Verslag van een schriftelijk overleg : Verslag van een schriftelijk overleg over AccelerateEU – Energy Union (Kamerstuk 22112, nr. 4326)
22 112 Nieuwe Commissievoorstellen en initiatieven van de lidstaten van de Europese Unie
Nr. 4378
VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
Vastgesteld 17 juni 2026
De vaste commissie voor Klimaat en Groene Groei heeft een aantal vragen en opmerkingen
voorgelegd aan de Minister van Klimaat en Groene Groei over de brief van 8 mei 2026
over AccelerateEU – Energy Union (Kamerstuk 22 112, nr. 4326).
De vragen en opmerkingen zijn op 28 mei 2026 aan de Minister van Klimaat en Groene
Groei voorgelegd. Bij brief van 16 juni 2026 zijn de vragen beantwoord.
De voorzitter van de commissie, Zwinkels
Adjunct-griffier van de commissie, Teske
Vragen en opmerkingen vanuit de fracties en reactie van de bewindspersoon
D66:
Vraag 1:
De leden van de D66-fractie lezen dat de Minister momenteel geen noodzaak ziet om
gebruik te maken van de mogelijkheid om af te wijken van de Europese vuldoelen voor
gasopslag. Onder welke omstandigheden zou de Minister dit wel overwegen?
Antwoord:
Het kabinet houdt de situatie nauwlettend in de gaten bepaalt aan de hand hiervan
of het nodig is om gebruik te maken van de flexibiliteit die geboden wordt ten aanzien
van de Europese vuldoelen of anderszins te acteren. Het huidige EU-vuldoel voor Nederland
dat tussen 1 oktober en 1 december van dit jaar behaald dient te worden bedraagt 74%,
oftewel ca. 107 TWh. Het nationale vuldoel voor Nederland dat op 1 november behaald
dient te worden bedraagt 80%, oftewel 115 TWh. Zowel het Europese als het nationale
vuldoel is nog haalbaar. Het kabinet heeft aan beleidsdeelneming EBN Capital B.V.
instemming en subsidie verleend om maximaal 80 TWh op te slaan in de gasopslagen als
marktpartijen dat onvoldoende doen om een grote bijdrage te leveren aan de vuldoelen.
Overheidsingrijpen kan de marktdynamiek verstoren en ertoe leiden dat marktpartijen
minder prikkels hebben om zelf gas op te slaan in de opslagen. Daarom maakt EZK, in
afstemming met EBN constant een afweging tussen de gewenste verzekering die wij als
overheid aangaan, de marktverstoring die op kan treden als EBN onder de dan geldende
marktomstandigheden gas opslaat en de kosten voor de afnemers van gas. Of het vuldoel
gehaald wordt hangt af van hoeveel marktpartijen deze zomer zelf nog opslaan. Het
kabinet blijft de voortgang op de vuldoelen nauwlettend monitoren.
Vraag 2:
Deze leden lezen dat de effectiviteit van het gezamenlijke Europese inkoopplatform
voor gas momenteel moeilijk vast te stellen is, onder andere doordat niet inzichtelijk
is of daadwerkelijk contracten zijn gesloten. Welke concrete verbeteringen wil de
Minister in Europees verband voorstellen om de transparantie, effectiviteit en strategische
meerwaarde van dit gezamenlijke inkoopplatform te vergroten?
Antwoord:
Voorheen vond het gezamenlijk inkoopplatform voor aardgas zijn wettelijke grondslag
in de (tijdelijke nood)verordening (EU) 2022/2576 en vond plaats onder het platform
AggregateEU. Het AggregateEU-platform is met de inwerkingtreding van het decarbonisatiepakket, bestaande uit de
herziene Gasrichtlijn en Gasverordening, onderdeel geworden van het EU Energy and Raw Materials Platform. Dit platform richt zich erop om Europese bedrijven in staat te stellen om op doeltreffende
wijze energie en grondstoffen aan te kopen.
De Europese Commissie zal zich in eerste instantie voornamelijk richten op de zich
nog ontwikkelende markten voor groen gas en waterstof en niet op bestaande markten
zoals voor aardgas. Er is daarom onder het nieuwe platform nog geen nieuwe ronde voor
gezamenlijke inkoop voor aardgas georganiseerd noch wordt deze op korte termijn verwacht.
Dit heeft er mee te maken dat aardgas al een volwassen markt is waar partijen een
groot aantal mogelijkheden ter beschikking staat om gas te verkrijgen.
De verdere ontwikkeling van de markten voor groen gas en waterstof kan daarnaast bijdragen
aan de verdere decarbonisatie van de Europese Unie en daarmee de langere termijn leveringszekerheid
ondersteunen. Het kabinet staat open voor een dialoog met de Europese Commissie om
te beoordelen of het platform ook kan bijdragen aan de leveringszekerheid van gas
van de EU als de situatie daarom vraagt, rekening houdend met mogelijke beperkingen
door het Europese mededingingskader.
Vraag 3:
De leden van de D66-fractie lezen dat de Minister het optimaliseren van de Europese
olieraffinagecapaciteit steunt, mits daarbij ook rekening wordt gehouden met concurrentievermogen
en bioraffinagecapaciteit. Begrijpen zij goed dat de Minister vooral inzet op het
optimaliseren van bestaande raffinagecapaciteit? Waarom ziet de Minister deze crisis
niet juist als aanleiding om versneld in te zetten op verdere opschaling van bioraffinage
en andere duurzame alternatieven voor fossiele brandstoffen?
Antwoord:
Het kabinet deelt de analyse dat juist nu de noodzaak voor versnelling van de brandstoftransitie
wordt onderstreept. De inzet van het kabinet is dan ook niet beperkt tot optimalisering
van de bestaande fossiele raffinagecapaciteit. Via Europese wetgeving wordt het gebruik
van duurzame brandstoffen, elektriciteit en groene waterstof in transport gestimuleerd
via oplopende bijmengpercentages- en CO2-reductiedoelen. Het kabinet zet gelijktijdig in op het versnellen van de opschaling
van duurzame brandstofproductie. Zo is Nederland lid van de eSAF Early Movers Coalition voor duurzame luchtvaartbrandstoffen (SAF) en worden de mogelijkheden onderzocht om
de opschaling van SAF in Nederland en de EU verder te ondersteunen. Ook wordt er vanuit
het Klimaat- en Energiefonds 300 miljoen euro geïnvesteerd in de productie van geavanceerde
biobrandstoffen en synthetische kerosine in Nederland. Daarnaast zet het kabinet zich
in Europa nog altijd in, inmiddels voornamelijk via de Critical Chemicals Alliance, voor de opschaling van de markt voor duurzame koolstoffen voor de chemie – daar
valt ook koolstof uit de bioraffinage onder. Het opschalen van duurzame brandstofproductie
kost tijd. In de huidige energiecrisis moet de leveringszekerheid op peil blijven,
waarbij op korte termijn de optimalisatie van de bestaande Europese raffinagecapaciteit
van groot belang is. In de tussentijd moet omwille van weerbaarheid en verdienvermogen
de leveringszekerheid op peil blijven. De huidige energiecrisis wijst ons op het belang
daarvan. Op de korte termijn blijft optimalisatie van de bestaande Europese raffinagecapaciteit
daarmee van groot belang, naast het opschalen van duurzame brandstofproductie.
Vraag 4:
De leden van de D66-fractie lezen positief over de aangekondigde Europese catalogus
met maatregelen voor energiebesparing en hernieuwbare energie. Welke maatregelen uit
deze catalogus is het kabinet voornemens over te nemen of verder uit te werken in
Nederland?
Antwoord:
Het kabinet verwelkomt de publicatie van de AccelerateEU catalogus, die een overzicht geeft van maatregelen voor energiebesparing en hernieuwbare
energie die EU-lidstaten kunnen nemen voor het vergroten van leveringszekerheid en
verlagen van de energieprijzen.
Maatregelen die Nederland al voor de crisis heeft genomen zijn de energiebesparingsplicht
voor bedrijven, het ontzorgingsprogramma mkb, de Versnelde Klimaatinvesteringen Industrie
(VEKI) en de inzet van «Fixteams» die kwetsbare micro-bedrijven helpen met het direct
nemen van simpele energiebesparende maatregelen. Voor mobiliteit levert elektrificatie
van het wagenpark de meeste energiebesparing op. Maatregelen die dit stimuleren richten
zich o.a. op trucks (met de Aanschafsubsidieregeling Zero-Emissie Trucks) en personenauto’s
(o.a. met de inruilregeling voor oude auto’s en fiscale stimulering). Randvoorwaardelijk
voor energie-efficiënte mobiliteit is dekkende tank- en laadinfra, waarvan de uitrol
wordt gestimuleerd via verschillende subsidies (bijv. de SWIM, SPRILA en SPULA). Met
betrekking tot de warmtetransitie stellen gemeentes eind 2027 warmteprogramma’s vast
waarmee zij richting geven aan de verduurzaming van de gebouwde omgeving.
De AccelerateEU catalogus bevat ook een aantal maatregelen op het gebied van de uitrol van hernieuwbare
energie. Ook hiervoor geldt dat een aantal van de maatregelen uit de catalogus al
vóór de crisis in Nederland in gang gezet is, bijvoorbeeld via de introductie van
tweerichtingscontracten ter verrekening van verschillen (contracts for difference) per 2027. Daarnaast blijft het kabinet inzetten op de ontwikkeling van de vraagzijde,
bijvoorbeeld door vraagstimulering via de SDE++ en, in samenwerking met InvestNL,
het ontwikkelen van een instrument dat garanties verstrekt ten behoeve van langjarige
stroomafnamecontracten (PPA’s).
Als onderdeel van het maatregelenpakket Acties Weerbaarheid Energieschok in reactie
op de crisis, heeft het kabinet al ingezet op inruilen van benzine- of dieselauto
voor een tweedehands elektrische auto. Verder heeft het kabinet in april € 195 mln.
vrijgemaakt voor het Publieke Noodfonds, met inzet op opening van het fonds voor aankomende
winter. Dit fonds ondersteunt kwetsbare huishoudens met een laag inkomen en hoge energierekening
via een directe korting verrekend op de energierekening.
Het kabinet blijft doorlopend inzetten op energiebesparing en hernieuwbare energie
voor het versterken van de energiezekerheid en het halen van de klimaatdoelen, en
ziet dit als belangrijk onderdeel van de crisisrespons. Mocht de situatie daar aanleiding
toe geven, dan zal het kabinet aanvullende maatregelen in overweging nemen en daarbij
ook opnieuw kijken naar de maatregelen uit de catalogus. Hierbij kan Europese coördinatie
ondersteunend zijn om ervoor te zorgen dat nieuwe maatregelen zoveel mogelijk in gezamenlijkheid
genomen worden.
Vraag 5:
Deze leden lezen dat de Minister de Europese Commissie oproept om samen met bereidwillige
lidstaten de mogelijkheden voor een heffing op eventuele overwinsten van olie- en
gasbedrijven uit te werken. Begrijpen deze leden goed dat de Minister hiermee uitvoering
geeft aan de motie-Klaver/Paternotte over een Europese aanpak van overwinsten bij
energiebedrijven (Kamerstuk
36 933, nr. 9
)? Kan de Minister toelichten welke concrete vervolgstappen het hierin nu in Europees
verband gaat zetten?
Antwoord:
Tijdens de Ecofinraad van 4 en 5 mei jl. heeft het kabinet opgeroepen tot een nadere
analyse van het ontstaan van eventuele overwinsten bij olie- en gasbedrijven, als
gevolg van de huidige hoge prijzen. Daarnaast heeft Nederland opgeroepen op EU-niveau
de juridische mogelijkheden te verkennen voor het invoeren van een belasting op overwinsten,
als er inderdaad sprake is van overwinsten, op zowel de Ecofinraad van 4 en 5 mei
als op de informele Energieraad van 12 en 13 mei jl. Daarmee geeft Nederland uitvoering
aan bovengenoemde motie. De Europese Commissie heeft in de AccelerateEU mededeling van 22 april jl. steun aan lidstaten aangeboden voor het vormgeven van
maatregelen toegespitst op het belasten van overwinsten van olie- en gasbedrijven.
Het is van belang de komende tijd te blijven monitoren of er daadwerkelijk overwinsten
ontstaan en verder te onderzoeken welke juridische mogelijkheden er zijn voor de invoering
van een dergelijke belasting in geval van overwinsten. Het kabinet zal hier ook bij
de Europese Commissie aandacht voor blijven vragen.
Vraag 6:
De leden van de D66-fractie begrijpen de wens om de concurrentiepositie van de Europese
industrie te beschermen, maar benadrukken dat verruiming van staatssteunregels niet
mag leiden tot het in stand houden van fossiele afhankelijkheden. Kan de Minister
toezeggen dat eventuele verruiming van staatssteunkaders nadrukkelijk gericht blijft
op verduurzaming en niet op langdurige ondersteuning van fossiele productieprocessen?
Antwoord:
Het uitgangspunt voor het kabinet voor staatssteun is in beginsel terughoudend.1 Dit neemt niet weg dat er in het licht van de transities en in geval van marktfalen
gerichte staatssteun nodig kan zijn, mits goed onderbouwd en rekening houdend met
een mogelijk verstorend effect op de interne markt. Het kabinet blijft zich derhalve
inzetten voor gerichte duurzame aanpassingen van de reguliere staatssteunkaders. Voor
het kabinet is daarbij het structureel afbouwen van afhankelijkheid van fossiele energie
van belang.
Vraag 7:
De leden van de D66-fractie begrijpen dat netcongestie en beperkte infrastructuur
momenteel knelpunten vormen voor verdere elektrificatie. Tegelijkertijd delen zij
de opvatting dat juist verdere elektrificatie cruciaal is voor de opschaling van wind
op zee en het verminderen van de afhankelijkheid van fossiele energie. Hoe zorgt de
Minister ervoor dat knelpunten rond netcapaciteit niet leiden tot vertraging van elektrificatie,
maar juist aanleiding zijn om versneld te investeren in infrastructuur, flexibiliteit
en vraagontwikkeling?
Antwoord:
Netcongestie vormt een knelpunt voor verdere elektrificatie en daarmee verduurzaming
en energie-autonomie van Nederland en Europa. Dit was de afgelopen jaren voor de netbeheerders
aanleiding om fors meer te investeren in uitbreiding van de elektriciteitsinfrastructuur.
Om de doorlooptijd van projecten te verkorten is het kabinet samen met netbeheerders
en medeoverheden een versnellingsaanpak2 gestart. Verder wordt in het Landelijk Actieprogramma Netcongestie (LAN)3 en met de doorbraken in het Aansluitoffensief4 werk gemaakt van betere benutting van het bestaande net door grootschalige toepassing
van flexibiliteit, met congestiemanagement en flexibele transportcontracten. Beoogd
wordt om met de combinatie van Sneller Bouwen en Beter Benutten de ingezette route
naar elektrificatie voort te zetten.
Vraag 8:
De leden van de D66-fractie lezen dat de Minister wil dat de eisen voor tijdige correlatie
bij hernieuwbare waterstof later ingaan om de opschaling van elektrolyse te versnellen.
Kan de Minister nader toelichten waarom versoepeling van deze eisen noodzakelijk wordt
geacht en hoe daarbij wordt gewaarborgd dat waterstofproductie daadwerkelijk bijdraagt
aan extra duurzame elektriciteitsproductie en systeemintegratie?
Antwoord:
Hierop heb ik antwoord gegeven in de beantwoording van de vragen van lid Oosterhout
over de Nederlandse inzet ten aanzien van aanpassingen in de Gedelegeerde Handeling
waarin de eisen om waterstof als hernieuwbaar te kwalificeren zijn vastgelegd.5 In de kern komt het erop neer dat Nederland, samen met een aantal andere lidstaten,
de Europese Commissie verzocht heeft de infasering van striktere temporele correlatieregels
uit te stellen. Dit is nodig om de ontwikkeling van voldoende elektrolysecapaciteit,
noodzakelijk voor de verduurzaming van de industrie en mobiliteit, kansrijker te maken.
Bovendien kan elektrolysecapaciteit de komende jaren een belangrijke rol spelen bij
de doorontwikkeling van hernieuwbare elektriciteit zolang transportschaarste op het
net een directe inzet van die elektriciteit bemoeilijkt. Tenslotte blijft wat betreft
Nederland en de andere lidstaten die het verzoek bij de Commissie hebben ingediend
de eis bestaan dat hernieuwbare waterstof 70% CO2 moet reduceren ten opzichte van het fossiele alternatief (bijvoorbeeld grijze waterstof)
die in Nederland vooral met hernieuwbare elektriciteit gerealiseerd moet worden.
Vraag 9:
De leden van de D66-fractie lezen dat de Minister het hanteren van lagere energietarieven
voor kwetsbare huishoudens niet uitvoerbaar acht. Kan de Minister nader toelichten
waarom dit volgens de Minister niet uitvoerbaar is en welke technische of beleidsmatige
knelpunten hieraan ten grondslag liggen?
Antwoord:
De energiebelasting op aardgas en elektriciteit kent een degressieve tariefsystematiek
met schijven. In die systematiek doorloopt elke verbruiker de schijven. Het is binnen
de energiebelasting niet mogelijk kwetsbare huishoudens tegemoet te komen. Voor het
identificeren van kwetsbare huishoudens is het nodig om over de inkomensgegevens van
het huishouden te beschikken. Het werken met inkomensgegevens in de energiebelasting
zou leiden tot een grote toename van complexiteit en onzekerheid. De (privacygevoelige)
inkomensgegevens zouden terecht moeten komen bij energieleveranciers. Dat is onwenselijk.
Dat vinden ook de leveranciers. Tot slot zouden huishoudens achter een blokaansluiting
niet worden bereikt met deze maatregel. Met inkomstenbelastingen en toeslagen kan
gerichter worden gestuurd op de koopkracht van specifieke groepen. Specifiek voor
huishoudens met een laag inkomen en een hoge energierekening werkt het kabinet hard
aan de opening van een Noodfonds Energie voor winter 2026. Ook heeft het kabinet in
het recent aangekondigde maatregelenpakket Acties Weerbaarheid Energieschok geld vrijgemaakt
om via verschillende instrumenten kwetsbare huishoudens te ondersteunen bij het verduurzamen
van de woning. Met deze middelen zet het kabinet in op een structurele verlaging van
de energierekening.
Vraag 10:
Daarnaast vragen deze leden hoe het kabinet kijkt naar een hervorming van de energiebelasting
waarbij de huidige degressieve tarieven worden vervangen door een meer vlak systeem,
zodat elektriciteit structureel aantrekkelijker wordt ten opzichte van fossiele energie
en grootverbruik minder sterk wordt bevoordeeld.
Antwoord:
Het kabinet ondersteunt het uitgangspunt van de Commissie om elektriciteit minder
zwaar te belasten dan aardgas in de energiebelasting. De Commissie zal naar verwachting
in juli een wetsvoorstel publiceren op netwerktarieven en energiebelastingen. Het
kabinet zal de Kamer informeren over de kabinetsinzet op deze concrete voorstellen
van de Europese Commissie via een BNC-fiche, onder meer kijkend naar de budgettaire
en beleidsmatige gevolgen. Hierbij zal het kabinet ook nader ingaan op deze vragen.
Overigens heeft Nederland bij de Commissie al aandacht gevraagd voor de samenloop
met de bestaande mogelijkheid in de Richtlijn energiebelastingen om een degressieve
tariefsystematiek te hanteren waar Nederland gebruik van maakt.
Vraag 11:
De leden van de D66-fractie begrijpen de terughoudendheid van de Minister ten aanzien
van nieuwe tijdelijke Europese fondsen, maar delen tegelijkertijd de analyse dat de
verduurzaming van zowel de Europese als de Nederlandse industrie enorme investeringen
vraagt. Welke alternatieven ziet de Minister om deze investeringen voldoende op gang
te brengen?
Antwoord:
Er is Europees reeds een breed pallet aan publieke financiering beschikbaar in het
kader van verduurzaming in de breedte, maar ook specifieke financiering in relatie
tot verduurzaming van de industrie, zoals het innovatiefonds. Op nationaal niveau
nemen verschillende lidstaten ook maatregelen om de industrie te verduurzamen, zoals
in Nederland via maatwerkafspraken. Het kabinet hecht veel waarde aan het aanjagen
van private investeringen in algemene zin, wat ook van belang zal zijn in het opschalen
van duurzame alternatieven in de industrie. De proactieve inzet van Nederland in het
kader van de Europese spaar- en investeringsunie is in deze context daarbij eveneens
van groot belang. Ook zal Nederland steeds goed kijken naar de middelen die de EU
beschikbaar stelt voor vergroening, zoals recent via het Sociaal Klimaat Fonds.
Vraag 12:
Welke rol ziet de Minister voor de nog vorm te geven Nationale Investeringsinstelling
bij het versnellen van investeringen in industriële verduurzaming, elektrificatie,
waterstof en hoogwaardige klimaattechnologie in Nederland?
Antwoord:
Het kabinet heeft in het coalitieakkoord aangekondigd een nationale investeringsinstelling
(NII) op te richten. Deze instelling is bedoeld om de Nederlandse kapitaalmarkt te
versterken en het verdienvermogen op lange termijn te vergroten. In het algemeen geldt
dat investeringen die tot publieke taken worden gerekend via de Rijksbegroting lopen.
De instelling is er om financiering te verstrekken aan projecten en bedrijven die
deze financiering niet zelfstandig kunnen ophalen. Zo moet de op te richten investeringsinstelling
zorgen voor meer durfkapitaal voor start- en scale-ups, om de innovatiekracht van
de Nederlandse economie te versterken. Dit is van groot belang voor de energietransitie.
De verdere uitwerking van de NII vindt plaats binnen de ministeriële Taskforce Toekomstige
Welvaart en Vestigingsklimaat.
VVD
Vraag 13:
Deze leden lezen in het voorstel van de Europese Commissie dat er acties moeten komen
om de militaire brandstofinfrastructuur te versterken. Welke invloed zouden deze acties
kunnen hebben voor de Nederlandse raffinaderijen? Is de Minister bereid samen met
hen te kijken op welke manier het versterken van de Nederlandse productiecapaciteit
kan bijdragen aan het oplossen van dit Europees probleem?
Antwoord:
De Europese Commissie kondigt gecoördineerde acties aan om de militaire brandstofinfrastructuur
te versterken, gericht op het importeren, verwerken, opslaan en distribueren van kerosinestromen.
Het kabinet heeft hierbij nadrukkelijk aandacht gevraagd om afstemming met de NAVO,
gezien het bestaande Central Europe Pipeline System (CEPS)-netwerk en de gemaakte
afspraken binnen de NAVO over opslag en strategische voorraden. Het kabinet is van
mening dat het opportuun is voor de Commissie om direct met de NAVO af te stemmen
welke aanvullende rol de EU kan spelen, zonder dat parallelle structuren worden opgetuigd
die overlappen met bestaande NAVO-voorzieningen. Nederland heeft een belangrijke raffinage-
en doorvoerfunctie binnen Europa en vanuit Host Nation Support ook in NAVO-verband. De Nederlandse raffinaderijen zijn daarmee relevant in de bredere
Europese context van leveringszekerheid voor zowel civiele als militaire doeleinden.
Het kabinet is bereid om, in samenwerking met de sector, de mogelijkheden te verkennen
hoe de Nederlandse productiecapaciteit verder kan bijdragen aan de bredere Europese
weerbaarheid op dit terrein, waarbij ook de samenhang met NAVO-structuren en de civiele
leveringszekerheid geborgd blijft.
Vraag 14:
De leden van de VVD-fractie lezen tevens dat het kabinet de Europese Commissie steunt
om de olieraffinagecapaciteit te optimaliseren. Is de Minister bereid in kaart te
brengen welke nationale koppen zorgen voor een slechtere concurrentiepositie van Nederlandse
raffinaderijen binnen de Europese Unie?
Antwoord:
Het kabinet steunt het voornemen van de Europese Commissie om de Europese raffinagecapaciteit
te optimaliseren, met oog voor efficiëntie, concurrentievermogen en de bioraffinagecapaciteit.
In dat kader zal het kabinet ook bezien of nationale koppen een nadelige invloed hebben
op de concurrentiepositie van Nederlandse raffinaderijen ten opzichte van raffinaderijen
in andere EU-lidstaten. Het kabinet is voortdurend in gesprek met de sector en vormt
zich daarbij een beeld van de concurrentiepositie van Nederlandse raffinaderijen.
Vraag 15:
De leden van de VVD-fractie lezen daarnaast dat de Europese Commissie maatregelen
voorbereidt die zijn toegespitst op de energie-intensieve industrie. Deze leden ontvangen
signalen met name uit de Chemische sector dat deze industrie het momenteel erg zwaar
heeft door Chinese concurrentie. Op welke manier wil de Minister zich in Europees
verband inzetten om ervoor te zorgen dat deze concurrentiepositie van Nederlandse
bedrijven ten opzichte van dumping uit China wordt verbeterd? Zijn er voor de Minister
specifieke maatregelen denkbaar binnen dit voorstel van de Europese Commissie om de
hoge kostenstijging van productie binnen de Chemische industrie op te vangen?
Antwoord:
Hoewel maatregelen als het versterken van Europese coördinatie op olie en gas de (chemie)industrie
ten algemene ten goede komen in de toelevering van energie en grondstoffen, ziet het
kabinet in dit pakket weinig maatregelen die de chemische sector directe ondersteuning
bieden. AccelerateEU is opgesteld in reactie op de situatie in het Midden-Oosten, waar de Europese chemie-industrie
(tot nu toe) weinig direct nadeel van ondervindt. Productie en afzet zijn zelfs licht
gestegen, wegens verstoringen in toeleverketens vanuit Azië. Dit effect is uiteraard
slechts incidenteel, en geen structurele verbetering van de concurrentiepositie waarop
investeringen kunnen worden gebaseerd. Het kabinet erkent echter de geschetste situatie
voor de Europese chemie in algemene zin, en tracht hier via andere (Europese) initiatieven
tegenwicht tegen te bieden. Dit reikt van compensatiemaatregelen als de Indirecte
kostencompensatie (IKC) tot structurele marktmaatregelen als vraagcreatie voor groene
chemische producten. Ook specifiek in het handelsdomein worden op dit moment maatregelen
uitgedacht, o.a. in de Europese Critical Chemical Alliance. Nederland heeft daarnaast recent, o.a. omwille van de situatie in de chemiesector,
een paper gesteund waarin wordt gepleit om de handelsdefensieve instrumentaria van
de EU te verbeteren.
Vraag 16:
De leden van de VVD-fractie lezen ten aanzien van het EU Grids Package dat de Europese
Commissie voorstelt de onderhandelingen te versnellen en bestaande regels en initiatieven
voortvarend te implementeren. Deze leden juichen dit ten zeerste toe. Voor welke maatregelen
binnen de EU Grids package ziet de Minister mogelijkheden om deze alvast voor te bereiden
zodat de implementatie snel kan worden voltooid mocht er een onderhandelingsresultaat
worden bereikt? Zij vragen hierbij met name aandacht voor de maatregelen die de vergunningsverlening
van energie infrastructuurprojecten moet versnellen.
Antwoord:
Het kabinet is voornemens om de maatregelen in het Grids Package die vergunningverlening
versnellen zo snel mogelijk te implementeren. Het kabinet richt zich hierbij met name
op de voorbereiding van de implementatie van de verduidelijkende regels rondom stikstof
voor elektriciteitsinfrastructuur. Aangezien de onderhandelingen op dit moment nog
plaatsvinden binnen de Raad en het Europees parlement is het lastig om vast te stellen
wat er exact nodig is om maatregelen uit het EU Grids Package om te zetten in nationale
wetgeving. Zodra er een scherper beeld is van de benodigde implementatiewetgeving,
mede op basis van de Algemene Oriëntatie, zal de Kamer conform de motie-Klos geïnformeerd
worden (Kamerstuk 29 023, nr. 619).
Vraag 17:
Tevens heeft de Europese Commissie in het Grids Package een stikstofuitzondering voorgesteld
voor de aanleg van elektriciteitsnetten.
Deze leden vragen de Minister of zij zich wil inzetten om deze uitzondering breder
in te zetten naar andere vormen van energie infrastructuur. Hoe ziet de Minister daarbij
de samenhang tussen het Grids Package, de Industrial Accelerator Act en de Envoironmental
Omnibus. Biedt de Environmental Omnibus aanvullende ruimte om milieubeoordelingen
voor industriële decarbonisatieprojecten, zoals CCS-infrastructuur, te
versnellen?
Antwoord:
Het kabinet zet zich op Europees niveau in voor uitbreiding van deze verduidelijkende
stikstofregels om ze ook van toepassing te laten zijn voor waterstofinfrastructuur.
De Commissie heeft verschillende voorstellen gedaan om regels rondom vergunningverlening
te versimpelen en het concurrentievermogen van de EU te vergroten. Het Grids Package,
de Industrial Accelerator Act en de milieu-omnibus zijn hier voorbeelden van. Het
Grids Package richt zich hierbij voornamelijk op duurzame energie-infrastructuur en
hernieuwbare energieprojecten. De Industrial Accelerator Act ziet toe op verduurzaming
van de industrie. De milieu-omnibus richt zich onder meer op het versnellen en versimpelen
van de milieueffecten rapportage (mer); ook industriële projecten én hernieuwbare
energieprojecten kunnen hiervan profiteren in de toekomst.
Vraag 18:
De leden van de VVD-fractie lezen dat Europa voor 23% afhankelijk is van de import
van kerosine, en juist die importstromen zijn vrijwel volledig gestaakt. Tegelijkertijd
blijven duurzamere alternatieven op korte termijn uit. Op welke manier gaat de Minister
zich in Europees verband inzetten om te kijken hoe deze strategische onafhankelijkheid
kan worden afgebouwd? Deelt de Minister de mening dat een verdere vermindering van
raffinagecapaciteit in Europa zorgt voor meer afhankelijkheid op de lange termijn?
Antwoord:
Het kabinet deelt de analyse dat een ongecontroleerde verdere afname van Europese
raffinagecapaciteit, voordat er voldoende opbouw van hernieuwbare brandstofproductie
heeft plaatsgevonden, strategische afhankelijkheden vergroot. Het is daarom van belang
dat bij beslissingen over de toekomst van raffinagecapaciteit ook leveringszekerheidsvraagstukken
en weerbaarheid van Europa worden meegewogen. Het kabinet steunt de Europese coördinatie
van de vrijgave van strategische voorraden en de optimalisatie van de verdeling van
kerosine binnen Europa, zoals ook uiteengezet in de brief aan de Kamer over AccelerateEU. Op de korte- en middellange termijn zet het kabinet in op het versnellen van de
opschaling van duurzame alternatieven, waaronder bioSAF en e-SAF. In tegenstelling
tot fossiele kerosine beschikt SAF over een gediversifieerde grondstoffenbasis, wat
leidt tot minder kwetsbare afhankelijkheden. SAF-productie in Nederland en Europa
kan de energiezekerheid en daarmee de economische en militaire weerbaarheid vergroten.
Nederland is kennispartner binnen de e-SAF Early Movers Coalition en onderzoekt mogelijkheden om de opschaling van e-SAF in de EU verder te ondersteunen.
Parallel steunt het kabinet de diversificatie van aanvoerroutes en leveranciers, ook
via de versterkte gecoördineerde outreach van de EU richting olie- en gasproducerende partnerlanden.
CDA
Vraag 19:
De leden van de CDA-fractie lezen dat de Europese Commissie de beschikbare olie- en
raffinagecapaciteit nader in kaart wil brengen en aanvullende maatregelen wil identificeren
om deze capaciteit op Europees niveau te optimaliseren. Deze leden vragen de Minister
op welke wijze zij in de Nederlandse context aandacht zal besteden aan het belang
van voldoende raffinagecapaciteit en welke rol Nederland daarin voor zichzelf ziet
weggelegd. Daarbij vragen zij specifiek welk belang de Minister hecht aan voldoende
raffinagecapaciteit in relatie tot de leveringszekerheid van brandstoffen en de militaire
gereedheid van Nederland en Europa.
Antwoord:
Zie antwoord op vraag 13.
Vraag 20:
Tevens vernemen deze leden graag hoe de Minister zich er in Europees verband voor
zal inzetten dat de productie van biobrandstoffen binnen de Europese Unie wordt versterkt,
zodat de afhankelijkheid van import van buiten de EU wordt verminderd en de strategische
autonomie van de Unie wordt vergroot.
Antwoord:
Het kabinet onderschrijft het belang van opschaling van de Europese productie van
duurzame brandstoffen, waaronder biobrandstoffen, als onderdeel van de bredere strategie
om de importafhankelijkheid te verminderen en weerbaarheid te vergroten. De huidige
crisis illustreert opnieuw de kwetsbaarheid die voortvloeit uit de afhankelijkheid
van geïmporteerde fossiele brandstoffen en maakt de urgentie van eigen productiecapaciteit
van duurzame alternatieven duidelijk. Het kabinet zet in op ambitieuze vraagcreatie
middels Europese bijmeng- en CO2-reductiedoelen voor transportbrandstoffen en groene waterstof. Het kabinet hecht
daarnaast in Europees verband groot belang aan duurzaamheid van biogrondstoffen. Nederland
houdt wel in de gaten hoe de optelsom van de vraag naar biomassa past binnen de redelijkerwijs
beschikbare hoeveelheid biomassa in Nederland en Europa, en zet zich in voor het versterken
van de duurzame productie ervan.
Vraag 21:
De leden van de CDA-fractie merken op dat de Europese Commissie een catalogus heeft
gepresenteerd met maatregelen gericht op energiebesparing, het stimuleren van eigen
energieproductie en het vergroten van de efficiëntie van het energiesysteem. Zij vragen
de Minister te reageren op de maatregelen uit deze catalogus en aan te geven welke
voorstellen de Minister steunt en op welke wijze deze in de Nederlandse context kunnen
worden toegepast.
Antwoord:
Zie beantwoording vraag 4.
Vraag 22:
De leden van de CDA-fractie constateren dat de Europese Commissie tevens werkt aan
gerichte aanpassing van de criteria voor hernieuwbare waterstof en een consultatie
over de regels voor waterstof geproduceerd met kernenergie. Deze ontwikkelingen kunnen
van grote invloed zijn op de toekomstige ontwikkeling van de Europese en Nederlandse
waterstofmarkt. Deze leden vragen de Minister wat haar verwachtingen zijn ten aanzien
van deze aanpassingen en op welke wijze Nederland zich zal inzetten in de verdere
Europese besluitvorming hierover?
Antwoord:
Hierop heb ik antwoord gegeven bij de beantwoording van de vragen van lid Oosterhout
over de Nederlandse inzet ten aanzien van aanpassingen in de Gedelegeerde Handeling
waarin de eisen om waterstof als hernieuwbaar te kwalificeren zijn vastgelegd.6 Nederland verwacht op korte termijn voorstellen van de Europese Commissie over (aangepaste)
productieregels voor waterstof en zet in de besluitvorming daarover specifiek in op
regels die bijdragen aan de versnelde opschaling van elektrolysecapaciteit die onmisbaar
is voor de verduurzaming van de industrie- en mobiliteitssector.
Vraag 23:
De leden van de CDA-fractie zijn tevreden met het feit dat de Minister het belang
van de opschaling van biomethaan en de kansen die dit voor de landbouwsector biedt
onderstreept. Deze leden onderschrijven het belang van versnelde vergunningverlening
voor de ruimtelijke inpassing van projecten. Zij vragen de Minister welke concrete
acties zij neemt om bestaande knelpunten voor de productie, infrastructuur en vergunningverlening
van groen gas weg te nemen en verdere opschaling mogelijk te maken.
Antwoord:
Het kabinet stimuleert de opschaling van groen gas via het programma groen gas. Het
programma richt zich op het wegnemen van knelpunten die de opschaling van groen gas
belemmeren. Zo werkt het kabinet aan het verbeteren van de businesscase en financiering
van groen gas projecten via de SDE++, de bijmengverplichting groen gas (die ik 20 mei
naar uw Kamer heb gestuurd)7 de DEI+ en STUDI (beide gericht op vergassing). Daarnaast faciliteert het kabinet
snellere vergunningverlening via handreikingen, brochures en een expertisecentrum
bij RVO. Overigens is de grootste belemmering voor de vergunningverlening van groen
gas installaties het gebrek aan stikstofruimte, waar de ministeriële Taskforce Landbouw,
Natuur en Stikstof op dit moment aan werkt.
Het Ministerie van EZK trekt het programma groen gas, maar werkt hierbij actief samen
met het Ministerie van LVVN. EZK en LVVN kijken zo hoe vergisting zo optimaal mogelijk
kan bijdragen aan de opgaves in de landbouw. Een voorbeeld is de combinatie van snelle
afvoer van mest (dagontmesting), vergisting en het verwerken van het digestaat.8 De combinatie hiervan kan zorgen voor ketenreductie van methaan- en ammoniakemissies
en draagt bij aan de businesscase van Renure.9 Mede daarom stuurt de bijmengverplichting groen gas op CO2-ketenemissies, omdat zo een financiële prikkel ontstaat om de mest zo vers mogelijk
te vergisten.
Ook met andere groen gas stakeholders zoals netbeheerders is het kabinet in goed contact.
Samen met hen blijft het kabinet kijken wat er nodig is om het groen gas nu en in
de toekomst in te kunnen voeden op het gasnet.
Vraag 24:
De leden van de CDA-fractie merken op dat Nederland het uitgangspunt ondersteunt om
elektriciteit fiscaal gunstiger te behandelen dan fossiele energieproducten. Tegelijkertijd
wijst de Minister er terecht op dat de Nederlandse energiebelasting degressieve tarieven
kent, waardoor de budgettaire en beleidsmatige gevolgen van een dergelijke aanpassing
aanzienlijk kunnen zijn. Deze leden vragen de Minister wanneer zij verwacht meer duidelijkheid
te kunnen geven over de concrete gevolgen van het aangekondigde wetsvoorstel voor
de Nederlandse energiebelasting en de mogelijke impact daarvan voor huishoudens en
bedrijven.
Antwoord:
Zie antwoord vraag 10.
Vraag 25:
De leden van de CDA-fractie merken op dat maatregelen ten aanzien van energiebelastingen
een aanpassing van de Richtlijn Energiebelastingen vereisen, waarvoor normaliter besluitvorming
op basis van unanimiteit geldt. Zij lezen dat echter nog onduidelijk is welke procedure
de Europese Commissie voor ogen heeft bij de verdere uitwerking van deze voorstellen.
Deze leden vragen de Minister of er inmiddels meer duidelijkheid is over de beoogde
besluitvormingsprocedure en wanneer zij hierover meer duidelijkheid verwacht te kunnen
geven aan de Kamer?
Antwoord:
De Europese Commissie heeft nog geen concrete voorstellen ingediend om de energiebelasting
aan te passen. De juridische basis van de wijze waarop de Commissie die aanpassingen
wil bewerkstelligen, is daarmee ook nog niet bekend. Na publicatie van de voorstellen
zal het kabinet deze appreciëren in het BNC-fiche dat met uw Kamer wordt gedeeld.
JA21
Vraag 26:
De leden van de JA21-fractie constateren dat de Europese Commissie de situatie in
het Midden-Oosten aangrijpt voor een breed pakket aan maatregelen op het terrein van
olie, gas, kerosine, staatssteun, elektrificatie, netwerktarieven, energiebelasting
en investeringen. Hoewel het kabinet spreekt over een mededeling en deze brief het
reguliere BNC-fiche vervangt, kondigt de Europese Commissie wel degelijk wetgevende
en niet-wetgevende maatregelen aan. Deze leden vernemen graag welke maatregelen kunnen
leiden tot nieuwe wetgeving en verzoeken de Minister voor deze maatregelen alsnog
een BNC-fiche aan de Kamer te doen toekomen.
Antwoord:
De AccelerateEU-mededeling van de Europese Commissie is een eerste reactie om lidstaten te ondersteunen
om de economische gevolgen van het conflict in het Midden-Oosten te beperken. In deze
mededeling verwijst de Commissie naar verschillende wetgevende en niet-wetgevende
maatregelen. Zo zal deze zomer het wetgevende voorstel met de herziening EU ETS, inclusief
de oprichting van de Investment Booster, worden gepubliceerd, evenals een wetgevend
voorstel over netwerktarieven en energiebelastingen en een gerichte herziening van
de productieregels van hernieuwbare waterstof. Zoals gebruikelijk stelt het kabinet
voor alle nieuwe wetgevende Commissievoorstellen het kabinet na publicatie een BNC-fiche
op, met een appreciatie van het voorstel.
Vraag 27:
De leden van de JA21-fractie zien het belang van praktische samenwerking tussen lidstaten
bij een grensoverschrijdende energiecrisis. Tegelijkertijd mag samenwerking niet betekenen
dat Nederland zeggenschap verliest over gasopslag, strategische olievoorraden, kerosine,
diesel en nationale noodmaatregelen. Wat verstaat de Minister precies onder een sterkere
coördinerende rol van de Europese Commissie bij gasopslag en olievoorraden?
Antwoord:
Onder een sterkere coördinerende rol van de Commissie verstaat het kabinet op het
gebied van gas een sterkere coördinatie binnen de Gas Coordination Group, waarbij de Commissie samen met lidstaten de timing van inkopen door marktpartijen
monitort om gelijktijdige aankopen en daarmee prijspieken te voorkomen. Het gaat hier
nadrukkelijk om afstemming en monitoring, niet om besluitvorming op Europees niveau.
Voor olie betreft de coördinatie binnen de Oil Coordination Group het uitvoeren van scenario-analyses om de timing en volumes van een eventuele vrijgave
van strategische voorraden, waaronder kerosine en diesel, per regio en EU-breed op
elkaar af te stemmen. Aanvullend worden de raffinagecapaciteit in kaart gebracht en
wordt een Fuel Observatory opgericht voor het real time volgen van vraag, aanbod en voorraden. Ook stelt de Commissie voor om de gecoördineerde
outreach namens de EU naar olie- en gasproducenten en partnerlanden te vergroten via het EU Energy and Raw Materals Platform. Ten slotte kondigt de Commissie een herziening van de richtlijn inzake olievoorraden
aan later in 2026, waarin de Commissie zal overwegen of gerichte eisen voor productvoorraden
in de toekomst passend zijn.
Vraag 28
Kan de Minister uitsluiten dat de Europese Commissie via deze crisisrespons meer zeggenschap
krijgt over nationale vuldoelen, de timing van gasinkopen of de vrijgave van strategische
voorraden? Wie beslist uiteindelijk over de inzet van Nederlandse strategische olievoorraden?
Antwoord:
De Europese Commissie zou alleen meer zeggenschap kunnen krijgen over nationale vuldoelen,
de timing van gasinkopen of de vrijgave van strategische voorraden als de bestaande
wetgeving wordt aangepast en/of aangevuld. Daarvoor is een gekwalificeerde meerderheid
van lidstaten vereist. Verder geldt bij gas dat lidstaten die beschikken over een
strategische voorraad deze alleen mogen inzetten indien zij een noodsituatie als gedefinieerd
in Verordening (EU) 2017/1938 hebben uitgeroepen. De Europese Commissie zal erop toezien
dat het uitroepen van een noodsituatie gerechtvaardigd is. Dat is tot op heden nimmer
gebeurd, ook niet tijdens de gascrisis van 2022.
Nederland neemt deel aan de door de IEA aangekondigde collectieve actie, waarbij op
dit moment voorbereidingen worden getroffen voor het vrijgeven van een gedeelte van
de strategische olievoorraden. Het kabinet houdt vast aan zijn aanpak van intensieve
monitoring van de markt, nauwe afstemming met COVA, bedrijven, IEA en EU-partners,
en inzet van strategische voorraden zodra marktontwikkelingen of leveringszekerheid
daar aanleiding toe geven. Het kabinet beslist uiteindelijk over de inzet van de Nederlandse
strategische olievoorraden. Gelet op het mondiale karakter van de oliemarkt, heeft
coördinatie op EU-niveau als meerwaarde dat Nederland de inzet kan afstemmen met buurlanden,
zodat deze het meest effectief kan worden ingezet in de regio en weglekeffecten naar
derde landen zoveel mogelijk voorkomen worden.
Vraag 29:
De leden van de JA21-fractie vragen waarom het kabinet positief staat tegenover verdere
verbetering van het Europese gezamenlijke inkoopplatform voor gas, terwijl de effectiviteit
daarvan moeilijk vast te stellen is. Hoeveel gas is aantoonbaar via dit platform ingekocht,
tegen welke prijsvoordelen en met welke effecten op de leveringszekerheid? Indien
deze gegevens ontbreken, waarom wordt dan niet eerst geëvalueerd voordat de rol van
het platform wordt uitgebreid?
Antwoord:
Zie het antwoord op vraag 2.
Informatie over de hoeveelheid aangekocht gas, de prijsvoordelen en de effecten op
de leveringszekerheid zijn niet bekend omdat het hierbij in zeer belangrijke mate
gaat om bedrijfsvertrouwelijke informatie die bedrijven niet verplicht waren te melden.
Vraag 30:
De leden van de JA21-fractie vragen verder welke scenario’s klaarliggen bij een aanhoudende
verstoring van kerosine- en dieselleveranties. Welke sectoren krijgen prioriteit bij
schaarste? Wanneer wordt de Kamer hierover geïnformeerd? Welke rol spelen Nederlandse
raffinagecapaciteit, strategische opslag en haveninfrastructuur in deze scenario’s?
Kan de Minister hierbij uitsluiten dat Nederlandse raffinagecapaciteit, opslagcapaciteit
of doorvoercapaciteit onder Europese coördinatie feitelijk wordt ingezet om tekorten
elders in de EU op te vangen, ook wanneer dit ten koste gaat van Nederlandse leveringszekerheid?
Antwoord:
Het kabinet bereidt zich binnen fase 1 van het Landelijk Crisisplan Olie (LCP-O) voor
op verschillende scenario’s, waaronder aanhoudende verstoringen van de aanvoer van
diesel en kerosine. Daarbij worden onder meer de inzet van strategische voorraden
en andere maatregelen voorbereid. Op dit moment is er geen sprake van fysieke tekorten.
Bij eventuele schaarste staat de beschikbaarheid van brandstoffen voor vitale maatschappelijke
functies, zoals hulpdiensten, defensie en essentiële logistiek, voorop. Nederlandse
raffinaderijen, strategische voorraden en haveninfrastructuur spelen daarbij een belangrijke
rol.
Hierbij moet worden opgemerkt dat de oliemarkt sterk internationaal geïntegreerd is,
waarbij wereldwijde prijsverschillen de handel naar, maar ook uit Europa stimuleren.
Gelet op het internationale karakter van de oliemarkt, is Europese coördinatie van
belang om marktverstoringen te beperken en de leveringszekerheid binnen de Europese
Unie als geheel te ondersteunen.
Vraag 31:
Ten aanzien van militaire brandstofinfrastructuur vragen deze leden waarom de Europese
Commissie hier een rol voor zichzelf ziet. Ligt dit niet primair bij de NAVO en de
lidstaten? Is de Minister bereid in EU-verband als rode lijn te hanteren dat de EU
geen parallelle defensie- of brandstofinfrastructuur moet optuigen naast bestaande
NAVO-structuren?
Antwoord:
Mocht de Europese Commissie met een voorstel komen voor het opzetten van een dergelijke
parallelle militaire infrastructuur, dan zal ik deze beschouwen samen met de betrokken
departementen. Militaire brandstofinfrastructuur is een aangelegenheid van de individuele
Europese lidstaten en de NAVO. Het uitbreiden en versterken van de bestaande NAVO
infrastructuur ligt, onder meer vanuit het oogpunt van doelmatigheid, op dit moment
meer voor de hand dan het opzetten van een volledig nieuwe parallelle Europese infrastructuur.
Vraag 32:
De leden van de JA21-fractie vinden dat huishoudens en bedrijven beschermd moeten
worden tegen onbetaalbare energie. De eerste prioriteit moet zijn: voldoende aanbod,
lagere lasten en betrouwbare energie. Deze leden zien echter dat de Europese Commissie
ook hier stuurt op energiebesparing, hernieuwbare energie en EU-richtsnoeren voor
nationale maatregelen. Kan de Minister aangeven welke nationale beleidsruimte Nederland
behoudt bij steun aan huishoudens en bedrijven? Hoe voorkomt de Minister dat ogenschijnlijk
vrijblijvende Europese richtsnoeren, catalogi en «best practices» op termijn gaan
functioneren als «soft law» waaraan nationale noodmaatregelen feitelijk worden getoetst?
Antwoord:
Europese richtsnoeren en catalogi met best practices hebben geen juridisch bindende status en bieden lidstaten juist ruimte en flexibiliteit
bij nationale beleidskeuzes. Ze geven handelingsopties aan lidstaten voor het nemen
van maatregelen die juist bij kunnen dragen aan het verlagen van de energierekening
voor kwetsbare huishoudens en bedrijven. Het kabinet ziet deze instrumenten als een
nuttige ondersteuning om snel en effectief nationale maatregelen vorm te geven die
huishoudens en bedrijven ondersteunen, als het landelijk crisisplan olie (LCP-O) daarom
vraagt. De nationale situatie blijft dus leidend voor het nemen van effectieve maatregelen,
waarbij de nationale beleidsruimte voor steun aan huishoudens en bedrijven behouden
blijft.
Vraag 33:
Het kabinet stelde in de consultatiereactie dat een tijdelijk crisiskader voor staatssteun
in algemene zin nu nog niet noodzakelijk is. Kan de Minister aangeven of dat nog steeds
de Nederlandse positie is, voor welke sectoren Nederland wel gerichte aanpassingen
wil en welke budgettaire plafonds en einddata daarbij worden gehanteerd?
Antwoord:
De kabinetspositie is dat op dit moment een tijdelijk crisiskader niet noodzakelijk
is. Zoals in reactie op vraag 6 is aangegeven, blijft het kabinet zich wel inzetten
voor gerichte duurzame aanpassingen van de reguliere staatssteunkaders, rekening houdend
met een mogelijk verstorend effect op de interne markt.
Vraag 34:
De leden van de JA21-fractie vragen verder of het kabinet zich verzet tegen een EU-brede
overwinstbelasting op olie- en gasbedrijven indien die investeringen schaadt. Kan
de Minister uitsluiten dat een dergelijke belasting zonder Nederlandse instemming
wordt ingevoerd?
Antwoord:
Het kabinet blijft de komende periode monitoren of er daadwerkelijk overwinsten van
olie- en gasbedrijven ontstaan. Nederland verzet zich niet tegen een EU-brede overwinst
belasting mocht er sprake zijn van overwinsten van olie- en gasbedrijven en wil een
dergelijke belasting niet bij voorbaat uitsluiten. Uw Kamer heeft een motie aangenomen
waarin het kabinet wordt verzocht in Europa actief te pleiten voor een aanpak van
eventuele overwinsten bij energiebedrijven en het juridisch mogelijk maken van een
heffing daarop, en zich aan te sluiten bij de EU-lidstaten die hiervoor pleiten.
Vraag 35:
De leden van de JA21-fractie zijn niet tegen verduurzaming wanneer deze betaalbaar,
betrouwbaar en uitvoerbaar is. Zij waarschuwen echter voor een eenzijdige nadruk op
elektrificatie, terwijl Nederland kampt met ernstige netcongestie. Leveringszekerheid
vraagt om technologieneutraliteit, niet om een Brusselse voorkeursroute. Deze leden
vragen of de Minister kan uitsluiten dat een Europese elektrificatiedoelstelling leidt
tot bindende nationale verplichtingen, hogere lasten of extra regeldruk. Zal Nederland
zich verzetten tegen bindende doelen zolang de netcapaciteit tekortschiet?
Antwoord:
Elektrificatie is in veel sectoren de meest kosteneffectieve verduurzamingsroute en
komt nog onvoldoende op gang. Een mogelijk Europees doel voor elektrificatie geeft
een duidelijke signaalwerking voor langetermijninvesteringen en biedt de Commissie
een opdracht tot ontwikkeling van een passend Europees instrumentarium. Tegelijkertijd
is het belangrijk om rekening te houden met de bestaande knelpunten voor elektrificatie,
zoals netcongestie en lange doorlooptijden voor uitbreiding van elektriciteitsinfrastructuur.
Op dit moment is het Actieplan Elektrificatie van de Europese Commissie nog niet gepubliceerd
en kan het kabinet niet vooruitlopen op de inhoud en mogelijke gevolgen van een dergelijk
voorstel. Na publicatie van het Actieplan zal het kabinet uw Kamer informeren over
de kabinetsinzet op dit actieplan, mocht het Actieplan nieuwe wetgeving bevatten.
Vraag 36
Wat betekent versnelde elektrificatie concreet voor huishoudens en bedrijven die voorlopig
niet kunnen elektrificeren? Loopt Nederland hiermee niet het risico dat delen van
de industrie verder uit Nederland en Europa verdwijnen?
Antwoord:
Door de beperkingen op het stroomnet kunnen bedrijven die een nieuwe of zwaardere
aansluiting aanvragen deze niet altijd direct krijgen en komen zij in veel gevallen
op de wachtrij tot ruimte beschikbaar komt. Om dit tegen te gaan zet het kabinet in
op netuitbreiding, maar ook op flexibel netgebruik. Afhankelijk van de locatie kan
netuitbreiding enkele tot tien jaar duren. Het is daarom van belang dat bedrijven
die elektrificeren flexibel zijn, bijvoorbeeld door op de piekmomenten minder transportvermogen
te vragen. Dit kan door aanpassing van productieprocessen, of door oplossingen achter
de meter, zoals het plaatsen van een batterij of het laden van elektrische voertuigen
in de daluren. Om flexibel elektriciteitsverbruik in de industrie beter te ontsluiten,
is sturing op een flexibelere elektriciteitsvraag cruciaal. Dit kan via passende flexibiliteitsvergoedingen,
waarbij afnemers worden beloond voor het verminderen of verschuiven van elektriciteitsverbruik
tijdens piekuren, of via alternatieve contractvormen met tijdsduur- of tijdsblokgebonden
tarieven. Daarnaast is ondersteunend instrumentarium, zoals de Flex-e regeling, van
belang om bedrijven daadwerkelijk in staat te stellen hun elektriciteitsverbruik te
flexibiliseren. Vaak kan er dan nog wel veel binnen de huidige beperkingen van het
transportnetwerk.
Of bedrijven vertrekken uit Nederland, of zelfs Europa, is van meer factoren afhankelijk
dan enkel de beschikbare transportcapaciteit. Hierbij moet ook rekening worden gehouden
met de totale energiekosten, die tussen landen sterk kunnen verschillen. Zo liggen
de elektriciteitskosten in Nederland voor de energie-intensieve industrie hoger dan
in omringende landen. Het kabinet acht dit onwenselijk en zet sterk in op het verbeteren
van het gelijke speelveld. In dit licht wordt op dit moment de IKC opnieuw opengesteld
en wordt invulling gegeven aan de envelop voor tegemoetkoming in de elektriciteitskosten
voor bedrijven, zoals opgenomen in het coalitieakkoord.
Vraag 37
De leden van de JA21-fractie vragen wat het wegnemen van barrières voor elektrificatietechnieken
concreet zal betekenen voor de uitbreiding van het elektriciteitsnet en kernenergie.
Antwoord:
Het wegnemen van barrières voor elektrificatietechnieken kan leiden tot verdere verduurzaming
en een toename van elektrificatie in de industrie. Dit zal naar verwachting leiden
tot een grotere vraag naar CO₂-vrije elektriciteit, waaronder kernenergie, en daarmee
ook de noodzaak tot uitbreiding van het elektriciteitsnet vergroten.
Vraag 38:
De leden van de JA21-fractie vragen wat het concreet betekent dat elektriciteit lager
belast zou moeten worden dan gas. Worden huishoudens die voorlopig afhankelijk blijven
van gas hierdoor zwaarder belast? Wie betaalt de budgettaire derving als de elektriciteitsbelasting
wordt verlaagd? Kan de Minister uitsluiten dat middeninkomens, mkb’ers en huishoudens
zonder reële overstapmogelijkheid opnieuw de rekening betalen? Kan de Minister bevestigen
dat aanpassing van de Richtlijn Energiebelastingen unanimiteit vereist? Kan de Minister
uitsluiten dat Nederland instemt met of zich neerlegt bij een procedure waarmee nationale
fiscale bevoegdheden op het terrein van energiebelasting via de achterdeur naar Europees
niveau worden verschoven?
Antwoord:
Zie antwoorden vraag 10 en 25.
Vraag 39:
De leden van de JA21-fractie vragen wat concreet het versnellen van het Grids Package
betekent. Voor welke opties binnen het Grids Package gaat dit kabinet pleiten? En
welke gevolgen heeft dit voor TenneT, regionale netbeheerders, Autoriteit Consument
& Markt (ACM) en Nederlandse vergunningprocedures?
Antwoord:
Het versnellen van de onderhandeling van het Grids Package betekent dat er eerder
gebruik kan worden gemaakt van de potentieel meerwaarde van het pakket. Voor vergunningprocedures
van energieprojecten zal dat betekenen dat ze versneld en versimpeld worden. Voor
elektriciteitsinfrastructuur en waterstofinfrastructuur projecten van netbeheerders
(waaronder TenneT) geldt deze versnelling des te meer. Zo worden in het voorstel van
het pakket verduidelijkende regels geïntroduceerd omtrent stikstof, waardoor netbeheerders
geen stikstoftoets meer hoeven te doen. Op deze optie omtrent stikstof zet het kabinet
ook expliciet op in.
Vraag 40:
De leden van de JA21-fractie constateren dat de Europese Commissie spreekt over zeer
omvangrijke investeringsbehoeften en inzet op EU-middelen, private financiering, ETS
opbrengsten en een Investment Booster. Deze leden zijn kritisch op elke constructie
waarbij Nederland via EU-fondsen, ETS-rechten of herallocatie van middelen financieel
wordt benadeeld. Kan de Minister aangeven welk deel van de door de Europese Commissie
geraamde investeringsopgave van circa 660 miljard euro per jaar naar verwachting op
Nederland neerkomt, welk deel publiek en privaat moet worden gefinancierd en welke
aannames daarbij worden gehanteerd?
Antwoord:
De investeringsopgave is niet één op één te vertalen naar een uitsplitsing naar afzonderlijke
lidstaten. Het kabinet is van mening dat deze investeringsopgave niet alleen belangrijk
is om een schoner energiesysteem te realiseren, maar ook een kans is om onze energie-onafhankelijkheid
te versterken, eigen schone energietechnologieën verder ontwikkelen en het EU-concurrentievermogen
te vergroten. Daarbij komt dat de Commissie benadrukt dat publieke middelen deze opgave
niet alleen kunnen dekken en het daarom van belang is om in te zetten op opschaling
van private financiering. Zo beheren institutionele beleggers, zoals verzekeraars
en pensioenfondsen, binnen de EU ruim 12 biljoen euro en zij worden via de in maart
2026 gepubliceerde Clean Energy Investment Strategy gestimuleerd om in de energiesector te investeren.
Vraag 41:
Kan de Minister garanderen dat AccelerateEU niet leidt tot hogere Nederlandse EU-afdrachten,
nieuwe gezamenlijke schulden, nieuwe EU-fondsen of afroming van Nederlandse ETS-inkomsten?
Waar komen de aangekondigde 400 miljoen emissierechten voor de Investment Booster
vandaan, wat is de marktwaarde daarvan en wat zijn de gevolgen voor Nederland?
Antwoord:
De mededeling AccelerateEU bestaat uit verschillende onderdelen. De Investment Booster zal onderdeel zijn van
de herziening van de ETS Richtlijn, waarvan het voorstel van de Commissie wordt verwacht
in juli. De voorgestelde herkomst van de 400 miljoen emissierechten zal bij publicatie
van het voorstel bekend worden. Het kabinet is kritisch over de oprichting van tijdelijke
nieuwe fondsen zoals de Investment Booster. De gevolgen voor de Nederlandse begroting
zijn afhankelijk van de herkomst die de Commissie zal voorstellen. Afhankelijk van
de herkomst van de emissierechten en vanwege de focus op lidstaten met lager inkomen
heeft het fonds mogelijk negatieve financiële consequenties voor Nederland. Uitgaande
van de huidige veilingprijs van ca. € 80 per emissierecht is de geschatte marktwaarde
€ 32 mld. Op moment van schrijven is niet bekend wat het voorstel is voor de financiering
van de Industrial Decarbonisation Bank en dus is het effect op de ETS-inkomsten voor
de Rijksbegroting en Nederlandse bedrijven onbekend.
Vraag 42:
De leden van de JA21-fractie vragen of de Minister bereid is zich te verzetten tegen
nieuwe tijdelijke of permanente EU-fondsen die onder het mom van crisisrespons worden
opgericht.
Antwoord
Zoals ook is aangegeven in de recente update van de kabinetspositie over het volgende
Meerjarig Financieel Kader is het kabinet tegen het voorstel van de Commissie voor
een nieuw leeninstrument in het kader van het voorgestelde crisismechanisme. Er zijn
verder geen andere voorstellen in deze richting.
Vraag 43:
Kan de Minister als rode lijn hanteren dat Nederlandse ETS-opbrengsten primair beschikbaar
moeten blijven voor Nederlandse lastenverlichting, energie-infrastructuur en concurrentiekracht?
Antwoord:
Alle lidstaten zijn, op basis van de ETS-richtlijn, verplicht om de ETS-veilinginkomsten,
of een financieel equivalent daarvan, te besteden aan klimaatbeleid. Het kabinet voldoet
aan deze verplichting en zal zich in de EU blijven inzetten voor het hanteren hiervan.
Vraag 44:
De leden van de JA21-fractie vinden het te beperkt om te stellen dat de mededeling
geen directe financiële gevolgen heeft. De aangekondigde vervolgstappen kunnen wel
degelijk grote indirecte en structurele kosten veroorzaken. Kan de Minister per vervolgvoorstel
aangeven welke financiële risico’s bestaan? Kan de Minister toezeggen dat Nederland
geen politieke steun geeft aan voorstellen waarvan de financiële gevolgen nog niet
volledig in kaart zijn gebracht?
Antwoord:
In de mededeling worden een groot aantal voorstellen aangekondigd. Aan de voorkant
is niet vast te stellen wat de financiële gevolgen hiervan kunnen zijn, mede doordat
deze voorstellen vaak nog beperkt uitgewerkt zijn. Een financieel risico, tevens uiteengezet
in de kabinetsappreciaties van AccelerateEU, is in relatie tot de Industrial Decarbonisation Bank, wat afhankelijk van de herkomst
van de emissierechten mogelijk negatieve gevolgen kan hebben voor de Nederlandse begroting.
Ook hiervoor geldt echter dat of er financiële gevolgen zijn, en zo ja hoe groot,
afhangt van de inhoud van het daadwerkelijke Commissievoorstel. Wetgevende voorstellen
zullen separaat middels een BNC-fiche, waarin ook een sectie ook de financiële gevolgen
is opgenomen, geapprecieerd worden en met uw Kamer gedeeld worden.
Vraag 45:
De leden van de JA21-fractie vragen hoe de Minister voorkomt dat Europa fossiele afhankelijkheid
vervangt door nieuwe afhankelijkheden van derde landen voor kritieke grondstoffen,
batterijen, zonnepanelen, windturbines, elektrolysers en andere technologie. Leveringszekerheid
betekent niet alleen minder olie- en gasimport, maar ook minder strategische kwetsbaarheid
elders in de keten. Kan de Minister toezeggen dat Nederland geen voorstellen steunt
die de Nederlandse energiezekerheid verzwakken of nationale zeggenschap onnodig naar
Brussel verschuiven?
Antwoord:
Het kabinet deelt het belang van leveringszekerheid en het vergroten van de strategische
autonomie. Met het AccelerateEU-voorstel van de Commissie en de inzet om de transitie naar schone energie te versnellen,
wordt de energie-onafhankelijkheid vergroot. Naast het verminderen van fossiele afhankelijkheden
is het voor de leveringszekerheid van energie van belang om kwetsbaarheden elders
in de keten te verminderen. Nederland steunt daarom ook de inzet van de Commissie
om risicovolle strategische afhankelijkheden te mitigeren, onder meer via voorstellen
als het RESourceEU actieplan, de Critical Raw Materials Act en de Industrial Accelerator Act, die diversificatie, eigen productie en recycling van grondstoffen bevorderen. Over
de inzet van het kabinet ten aanzien van deze voorstellen, is de Kamer reeds geïnformeerd.
Vraag 46:
De leden van de JA21-fractie blijven zich ook zorgen maken om de concurrentiekracht.
Kan de Minister kwantificeren wat de verwachte gevolgen van de voorgestelde maatregelen
zijn voor de concurrentiepositie van de Nederlandse energie-intensieve industrie ten
opzichte van andere EU-lidstaten, de Verenigde Staten en China?
Antwoord:
Het kabinet onderschrijft het belang van een sterke concurrentiepositie voor de Nederlandse
energie-intensieve industrie. De voorgestelde maatregelen in AccelerateEU zijn echter primair gericht op het versterken van de energiezekerheid en het versnellen
van de energietransitie. Het versterken van de concurrentiepositie van de industrie
vormt, anders dan het opvangen van acute schokken, geen hoofddoel van de mededeling.
Om die reden zijn de gevolgen van de voorgestelde maatregelen voor de concurrentiepositie
van de Nederlandse energie-intensieve industrie ten opzichte van andere EU-lidstaten,
de Verenigde Staten en China niet afzonderlijk te kwantificeren. Het kabinet verwacht
evenmin dat de maatregelen op zichzelf een wezenlijke verandering in de internationale
concurrentieverhoudingen teweeg zullen brengen. Wel kunnen zij bijdragen aan het investeringsklimaat
binnen de Europese Unie, dat de industrie ten algemene ten goede komt.
Voor het structureel versterken van de concurrentiekracht van de energie-intensieve
industrie zijn aanvullende maatregelen nodig, bijvoorbeeld op het gebied van vraagcreatie.
Het kabinet blijft zich hiervoor inzetten.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
J.M. Zwinkels, voorzitter van de vaste commissie voor Klimaat en Groene Groei -
Mede ondertekenaar
C.M. Teske, adjunct-griffier