Verslag van een schriftelijk overleg : Verslag van een schriftelijk overleg over de derde voortgangsrapportage Toekomstagenda ‘zorg en ondersteuning voor mensen met een beperking’ (Kamerstuk 24170-398)
24 170 Gehandicaptenbeleid
Nr. 406
VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
Vastgesteld 19 juni 2026
De vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft een aantal vragen
en opmerkingen voorgelegd aan de Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport over
de brief van 8 april 2026 over de derde voortgangsrapportage Toekomstagenda «zorg
en ondersteuning voor mensen met een beperking» (Kamerstuk 24 170, nr. 398).
De vragen en opmerkingen zijn op 20 mei 2026 aan de Minister van Langdurige Zorg,
Jeugd en Sport voorgelegd. Bij brief van 18 juni 2026 zijn de vragen beantwoord.
De voorzitter van de commissie, Mohandis
Adjunct-griffier van de commissie, Sjerp
Inhoudsopgave
I.
Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
2
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
2
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
3
Vragen en opmerkingen van de leden van de PRO-fractie
4
Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie
5
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
9
Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie
9
Vragen en opmerkingen van de leden van de SP-fractie
11
II.
Reactie van de Minister
12
I. Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
De leden van de D66-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de derde voortgangsrapportage
Toekomstagenda «zorg en ondersteuning voor mensen met een beperking». Daartoe hebben
deze leden enkele vragen.
De leden van de D66-fractie waarderen de eerste stappen die gezet zijn in bewustwording
en agendering van samenwerking tussen de gehandicaptenzorg en de ggz. Deze leden lezen
dat er in 2026 een plan van aanpak ontwikkeld gaat worden. Daartoe vragen deze leden
door wie dit plan van aanpak ontwikkeld wordt. Welke partijen zitten aan tafel? Op
welke wijze wordt er gezorgd voor een goede vertegenwoordiging van het veld? Wanneer
wordt het plan van aanpak verwacht, en op welke wijze wordt de Kamer hierover geïnformeerd?
De tekorten op de arbeidsmarkt nemen toe, en dat is ook te merken in de gehandicaptenzorg.
Op welke wijze is de Minister voornemens het anders organiseren en goed werkgeverschap
te stimuleren in de gehandicaptenzorg, zodat deze belangrijke vorm van zorg beschikbaar
blijft voor iedereen die dat nodig heeft?
Daarnaast lezen de leden van de D66-fractie dat er hard gewerkt wordt om de behoeften
van mensen met een levenslange en levensbrede beperking meer onder de aandacht te
brengen bij gemeenten en professionals; dit achten deze leden zeer belangrijk. Daartoe
vragen genoemde leden op welke termijn de resultaten verwacht worden over of en hoe
gemeenten al werken met een langere beschikkingsduur in de Wmo 2015 en de Jeugdwet.
Op welke wijze wordt de Kamer hierover geïnformeerd?
De inzet van ervaringsdeskundigheid is ontzettend waardevol, bijvoorbeeld bij het
verbeteren en tot stand brengen van beleid, maar ook binnen het dagelijkse reilen
en zeilen van zorgorganisaties. De leden van de D66-fractie lezen dat het inzetten
van ervaringsdeskundigheid in de praktijk nog versnipperd is, en afhankelijk is van
lokale initiatieven. Daartoe vragen deze leden op welke wijze de Minister de bredere
inzet van ervaringsdeskundigheid stimuleert.
De leden van de D66-fractie lezen dat er steeds meer gewerkt wordt met innovaties,
waarbij er ook steeds meer kennis opgedaan wordt over wat wel en niet werkt in de
praktijk. Echter lezen deze leden ook dat organisaties soms geneigd zijn vast te houden
aan hun eigen bekende werkwijzen. Ondanks dat dit heel begrijpelijk is, achten de
leden van de D66-fractie het van groot belang dat organisaties meer gaan werken met
passende innovaties om toekomstbestendig te blijven. Daartoe vragen deze leden op
welke wijze de Minister erop toeziet dat de opgedane inzichten en methodieken breder
toegepast en verankerd worden in de gehandicaptenzorg.
Daarnaast lezen de leden van de D66-fractie dat het gebruik van data-ondersteund werken
om ondersteuning en zorg te verbeteren nog weinig wordt toegepast. Op welke wijze
gaat de Minister ervoor zorgen dat het gebruik van de InnovatieRoute toeneemt, en
dat deze makkelijker vindbaar en bruikbaar is voor organisaties in de gehandicaptenzorg?
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de derde voortgangsrapportage
van de Toekomstagenda «zorg en ondersteuning voor mensen met een beperking». Zij zijn
blij om te zien dat er in samenwerking met de sector mooie stappen zijn gezet om de
zorg voor mensen met een beperking te verbeteren. Hierover hebben zij nog enkele vragen.
De leden van de VVD-fractie hebben met plezier gekeken naar de video's die gemaakt
zijn voor deze derde voortgangsrapportage. Op welke manier is de Minister van plan
om deze video's te verspreiden? Wat genoemde leden betreft zou dit een bijdrage kunnen
leveren aan niet alleen de ontwikkeling van de sector, maar ook aan het bewustzijn
in de samenleving.
De leden van de VVD-fractie zijn in het verlengde van vorige vraag benieuwd hoe leerpunten
en best practices gedeeld worden met zorgaanbieders. Welke rol ziet de Minister daarin
voor zichzelf? Hierbij graag een reflectie op het bereiken van niet-deelnemende zorgaanbieders.
De leden van de VVD-fractie begrijpen dat de VG7-plus zorgprestatie inmiddels is ingevoerd.
Kan de Minister al iets delen over de ervaringen hiermee in het veld? Zo nee, wanneer
denkt zij dit wel te kunnen?
De leden van de VVD-fractie zijn erg enthousiast dat steeds meer gemeenten één vaste
cliëntondersteuner beschikbaar stellen. Denkt de Minister dat gemeenten ertoe in staat
zijn om dit concept breder uit te rollen, of ziet zij voor zichzelf een rol in de
opschaling hiervan? Graag specifiek aandacht hierbij voor de overgang van de Wmo naar
de Wlz.
De leden van de VVD-fractie zien grote meerwaarde in de Innovatie-impuls. Denkt de
Minister dat een soortgelijke aanpak voor meer zorgsectoren van toegevoegde waarde
kan zijn? Zo ja, hoe wil zij dit toepassen? Zo nee, waarom niet?
De leden van de VVD-fractie denken dat het een goede ontwikkeling is dat er een transparantieregister
ontstaat voor pgb-gefinancierde wooninitiatieven. Zij denken dat dit een goede schakel
kan zijn in de controle of pgb-gelden doelmatig en rechtmatig besteed worden. Kan
de Minister aangeven wanneer zij hier meer over kan delen met de Kamer?
De leden van de VVD-fractie zijn tot slot blij om te lezen dat er meer ingezet wordt
op bestrijding van (seksueel) grensoverschrijdend gedrag. Welke rol ziet de Minister
hierin weggelegd voor de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ)?
Vragen en opmerkingen van de leden van de PRO-fractie
De leden van de PRO-fractie hebben kennisgenomen van de derde voortgangsrapportage
van de Toekomstagenda «Zorg en ondersteuning voor mensen met een beperking» (hierna:
Toekomstagenda). Zij hebben hierover nog enkele vragen.
De leden van de PRO-fractie lezen dat er bij deze derde voortgangsrapportage weer
specifiek is ingezet op een toegankelijke manier van rapporteren, bijvoorbeeld door
middel van video’s. Genoemde leden onderstrepen het belang van toegankelijkheid van
(overheids)communicatie. Hoe wordt de toegankelijkheid breder geborgd bij overheidsdocumenten
en -communicatie? Zij constateren dat de Toekomstagenda in ieder geval loopt tot eind
2026. Zou nader toegelicht kunnen worden op welke wijze de Toekomstagenda een vervolg
zal vinden?
De leden van de PRO-fractie lezen dat geconstateerd wordt dat er meer nodig is en
dat organisaties soms geneigd zijn vast te houden aan hun eigen bekende werkwijzen.
Daarnaast lezen zij dat geconstateerd wordt dat het noodzakelijk is om verder op te
schalen en de inzichten en methodieken die werken een plek te geven in het zorgsysteem,
bijvoorbeeld in de zorginkoop, de werkwijze van gemeenten of door effectieve interventies
te beschrijven. Welke rol ziet de Minister voor zichzelf weggelegd hierin en hoe zou
zij deze concreet invullen, welke taken horen daar bijvoorbeeld bij?
De leden van de PRO-fractie lezen dat er een plan van aanpak in ontwikkeling is voor
de bewustwording en agendering van samenwerking tussen de gehandicaptenzorg en de
ggz. Zou nader toegelicht kunnen worden wat volgens de Minister op dit moment de grootste
knelpunten zijn bij respectievelijk de bewustwording en de samenwerking tussen de
gehandicaptenzorg en de ggz? Kan er een tijdspad geschetst worden voor deze plan van
aanpak en de presentatie ervan aan de Kamer?
De leden van de PRO-fractie lezen dat er nog onvoldoende bewustwording is in alle
leefdomeinen om mensen met een licht verstandelijke beperking te herkennen en tijdig
passende zorg en ondersteuning te bieden. Hoe gaat deze bewustwording in alle leefdomeinen
alsnog gerealiseerd worden en welke concrete maatregelen worden hiervoor genomen?
Zij lezen daarnaast dat er steeds meer bekend is over hoe je ervaringsdeskundigheid
kunt inzetten bij beleidsvorming, maar dat er ook aandacht nodig is om dit structureel
te borgen binnen organisaties. Welke rol ziet de Minister voor zichzelf hierbij? Op
welke wijze wordt de inzet van ervaringsdeskundigheid ook beloond, zodat het niet
louter afhankelijk is van liefdadigheid, maar ervaringsdeskundigen ook een eerlijke
vergoeding ontvangen voor hun werk?
De leden van de PRO-fractie lezen dat de overgang van Wmo-cliëntondersteuning naar
Wlz-cliëntondersteuning niet altijd soepel verloopt in de praktijk. Zij lezen dat
de Minister daarom de komende periode met het veld zal blijven werken aan het verbeteren
van de organisatie van cliëntondersteuning.
Wat zijn volgens de Minister de grootste knelpunten bij deze overgang? Welke concrete,
mogelijke oplossingsrichtingen ziet zij per knelpunt? Op welke wijze worden cliënten
en hun vertegenwoordigende organisaties betrokken bij dit traject?
De leden van de PRO-fractie lezen dat in 2026 inzichtelijk wordt gemaakt of en hoe
gemeenten al werken met een langere beschikkingsduur in de Wmo 2015 en de Jeugdwet.
Wanneer kunnen deze resultaten verwacht worden? Welke mogelijkheden zijn er om gemeenten
te stimuleren tot langdurige indicaties en welke rol ziet de Minister voor zichzelf
hierin?
De leden van de PRO-fractie lezen dat het aantal cliënten met aanspraak op zorgprofiel
VG7 sinds 2018 het sterkst gestegen is, vergeleken met zorgprofiel VG6 en het totaal
aantal VG-cliënten. Waardoor zou deze stijging verklaard kunnen worden? Zij lezen
daarnaast dat er vanuit de bestuurlijke afspraken rondom complexe zorg door Zorgverzekeraars
Nederland (ZN) wordt gewerkt aan het verder inzichtelijk maken van alle wachtenden.
Zou nader toegelicht kunnen worden op basis waarvan het inzicht wordt verbreed en
wanneer de resultaten verwacht kunnen worden?
De leden van de PRO-fractie lezen dat in 2025 meer dan de helft van de gemeenten een
Lokale Inclusie Agenda had. Hoeveel gemeenten hebben, volgens de meest recent beschikbare
gegevens, een Lokale Inclusie Agenda? Hoeveel gemeenten hebben hierbij mensen met
een beperking betrokken? Zou nader toegelicht kunnen worden waarom sommige gemeenten
nog geen Lokale Inclusie Agenda hebben?
De leden van de PRO-fractie constateren dat mensen met een beperking in Nederland
in rap tempo geconfronteerd zullen worden met een opeenstapeling van maatregelen,
zoals bijvoorbeeld het wijzigen van het tarief voor de Wmo, het afschaffen van de
huishoudelijke hulp uit de Wmo, het verhogen van het eigen risico en bezuinigingen
op de sociale zekerheid. Op welke wijze worden de effecten van deze maatregelen in
hun geheel op deze groep gemonitord? Hoe rijmt dit met het feit dat mensen met een
beperking gemiddeld gezien al vaak veel meer kosten maken wegens hun beperking en
ook vaker geconfronteerd worden met armoede? Hoe verhouden dergelijke maatregelen
zich tot de conclusies en bevindingen van het Houdbaarheidsonderzoek Wmo 2015?
Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie
De leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van de derde voortgangsrapportage
van de Toekomstagenda «Zorg en ondersteuning voor mensen met een beperking» en hebben
hierover nog enkele vragen.
De leden van de PVV-fractie constateren dat de Toekomstagenda loopt tot en met 2026
en dat de Minister zelf aangeeft dat de stap naar borging aan het einde van de looptijd
nog niet volledig zal zijn afgerond. Deze leden vragen wat dit concreet betekent.
Welke onderdelen worden na 2026 voortgezet, welke niet en op basis waarvan wordt dat
besloten? Kan de Minister toezeggen dat succesvolle onderdelen niet verdwijnen in
nieuwe overlegtafels of tijdelijke programma’s, maar daadwerkelijk structureel terechtkomen
in de dagelijkse praktijk van zorgorganisaties, zorgkantoren, gemeenten en gezinnen?
Naar aanleiding van het thema Complexe zorg. De leden van de PVV-fractie maken zich
zorgen over de stijging van het aantal mensen met een complexe zorgvraag. Uit de monitor
blijkt dat het aantal mensen met een complexe zorgvraag in 2025 met meer dan twintig
procent is gestegen ten opzichte van 2018. Wat is volgens de Minister de belangrijkste
verklaring voor deze stijging? Is er daadwerkelijk sprake van een toename van de zorgzwaarte,
van betere registratie of van een systeem waarin passende zorg te laat wordt georganiseerd,
waardoor problemen verergeren?
Deze leden vragen hoeveel mensen met een VG6- of VG7-profiel op dit moment wachten
op een passende plek, uitgesplitst naar actief wachtenden, wenswachtenden, urgent
plaatsbaren en mensen die formeel niet op een wachtlijst staan maar in de praktijk
wel nergens terechtkunnen. Herkent de Minister het probleem van schaduwwachtlijsten?
Zo ja, hoe groot is dit probleem en wanneer krijgt de Kamer hier eindelijk een helder
landelijk beeld van?
De leden van de PVV-fractie lezen dat er wordt gewerkt aan beter zicht op wachtlijsten
en dat zorgkantoren en zorgaanbieders knelpunten bespreken. Deze leden vragen waarom
dit anno 2026 nog steeds niet goed op orde is. Hoe kan het dat gezinnen met zeer complexe
zorgvragen vaak beter weten waar het misgaat dan het systeem zelf? Welke harde afspraken
maakt de Minister met zorgkantoren over hun verantwoordelijkheid om passende zorg
te organiseren?
Welke ervaringen zijn er tot nu toe opgedaan met de invoering van VG7-plus?
De leden van de PVV-fractie vragen daarnaast naar de samenwerking tussen gehandicaptenzorg
en ggz. De Minister schrijft dat er eerste stappen zijn gezet en dat in 2026 een plan
van aanpak wordt ontwikkeld. Waarom is er nog steeds slechts sprake van een plan van
aanpak, terwijl de problemen bij mensen met een verstandelijke beperking en ernstige
gedragsproblematiek al jaren bekend zijn? Wanneer komt er een landelijke werkwijze
waardoor mensen niet meer tussen gehandicaptenzorg, ggz, Wlz, Wmo en crisiszorg blijven
vallen?
Naar aanleiding van het thema Licht verstandelijke beperking (LVB). De leden van de
PVV-fractie lezen dat de bewustwording over mensen met een licht verstandelijke beperking
toeneemt, maar dat deze groep nog onvoldoende in alle leefdomeinen wordt herkend.
Deze leden vragen wat de Minister hiermee concreet gaat doen. Hoe wordt voorkomen
dat mensen met een LVB te laat worden herkend bij gemeenten, huisartsen, schuldhulpverlening,
justitie, onderwijs, werk en zorg?
Deze leden vragen hoeveel gemeenten op dit moment structureel beleid hebben voor mensen
met een LVB en hoeveel gemeenten vooral afhankelijk zijn van tijdelijke projecten
of losse initiatieven? De leden van de PVV-fractie vragen specifiek naar waakvlamondersteuning.
Hoeveel gemeenten bieden dit daadwerkelijk aan? Hoe wordt gecontroleerd of dit ook
in de praktijk beschikbaar is en niet alleen in beleidsstukken staat? Deelt de Minister
de mening dat korte indicaties en telkens opnieuw je verhaal moeten doen juist bij
mensen met een levenslange of levensbrede beperking onnodige stress, escalatie en
uiteindelijk hogere zorgkosten veroorzaken?
Naar aanleiding van het thema Cliëntondersteuning. De leden van de PVV-fractie vinden
onafhankelijke en gespecialiseerde cliëntondersteuning van groot belang, juist voor
gezinnen die vastlopen in een versnipperd zorgstelsel. Uit de stukken blijkt dat gespecialiseerde
cliëntondersteuning wordt ingezet bij complexe problematiek op meerdere levensdomeinen
en dat Metgezel in 2025 1.386 nieuwe aanmeldingen ontving, waarvan 60 procent in ondersteuning
is genomen. Deze leden vragen wat er gebeurt met de 37 procent die is doorverwezen.
Komen deze mensen daadwerkelijk op de juiste plek terecht of verdwijnen zij opnieuw
in het systeem?
Deze leden vragen waarom de overgang van Wmo-cliëntondersteuning naar Wlz-cliëntondersteuning
nog steeds niet soepel verloopt. Wie is hiervoor verantwoordelijk? Welke concrete
verbeteringen moeten uiterlijk eind 2026 merkbaar zijn voor cliënten en naasten?
De leden van de PVV-fractie vragen hoe de Minister de gespecialiseerde cliëntondersteuning
na afloop van de subsidieperiode wil borgen. Kan de Minister uitsluiten dat gezinnen
die nu eindelijk één vaste gespecialiseerde ondersteuner hebben, straks weer opnieuw
moeten beginnen omdat financiering of organisatie verandert?
Deze leden vragen ook hoe wordt voorkomen dat cliëntondersteuning een extra loket
wordt in plaats van een oplossing voor mensen die al verdwaald zijn in het systeem.
Hoe borgt de Minister dat cliëntondersteuners voldoende doorzettingsmacht hebben richting
gemeenten, zorgkantoren, zorgaanbieders en andere instanties?
Naar aanleiding van het thema Zorgtechnologie en innovatie. De leden van de PVV-fractie
staan positief tegenover zorgtechnologie wanneer die mensen met een beperking meer
regie geeft, naasten ontlast en zorgverleners ondersteunt. Deze leden zijn echter
kritisch op technologie die vooral wordt gepresenteerd als oplossing voor personeelstekorten,
zonder dat duidelijk is wat cliënten, naasten en medewerkers ervan vinden.
Deze leden vragen welke technologieën in de gehandicaptenzorg aantoonbaar leiden tot
betere kwaliteit van leven, minder werkdruk of meer veiligheid. Welke innovaties zijn
inmiddels bewezen effectief en welke bevinden zich nog vooral in de fase van pilots,
routes en kennisdeling? Hoe wordt het gebruikt van innovaties gedeeld en verder uitgerold?
Wat doet de Minister om hierin te ondersteunen?
Naar aanleiding van het thema Vakmanschap en arbeidsmarkt. De leden van de PVV-fractie
maken zich grote zorgen over de werkdruk in de gehandicaptenzorg. Uit de monitor blijkt
dat ongeveer twee op de vijf werknemers binnen de gehandicaptenzorg in 2025 een veel
te hoge werkdruk ervaart. Deze leden vragen wat de Minister concreet gaat doen om
zorgverleners in de gehandicaptenzorg te behouden.
De leden van de PVV-fractie willen bureaucratie en managementlagen schrappen en zorgverleners
meer zeggenschap geven over hun werk. Genoemde leden vragen daarom hoeveel tijd medewerkers
in de gehandicaptenzorg kwijt zijn aan administratie, verantwoording, registraties
en overleg. Welke concrete registraties of verantwoordingsplichten worden geschrapt?
Kan de Minister een overzicht geven van maatregelen die zorgverleners in 2026 daadwerkelijk
minder papierwerk opleveren? Sluit de Minister aan bij de AZWA doelstelling van maximaal
20% regeldruk?
Deze leden vragen ook hoe de Minister aankijkt tegen de waarschuwing dat vakbekwaamheid
niet mag worden uitgehold door personeelstekorten. Hoe voorkomt de Minister dat mensen
zonder passende opleiding of begeleiding worden ingezet op zware groepen, waardoor
risico’s ontstaan voor cliënten en medewerkers?
De leden van de PVV-fractie vragen daarnaast wat de Minister doet tegen agressie en
onveiligheid op de werkvloer. Hoeveel meldingen zijn er in de gehandicaptenzorg van
agressie, bedreiging of geweld tegen medewerkers? Welke maatregelen neemt de Minister
om medewerkers beter te beschermen?
Naar aanleiding van het thema Levenslang en levensbreed. De leden van de PVV-fractie
vinden het zeer herkenbaar dat mensen met een levenslange en levensbrede beperking
vastlopen door versnippering tussen Wmo, Jeugdwet, Zorgverzekeringswet en Wlz. Hoe
kijkt de Minister naar één wettelijke regeling voor mensen met een levenslange en
levensbrede beperking? Is zij bereid dit te onderzoeken?
Deze leden vragen of de Minister erkent dat het huidige stelsel voor deze doelgroep
vaak onnodig ingewikkeld is. Waarom moeten mensen met een levenslange beperking of
hun ouders steeds opnieuw bewijzen dat de beperking niet overgaat? Waarom worden indicaties
nog steeds kortdurend afgegeven bij mensen die hun hele leven ondersteuning nodig
zullen hebben? Wat gaat de Minister concreet doen om «het doorgeslagen indicatiecircus»
zoals verwoord in het coalitieakkoord te stoppen? Welke acties onderneemt zij om ervoor
te zorgen dat «niemand hoeft zijn chronische ziekte of beperking meer periodiek aan
te tonen» zoals verwoord in het coalitieakkoord? Kan de Minister per wet uitsplitsen
welke aanvullende acties zij hierop onderneemt en wanneer?
Deze leden vragen daarnaast hoe de Minister ervoor zorgt dat gemeenten niet alleen
mooie woorden gebruiken over integraal werken, maar ook daadwerkelijk één plan, één
regisseur en langdurige ondersteuning bieden waar dat nodig is. Welke gemeenten doen
dit goed en welke blijven achter?
Naar aanleiding van het thema Mantelzorgers en naasten. De leden van de PVV-fractie
benadrukken dat ouders, partners, broers, zussen en andere naasten vaak jarenlang
de gaten in het systeem dichten. Deze mensen zijn van onschatbare waarde, maar raken
ook overbelast. Genoemd leden vragen hoe de Minister de belasting van naasten in de
gehandicaptenzorg structureel monitort.
Deze leden vragen hoeveel respijtzorg, logeerzorg en crisisopvang beschikbaar is voor
gezinnen met een kind of volwassene met een complexe beperking. Waar zijn tekorten?
Hoe lang zijn de wachttijden? Wat doet de Minister om te voorkomen dat gezinnen pas
hulp krijgen wanneer zij al zijn vastgelopen? Welke aanvullende acties onderneemt
de Minister om respijtzorg te ondersteunen?
De leden van de PVV-fractie vragen hoe mantelzorgers beter ondersteund worden. Wordt
bij de verdere uitwerking van de Toekomstagenda ook gekeken naar de positie van mantelzorgers
die structureel en langdurig zorg verlenen aan iemand met een beperking?
Naar aanleiding van het thema Monitoring en resultaten. De leden van de PVV-fractie
lezen dat de eerste monitor nog geen volledig beeld geeft, dat voor diverse indicatoren
sprake is van een eerste meting en dat sommige indicatoren ontbreken omdat dataverzameling
te belastend, te complex of te tijdrovend is. Deze leden vragen hoe de Kamer dan kan
beoordelen of de Toekomstagenda werkt.
Deze leden vragen welke indicatoren ontbreken en waarom. Gaat het juist om indicatoren
die iets zeggen over de echte problemen in de praktijk, zoals wachtlijsten, crisisplaatsingen,
doorzettingsmacht, overbelasting van naasten, personeelstekorten en misstanden? Wanneer
zijn deze gegevens wel beschikbaar?
De leden van de PVV-fractie vragen de Minister om bij de volgende rapportage niet
alleen procesresultaten te melden, zoals bijeenkomsten, kennisproducten, programma’s
of websites, maar vooral concrete uitkomsten voor cliënten, naasten en zorgverleners.
Kan de Minister toezeggen dat de volgende rapportage duidelijk maakt hoeveel mensen
sneller passende zorg kregen, hoeveel gezinnen minder vastliepen, hoeveel medewerkers
minder werkdruk ervaren en hoeveel bureaucratie daadwerkelijk is verminderd?
Naar aanleiding van het thema Toezicht, misstanden en pgb-wooninitiatieven. De leden
van de PVV-fractie vinden het van groot belang dat kwetsbare mensen met een beperking
beschermd worden tegen misstanden, verwaarlozing, grensoverschrijdend gedrag, fraude
en slechte zorg. Deze leden vragen wat de stand van zaken is van het transparantieregister
voor pgb-gefinancierde wooninitiatieven. Wanneer is dit register volledig operationeel
en toegankelijk voor toezichthouders?
Deze leden vragen of de IGJ voldoende capaciteit heeft om toezicht te houden op kleinschalige
wooninitiatieven en andere kwetsbare vormen van zorg. Hoe vaak heeft de IGJ in 2025
toezicht gehouden op pgb-gefinancierde wooninitiatieven? Hoeveel signalen, meldingen,
waarschuwingen, aanwijzingen of handhavende maatregelen zijn er geweest?
De leden van de PVV-fractie vragen hoe wordt voorkomen dat kwaadwillende zorgaanbieders
kwetsbare mensen gebruiken als verdienmodel. Welke concrete maatregelen neemt de Minister
om fraude, slechte zorg en misbruik van pgb-geld harder aan te pakken? Worden opbrengsten
van boetes en teruggevorderd zorggeld weer ingezet voor betere zorg?
Tot slot vragen de leden van de PVV-fractie de Minister om de Kamer voor het einde
van 2026 een concreet overzicht te sturen van wat de Toekomstagenda heeft opgeleverd,
welke onderdelen structureel worden geborgd, wat dit kost, welke bureaucratie wordt
geschrapt en hoe wordt toegewerkt naar eenvoudiger zorg voor mensen met een levenslange
beperking.
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de brief van de Minister en hebben
hierover nog enkele vragen.
De leden van de CDA-fractie zouden graag zien dat er een concreet vervolg op de Toekomstagenda
komt in de vorm van een inhoudelijk bestuurlijk akkoord met de gehandicaptenzorgsector.
Deze leden vragen of de Minister kan aangeven wat de stand van zaken is ten aanzien
van de gesprekken hierover.
De leden van de CDA-fractie vragen verder naar de uitvoering van de motie-Westerveld
en Krul (Kamerstuk 24 170, nr. 314) over regelen dat in alle zorgwetten langdurige indicaties worden afgegeven voor
mensen met een levenslange beperking en cliënten inspraak geven op de herindicatietermijn.
Het is voor deze leden onduidelijk hoe er per zorgwet wordt gewerkt aan langdurige
indicaties. Daarom vragen deze leden of de Minister dit per zorgwet concreet uiteen
kan zetten, ook in het licht van de afspraken uit het coalitieakkoord dat niemand
zijn chronische ziekte of beperking meer periodiek hoeft aan te tonen. Is al inzichtelijk
welke gemeenten wel en niet werken met een langere beschikkingsduur in de Wmo? Zo
nee, wanneer hoort de Kamer hier meer over? Deelt de Minister de mening dat het niet
voldoende is om alleen een brief naar alle gemeenten te sturen? Wanneer hoort de Kamer
meer over het langdurig toekennen van meerzorg bij het persoonsgebonden budget (pgb)?
Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie
De leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van de derde voortgangsrapportage
Toekomstagenda «zorg en ondersteuning voor mensen met een beperking» en de bijbehorende
onderzoeken en bijlagen. Deze leden zien dat in de praktijk nog veel mensen met een
levenslange en levensbrede ondersteuningsvraag vastlopen in versnipperde ondersteuning,
wisselende contactpersonen, wachtlijsten en bureaucratie. Zij hebben hierover nog
enkele vragen.
De leden van de BBB-fractie lezen in het rapport Langdurig en levensbreed dat inwoners
en gezinnen in verschillende gemeenten aangeven dat sprake is van versnipperde ondersteuning,
beperkte samenwerking tussen domeinen en het ontbreken van één integraal plan of één
vast aanspreekpunt. Deze leden lezen bovendien dat mensen regelmatig opnieuw hun verhaal
moeten doen en dat verschillen tussen gemeenten groot zijn. Hoe reflecteert de Minister
op deze bevindingen? Juist mensen met een levenslange en levensbrede ondersteuningsvraag
hebben behoefte aan continuïteit, stabiliteit en regie. Deelt de Minister de opvatting
dat een integraal plan en een vast aanspreekpunt voor deze doelgroep in veel gevallen
essentieel zijn om passende ondersteuning te organiseren? Zo ja, welke concrete inzet
pleegt de Minister richting gemeenten om dit meer de norm te maken?
De leden van de BBB-fractie lezen in het onderzoek verschillende voorbeelden waarbij
ondersteuning onvoldoende integraal werd georganiseerd en waarbij inwoners of ouders
zelf de regie moesten voeren tussen verschillende loketten, wetten en organisaties.
Hoe voorkomt de Minister dat mensen met een beperking of hun ouders feitelijk zelf
zorgcoördinator moeten zijn binnen een complex systeem? Daarnaast blijkt dat verschillen
tussen gemeenten grote invloed kunnen hebben op de kwaliteit, snelheid en toegankelijkheid
van ondersteuning. Zo ontstaat toenemende postcodeongelijkheid in de zorg en ondersteuning.
Hoe kijkt de Minister naar het risico dat de kwaliteit van ondersteuning in sterke
mate afhankelijk wordt van de gemeente waarin iemand woont? Is goed in beeld hoe groot
de ongelijkheid is en in welke gemeenten mensen met een beperking beduidend slechter
af zijn dan gemiddeld? Als de ongelijkheid onvoldoende in beeld is, hoe kan dan actief
beleid gevoerd worden op het verkleinen van de ongelijkheid en welke specifieke stappen
zet de Minister om de ongelijkheid te verkleinen?
De leden van de BBB-fractie vragen in dit verband ook aandacht voor recente signalen
van de Vereniging Artsen Volksgezondheid en de Koepel Artsen Maatschappij + Gezondheid
over medische beoordelingen voor kwetsbare inwoners. Zij lezen dat inwoners soms honderden
euro’s kwijt zijn aan medische keuringen, zonder garantie op toekenning van ondersteuning
of voorzieningen, en dat de kosten en werkwijzen sterk verschillen per gemeente. Deelt
de Minister de zorg dat hierdoor rechtsongelijkheid ontstaat? Welke mogelijkheden
ziet de Minister om meer uniformiteit, kwaliteit en toegankelijkheid van medische
beoordelingen te organiseren?
De leden van de BBB-fractie lezen bovendien dat een tekort aan specifiek opgeleide
artsen ertoe leidt dat complexe beoordelingen steeds vaker worden uitgevoerd door
basisartsen. Hoe beoordeelt de Minister de risico’s hiervan voor de kwaliteit en zorgvuldigheid
van beoordelingen van kwetsbare inwoners? Is de Minister bereid te onderzoeken hoe
de opleiding tot arts Medisch Advies structureler ondersteund kan worden?
De leden van de BBB-fractie zijn geschrokken van de voorbeelden van stress en onzekerheid
rondom herindicaties, terwijl het gaat om mensen met een levenslange beperking of
ondersteuningsvraag. Deze leden vragen hoe de Minister reflecteert op signalen dat
mensen steeds opnieuw moeten bewijzen dat zij ondersteuning nodig hebben. Welke stappen
zet de Minister om langdurige indicaties en meer continuïteit in ondersteuning vaker
mogelijk te maken?
De leden van de BBB-fractie begrijpen verder dat de Minister aangeeft dat er aandacht
blijft voor ouderenzorg, medisch-generalistische zorg en toekomstbestendige ondersteuning.
Tegelijkertijd staan gemeenten en zorgorganisaties onder grote financiële druk en
worden verdere bezuinigingen op de zorg voorzien door het huidige kabinet. Hoe rijmt
de Minister de ambities uit de Toekomstagenda met deze financiële ontwikkelingen?
Hoe rijmt de Minister de specifieke bezuinigingen die het Ministerie van VWS wil doorvoeren
op ouderengezondheid met deze ambities? Kan de Minister toelichten hoe de bezuinigingen
van invloed gaan zijn op de zorg, nu het huidige kabinet nog grotere bezuinigingen
voorstelt dan voorheen voorzien waren?
De leden van de BBB-fractie vragen de Minister om daarbij specifiek in te gaan op
welke gevolgen de Minister verwacht van de voorgenomen bezuinigingen voor wachtlijsten,
personeelscontinuïteit, gespecialiseerde cliëntondersteuning en de beschikbaarheid
van passende zorg en ondersteuning voor mensen met een beperking. Tot slot vragen
de leden van de BBB-fractie hoe de Minister wil voorkomen dat mensen met een levenslange
en levensbrede ondersteuningsvraag juist door financiële druk, personeelstekorten
en versnipperde uitvoering tussen wal en schip raken.
Vragen en opmerkingen van de leden van de SP-fractie
De leden van de SP-fractie hebben de derde voortgangsrapportage Toekomstagenda «zorg
en ondersteuning voor mensen met een beperking» gelezen. Zij hebben hier nog enkele
vragen en opmerkingen over. Zij benadrukken dat het erg belangrijk is dat er nu eindelijk
vaart wordt gemaakt met de uitvoering van het VN-Verdrag Handicap en het verbeteren
van de positie van mensen met een beperking.
De leden van de SP-fractie benadrukken dat het met het huidige beleid dweilen met
de kraan open lijkt om het VN-Verdrag Handicap goed uit te voeren. De geplande bezuinigingen
op zowel de zorg als de sociale zekerheid dreigen mensen met een beperking extra te
raken, waardoor hun mogelijkheden om gelijkwaardig mee te doen in de samenleving juist
kleiner dreigen te worden. Hoe kijkt de Minister hiernaar? Hoe verwacht zij de positie
van mensen met een beperking te kunnen vergroten, terwijl tegelijkertijd de voorzieningen
waarvan veel mensen met een beperking afhankelijk zijn worden verslechterd of zelfs
helemaal verdwijnen?
De leden van de SP-fractie vragen de Minister daarom ook wanneer zij de motie Dobbe
c.s. (Kamerstuk 36 800 XVI, nr. 174) gaat uitvoeren, die vroeg om «onafhankelijk in kaart te laten brengen wat de gevolgen
van het maatregelenpakket uit het regeerakkoord zijn voor de positie van mensen met
een beperking en hoe zich dit zich verhoudt tot het standstillprincipe van het VN-verdrag
Handicap, voordat deze maatregelen worden doorgevoerd». De leden van de SP-fractie
vragen de Minister wanneer en hoe zij de motie Bikker c.s. (Kamerstuk 36 848, nr. 107), die de regering verzocht om niet te bezuinigen op de gehandicaptenzorg, gaat uitvoeren.
De leden van de SP-fractie vragen de Minister wanneer en hoe zij de motie Dobbe (Kamerstuk
36 800 XVI, nr. 176), die de regering verzocht «om op basis van de aanbevelingen uit het rapport over
het VN-Vrouwenverdrag plannen te maken om de positie van vrouwen met een beperking
te verbeteren», gaat uitvoeren.
De leden van de SP-fractie benadrukken dat het bezoeken van een ziekenhuis voor mensen
met een beperking vaak een grotere uitdaging vormt. Dit kan de toegankelijkheid van
de zorg voor deze mensen verkleinen, terwijl zij vaak juist meer zorg nodig hebben.
Is de Minister bereid om meer stappen te zetten om ziekenhuiszorg beter toegankelijk
te maken voor mensen met een beperking en de zorg hier beter wordt afgesteld op hun
behoeften?
De leden van de SP-fractie vragen de Minister wanneer zij gaat ingrijpen om de onuitlegbare
verschillen tussen gemeenten in de voorzieningen voor mensen met een beperking tegen
te gaan. Deelt de Minister de mening dat de rechten van deze mensen belangrijker zijn
dan de beleidsvrijheid van gemeenten om te weinig te doen om de rechten van deze mensen
in de praktijk te brengen?
De leden van de SP-fractie constateren ten slotte dat er grote ongelijkheid bestaat
tussen gemeenten in de kosten voor het aanvragen van gehandicaptenparkeerkaart. Deelt
de Minister de mening dat dit onuitlegbaar is en dat het verkrijgen van een gehandicaptenparkeerkaart
gratis zou moeten zijn? Daarnaast vragen zij welke maatregelen de Minister gaat nemen
voor het terugdringen van het tekort aan artsen die dit soort keuringen kunnen uitvoeren.
II. Reactie van de Minister
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
De leden van de D66-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de derde voortgangsrapportage
Toekomstagenda «zorg en ondersteuning voor mensen met een beperking». Daartoe hebben
deze leden enkele vragen.
De leden van de D66-fractie waarderen de eerste stappen die gezet zijn in bewustwording
en agendering van samenwerking tussen de gehandicaptenzorg en de ggz. Deze leden lezen
dat er in 2026 een plan van aanpak ontwikkeld gaat worden. Daartoe vragen deze leden
door wie dit plan van aanpak ontwikkeld wordt. Welke partijen zitten aan tafel? Op
welke wijze wordt er gezorgd voor een goede vertegenwoordiging van het veld? Wanneer
wordt het plan van aanpak verwacht, en op welke wijze wordt de Kamer hierover geïnformeerd?
Het plan van aanpak wordt ontwikkeld in samenwerking met betrokken partijen uit de
gehandicaptenzorg en de ggz, waaronder vertegenwoordigers van aanbieders, professionals,
cliëntorganisaties, CCE (Centrum voor Consultatie en Expertise) en branchepartijen.
Hiermee wordt geborgd dat het plan aansluit bij de uitvoeringspraktijk en de behoeften
van mensen met een verstandelijke beperking en psychische aandoening.
De aanbevelingen uit de rapporten1 vormen de basis voor het plan van aanpak. Partijen hebben gezamenlijk een eerste
prioritering verkend en welke verbeteracties hierbij op korte termijn in gang gezet
kunnen worden om de samenwerking tussen beide sectoren te versterken. Voor het einde
van het jaar wordt inzichtelijk welke acties worden opgepakt en welke partijen daarbij
betrokken zijn. De Kamer zal in de volgende voortgangsrapportage van de Toekomstagenda
geïnformeerd worden over deze concrete stappen.
De tekorten op de arbeidsmarkt nemen toe, en dat is ook te merken in de gehandicaptenzorg.
Op welke wijze is de Minister voornemens het anders organiseren en goed werkgeverschap
te stimuleren in de gehandicaptenzorg, zodat deze belangrijke vorm van zorg beschikbaar
blijft voor iedereen die dat nodig heeft?
Op verschillende manieren stimuleer ik het anders werken en goed werkgeverschap in
de sector. Een voorbeeld hiervan is het Actie Leer Netwerk2. Dit initiatief haalt voorbeelden op van innovatieve oplossingen voor de arbeidsmarkt.
Met thema’s als komen werken, blijven werken en anders werken laten zij voorbeelden
zien die bijdragen aan het oplossen van de personeelstekorten.
Vanuit de Toekomstagenda zijn er dialoogsessies georganiseerd over Goed werk. Deze
sessies zijn georganiseerd door Vilans in samenwerking met de Hogeschool van de Kunsten
Utrecht (HKU) en de Ambassadeurs Gehandicaptenzorg. Tijdens deze sessies werkten mensen
uit de praktijk op een creatieve manier aan beelden van goed werk en manieren om goed
werk te stimuleren. Dit heeft geresulteerd in een verzameling van zogeheten «nieuwe
goede gewoontes», die te raadplegen is via het Kennisplein Gehandicaptensector3
Het arbeidsmarktekort is een complex probleem dat vele oorzaken kent zonder een eenduidige
oplossing. Het vraagt iets van de hele sector, de overheid en de maatschappij. Op
dit moment spreek ik met werkgevers, beroepsverenigingen, gemeenten, cliëntorganisaties
en zorgkantoren over de aanpak van problemen op onder andere de korte termijn, zoals
de krapte op de arbeidsmarkt. Onderwerpen zoals anders werken en goed werkgeverschap
zijn thema’s die tijdens deze gesprekken aan bod komen. Het is mijn inzet dat deze
gesprekken leiden tot bestuurlijke afspraken.
Daarnaast lezen de leden van de D66-fractie dat er hard gewerkt wordt om de behoeften
van mensen met een levenslange en levensbrede beperking meer onder de aandacht te
brengen bij gemeenten en professionals; dit achten deze leden zeer belangrijk. Daartoe
vragen genoemde leden op welke termijn de resultaten verwacht worden over of en hoe
gemeenten al werken met een langere beschikkingsduur in de Wmo 2015 en de Jeugdwet.
Op welke wijze wordt de Kamer hierover geïnformeerd?
In december 2025 is door VWS en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) een
opdracht verleend aan Significant om inzichtelijk te maken hoe gemeenten al werken
met een langere beschikkingsduur waar passend. De resultaten hiervan worden medio
2026 opgeleverd en daarna gedeeld met de Kamer. Onderdeel van de opdracht aan Significant
is ook om een indicator te ontwikkelen, zodat in de toekomst structureel gemonitord
kan worden in hoeverre gemeenten werken met een langere beschikkingsduur waar passend.
De inzet van ervaringsdeskundigheid is ontzettend waardevol, bijvoorbeeld bij het
verbeteren en tot stand brengen van beleid, maar ook binnen het dagelijkse reilen
en zeilen van zorgorganisaties. De leden van de D66-fractie lezen dat het inzetten
van ervaringsdeskundigheid in de praktijk nog versnipperd is, en afhankelijk is van
lokale initiatieven. Daartoe vragen deze leden op welke wijze de Minister de bredere
inzet van ervaringsdeskundigheid stimuleert.
Door het Ministerie van VWS is een subsidie verstrekt aan de Alliantie VN-verdrag
Handicap, bestaande uit MIND, Vereniging LFB, Per Saldo en Ieder(in), om invulling
te geven aan het NOOZO-project (Niet Over Ons, Zonder Ons) voor de jaren 2026 en 2027.
De focus van de Alliantie ligt op het inbrengen, het verbinden en betrekken van ervaringsdeskundigen
en achterban bij bestuurlijke partners, verschillende departementen en andere voor
de implementatie van het VN-verdrag Handicap relevante organisaties en stakeholders.
Hierin wordt de samenwerking gezocht Movisie en de VNG voor het inzetten van ervaringsdeskundigen
bij gemeenten. De VNG geeft in de ondersteuning die zij biedt aan gemeenten bij de
ontwikkeling van een Lokale Inclusie Agenda nadrukkelijk het «Niets over ons, zonder
ons»-principe mee als voorwaarde.
De leden van de D66-fractie lezen dat er steeds meer gewerkt wordt met innovaties,
waarbij er ook steeds meer kennis opgedaan wordt over wat wel en niet werkt in de
praktijk. Echter lezen deze leden ook dat organisaties soms geneigd zijn vast te houden
aan hun eigen bekende werkwijzen. Ondanks dat dit heel begrijpelijk is, achten de
leden van de D66-fractie het van groot belang dat organisaties meer gaan werken met
passende innovaties om toekomstbestendig te blijven. Daartoe vragen deze leden op
welke wijze de Minister erop toeziet dat de opgedane inzichten en methodieken breder
toegepast en verankerd worden in de gehandicaptenzorg.
Tijdens mijn werkbezoeken bij zorgorganisaties heb ik al veel voorbeelden kunnen zien
hoe innovaties worden ingezet. Ook heb ik daar bemerkt dat het inzetten van innovaties,
en daarmee het veranderen van de zorgprocessen, een lastig proces kan zijn. Onder
de vlag van de Toekomstagenda zijn daarom verschillende ondersteuningsprogramma’s
gestart om organisaties hierbij te helpen. Denk bijvoorbeeld aan het Ontwikkelprogramma
Complexe Zorg, Leren Werken met Data in de gehandicaptenzorg of de Innovatie-impuls
Gehandicaptenzorg 2. In al deze programma’s is er uitgebreid aandacht voor het inzetten
en borgen van innovaties of nieuwe methodieken. Deze kennis wordt daarnaast voor iedereen
beschikbaar gemaakt, zowel binnen als buiten de gehandicaptenzorg.
Daarnaast lezen de leden van de D66-fractie dat het gebruik van data-ondersteund werken
om ondersteuning en zorg te verbeteren nog weinig wordt toegepast. Op welke wijze
gaat de Minister ervoor zorgen dat het gebruik van de InnovatieRoute toeneemt, en
dat deze makkelijker vindbaar en bruikbaar is voor organisaties in de gehandicaptenzorg?
Ik vind het belangrijk om onderscheid te maken tussen data-ondersteund werken en de
scope van de InnovatieRoute. Data-ondersteund werken is het inzetten van data binnen
de zorgorganisatie om de zorg te verbeteren, bijvoorbeeld door snel te kunnen zien
hoe het met een bewoner gaat op basis van gegevens uit het elektronisch cliëntdossier
(ECD). Ik geef bekendheid en een impuls aan data-ondersteund werken in de gehandicaptenzorg
via het programma Leren Werken met Data in de gehandicaptenzorg. Samen met de sector
identificeert het programma waar de kansen liggen, aan welke voorwaarden voldaan moet
worden en hoe gebruik van data onderdeel kan worden van de zorgprocessen.
Daarnaast heb ik de InnovatieRoute ontwikkeld: een interactief instrument bedoeld
om projectleiders door een implementatie- en opschalingstraject van zorgtechnologie
te leiden. Dit jaar geef ik met een online- en offlinecampagne meer bekendheid aan
de InnovatieRoute. Deze campagne wordt uitgevoerd door het programma Innovatie-impuls
Gehandicaptenzorg 2. We zien dat het aantal bezoekers en aantal gemaakte routes daardoor
toeneemt.
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de derde voortgangsrapportage
van de Toekomstagenda «zorg en ondersteuning voor mensen met een beperking». Zij zijn
blij om te zien dat er in samenwerking met de sector mooie stappen zijn gezet om de
zorg voor mensen met een beperking te verbeteren. Hierover hebben zij nog enkele vragen.
De leden van de VVD-fractie hebben met plezier gekeken naar de video's die gemaakt
zijn voor deze derde voortgangsrapportage. Op welke manier is de Minister van plan
om deze video's te verspreiden? Wat genoemde leden betreft zou dit een bijdrage kunnen
leveren aan niet alleen de ontwikkeling van de sector, maar ook aan het bewustzijn
in de samenleving.
De video’s zijn online op twee plekken beschikbaar. De video’s van dit jaar staan
op de webpagina Rijksoverheid > Leven met een beperking4. Daarnaast maken de video’s onderdeel uit van een serie over toekomstbestendige zorg.
De gehele reeks staat op YouTube. Direct na de publicatie is een van de video’s op
LinkedIn van het Ministerie van VWS en van Zorgakkoorden.nl geplaatst. De video’s
werden ook getoond op het congres Toekomstagenda dat 450 bezoekers had. Ten slotte
worden de video’s via het netwerk van de Toekomstagenda, waaronder alle betrokken
organisaties in de video’s verder verspreid.
De leden van de VVD-fractie zijn in het verlengde van vorige vraag benieuwd hoe leerpunten
en best practices gedeeld worden met zorgaanbieders. Welke rol ziet de Minister daarin
voor zichzelf? Hierbij graag een reflectie op het bereiken van niet-deelnemende zorgaanbieders.
De best practices en leerpunten worden gedeeld met zorgaanbieders. Bij de subsidie-
of opdrachtverlening van de verschillende ondersteuningsprogramma’s heeft VWS aandacht
gehad voor de kennisverspreiding. De ervaringen, kennis en onderzoek zijn beschikbaar
voor deelnemende en niet deelnemende organisaties via de website van Kennisplein gehandicaptenzorg
en via www.innovatieroute.nu. Alle ervaringen van het Ontwikkelprogramma Complexe Zorg worden gedeeld op de website
www.opcz.nl. Er vinden ook themabijeenkomsten plaats voor niet deelnemende aanbieders, zodat
de leerervaring breder wordt verspreid.
De leden van de VVD-fractie begrijpen dat de VG7-plus zorgprestatie inmiddels is ingevoerd.
Kan de Minister al iets delen over de ervaringen hiermee in het veld? Zo nee, wanneer
denkt zij dit wel te kunnen?
Vanaf de invoering van VG7+ wordt bij verschillende betrokken partijen (waaronder
cliëntenorganisaties) elke zes weken kwalitatieve informatie opgehaald met betrekking
tot de ervaringen met de nieuwe prestatie. Kwalitatief gezien geven aanbieders over
het algemeen aan een verbetering te zien in de VG7-plus prestatie ten opzichte van
de inzet van meerzorg. Structurele kosten voor deze groep worden nu met structurele
middelen bekostigd. Wel zijn er nog vragen over enkele voorwaarden en praktische toepassingen
van de prestatie. Vanaf begin juni is kwantitatieve data beschikbaar over het eerste
kwartaal van 2026. De kwantitatieve noch de kwalitatieve informatie levert momenteel
signalen op die het nodig maken om bij te sturen. Het komende jaar wordt gebruikt
om de data aan te vullen, te analyseren en te koppelen met de kwalitatieve informatie.
Om vervolgens het juiste gesprek te kunnen voeren met betrokken partijen over de conclusies
met betrekking tot de effecten en voorwaarden van deze prestatie.
De leden van de VVD-fractie zijn erg enthousiast dat steeds meer gemeenten één vaste
cliëntondersteuner beschikbaar stellen. Denkt de Minister dat gemeenten ertoe in staat
zijn om dit concept breder uit te rollen, of ziet zij voor zichzelf een rol in de
opschaling hiervan? Graag specifiek aandacht hierbij voor de overgang van de Wmo naar
de Wlz.
Ik juich de pilots toe waarbij aanbieders van onafhankelijke cliëntondersteuning (OCO),
gemeenten en zorgkantoren samenwerken om iemand een vaste cliëntondersteuner te bieden,
ook als hij/zij van de Wmo (Wet maatschappelijke ondersteuning) overgaat naar de Wlz
(Wet langdurige zorg). De pilots worden nog geëvalueerd, maar de eerste signalen zijn
positief. De resultaten van deze pilots zouden meer gemeenten, aanbieders van OCO
en zorgkantoren ertoe kunnen bewegen om op dezelfde manier te gaan werken.
Dit raakt ook aan de toekomstige organisatie van OCO, waar onderzoeksbureau AEF een
verkenning naar heeft uitgevoerd. Voor het zomerreces informeer ik uw Kamer hierover
in de brief over de Wmo.
De leden van de VVD-fractie zien grote meerwaarde in de Innovatie-impuls. Denkt de
Minister dat een soortgelijke aanpak voor meer zorgsectoren van toegevoegde waarde
kan zijn? Zo ja, hoe wil zij dit toepassen? Zo nee, waarom niet?
Alle kennis en ervaring uit de Innovatie-impuls Gehandicaptenzorg 1 en 2 heb ik gebundeld
in de InnovatieRoute. Ik ben van mening dat de InnovatieRoute van toegevoegde waarde
kan zijn voor andere sectoren. Hierin zijn namelijk alle methodes en aanpakken te
raadplegen binnen een volgorde. Projectleiders kunnen takenlijstjes maken en afvinken
en krijgen handige tips. Ook worden ervaringsverhalen van andere zorgaanbieders gedeeld.
Daarom is op dit moment het samenwerkingsverband «Zorgvernieuwing in Versnelling»,
samen met ontwikkelaar Greenberry, op mijn verzoek bezig met het ontwikkelen van een
InnovatieRoute voor de ouderenzorg. Daarnaast kan iedere zorgsector gebruik maken
van de InnovatieRoute en daarmee de aanpak van de Innovatie-impuls.
De leden van de VVD-fractie denken dat het een goede ontwikkeling is dat er een transparantieregister
ontstaat voor pgb-gefinancierde wooninitiatieven. Zij denken dat dit een goede schakel
kan zijn in de controle of pgb-gelden doelmatig en rechtmatig besteed worden. Kan
de Minister aangeven wanneer zij hier meer over kan delen met de Kamer?
Zoals in eerdere beantwoording aangegeven kost het aanpassen van regelingen en het
creëren van een vereiste grondslag voor gegevensuitwisseling tijd. Daarbij wordt in
verband hiermee verkend of het een optie is het register in fasen te vullen. Ik verwacht
dat binnenkort meer duidelijk is over de mogelijkheden hiervan. Zodra meer bekend
is zal ik uw Kamer hierover informeren.
De leden van de VVD-fractie zijn tot slot blij om te lezen dat er meer ingezet wordt
op bestrijding van (seksueel) grensoverschrijdend gedrag. Welke rol ziet de Minister
hierin weggelegd voor de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ)?
Het tegengaan van (seksueel) grensoverschrijdend gedrag in de gehandicaptenzorg is
een aandachtspunt voor de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ). In de bestrijding
van (seksueel) grensoverschrijdend gedrag heeft de IGJ de rol van toezichthouder.
De IGJ controleert risico gestuurd de kwaliteit en veiligheid van geleverde zorg.
Bij meldingen van onder andere (seksueel) grensoverschrijdend gedrag kan de IGJ onderzoek
doen. Waar nodig treedt de IGJ op. Ten slotte heeft de IGJ een stimulerende rol richting
zorgpartijen. De IGJ biedt handvatten om grensoverschrijdend gedrag te voorkomen.
Vragen en opmerkingen van de leden van de PRO-fractie
De leden van de PRO-fractie hebben kennisgenomen van de derde voortgangsrapportage
van de Toekomstagenda «Zorg en ondersteuning voor mensen met een beperking» (hierna:
Toekomstagenda). Zij hebben hierover nog enkele vragen.
De leden van de PRO-fractie lezen dat er bij deze derde voortgangsrapportage weer
specifiek is ingezet op een toegankelijke manier van rapporteren, bijvoorbeeld door
middel van video’s. Genoemde leden onderstrepen het belang van toegankelijkheid van
(overheids)communicatie. Hoe wordt de toegankelijkheid breder geborgd bij overheidsdocumenten
en -communicatie? Zij constateren dat de Toekomstagenda in ieder geval loopt tot eind
2026. Zou nader toegelicht kunnen worden op welke wijze de Toekomstagenda een vervolg
zal vinden?
De Wet digitale overheid (Wdo) eist dat overheidsorganisaties hun websites en apps,
en alle content op deze websites en apps toegankelijk maken en houden. De Wdo verwijst
specifiek naar een Europese norm voor digitale toegankelijkheid EN 301 549. Deze norm
bevat een indeling op principe niveau. Deze principes zijn: waarneembaar, bedienbaar,
begrijpelijk en robuust. De werkagenda van het VN-verdrag Handicap besteedt in het
bijzonder aandacht aan de begrijpelijkheid en toegankelijkheid van overheidscommunicatie.
Het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties (BZK) heeft de strategische
doelstelling dat dienstverlening van de overheid duidelijk en begrijpelijk moet zijn.
Concrete maatregelen voor toegankelijke communicatie zijn onder andere ondertiteling
voor slechthorenden en voorleesfuncties voor slechtzienden. Ten slotte is er een meldpunt
voor producten of diensten die niet toegankelijk zijn.
Voor de periode na 2026 heeft het kabinet blijvende aandacht voor mensen met een beperking.
Het kabinet zet zich in voor uitvoering van het VN-verdrag Handicap. Ik ben daarnaast
in gesprek met cliëntorganisaties, beroepsorganisaties, Zorgverzekeraars Nederland
(ZN) en de Vereniging Gehandicaptenzorg Nederland (VGN) om te komen tot bestuurlijke
afspraken over de opgaven voor de gehandicaptenzorg voor de komende jaren. Ook na
afronding van het programma Toekomstagenda blijf ik werken aan de zes thema’s complexe
zorg, licht verstandelijke beperking, cliëntondersteuning, zorgtechnologie en innovatie,
vakmanschap en arbeidsmarkt, en levenslang, levensbreed Wmo. De onderwerpen cliëntondersteuning
en levenslang en levensbreed worden concreet opgepakt in de uitwerking van de nationale
strategie VN-verdrag Handicap. Complexe zorg, vakmanschap en arbeidsmarkt, en zorgtechnologie
en innovatie zijn belangrijke onderwerpen voor de bestuurlijke afspraken over de gehandicaptenzorg.
In de eindrapportage in voorjaar van 2027 van de Toekomstagenda wordt aangegeven op
welke manier de verschillende onderdelen geborgd worden.
De leden van de PRO-fractie lezen dat geconstateerd wordt dat er meer nodig is en
dat organisaties soms geneigd zijn vast te houden aan hun eigen bekende werkwijzen.
Daarnaast lezen zij dat geconstateerd wordt dat het noodzakelijk is om verder op te
schalen en de inzichten en methodieken die werken een plek te geven in het zorgsysteem,
bijvoorbeeld in de zorginkoop, de werkwijze van gemeenten of door effectieve interventies
te beschrijven. Welke rol ziet de Minister voor zichzelf weggelegd hierin en hoe zou
zij deze concreet invullen, welke taken horen daar bijvoorbeeld bij?
Tijdens mijn werkbezoeken bij zorgorganisaties heb ik al veel voorbeelden kunnen zien
hoe innovaties en methodieken worden ingezet. Ook heb ik daar bemerkt dat het inzetten
van innovaties en daarmee het veranderen van de zorgprocessen een lastig proces kan
zijn. Ik zie mijn rol vooral als faciliterend. Onder de vlag van de Toekomstagenda
ben ik daarom verschillende ondersteuningsprogramma’s gestart om organisaties hierbij
te helpen. Denk bijvoorbeeld aan het Ontwikkelprogramma Complexe Zorg, Leren Werken
met Data in de gehandicaptenzorg of de Innovatie-impuls Gehandicaptenzorg 2. In al
deze programma’s is er uitgebreid aandacht voor het inzetten en borgen van innovaties
of nieuwe methodieken. Deze kennis wordt daarnaast voor iedereen beschikbaar gemaakt,
zowel binnen als buiten de gehandicaptenzorg.
De leden van de PRO-fractie lezen dat er een plan van aanpak in ontwikkeling is voor
de bewustwording en agendering van samenwerking tussen de gehandicaptenzorg en de
ggz. Zou nader toegelicht kunnen worden wat volgens de Minister op dit moment de grootste
knelpunten zijn bij respectievelijk de bewustwording en de samenwerking tussen de
gehandicaptenzorg en de ggz? Kan er een tijdspad geschetst worden voor deze plan van
aanpak en de presentatie ervan aan de Kamer?
Naar aanleiding van de bestuurlijke afspraken vanuit de Toekomstagenda zijn er in
een tweetal rapporten aanbevelingen gedaan waar op in te zetten om de samenwerking
tussen de gehandicaptenzorg en de ggz te versterken5. Op basis daarvan worden nu de eerste concrete stappen uitgewerkt. De rapporten laten
onder andere zien dat het momenteel ontbreekt aan een gedeelde visie en een gezamenlijk
gevoel van urgentie rondom de samenwerking tussen de sectoren. Beide sectoren moeten
keuzes maken in de inzet van schaarse tijd en capaciteit.
Daarnaast verschillen de sectoren in cultuur, werkwijze en organisatie, wat het versterken
van de samenwerking complex maakt en een gezamenlijke inspanning vraagt. Uit de rapporten
komt daarnaast naar voren dat partijen belemmeringen in het systeem ervaren waardoor
de samenwerking wordt bemoeilijkt.
Voor het einde van het jaar wordt inzichtelijk welke acties worden opgepakt en welke
partijen daarbij betrokken zijn. De Kamer zal in de volgende voortgangsrapportage
van de Toekomstagenda geïnformeerd worden over deze concrete stappen.
De leden van de PRO-fractie lezen dat er nog onvoldoende bewustwording is in alle
leefdomeinen om mensen met een licht verstandelijke beperking te herkennen en tijdig
passende zorg en ondersteuning te bieden. Hoe gaat deze bewustwording in alle leefdomeinen
alsnog gerealiseerd worden en welke concrete maatregelen worden hiervoor genomen?
Zij lezen daarnaast dat er steeds meer bekend is over hoe je ervaringsdeskundigheid
kunt inzetten bij beleidsvorming, maar dat er ook aandacht nodig is om dit structureel
te borgen binnen organisaties. Welke rol ziet de Minister voor zichzelf hierbij? Op
welke wijze wordt de inzet van ervaringsdeskundigheid ook beloond, zodat het niet
louter afhankelijk is van liefdadigheid, maar ervaringsdeskundigen ook een eerlijke
vergoeding ontvangen voor hun werk?
Het creëren van bewustwording over licht verstandelijke beperking (LVB) in alle leefdomeinen
zie ik als een gedeelde verantwoordelijkheid van het Rijk, medeoverheden en (uitvoerings-)organisaties
in de praktijk. In de afgelopen jaren zijn meerdere projecten ondersteund die een
bijdrage geleverd hebben aan de ontwikkeling van kennis over LVB, het bundelen van
deze kennis en het verspreiden hiervan. Zo is het project LVB in the Spotlight ondersteund.
Doel van het project was het bundelen en borgen van bestaande kennis over LVB en het
verspreiden van kennis over LVB binnen de ggz, het onderwijs en sectoren rondom gezinnen
met multiproblematiek.
In een ander project heb ik ingezet op het vergroten van bewustwording over LVB voor
professionals werkzaam binnen de huisartsenzorg. Daarvoor zijn ook hulpmiddelen ontwikkeld
voor deze professionals om hun zorg en ondersteuning beter te laten aansluiten op
mensen met een LVB. De volgende stap in het vergroten van bewustwording ligt in het
implementeren van de kennis, ofwel de ontwikkelde kennis bij de professional op de
werkvloer krijgen. Om dit te stimuleren ben ik met een aantal partijen in gesprek.
Ik wil echter benadrukken dat medeoverheden en (uitvoerings-)organisaties aan zet
zijn, want de kennis over LVB is mede dankzij inzet vanuit de Toekomstagenda beschikbaar.
Met middelen vanuit VWS wordt het project «LVB in de gemeente» uitgevoerd door de
LFB (landelijke belangenorganisatie door en voor mensen met een verstandelijke beperking)
bij twee pilotgemeenten. Eind 2026 wordt dit project opgeleverd en wordt er gezocht
naar manieren om de resultaten hiervan onder de aandacht te brengen bij zoveel mogelijk
gemeenten. Denk hierbij aan het beschikbaar stellen van handvatten om ervaringsdeskundigen
met een LVB te betrekken bij het verbeteren van de toegang en toegankelijkheid van
de gemeente, en het verkennen van mogelijkheden om de inzet van deze ervaringsdeskundigheid
structureel te borgen binnen de organisatie. Dit project levert inzichten op voor
gemeenten die zij kunnen benutten om het betrekken van ervaringsdeskundigen in hun
eigen organisatie vorm te geven. De VNG besteedt daarnaast nadrukkelijk aandacht aan
het «Niets over ons, zonder ons»-principe bij het ontwikkelen van lokaal inclusiebeleid.
De Alliantie VN-verdrag Handicap bestaande uit MIND, Vereniging LFB, Per Saldo en
Ieder(in), levert expertise aan samenwerkingspartners. Daar waar ervaringsdeskundigen
worden ingezet zorgen de partners zelf voor vergoedingen voor de inzet van ervaringsdeskundigheid
indien dit aan de orde is. Daarnaast ben ik bezig met rijksbrede afspraken over vergoedingen
van ervaringsdeskundigen. De Alliantie heeft aangegeven mee te willen denken over
een eerlijke vergoeding. Gesprekken hierover zijn nog gaande.
De leden van de PRO-fractie lezen dat de overgang van Wmo-cliëntondersteuning naar
Wlz-cliëntondersteuning niet altijd soepel verloopt in de praktijk. Zij lezen dat
de Minister daarom de komende periode met het veld zal blijven werken aan het verbeteren
van de organisatie van cliëntondersteuning. Wat zijn volgens de Minister de grootste
knelpunten bij deze overgang? Welke concrete, mogelijke oplossingsrichtingen ziet
zij per knelpunt? Op welke wijze worden cliënten en hun vertegenwoordigende organisaties
betrokken bij dit traject?
Het grootste knelpunt bij de overgang is dat mensen waarbij al een cliëntondersteuner
vanuit de Wmo betrokken was na het krijgen van een Wlz-indicatie in veel gevallen
te maken krijgen met een nieuwe cliëntondersteuner en soms ook nieuwe OCO-aanbieder.
Dit betekent dat mensen opnieuw hun verhaal moeten doen en opnieuw een band moeten
opbouwen met hun cliëntondersteuner. Daarnaast is een knelpunt bij deze overgang dat
de kennis over de Wlz en de gevolgen van een Wlz-indicatie, zoals de eigen bijdrage,
bij het aanvragen van de Wlz-indicatie soms niet voldoende is waardoor mensen niet
goed op de hoogte zijn van de gevolgen van de overgang naar de Wlz. Het tijdig inzetten
van Wlz-expertise, zoals de cliëntondersteuner vanuit de Wlz, zou hierbij kunnen helpen.
Sinds 2024 kunnen zorgkantoren cliëntondersteuning aanbieden aan personen die zicht
hebben op een Wlz-indicatie. Dit biedt de mogelijkheid om al in een eerder stadium
Wlz-expertise in te zetten en dit knelpunt te verminderen. Deze mogelijkheid wordt
in de praktijk echter nog niet benut door de zorgkantoren, mede omwille van schaarste.
Daarnaast zijn er in het kader van de Toekomstagenda diverse acties opgezet om de
kennis over en kwaliteit van cliëntondersteuning te verbeteren. Deze acties worden
gezamenlijk uitgevoerd door VWS, ZN, VNG, BCMB, Ieder(in), Sien en Movisie.
Parallel hieraan zijn het afgelopen jaar een aantal andere onderzoeken naar cliëntondersteuning
uitgevoerd. Hierover wordt u voor het zomerreces geïnformeerd.
De leden van de PRO-fractie lezen dat in 2026 inzichtelijk wordt gemaakt of en hoe
gemeenten al werken met een langere beschikkingsduur in de Wmo 2015 en de Jeugdwet.
Wanneer kunnen deze resultaten verwacht worden? Welke mogelijkheden zijn er om gemeenten
te stimuleren tot langdurige indicaties en welke rol ziet de Minister voor zichzelf
hierin?
In december 2025 is door VWS en de VNG een opdracht verleend aan Significant om inzichtelijk
te maken hoe gemeenten al werken met een langere beschikkingsduur waar passend. De
resultaten hiervan worden medio 2026 opgeleverd en daarna gedeeld met de Kamer. Onderdeel
van de opdracht is om een indicator te ontwikkelen, zodat in de toekomst structureel
gemonitord kan worden in hoeverre gemeenten werken met een langere beschikkingsduur
waar passend. De uitkomsten van het onderzoek bieden input voor aanvullende acties
om de passende beschikkingsduur nog verder te stimuleren bij gemeenten en invulling
te geven aan de ambities beschreven in het Regeerakkoord. Ook ga ik verder met het
ondersteuningstraject Verrassend Passend, waarbinnen gemeenten worden gefaciliteerd
en ondersteund om (waar passend) voor langere duur te beschikken. Hierover ben ik
consequent in gesprek met gemeenten om dit onder de aandacht te brengen en steeds
beter in beeld te krijgen welke belemmeringen ervaren worden om dit te doen.
De leden van de PRO-fractie lezen dat het aantal cliënten met aanspraak op zorgprofiel
VG7 sinds 2018 het sterkst gestegen is, vergeleken met zorgprofiel VG6 en het totaal
aantal VG-cliënten. Waardoor zou deze stijging verklaard kunnen worden? Zij lezen
daarnaast dat er vanuit de bestuurlijke afspraken rondom complexe zorg door Zorgverzekeraars
Nederland (ZN) wordt gewerkt aan het verder inzichtelijk maken van alle wachtenden.
Zou nader toegelicht kunnen worden op basis waarvan het inzicht wordt verbreed en
wanneer de resultaten verwacht kunnen worden?
Eerder is onderzocht welke factoren hier mogelijk aan bijdragen6,
7. De conclusie die hieruit getrokken kan worden is dat een samenspel van vele verschillende
factoren zorgen voor deze ontwikkeling. Belangrijk hierbij is dat de eerste levensjaren
cruciaal zijn voor het mogelijk ontwikkelen van complexiteit op latere leeftijd en
dit vraagt om tijdige herkenning en toegang tot passende ondersteuning en zorg. Daarnaast
zijn er verschillende maatschappelijke en beleidsmatige ontwikkelingen die mogelijk
de afgelopen jaren hebben bijgedragen aan deze ontwikkeling, waaronder het complexer
worden van de maatschappij, arbeidsmarktproblemen, social media, individualisering
van de maatschappij, schotten tussen de verschillende domeinen en tekorten aan huisvesting.
Meerdere elementen dragen bij aan een oplossing voor méér inzicht in wachtenden. Vanuit
de bestuurlijke afspraken rondom complexe zorg gehandicaptenzorg wordt gewerkt aan:
– Oplossingen op het gebied van dossierhouderschap. Als de cliënt met een Wlz-indicatie
een opnamewens heeft of zorg wil ontvangen op basis van Volledig Pakket Thuis (VPT)
geeft de cliënt aan bij welke aanbieder men die zorg wil ontvangen. Die zorgaanbieder
van voorkeur is dan de dossierhouder. Voor het zorgkantoor en cliënt is de dossierhouder
het eerste aanspreekpunt voor het organiseren van de zorg. Door samenwerkingen tussen
aanbieders zijn aanbieders eerder geneigd het dossierhouderschap op zich te nemen,
waardoor er dus méér cliënten zichtbaar worden op de wachtlijst. Een pilot in West-Brabant
laat dit als positief neveneffect zien.
– Het dashboard van de VGU (Vereniging Gehandicaptenzorg Utrecht) helpt ook om een actueler
inzicht te krijgen in de wachtlijst per regio, door o.a. dubbelingen eruit te halen.
Dit dashboard brengt daarnaast de zorgvraag in de regio breder in kaart, waardoor
het gemakkelijker is om het aanbod met de vraag te matchen. Dit dashboard wordt nu
in vijf regio’s vanuit zorgkantoor Zilveren Kruis en in twee regio’s van zorgkantoren
CZ en VGZ uitgerold.
– Er zijn echter ook oorzaken waar zorgkantoren minder invloed op hebben; bijvoorbeeld
cliënten die nog geen Wlz-indicatie hebben en die komen vanuit jeugd of detentie,
en daarom niet (tijdig) in beeld zijn bij zorgkantoren.
Er wordt dus gewerkt aan verschillende oplossingsrichtingen, het is nog niet te zeggen
wanneer dit precies tot een concreet resultaat leidt.
De leden van de PRO-fractie lezen dat in 2025 meer dan de helft van de gemeenten een
Lokale Inclusie Agenda had. Hoeveel gemeenten hebben, volgens de meest recent beschikbare
gegevens, een Lokale Inclusie Agenda? Hoeveel gemeenten hebben hierbij mensen met
een beperking betrokken? Zou nader toegelicht kunnen worden waarom sommige gemeenten
nog geen Lokale Inclusie Agenda hebben?
De meest recente cijfers van VNG tonen dat 215 gemeenten een Lokale Inclusie Agenda
(LIA, 62%) hebben, 57 gemeenten werken aan een LIA (17%) en 70 gemeenten nog geen
LIA hebben.
In de Flitspeiling 20258 is door Movisie uitgevraagd hoe ervaringsdeskundigen betrokken worden bij de ontwikkeling
van een LIA. De Flitspeiling werd ingevuld door in totaal 145 gemeenten, waarvan 83
gemeenten die een LIA hebben. Hiervan gaven 76 gemeenten aan mensen met een beperking
te hebben betrokken bij de ontwikkeling van hun LIA. Van de gemeenten die nog een
LIA aan het ontwikkelen zijn (45 gemeenten in de Flitspeiling) gaf driekwart aan daarbij
ervaringsdeskundigen te betrekken.
De VNG geeft in de ondersteuning die zij biedt aan gemeenten bij de ontwikkeling van
een LIA nadrukkelijk het «Niets over ons, zonder ons»-principe mee als voorwaarde.
Daarnaast is in de Flitspeiling uitgevraagd waarom gemeenten nog geen LIA hebben.
In totaal deden 17 gemeenten zonder LIA deden mee aan het onderzoek. De meeste van
deze gemeenten gaven aan dat zij in het beleid als geheel aandacht hebben voor inclusie
van mensen met een beperking, maar geen aparte LIA hebben.
De leden van de PRO-fractie constateren dat mensen met een beperking in Nederland
in rap tempo geconfronteerd zullen worden met een opeenstapeling van maatregelen,
zoals bijvoorbeeld het wijzigen van het tarief voor de Wmo, het afschaffen van de
huishoudelijke hulp uit de Wmo, het verhogen van het eigen risico en bezuinigingen
op de sociale zekerheid. Op welke wijze worden de effecten van deze maatregelen in
hun geheel op deze groep gemonitord? Hoe rijmt dit met het feit dat mensen met een
beperking gemiddeld gezien al vaak veel meer kosten maken wegens hun beperking en
ook vaker geconfronteerd worden met armoede? Hoe verhouden dergelijke maatregelen
zich tot de conclusies en bevindingen van het Houdbaarheidsonderzoek Wmo 2015?
De leden van de PRO-fractie noemen meerdere maatregelen uit het coalitieakkoord die
gevolgen hebben voor de inkomenspositie van mensen met een beperking. Er is inderdaad
een mogelijkheid dat deze maatregelen stapelen voor mensen met een beperking. De regering
is via een motie van het lid Stoffer verzocht voorafgaand aan alle voorgenomen maatregelen
die ingrijpen op de portemonnee van mensen in de sociale zekerheid en zorg, de gevolgen
daarvan voor kwetsbare groepen in kaart te brengen. In de procesbrief9 aan uw Kamer over de uitwerking van de moties Stoffer en Dobbe is geschetst dat de
analyse naar de effecten van de maatregelen uit het coalitieakkoord ook met specifieke
aandacht voor mensen met chronische ziekten en/of beperking zal plaatsvinden.
Een aantal van de maatregelen raken aan de Wmo 2015 en daarmee het Houdbaarheidsonderzoek
Wmo 2015. Dit onderzoek laat zien dat de (toegang tot ondersteuning vanuit de) Wmo
2015 onder druk staat. Het onderzoek toont aan dat er maatregelen nodig zijn om deze
ondersteuning ook in de toekomst houdbaar en toegankelijk te houden voor mensen die
daar niet zonder kunnen, zoals mensen met een levenslange en levensbrede beperking.
Het invoeren van een inkomens- en vermogensafhankelijke eigen bijdrage in de Wmo 2015
is één van deze maatregelen.
Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie
De leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van de derde voortgangsrapportage
van de Toekomstagenda «Zorg en ondersteuning voor mensen met een beperking» en hebben
hierover nog enkele vragen.
De leden van de PVV-fractie constateren dat de Toekomstagenda loopt tot en met 2026
en dat de Minister zelf aangeeft dat de stap naar borging aan het einde van de looptijd
nog niet volledig zal zijn afgerond. Deze leden vragen wat dit concreet betekent.
Welke onderdelen worden na 2026 voortgezet, welke niet en op basis waarvan wordt dat
besloten? Kan de Minister toezeggen dat succesvolle onderdelen niet verdwijnen in
nieuwe overlegtafels of tijdelijke programma’s, maar daadwerkelijk structureel terechtkomen
in de dagelijkse praktijk van zorgorganisaties, zorgkantoren, gemeenten en gezinnen?
Voor de periode na 2026 heeft het kabinet blijvende aandacht voor mensen met een beperking.
Het kabinet zet zich in voor uitvoering van het VN-verdrag Handicap. Ik ben daarnaast
in gesprek met cliëntorganisaties, beroepsorganisaties, ZN en VGN om te komen tot
bestuurlijke afspraken over de opgaven voor de gehandicaptenzorg voor de komende jaren.
Ook na afronding van het programma Toekomstagenda blijf ik werken aan de zes thema’s
complexe zorg, licht verstandelijke beperking, cliëntondersteuning, zorgtechnologie
en innovatie, vakmanschap en arbeidsmarkt en levenslang, levensbreed Wmo. De onderwerpen
cliëntondersteuning en levenslang en levensbreed worden concreet opgepakt in de uitwerking
van de nationale strategie VN-verdrag Handicap. Complexe zorg, vakmanschap en arbeidsmarkt,
en zorgtechnologie en innovatie zijn belangrijke onderwerpen voor de bestuurlijke
afspraken over de gehandicaptenzorg. In de eindrapportage in het voorjaar van 2027
van de Toekomstagenda wordt aangegeven op welke manier de verschillende onderdelen
geborgd worden.
Naar aanleiding van het thema Complexe zorg. De leden van de PVV-fractie maken zich
zorgen over de stijging van het aantal mensen met een complexe zorgvraag. Uit de monitor
blijkt dat het aantal mensen met een complexe zorgvraag in 2025 met meer dan twintig
procent is gestegen ten opzichte van 2018. Wat is volgens de Minister de belangrijkste
verklaring voor deze stijging? Is er daadwerkelijk sprake van een toename van de zorgzwaarte,
van betere registratie of van een systeem waarin passende zorg te laat wordt georganiseerd,
waardoor problemen verergeren?
Eerder is onderzocht welke factoren hier mogelijk aan bijdragen10,
11. De conclusie die hieruit getrokken kan worden is dat een samenspel van vele verschillende
factoren zorgt voor deze ontwikkeling. Belangrijk hierbij is dat de eerste levensjaren
cruciaal zijn voor het mogelijk ontwikkelen van complexiteit op latere leeftijd en
dit vraagt om tijdige herkenning en toegang tot passende ondersteuning en zorg. Daarnaast
zijn er verschillende maatschappelijke en beleidsmatige ontwikkelingen die mogelijk
de afgelopen jaren hebben bijgedragen aan deze ontwikkeling, waaronder het complexer
worden van de maatschappij, arbeidsmarktproblemen, social media, individualisering
van de maatschappij, schotten tussen de verschillende domeinen en tekorten aan huisvesting.
Deze leden vragen hoeveel mensen met een VG6- of VG7-profiel op dit moment wachten
op een passende plek, uitgesplitst naar actief wachtenden, wenswachtenden, urgent
plaatsbaren en mensen die formeel niet op een wachtlijst staan maar in de praktijk
wel nergens terechtkunnen. Herkent de Minister het probleem van schaduwwachtlijsten?
Zo ja, hoe groot is dit probleem en wanneer krijgt de Kamer hier eindelijk een helder
landelijk beeld van?
In de tabel hieronder zijn de aantallen voor de wachtenden met zorgprofiel VG6 en
VG7 uitgesplitst naar urgentie te vinden. Dit zijn de cijfers voor het eerste kwartaal
van 2026.
VG6
VG7
Wacht op voorkeur / Niet-actief wachtend
238
105
Urgent plaatsen
0
2
Actief plaatsen
108
71
Totaal wachtenden
346
178
Het probleem van schaduwwachtlijsten is bekend. Vanuit de bestuurlijke afspraken rondom
complexe zorg gehandicaptenzorg wordt door de zorgkantoren langs verschillende lijnen
gewerkt aan het beter in beeld krijgen van de wachtenden. Het is nog niet te zeggen
wanneer dit precies tot een concreet resultaat leidt.
Daarnaast werken zorgkantoren in samenspraak met partijen, in het verlengde van NZa-verbeterpunten
(Nederlandse Zorgautoriteit), afspraken in het Hoofdlijnenakkoord Ouderenzorg (HLO)
en ervaringen uit de praktijk aan noodzakelijke verbetering van de wachtlijstsystematiek
om onder meer beter inzicht te krijgen op:
– cliënten die wachten op zorgvormen thuis;
– cliënten die al verblijfszorg krijgen, maar niet (meer) passend;
– opnamebereidheid van cliënten ten behoeve van passende zorg.
Medio 2026 is de verwachting dat betrokken partijen samen hebben kunnen besluiten
welke verbeteringen er per 2027 kunnen worden doorgevoerd in het iWlz, de landelijk
vastgestelde standaard voor de elektronische gegevensuitwisseling.
De leden van de PVV-fractie lezen dat er wordt gewerkt aan beter zicht op wachtlijsten
en dat zorgkantoren en zorgaanbieders knelpunten bespreken. Deze leden vragen waarom
dit anno 2026 nog steeds niet goed op orde is. Hoe kan het dat gezinnen met zeer complexe
zorgvragen vaak beter weten waar het misgaat dan het systeem zelf? Welke harde afspraken
maakt de Minister met zorgkantoren over hun verantwoordelijkheid om passende zorg
te organiseren?
Welke ervaringen zijn er tot nu toe opgedaan met de invoering van VG7-plus?
Meerdere elementen moeten bijdragen aan een oplossing voor méér inzicht in wachtenden.
Naast het antwoord op de vorige vraag is het volgende relevant.
De Nza ziet erop toe of zorgkantoren zich voldoende inspannen om verzekerden te voorzien
van tijdige, bereikbare en kwalitatief goede zorg (zorgplicht). Wat er precies nodig
is om dit te bereiken, hangt af van de omstandigheden. De zorgkantoren hebben daarom,
namens de Wlz-uitvoerders, een eigen verantwoordelijkheid om hier invulling aan te
geven.
Vanaf de invoering van VG7+ wordt bij verschillende betrokken partijen (waaronder
cliëntenorganisaties) elke zes weken kwalitatieve informatie opgehaald met betrekking
tot de ervaringen met de nieuwe prestatie. Kwalitatief gezien geven aanbieders over
het algemeen aan een verbetering te zien in de VG7-plus prestatie ten opzichte van
de inzet van meerzorg. Structurele kosten voor deze groep worden nu met structurele
middelen bekostigd. Wel zijn er nog vragen over enkele voorwaarden en praktische toepassingen
van de prestatie. Vanaf begin juni is kwantitatieve data beschikbaar over het eerste
kwartaal van 2026. De kwantitatieve noch de kwalitatieve informatie levert momenteel
signalen op die het nodig maken om bij te sturen. Het komende jaar wordt gebruikt
om de data aan te vullen, te analyseren en te koppelen met de kwalitatieve informatie.
Om vervolgens het juiste gesprek te kunnen voeren met betrokken partijen over de conclusies
met betrekking tot de effecten en voorwaarden van deze prestatie.
De leden van de PVV-fractie vragen daarnaast naar de samenwerking tussen gehandicaptenzorg
en ggz. De Minister schrijft dat er eerste stappen zijn gezet en dat in 2026 een plan
van aanpak wordt ontwikkeld. Waarom is er nog steeds slechts sprake van een plan van
aanpak, terwijl de problemen bij mensen met een verstandelijke beperking en ernstige
gedragsproblematiek al jaren bekend zijn? Wanneer komt er een landelijke werkwijze
waardoor mensen niet meer tussen gehandicaptenzorg, ggz, Wlz, Wmo en crisiszorg blijven
vallen?
Naar aanleiding van de bestuurlijke afspraken vanuit de Toekomstagenda zijn er aanbevelingen
gedaan waar op in te zetten om de samenwerking tussen de gehandicaptenzorg en de ggz
te versterken12. Op basis daarvan worden nu concrete stappen uitgewerkt. De rapporten laten onder
andere zien dat het momenteel ontbreekt aan een gedeelde visie en een gezamenlijk
gevoel van urgentie rondom de samenwerking tussen de sectoren. Beide sectoren moeten
keuzes maken in de inzet van schaarse tijd en capaciteit. Daarnaast verschillen de
sectoren in cultuur, werkwijze en organisatie, wat het versterken van de samenwerking
complex maakt en een gezamenlijke inspanning vraagt.
Het kabinet vindt het van groot belang dat mensen met complexe en domeinoverstijgende
zorgvragen niet tussen verschillende vormen van zorg en ondersteuning terechtkomen.
De rapporten laten zien dat hiervoor onder andere betere samenwerking nodig is.
Er wordt daarom samen met betrokken partijen gewerkt aan het versterken van de samenwerking
en het maken van duidelijke afspraken hierover voor deze doelgroep. Het doel daarvan
is om te komen tot meer eenduidigheid en betere samenwerking, zodat mensen tijdig
passende zorg ontvangen en niet tussen systemen of organisaties terechtkomen. De Kamer
wordt over de voortgang geïnformeerd via de voortgangsrapportage van de Toekomstagenda.
Naar aanleiding van het thema Licht verstandelijke beperking (LVB). De leden van de
PVV-fractie lezen dat de bewustwording over mensen met een licht verstandelijke beperking
toeneemt, maar dat deze groep nog onvoldoende in alle leefdomeinen wordt herkend.
Deze leden vragen wat de Minister hiermee concreet gaat doen. Hoe wordt voorkomen
dat mensen met een LVB te laat worden herkend bij gemeenten, huisartsen, schuldhulpverlening,
justitie, onderwijs, werk en zorg?
Ik vind het belangrijk dat mensen met een LVB zoveel mogelijk tijdig worden herkend
en daarbij passende zorg en ondersteuning ontvangen. Om te voorkomen dat de ondersteuningsvraag
van mensen met een LVB niet of te laat wordt herkend door professionals in het sociaal
en medisch domein is de afgelopen jaren ingezet op het ontwikkelen van kennis over
LVB, het bundelen van versnipperde kennis en het verspreiden van kennis over LVB onder
professionals binnen deze domeinen.
Daartoe zijn de afgelopen jaren verschillende projecten ondersteund. Zo is het project
LVB in the Spotlight ondersteund. Doel van het project was het bundelen en borgen
van bestaande kennis over LVB en het verspreiden van kennis over LVB binnen de ggz,
het onderwijs en sectoren rondom gezinnen met multiproblematiek. In een ander project
is ingezet op het vergroten van bewustwording over LVB voor professionals werkzaam
binnen de huisartsenzorg. Daarvoor zijn ook hulpmiddelen ontwikkeld voor deze professionals
om hun zorg en ondersteuning beter te laten aansluiten op mensen met een LVB.
Het is daarom belangrijk om de nadruk te blijven leggen op bewustwording, kennisverspreiding
over LVB en kennisimplementatie over LVB onder professionals werkzaam in alle domeinen.
Dit is echter niet een taak van VWS alleen en een gedeelde verantwoordelijkheid tussen
het Rijk, medeoverheden, uitvoeringsorganisaties en andere organisaties in het land.
De kennis is ontwikkeld en toegankelijk gemaakt. Het is van belang dat partijen nu
hier hun voordeel mee doen en hun professionals in positie stellen om de kennis tot
zich te nemen.
Deze leden vragen hoeveel gemeenten op dit moment structureel beleid hebben voor mensen
met een LVB en hoeveel gemeenten vooral afhankelijk zijn van tijdelijke projecten
of losse initiatieven? De leden van de PVV-fractie vragen specifiek naar waakvlamondersteuning.
Hoeveel gemeenten bieden dit daadwerkelijk aan? Hoe wordt gecontroleerd of dit ook
in de praktijk beschikbaar is en niet alleen in beleidsstukken staat? Deelt de Minister
de mening dat korte indicaties en telkens opnieuw je verhaal moeten doen juist bij
mensen met een levenslange of levensbrede beperking onnodige stress, escalatie en
uiteindelijk hogere zorgkosten veroorzaken?
Er wordt geen overzicht bijgehouden van de hoeveelheid gemeenten die op dit moment
structureel beleid hebben voor mensen met een LVB en ook niet hoeveel gemeenten afhankelijk
zijn van tijdelijke projecten of losse initiatieven.
Gemeenten richten zich in het algemeen op breed inclusiebeleid (in de Lokale Inclusie
Agenda). Beleid voor mensen met een LVB kan daarvan deel uitmaken. Bij andere gemeenten
wordt er via acties aandacht besteed aan het herkennen van LVB en het bieden van passende
ondersteuning voor mensen met een LVB.
Dat gaat bijvoorbeeld om aanvragen voor aanvullende individuele ondersteuning via
het lokale team. De inwoner wordt dan gekoppeld aan een aanbieder of cliëntondersteuner
met expertise op het vlak van LVB. Een ander voorbeeld is het geven van trainingen
over LVB aan medewerkers van de gemeente werkzaam in de toegang (en dienstverlening).
Uit onderzoek van Regioplan13 uit 2020 bleek dat zo’n 15% van de gemeenten destijds een waakvlamvoorziening had
ingericht. Er is geen recenter landelijk overzicht beschikbaar van het aantal gemeenten
dat waakvlamondersteuning aanbiedt. Gemeenten hebben beleidsvrijheid om ondersteuning
vorm te geven op een wijze die aansluit bij de behoeften van inwoners. Voor de zomer
stuur ik uw Kamer een brief over de Wmo 2015 waarin ik hierop terugkom.
Ik deel de mening dat mensen met een langdurige stabiele ondersteuningsvraag, hun
verhaal niet steeds opnieuw zouden moeten doen, terwijl duidelijk is dat hun ondersteuningsvraag
van blijvende aard is. Een langere indicatieduur is dan passender. Het toekennen van
een passende beschikkingsduur levert meer rust en zekerheid op en leidt tot minder
administratieve lasten voor zowel de inwoner als de gemeente. Juiste (vroegtijdige)
ondersteuning kan ook escalatie voorkomen.
Naar aanleiding van het thema Cliëntondersteuning. De leden van de PVV-fractie vinden
onafhankelijke en gespecialiseerde cliëntondersteuning van groot belang, juist voor
gezinnen die vastlopen in een versnipperd zorgstelsel. Uit de stukken blijkt dat gespecialiseerde
cliëntondersteuning wordt ingezet bij complexe problematiek op meerdere levensdomeinen
en dat Metgezel in 2025 1.386 nieuwe aanmeldingen ontving, waarvan 60 procent in ondersteuning
is genomen. Deze leden vragen wat er gebeurt met de 37 procent die is doorverwezen.
Komen deze mensen daadwerkelijk op de juiste plek terecht of verdwijnen zij opnieuw
in het systeem?
Metgezel verwijst cliënten die niet binnen de criteria vallen altijd «warm» door naar
een passende organisatie of vorm van cliëntondersteuning. Daarbij wordt actief meegedacht
over welke partij het beste aansluit bij de ondersteuningsvraag. In veel gevallen
betreft dit onafhankelijke cliëntondersteuning vanuit de Wlz of de Wmo en zorgorganisaties.
Op basis van de ervaringen in de regio’s lijkt een groot deel van de doorverwezen
cliënten daadwerkelijk op een passende plek terecht te komen, met name binnen de OCO-organisaties.
Tegelijkertijd is niet met zekerheid vast te stellen hoe dit voor alle cliënten verloopt,
omdat structurele follow-up op doorverwijzingen in de praktijk niet uitvoerbaar is
gezien de omvang van het aantal aanmeldingen.
Wel wordt bij iedere doorverwijzing expliciet aangegeven dat cliënten opnieuw contact
mogen opnemen wanneer de ondersteuning niet passend blijkt of wanneer zij alsnog vastlopen
in het systeem. In incidentele gevallen gebeurt dit ook daadwerkelijk. Daarnaast signaleert
Metgezel dat sommige cliënten terugkeren doordat wachtlijsten elders oplopen of omdat
de problematiek dermate complex is dat integrale ondersteuning van het hele systeem
nodig blijkt.
Deze leden vragen waarom de overgang van Wmo-cliëntondersteuning naar Wlz-cliëntondersteuning
nog steeds niet soepel verloopt. Wie is hiervoor verantwoordelijk? Welke concrete
verbeteringen moeten uiterlijk eind 2026 merkbaar zijn voor cliënten en naasten?
De leden van de PVV-fractie vragen hoe de Minister de gespecialiseerde cliëntondersteuning
na afloop van de subsidieperiode wil borgen. Kan de Minister uitsluiten dat gezinnen
die nu eindelijk één vaste gespecialiseerde ondersteuner hebben, straks weer opnieuw
moeten beginnen omdat financiering of organisatie verandert?
Zorgkantoren en gemeenten zijn verantwoordelijk voor de uitvoering van Wlz-cliëntondersteuning
en Wmo-cliëntondersteuning en hebben ook de verantwoordelijkheid om met elkaar afspraken
te maken over deze overgang. Dit is ook één van de acties in de Toekomstagenda. Het
gaat echter om een groot aantal partijen tussen wie afspraken gemaakt moeten worden
(13 zorgkantoren en 342 gemeenten) waardoor dit nog niet op alle plekken is gebeurd.
We zien op een aantal plekken in het land wel samenwerkingen ontstaan waar gemeenten
en zorgkantoren gezamenlijk cliëntondersteuning inkopen of pilots waarbij zorgkantoren,
gemeenten en OCO-aanbieders samen ervoor zorgen dat er een vaste cliëntondersteuner
ingezet kan worden bij de overgang van Wmo naar Wlz. Ik moedig dan ook aan dat dit
wordt voortgezet, zodat ook op andere plekken inwoners hier gebruik van kunnen maken
indien nodig.
Wat betreft de gespecialiseerde cliëntondersteuning is mijn voornemen dat er ook na
afloop van de huidige subsidieperiode (tot juli 2028) gespecialiseerde cliëntondersteuning
beschikbaar zal zijn voor mensen met complexe, chronische en levensbrede problematiek
en ondersteuningsbehoefte. Het voornemen is om Metgezel hiervoor subsidie te verlenen,
zodat continuïteit en kwaliteit gewaarborgd wordt. Mijn streven is om hiervoor € 10
miljoen aan extra structurele middelen toe te voegen, bovenop de reeds € 10 miljoen
structurele middelen.
Deze leden vragen ook hoe wordt voorkomen dat cliëntondersteuning een extra loket
wordt in plaats van een oplossing voor mensen die al verdwaald zijn in het systeem.
Hoe borgt de Minister dat cliëntondersteuners voldoende doorzettingsmacht hebben richting
gemeenten, zorgkantoren, zorgaanbieders en andere instanties?
Cliëntondersteuners hebben een onafhankelijke positie in het stelsel en hebben het
belang van de inwoner/cliënt voorop staan. Dit betekent dat zij de inwoner/cliënt
kunnen bijstaan in het gesprek met gemeenten, zorgkantoren, zorgaanbieders en anders
instanties met als doel om er samen uit te komen. In het uiterste geval kunnen cliëntondersteuners
ook begeleiden bij een bezwaar- of klachtenprocedure.
Het is nadrukkelijk niet de bedoeling dat deze onafhankelijke positie en de mogelijkheid
om in het belang van de inwoner op te treden, wordt belemmerd door de inkoper. De
onafhankelijkheid van cliëntondersteuning is dan ook wettelijk vastgelegd. Deze onafhankelijke
positie betekent echter ook dat cliëntondersteuners niet gaan over het uiteindelijke
besluit.
Naar aanleiding van het thema Zorgtechnologie en innovatie. De leden van de PVV-fractie
staan positief tegenover zorgtechnologie wanneer die mensen met een beperking meer
regie geeft, naasten ontlast en zorgverleners ondersteunt. Deze leden zijn echter
kritisch op technologie die vooral wordt gepresenteerd als oplossing voor personeelstekorten,
zonder dat duidelijk is wat cliënten, naasten en medewerkers ervan vinden.
Deze leden vragen welke technologieën in de gehandicaptenzorg aantoonbaar leiden tot
betere kwaliteit van leven, minder werkdruk of meer veiligheid. Welke innovaties zijn
inmiddels bewezen effectief en welke bevinden zich nog vooral in de fase van pilots,
routes en kennisdeling? Hoe wordt het gebruikt van innovaties gedeeld en verder uitgerold?
Wat doet de Minister om hierin te ondersteunen?
Het programma Innovatie-impuls 2 doet onderzoek naar de effectiviteit van technologieën
in de gehandicaptenzorg. Zo loopt er momenteel onderzoek naar digiborden, spraakgestuurd
rapporteren en beeldzorg waarvan de resultaten volgend jaar worden verwacht. Ik wil
hierbij opmerken dat het aantonen van effecten vaak lastig is aangezien dit samenhangt
met een goede implementatie. Als iets niet goed geïmplementeerd wordt, is het resultaat
dat de technologie niet gebruikt wordt en daardoor het effect uitblijft. Daarom zet
ik met het programma Innovatie-impuls Gehandicaptenzorg 2 vol in op het goed implementeren
van innovaties.
In 2023 heb ik een inventarisatie laten uitvoeren naar welke technologieën er in de
praktijk worden ingezet14. De inventarisatie geeft een goed beeld van welke technologieën er in de sector worden
gebruikt. Er wordt voornamelijk technologie ingezet ten behoeve van dagstructuur,
zelfredzaamheid en eigen regie. Eind 2026 wordt de inventarisatie nogmaals uitgevoerd.
Ik geef een impuls aan het gebruik van innovaties en het delen van kennis via de Innovatie-impuls
Gehandicaptenzorg 2 en de InnovatieRoute. De Innovatie-impuls Gehandicaptenzorg 2
stimuleert zorgaanbieders bij de implementatie en opschaling van technologie. Alle
kennis en ervaring uit de Innovatie-impuls Gehandicaptenzorg 2 (en de eerdere Innovatie-impuls
Gehandicaptenzorg 1) is gebundeld in de InnovatieRoute. Dit online implementatie-instrument
is te raadplegen voor iedereen.
Naar aanleiding van het thema Vakmanschap en arbeidsmarkt. De leden van de PVV-fractie
maken zich grote zorgen over de werkdruk in de gehandicaptenzorg. Uit de monitor blijkt
dat ongeveer twee op de vijf werknemers binnen de gehandicaptenzorg in 2025 een veel
te hoge werkdruk ervaart. Deze leden vragen wat de Minister concreet gaat doen om
zorgverleners in de gehandicaptenzorg te behouden.
In de Toekomstagenda is het binden van medewerkers een belangrijk aandachtspunt. De
Beroepsvereniging voor professionals in social work (BPSW) heeft een vierjarige subsidie
gekregen om te werken aan het verstevigen van de positie van begeleiders in de gehandicaptenzorg.
Hiermee zijn zij onder andere de leergang ambassadeurs gehandicaptenzorg gestart.
Al meer dan 70 bevlogen zorgprofessionals uit de gehandicaptenzorg ontwikkelden zich
tot ambassadeurs, die binnen en buiten de eigen organisatie kansen benutten om het
werk van begeleiders op de kaart te zetten en te verbeteren. Ook voert de BPSW de
pilot beroepsregistratie uit. In deze pilot wordt onderzocht wat beroepsregistratie
betekent voor de professionalisering van het beroep. Al meer dan 200 deelnemers hebben
gebruikt gemaakt van de gratis training en opleidingen die de pilot aanbiedt.
Zoals ik al eerder heb opgemerkt, ben ik op dit moment in gesprek met de sector over
de aanpak van problemen op de korte termijn, zoals krapte op de arbeidsmarkt.
De leden van de PVV-fractie willen bureaucratie en managementlagen schrappen en zorgverleners
meer zeggenschap geven over hun werk. Genoemde leden vragen daarom hoeveel tijd medewerkers
in de gehandicaptenzorg kwijt zijn aan administratie, verantwoording, registraties
en overleg. Welke concrete registraties of verantwoordingsplichten worden geschrapt?
Kan de Minister een overzicht geven van maatregelen die zorgverleners in 2026 daadwerkelijk
minder papierwerk opleveren? Sluit de Minister aan bij de AZWA doelstelling van maximaal
20% regeldruk?
Het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) meet de administratieve lasten in de
zorg door middel van een werknemersenquête. Werknemers in de gehandicaptenzorg ervaren
dat ze in totaal ongeveer 30% van hun tijd besteden aan registratie. Ruim 13% daarvan
wordt besteed aan het registreren van informatie voor organisatie, management en/of
beleid en ruim 16% aan de verlening van zorg en/of ondersteuning aan cliënten.
Er zijn concrete registraties of eisen die worden geschrapt, een deel daarvan levert
in 2026 al minder papierwerk op. De vereenvoudiging en versnelling van het systeem
van herindicaties wordt in de langdurige zorg, waaronder dus de gehandicaptenzorg,
ingevoerd. Concreet betekent dit dat het aanvraagformulier met twee derde verkort
wordt, waardoor zorgverleners minder informatie hoeven aan te leveren. Ook wordt op
voorhand duidelijk welke informatie aangeleverd moet worden doordat er met standaardgegevenssets
gewerkt gaat worden. Op het moment wordt gewerkt aan een nieuw zaaksysteem door het
CIZ. Zodra dit operationeel is, kan versnelde en vereenvoudigde proces van herindicaties
geïmplementeerd worden. De verwachting is dat dit in de tweede helft van 2026 is.
Zorgaanbieders kunnen in 2026 verder met het gebruik van het vereenvoudigde stappenplan
Wzd (Wet zorg en dwang), in aanloop naar de herziening van de Wzd.
Ook kunnen zorgaanbieders aan de slag om de regeldruk binnen de eigen organisatie
aan te pakken onder andere met de kennis en tools van Vilans, waaronder een overzicht
van wettelijk verplichte registraties (dat een update heeft gehad in 2025). Méér dan
dat registreren is niet wettelijk verplicht. Verder kunnen ook al in 2026 goede voorbeelden
van zorgaanbieders worden nagevolgd, zoals het afschaffen van de getekende zorgovereenkomst
en stoppen met overbodige lijstjes en handtekeningen. Mochten zorgaanbieders tegen
verantwoordingseisen aanlopen dan kunnen ze een experiment starten onder een NZa experimenteerbeleidsregel,
zodat ook de rest van de sector hier uiteindelijk van kan profiteren.
Zinnig en Simpel verantwoorden is aangewezen als doorbraakproject in het AZWA, hiervoor
is subsidie beschikbaar gesteld. Dit betreft opschaling van de werkwijze in de langdurige
zorg die aantoonbaar leidt tot minder administratietijd, zinvolle registratie in het
cliëntdossier, verminderen van dubbele controles en vereenvoudiging van materiële
controle. Dit kan al gauw een half uur per medewerker per dag opleveren. In 2026 zijn
koplopers in de gehandicaptenzorg aan zet, dit kan later uitgebreid worden naar andere
zorgaanbieders.
Ik sluit me dan ook zeker aan bij de doelstelling van het AZWA om de regeldruk te
verlagen tot 20%. Daarom is het goed dat de VGN is aangesloten bij de Regiegroep Aanpak
Regeldruk. Hierdoor is er een werkagenda voor de gehandicaptenzorg waarin we met gezamenlijke
acties van partijen de administratieve lasten fors verlagen. Want dit kan ik niet
alleen bereiken, daarvoor zijn alle partijen nodig.
Deze leden vragen ook hoe de Minister aankijkt tegen de waarschuwing dat vakbekwaamheid
niet mag worden uitgehold door personeelstekorten. Hoe voorkomt de Minister dat mensen
zonder passende opleiding of begeleiding worden ingezet op zware groepen, waardoor
risico’s ontstaan voor cliënten en medewerkers?
Ik vind het onwenselijk als er medewerkers zonder passende opleiding of begeleiding
worden ingezet op «zware» groepen. Het is daarom belangrijk om te blijven investeren
in vakmanschap en professionalisering van begeleiders. Ik realiseer mij dat dit een
investering vraagt die door krapte van personeel soms lastig te doen is. Maar tegelijkertijd
zie ik dit wel als een noodzakelijke investering om de juiste mensen aan te trekken
en te behouden voor het vak.
Door middel van projecten zoals de pilot beroepsregistratie en het project WAVE (-
Het vervolg) is er aandacht voor training en scholing van medewerkers die worden ingezet
op onder andere «zware» groepen.
Sinds 2022 ontvangt de BPSW subsidie voor de uitvoering van het project WAVE (- Het
vervolg). Dit project richt zich specifiek op begeleiders in de complexe zorg. Daarbij
gaat het om de vraag wat zij nodig hebben van andere professionals en betrokkenen,
maar ook aan kennis en kunde, om hun werk zo goed mogelijk te kunnen doen. Daarbij
wordt ook onderzocht hoe dit georganiseerd kan worden vanuit scholing/training en
welke basisvoorwaarden er nodig zijn in het werk vanuit teams en organisaties. In
november 2026 vindt de eindbijeenkomst plaats waar ook de bevindingen gepresenteerd
worden.
Met het Ontwikkelprogramma Complexe Zorg (OPCZ) worden zorgorganisaties ondersteund
om beter in te spelen op de behoeften van mensen met een intensieve zorgvraag en onbegrepen
gedrag (VG6- en VG7-zorgprofiel). Een van primaire thema’s in dit programma is «medewerkers»
en wat je kunt doen als organisatie om hen te behouden en aan te trekken. Hier blijkt
dat de mogelijkheden tot ontwikkeling, het echt gezien en gewaardeerd worden en stabiele
teams belangrijke factoren in zijn. Vanuit het ontwikkelprogramma worden themabijeenkomsten
en leernetwerken rondom het thema medewerker georganiseerd om kennis met andere organisaties
uit te wisselen.
De leden van de PVV-fractie vragen daarnaast wat de Minister doet tegen agressie en
onveiligheid op de werkvloer. Hoeveel meldingen zijn er in de gehandicaptenzorg van
agressie, bedreiging of geweld tegen medewerkers? Welke maatregelen neemt de Minister
om medewerkers beter te beschermen?
In 2025 gaf 55% van de medewerkers in de gehandicaptenzorg aan dat zij het afgelopen
jaar te maken hebben gehad met agressie op het werk door patiënten of cliënten15. Op basis van de Arbeidsomstandighedenwet hebben werkgevers een zorgplicht voor de
veiligheid en gezondheid van hun werknemers. Ik ondersteun hierbij werkgevers op verschillende
manieren.
In 2022 zijn subsidiegelden beschikbaar gesteld aan vertegenwoordigers van werkgevers
en werknemers in zorg en welzijn. De subsidie was gericht op het ontwikkelen van een
aanpak tegen agressie, die specifiek aansluit op de situatie en ondersteuningsbehoefte
in de eigen branche.
Daarnaast is in juni 2025 een publiekscampagne gestart tegen verbale agressie tegen
medewerkers in zorg en welzijn. Werkgevers kunnen het campagnemateriaal downloaden
tot in juni 2026 om dit binnen hun organisatie te verspreiden.
De Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst (KNMG) ontvangt
subsidie om een handelingskader op te stellen voor zorgverleners als zij te maken
krijgen met agressie. De KNMG doet dit in samenwerking met andere beroepsverenigingen
en het handelingskader is breed te gebruiken in de zorg. De KNMG is van plan dit handelingskader
voor de zomer te publiceren.
Tot slot heeft VWS afgelopen jaren regionale bijeenkomsten georganiseerd over het
doen van aangifte bij agressie. Op deze manier wil ik werkgevers stimuleren om aangifte
te doen bij agressie tegen hun werknemers.
Naar aanleiding van het thema Levenslang en levensbreed. De leden van de PVV-fractie
vinden het zeer herkenbaar dat mensen met een levenslange en levensbrede beperking
vastlopen door versnippering tussen Wmo, Jeugdwet, Zorgverzekeringswet en Wlz. Hoe
kijkt de Minister naar één wettelijke regeling voor mensen met een levenslange en
levensbrede beperking? Is zij bereid dit te onderzoeken?
Ik ben me ervan bewust dat de verschillende zorgwetten niet altijd op elkaar aansluiten.
Daarom verken ik eerst de mogelijkheden om zorgwetten beter op elkaar af te stemmen.
Eind 2026 is deze verkenning gereed. Ondertussen werk ik aan verbeteringen in de toegang
tot zorg en ondersteuning, onder andere via de werkagenda VN-verdrag Handicap. Bijvoorbeeld
door het verkennen van onafhankelijke domeinoverstijgende cliëntondersteuning, het
ontwikkelen van één digitaal informatiepunt of het stimuleren van vroegtijdige en
integrale samenwerking door aan te sluiten bij de overheidsbrede loketten. Eind dit
jaar wordt een voortgangsbrief van de werkagenda naar de Kamer gestuurd.
Deze leden vragen of de Minister erkent dat het huidige stelsel voor deze doelgroep
vaak onnodig ingewikkeld is. Waarom moeten mensen met een levenslange beperking of
hun ouders steeds opnieuw bewijzen dat de beperking niet overgaat? Waarom worden indicaties
nog steeds kortdurend afgegeven bij mensen die hun hele leven ondersteuning nodig
zullen hebben? Wat gaat de Minister concreet doen om «het doorgeslagen indicatiecircus»
zoals verwoord in het coalitieakkoord te stoppen? Welke acties onderneemt zij om ervoor
te zorgen dat «niemand hoeft zijn chronische ziekte of beperking meer periodiek aan
te tonen» zoals verwoord in het coalitieakkoord? Kan de Minister per wet uitsplitsen
welke aanvullende acties zij hierop onderneemt en wanneer?
Ik begrijp en deel de wens om voor mensen met een levenslange beperking of een stabiele
ondersteuningsvraag te werken met langdurige indicaties. Het moet voor hen niet nodig
zijn om telkens opnieuw hun chronische ziekte of beperking te bewijzen. Het blijft
tegelijkertijd wel belangrijk om naar de individuele ondersteuningsbehoefte te kijken
en op basis daarvan een passende Wmo-indicatie af te geven. Onderdeel daarvan zijn
tussentijdse momenten om gezamenlijk te evalueren of de geïndiceerde ondersteuning
nog voldoende is.
In de Wlz is geregeld dat indicaties levenslang worden afgegeven als er sprake is
van een intensieve zorgvraag waarbij voor onbepaalde tijd 24-uurszorg in de nabijheid
nodig is of sprake is permanent toezicht. Een Wlz-indicatie vervalt niet, maar kan
later wel worden verhoogd als de cliënt meer zorg nodig heeft.
Voor een persoonsgebonden budget (pgb) vanuit de Zorgverzekeringswet (Zvw) kunnen
indicaties afgegeven worden voor maximaal vijf jaar als er sprake is van een chronische
en stabiele zorgvraag. Ook bij een zorgvraag die stabiel lijkt, kan de hulpbehoefte
veranderen, omdat bijvoorbeeld de context verandert. De herbeoordeling is bedoeld
om ervoor te zorgen dat het pgb aansluit bij de actuele hulpbehoefte. Ook helpt een
periodieke herbeoordeling bij het voorkomen van misbruik.
Ik onderneem verschillende acties, gezamenlijk met de VNG, om een langere beschikkingsduur
waar passend te stimuleren. We gaan verder met het ondersteuningstraject Verrassend
Passend, waarbinnen gemeenten worden gefaciliteerd en ondersteund om waar passend
voor langere duur te beschikken. Ik ga ook consequent in gesprek met gemeenten om
dit onder de aandacht te brengen en steeds beter in beeld te krijgen welke belemmeringen
ervaren worden om dit te doen. In december 2025 is door VWS en de VNG een opdracht
verleend aan Significant om inzichtelijk te maken hoe gemeenten al werken met een
langere beschikkingsduur. De resultaten hiervan worden juli 2026 opgeleverd. Op basis
daarvan kunnen we ook gerichtere vervolgstappen zetten en ga ik in gesprek met de
VNG over hoe gezamenlijk verder invulling gegeven kan worden aan het toepassen van
langdurige indicaties.
Deze leden vragen daarnaast hoe de Minister ervoor zorgt dat gemeenten niet alleen
mooie woorden gebruiken over integraal werken, maar ook daadwerkelijk één plan, één
regisseur en langdurige ondersteuning bieden waar dat nodig is. Welke gemeenten doen
dit goed en welke blijven achter?
Vanuit de werkagenda VN-verdrag Handicap onderneem ik verschillende acties samen met
de VNG zodat de ondersteuning voor mensen met een levenslange en levensbrede beperking
verbetert bij alle gemeenten. Bijvoorbeeld het stimuleren van een langere beschikkingsduur
waar dat passend is, met het ondersteuningstraject Verrassend Passend. Ook blijf ik
in gesprek gaan met gemeenten om dit onder de aandacht te brengen en steeds beter
in beeld te krijgen welke belemmeringen ervaren worden om dit te doen. Daarnaast werk
ik aan het verbeteren van de toegang tot ondersteuning. Dat doe ik door het ontwikkelen
van één digitaal informatiepunt waar mensen betrouwbare informatie kunnen vinden over
zorg en ondersteuning, zodat ze sneller de plek vinden voor hun aanvraag. Daarnaast
investeer ik, samen met het Ministerie van BZK en andere betrokken partijen, in de
samenwerking over de domeinen heen, zodat mensen, bij welk loket ze ook aankloppen,
goed geholpen worden. In deze samenwerking ligt de nadruk op het zoveel mogelijk integraal
beantwoorden van hulpvragen.
Naar aanleiding van het thema Mantelzorgers en naasten. De leden van de PVV-fractie
benadrukken dat ouders, partners, broers, zussen en andere naasten vaak jarenlang
de gaten in het systeem dichten. Deze mensen zijn van onschatbare waarde, maar raken
ook overbelast. Genoemd leden vragen hoe de Minister de belasting van naasten in de
gehandicaptenzorg structureel monitort.
Sinds 2014 brengt het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) periodiek in kaart hoe
de aard, omvang en belasting van mantelzorgers zich ontwikkelt. In mei jl. is het
rapport «Mantelzorg in beweging» gepubliceerd met kerncijfers en trends tussen 2014
en 2024. Daarbinnen wordt er onder meer uitgesplitst naar de beperking van de hulpontvangers
(onder andere langdurig lichamelijke, verstandelijke, en psychosociale beperkingen,
maar ook ouderdom en dementie), en wordt per categorie gekeken in welke mate de betrokken
mantelzorgers ernstig belast zijn. Op die manier wordt de belasting van bepaalde doelgroepen
gemonitord, waarvan een deel mantelzorger van cliënten in de gehandicaptenzorg is.
Deze leden vragen hoeveel respijtzorg, logeerzorg en crisisopvang beschikbaar is voor
gezinnen met een kind of volwassene met een complexe beperking. Waar zijn tekorten?
Hoe lang zijn de wachttijden? Wat doet de Minister om te voorkomen dat gezinnen pas
hulp krijgen wanneer zij al zijn vastgelopen? Welke aanvullende acties onderneemt
de Minister om respijtzorg te ondersteunen?
Er is op dit moment geen landelijk beeld in precieze vraag naar respijtzorg, logeerzorg
en crisisopvang voor gezinnen met een kind of volwassene met een complexe beperking.
Het Ministerie van VWS heeft het afgelopen jaar gesprekken gevoerd met zorgkantoren
en de NZa over logeren. ZN heeft bij de NZa signalen ingediend rondom de financiering
van logeren in de Wlz. De NZa heeft mij recent laten weten dat zij naar aanleiding
van het signaal een werkgroep logeren heeft ingericht met de NZa, ZN, VGN en de Vereniging
Gehandicaptenzorg Utrecht. De doelstelling is dat partijen (NZa, VGN, Valente, de
Nederlandse ggz, ZN, zorgkantoren, cliëntvertegenwoordigers) gezamenlijk binnen de
langdurige zorg het gebruik van logeerzorg stimuleren daar waar de meerwaarde het
grootst is. De nadruk hierbij ligt op de gehandicaptenzorg. De ggz-partijen haken
aan als eventuele problemen in de ggz zijn geconcretiseerd. Naar verwachting hebben
partijen voor eind 2026: 1. goede voorbeelden in kaart gebracht en gedeeld; 2. cijfermatig
inzicht in vraag en aanbod van logeerzorg per regio en per doelgroep; 3. financiële
drempels weggenomen door redelijkerwijs kostendekkende tarieven vast te stellen en
(daar waar nodig) gedifferentieerde tarieven; 4. duidelijke informatie beschikbaar
gemaakt over inhoud en declaratieregels rondom logeren voor zowel zorg in natura als
pgb; en 5. inzichtelijk gemaakt waar logeeraanbod ontbreekt, zodat zij gericht verbetermogelijkheden
kunnen stimuleren.
De leden van de PVV-fractie vragen hoe mantelzorgers beter ondersteund worden. Wordt
bij de verdere uitwerking van de Toekomstagenda ook gekeken naar de positie van mantelzorgers
die structureel en langdurig zorg verlenen aan iemand met een beperking?
In de Toekomstagenda heeft mantelzorgondersteuning en respijtzorg een belangrijke
plek gekregen. De focus lag daarbij op het in beeld brengen van de ondersteuningsbehoefte
van mantelzorgers die intensief zorg dragen voor naasten met een levenslange, levensbrede
beperking. Parallel aan de Toekomstagenda loopt de Mantelzorgagenda 2023–2026. Op
dit moment werk ik aan een breed mantelzorgplan, zoals de Kamer met de motie Struijs16 heeft gevraagd. Daarin neem ik het perspectief en de positie van mantelzorgers die
structureel en langdurig zorg verlenen nadrukkelijk mee.
Naar aanleiding van het thema Monitoring en resultaten. De leden van de PVV-fractie
lezen dat de eerste monitor nog geen volledig beeld geeft, dat voor diverse indicatoren
sprake is van een eerste meting en dat sommige indicatoren ontbreken omdat dataverzameling
te belastend, te complex of te tijdrovend is. Deze leden vragen hoe de Kamer dan kan
beoordelen of de Toekomstagenda werkt.
Aan het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) is de opdracht gegeven
een aanpak te maken voor de monitoring en evaluatie van de doelstelling van de Toekomstagenda,
namelijk de beweging naar toekomstbestendige zorg en ondersteuning voor mensen met
een beperking in beeld brengen.
De eerste monitor heeft uw Kamer in april 2026 ontvangen17. Deze monitor geeft aan de hand van indicatoren, gerelateerd aan de zes onderwerpen
uit de Toekomstagenda, een beschrijving van wat de stand van zaken is binnen zorg
en ondersteuning voor mensen met een beperking. De tweede monitor wordt maart 2027
afgerond. Deze monitor laat op basis van de indicatoren en reflectie daarop zien of
en in hoeverre er een beweging zichtbaar is richting toekomstbestendige zorg en ondersteuning
voor mensen met een beperking. Het RIVM rondt de evaluatie eind 2027 af. Deze evaluatie
laat aan de hand van kwalitatief onderzoek zien of en waar de Toekomstagenda heeft
bijgedragen aan een beweging naar toekomstbestendige zorg en ondersteuning voor mensen
met een beperking.
Het RIVM wijst erop dat bij het monitoren en evalueren van de Toekomstagenda verschillende
kanttekeningen en onzekerheden een rol spelen. Eén van de kanttekeningen is dat veranderingen
tijd kosten en daardoor nog niet of slechts gedeeltelijk binnen een paar jaar te zien
zullen zijn. Het is niet altijd mogelijk eventuele geconstateerde veranderingen direct
te relateren aan de ingezette acties van de Toekomstagenda. De Toekomstagenda staat
immers niet op zichzelf.
Ook andere ontwikkelingen zijn van invloed op de zorg en ondersteuning voor mensen
met een beperking, zoals de doelgroep die steeds ouder wordt (waardoor de zorgvraag
verandert), een stijgende zorgvraag, maar ook de steeds complexer wordende maatschappij.
En er kunnen ook andere overheidsprogramma’s van invloed zijn op de organisatie van
zorg en ondersteuning. Hierdoor kunnen veranderingen niet zomaar toegeschreven worden
aan de Toekomstagenda alleen.
Het RIVM zal daarom met diverse groepen experts reflecteren op de resultaten uit de
monitor en verkennen in hoeverre deze veranderingen te relateren zijn aan de inspanningen
die gedaan zijn vanuit de Toekomstagenda.
Omdat dataverzameling de hierboven geschetste aandachtspunten kent, is ook gekozen
om ervaringen in beeld te brengen. Er is drie jaar op rij een videoreeks gemaakt van concrete ervaringen en resultaten uit de Toekomstagenda op de zes hoofdstukken
van de Toekomstagenda.
Deze leden vragen welke indicatoren ontbreken en waarom. Gaat het juist om indicatoren
die iets zeggen over de echte problemen in de praktijk, zoals wachtlijsten, crisisplaatsingen,
doorzettingsmacht, overbelasting van naasten, personeelstekorten en misstanden? Wanneer
zijn deze gegevens wel beschikbaar?
In hoofdstuk 2.1 van de eerste monitor geeft het RIVM aan welke indicatoren ontbreken.
Er zijn zes indicatoren vervallen ten opzichte van de oorspronkelijke indicatorenset
omdat dataverzameling om diverse redenen niet haalbaar bleek. Het gaat niet om indicatoren
zoals wachtlijsten, crisisplaatsingen, doorzettingsmacht, overbelasting van naasten,
personeelstekorten en misstanden. Het gaat om de volgende indicatoren:
– Aantal aanmeldingen bij het team Complexe casuïstiek bij het zorgkantoor: te belastend
voor het veld (Complexe zorg).
– Percentage zorgorganisaties dat ervaringsdeskundigheid benut bij het maken van beleid:
te complex qua interpretatie (LVB);
– Aantal deelnemende overheidsorganisaties aan Direct Duidelijk: biedt te beperkt beeld
(LVB);
– Percentage mensen met een beperking zonder Wlz-indicatie dat gebruikmaakt van Wlz-cliëntondersteuning:
te complex qua interpretatie (Cliëntondersteuning);
– Aantal (zorg)opleidingen waarin technologie een standaard onderdeel is: te complex
qua interpretatie (Zorgtechnologie en sociale innovatie);
– Percentage zorgprofessionals dat aangeeft dat naasten en vrijwilligers onderdeel uitmaken
van het team: te veel overlap met indicator AV8 (zie tabel 2.1e) (Arbeidsmarkt en
vakmanschap).
De leden van de PVV-fractie vragen de Minister om bij de volgende rapportage niet
alleen procesresultaten te melden, zoals bijeenkomsten, kennisproducten, programma’s
of websites, maar vooral concrete uitkomsten voor cliënten, naasten en zorgverleners.
Kan de Minister toezeggen dat de volgende rapportage duidelijk maakt hoeveel mensen
sneller passende zorg kregen, hoeveel gezinnen minder vastliepen, hoeveel medewerkers
minder werkdruk ervaren en hoeveel bureaucratie daadwerkelijk is verminderd?
Uw Kamer ontvangt nog een eindrapportage van de Toekomstagenda (voorjaar 2027), tweede
RIVM-monitor (voorjaar 2027) en evaluatie van de Toekomstagenda door het RIVM (voorjaar
2028). De eindrapportage zal inzicht geven in de activiteiten die zijn opgepakt en
resultaten die zijn bereikt ten aanzien van de in de Toekomstagenda geformuleerde
speerpunten. Op verschillende onderdelen, zoals gespecialiseerde cliëntondersteuning
en bij het Ontwikkelprogramma Complexe Zorg wordt aandacht besteed aan het effect
voor naasten en cliënten. De evaluatie van het RIVM zal een beeld geven of er een
beweging naar toekomstbestendige zorg is en wat de Toekomstagenda daaraan heeft bijgedragen.
Naar aanleiding van het thema Toezicht, misstanden en pgb-wooninitiatieven. De leden
van de PVV-fractie vinden het van groot belang dat kwetsbare mensen met een beperking
beschermd worden tegen misstanden, verwaarlozing, grensoverschrijdend gedrag, fraude
en slechte zorg. Deze leden vragen wat de stand van zaken is van het transparantieregister
voor pgb-gefinancierde wooninitiatieven. Wanneer is dit register volledig operationeel
en toegankelijk voor toezichthouders?
Zoals eerder aangegeven kost het aanpassen van regelingen en het creëren van een vereiste
grondslag voor gegevensuitwisseling tijd. Daarbij wordt in verband hiermee verkend
of het een optie is het register in fasen te vullen. Ik verwacht dat binnenkort meer
duidelijk is over de mogelijkheden hiervan. Zodra meer bekend is zal ik uw Kamer hierover
informeren.
Deze leden vragen of de IGJ voldoende capaciteit heeft om toezicht te houden op kleinschalige
wooninitiatieven en andere kwetsbare vormen van zorg. Hoe vaak heeft de IGJ in 2025
toezicht gehouden op pgb-gefinancierde wooninitiatieven? Hoeveel signalen, meldingen,
waarschuwingen, aanwijzingen of handhavende maatregelen zijn er geweest?
De IGJ beschikt over inspecteurs die toezichthouden op aanbieders voor intramurale
gehandicaptenzorg, waaronder pgb-wooninitiatieven. Binnen de afdeling Gehandicaptenzorg
(GHZ) werken momenteel 28 inspecteurs.
Als onderdeel van de Toekomstagenda is de capaciteit van de afdeling GHZ tijdelijk
uitgebreid met 8 fte waarvan 6 inspecteurs. De huidige bezetting
van 28 fte is inclusief die 6 inspecteurs. Naar aanleiding van gesprekken met de IGJ
heb ik besloten deze uitbreiding in 2027 en 2028, ook na afloop van de Toekomstagenda,
te ondersteunen. Gelet op de capaciteit aan inspecteurs, het grote veld aan ondertoezichtstaanden
en daaruit voortvloeiende veelheid van meldingen, thema’s en trajecten moet de IGJ
keuzes maken en prioriteren. Dat doet zij risicogestuurd en onafhankelijk.
De IGJ heeft in 2025 200 bezoeken gebracht aan aanbieders van gehandicaptenzorg. Daaronder
zijn ook pgb-gefinancierde wooninitiatieven. De financieringsvorm maakt echter geen
deel uit van de risico-informatie voorafgaand aan een bezoek. Daarom is geen exact
antwoord te geven op de vraag hoeveel van de bezochte zorgaanbieders pgb-gefinancierd
zijn. In haar toezicht en de ingezette toetsingskaders maakt de inspectie geen onderscheid
tussen pgb-zorg en zorg in natura. Verder ziet de IGJ veel mengvormen: aanbieders
die zowel pgb-gefinancierd zijn als zorg in natura leveren en ook door de Wmo gefinancierd
zijn. Deze aanbieders bieden vaak zorg aan cliënten met uiteenlopende zorgvragen (gehandicaptenzorg,
ggz, jeugd, ouderenzorg).
De IGJ ziet dat in de gehandicaptenzorg regelmatig sprake is van zorg aan mensen in
een erg kwetsbare positie. Het kost aanbieders soms moeite om deze complexe zorg goed
te organiseren. In recente publicaties van de IGJ wordt hier nader op ingegaan18.
De leden van de PVV-fractie vragen hoe wordt voorkomen dat kwaadwillende zorgaanbieders
kwetsbare mensen gebruiken als verdienmodel. Welke concrete maatregelen neemt de Minister
om fraude, slechte zorg en misbruik van pgb-geld harder aan te pakken? Worden opbrengsten
van boetes en teruggevorderd zorggeld weer ingezet voor betere zorg?
Met het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA) zijn middelen beschikbaar gekomen
om de aanpak van zorgfraude daadwerkelijk te verstevigen. Met betrokken partners werkt
het kabinet concreet aan onder andere de volgende maatregelen: intensievere toetsing
van nieuwe en herstartende zorgaanbieders, de uitbreiding van de capaciteit van uitvoeringsinstanties,
de verbreding van de doelgroep van de vergunningplicht, het vergroten van bewustwording
en de weerbaarheid van branche- en beroepsorganisaties en het versterken van een multidisciplinaire
aanpak tussen de betrokken instanties om de slagkracht van de keten te versterken.
Zeer recent heeft uw Kamer een brief ontvangen waarin onder andere deze maatregelen
uitgebreid zijn toegelicht.
Het geld dat door zorgverzekeraars wordt teruggevorderd bij constateringen van fraude
komt ten goede aan de zorg. Ook de geïnde boetes door de NZa vloeien terug naar de
zorg via het Zorgverzekeringsfonds en het Fonds Langdurige Zorg, dan wel naar de algemene
middelen van het Rijk. Het opwerpen van barrières aan de voorkant zorgt er uiteindelijk
voor dat zorggelden doelmatiger kunnen worden besteed en er meer tijd en geld wordt
besteed aan de zorg.
Specifiek voor het pgb wil ik toewerken naar een situatie waarin het pgb alleen beschikbaar
is voor mensen die weloverwogen kiezen voor een pgb. Voor mij staat voorop dat een
budgethouder regie voert op de zorgverlening. De budgethouder is daarmee verantwoordelijk
voor het inkopen van kwalitatief goede en doelmatige zorg. Door kritisch te zijn op
wie een pgb ontvangt, verkleinen we de kans op problemen, zoals het ontvangen van
geen of minder zorg of zorg van slechte kwaliteit. Als het pgb is voorbehouden aan
vaardige en onafhankelijke budgethouders die controleren of de afspraken worden nagekomen,
vermindert dit het risico op fraude. Als iemand sterk afhankelijk of kwetsbaar is
met weinig tot geen sociaal netwerk, is zorg in natura een veiligere optie.
Tot slot vragen de leden van de PVV-fractie de Minister om de Kamer voor het einde
van 2026 een concreet overzicht te sturen van wat de Toekomstagenda heeft opgeleverd,
welke onderdelen structureel worden geborgd, wat dit kost, welke bureaucratie wordt
geschrapt en hoe wordt toegewerkt naar eenvoudiger zorg voor mensen met een levenslange
beperking.
Een aantal van de projecten, zoals de Innovatie-impuls en het Ontwikkelprogramma Complexe
Zorg lopen door tot eind van dit jaar. Daarom rapporteer ik in het voorjaar van 2027
over de Toekomstagenda. Uw Kamer ontvangt nog een eindrapportage van de Toekomstagenda
(voorjaar 2027), tweede RIVM-monitor (voorjaar 2027) en evaluatie van de Toekomstagenda
door het RIVM (voorjaar 2028).
De eindrapportage zal inzicht geven in de activiteiten die zijn opgepakt en resultaten
die zijn bereikt ten aanzien van de in de Toekomstagenda geformuleerde speerpunten.
Op verschillende onderdelen, zoals gespecialiseerde cliëntondersteuning en bij het
Ontwikkelprogramma Complexe Zorg, wordt aandacht besteed aan het effect van naasten
en cliënten. De evaluatie door het RIVM zal een beeld geven of er een beweging naar
toekomstbestendige zorg is en wat de Toekomstagenda daaraan heeft bijgedragen.
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de brief van de Minister en hebben
hierover nog enkele vragen.
De leden van de CDA-fractie zouden graag zien dat er een concreet vervolg op de Toekomstagenda
komt in de vorm van een inhoudelijk bestuurlijk akkoord met de gehandicaptenzorgsector.
Deze leden vragen of de Minister kan aangeven wat de stand van zaken is ten aanzien
van de gesprekken hierover.
In de brief van 28 mei jl. over de budgettaire ontwikkelingen in de Wlz 202719 heb ik de Kamer geïnformeerd over de bestuurlijke gesprekken met de sector. In het
kort licht ik in die brief toe dat ik sinds oktober 2025 bestuurlijk overleggen voer
met verschillende partijen uit de sector. Aan deze gesprekken nemen een vertegenwoordiging
van cliëntenorganisaties, zorgaanbieders, zorgkantoren, de beroepsgroepen, het Ministerie
van VWS en sinds kort ook de gemeenten deel.
Op dit moment spreken we over wat een gezamenlijk toekomstbeeld is voor de sector
en wat er nodig is om dit te bereiken. Parallel spreken we over de aanpak van problemen
op de korte termijn, zoals de krapte op de arbeidsmarkt en het organiseren van voldoende
plekken voor mensen met complexe zorgvragen. De acties en maatregelen die daaruit
voortkomen wil ik ook in samenhang bezien met de afloop van de Toekomstagenda gehandicaptenzorg
eind dit jaar.
De leden van de CDA-fractie vragen verder naar de uitvoering van de motie-Westerveld
en Krul (Kamerstuk 24 170, nr. 314) over regelen dat in alle zorgwetten langdurige indicaties worden afgegeven voor
mensen met een levenslange beperking en cliënten inspraak geven op de herindicatietermijn.
Het is voor deze leden onduidelijk hoe er per zorgwet wordt gewerkt aan langdurige
indicaties. Daarom vragen deze leden of de Minister dit per zorgwet concreet uiteen
kan zetten, ook in het licht van de afspraken uit het coalitieakkoord dat niemand
zijn chronische ziekte of beperking meer periodiek hoeft aan te tonen. Is al inzichtelijk
welke gemeenten wel en niet werken met een langere beschikkingsduur in de Wmo? Zo
nee, wanneer hoort de Kamer hier meer over? Deelt de Minister de mening dat het niet
voldoende is om alleen een brief naar alle gemeenten te sturen? Wanneer hoort de Kamer
meer over het langdurig toekennen van meerzorg bij het persoonsgebonden budget (pgb)?
Ik begrijp en deel de wens om voor mensen met een levenslange beperking of een stabiele
ondersteuningsvraag te werken met langdurige indicaties. Het moet voor hen niet nodig
zijn om telkens opnieuw hun chronische ziekte of beperking te bewijzen. Het blijft
tegelijkertijd wel belangrijk om naar de individuele ondersteuningsbehoefte te kijken
en op basis daarvan een passende Wmo-indicatie af te geven. Onderdeel daarvan zijn
tussentijdse momenten om gezamenlijk te evalueren of de geïndiceerde ondersteuning
nog voldoende is.
In de Wlz is geregeld dat indicaties levenslang worden afgegeven als er sprake is
van een intensieve zorgvraag waarbij voor onbepaalde tijd 24-uurszorg in de nabijheid
nodig is of sprake is permanent toezicht. Een Wlz-indicatie vervalt niet, maar kan
later wel worden verhoogd als de cliënt meer zorg nodig heeft.
Voor een pgb vanuit de Zvw kunnen indicaties afgegeven worden voor maximaal vijf jaar
als er sprake is van een chronische en stabiele zorgvraag. Ook bij een zorgvraag die
stabiel lijkt, kan de hulpbehoefte veranderen, omdat bijvoorbeeld de context verandert.
De herbeoordeling is bedoeld om ervoor te zorgen dat het pgb aansluit bij de actuele
hulpbehoefte. Ook helpt een periodieke herbeoordeling bij het voorkomen van misbruik.
Het is op dit moment nog niet inzichtelijk welke gemeenten wel en niet werken met
een langere beschikkingsduur in de Wmo. In december 2025 is door VWS en de VNG een
opdracht verleend aan Significant om inzichtelijk te maken hoe gemeenten al werken
met een langere beschikkingsduur waar passend. De resultaten hiervan worden medio
2026 opgeleverd en daarna gedeeld met uw Kamer. Onderdeel van de opdracht aan Significant
is ook om een indicator te ontwikkelen, zodat in de toekomst structureel gemonitord
kan worden in hoeverre gemeenten werken met een langere beschikkingsduur waar passend.
Op basis van de resultaten van het onderzoek van Significant kunnen we ook gerichtere
vervolgstappen zetten en ga ik in gesprek met de VNG over hoe gezamenlijk verder invulling
gegeven kan worden aan het toepassen van langdurige indicaties.
Eind juni ontvangt uw Kamer een brief over meerzorg. Daarin zal ik ingaan op de termijn
van toekenning van meerzorg bij het pgb.
Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie
De leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van de derde voortgangsrapportage
Toekomstagenda «zorg en ondersteuning voor mensen met een beperking» en de bijbehorende
onderzoeken en bijlagen. Deze leden zien dat in de praktijk nog veel mensen met een
levenslange en levensbrede ondersteuningsvraag vastlopen in versnipperde ondersteuning,
wisselende contactpersonen, wachtlijsten en bureaucratie. Zij hebben hierover nog
enkele vragen.
De leden van de BBB-fractie lezen in het rapport Langdurig en levensbreed dat inwoners
en gezinnen in verschillende gemeenten aangeven dat sprake is van versnipperde ondersteuning,
beperkte samenwerking tussen domeinen en het ontbreken van één integraal plan of één
vast aanspreekpunt. Deze leden lezen bovendien dat mensen regelmatig opnieuw hun verhaal
moeten doen en dat verschillen tussen gemeenten groot zijn. Hoe reflecteert de Minister
op deze bevindingen? Juist mensen met een levenslange en levensbrede ondersteuningsvraag
hebben behoefte aan continuïteit, stabiliteit en regie. Deelt de Minister de opvatting
dat een integraal plan en een vast aanspreekpunt voor deze doelgroep in veel gevallen
essentieel zijn om passende ondersteuning te organiseren? Zo ja, welke concrete inzet
pleegt de Minister richting gemeenten om dit meer de norm te maken?
Ik ben het met de leden van de BBB-fractie eens dat mensen met een levenslange en
levensbrede beperking behoefte hebben aan continuïteit, stabiliteit en regie.
Daarom werk ik via de werkagenda VN-verdrag Handicap aan het verbeteren van de toegang
tot ondersteuning. Dat doe ik door het ontwikkelen van één digitaal informatiepunt
waar mensen betrouwbare informatie kunnen vinden over zorg en ondersteuning. Zodat
ze sneller de plek vinden voor hun aanvraag. Daarnaast investeer ik, samen met het
Ministerie van BZK en andere betrokken partijen, in de samenwerking over de domeinen
heen. Zodat mensen, bij welk loket ze ook aankloppen, goed geholpen worden. In deze
samenwerking ligt de nadruk op het zoveel mogelijk integraal beantwoorden van hulpvragen.
Daarnaast moet het voor mensen met een levenslange beperking of stabiele ondersteuningsvraag
niet nodig zijn om telkens opnieuw hun chronische ziekte of beperking te bewijzen.
Het verminderen van stress en administratieve lasten bij herindicaties is daarbij
een belangrijk uitgangspunt. Dit is dan ook de reden dat ik met gemeenten inzet op
een passende beschikkingsduur, die langer is bij een stabiele ondersteuningsvraag.
Het blijft tegelijkertijd wel belangrijk om naar de individuele ondersteuningsbehoefte
te kijken en op basis daarvan een passende Wmo-indicatie af te geven.
De leden van de BBB-fractie lezen in het onderzoek verschillende voorbeelden waarbij
ondersteuning onvoldoende integraal werd georganiseerd en waarbij inwoners of ouders
zelf de regie moesten voeren tussen verschillende loketten, wetten en organisaties.
Hoe voorkomt de Minister dat mensen met een beperking of hun ouders feitelijk zelf
zorgcoördinator moeten zijn binnen een complex systeem? Daarnaast blijkt dat verschillen
tussen gemeenten grote invloed kunnen hebben op de kwaliteit, snelheid en toegankelijkheid
van ondersteuning. Zo ontstaat toenemende postcodeongelijkheid in de zorg en ondersteuning.
Hoe kijkt de Minister naar het risico dat de kwaliteit van ondersteuning in sterke
mate afhankelijk wordt van de gemeente waarin iemand woont? Is goed in beeld hoe groot
de ongelijkheid is en in welke gemeenten mensen met een beperking beduidend slechter
af zijn dan gemiddeld? Als de ongelijkheid onvoldoende in beeld is, hoe kan dan actief
beleid gevoerd worden op het verkleinen van de ongelijkheid en welke specifieke stappen
zet de Minister om de ongelijkheid te verkleinen?
Met het door de VNG vastgestelde richtinggevend kader, de afsprakenmodules en het
wetsvoorstel Reikwijdte werken gemeenten en het Rijk aan een landelijk herkenbaar
basisniveau voor lokale teams. Hierdoor kunnen inwoners in elke gemeente rekenen op
ondersteuning bij zelfregie en begeleiding, terwijl er ruimte blijft voor lokale invulling.
Iedere gemeente is zelf verantwoordelijk voor de inkoop van de benodigde ondersteuning,
die past bij wat inwoners nodig hebben en wat de lokale context vraagt. In dit decentrale
stelsel is het in eerste instantie aan de gemeenteraad om te bepalen welke verschillen
met andere gemeenten als aanvaardbaar worden gezien. Er is geen landelijk overzicht
van hoe deze ondersteuning precies is ingericht per gemeente en een dergelijk overzicht
zou onmogelijk goed te duiden zijn. Passende ondersteuning hangt namelijk van heel
veel verschillende factoren af, bijvoorbeeld van de beschikbare initiatieven en voorzieningen
in een buurt of de samenstelling van de gemeentelijke bevolking. Het duiden van deze
cijfers als kwalitatief goed of fout is daardoor onmogelijk.
Ik stuur uw Kamer voor het notaoverleg over de initiatiefnota Westerveld «Ons land
is beperkt» van 22 juni a.s. de verkenning naar gemeentelijke verschillen die de VNG
liet uitvoeren in het kader van de werkagenda VN-verdrag Handicap.
In het jaarlijks bestuurlijk overleg dat ik voer met de VNG over de uitvoering van
het VN-verdrag Handicap, zal ik dit rapport en de opvolging ervan met VNG bespreken.
Op die manier kunnen we gezamenlijk vaststellen wat nodig is om aspecten te verbeteren
die voor inwoners met een beperking kwetsbaar of problematisch zijn.
De leden van de BBB-fractie vragen in dit verband ook aandacht voor recente signalen
van de Vereniging Artsen Volksgezondheid en de Koepel Artsen Maatschappij + Gezondheid
over medische beoordelingen voor kwetsbare inwoners. Zij lezen dat inwoners soms honderden
euro’s kwijt zijn aan medische keuringen, zonder garantie op toekenning van ondersteuning
of voorzieningen, en dat de kosten en werkwijzen sterk verschillen per gemeente. Deelt
de Minister de zorg dat hierdoor rechtsongelijkheid ontstaat? Welke mogelijkheden
ziet de Minister om meer uniformiteit, kwaliteit en toegankelijkheid van medische
beoordelingen te organiseren?
Ik vind het onwenselijk als de kosten voor medische keuringen voor ondersteuning en
voorzieningen hoog oplopen voor mensen. Daarom onderzoek ik de mogelijkheden voor
de samenvoeging van verschillende landelijke indicatiestellingstrajecten. In 2026
wordt gekeken naar de mogelijkheden voor het samenvoegen van de trajecten die mensen
moeten doorlopen voor het aanvragen van Valys Standaard, Valys Hoog PKB, sportvervoer
en de OV-begeleiderskaart.
Met deze samenvoeging wordt een verbetering voor de aanvrager beoogd waarbij de aanvraag
voor indicatiestelling(en) efficiënter en minder belastend wordt voor de aanvrager,
omdat er dan geen separate medische keuring en administratieve taken voor elke indicatiestelling
nodig zijn. Ook wordt het tijdens de aanvraag overzichtelijker wat de ondersteuningsbehoefte
is en kunnen daardoor de relevante voorzieningen in één keer aangevraagd worden.
De toegang tot gemeentelijke regelingen en voorzieningen is een gemeentelijke verantwoordelijkheid.
Gemeenten bepalen vanuit hun decentrale bevoegdheid hoe ze dit inrichten en de tarieven
komen tot stand op basis van lokaal gemaakte democratische keuzes en lokale kostenverschillen.
Gemeenten kunnen bij het contracteren van partijen aanvullende voorwaarden stellen.
Te denken valt bijvoorbeeld aan eisen aan de kwaliteit en bedrijfsvoering, alsook
het toepassen van een goede tariefdifferentiatie.
De leden van de BBB-fractie lezen bovendien dat een tekort aan specifiek opgeleide
artsen ertoe leidt dat complexe beoordelingen steeds vaker worden uitgevoerd door
basisartsen. Hoe beoordeelt de Minister de risico’s hiervan voor de kwaliteit en zorgvuldigheid
van beoordelingen van kwetsbare inwoners? Is de Minister bereid te onderzoeken hoe
de opleiding tot arts Medisch Advies structureler ondersteund kan worden?
In beginsel geldt dat complexe beoordelingen ook door basisartsen verricht mogen worden,
mits zij daartoe bekwaam zijn. De opdrachtnemende partij (werkgever) moet voldoen
aan de gestelde eisen van de gemeente in de inkoopuitvraag. De opdrachtnemer is daarmee
ook verantwoordelijk voor een zorgvuldige uitvoering van de opdracht en voor het waarborgen
van het benodigde kennis- en deskundigheidsniveau. Verder is het beroep van basisarts
wettelijk gereguleerd in artikel 3 van de Wet BIG, met het oog op het bewaken van
de kwaliteit van de individuele beroepsuitoefening en het borgen van de patiëntveiligheid.
Onder meer door de verplichte vijfjaarlijkse herregistratie in het BIG-register wordt
de kwaliteit van de betreffende zorgprofessional geborgd.
De leden van de BBB-fractie zijn geschrokken van de voorbeelden van stress en onzekerheid
rondom herindicaties, terwijl het gaat om mensen met een levenslange beperking of
ondersteuningsvraag. Deze leden vragen hoe de Minister reflecteert op signalen dat
mensen steeds opnieuw moeten bewijzen dat zij ondersteuning nodig hebben. Welke stappen
zet de Minister om langdurige indicaties en meer continuïteit in ondersteuning vaker
mogelijk te maken?
Ik begrijp en deel de wens om voor mensen met een levenslange beperking of een stabiele
ondersteuningsvraag te werken met langdurige indicaties. Het moet voor hen niet nodig
zijn om telkens opnieuw hun chronische ziekte of beperking te bewijzen. Het verminderen
van stress en administratieve lasten bij herindicaties is daarbij een belangrijk uitgangspunt.
Het blijft wel belangrijk om naar de individuele ondersteuningsbehoefte te kijken
en op basis daarvan een passende Wmo-indicatie af te geven.
Daarom is deze ambitie een belangrijk onderdeel in de werkagenda VN-verdrag Handicap.
We gaan verder met het ondersteuningstraject Verrassend Passend, waarbinnen gemeenten
worden gefaciliteerd en ondersteund om waar passend voor langere duur te beschikken.
Ik ga ook consequent in gesprek met gemeenten om dit onder de aandacht te brengen
en steeds beter in beeld te krijgen welke belemmeringen ervaren worden om dit te doen.
Het onderzoek dat Significant in opdracht van VWS en de VNG momenteel uitvoert, en
wat juli 2026 afgerond wordt, geeft meer inzicht in de huidige praktijk. Op basis
daarvan kunnen we ook gerichtere vervolgstappen zetten en ga ik in gesprek met de
VNG over hoe gezamenlijk verder invulling gegeven kan worden aan het toepassen van
langdurige indicaties.
De leden van de BBB-fractie begrijpen verder dat de Minister aangeeft dat er aandacht
blijft voor ouderenzorg, medisch-generalistische zorg en toekomstbestendige ondersteuning.
Tegelijkertijd staan gemeenten en zorgorganisaties onder grote financiële druk en
worden verdere bezuinigingen op de zorg voorzien door het huidige kabinet. Hoe rijmt
de Minister de ambities uit de Toekomstagenda met deze financiële ontwikkelingen?
Hoe rijmt de Minister de specifieke bezuinigingen die het Ministerie van VWS wil doorvoeren
op ouderengezondheid met deze ambities? Kan de Minister toelichten hoe de bezuinigingen
van invloed gaan zijn op de zorg, nu het huidige kabinet nog grotere bezuinigingen
voorstelt dan voorheen voorzien waren?
In een brief van 28 mei 2026 over de budgettaire ontwikkelingen in de langdurige zorg
en invulling van moties gehandicaptenzorg20 is uw Kamer geïnformeerd dat in 2027 aan de wens van de Kamer tegemoet kan worden
gekomen om de tariefmaatregelen meerjarig contracteren, Wlz-behandeling en opschaling
digitale zorg in dat jaar niet door te voeren. In bestuurlijk overleg met de sector
spreken we over hoe we de opgaven voor de sector kunnen aanpakken met het geld dat
beschikbaar is voor de gehandicaptenzorg en hoe we op de korte termijn financiële
rust in deze sector kunnen brengen. Het kabinet streeft ernaar om met de sector uiterlijk
in februari 2027 afspraken te maken. Het kabinet zal de Kamer blijven informeren over
de voortgang van deze gesprekken.
In een brief van 29 mei 202621 ter voorbereiding van het commissiedebat ouderenzorg van 4 juni 2026 is uw Kamer
onder andere geïnformeerd over de voortgang van het HLZ. In die brief van 29 mei is
opgenomen dat zonder nadere afspraken de totale Wlz-uitgaven aan zorg in natura binnen
de contracteerruimte en persoonsgebonden budgetten per saldo met € 6,2 miljard toenemen
van € 40,0 miljard in 2026 tot een niveau van € 46,2 miljard in 2031. Dat is een toename
van ruim 15%. Dit betreft niet alleen de ouderenzorg, maar ook de gehandicaptenzorg
en de langdurige ggz. Deze toename is ook exclusief de reguliere jaarlijkse bijstelling
voor loon- en prijsontwikkeling. Inzet van het kabinet is deze groei te beperken tot
€ 5,2 miljard tot een niveau van € 45,2 miljard in 2031. Door de beweging die nu is
ingezet verwacht het kabinet dat het, met het beschikbare budget, mogelijk is om mensen
met een Wlz-indicatie passende ondersteuning en zorg te bieden.
De leden van de BBB-fractie vragen de Minister om daarbij specifiek in te gaan op
welke gevolgen de Minister verwacht van de voorgenomen bezuinigingen voor wachtlijsten,
personeelscontinuïteit, gespecialiseerde cliëntondersteuning en de beschikbaarheid
van passende zorg en ondersteuning voor mensen met een beperking. Tot slot vragen
de leden van de BBB-fractie hoe de Minister wil voorkomen dat mensen met een levenslange
en levensbrede ondersteuningsvraag juist door financiële druk, personeelstekorten
en versnipperde uitvoering tussen wal en schip raken.
In een brief van 28 mei over de budgettaire ontwikkelingen in de langdurige zorg en
invulling van moties gehandicaptenzorg22 bent u geïnformeerd over de overleggen over een gezamenlijk toekomstbeeld voor de
sector gehandicaptenzorg en wat er nodig is om dat te bereiken. De overleggen gaan
ook over het aanpakken van problemen op de korte termijn in de sector, zoals de krapte
op de arbeidsmarkt en het organiseren van voldoende plekken voor mensen met complexe
zorgvragen. De acties en maatregelen die daaruit voortkomen wil het kabinet ook in
samenhang bezien met de afloop van de Toekomstagenda gehandicaptenzorg eind dit jaar.
Mogelijk zijn de korte termijn acties samen te brengen. Het kabinet streeft ernaar
om met de sector uiterlijk in februari 2027 afspraken te maken.
Tot slot vragen de leden van de BBB-fractie hoe de Minister wil voorkomen dat mensen
met een levenslange en levensbrede ondersteuningsvraag juist door financiële druk,
personeelstekorten en versnipperde uitvoering tussen wal en schip raken.
Ik vind het belangrijk dat we voortdurend oog houden voor de gevolgen van beleid voor
mensen over wie het gaat, zodat mensen niet tussen wal en schip raken. Het kabinet
heeft in reactie op de motie Stoffer c.s. en motie Lahlah c.s.23 toegezegd om het effect van de verschillende maatregelen op het besteedbaar inkomen
in kaart te brengen. In de procesbrief heeft het kabinet aangegeven de uitkomsten
van deze analyse voor de zomer naar de Kamer te sturen. De analyse is echter complex
en vergt meer tijd. Het kabinet is voornemens de uitkomsten van de analyse in augustus
in bredere samenhang te bezien. Vervolgens zal het kabinet een integrale weging maken
hoe de enveloppe tegemoetkoming zorgkosten chronisch zieken (CA 33) het beste ingezet
kan worden. Over de uitkomsten van deze analyse, de invulling van de motie Stoffer
en de motie Lahlah en de inzet van de enveloppe zal het kabinet de Kamer na de zomer
informeren.
Als coördinerend bewindspersoon voor het VN-verdrag Handicap zet ik me ervoor in dat
bij de ontwikkeling van beleid en wetten die mensen met een beperking raken, samen
wordt gewerkt met (vertegenwoordigers van) mensen met een beperking. Zij kunnen immers
het beste aangeven wat de mogelijke gevolgen zijn van beleid en wetten voor hun dagelijks
leven. Om de zorg en het leven van mensen met een beperking te verbeteren, voert het
kabinet het VN-Verdrag Handicap uit. Met de werkagenda VN-verdrag Handicap werk ik
aan de verdere uitvoering van het Verdrag. Bijvoorbeeld als het gaat om eenvoudige
toegang tot zorg en ondersteuning of domeinoverstijgende samenwerking binnen de zorg
en het sociaal domein. Eind dit jaar ontvangt uw Kamer de eerste voortgangsbrief over
deze werkagenda.
Vragen en opmerkingen van de leden van de SP-fractie
De leden van de SP-fractie hebben de derde voortgangsrapportage Toekomstagenda «zorg
en ondersteuning voor mensen met een beperking» gelezen. Zij hebben hier nog enkele
vragen en opmerkingen over. Zij benadrukken dat het erg belangrijk is dat er nu eindelijk
vaart wordt gemaakt met de uitvoering van het VN-Verdrag Handicap en het verbeteren
van de positie van mensen met een beperking.
De leden van de SP-fractie benadrukken dat het met het huidige beleid dweilen met
de kraan open lijkt om het VN-Verdrag Handicap goed uit te voeren. De geplande bezuinigingen
op zowel de zorg als de sociale zekerheid dreigen mensen met een beperking extra te
raken, waardoor hun mogelijkheden om gelijkwaardig mee te doen in de samenleving juist
kleiner dreigen te worden. Hoe kijkt de Minister hiernaar? Hoe verwacht zij de positie
van mensen met een beperking te kunnen vergroten, terwijl tegelijkertijd de voorzieningen
waarvan veel mensen met een beperking afhankelijk zijn worden verslechterd of zelfs
helemaal verdwijnen?
Het kabinet heeft in reactie op de motie Stoffer c.s. en motie Lahlah c.s.24 toegezegd om het effect van de verschillende maatregelen op het besteedbaar inkomen
in kaart te brengen. In de procesbrief heeft het kabinet aangegeven de uitkomsten
van deze analyse voor de zomer naar de Kamer te sturen. De analyse is echter complex
en vergt meer tijd. Het kabinet is voornemens de uitkomsten van de analyse in augustus
in bredere samenhang te bezien. Vervolgens zal het kabinet een integrale weging maken
hoe de enveloppe tegemoetkoming zorgkosten chronisch zieken (CA 33) het beste ingezet
kan worden. Over de uitkomsten van deze analyse, de invulling van de motie Stoffer
en de motie Lahlah en de inzet van de enveloppe zal het kabinet de Kamer na de zomer
informeren.
Ondertussen blijf ik met mijn collega’s in het kabinet de werkagenda VN-verdrag Handicap
uitvoeren. We zetten daarmee belangrijke stappen om toe te werken naar een meer toegankelijke
samenleving en verbeteringen op alle domeinen van het leven.
De leden van de SP-fractie vragen de Minister daarom ook wanneer zij de motie Dobbe
c.s. (Kamerstuk
36 800 XVI, nr. 174
) gaat uitvoeren, die vroeg om «onafhankelijk in kaart te laten brengen wat de gevolgen
van het maatregelenpakket uit het regeerakkoord zijn voor de positie van mensen met
een beperking en hoe zich dit zich verhoudt tot het standstillprincipe van het VN-verdrag
Handicap, voordat deze maatregelen worden doorgevoerd». De leden van de SP-fractie
vragen de Minister wanneer en hoe zij de motie Bikker c.s. (Kamerstuk
36 848, nr. 107
), die de regering verzocht om niet te bezuinigen op de gehandicaptenzorg, gaat uitvoeren.
De leden van de SP-fractie vragen de Minister wanneer en hoe zij de motie Dobbe (Kamerstuk
36 800 XVI, nr. 176
), die de regering verzocht «om op basis van de aanbevelingen uit het rapport over
het VN-Vrouwenverdrag plannen te maken om de positie van vrouwen met een beperking
te verbeteren», gaat uitvoeren.
Recent heb ik u geïnformeerd over de uitvoering van deze en andere aangenomen moties
uit het Wetgevingsoverleg Gehandicaptenbeleid van 9 maart 202625. De regering is ook via een motie van lid Stoffer verzocht voorafgaand aan alle voorgenomen
maatregelen die ingrijpen op de portemonnee van mensen in de sociale zekerheid en
zorg, de gevolgen daarvan voor kwetsbare groepen in kaart te brengen26. In de procesbrief aan uw Kamer over de uitwerking van de moties Stoffer en Dobbe
is geschetst dat de analyse naar de effecten van de maatregelen uit het coalitieakkoord
ook specifiek voor mensen met chronische ziekten en/of beperking zal plaatsvinden27.
Op 28 mei jl. stuurde ik een brief aan de Kamers der Staten-Generaal over de invulling
van de motie-Bikker28. Hierin is aangegeven dat de drie voorgenomen tariefmaatregelen binnen de Wlz, namelijk
Wlz-behandeling, meerjarig contracteren en opschaling digitale zorg, in 2027 niet
worden doorgevoerd.
De geraamde besparing van deze maatregelen bedraagt gezamenlijk € 171 miljoen in 2027,
waarvan € 158 miljoen betrekking heeft op de gehandicaptenzorg en € 13 miljoen op
de langdurige geestelijke gezondheidszorg. Het kabinet komt hiermee tegemoet aan de
wens van de Kamer om deze maatregelen in 2027 niet door te voeren. Hiervoor zijn middelen
gereserveerd binnen het Wlz-kader. Met dit besluit biedt het kabinet voorafgaand aan
de start van de zorginkoop 2027 duidelijkheid aan de gehandicaptenzorgsector en de
sector langdurige ggz.
Voor de jaren 2028 en verder is het kabinet voornemens om de bovengenoemde tariefmaatregelen
te bezien in relatie tot de opgave vanuit het coalitieakkoord om te komen tot bestuurlijke
akkoorden met de sectoren binnen de Wlz.
De motie Dobbe wordt bezien in het kader van de Werkagenda VN-verdrag Handicap 2025–2030.
De Kamer wordt in de voortgangsbrief over de werkagenda, die eind 2026 aan de Kamer
wordt gezonden, geïnformeerd over de voortgang van de opvolging van de aanbevelingen
uit het rapport over het VN-Vrouwenverdrag.
De leden van de SP-fractie benadrukken dat het bezoeken van een ziekenhuis voor mensen
met een beperking vaak een grotere uitdaging vormt. Dit kan de toegankelijkheid van
de zorg voor deze mensen verkleinen, terwijl zij vaak juist meer zorg nodig hebben.
Is de Minister bereid om meer stappen te zetten om ziekenhuiszorg beter toegankelijk
te maken voor mensen met een beperking en de zorg hier beter wordt afgesteld op hun
behoeften?
Er zijn al goede initiatieven om de toegankelijkheid te verbeteren, zoals in de regio
Brabant. Door Platform VG Brabant is in samenwerking met Zorgbelang Brabant een wegwijzer
ontwikkeld. Deze «Wegwijzer voor ouders en persoonlijk begeleiders» is tot stand gekomen
samen met ouders, vertegenwoordigers van woon-/zorginstellingen en ziekenhuizen. De
wegwijzer bestaat uit twee delen, het eerste deel betreft het overdrachtsformulier,
het tweede deel bestaat uit adviezen. Het zijn hulpmiddelen om de zorg en behandeling
af te kunnen stemmen op de zorgbehoefte en het gedrag van het kind/de cliënt vóór,
tijdens en na een ziekenhuisopname. Het gaat hierbij om maatwerk, om specifieke, persoonlijke
zorg. Naast de wegwijzer en aanbevelingen is er de notitie «Aandacht voor mensen met
een verstandelijke beperking bij een opname in het ziekenhuis. Een uitwerking voor
de praktijk». Hierin zijn ook praktijkvoorbeelden opgenomen.
Ziekenhuizen kunnen op basis van deze documenten hun toegankelijkheid verbeteren.
Zo heeft het Jeroen Bosch Ziekenhuis afspraken gemaakt rondom de zorg voor kinderen
en volwassenen met een verstandelijke beperking. Deze afspraken zijn vastgelegd in
een protocol dat alle medewerkers in het ziekenhuis kunnen raadplegen.
De leden van de SP-fractie vragen de Minister wanneer zij gaat ingrijpen om de onuitlegbare
verschillen tussen gemeenten in de voorzieningen voor mensen met een beperking tegen
te gaan. Deelt de Minister de mening dat de rechten van deze mensen belangrijker zijn
dan de beleidsvrijheid van gemeenten om te weinig te doen om de rechten van deze mensen
in de praktijk te brengen?
Met de Wmo zijn veel zorg- en ondersteuningstaken gedecentraliseerd. Gemeenten kunnen
hierdoor beter aansluiten bij de specifieke ondersteuningsvragen van hun inwoners,
de lokale context en wat daar nodig is. Het lokale maatwerk is van belang voor mensen
met een beperking met een specifieke ondersteuningsvraag. Het kan helaas ook leiden
tot onwenselijke situaties. In het decentrale stelsel is het primair aan de gemeenteraad
om te bepalen welke verschillen met andere (al dan niet naburige) gemeenten aanvaardbaar
worden geacht.
In de werkagenda VN-verdrag Handicap is de maatregel opgenomen dat VWS en de VNG verschillen
tussen gemeenten in kaart brengen die door mensen met een beperking als oneerlijk
worden ervaren om op basis daarvan te bepalen welke stappen gezet kunnen worden om
deze verschillen te verkleinen. Voor het notaoverleg initiatiefnota Westerveld «Ons
land is beperkt» van 22 juni a.s. ontvangt u in een separate brief deze verkenning
en de reactie daarop. In het jaarlijks bestuurlijk overleg dat ik voer met de VNG
over de uitvoering van het VN-verdrag Handicap, zal ik dit rapport en de opvolging
ervan met de VNG bespreken. Op die manier kunnen we gezamenlijk vaststellen wat nodig
is om aspecten te verbeteren die voor inwoners met een beperking kwetsbaar of problematisch
zijn.
De leden van de SP-fractie constateren ten slotte dat er grote ongelijkheid bestaat
tussen gemeenten in de kosten voor het aanvragen van gehandicaptenparkeerkaart. Deelt
de Minister de mening dat dit onuitlegbaar is en dat het verkrijgen van een gehandicaptenparkeerkaart
gratis zou moeten zijn? Daarnaast vragen zij welke maatregelen de Minister gaat nemen
voor het terugdringen van het tekort aan artsen die dit soort keuringen kunnen uitvoeren.
Ik herken de signalen dat de tarieven voor het aanvragen van bijvoorbeeld een gehandicaptenparkeerkaart
sterk uiteenlopen. Toch is dat vooral onderwerp van gemeentelijk beleid. Uit onderzoek
blijkt een bandbreedte van € 0 tot ruim € 300 per aanvraag. De verantwoordelijkheid
voor het vaststellen van leges ligt bij de gemeenteraad. Op grond van de Gemeentewet
geldt als harde norm dat leges niet hoger mogen zijn dan de werkelijke kosten. Gemeenten
zijn vrij om een lager bedrag te vragen of de kaart gratis aan te bieden. Een aantal
gemeenten doet dat ook. Bij mij zijn er geen signalen bekend dat dit problemen oplevert
voor de keuring en afgifte van de gehandicaptenparkeerkaart.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
M. Mohandis, voorzitter van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport -
Mede ondertekenaar
E.M. Sjerp, adjunct-griffier