffen en of het klopt dat personen met uitsluitend
een niet-wettelijk Nederlands prepensioen of vergelijkbare uitkering in het buitenland
niet langer als verdragsgerechtigde kunnen worden aangemerkt. Daarnaast vragen deze
leden naar de gevolgen hiervan voor de toegang tot medische zorg in het woonland,
de toegang tot medische zorg tijdens tijdelijk verblijf in Nederland, het verblijfsrecht
op grond van Richtlijn 2004/38/EG en de verplichting tot het afsluiten van een particuliere
zorgverzekering in het woonland, en of hierbij overgangsproblemen worden voorzien
en op welke wijze deze worden ondervangen.
Tot slot vragen de leden van de CDA-fractie naar de algemene gevolgen van het bereikte
akkoord en verzoeken zij het kabinet om per categorie aan te geven welke concrete
nadelige gevolgen worden verwacht voor grensarbeiders, andere mobiel werkenden, werkloosheidsuitkeringsgerechtigden,
gepensioneerden en de uitvoering door UWV en SVB, alsmede welke van deze gevolgen
doorslaggevend zijn geweest in het besluit om het voorlopig akkoord niet te steunen.
De gevolgen van het bereikte akkoord voor mensen die grensoverschrijdend werken (grensarbeiders
en andere mobiel werkenden (hierna: niet-grensarbeiders)) of mensen die in grensoverschrijdend
verband een uitkering ontvangen, verschillen sterk van geval tot geval. De grenswerker
of (potentiële) uitkeringsgerechtigde kan door één of meer van de wijzigingen in het
akkoord en afhankelijk van zijn persoonlijke situatie, (financiële) voor- en/of nadelen
van het akkoord ondervinden.
De grootste impact voor grensarbeiders en niet-grensarbeiders is waarschijnlijk gelegen
in de aanpassingen met betrekking tot de werkloosheidsuitkeringen.
Volledig werkloze grensarbeiders die (langer dan) 22 weken in het werkland hebben
gewerkt maken voortaan aanspraak op een werkloosheidsuitkering uit het werkland, terwijl
zij onder de huidige regels een werkloosheidsuitkering in het woonland moeten aanvragen.
Of dit voor- of nadelig uitpakt hangt af van het woon-, dan wel het werkland van de
betrokkene én van de specifieke situatie van de betrokkene.
Niet-grensarbeiders kunnen de werkloosheidsuitkering langer ontvangen in het woonland
dan nu het geval is. Daar staat tegenover dat deze groep onder de huidige regels in
theorie (mits aan de voorwaarden wordt voldaan) al na één dag werken aanspraak kan
maken op een werkloosheidsuitkering uit het werkland, terwijl onder het akkoord eerst
de affiliatieperiode van 22 weken moet worden doorlopen. De introductie van de affiliatieperiode
heeft tot gevolg dat niet-grensarbeiders die maar kort in Nederland werken terwijl
ze in een andere lidstaat wonen, niet langer aanspraak maken op een WW-uitkering in
Nederland.
De effecten voor de SVB en UWV worden in kaart gebracht bij de uitvoeringstoetsen.
Algemene toelichting over zorg in de verordening
De Europese Verordening 883/2004 coördineert de socialezekerheidsstelsels van EU-landen.
Gegeven de situatie van de burger, bepaalt de Verordening welk land verantwoordelijk
is voor sociale verzekeringen en dit voorkomt dat iemand nergens of juist in meerdere
landen tegelijkertijd is verzekerd. In het verlengde hiervan regelt de verordening
ook hoe je, wanneer je in een ander EU-land woont, werkt, studeert of tijdelijk verblijft,
zorg ontvangt en welke lidstaat dit betaalt.
Aanpassing Bijlage XI
Bijlage XI van deze verordening beschrijft bijzondere bepalingen per lidstaat voor
de toepassing van de verordening en geeft hiermee praktische invulling aan grensoverschrijdende
zorg (denk aan wie moet zich verzekeren, welke zorgrechten je in Nederland hebt als
je elders verzekerd bent, wie zorg ten laste van Nederland kan krijgen). Met deze
nieuwe aanpassingen in bijlage XI zijn verwijzingen naar verouderde, deels niet meer
van kracht zijnde, wet- en regelgeving en onduidelijke niet goed uitvoerbare passages
verwijderd.
Bijlage XI is daarmee vereenvoudigd en geüpdatet. Alle bestaande rechten die voorzien
in zorg ten laste van Nederland blijven bestaan. Dat is geregeld in het overgangsrecht.
Nieuwe gevallen worden op hun eigen merites beoordeeld, maar in die gevallen is uiteraard
geen sprake van een bestaand recht.
In de huidige tekst van bijlage XI was een verwijzing opgenomen naar arbeidsvoorwaarden
die de verzorging van gewezen werknemers ten doel heeft, die vanaf 55 jaar en vóór
65 jaar van een dergelijke arbeidsvoorwaarde gebruikmaken. In de praktijk is en was
niet duidelijk waar die passage precies naar verwees. Dat maakte dat in de praktijk
een keuzerecht was ontstaan: als een burger zich meldde bij CAK ontstond er een recht
op zorg betaald door Nederland, als een burger zich niet meldde bij CAK ontstond er
geen recht op zorg betaald door Nederland. Die onduidelijke situatie vindt het kabinet
onwenselijk en die situatie is nu hersteld.
Zorg in het woonland is en blijft voor iedereen toegankelijk, mede op basis van de
recente Hofuitspraak «A. tegen Latvijas Republikas Veselības ministrija (C-535/19)» op basis waarvan het een economisch niet actieve burger niet kan worden tegengeworpen
dat hij van zijn recht op vrij verkeer van personen gebruik maakt. Uiteraard mag de
EU-burger geen onredelijke last vormen voor de overheidsfinanciën van het nieuwe EU-woonland.
Het nieuwe EU-woonland mag daarom voorwaarden stellen aan bijdragen voor een ziektekostenverzekering.
Deze voorwaarden kunnen onder meer inhouden dat de EU-burger een premiebijdrage betaalt
aan het publieke zorgstelsel van het nieuwe EU-woonland, of dat de EU-burger een betaalbare
particuliere ziektekostenverzekering afsluit.
Het is niet precies aan te geven uit hoeveel personen deze huidige groep van personen
bestaat die van de arbeidsvoorwaarden op basis van een tweede pijler pensioensysteem
gebruik maken en die in het buitenland wonen. Er wordt in de cijfers geen onderscheid
gemaakt tussen gepensioneerden, uitkeringsgerechtigden en daaraan gelijkgestelden
met een recht op zorg ten laste van Nederland. Er zijn wel cijfers beschikbaar van
de gehele groep van gepensioneerden, uitkeringsgerechtigden en daaraan gelijkgestelden.
In 2024 waren er 86.868 gepensioneerden, uitkeringsgerechtigden en daaraan gelijkgestelden
met een recht op zorg ten laste van Nederland. Conform de reguliere afspraken die
volgen uit de Verordening hebben ook nabestaanden recht op en toegang tot zorg in
hun EU-woonland en kunnen zij zich aansluiten bij het stelsel van hun woonland. Daarmee
wordt gebruik gemaakt van het geboden zorgpakket in het woonland. Voor nabestaanden
wijzigt er overigens niets. Hiermee is de zorg in de basis goed geregeld. Er zijn
geen gevolgen voor het recht op toegang tot medische zorg in het woonland.
Zoals aangegeven in mijn brief van 10 juni bevat het akkoord plus- en minpunten. Het
kabinet beoordeelt voornoemde invoering van de affiliatietermijn als positief, terwijl
de verruiming van de export van werkloosheidsuitkeringen als negatief wordt beoordeeld.
Andere positieve elementen zijn de nieuwe afspraken die bijdragen aan handhaving op
het terrein van A1-verklaringen, de wijzigingen in het hoofdstuk gezinsbijslagen (die
een duidelijkere en eenvoudigere regeling voor gezinsbijslagen behelzen) en de afspraken
die gegevensuitwisseling met andere lidstaten en invordering van premies en onverschuldigd
betaalde uitkeringen beogen te bevorderen. Alles afwegende is het kabinet van mening
dat het akkoord onder de streep onvoldoende tegemoetkomt aan de Nederlandse wensen.
Hierbij is de verruiming van de mogelijkheden voor de «export» van WW-uitkeringen
doorslaggevend geweest.
De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de Europese Anti-Armoedestrategie.
Zij onderschrijven het belang van preventie, werk, financiële educatie, vroegsignalering
en laagdrempelige hulp bij geldzorgen en beginnende schulden.
Deze leden vragen hoe het kabinet ervoor zorgt dat deze elementen voldoende worden
meegenomen in de verdere Europese uitwerking. In het bijzonder vragen deze leden hoe
de Nederlandse praktijk van laagdrempelige ondersteuning, sociaaljuridische hulp,
schuldhulpverlening en de inzet van vrijwilligersorganisaties onder de aandacht wordt
gebracht in Europees verband.
Het Nationaal Programma Armoede en Schulden zet in op het voorkomen en verhelpen van
armoede voor iedereen die onder of net boven de armoedegrens leeft. Preventie door
onder andere financiële educatie, toeleiden naar werk, vroegsignalering en laagdrempelige
hulp bij geldzorgen en beginnende schulden zijn belangrijke elementen daarin. Het
kabinet deelt de aanpak in Europees verband waar mogelijk en wil ook kennisnemen en
leren van goede voorbeelden uit andere Europese lidstaten. Het kabinet ziet uit naar
het aangekondigde Commissievoorstel voor een aanbeveling ter ondersteuning van makkelijke
en geïntegreerde toegang tot diensten met aandacht voor sociale inclusie en zal bovengenoemde
elementen te zijner tijd meenemen in de appreciatie.
Tot slot nemen de leden kennis van de voorgenomen Raadsconclusies over het voorkomen
en bestrijden van cybergeweld tegen meisjes. Zij achten het van groot belang dat meisjes
online beter worden beschermd tegen seksuele intimidatie, deepfakes en de verspreiding
van schadelijke beelden.
Deze leden vragen hoe wordt geborgd dat platforms sneller en effectiever optreden
tegen deze vormen van online geweld, en welke inzet Nederland daarbij in Europees
verband kiest.
Online platforms dragen verantwoordelijkheid voor het tegengaan van illegale en schadelijke
content. Binnen de Europese Unie gelden hiervoor regels, neergelegd in de Digital
Services Act (DSA). Zo schrijft de DSA onder meer voor dat platforms moeten voorzien
in kennisgevings- en actiemechanismen, via welke illegale inhoud bij hen kan worden
gemeld. De zogenoemde zeer grote online platfoms moeten de systeemrisco’s van hun
diensten in kaart brengen en beperken, waaronder risico’s met betrekking tot gendergerelateerd
geweld, de bescherming van minderjarigen en ernstige negatieve gevolgen voor het lichamelijke
en geestelijke welzijn van de persoon. De Europese Commissie ziet primair toe op de
naleving van deze regels door zeer grote online platforms en beschikt over instrumenten
om deze platforms hierop aan te spreken. Nederland kan de Europese Commissie niet
aansturen in haar onafhankelijke toezichthoudende rol, maar heeft in Europees verband
herhaaldelijk opgeroepen om, binnen het bestaande Europese kader, aandacht te besteden
aan de aanpak van online geweld tegen vrouwen en meisjes. Het kabinet steunt daarnaast
de Europese aanpak waarbij online geweld tegen meisjes wordt erkend als een vorm van
gendergerelateerd geweld. Daarbij zet Nederland in op strafbaarstelling en vervolging
van online vormen van geweld, onder meer via de implementatie van de EU-richtlijn
geweld tegen vrouwen.
Ten aanzien van deepfakes, is binnen de Europese Unie een akkoord bereikt over een
verbod in de AI-verordening op AI-systemen die materiaal van seksueel kindermisbruik
of naaktbeelden zonder toestemming vervaardigen of manipuleren. Het verbod treedt
in december dit jaar nog in werking. Verder zet het kabinet erop in om de bestaande
mogelijkheden onder de DSA te benutten zodat slachtoffers zo goed mogelijk worden
geholpen. Zo ondersteunt het kabinet de stichting Offlimits die door de Autoriteit
Consument en Markt (ACM) op basis van de DSA is aangewezen als betrouwbare flagger.
Meldingen van Offlimits moeten door hostingdiensten en online platforms met prioriteit
worden behandeld. Offlimits kan waar nodig ook doorverwijzen naar specialistische
hulp.
De leden van de PRO-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de stukken
geagendeerd voor dit schriftelijk overleg. Deze leden hebben ook kennisgenomen van
de vorderingen rondom de Europese coördinatieverordening sociale zekerheid.
De leden van de PRO-fractie lezen dat met het voorstel premieshoppen wordt tegengegaan.
Deze leden vragen welke gevolgen de voorgestelde wijzigingen hebben voor het gebruik
van de A1-verklaring. Deze leden vragen dat de regering uiteenzet op welke wijze misbruik
van A1-verklaringen onder de nieuwe voorstellen wordt voorkomen, welke frauderisico’s
volgens de regering blijven bestaan en welke aanvullende waarborgen worden voorzien.
Met een A1-verklaring kan een werknemer of zelfstandige aantonen in welk land hij
of zij sociaal verzekerd is. Dit komt de rechtszekerheid van de werkende ten goede.
Tegelijkertijd moet voorkomen worden dat A1-verklaringen aangevraagd worden op basis
van constructies of onjuiste informatie met het doel premievoordelen te behalen.
Fraude en misbruik met A1-verklaringen wordt tegengegaan door middel van een aantal
wijzigingen in Verordening 883/2004. Bij een detachering van maximaal 24 maanden kan
men verzekerd blijven in de uitzendende lidstaat. Onder de huidige Verordening moeten
werknemers en zelfstandigen slechts één maand onderworpen zijn aan het socialezekerheidsstelsel
van de uitzendende lidstaat, voordat ze met een A1-verklaring gedetacheerd kunnen
worden naar een andere lidstaat. Dit wordt met het akkoord verlengd naar drie maanden.
Dit helpt tegen het fenomeen waarbij derdelanders naar een EU-lidstaat worden gehaald
om van daaruit vrijwel direct gedetacheerd te worden naar een andere EU-lidstaat.
Tevens is afgesproken dat in geval van fraude de intrekking van de A1-verklaring terugwerkende
kracht heeft. Dit kan betekenen dat over het verleden premies en eventuele uitkeringen
verrekend of terugbetaald moeten worden. Dit maakt het minder aantrekkelijk om een
schijnconstructie op te zetten.
Verder zijn afspraken gemaakt over de controle van relevante feiten voor de afgifte
van een A1-verklaring en is de bemiddelingsprocedure bij geschillen over de A1-verklaring
aangescherpt.
Zoals blijkt uit het bovenstaande worden met het akkoord een aantal belangrijke stappen
gezet die de handhaving met betrekking tot A1-verklaringen verbeteren. Op dit moment
is het belangrijkste om ervoor te zorgen dat deze wijzigingen goed worden geïmplementeerd
en vervolgens ook worden gehandhaafd. Als dat gebeurt, kan een goede inschatting worden
gemaakt of aanvullende maatregelen nodig zijn.
De leden van de PRO-fractie lezen dat het onderscheid tussen grensarbeiders en niet-grensarbeiders
vervalt. Deze leden vragen welke praktische, juridische en financiële gevolgen dit
heeft voor werknemers, werkgevers, uitkeringsinstanties en lidstaten.
De «aanwijsregels» in het hoofdstuk werkloosheid wijzen de lidstaat aan die de werkloosheidsuitkering
moet betalen: het woonland of de bevoegde lidstaat (hierna: het werkland). Het gaat
in deze bepaling om grensarbeiders en «niet-grensarbeiders». Grensarbeiders reizen
minimaal een keer per week van hun woonland naar hun werkland. Niet-grensarbeiders
zijn alle andere werknemers die in een andere lidstaat wonen dan waar zij werken,
zoals bijvoorbeeld seizoenarbeiders of andere «mobiele werkenden» met een tijdelijk
contract. De huidige regels bevatten verschillende regels voor grensarbeiders en niet-grensarbeiders.
Het akkoord bepaalt dat dezelfde regels zullen gelden voor alle werklozen die in een
andere lidstaat woonden dan het werkland. Hoofdregel is dat er aanspraak bestaat op
een werkloosheidsuitkering uit het voormalig werkland, indien daar (meer dan) 22 weken
is gewerkt.
De belangrijkste wijziging voor grensarbeiders is dat voortaan na 22 weken werken
aanspraak bestaat op een uitkering uit het voormalig werkland, terwijl er nu uitsluitend
recht op werkloosheidsuitkering uit het woonland kan bestaan.
De belangrijkste wijziging voor niet-grensarbeiders is dat zij voortaan minimaal 22
weken in het werkland moeten werken voordat daar aanspraak op werkloosheidsuitkering
bestaat, terwijl er nu in theorie na één dag werken aanspraak op werkloosheidsuitkering
bestaat.
Voor beide groepen geldt dat er recht is op «export» van de werkloosheidsuitkering
naar het woonland. Hoe lang en onder welke voorwaarden de uitkering mag worden geëxporteerd
hangt af van waar de betrokken persoon naar werk wil zoeken. Wordt naar werk gezocht
in het woonland, dan is er recht op behoud van uitkering gedurende maximaal zes maanden,
eventueel gevolgd door een werkloosheidsuitkering uit het woonland als daar nog een
resterend uitkeringsrecht bestaat. Wordt naar werk gezocht in het voormalig werkland,
dan is er geen maximale termijn verbonden aan het wonen of verblijven in het woonland
met behoud van uitkering.
Wat de financiële consequenties zijn voor grensarbeiders of voor niet-grensarbeiders
hangt af van de individuele situatie van de betrokken persoon. Voor werkgevers heeft
deze wijziging geen gevolgen.
UWV brengt de gevolgen van de wijzigingen in kaart in een uitvoeringstoets.
Voor lidstaten brengt de wijziging een financiële verschuiving mee. Onder de huidige
Verordening moet het woonland van grensarbeiders (en soms ook van niet-grensarbeiders)
de werkloosheidsuitkering betalen. Daarvoor ontvangt het woonland een compensatie
van het werkland van drie tot vijf maanden, afhankelijk van de duur van het arbeidsverleden.
Deze compensatie is niet altijd kostendekkend. In de toekomst moet het werkland de
werkloosheidsuitkering vaker gaan betalen. In die lidstaat zijn ook de premies betaald.
De nieuwe regeling beoogt daarmee een rechtvaardigere verdeling van de uitkeringslasten
tussen de lidstaten te bewerkstelligen. Nederland is vaker «werkland» dan «woonland».
Om deze reden leidt de wijziging tot een intensivering van ongeveer € 10,6 miljoen
per jaar.
De leden van de PRO-fractie lezen dat een wachttijd van één maand verzekering wordt
geïntroduceerd voordat arbeidsverleden uit andere lidstaten meetelt voor het openen
van een WW-recht. Deze leden vragen welke gevolgen deze wijziging heeft.
Verordening 883/2004 regelt dat het arbeidsverleden in andere lidstaten mag worden
meegeteld voor de beoordeling van een recht op werkloosheidsuitkering. Dit artikel
is relevant voor de wekeneis en de arbeidsverledeneis in de WW. Op grond van de huidige
Verordening kan in theorie een in Nederland verzekerde werkloze die na één dag werken
werkloos wordt en voldoet aan de overige voorwaarden voor een werkloosheidsuitkering
de verzekeringstijdvakken uit een andere lidstaat meenemen en daarmee een WW-recht
openen.
In het akkoord wordt geregeld dat een werkloze werknemer eerst een ononderbroken periode
van één maand in een lidstaat verzekerd moet zijn geweest voordat het buitenlandse
arbeidsverleden wordt meegenomen («wachttijd»). Als de werknemer vóór het verstrijken
van die maand werkloos wordt, moet de uitkering worden aangevraagd in het voorlaatste
werkland. Die uitkering mag vervolgens zes maanden naar het nieuwe werkland worden
geëxporteerd.
Aangezien voor werklozen die in een andere lidstaat woonden dan waar zij werkten (grensarbeiders
en «niet-grensarbeiders») een affiliatieperiode geldt van 22 weken, is deze bepaling
vooral van belang voor de opening van het recht op werkloosheidsuitkering van mensen
met een arbeidsverleden in een andere lidstaat die in één en dezelfde lidstaat wonen
en werken. Het gaat dan om een werknemer die van lidstaat A naar lidstaat B emigreert
en in lidstaat B binnen een maand werkloos wordt. De verwachting is dat dit niet vaak
zal voorkomen en de impact van deze bepaling in de praktijk daarom beperkt zal zijn.
De leden van de PRO-fractie vragen hoe andere lidstaten hebben gereageerd op het door
Nederland ingediende non-paper. Deze leden vragen een beschouwing van het speelveld.
Diverse lidstaten hebben zowel in bilaterale als in plenaire vergaderingen positief
gereageerd op het Nederlandse non-paper en onderschreven dat er ook na deze herziening
een noodzaak is om de coördinatie van sociale zekerheid verder te moderniseren. De
meerderheid van de lidstaten gaf er echter de voorkeur aan om eerst tot een akkoord
te komen met betrekking tot de lopende herziening.
De leden van de PRO-fractie vragen welke wijzigingen in het huidige voorstel noodzakelijk
zijn voordat het kabinet alsnog kan instemmen met een akkoord. Deze leden vragen welke
onderdelen de regering daarbij als essentieel beschouwt en op welke punten zij ruimte
ziet voor een compromis.
Zoals aangegeven in mijn brief van 10 juni bevat het akkoord plus- en minpunten. Het
kabinet beoordeelt de invoering van de affiliatietermijn als positief, terwijl de
verruiming van de export van werkloosheidsuitkeringen als negatief wordt beoordeeld.
Andere positieve elementen zijn de nieuwe afspraken die bijdragen aan handhaving op
het terrein van A1-verklaringen, de wijzigingen in het hoofdstuk gezinsbijslagen (die
een duidelijkere en eenvoudigere regeling voor gezinsbijslagen behelzen) en de afspraken
die gegevensuitwisseling met andere lidstaten en invordering van premies en onverschuldigd
betaalde uitkeringen beogen te bevorderen. Alles afwegende is het kabinet van mening
dat het akkoord onder de streep onvoldoende tegemoetkomt aan de Nederlandse wensen.
Hierbij is de verruiming van de mogelijkheden voor de «export» van WW-uitkeringen
doorslaggevend geweest.
In de Coreper-vergadering van 29 april jl. heeft een grote meerderheid van lidstaten
aangegeven het akkoord te kunnen steunen. Slechts vijf lidstaten – waaronder Nederland
– konden het akkoord niet steunen. Eén lidstaat heeft een voorbehoud gemaakt. De EMPL-commissie
van het Europees Parlement heeft het akkoord op 6 mei jl. met een ruime meerderheid
aangenomen. Naar verwachting zal het EP tijdens de plenaire sessie van 6 tot en met
9 juli akkoord gaan in eerste lezing. Wanneer de tekst vervolgens teruggaat naar Coreper
en daarna naar de Raad zal dit slechts zijn voor formele aanname. Aangezien het krachtenveld
niet zal wijzigen is er geen ruimte meer voor wijzigingen.
De leden van de PRO-fractie vragen wanneer de uitvoeringstoetsen van UWV en SVB worden
verwacht en op welke manier de regering deze zal bezien.
Naar verwachting zullen UWV en de SVB de uitvoeringstoetsen begin december opleveren.
Deze uitvoeringstoetsen zijn erop gericht om de effecten op deze organisaties in kaart
te brengen en om inzicht te krijgen in de kosten en eventuele besparingen voor de
implementatie en uitvoering van het akkoord. Beide uitvoeringsorganisaties zijn reeds
goed betrokken geweest tijdens het onderhandelingstraject.
Ik zal uw Kamer informeren over de uitvoeringstoetsen van UWV en de SVB.
Ook hebben de leden van de PRO-fractie een vraag over de platformrichtlijn. Deze leden
vragen wanneer de regering de implementatiewet naar de Kamer zal sturen en hoe de
deadline van eind dit jaar gehaald wordt.
Het kabinet zal de kamer na de zomer per brief informeren over het tijdpad van de
implementatiewet, mede in het licht van de implementatiedeadline van 2 december 2026.
Deze deadline is naar verwachting niet realistisch. Het kabinet streeft naar een zo
spoedig mogelijke implementatie en hecht daarbij belang aan zorgvuldigheid. De implementatiewet
gaat voor de zomer in internetconsultatie.
De leden van de PRO-fractie hebben ook kennisgenomen van het feit dat Schiphol Airport
maatregelen neemt om de uitstoot van ultrafijnstof te verminderen, door onder andere
elektrificatie van materieel en andere procedures, om ervoor te zorgen dat werknemers
een gezondere werkomgeving krijgen. Deze leden hebben een vraag als het gaat over
een eventuele Europese standaarden. Deze leden vragen of het mogelijk zou zijn om
in te zetten op een Europese standaard als het gaat om de emissie van ultrafijnstof
op vliegvelden om op deze manier een gelijk speelveld te creëren binnen Europa zodat
vliegvelden die op deze manier willen investeren in de gezondheid van hun werknemers,
niet te maken krijgen met een nadelige concurrentiepositie.
Vanuit het oogpunt van gelijke bescherming van werkenden en een gelijk speelveld hecht
ik aan Europese normen op het gebied van emissie van vliegtuigen. Uw vraag gaat over
ultrafijnstof op Schiphol en andere vliegvelden. Ultrafijnstof is (onder andere) een
component van vliegtuigmotoremissie (VME) en dieselmotoremissie (DME). Het RIVM heeft
in 2024 vastgesteld dat VME kankerverwekkende stoffen bevat. Op basis daarvan geldt
de verplichting om de blootstelling van werknemers aan VME zo ver mogelijk om laag
te brengen (minimalisatie). Deze verplichting is gebaseerd op Europese regels. Schiphol
neemt in verband daarmee inderdaad maatregelen om de blootstelling van werknemers
aan stoffen als VME en DME omlaag te brengen.
Op korte termijn wordt ook een rapport van de Gezondheidsraad over de kankerverwekkendheid
van het mengsel VME verwacht. Tijdens het debat over arbeidsomstandigheden op 11 juni
jongstleden heb ik toegezegd dit rapport van de Gezondheidsraad in te zullen brengen
in Europa, met als doel te komen tot een Europese aanwijzing van het mengsel VME als
kankerverwekkend.
De leden van de fractie van PRO hebben ook een vraag over de plannen voor het Europese
«28e regime» waarmee de EU-Inc. kan worden gecreëerd. Deze leden vragen hoe de Nederlandse
regering wil waarborgen dat deze niet aan lagere standaarden hoeven te voldoen als
het gaat rechten voor werknemers en vraagt de Minister zich in te zetten voor het
beschermen van werknemersrechten.
Wanneer de EU Inc. na oprichting overgaat tot de dagelijkse praktijk van ondernemen,
krijgt de onderneming te maken met het nationale recht dat van toepassing is op de
arbeidsrelatie. Het voorstel harmoniseert het arbeidsrecht niet. Op grond van de Rome
I-Verordening16 zijn arbeidsovereenkomsten tussen EU Inc.-ondernemingen en hun werknemers onderworpen
aan het arbeidsrecht van de lidstaat waarin zij hun werknemers gewoonlijk laten werken,
en aan bijzonder dwingend recht van het land waar het werk wordt verricht.17 Hierdoor hebben werknemers die in Nederland werkzaam voor een EU Inc. dezelfde rechten
als andere werknemers die in Nederland werkzaam zijn.
Om de bescherming van werknemers te waarborgen is effectief toezicht en handhaving
van belang. Het kabinet ziet dat het voorstel kan leiden tot complexere en vertraagde
samenwerking op het gebied van arbeidsrechtelijke handhaving, des te meer omdat de
oprichting en verplaatsing van een EU Inc. eenvoudig en snel kan verlopen waardoor
het lastiger te achterhalen zal zijn aan welke lidstaat of autoriteit een verzoek
moet worden gericht. Het kabinet is van mening dat het huidige voorstel nog onvoldoende
waarborgen bevat om te voorkomen dat de nieuwe rechtsvorm gebruikt wordt om arbeidsrechten
te omzeilen en effectieve handhaving van het arbeidsrecht te realiseren. Het kabinet
acht het van belang dat ontduiking van de toepasselijke werknemersbescherming wordt
voorkomen en zal tijdens de onderhandelingen bewaken dat het voorstel hiervoor voldoende
waarborgen bevat. Het kabinet zal zich inzetten om het voorstel daartoe te verbeteren,
bijvoorbeeld door in te zetten op versterking van de bevoegdheden voor de relevante
poortwachters voor een volwaardige controle op een EU Inc. en voor heldere bevoegdheden
en toegang tot informatie over de EU Inc. voor relevante nationale autoriteiten, zoals
de Nederlandse Arbeidsinspectie.
De leden van de PRO-fractie maken zich zorgen over de consequenties van het «28e regime».
Deze leden vragen welke juridische en financiële gevolgen het 28e regime heeft voor
werknemers, werkgevers, uitkeringsgerechten en uitkeringsinstanties. De leden vragen
de Minister dit met name in kaart te brengen langs de lijn van de rechten die werknemers
nu kunnen ontlenen aan arbeidswetgeving, (ge-avv-de) cao's en pensioenregelingen,
uitkeringsrechten en de rechtszekerheid.
Het Nederlandse arbeidsrecht is van toepassing op werknemers die in Nederland werkzaam
zijn voor een EU Inc. Dit geldt eveneens voor het Nederlandse socialezekerheidsrecht,
mits de werknemer niet onder het socialezekerheidsstelsel van een andere lidstaat
valt bijvoorbeeld omdat de werknemer enkel tijdelijk werkzaam is in Nederland. Voor
werknemers die in Nederland werkzaam zijn voor een EU Inc. gelden daarmee dezelfde
rechten als voor een werknemer die in Nederland werkzaam is voor een onderneming met
een andere rechtsvorm. Het kabinet acht dit positief en bekijkt of het nodig is om
dit in het voorstel nog nader te expliciteren.
Tegelijkertijd is het kabinet wel van mening dat het huidige voorstel nog onvoldoende
waarborgen bevat om te voorkomen dat de nieuwe rechtsvorm gebruikt wordt om arbeidsrechten
te omzeilen. Dat komt vooral doordat het voorstel kan leiden tot complexere en vertraagde
samenwerking op het gebied van arbeidsrechtelijke handhaving. Het kabinet zet zich
ervoor in om het voorstel op dit punt te verbeteren.
De leden vragen zich meer specifiek af in hoeverre de individuele en de collectieve
rechten en belangen van werknemers gewaarborgd zijn en blijven bij deze nieuwe EU-Inc.
bedrijfsvorm, met de voorgestelde rechtsgrondslag (artikel 114 VWEU, tweede lid) en
de Rome 1 verordening (die niet op collectieve werknemersrechten en -belangen ziet)
in ogenschouw nemend.
Het kabinet begrijpt het voorstel en dan met name de overwegingen 6 en 83 zo dat zowel
het individuele als het collectieve het arbeidsrecht van de relevante lidstaat van
toepassing is op de arbeidsrelatie. De verordening harmoniseert het arbeidsrecht immers
niet. Verder wordt nadrukkelijk aangegeven dat het nationale recht van toepassing
is voor zover de verordening de betreffende zaken niet regelt. Daarbij bepaalt de
Rome I-verordening welk nationaal recht van toepassing is op internationale arbeidsovereenkomsten
binnen de Europese Unie.
De leden vragen zich af in hoeverre het wettelijk minimumloon en collectieve onderhandelingen
door sociale partners over de loonvorming ondergraven kan worden door de EU-INC verordening,
die dus voorrang heeft op nationale wet- en regelgeving, ook met het oog op het toestaan
van beloning via EU-ESO aandelenopties waar geen waarborgen voor gelden.
Werknemers van een EU Inc.-onderneming hebben, net als andere werknemers in Nederland,
recht op het wettelijk minimumloon dat tijdig en giraal dient te worden uitbetaald.
Per gewerkt uur dient dus minimaal het minimumloon betaald te worden. Het minimumloon
kan niet worden uitbetaald met werknemersopties. Eventuele beloningen boven op het
minimumloon zouden mogelijkerwijs via werknemersopties uitgekeerd kunnen worden.
De vraag of in Nederland gebruik kan worden gemaakt van de mogelijkheid om werknemersopties
aan te bieden is ook afhankelijk van de vraag of en onder welke cao, werknemers van
een EU Inc. vallen, of deze cao een dergelijke regeling toelaat en onder welke voorwaarden.
Het voorstel laat het arbeidsrecht, en daarmee de toepasselijke cao die een werknemersoptieregeling
al dan niet toestaat, onverlet.
De leden vragen zich af wat de potentiële kosten zijn voor bonafide bedrijven, werknemers
en de samenleving van oprichting van EU-INC bedrijfsvorm wanneer die gebruikt worden
voor brievenbusconstructies en flitsfaillissementen, aangezien het kabinet zelf al
waarschuwt voor witwassen en fraude.
Wanneer ondernemingen, waaronder in de vorm van een EU Inc., gebruikt worden voor
brievenbusconstructies om regels te omzeilen leidt dit tot oneerlijke concurrentie
met bonafide bedrijven. Het kabinet heeft in het BNC-fiche dat op 24 april naar uw
Kamer is gestuurd, uiteengezet dat het kabinet voorstander is van de ontwikkeling
van een 28ste regime dat daadwerkelijk tegemoetkomt aan de behoeften van belanghebbenden, zoals
bedrijven en werknemers binnen de EU, en dat bijdraagt aan de versterking van de concurrentiepositie
van bedrijven in de EU.18
Een 28ste regime voor ondernemingen kan belangrijke economische kansen bieden, omdat
het een kader schept voor ondernemingen dat in de gehele EU hetzelfde is. Het optionele
vennootschapsrechtelijke kader, dat de nieuwe rechtsvorm «EU Inc.» introduceert, biedt
verschillende vereenvoudigde procedures voor de onderneming die voor de EU Inc. kiest,
bijvoorbeeld bij de oprichting, aandelenoverdracht en de uitbreiding van vennootschappelijk
kapitaal. Ook kan een duidelijke en betrouwbare Europese rechtsvorm ervoor zorgen
dat de EU Inc. sneller wordt herkend door investeerders wat het grensoverschrijdend
zaken doen kan vergemakkelijken. Tegen deze achtergrond verwelkomt het kabinet het
voorstel voor een 28ste regime als een belangrijke stap om de interne markt verder
te verdiepen en het ondernemingsklimaat in de EU te versterken. Daarbij meent het
kabinet dat het 28ste regime enkel effectief en succesvol kan zijn als de EU Inc.
ondernemers en hun stakeholders (aandeelhouders, schuldeisers en werknemers) betrouwbaarheid
en rechtszekerheid biedt.
Zoals toegelicht in de beantwoording op de Kamervragen van het lid Van der Lee die
op 26 mei 2026 naar uw Kamer is gestuurd, meent het kabinet dat de waarborgen om fraude,
witwassen en misbruik van de EU Inc. voor financiële en fiscale criminaliteitsvormen
te voorkomen in het voorstel versterkt moeten worden.19 Het kabinet zet zich er daarom constructief voor in voorstellen te doen om het voorstel
te verbeteren, bijvoorbeeld door in te zetten op versterking van de bevoegdheden voor
de relevante poortwachters voor een volwaardige controle op een EU Inc. In het BNC-fiche
heeft het kabinet aangegeven te kijken naar de uitbreiding van de reikwijdte van cliëntonderzoek
en rechercheplicht van de notaris en bevoegdheden van nationale autoriteiten als de
Belastingdienst.
De leden van de PRO-fractie vragen zich ook af wat de consequenties zijn van het 28e
regime voor (laagbetaalde) arbeidsmigranten en hun rechten op collectieve regelingen
zoals de (ge-avv-de) cao, pensioenen en sociaal zekerheidsrechten en rechten die zijn
aan het arbeidsrecht kunnen ontlenen.
Zoals op de vragen van de leden van de PRO-fractie hierboven is toegelicht, vallen
werknemers die in Nederland werkzaam zijn voor een EU Inc. onder het Nederlandse arbeidsrecht.
Dit geldt ook voor arbeidsmigranten. Zij hebben eveneens recht op Nederlandse sociale
zekerheid, mits zij niet onder het socialezekerheidsstelsel van een andere lidstaat
vallen bijvoorbeeld omdat ze tijdelijk in Nederland werkzaam zijn.
De leden van de FVD-fractie constateren dat steeds meer beleidsterreinen die tot de
bevoegdheden van lidstaten behoren via Europese aanbevelingen en strategieën alsnog
onderwerp worden van beleid en sturing vanuit de EU. Zo ook het sociale beleid en
de arbeidsmarkt in Nederland. Hoewel de Europese Commissie formeel beperkte bevoegdheden
heeft op deze terreinen, lijkt de praktijk steeds vaker neer te komen op een geleidelijke
overheveling van nationale keuzes naar Europese invloed.
De leden van de FVD-fractie lezen dat de Europese Commissie Nederland opnieuw aanbeveelt
om het gebruik van flexibele en tijdelijke contracten verder terug te dringen. Kan
de Minister uiteenzetten waarom de Europese Commissie zich hier überhaupt over uitspreekt?
In hoeverre acht het kabinet arbeidsmarktbeleid een nationale aangelegenheid? Welke
ruimte ziet de Minister voor Nederland om af te wijken van dergelijke aanbevelingen
wanneer deze simpelweg niet aansluiten bij de Nederlandse wensen en
omstandigheden?
Nederland hecht waarde aan het Europees Semester en de landspecifieke aanbevelingen,
omdat de Raad de lidstaten hiermee wijst op belangrijke mogelijkheden om hun beleid
te versterken en zo ook het functioneren en stabiliteit van de Economische en Monetaire
Unie te versterken. Een sterke en stabiele Europese Unie, met sterke lidstaten die
duurzame en opwaartse economische convergentie en financiële stabiliteit nastreven,
is voor Nederland van groot belang als open economie. Vanzelfsprekend hoort daar ook
bij dat we in Nederland blijven werken aan ons duurzame groeipotentieel en het versterken
van onze financieel-economische stabiliteit.
Het kabinet hecht daarbij aan het behouden van de focus van het Semester op economisch,
begrotings- en werkgelegenheidsbeleid. Dit is met de voorliggende landspecifieke aanbevelingen
voldoende het geval. De landspecifieke aanbevelingen die de Commissie voorstelt zijn
in de ogen van het kabinet gebaseerd op een grondige analyse in de landenrapporten
die de Commissie opstelt.
Het kabinet hecht eraan dat de landspecifieke aanbevelingen van lidstaten een voldoende
mate van beleidsvrijheid geven om deze te adresseren. Voldoende beleidsvrijheid is
van belang voor nationaal draagvlak, eigenaarschap en uitvoerbaarheid. Specifiek over
de aanbeveling over het terugdringen van het gebruik van flexibele en tijdelijke contracten,
wordt opgemerkt dat het kabinet zich in deze aanbeveling herkent20. In nauw overleg met sociale partners zijn de afgelopen jaren een aantal belangrijke
stappen gezet om de doorgeschoten flexibilisering op de arbeidsmarkt terug te dringen.
Het wetsvoorstel «Meer zekerheid flexwerkers»21 ziet erop dat werknemers met een oproepcontract meer inkomens- en roosterzekerheid
krijgen.
Daarnaast valt de leden van de FVD-fractie op dat de Commissie inzet op het aanpakken
van arbeidsmarkttekorten via arbeidsmigratie. Tegelijkertijd constateert het kabinet
zelf dat arbeidsmigratie druk legt op de bevolkingsgroei en geen structurele oplossing
vormt voor krapte op de arbeidsmarkt. Hoe beoordeelt de Minister deze spanning? Is
de Minister het ermee eens dat verbeteringen op het gebied van arbeidsproductiviteit,
innovatie en automatisering op de langere termijn een betere oplossing vormen dan
alsmaar uitdijende arbeidsmigratie?
Het kabinet wil sturen op arbeidsmigratie die Nederland écht nodig heeft voor de huidige
maatschappelijke opgaven waar zij voor staat. Selectieve arbeidsmigratie vraagt om
richtinggevende keuzes over de economie en arbeidsmarkt. Deze keuzes worden onder
andere gemaakt in de talentstrategie uit de taskforce «Toekomstige Welvaart en Vestigingsklimaat».22 Met de strategie laat het kabinet verschillende instrumenten op elkaar aansluiten:
onderwijs, arbeidsmarkt, productiviteit, fiscaliteit en gerichte migratie. De Kamerbrief
hierover wordt binnenkort aan uw Kamer verzonden.
Eén van de maatregelen waaraan het kabinet in dit kader werkt betreft de pilot waarmee
tijdelijk onder strenge voorwaarden, actief en gericht goed geschoolde krachten naar
Nederland kunnen worden gehaald in vooraf afgebakende tekortsectoren. Ook werkt het
kabinet aan de verbetering van de kennismigrantenregeling. Tegelijk wordt de arbeidsmigratie
die niet bijdraagt aan de ontwikkeling naar een hoogproductieve en welvarende economie
beperkt, in lijn met het advies «Gematigde groei» door de Staatscommissie Demografische
Ontwikkelingen 205023 en het Interdepartementaal Beleidsonderzoek (IBO) Arbeidsmigratie.24 Dit gebeurt bijvoorbeeld door flexibele contracten voor structureel werk te ontmoedigen
met het Wetsvoorstel «Meer zekerheid flexwerkers». Ook blijft het kabinet zich onverminderd
inzetten voor de aanpak van misstanden, bijvoorbeeld via het verhogen van boetes bij
overtreding van arbeidswetten en de mogelijkheid tot een sectoraal uitzendverbod bij
aanhoudende misstanden.
De leden van de FVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het bereikte
principeakkoord over Verordening 883 inzake de coördinatie van sociale zekerheid.
Uit de kabinetsappreciatie blijkt dat de exportduur van WW-uitkeringen wordt verlengd
van drie naar zes maanden. Het kabinet heeft zich hiertegen verzet, maar zonder succes.
Kan de Minister uiteenzetten welke gevolgen deze wijziging naar verwachting zal hebben
voor de Nederlandse uitvoering in de praktijk, zowel waar het gaat om uitkeringen
als om uitgaven in de sociale zekerheid
De leden van de FVD-fractie lezen daarnaast dat de Minister schrijft dat het voor
Nederland moeilijker wordt om mensen die vanuit een andere lidstaat een Nederlandse
WW-uitkering ontvangen richting werk te begeleiden en te controleren of de uitkering
rechtmatig wordt verstrekt. Welke mogelijkheden heeft Nederland straks nog om effectief
toezicht te houden op uitkeringen die buiten Nederland worden ontvangen? Hoe kan een
dergelijke situatie überhaupt optreden? Heeft de Minister voorbeelden hiervan?
Het akkoord bevat een verruiming van de mogelijkheden van de «export» van WW-uitkeringen.
Behalve de genoemde verlenging van drie naar zes maanden waarbinnen met behoud van
werkloosheidsuitkering in een andere lidstaat naar werk kan worden gezocht, wordt
er een nieuw systeem geïntroduceerd voor werklozen die tijdens hun werk in een andere
lidstaat woonden. Door de verandering mag deze groep met een WW-uitkering, nadat zij
22 weken in Nederland hebben gewerkt, vanuit hun woonland in Nederland naar werk zoeken
voor de gehele uitkeringsduur. De kosten van beide exportregelingen samen worden geraamd
op 12,2 miljoen euro per jaar.
Uitvoering: ondersteuning bij het zoeken naar werk in een andere lidstaat en handhaving
Wanneer een WW-gerechtigde in een andere lidstaat naar werk zoekt (met behoud van uitkering gedurende maximaal zes maanden) is de «ontvangende» lidstaat
verantwoordelijk voor de ondersteuning bij het vinden van werk binnen de kaders van
de wetgeving van die lidstaat. Ook is die lidstaat verantwoordelijk voor controle
op het recht op uitkering. Als zich situaties voordoen die van invloed kunnen zijn
op het recht op uitkering, moet de lidstaat waar naar werk wordt gezocht dit doorgeven
aan UWV. Daarnaast moet de ontvangende lidstaat UWV maandelijks informeren over de
opvolging van de situatie van de WW-gerechtigde. Hiervoor bestaat binnen de EU een
elektronisch systeem van gegevensuitwisseling (EESSI). De informatie wordt doorgegeven
via elektronische standaardformulieren.
Dit systeem bestaat nu al. De kern van het systeem verandert niet. De andere lidstaat
blijft verantwoordelijk voor arbeidsbemiddeling en controle. Inspanningen die UWV
in de praktijk verricht, veranderen niet ten opzichte van de huidige export van WW-uitkeringen.
Wel heeft Nederland er in de onderhandelingen steeds voor gepleit om dit systeem van
gegevensuitwisseling te versterken. Deze oproep heeft geresoneerd bij de onderhandelde
partijen. In de laatste onderhandelingsronde is aan de tekst toegevoegd dat de ontvangende
lidstaat aan het orgaan dat de uitkering betaalt, maandelijks moet doorgeven of de
WW-gerechtigde zich houdt aan de controleprocedures en activerings- of arbeidsbemiddelingsprocedures.
Ook is aan de tekst toegevoegd dat de ontvangende lidstaat, de lidstaat die de uitkering
betaalt onmiddellijk moet informeren over een eventuele werkhervatting. De informatiepositie
van UWV is hierdoor verbeterd.
Uitvoering: ondersteuning bij het zoeken naar werk in Nederland en handhaving
Wanneer een WW-gerechtigde vanuit het
woonland in Nederland naar werk zoekt is UWV verantwoordelijk voor de ondersteuning bij het vinden van
werk en de controle daarop. UWV dient ten aanzien van deze groep dezelfde inspanningen
te verrichten als ten aanzien van WW-gerechtigden die in Nederland wonen. Op WW-gerechtigden
die in een andere lidstaat wonen rusten dezelfde verplichtingen als de verplichtingen
van in Nederland wonende WW-gerechtigden.
Ten aanzien van de controle op het voldoen aan de voorwaarden voor het recht op WW
regelt het akkoord dat het orgaan van de lidstaat van de woonplaats op verzoek van
UWV, UWV onmiddellijk in kennis stelt van iedere omstandigheid waarvan het kennis
heeft en die van invloed kan zijn op het recht op uitkering, met name of de volledig
werkloze in de lidstaat van de woonplaats is gaan werken. Deze bepaling vereist dat
UWV gegevens opvraagt bij de organen van andere lidstaten. Hoe deze gegevensuitwisseling
in de praktijk gestalte zal krijgen moet verder worden uitgewerkt. Nederland heeft
zich in de onderhandelingen ingespannen voor het vastleggen van uniforme en effectieve
processen van gegevensuitwisseling, waaronder de mogelijkheid van bulkgegevensuitwisseling.
Daar zal ik me voor blijven inzetten in het kader van nieuwe voorstellen die de Europese
Commissie in het kader van het Fair Labour Mobility Package wil presenteren.
Tot slot hebben de leden van de FVD-fractie kennisgenomen van de Europese anti-armoedestrategie.
Hoewel armoedebestrijding op zichzelf een nobel doel is, zijn en blijven sociaal beleid
en armoedebeleid bevoegdheden van de lidstaten zelf. Kan de Minister aangeven welke
concrete meerwaarde hij ziet in een Europese anti-armoedestrategie boven nationaal
beleid? Acht hij het wenselijk dat de Europese Commissie zich steeds nadrukkelijker
gaat bezighouden met onderwerpen als huisvesting, sociale voorzieningen en inkomensbeleid?
Waar ligt volgens de Minister de grens van de Europese bevoegdheden op dit terrein?
Is het niet hoog tijd om eens paal en perk te gaan stellen aan Europese bemoeienis?
Hoewel bestrijding van armoede een nationale competentie is, kunnen Europese landen
wel veel van elkaar leren op het gebied van armoedebestrijding. De juridisch niet-
bindende Europese Anti-Armoede Strategie stimuleert om kennis en ervaring op het terrein
van armoedebestrijding uit te wisselen tussen de lidstaten. Dit kan leiden tot effectiever
beleid. Daarom verwelkomt het kabinet de Strategie. Indien er voostellen volgen waaruit
nieuw beleid voorkomt, dan zal het kabinet deze na publicatie appreciëren middels
een BNC-fiche en met uw Kamer delen. In BNC-fiches wordt altijd getoetst op bevoegdheid,
subsidiariteit en proportionaliteit en worden ook eventuele financiële gevolgen meegenomen.
Vragen en opmerkingen van de leden van de SGP-fractie
De leden van de SGP-fractie hebben kennisgenomen van de geannoteerde agenda van de
aanstaande WSB-raad. Deze leden hebben daarover nog enkele vragen.
Export WW-uitkering
Met verbazing hebben de leden van de SGP-fractie gelezen dat de mogelijkheden voor
export van WW-uitkeringen niet worden beperkt, maar dat in het akkoord een forse uitbreiding
daarvan wordt voorgesteld. Deze leden vinden dat een onwenselijke ontwikkeling, zeker
nu blijkt dat daar ook jaarlijks 14 miljoen euro mee gemoeid is. Welke mogelijkheden
ziet het kabinet nog om in de EU-verband in te zetten op beperking van WW-exportrechten
in plaats van uitbreiding, bijvoorbeeld via het fair labour mobility pakket? Hoe ziet
het krachtenveld op dit moment eruit?
Nederland heeft zich in de onderhandelingen steeds verzet tegen de uitbreiding van
de mogelijkheden om met een werkloosheidsuitkering in het buitenland te verblijven.
In het Europese krachtenveld bestond hiervoor echter onvoldoende steun.
Sinds het voorstel voor een herziening van Verordening 883/2004 eind 2016 is ingediend
heeft een uitbreiding van de mogelijkheden om met een werkloosheidsuitkering in het
buitenland te verblijven altijd in het pakket gezeten. Dit was ook een onderdeel van
de eerdere voorlopige politieke akkoorden van 2019 en 2021. Deze akkoorden zijn verworpen
als gevolg van een blokkerende minderheid in de Raad, waar Nederland onderdeel van
uitmaakte. Bij het huidige akkoord is geen sprake meer van een blokkerende minderheid.
In de Coreper-vergadering van 29 april jl. heeft een grote meerderheid van lidstaten
aangegeven het akkoord te kunnen steunen. Slechts vijf lidstaten – waaronder Nederland
– konden het akkoord niet steunen en één lidstaat heeft een voorbehoud gemaakt.
Nederland blijft zich actief inzetten voor maatregelen die werkhervatting bij de export
van werkloosheidsuitkeringen bevorderen en die de controle op geëxporteerde werkloosheidsuitkeringen
verbeteren. De Europese Commissie (hierna: Commissie) heeft aangekondigd in het eerlijke
arbeidsmobiliteitspakket met voorstellen te komen om de samenwerking tussen lidstaten
op deze punten te verbeteren. Dat verwelkomt Nederland.
De leden van de SGP-fractie vragen het kabinet in te blijven zetten op beperking van
de WW-exportmogelijkheden en onder geen beding akkoord te gaan met uitbreiding van
de huidige situatie. Wil zij dat toezeggen?
In de Coreper-vergadering van 29 april jl. heeft Nederland het akkoord niet gesteund
en ook in de Raad zal Nederland tegen het akkoord stemmen.
De leden van de SGP-fractie vernemen daarnaast graag wat eventuele uitbreiding van
de WW-rechten in lijn met het Europees voorstel betekent voor de Nederlandse handhaving
op WW-export, aangezien dat nu al een forse opgave is voor uitvoeringsorganisaties.
Het akkoord bevat een verruiming van de mogelijkheden voor de «export» van WW-uitkeringen.
In de eerste plaats voorziet het akkoord in een verlenging van de termijn waarbinnen
met behoud van werkloosheidsuitkering in een andere lidstaat naar werk kan worden
gezocht. Deze termijn gaat van drie naar zes maanden. Daarnaast wordt een nieuw systeem
geïntroduceerd voor werklozen die tijdens hun werk in een andere lidstaat woonden.
Door de verandering mag deze groep met een WW-uitkering, nadat zij 22 weken in Nederland
hebben gewerkt, vanuit hun woonland in Nederland naar werk zoeken voor de gehele uitkeringsduur.
In de toekomst moet het werkland derhalve de werkloosheidsuitkering vaker gaan betalen.
In die lidstaat zijn ook de premies betaald. De nieuwe regeling beoogt daarmee een
rechtvaardigere verdeling van de uitkeringslasten tussen de lidstaten te bewerkstelligen.
Dat is de reden dat deze wijzigingen op breed draagvlak in de Raad kunnen rekenen.
Ondersteuning bij het zoeken naar werk in een andere lidstaat en handhaving
Wanneer een WW-gerechtigde in een andere lidstaat naar werk zoekt (met behoud van uitkering gedurende maximaal zes maanden) is de «ontvangende» lidstaat
verantwoordelijk voor de ondersteuning bij het vinden van werk binnen de kaders van
de wetgeving van die lidstaat. Ook is die lidstaat verantwoordelijk voor controle
op het recht op uitkering. Als zich situaties voordoen die van invloed kunnen zijn
op het recht op uitkering, moet de lidstaat waar naar werk wordt gezocht dit doorgeven
aan UWV. Daarnaast moet de ontvangende lidstaat UWV maandelijks informeren over de
opvolging van de situatie van de WW-gerechtigde. Hiervoor bestaat binnen de EU een
elektronisch systeem van gegevensuitwisseling (EESSI). De informatie wordt doorgegeven
via elektronische standaardformulieren.
Dit systeem bestaat nu al. De kern van het systeem verandert niet. De andere lidstaat
blijft verantwoordelijk voor arbeidsbemiddeling en controle. Inspanningen die UWV
in de praktijk verricht veranderen niet ten opzichte van de huidige export van WW-uitkeringen.
Wel heeft Nederland er in de onderhandelingen steeds voor gepleit om dit systeem van
gegevensuitwisseling te versterken. Deze oproep heeft geresoneerd bij de onderhandelde
partijen. In de laatste onderhandelingsronde is aan de tekst toegevoegd dat de ontvangende
lidstaat aan het orgaan dat de uitkering betaalt, maandelijks moet doorgeven of de
WW-gerechtigde zich houdt aan de controleprocedures en activerings- of arbeidsbemiddelingsprocedures.
Ook is aan de tekst toegevoegd dat de ontvangende lidstaat, de lidstaat die de uitkering
betaalt onmiddellijk moet informeren over een eventuele werkhervatting. De informatiepositie
van UWV is hierdoor verbeterd.
Ondersteuning bij het zoeken naar werk in Nederland en handhaving
Wanneer een WW-gerechtigde vanuit
het
woonland in Nederland naar werk zoekt is UWV verantwoordelijk voor de ondersteuning bij het vinden van
werk en de controle daarop. UWV dient ten aanzien van deze groep dezelfde inspanningen
te verrichten als ten aanzien van WW-gerechtigden die in Nederland wonen. Op WW-gerechtigden
die in een andere lidstaat wonen rusten dezelfde verplichtingen als de verplichtingen
van in Nederland wonende WW-gerechtigden.
Ten aanzien van de controle op het voldoen aan de voorwaarden voor het recht op WW,
regelt het akkoord dat het orgaan van de lidstaat van de woonplaats op verzoek van
UWV, UWV onmiddellijk in kennis stelt van iedere omstandigheid waarvan het kennis
heeft en die van invloed kan zijn op het recht op uitkering, met name of de volledig
werkloze in de lidstaat van de woonplaats is gaan werken. Deze bepaling vereist dat
UWV gegevens opvraagt bij de organen van andere lidstaten. Hoe deze gegevensuitwisseling
in de praktijk gestalte zal krijgen moet verder worden uitgewerkt. Nederland heeft
zich in de onderhandelingen ingespannen voor het vastleggen van uniforme en effectieve
processen van gegevensuitwisseling, waaronder de mogelijkheid van bulkgegevensuitwisseling.
Daar zal ik me voor blijven inzetten in het kader van nieuwe voorstellen die de Europese
Commissie in het kader van het Fair Labour Mobility Package wil presenteren.
Daarnaast merken de leden van de SGP-fractie op dat Nederland zich altijd op het standpunt
heeft gesteld het woonlandbeginsel te willen toepassen, op sociale zekerheidsuitkeringen
maar ook op kindregelingen. Wat verandert er met dit akkoord op dit onderdeel, en
waar zet het kabinet op in? Blijft zij zich inzetten op het mogelijk maken van toepassing
van het woonlandbeginsel in geval van kindregelingen als kinderbijslag en het kindgebonden
budget?
Sinds 2016 heeft de regering zich bij de onderhandelingen over de herziening van Verordening
883/2004 ingezet voor het invoeren van het woonlandbeginsel bij de gezinsbijslagen.
Een groot aantal landen gaf destijds aan deze indexatie discriminerend te vinden.
Naast Nederland spraken slechts vier andere landen zich uit als voorstander van indexatie.
Dit waren Duitsland, Oostenrijk, Denemarken en Ierland.
In 2018 heeft toenmalig Minister Koolmees uw Kamer geïnformeerd dat er twee mogelijkheden
waren: doorgaan met pleiten voor het woonlandbeginsel of erop inzetten de primaire
verantwoordelijkheid voor de betaling van gezinsbijslagen te verleggen van het werkland
van de ouder naar het woonland van het kind.25 Sindsdien is in 2022 uitspraak gedaan in de zaak Europese Commissie tegen Republiek
Oostenrijk (zaak C-328/20). Het EU-Hof bepaalde in deze zaak dat het aanpassen van
gezinsbijslagen naar het prijspeil in de woonstaat van het betrokken kind niet is
toegestaan. Het is indirecte discriminatie op grond van nationaliteit.
Tegen de achtergrond van deze uitspraak en het Europese krachtenveld, acht ik het
zeer onwaarschijnlijk dat het invoeren van het woonlandbeginsel kan worden bewerkstelligd.
Daarentegen blijf ik mij hard maken voor het verminderen van de export van gezinsbijslagen.
Ik pleit ervoor om vaker het woonland van het kind de gezinsbijslagen te laten betalen,
door het woonland exclusief of prioritair bevoegd te maken. Dit zorgt voor minder
export van gezinsbijslagen vanuit Nederland. Dit was één van de voorstellen die is
gedaan in een non-paper dat vorig jaar in de EU is gedeeld26. Dit paper met moderniseringsvoorstellen voor de sociale zekerheid vormt de huidige
inzet voor de coördinatie van de Europese sociale zekerheid en daar blijf ik mij voor
inzetten. Dit onderwerp staat momenteel niet op de agenda van de Commissie. Nederland
blijft hier aandacht voor vragen.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
T.M.T. van der Lee, voorzitter van de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid -
Mede ondertekenaar
C.E. Morrin, adjunct-griffier