Motie : Motie van het lid Van Houwelingen over gezondheidsaanbieders ook zonder verwijsbrief preventief gezondheidsonderzoek laten aanbieden
29 689 Herziening Zorgstelsel
Nr. 1343
MOTIE VAN HET LID VAN HOUWELINGEN
Voorgesteld 18 juni 2026
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat zonder verwijsbrief preventief gezondheidsonderzoek, waaronder bijvoorbeeld
darmonderzoek, in Nederland in principe niet mag worden uitgevoerd;
overwegende dat dergelijk onderzoek zonder verwijsbrief volledig privaat, dus niet
uit de collectieve middelen, gefinancierd wordt en de zorgkosten niet onnodig verhoogt;
overwegende dat, integendeel, bijvoorbeeld een vroegtijdige kankerdiagnose niet alleen
levens maar ook medische behandelkosten kan besparen en daarmee een remmend effect
heeft op de publiek gefinancierde zorgkosten die worden gemaakt;
overwegende dat een dergelijk preventief gezondheidsonderzoek bovendien onnodige zorgen
kan wegnemen bij Nederlanders die bevreesd zijn dat ze wellicht bijvoorbeeld kanker
hebben;
constaterende dat Nederlanders die een dergelijk preventief gezondheidsonderzoek willen
laten uitvoeren, zonder verwijzing dus, nu gedwongen zijn om naar het buitenland uit
te wijken;
constaterende dat er daarom op dit moment veel klinieken net over de grens, bijvoorbeeld
in Duitsland, gevestigd zijn die dergelijk preventief onderzoek verrichten, klinieken
die gericht zijn op Nederlandse patiënten;
constaterende dat dit alles onnodige reistijd en ongemak oplevert voor de patiënten
en bovendien de Nederlandse werkgelegenheid en economie onnodig schade berokkent;
constaterende dat dit alles dus niet alleen onbegrijpelijk, maar ook onwenselijk is;
verzoekt de Minister de wet te wijzigen zodat gezondheidsaanbieders ook zonder verwijsbrief,
en dus privaat gefinancierd, in Nederland preventief gezondheidsonderzoek, waaronder
bijvoorbeeld darmonderzoek, mogen aanbieden,
en gaat over tot de orde van de dag.
Van Houwelingen
Indieners
Pepijn van Houwelingen, Kamerlid
Appreciatie (oordeel)
Appreciatie:
Ontraden
De minister of staatssecretaris is het niet eens met de motie en adviseert de Kamer om tegen de motie te stemmen. Bijvoorbeeld omdat hij of zij vindt dat de motie wettelijk niet klopt, te veel geld kost om uit te voeren, of helemaal niet uitvoerbaar is.