Amendement : Amendement van de leden Sneller en Abdi over het bereik van het wetsvoorstel niet beperken tot grensoverschrijdende gevallen
36 731 Wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering ter implementatie van Richtlijn (EU) 2024/1069 betreffende bescherming van bij publieke participatie betrokken personen tegen kennelijk ongegronde vorderingen of misbruik van procesrecht («strategische rechtszaken tegen publieke participatie»)
Nr. 10
AMENDEMENT VAN DE LEDEN SNELLER EN ABDI
Ontvangen 23 juni 2026
De ondergetekenden stellen het volgende amendement voor:
In artikel I, onderdeel A, komt het voorgestelde artikel 224a, eerste lid, te luiden:
1. In een geding dat aanhangig wordt gemaakt tegen natuurlijke personen of rechtspersonen
vanwege hun betrokkenheid bij publieke participatie kan de rechter degene die de vordering
instelt en degene die zich aan diens zijde voegt, op vordering van de wederpartij
verplichten zekerheid te stellen voor proceskosten, andere kosten en schadevergoeding
tot betaling waarvan zij veroordeeld zouden kunnen worden.
Toelichting
De Richtlijn (EU) 2024/1069 van het Europees Parlement en de Raad van 11 april 2024
betreffende bescherming van bij publieke participatie betrokken personen tegen kennelijk
ongegronde vorderingen of misbruik van procesrecht («strategische rechtszaken tegen
publieke participatie» (anti-SLAPP richtlijn) schrijft voor dat rechters in grensoverschrijdende
zaken de mogelijkheid moeten krijgen om van eisers zekerheidstelling te verlangen
voor proceskosten en schadevergoeding. Zekerheidsstelling is een cruciale waarborg:
het voorkomt dat financieel sterke partijen misbruik maken van de rechtsgang om kritische
stemmen langdurig in procedures te betrekken. In veel zaken gaat de dreiging al uit
van de kosten die zo’n procedure met zich meebrengt.
Voorts betreffen verreweg de meeste SLAPP-procedures of dreigementen die nu al spelen
in Nederland, nationale kwesties. Dit is in heel Europa het geval (volgens data van
CASE is slechts 8.5% van de zaken grensoverschrijdend)1. De Europese Commissie en de Raad van Europa moedigen, zoals het kabinet onderschrijft
in de memorie van toelichting, lidstaten daarom aan om SLAPP-waarborgen ook op puur
nationale casussen van toepassing te laten zijn. In navolging daarvan hebben onder
andere Frankrijk, België, en Polen in de implementatiewetten gekozen voor nationale
toepassing van SLAPP-waarborgen. Zonder nationale toepassing dreigen de nieuwe waarborgen
niet alleen doel te missen, maar kan er ook een ongelijke rechtspositie ontstaan bij
gelijke gevallen (waarbij het enige verschil het grensoverschrijdende karakter is).
Dat staat op gespannen voet met het gelijkheidsbeginsel. Bovendien ontstaat, nu meerdere
Europese (buur)landen wél voor nationale toepassing kiezen, het risico dat Nederland
een extra aantrekkelijke jurisdictie wordt voor partijen die SLAPP-zaken initiëren.
Tot slot duidt recente rechtspraak er niet op dat, zoals het kabinet veronderstelt,
het geldende recht ook in nationale gevallen tot toepassing van de waarborgen uit
de richtlijn kan leiden. Zo stelde de rechter recent in een zaak waarin beroep werd
gedaan op richtlijnconforme interpretatie2: De richtlijn is nog niet (voldoende) omgezet in Nederlandse wetgeving en is bovendien
alleen van toepassing op burgerlijke of handelszaken met grensoverschrijdende gevolgen.
Niet gesteld of gebleken is dat deze zaak grensoverschrijdende gevolgen heeft.
Ook blijkt uit recente jurisprudentie3 dat rechters in de richtlijn de lezing van de regering, uiteengezet in de memorie
van toelichting, alsmede die van de adviescommissie burgerlijk procesrecht, niet delen
wat betreft het al volstaan van het geldend recht. Dat blijkt bijvoorbeeld uit Greenpeace vs. Energy Transfer, uitspraak op datum 03-06-2026. In de uitspraak concludeert de rechtbank: «de SLAPP Richtlijn in deze zaak geen toepassing kan vinden en ook niet via richtlijnconforme
interpretatie een rol kan spelen, terwijl evenmin kan worden aangenomen dat artikel 17 van de SLAPP Richtlijn al geldend
recht is in Nederland». De uitspraak is, als een van de eerste procedures waarin expliciet een beroep gedaan
is op een artikel uit de richtlijn, een duidelijk signaal dat de lezing dat het geldende
recht volstaat, niet klopt. Het is, gezien de analoge redenering met betrekking tot
de andere onderdelen (zoals vroegtijdige afwijzing) uit de memorie van toelichting,
aannemelijk dat een vergelijkbare redenering zal volgen met betrekking tot de andere
onderdelen van de richtlijn, hetgeen zorgen oproept over toekomstige procedures en
een eventuele toekomstige beoordeling in Luxemburg.
Dit amendement neemt het risico op rechtsongelijkheid bij implementatie weg, en verzekert
de brede effectiviteit en toepasbaarheid van het wetsvoorstel. Het «verbod op nationale
kop» staat hierbij niet in de weg voor implementatie voor niet-grensoverschrijdende
gevallen, wanneer anders een ongelijke rechtspositie ontstaat voor gelijke gevallen.
Met het amendement zorgen indieners ervoor dat deze gelijke rechtspositie ongeacht
(niet-)grensoverschrijdend karakter gelijk met de implementatie van richtlijn is geregeld.
Dit is in lijn met een eerdere omzetting van een Europese richtlijn naar Europees
recht, zoals aangehaald in de Handleiding Wetgeving en Europa van het Kenniscentrum
voor beleid en regelgeving. De handleiding haalt het voorbeeld van het Europese verbod
op tabaksreclame bij evenementen aan: het is in de praktijk lastig om per evenement
na te gaan of er sprake is van een evenement met grensoverschrijdend karakter, en
daarom voor de goede uitvoering van Europese regels, niet wenselijk om het bereik
van het wetsvoorstel te beperken tot grensoverschrijdende gevallen.
Sneller Abdi
Indieners
-
Indiener
Joost Sneller, Kamerlid -
Medeindiener
Fatihya Abdi, Kamerlid
Appreciatie (oordeel)
Oordeel Kamer
De minister of staatssecretaris is positief over de motie. Hij of zij wacht de uitkomst van de stemming in de Kamer af.