Inbreng verslag schriftelijk overleg : Inbreng verslag van een schriftelijk overleg over de beleidsbrief 2026-2030 van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (Kamerstuk 36800-VIII-148)
2026D29193 INBRENG VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
Binnen de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap hebben enkele fracties
de behoefte om vragen en opmerkingen voor te leggen over de brief van de Minister
en Staatssecretaris d.d. 24 april 2026 inzake de Beleidsbrief 2026–2030 van het Ministerie
van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (Kamerstuk 36 800 VIII, nr. 148).
De voorzitter van de commissie,
Koorevaar
Adjunct-griffier van de commissie,
Van Thiel
Inhoud
I
Vragen en opmerkingen uit de fracties
•
Inbreng van de leden van de D66-fractie
•
Inbreng van de leden van de PRO-fractie
•
Inbreng van de leden van de CDA-fractie
•
Inbreng van de leden van de JA21-fractie
•
Inbreng van de leden van de DENK-fractie
•
Inbreng van de leden van de SGP-fractie
•
Inbreng van de leden van de PvdD-fractie
•
Inbreng van de leden van de ChristenUnie-fractie
•
Inbreng van de leden van de SP-fractie
•
Inbreng van de leden van de Groep Markuszower
II
Reactie van de Minister en Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
I Vragen en opmerkingen uit de fracties
Inbreng van de leden van de D66-fractie
De leden van de D66-fractie zijn verheugd te lezen dat er weer serieus en structureel
geïnvesteerd wordt in het onderwijs en de drastische bezuinigingen teruggedraaid worden.
Tegelijkertijd maken deze leden zich zorgen over de schade die dit afgelopen jaren
veroorzaakt heeft en de gevolgen die voornamelijk jongeren maar ook de maatschappij
en onze economie daarvan te verduren hebben. De leden van de D66-fractie constateren
dat Kabinet Jetten net iets meer dan honderd dagen geleden geïnstalleerd is en dat
daarmee geduld opgebracht moet worden voor de uitwerking van het regeerakkoord. Tegelijkertijd
vinden deze leden dat we aan de slag moeten en dat deze brief van de Minister en Staatssecretaris
deze houding al goed laat zien.
De leden van de D66-fractie hebben een aantal overkoepelende vragen met betrekking
tot de brief en de vaststelling van de begrotingsstaten. Kan het kabinet aangeven
hoe zij de investeringen in onderwijs, cultuur en wetenschap ziet in relatie tot de
economie, kansengelijkheid en democratische weerbaarheid? Zijn er kerncijfers of rekenmodellen
die investeringen in onderwijs, cultuur en wetenschap vertalen naar maatschappelijke,
economische ontwikkelingen? Wat zouden de effecten van de structurele investeringen
genoemd in deze brief zijn voor Nederland op korte en langere termijn? Er wordt in
de brief beleidsbreed gesproken over vereenvoudiging van wet- en regelgeving, kan
het kabinet aangeven op welke manier zij dit zou willen bewerkstelligen?
Met betrekking tot basisvaardigheden en de kwaliteit van funderend onderwijs hebben
de leden van de D66-fractie een aantal vragen. Het is goed te zien dat we investeren
in de basisvaardigheden, zoals bijvoorbeeld die betreffende lezen. Welke effecten
verwacht het kabinet van werken met structurele bekostiging van de Subsidie Basisvaardigheden
in relatie tot het verbeteren van deze vaardigheden en hoe kunnen we sturen op verschillen
tussen scholen als het gaat om het verbeteren van de kwaliteit? Waar hebben leerachterstanden
een plek in het beleid rondom basisvaardigheden? Wanneer vindt een evaluatie plaats
van de aanpak basisvaardigheden en welke lessen hieruit kunnen worden getrokken voor
het verhogen van de onderwijskwaliteit?
Investeren in onderwijsprofessionals is een onderdeel van een goede aanpak om de tekorten
in het onderwijs tegen te gaan. De leden van de D66-fractie zien dat het kabinet wil
investeren in lerende teams en vragen zich af hoe dit vormgegeven zal worden? Op welke
manieren wordt de sector betrokken om dit vorm te geven, zodat dit effectief en efficiënt
gedaan kan worden? Wordt er ook ingezet op meer onderwijsassistenten om leraren te
ondersteunen? Kan het kabinet voorbeelden noemen van ideeën van zij-instromers om
het voor deze groep makkelijker te maken het onderwijs in te gaan en hen beter te
ondersteunen?
Het funderend onderwijs verdient de aandacht die het kabinet in de brief geeft met
de daarbij behorende middelen. De leden van de D66-fractie willen graag weten hoe
we gaan monitoren dat de onderwijsachterstandsmiddelen en die van het programma School
& Omgeving bij de groep terechtkomt die dit het hardste nodig heeft. Met welke partners
wil het kabinet samenwerken om gratis schoolfruit mogelijk te maken? Het is goed te
lezen dat er fundamentele aandacht is voor het passend onderwijs en dat het kabinet
verschillende uitdagingen benoemt en aangaat. Hoe zorgen we ervoor dat de interdepartementale
Sociale Agenda deze reikwijdte aan onderwerpen goed beslaat en slagkracht krijgt om
verandering te bewerkstelligen? Hoe wordt gezorgd voor het ontschotten van budgetten
van onderwijs en zorg, zodat meer leerlingen een passende plek in het onderwijs krijgen?
Hoe wordt gehandhaafd op het niet bieden van een dekkend aanbod door de samenwerkingsverbanden,
gezien het grote aantal thuiszitters? Op welke manieren worden maatschappelijke partners
betrokken en vanaf wanneer gaan we hiervoor de resultaten zien waar leerlingen, ouders
en het onderwijsveld naar verlangen?
Bij de randvoorwaarden van het funderend onderwijs wordt terecht opgemerkt dat er
een investering en meer aandacht nodig is voor kwaliteit van het onderwijs en specifieker
de rol van de Inspectie van het Onderwijs (hierna: Inspectie) hierin. Is de frequentie
van schoolbezoeken een ambitie of een doel? Op welke manieren gaan we sturen op het
realiseren van het minimaal iedere vier jaar laten bezoeken van een school? Welke
keuzes maken we om dit mogelijk te maken? Op welke wijze wordt de Pilot Kleinere Klassen
uitgewerkt, aangezien leraren aangeven dat dit een belangrijke randvoorwaarde is voor
het geven van goed onderwijs, en kunnen scholen hieraan meedoen?
De leden van de D66-fractie zien dat het belangrijk is dat we inzetten op het mentale
welzijn van studenten en scholieren en zien een eerste uiteenzetting van de te verwachten
maatregelen in de brief. Daarbij zien deze leden een aantal belangrijke elementen
terugkomen zoals onder andere financiële onzekerheid en prestatiedruk. Het (mentale)
welzijn van studenten is niet alleen een verantwoordelijkheid van het Ministerie van
OCW en deze leden vragen zich af hoe OCW de samenwerking met andere departementen
en organisaties wil vormgeven en vooral studenten zelf wil betrekken voor een effectieve
set maatregelen om de mentale gezondheid van studenten te verbeteren. Hoe kijkt het
kabinet in dit kader naar de hoge toetsdruk en is zij bereid met de sector en experts
richtlijnen op te stellen om die te verlagen, gericht op minder toetsen of deze minder
vaak voor een cijfer te laten zijn?
Het mbo heeft de nadrukkelijke aandacht van de leden van de D66-fractie en het is
goed te lezen dat we verder gaan met investeringen en maatregelen om het mbo de positie
in de maatschappij, het onderwijsveld en onder studenten te bewerkstelligen die het
verdient. Deze leden hechten er aan dat stagediscriminatie (binnen en buiten het mbo)
hard aangepakt gaat worden en vragen zich af per wanneer zij mogen verwachten dat
deze aanpak in kan gaan en op welke termijn het kabinet hoopt dat deze effect bereiken.
Daarnaast vragen zij zich af per wanneer gelijke toegang tot voorzieningen voor studenten
van het mbo geregeld kan zijn.
De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van de richting die het kabinet op
wil met de talentstrategie en vragen zich af of het kabinet hier ook concretere doelen
bij gesteld heeft en op welke wijze een talentenstrategie daarmee kan bijdragen aan
het onderwijs en de maatschappij als geheel. Deze leden vragen zich af hoe het kabinet
de rol van (generatieve) artificiële intelligentie (AI) beschouwt en of zij samen
met het onderwijsveld optrekt in het volgen van de ontwikkelingen en het opstellen
van noodzakelijk beleid naar aanleiding hiervan. In de context van internationale
talentenstrategie zijn de leden van de D66-fractie benieuwd te weten aan welke middelen
het kabinet denkt als zij internationale studenten wil motiveren de Nederlandse taal
te leren. In de brief worden voor internationale studenten diverse doelen en maatregelen
benoemd, per wanneer wil het kabinet deze invoeren? Welke planning hangt aan deze
voornemens? In het kader van Leven Lang Ontwikkelen zien de leden van de D66-fractie
meerdere ambities en mogelijkheden en deze leden vragen zich of hoe de samenwerking
met het Ministerie van SZW vormgegeven is. Op welke manier zorgt het kabinet voor
een samenwerking van de ambities op het vlak van Leven Lang Ontwikkelen en het meer
activerend maken van de Werkloosheidswet (WW)?
De leden van de D66-fractie zijn blij te lezen dat er geïnvesteerd wordt in onderzoek
en innovatie, dit hoort niet alleen bij de Nederlandse cultuur maar is ook van enorme
waarde voor kwaliteit van leven en de maatschappij als geheel, nu en in de toekomst.
Deze leden vragen zich hoe ver of dichtbij we nog verwijderd zijn van de Lissabondoelstelling.
Op welke termijn kunnen bezuinigingen teruggedraaid worden? Het is goed dat er keuzes
gemaakt worden om te komen tot een meer effectief beleid en de leden van de D66-fractie
willen graag weten welke elementen bepalend zijn voor het maken van de lastige keuzes.
In relatie tot de genoemde triple helix en de rol van het mbo hierin vragen deze leden zich af wanneer practoraten verankerd
kunnen worden, hoe het mbo hier zelf een rol in krijgt en op welke manier dit gaat
helpen hen een betere positie te geven in de kennisketen?
De leden van de D66-fractie lezen dat de Minister inzet op een eerlijke digitale markt
met goede auteursrechtelijke bescherming. Deze leden onderschrijven dat doel, maar
vragen of de Minister bereid is dit concreter te maken langs drie lijnen: transparantie
over gebruikte trainingsdata met omgekeerde bewijslast wanneer aanbieders hierover
niet openheid geven, een licentieplicht voor beschermd materiaal die ook geldt wanneer
training buiten de EU plaatsvindt en een vergoedingsplicht voor zowel het gebruik
van beschermd werk als trainingsmateriaal als de economische schade die AI-gegenereerde
output aanricht. Frankrijk ontwikkelt hiervoor al concrete wetgeving. Is de Minister
bereid zich in Europees en nationaal verband hard te maken voor deze drie uitgangspunten,
en zo ja, op welke termijn en wijze?
De leden van de D66-fractie hebben een aantal vragen aangaande de voorgestelde maatregelen
voor het versterken van de cultuur. Hoe wordt voorkomen dat een langere financieringsduur
leidt tot minder ruimte voor nieuwe makers en innovatieve initiatieven? Hoe wordt
voorkomen dat een langere subsidieperiode ten koste gaat van nieuwe makers en kleinere
instellingen? Deze leden vragen zich ook af welke rol gemeenten en provincies krijgen
bij de uitwerking van het cultuurbestel vanaf 2029? Dezelfde vraag stellen de leden
van de D66-fractie bij het betrekken van culturele instellingen en makers uit Caribisch
Nederland bij de gesprekken die genoemd worden. En welke belemmeringen ziet het kabinet
momenteel voor toegang tot cultuur in Caribisch Nederland? Het kabinet zet hoog in
op het aanpakken van het grote woningtekort, daarbij zijn deze leden benieuwd hoe
wordt geborgd dat culturele voorzieningen onderdeel blijven van nieuwe woningbouwlocaties
en gebiedsontwikkelingen? Zij zouden graag geïnformeerd worden over hoeveel financiële
middelen beschikbaar zijn voor de uitvoering van de Aanpak Erfgoed en Leefomgeving?
Zij zijn ook geïnteresseerd te leren welke concrete resultaten tot nu toe bereikt
zijn met de Creative Industries Immersive Impact Coalition.
Tot slot hebben de leden van de D66-fractie kennisgenomen van de ambities voor het
verbeteren van de positie van vrouwen en lhbtiq+ personen. Deze leden hebben behoefte
aan een concretere aanpak van de genoemde problemen en zien uit naar de beloofde plannen
van het kabinet. Het regenboogstembusakkoord bevat beleidsvoorstellen op het vlak
van verschillende ministeries, hoe gaat het kabinet ervoor zorgen dat andere ministeries
zich verantwoordelijk voelen en maken voor beleid op het betreffende terrein? De reikwijdte
van het regenboogstembusakkoord vraagt prioritering en de leden van de D66-fractie
vragen zich af of het kabinet deze prioritering aangebracht heeft in overleg met organisaties
en de betreffende gemeenschap(pen). Welke passende snelheid mogen deze leden verwachten
en wat betekent dit planmatig voor concrete voorstellen die hieruit naar voren komen?
Welke concretere maatregelen denkt het kabinet te nemen voor de positie van vrouwen
en op welke terreinen?
Inbreng van de leden van de PRO-fractie
De leden van de PRO-fractie hebben kennisgenomen van de Beleidsbrief OCW 2026 en hebben
hierover enkele vragen.
De leden van de PRO-fractie constateren dat het kabinet de verdeling van extra middelen
op OCW met de Kamer heeft gedeeld. Hierin is zichtbaar dat er oplopend € 1,5 miljard
extra beschikbaar is. Hoe verhoudt dat zich tot de onderwijsbezuinigingen van het
kabinet-Schoof? Kan het kabinet per post op de begroting aangeven welke bezuinigingen
ingeboekt stonden, en op welke wijze deze al dan niet worden teruggedraaid met deze
extra middelen? Zijn met deze middelen de bezuinigingen allemaal van tafel? Op welke
posten wordt toch bezuinigd, ondanks dat er in totaal meer geld bij komt? Kunnen de
bewindspersonen weergeven op welke posten op de begroting er netto geld bijkomt per
jaar? Op welke posten gaat er netto geld af per jaar? Kunnen de bewindspersonen weergeven
per post hoeveel euro er per jaar extra bij of afgaat? Hoe verhouden de bestedingen
aan OCW inclusief deze extra middelen zich respectievelijk tot de uitgaven aan onderwijs
in het kabinet-Schoof en het kabinet-Rutte IV? Kunnen de bewindspersonen deze vragen
afzonderlijk beantwoorden?
De leden van de PRO-fractie lezen dat het kabinet de basisvaardigheden in het funderend
onderwijs wil verbeteren met een Masterplan basisvaardigheden. In hoeverre komt dit
plan tegemoet aan de notie vanuit de Europese Commissie dat kinderen uit achterstandssituaties
structureel onderpresteren en dat Nederland slecht presterende scholen gericht zou
moeten ondersteunen? En aan de kritiek vanuit de Europese Commissie over wat het dalende
onderwijsniveau doet met de concurrentiepositie van Nederland in de wereld?
Tevens benoemen de bewindspersonen verschillen tussen scholen als probleem dat moet
worden aangepakt. Welke concrete stappen neemt het kabinet hiertoe en hoeveel middelen
zijn hier structureel voor beschikbaar? In hoeverre hangen verschillen tussen scholen
samen met de op scholen aangeboden niveaus? De leden van de PRO-fractie lezen dat
het kabinet € 58 miljoen beschikbaar stelt voor brede brugklassen. Op hoeveel scholen
verwacht het kabinet dat er hiermee brede brugklassen gerealiseerd kunnen worden?
De leden van de PRO-fractie onderschrijven het belang van investeren in vakmanschap
en teamprofessionalisering. Daarbij is evenzeer van belang dat personeelsvertegenwoordigers
en (onderwijs)vakbonden actief worden betrokken bij bestuursakkoorden en werkagenda’s.
Docenten weten immers het best onder welke condities kennisoverdracht hoort plaats
te vinden. Op welke wijze gaat het kabinet invulling geven aan de uit vakbondskringen
gehoorde wens om niet alleen in het primair onderwijs, maar ook in het voortgezet
onderwijs personeel en hun vertegenwoordigers actief te betrekken bij eventuele nieuwe
bestuursakkoorden?
De leden van de PRO-fractie vinden het zorgwekkend dat er nog steeds veel onbevoegde
leraren voor de klas staan. Dit heeft gevolgen voor de kwaliteit van het onderwijs.
Kan de Staatssecretaris de ontwikkeling laten zien van het aantal onbevoegde leraren
de afgelopen tien jaar in het po en vo? Klopt het dat het aantal bevoegde leraren
geen onderdeel is van het onderzoekskader van de Inspectie? Is de Staatssecretaris
bereid om het aantal bevoegde leraren per school onderdeel te maken van het onderzoekskader,
zodat de Inspectie hierop kan handhaven?
De leden van de PRO-fractie maken zich dan ook zorgen over de inzet van onbevoegde
leraren. Deze leden constateren dat de Staatssecretaris zich inzet om dit via wetgeving
structureel te maken. Zij vinden dit onwenselijk met het oog op de professionaliteit
en het vakmanschap van docenten en gezien wat dit kan betekenen voor kansengelijkheid.
Om die reden vragen de leden van de PRO-fractie een duidelijke uitspraak van de Staatssecretaris
dat het inzetten van onbevoegde docenten alleen als een zeer tijdelijke noodmaatregel
ingezet kan worden en dat het inzetten van onbevoegden nooit het nieuwe normaal mag
worden.
Is de Staatssecretaris verder bereid om een einddatum vast te leggen voor de G5-noodmaatregelen
in het po en de teambevoegdheid in het vo, zodat deze ook op korte termijn beëindigd
worden? Welke maatregelen neemt de Staatssecretaris om het aantal bevoegde leraren
toe te laten nemen? Is de Staatssecretaris bereid om gericht te investeren in verkorte
en op maat gemaakte opleidingstrajecten voor de groep leraren die momenteel zonder
volledige of passende bevoegdheid werkzaam is?
De leden van de PRO-fractie constateren dat de uitstroom van leraren nog steeds hoog
is. Pensionering, beperkte professionele ruimte, hoge werkdruk en onzekerheid over
tijdelijke contracten leiden ertoe dat leraren het onderwijs verlaten. Deze leden
vragen de Staatssecretaris welke maatregelen zij neemt om de werkdruk te verlagen.
Is de Staatssecretaris bereid om zich in te zetten voor een maximaal aantal lesuren,
minder administratieve taken en de inzet van extra ondersteunend personeel? En hoe
staat het met de pilot met beperkte klassengrootte?
Om het aantal tijdelijke contracten en externe inhuur te beperken is er de Wet Strategisch
personeelsbeleid en arbeidsmarktmaatregelen (SPA). De leden van de PRO-fractie vragen
de Staatssecretaris wat de stand van zaken is met deze wet en wanneer deze bij de
Tweede Kamer ingediend gaat worden. Ook vragen deze leden naar de uitvoering van de
motie van de leden Moorman en Beckerman1 om commerciële inhuur af te bouwen en te borgen dat scholen gebruik gaan maken van
publieke invalspools. Tevens begrijpen de leden dat het aantal tijdelijke contracten
met name zeer hoog is bij Internationale Schakelklassen (ISK’s). Kan de Staatssecretaris
in beeld brengen hoeveel tijdelijke contracten er zijn bij ISK’s en mocht het aantal
tijdelijke contracten inderdaad hoog zijn, is de Staatssecretaris bereid hier actie
op te gaan voeren?
De leden van de PRO-fractie merken op dat de bewindspersonen schrijven dat de democratische
rechtsstaat een belangrijke basiswaarde in de samenleving is en dat daarom via de
wettelijke burgerschapsopdracht van scholen wordt gevraagd dat ze nadrukkelijk aandacht
besteden aan kennis over en het waarderen en naleven van deze basiswaarden. Hoe bezien
de bewindspersonen in dit licht dat het geschiedenisonderwijs als verplicht vak op
het vmbo beperkt blijft tot twee jaar? In hoeverre geloven zij dat meer geschiedenisonderwijs
naast burgerschapsonderwijs bij zou kunnen dragen aan meer kennis over de democratische
rechtsstaat?
De leden van de PRO-fractie zien veelvuldig dat leerlingen in verouderde schoolgebouwen
les krijgen, waarbij het te heet en/of te koud kan zijn. Dit leidt tot ongezonde leeromstandigheden.
Is de Staatssecretaris bereid om een onderzoek te starten naar een maximale temperatuur
in klaslokalen? En is de Staatssecretaris bereid om samen met de Staatssecretaris
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid hierover in gesprek te gaan met de Arbeidsinspectie
om actiever te gaan handhaven op een gezond binnenklimaat? Deze leden maken zich grote
zorgen over de inzet van deze coalitie om private investeerders toe te laten bij het
ontwerp, de bouw, de financiering en het langdurig onderhoud van schoolgebouwen. Is
de Staatssecretaris het eens dat hierbij het risico kan ontstaan dat publieke middelen
naar private winsten wegvloeien? Hoe gaat de Staatssecretaris voorkomen dat dit gaat
gebeuren?
De leden van de PRO-fractie onderschrijven van harte de gedachte dat studenten moeten
kunnen rekenen op de juiste randvoorwaarden om hun talenten optimaal te benutten.
Deze leden wijzen er graag op dat het voorzieningenniveau voor mbo-studenten daar
nog een fikse inhaalslag hebben te maken. Welke concrete maatregelen vallen te verwachten
qua toegang tot sociale voorzieningen, financiële middelen en ondersteuning voor mbo,
hbo en wo?
De leden van de PRO-fractie hebben de nodige zorgen over de wijze waarop aansluiting
op de arbeidsmarkt wordt ingevlogen. Kan uiteengezet worden hoe in de voorgenomen
Talentstrategie de belangen van studenten bij het maximaal benutten van hun talenten
op een opleiding naar eigen vrije keuze, de belangen van onderwijsinstellingen en
docenten om naar eigen didactische maatstaven kennis en expertise over te dragen en
de belangen van toekomstige werkgevers tegen elkaar worden afgewogen? Deze leden willen
kort en goed weten in hoeverre economische motieven de keuzevrijheid van studenten
en instellingen gaan beïnvloeden.
De leden van de PRO-fractie zijn daarnaast benieuwd hoe het Leven Lang Ontwikkelen
precies wordt opgevat. In hoeverre worden mbo-onderwijsinstellingen betrokken bij het om- en bijscholen van mensen die de arbeidsmarkt al
hebben betreden? Maakt het voor de aanpak daarbij uit of deze mensen al dan niet een
startkwalificatie hebben of op afstand tot de arbeidsmarkt staan? Hoe wordt aangekeken
tegen de door de MBO Raad geuite wens om het Leven Lang Ontwikkelen (en de daarbij
behorende financiering) en het inburgeringsonderwijs en volwasseneneducatie wettelijk
te verankeren en in de publieke onderwijsroute op te nemen?
De leden van de PRO-fractie maken zich zorgen over de rechtspositie van promovendi
en postdocs. Zij werken immers hoofdzakelijk op een tijdelijke aanstelling en dat
zorgt voor een structurele onzekerheid. Kan inzichtelijk gemaakt worden hoe de beleidslijn
van Erkennen en Waarderen wordt gekoppeld aan maatregelen die bijdragen aan stabielere
loopbaanperspectieven en het terugdringen van tijdelijke contracten?
De leden van de PRO-fractie benadrukken het grote belang van praktijkgericht onderzoek
dat door mbo-onderwijsinstellingen wordt verricht. Klopt de indruk van deze leden
dat het voor mbo-instellingen bijna onmogelijk is om onderzoeks- en innovatieopdrachten
te krijgen door uitsluiting van subsidieprogramma’s, de ontoegankelijkheid van bestaande
kennisinfrastructuren en de algemene werkwijze? Krijgen mbo-instellingen volwaardige
(financiële) toegang tot publieke kennisfondsen en worden mbo-instellingen ingebed
in het nationale kennisecosysteem, zo vragen deze leden.
De leden van de PRO-fractie lezen dat het kabinet een aanzienlijk deel van de extra
investeringen in wetenschap wil inzetten voor sectorplannen. In tegenstelling tot
bij eerdere rondes sectorplannen – die ongebonden in opzet waren – wordt nu aangegeven
dat het kabinet wil dat deze plannen zich richten op de kansen voor onze toekomstige
welvaart en het vestigingsklimaat. Deze leden onderschrijven het nut van het instrument
sectorplannen, maar maken zich als gevolg van deze toevoeging zorgen over de ruimte
voor vrij en ongebonden onderzoek. Kan de Minister hier een uitgebreide toelichting
op geven? Hoe verhoudt de nadruk op toekomstige welvaart en vestigingsklimaat zich
tot het oorspronkelijke doel van de sectorplannen, namelijk versterking van de basis
van het wetenschappelijke onderzoek in alle disciplines? Kan het kabinet toelichten
hoe binnen deze aanpak voldoende ruimte behouden blijft voor ongebonden en fundamenteel
onderzoek dat niet direct gekoppeld is aan actuele economische prioriteiten? En hoe
past deze toevoeging van een gerichte politiek-economische agenda aan het instrument
sectorplannen in de bredere wetenschapsvisie van dit kabinet? Hoe borgt het kabinet
dat er voldoende ruimte blijft voor vrij en ongebonden fundamenteel onderzoek en hoe
voorkomt het kabinet dat alle onderzoekers steeds sterker worden gestuurd richting
vooraf bepaalde maatschappelijke of economische prioriteiten?
De beleidsbrief maakt melding van integraal mediabeleid. De leden van de PRO-fractie
onderschrijven dit streven en zij hebben eerder via debatten en moties het kabinet
opgeroepen hier werk van te maken. Conform het WRR-Rapport waarnaar wordt verwezen2, zijn deze leden benieuwd of het kabinet dan ook voornemens is om bij de komende
hervorming van de publieke omroep eerste wettelijke stappen te zetten om te komen
tot zo’n integraal mediabeleid, waarin vindbaarheid van Nederlandse (publieke) content
en programmering een prominente plek krijgen en die wettelijk de publiek-private samenwerking
als taak implementeren. Kan de Minister nader uitleggen wat deze passage concreet
betekent? Of is dit slechts weer een aankondiging van een nieuw onderzoek? De leden
van de PRO-fractie willen namelijk met de komende hervorming van de publieke omroep
ook een eerste stap zetten naar het moderniseren van de mediawet naar integraal mediabeleid.
De beleidsbrief legt terecht een verband tussen Artificiële Intelligentie (AI) en
eerlijke betaling en circulariteit. De leden van de PRO-fractie wijzen op mogelijke
consequenties van generatieve AI voor onze democratische rechtsstaat. Zij moedigen
het kabinet aan om regelgeving in Europees verband te organiseren. Deze leden vinden
dit belangrijk om te kunnen komen tot:
• een opt out-systeem, waarbij makers aan de voorkant wel of geen toestemming verlenen voor het
gebruik van hun werk,
• een eerlijke vergoeding voor werk dat voor Gen-AI gebruikt wordt (een betalingssysteem)
en
• transparantie over algoritmes die worden gebruikt voor generatieve AI.
•
Hoe staat het kabinet hiertegenover? Is het kabinet ook bereid om het standpunt van
lidstaat Nederland in dezen te versterken door de samenwerking tussen de Ministeries
van Economische Zaken (digitale zaken en economie), Justitie en Veiligheid (auteursrecht)
en Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (cultuur) te intensiveren?
De leden van de PRO-fractie zien daarnaast dat AI steeds vaker wordt gebruikt in het
onderwijs en een grote impact heeft op het onderwijs. Deze leden vragen de Staatssecretaris
of zij, net zoals in andere Europese landen, met de sector (werkgevers en werknemers)
aan de slag wil gaan met een AI-richtlijn voor het onderwijs. Ook vragen zij welke
maatregelen de Staatssecretaris gaat nemen om ervoor te zorgen dat scholen met publieke
AI-tools gaan werken die open-source zijn, vooroordelen minimaliseren en rekening
houden met auteursrecht. Welke acties onderneemt de Staatssecretaris om zorg te dragen
dat onderwijspersoneel AI-geletterd wordt? Zij vragen of de Staatssecretaris daarvoor
aanvullende (geoormerkte) middelen beschikbaar stelt om ervoor te zorgen dat al het
onderwijspersoneel AI-geletterd wordt. Verder vragen de leden van de PRO-fractie in
hoeverre onderwijspersoneel wordt meegenomen bij de inzet van AI op scholen. Is de
Staatssecretaris, net zoals de leden van de PRO-fractie, van mening dat de keuze en
toepassing van AI opgenomen dient te worden in het professioneel statuut en het schoolplan?
De leden van de PRO-fractie waarderen dat het kabinet in deze beleidsbrief ten aanzien
van cultuur realistische ambities heeft, maar deze leden missen bij de financiële
paragraaf de middelen om die ambities een impuls te geven. In combinatie met de bezuinigingstaakstelling
van het vorige kabinet, de prijsbijstellingen van de rijksoverheid voor cultuur die
niet volledig worden doorgevoerd en indexaties van budgetten die niet synchroon lopen
met de prijsstijgingen3 is er echter per saldo sprake van minder publieke middelen voor de culturele en creatieve
sector. Gaat het kabinet alsnog de benodigde publieke middelen vrijmaken teneinde
haar ambities voor de culturele en creatieve sector waar te maken?
De leden van de PRO-fractie lezen dat de regering voornemens is zich in te zetten
voor de emancipatie van vrouwen en lhbtiq+-ers. Deze leden wijzen erop dat gezondheid
een belangrijke factor is om gelijkwaardig mee te kunnen doen in de samenleving. Zijn
de bewindspersonen bekend met de geluiden uit het maatschappelijk middenveld dat er
onvoldoende middelen beschikbaar zijn voor de Strategie Vrouwengezondheid? Hoe gaat
de Staatssecretaris verantwoordelijk voor emancipatie zorgen dat de strategie van
middelen voorzien wordt, zodat er daadwerkelijk positieve stappen kunnen worden gezet?
Ook constateren deze leden dat Nederland te laat is met het implementeren van de richtlijn
loontransparantie, bedoeld om de loonkloof te bestrijden. De Europese Commissie heeft
geen toestemming gegeven voor deze vertraging. Welke consequenties verbindt de Europese
Commissie hieraan voor Nederland?
Ook maken de leden van de PRO-fractie zich zorgen over dalende acceptatie van lhbtiq+-ers
onder jongeren. Welke stappen gaat het kabinet zetten om deze trend te keren en welke
middelen stelt zij hiertoe beschikbaar? Ook onderstrepen deze leden in dit kader het
belang van spoedige behandeling van de Transgenderwet en het wetsvoorstel dat de reikwijdte
van de strafbaarstelling van groepsbelediging vergroot. Tenslotte wijzen de leden
van de PRO-fractie op het feit dat alle drie de coalitiepartijen zich gecommitteerd
hebben aan het Regenboogstembusakkoord van COC Nederland. Op welke termijn gaat het
kabinet de daarin opgenomen maatregelen uitvoeren, zoals het instellen van meer discriminatierechercheurs?
Inbreng van de leden van de CDA-fractie
De leden van de CDA-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de beleidsbrief
2026–2030 van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Onderwijs, cultuur
en wetenschap zijn plekken om je te vormen, je talent te ontwikkelen, nieuwe verbindingen
te leggen en onderzoek en innovatie tot bloei te laten komen. Zo draagt het bij aan
het maatschappelijk weefsel van onze samenleving. Het is goed dat het kabinet het
beleid dat zij voor ogen heeft op deze belangrijke thema’s uiteen heeft gezet in de
beleidsbrief. Naar aanleiding daarvan hebben deze leden een aantal vragen.
Betere basisvaardigheden in het funderend onderwijs
De leden van de CDA-fractie lezen dat het kabinet de komende jaren via het Masterplan
basisvaardigheden prioriteit geeft aan het verbeteren van prestaties op lezen, schrijven
en rekenen om zo de basisvaardigheden van leerlingen in het primair, voortgezet en
speciaal onderwijs op orde te krijgen. Deze leden staan positief tegenover deze inzet
maar vragen het kabinet toe te lichten of en zo ja, hoe zij met Masterplan, of via
aanpalend beleid, in gaat zetten op het verbeteren van taal- en rekenlessen specifiek
binnen het vmbo, zodat vmbo-scholieren niet met een achterstand aan hun mbo-opleiding
beginnen.
De leden van de CDA-fractie lezen dat het kabinet zo vroeg mogelijk (leer-)achterstanden
wil aanpakken en daarom inzet op voorschoolse en vroegschoolse educatie voor alle
peuters die dat nodig hebben. Deze leden onderschrijven het belang hiervan en vragen
het kabinet toe te lichten hoe zij ervoor gaat zorgen dat alle peuters die dat nodig
hebben ook daadwerkelijk de voor- en vroegschoolse educatie ontvangen. Deze leden
vinden het ook belangrijk dat kleuters die nog wat extra ondersteuning nodig hebben
in beeld zijn en horen graag hoe een warme overdracht bevordert kan worden. Ook vragen
zij of bij deze inzet op voor- en vroegschoolse educatie ook de kinderen van statushouders,
een groep waar de taalachterstand vaak groot is, worden meegenomen.
Benutten van elk talent in het funderend onderwijs
Voor de leden van de CDA-fractie is maatschappelijke diensttijd (MDT) belangrijk,
omdat het MDT-jongeren helpt zich te ontwikkelen en bij te dragen aan de samenleving.
Door de vele drempels in de subsidieaanvraag is 2025 echter een verloren subsidiejaar
geworden, met onderuitputting binnen MDT als gevolg. Daarom is samenwerking met het
bestaande netwerk essentieel. Zonder die samenwerking raakt een duurzame toekomst
voor MDT verder uit beeld. Hoe ziet de Staatssecretaris die toekomst? Dreigt 2026
opnieuw een verloren jaar te worden voor bewezen projecten? Hoe wil het kabinet de
samenwerking met het MDT-netwerk verbeteren? Hoe wordt geborgd dat MDT landelijk dekkend
is?
Veilig en vrij leren
De leden van de CDA-fractie lezen dat het kabinet gaat verkennen hoeveel ruimte er
is om tot nadere normstelling te komen ten aanzien van de spanning tussen het overdragen
van een eigen mens- en maatschappijvisie binnen het bijzonder onderwijs en de gelijke
behandeling. Deze leden vragen het kabinet vooruitlopend op wat zij in het najaar
verwacht te communiceren alvast te delen wat zij met eventuele resultaten van de verkenning
beoogt en of zij voorziet dat de uitkomsten van deze verkenning mogelijk effect hebben
op huidig beleid en/of wet- en regelgeving en zo ja, om welke beleid en/of wet- en
regelgeving het dan zou gaan.
Student: de juiste randvoorwaarden creëren voor het talent van de toekomst
De leden van de CDA-fractie lezen dat het kabinet inzet op het verbeteren van de financiële
positie van studenten. Deze leden zijn benieuwd naar wat het kabinet gaat doen om
de financiële positie van specifiek mbo-studenten te verbeteren. Zij vragen het kabinet
uiteen te zetten welke concrete mogelijkheden zij ziet om deze veelal minderjarigen
studenten in de periode tot aan hun startkwalificatie te ondersteunen.
Talentstrategie: talent voor de arbeidsmarkt van morgen
De leden van de CDA-fractie lezen dat hogeronderwijsinstellingen meer mogelijkheden
krijgen om internationaal toptalent aan te trekken en te behouden. Deze leden zijn
van mening dat voor het behoud van internationaal toptalent, de zogeheten blijfkans,
het van belang is dat internationaal toptalent aansluiting vindt met de Nederlandse
samenleving en arbeidsmarkt en dat de instroom van talent aansluit op de wensen van
de regio. Zij vragen het kabinet welke rol zij daarbij voor de landelijke overheid,
gemeenten, onderwijsinstellingen en bedrijven ziet weggelegd en hoe zij in samenwerking
met deze partijen tot een gewenste blijfkans voor internationaal toptalent gaat komen
die aansluit op de regiospecifieke vraag. Ook vragen de leden van de CDA-fractie het
kabinet of er voor dit doel middelen uit de talenstrategie worden ingezet.
Onderzoek en innovatie als fundament voor vooruitgang
De leden van de CDA-fractie lezen dat het kabinet regionale samenwerking tussen bedrijfsleven,
mbo, hbo, wo en overheid wil stimuleren en belemmeringen bij deze samenwerking wil
wegnemen. Deze leden steunen deze inzet en vragen het kabinet toe te lichten hoe zij
concreet de samenwerking binnen de triple helix gaat verbeteren.
Voor top wetenschappelijk onderzoek is het, volgens de leden van de CDA-fractie, van
belang dat de Nederlandse onderzoeksinstellingen de infrastructuur en faciliteiten
hebben om innovaties na te jagen. Dat het kabinet gaat investeren in excellente en
impactvolle onderzoeksinfrastructuren voor Nederland is, volgens deze leden, dan ook
positief. Volgens deze leden liggen er kansen voor een verhoogd rendement van deze
investeringen als deze met de Ministeries van Defensie en Economische Zaken worden
uitgewerkt en er waar opportuun er aansluiting wordt gezocht bij met het bedrijfsleven
via, bijvoorbeeld, de nationale technologiestrategie. Deze leden vragen het kabinet
hierop te reflecteren.
Inbreng van de leden van de JA21-fractie
De leden van de JA21-fractie hebben met meer dan gemiddelde belangstelling kennisgenomen
van de beleidsbrief van 24 april 2026 en hebben nog een aantal vragen, zorgen en opmerkingen.
Bij de inleidende beschietingen schrijven de bewindspersonen dat onder andere onderwijs,
onderzoek en cultuur de «motor voor vernieuwing en vooruitgang» vormen. Onderwijs
is, volgens de leden van de JA21-fractie, echter vooral: doorgeven wat van waarde
is. Met andere woorden, onderwijs gaat niet in de eerste plaats om vernieuwing en
vooruitgang maar om behoud en de vorming die dat mogelijk maakt. Beschaving vergt
immers onderhoud, en het is al een immense opgave om de complexe, maar vrije en welvarende
samenleving waar wij nu in leven in stand te houden.
De leden van de JA21-fractie delen de observatie van de bewindspersonen dat «cultuur
en erfgoed ervoor zorgen dat mensen zich thuis voelen» en uiting geven aan onze gedeelde
identiteit, alsmede het belang van academische, artistieke en journalistieke vrijheid.
Deze leden horen graag wat de visie is van het kabinet op de discussie omtrent diversiteitseisen
of criteria in de kunstensector. Zijn de bewindspersonen het met de leden van de JA21-fractie
eens dat kunstinstellingen niet moeten worden gedwongen om diversiteitsbeleid of de
Code Diversiteit & Inclusie na te leven, ook in het kader van artistieke vrijheid?
Funderend onderwijs
De leden van de JA21-fractie merken op dat de bewindspersonen een «aanmeldplicht»
voor kinderen vanaf vier jaar verkennen. Wat betekent een aanmeldplicht en hoe verhoudt
die zich tot de leerplicht? Op welke manieren, leeftijden en momenten worden basisvaardigheden
getoetst, gemeten, gemonitord en gerapporteerd, zowel op nationaal niveau als in internationale
vergelijkingen?
De leden van de JA21-fractie steunen het idee voor een staatscommissie en is benieuwd
naar de precieze opdrachtformulering. In de beleidsbrief staat dat de commissie zich
zal buigen over de vraag «wat er voor de lange termijn nodig is om te zorgen dat kinderen
zich op 18-jarige leeftijd en daarna kunnen redden in de maatschappij, het vervolgonderwijs
en de arbeidsmarkt. Dat kan gaan over (onderdelen van) ons onderwijsstelsel, maar
ook gericht zijn op de raakvlakken met andere sectoren, zoals kinderopvang.» In het
coalitieakkoord stond nog dat de commissie «de crisis in de leerprestaties van onze
leerlingen op taal, lezen, schrijven en rekenen onderzoekt en aanbevelingen doet voor
lange termijnoplossingen.» De leden van de JA21-fractie hopen hoe dan ook dat deze
kans wordt benut om meer lijn te brengen in de stapeling en de versnippering van het
beleid. Wat deze leden betreft gaat de staatscommissie fundamentele vragen niet uit
de weg. Want veel problemen in het Nederlandse onderwijs – zoals het dalende niveau
in basisvaardigheden of het hoge aantal thuiszitters – hebben te maken met van onrust
in de klas, en het feit dat er geen overeenstemming bestaat over de vraag wat goed
onderwijs is, zoals ook Andreas Schleicher, de PISA-baas van de OESO, concludeerde.4 Hoe zien de bewindspersonen dit?
Volgens de PISA-onderzoeken van de OESO scoort Nederland nagenoeg het laagst op discipline
van de 38 aangesloten landen. In de editie van 2022 van PISA geeft 81 procent van
de Nederlandse scholieren aan dat er in sommige lessen niet naar de docent wordt geluisterd
en 83 procent rapporteert dat het er regelmatig luidruchtig, chaotisch en rommelig
aan toe gaat in de klas. Nederlandse docenten moeten in vergelijking met hun buitenlandse
collega’s opvallend vaak en lang wachten tot een klas stil is voordat ze überhaupt
met de instructie kunnen beginnen.5 Hoe beoordeelt de Staatssecretaris dat en welke mogelijkheden ziet zij om de discipline
op Nederlandse scholen te verbeteren? De combinatie van ordeproblemen, grote didactische
verscheidenheid – vaak ook binnen scholen – en het feit dat het lerarentekort niet
alleen een kwantitatief maar ook een kwalitatief probleem is, heeft geleid tot de
sfeer van permanente crisis die het funderend onderwijs nu al zo lang kenmerkt.
De leden van de JA21-fractie menen dat de verdere toepassing van Expliciete Directe
Instructie (EDI) een bijdrage kan zijn aan een offensief om het tij te keren. Hoe
ziet de Staatssecretaris dat en welke mogelijkheden ziet zij om daaraan bij te dragen?
Kan zij al ingaan op de manier waarop de motie van het lid Boomsma6 wordt uitgevoerd, die vroeg om in overleg met de sector te bezien hoe EDI een prominent
onderdeel kan worden bij de lerarenopleidingen en daarbij te onderzoeken op welke
manier expliciete directe instructie effectiever onder de aandacht van scholen, met
name de achterblijvende scholen, kan worden gebracht.
Rust, regelmaat, discipline en vakmanschap zijn cruciale voorwaarden om te leren.
Vraag het scholen die het roer in deze geest hebben omgegooid en goed presteren. Dat
scholen zich moeten richten op de unieke leerbehoeften van kinderen, die allemaal
anders zouden zijn, is een misverstand, zo menen de leden van de JA21-fractie. Hoe
ziet de Staatssecretaris dit? Het is de stellige overtuiging – evidence based bovendien – van deze leden dat we alleen door te breken met pedagogisch-didactische
dwalingen de weg omhoog kunnen terugvinden. Kan de Staatssecretaris aangeven wat zij
beschouwt als de huidige staat van de wetenschap over wat de beste manieren zijn voor
kinderen om te leren?
Ook de inspanningen om het lerarentekort te bestrijden, zijn gebaat bij de didactische
kwaliteitsimpuls van EDI en pedagogische duidelijkheid. Want voor zij-instromers is
een onrustige school waar iedereen het anders lijkt te doen niet aantrekkelijk. In
het verlengde hiervan is het urgent om een antwoord te vinden op de uitdaging van
AI voor het onderwijs en de al langer manifeste ontlezing en verschraling van de woordenschat.
De leden van de JA21-fractie denken dat er een mogelijk inspirerend voorbeeld is in
Zweden waar men na jaren van intensieve digitalistering om kinderen – zelfs peuters
– zo vroeg mogelijk kennis te laten maken met de wereld van morgen, de laptops en
telefoons nu juist in de ban heeft gedaan op school. Hoe denkt de Staatssecretaris
over een fact finding mission van ambtenaren van het Ministerie van OCW naar Zweden of van de staatscommissie?
De leden van de JA21-fractie menen dat het belangrijk is om tevens kritisch te kijken
naar de lumpsum, de bekostigingssystematiek die ervoor heeft gezorgd dat de politiek
en het beleid aan de zijlijn staan terwijl de schoolbesturen de spil zijn geworden
van het Nederlandse onderwijs. Hierdoor gaat inmiddels een aanzienlijk deel van de
middelen naar managementactiviteiten, uitgevoerd door leraren die lessen inleveren
en iets anders gaan doen: ze worden opleidingsdocent, zorgcoördinator, taalregelaar,
rekenhulp, loopbaancoach en sinds kort ook brugcoördinator. Is de Staatssecretaris
het daarmee eens? Hoe beoordeelt de Staatssecretaris dat?
De leden van de JA21-fractie menen dat het risico bestaat dat een situatie ontstaat
dat carrière maken in het voortgezet onderwijs niet wordt gemaakt door beter te worden
als leraar, maar door het klaslokaal geheel of gedeeltelijk te verlaten omdat organiseren,
regelen en aansturen zwaarder gaan wegen dan lesgeven. Vandaar dat McKinsey in het
rapport Een verstevigd fundament voor iedereen (2020)7 concludeerde dat het aandeel van het onderwijsondersteunend personeel (OOP) en specialistische
staffuncties juist fors is gegroeid. Scholen zijn volgens McKinsey door de lumpsumfinanciering
gaan functioneren als complexe overheids-bv’s, waarbij veel middelen opgaan aan de
inrichting van specialistische expertisebanen buiten de klas. Het onderwijsondersteunend
personeel bestond vroeger hoofdzakelijk uit conciërges en administratief medewerkers,
nu wordt er veel geld uitgegeven aan hoger ingeschaald, beleidsmatig en pedagogisch
ondersteunend personeel (leraren die niet meer of weinig voor de klas staan). Hoe
ziet de Staatssecretaris dit? Wat dit probleem betreft is het hoopgevend dat het ministerie
bij de structurele financiering vanaf 2027 van het Masterplan basisvaardigheden uitgaat
van «gerichte bekostiging» die voorwaarden stelt aan structurele bekostiging. Vraag
aan de Staatssecretaris: welke voorwaarden zullen dit zijn?
De leden van de JA21-fractie zijn ook erg benieuwd naar het wetsvoorstel voor gerichte
bekostiging, dat normen voor overhead en onderwijspersoneel belooft omdat niet altijd
goed zichtbaar is, zoals Infinite (november 2025)8 concludeerde, hoe de bekostiging in het funderend onderwijs wordt ingezet. Deze leden
zijn ook nieuwsgierig naar de voortgang van het wetsvoorstel dat hiermee samenhangt,
het wetsvoorstel dat de inspraak van leraren en schoolleiders moet versterken zodat
zij in staat zijn om waar nodig tegengas te geven aan de schoolbesturen.
Over de investering van structureel € 88 miljoen voor zij-instromers hebben de leden
van de JA21-fractie enige twijfels. Zij-instromers worden al betaald en ze krijgen
ook al lesreductie. Ook is het de vraag of de kosten niet erg hoog zijn gezien de
geschatte opbrengsten van deze maatregel: een verwachte toename van het aantal zij-instromers
met 15 procent, van 1.250 naar 1.450 per jaar in het funderend onderwijs. Hoe denkt
de Staatssecretaris hierover?
De bewindspersonen schrijven «we investeren € 346 miljoen in de professionalisering
van onderwijspersoneel op teamniveau» maar later dat dit bedrag voor 2027 is teruggebracht
tot € 46 miljoen. Waarom is specifiek gekozen voor professionalisering op teamniveau
en wat betekent dit voor het type activiteiten dat daarmee wordt gefinancierd? Hoe
en waaraan wordt dat geld uitgegeven? Dit bedrag is bedoeld voor de professionalisering
van onderwijspersoneel. Maar wat zijn de plannen voor de tekortschietende lerarenopleidingen
die deze investeringen noodzakelijk maken? Op welke manier willen de bewindspersonen
werken aan verbetering van de opleidingen? Uit het onderzoek Inventarisatie curricula
voltijdroutes naar het leraarschap primair onderwijs (2025) van de Inspectie van het
Onderwijs blijkt dat de pabo’s te weinig leerkrachten afleveren die in staat zijn
om de trend van de dalende lees- en rekenprestaties te keren. Graag ontvangen deze
leden een reactie.
De leden van de JA21-fractie vinden het zorgelijk dat de meeste opleidingen de wettelijke
bekwaamheidseisen niet volledig hebben verwerkt in de leerdoelen. Ondertussen besteedt
de helft van de leerroutes naast de wettelijke eisen aandacht aan ’overige» bekwaamheden.
De top 3 hiervan bestaat uit visievorming (11 procent), zelfreflectie (8,3 procent)
en het ontwikkelen van een onderzoekende houding (7,9 procent). Hoe beoordeelt het
kabinet die verhouding en zijn de bewindspersonen bereid om daarover in gesprek te
gaan en de resultaten van die gesprekken terug te koppelen?
Mbo
De leden van de JA21-fractie vrezen dat een wettelijk verplichte stagevergoeding zal
leiden tot minder stageplaatsen. Natuurlijk vinden deze leden wel dat een stagevergoeding
de norm moet zijn en willen zij afspraken met werkgevers hierover aanmoedigen. Het
is hierbij overigens van belang om te weten in welke sectoren werkgevers geen stagevergoeding
geven. De indruk bestaat dat dit vaak kleine werkgevers zijn en werkgevers die niet
opleiden voor functies waar een grote vraag naar is. In tekortsectoren zou geen probleem
zijn. Kan de Minister hierop ingaan? Deelt de Minister de opvatting dat het de moeite
waard is om dit te onderzoeken?
Het afschaffen van het landelijk examen Nederlands in het mbo zoals is voorgesteld
door de Expertgroep Nieuwe taaleisen in het MBO is geen goed idee, volgens de leden
van de JA21-fractie. Er is een groot risico dat tegenvallende resultaten straks minder
zichtbaar zijn. Hoe denkt de Minister hierover?
In de herziening van de systematiek voor de bekostiging van het mbo is het de leden
van de JA21-fractie opgevallen dat er hier geen aandacht is voor mogelijke negatieve
effecten van de lumpsumsystematiek. Dat is een gemiste kans, omdat we weten dat de
lumpsum in het mbo de instellingen stimuleert om vooral te sturen op studentenaantallen
(het «binnenhalen» van zoveel mogelijk studenten) en diplomaproductie. Onderwijskwaliteit,
vakmanschap en maatschappelijke behoeften kunnen hierbij ondersneeuwen. Hoe denkt
de Minister over het idee om overeenkomstig het uitgangspunt van gerichte bekostiging
ook de middelen in het mbo voor het primaire proces en voldoende inzet van bevoegde
docenten te oormerken?
Ondertussen moeten de instellingen wel in staat zijn om mee te bewegen met de arbeidsmarkt.
Wanneer de praktijk verandert, moet het aanpassen van de kwalificatiedossiers, de
curricula die SBB (Samenwerkingsorganisatie Beroepsonderwijs Bedrijfsleven) vaststelt
en implementeert in de opleidingen, flexibeler en sneller kunnen.
De Brainportregio bijvoorbeeld heeft dringend goed opgeleide vakmensen nodig, maar
de huidige, starre systematiek van de SBB, dat ook de stages accrediteert, blijkt
vaak een sta-in-de-weg. Is de Minister het met de leden van de JA21-fractie eens dat
de werkwijze van de SBB moet worden aangepast?
Hoger onderwijs
De leden van de JA21-fractie steunen de inzet op een andere bekostigingssystematiek
die rekening houdt met dalende studentenaantallen. Hoe is de vaste voet voor bekostiging
van de verschillende instellingstypes gefluctueerd de afgelopen jaren? Wat is nu de
visie van de Minister op internationalisering van het hoger onderwijs en de snelle
toename van het gebruik van Engels, ook op Bacheloropleidingen? Vindt zij het belangrijk
om het Nederlands beter te verankeren en het aantal Engelstalige opleidingen te verminderen
in bepaalde sectoren of niet? In hoeverre deelt de Minister de visie deze leden dat
het belangrijk is om de positie van het Nederlands te verstevigen?
De leden van de JA21-fractie merken op dat de Minister schrijf dat de Toets Anderstalig
Onderwijs voor nieuw en bestaand aanbod verdwijnt uit het wetsvoorstel, omdat dit
in het coalitieakkoord staat. Maar het coalitieakkoord vertegenwoordigt geen meerderheid
in de Tweede Kamer. Kan de Minister een overzicht geven van de verschillende instellingen
voor vervolgonderwijs van de opleidingen die in het Engels worden gegeven en het aantal
studenten per opleiding?
Er is € 154 miljoen gereserveerd voor de mogelijkheid voor universiteiten en hogescholen
om studenten uit het buitenland te werven in het kader van de talentstrategie. Hoe
wordt dit bedrag besteed?
De leden van de JA21-fractie vragen hoe de universiteiten hun zelfgekozen bovengrens
van 16.766 buitenlandse studenten – een daling van ruim 11 procent ten opzichte van
de maximale instroom in het piekjaar 2022–2023 – zullen kunnen halen. Wat gaat de
Minister doen wanneer dit niet het geval zal zijn? Er zijn geen afspraken gemaakt
over de instroom van masterstudenten. Tot nu toe stijgt de masterinstroom elk jaar.
Hoe ziet de Minister dit? De Minister schrijft dat «ruimte voor meer internationaal
talent in specifieke sectoren betekent dat in andere sectoren het aantal anderstalige
opleidingsplaatsen moet worden begrensd.» Hoe gaat het kabinet daarop toezien en in
sturen?
Zeventien Engelstalige bacheloropleidingen hebben nu een numerus fixus voor de Engelstalige
«track» maar velen niet. Hoe ontwikkelt zich het aandeel Nederlandse studenten op
die en op de andere opleidingen zonder numerus fixus? Internationalisering leidt bij
sommige opleidingen zoals werktuigbouwkunde en lucht- en ruimtevaarttechniek tot verdringing
van Nederlandse studenten. Bij lucht- en ruimtevaarttechniek aan de TU Delft konden
per 1 oktober maar 101 van de 668 Nederlandse studenten die zich hadden ingeschreven
aan hun studie beginnen: 15 procent. Bij de TU/e Technische Informatica krijgen 122
van de 242 deelnemers aan selectie een plek, 50 procent. De leden van de JA21-fractie
zouden dit percentage graag verhogen. Deelt de Minister die opvatting? En de opvatting
dat Nederlandse studenten die deze opleiding willen volgen daar in ieder geval de
kans toe moeten krijgen? Deze leden zouden van de talentstrategie ook een «nationale
talentstrategie» willen maken. Hoe wil de Minister de capaciteiten verbeteren van
Nederlandse scholieren en studenten om door dergelijke selecties te komen?
De leden van de JA21-fractie steunen de inzet van het kabinet om extra te investeren
in wetenschap en de voortzetting van de sectorplannen. Deze leden zijn echter van
mening dat de koppeling aan de toekomstige welvaart en het vestigingsklimaat, hoe
belangrijk ook, niet ten koste moet gaan van fundamenteel en ongebonden onderzoek,
in de breedte van het wetenschappelijke landschap. Graag horen deze leden hoe de Minister
hier over denkt.
Inbreng van de leden van de DENK-fractie
De leden van de DENK-fractie hebben kennisgenomen van de beleidsbrief van de Minister
en Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap voor het jaar 2026 en hebben
naar aanleiding daarvan nog enkele vragen en opmerkingen.
De leden van de DENK-fractie vinden het belangrijk dat dat er meer aandacht wordt
besteed aan het mbo. Deze leden onderschrijven de rol van het mbo als het gaat om
het tegengaan van personeelstekorten, het versterken van de vakmanschap en het bieden
van gelijke kansen aan studenten, ongeacht achtergrond. Tevens vragen deze leden welke
aanvullende maatregelen het kabinet wil inzetten om de positie van het mbo structureel
te versterken, onder meer op het terrein van het versterken van de basisvaardigheden,
het verhogen van de stagekansen, betere doorstroommogelijkheden naar het vervolgonderwijs
en een gelijke waardering ten opzichte van hbo- en wo-studenten.
De leden van de DENK-fractie vragen hoe de middelen uit het Masterplan Basisvaardigheden
en de structurele bekostiging voor basisvaardigheden vanaf 2027 zodanig zal worden
vormgegeven, waardoor schoolbesturen niet alleen op papier, maar ook in de praktijk
zullen worden gestimuleerd om grote achterstanden terug te dringen. Tevens vragen
deze leden of het kabinet bereid is om concrete voorwaarden op te nemen, zoals resultaatsafspraken
of gerichte herverdeling van middelen, wanneer blijkt dat schoolbesturen de middelen
onvoldoende inzetten om de leerlingen met de grootste achterstanden te ondersteunen.
De leden van de DENK-fractie achten een betere waardering van vakonderwijs onmisbaar
voor kansengelijkheid. Deze leden constateren dat er in de beleidsbrief aandacht is
voor praktijkgericht en techniek- en technologieonderwijs, in met name vmbo gl/tl
en havo, terwijl het praktijkonderwijs niet wordt benoemd. Tevens vragen zij waarom
het praktijkonderwijs in de beleidsbrief geheel onbenoemd blijft en of het kabinet
bereid is om bij de verdere uitwerking van haar beleid ook het praktijkonderwijs en
andere onderwijsrichtingen te betrekken en vernemen zij graag waarom het kabinet daarvan
zou afzien indien zij geen noodzaak ziet voor een nadere borging.
De leden van de DENK-fractie constateren dat het kabinet in de beleidsbrief spreekt
over gelijke waardering van mbo, hbo en wo, maar dat mbo-studenten in de praktijk
nog te vaak te maken hebben met minder gunstige voorwaarden, waaronder lagere vergoedingen,
beperkte doorstroommogelijkheden naar een vervolgopleiding en grotere onzekerheid.
Tevens vragen deze leden hoe het kabinet in het mbo invulling wil geven aan gelijke
waardering, onder meer via stagekansen, doorstroom en de positie van mbo-studenten
ten opzichte van hbo en wo. Daarbij vernemen deze leden graag van het kabinet een
overzicht van (financiële) ongelijkheden weer te geven en te motiveren op welk onderdeel
het kabinet van plan is om waardering gelijk te trekken en op welke onderdelen niet.
De leden van de DENK-fractie steunen het voornemen om verplichte stagevergoedingen
wettelijk te verankeren, maar wijzen erop dat veel mbo-studenten, zeker buiten de
Randstad, nu al moeite hebben om een stageplek te vinden. Tevens vragen deze leden
hoe het kabinet wil voorkomen dat de verplichting tot het betalen van stagevergoedingen
leidt tot een daling van het aantal beschikbare stageplaatsen voor mbo-studenten,
of ertoe leidt dat werkgevers selectiever zullen worden in het aannemen van stagiaires.
Daarbij vernemen zij graag welk tijdpad het kabinet voor ogen heeft bij de invoering
van een verplichte stagevergoeding en welke aanvullende maatregelen het kabinet treft
om te waarborgen dat mbo-studenten, ongeacht regio of achtergrond, voldoende stageplaatsen
kunnen blijven vinden.
De leden van de DENK-fractie constateren dat het kabinet zich onverminderd wil inzetten
voor het tegengaan van stagediscriminatie, maar dat in de beleidsbrief beperkt concreet
wordt gemaakt welke extra stappen dit kabinet zet om stagediscriminatie daadwerkelijk
terug te dringen. Deze leden constateren dat stagediscriminatie nog steeds een structureel
probleem is en dat eerdere inspanningen onvoldoende hebben geleid tot een verbetering.
Zij wijzen erop dat uit eerder onderzoek en uit de praktijk blijkt dat instellingen
en scholen nog onvoldoende in staat zijn om stagediscriminatie succesvol aan te pakken.
Tevens vragen deze leden hoe de regering ervoor gaat zorgen dat onderwijsinstellingen
worden aangesproken op hun verantwoordelijkheid en welke maatregelen het kabinet wil
treffen om stagediscriminatie meetbaar terug te vinden. Daarbij vernemen deze leden
graag welke aanvullende stappen het kabinet zet om de uitvoering van het Stagepact
MBO 2023–2027 en de afspraken over het tegengaan van stagediscriminatie te versterken.
De leden van de DENK-fractie maken zich ernstige zorgen over de plannen om toezicht
op informeel onderwijs mogelijk te maken. Deze zorgen zijn eerder geuit door verschillende
maatschappelijke organisaties en kwamen ook duidelijk naar voren uit de internetconsultatie
van het wetsvoorstel. Daarom vragen deze leden zich af wat de plannen van het kabinet
zijn met betrekking tot dit wetsvoorstel. Is het kabinet voornemens het huidige wetsvoorstel
voort te zetten, of komt het met een andere invulling van het voornemen om toezicht
op informeel onderwijs mogelijk te maken? Daarnaast ontvangen deze leden graag een
tijdpad van het kabinet over de invoering van toezicht op informeel onderwijs.
De leden van de DENK-fractie hebben kennisgenomen van de recente ontwikkelingen rond
thuisonderwijs over het voornemen van meerdere gemeenten om vanaf het volgende schooljaar
geen vrijstelling meer te verlenen. Deze leden stellen daarbij voorop dat het belang
van het kind altijd leidend moet zijn, terwijl thuisonderwijs mogelijk moet blijven
voor ouders die terecht een beroep doen op artikel 5 onder b van de Leerplichtwet.
Tevens vragen zij het kabinet hoe wordt voorkomen dat ouders die voor thuisonderwijs
kiezen zonder noodzaak worden tegengehouden en vragen zij hoe wordt geborgd dat de
toepassing van dit artikel niet per gemeente zal gaan verschillen. Daarbij vernemen
de leden van de DENK-fractie graag op welke manier het kabinet ervoor zorgt dat kwetsbare
kinderen in beeld blijven en dat hun bescherming goed geregeld is.
Inbreng van de leden van de SGP-fractie
De leden van de SGP-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de beleidsbrief.
Deze leden willen enkele vragen stellen.
Algemeen
De leden van de SGP-fractie constateren dat het kabinet een grote hoeveelheid wetgeving
produceert op het gebied van het onderwijs. Deze leden zijn, in navolging van opmerkingen
van de Inspectie, bezorgd over de belasting van scholen en steunen de oproep om te
prioriteren. Zij hebben bovendien begrepen dat de wetgevingscapaciteit noopt tot scherpere
prioriteitsstelling. Zij vragen of het kabinet meer zicht wil geven op de prioriteitsstelling
in geplande wetgeving en welke wetsvoorstellen na heroverweging niet meer worden voortgezet.
De leden van de SGP-fractie vragen hierbij uitdrukkelijk de overweging te betrekken
hoeveel kritiek wetsvoorstellen inmiddels in de fase van advisering hebben aangetrokken.
Basisvaardigheden
De leden van de SGP-fractie vragen het kabinet om een reflectie hoe de verschillende
instrumenten om basisvaardigheden in beeld te brengen en toezicht te houden op goede
wijze op elkaar worden afgestemd. Deze leden vragen hierbij in te gaan op de bijdrage
in het blad De Liniaal (2026, nummer 2)9 waarin wordt uiteengezet dat signaleringswaarden en ondergrenzen een sturende werking
kunnen krijgen die de verbetering van het onderwijs op schoolniveau juist in de weg
kan staan. Op welke wijze wil het kabinet in de komende periode de verbetering van
het onderwijs op schoolniveau meer centraal stellen en hoe worden bestaande instrumenten
daaraan meer dienstbaar gemaakt?
Investeren in vakmanschap
De leden van de SGP-fractie vragen welke inspanningen het kabinet verricht om te voorkomen
dat opnieuw problemen ontstaan met overvraag in belangrijke regelingen zoals de lerarenbeurs.
In hoeverre kunnen middelen uit het coalitieakkoord, bijvoorbeeld betreffende zij-instroom,
beschikbaar worden gehouden om problemen op dit gebied te voorkomen?
Veilig en vrij leren
De leden van de SGP-fractie vragen of het kabinet in de reactie op de evaluatie van
de wettelijke burgerschapsopdracht ook uitdrukkelijk het advies van de Raad van State
over de burgerschapsopdracht in het mbo10 wordt betrokken, zodat zoveel mogelijk sprake is van een doorlopende lijn en integrale
afweging.
Randvoorwaarden voor funderend onderwijs
De leden van de SGP-fractie vragen wanneer en op welke wijze het kabinet keuzes maakt
over de uitvoering van het vonnis van de Raad van State11 inzake de bekostiging van het primair onderwijs. Deze leden vragen hoe bij het zoeken
van een dekking gestreefd wordt naar billijkheid die er niet toe leidt dat andere
sectoren onevenredig benadeeld worden als gevolg van een misslag die het kabinet ten
aanzien van het primair onderwijs heeft begaan.
De leden van de SGP-fractie vragen eveneens op welke wijze het kabinet bij de uitwerking
van plannen inzake de kleine scholentoeslag de situatie van scholen betrekt die hierdoor
negatief geraakt worden en hoe hierin uitdrukkelijk ook de leefbaarheid van dorpen
en kernen gewogen wordt. Kan het kabinet bevestigen dat het in ieder geval niet de
bedoeling is dat scholen die formeel niet eens onder de definitie van kleine scholen
vallen door de plannen geraakt zouden worden?
Erfgoed
De leden van de SGP-fractie vragen wanneer het kabinet duidelijkheid kan bieden over
de verantwoordelijkheid van de provincies voor restauratie van monumenten en de toezegging
dat provinciale regelingen geharmoniseerd zouden worden en dat stapeling van subsidies
mogelijk zou moeten zijn.
Inbreng van de leden van de PvdD-fractie
De leden van de PvdD-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de beleidsbrief
2026–2030 en hebben hier nog enkele vragen over en opmerkingen bij.
Talentstrategie: talent voor de arbeidsmarkt van morgen
In de beleidsbrief 2026–2030 lezen de leden van de PvdD-fractie dat de circulaire
economie een belangrijke rol krijgt binnen de creatieve industrie bij het positioneren
van Nederland als Europese koploper in maatschappelijke verantwoorde innovatie. Deze
leden juichen deze stap toe, maar zouden graag een bredere erkenning van de circulaire
economie zien, ook binnen het Ministerie van OCW. Deze leden zien namelijk kansen
om circulariteit te bevorderen via Leven Lang Ontwikkelen (LLO) en hebben hier dan
ook nog vragen over.
Om te beginnen willen de leden van de PvdD-fractie weten of de Minister op de hoogte
is van het onderzoeksrapport «De Circulaire Economie als kansensector»12. Deze leden constateren namelijk dat er de afgelopen jaren in het beleid is ingezet
op cruciale sectoren, zoals techniek en zorg, maar dat de circulaire economie niet
is aangewezen als kansensector. Als het gaat om de circulaire economie en hoe onderwijs
hierin vorm kan krijgen, denken deze leden bijvoorbeeld aan maatschappelijke kringlooporganisaties.
Maatschappelijke kringlooporganisaties (met het Keurmerk Kringloop Nederland) bieden
namelijk aan ruim 18.000 mensen een (leer)werkplek, waarvan zeker meer dan de helft
van deze mensen een ondersteuningsvraag heeft13. Door de inzet op basis- en vakvaardigheden stimuleert de kringloopsector Leven Lang
Ontwikkelen (LLO) en vergroot het de in- en doorstroomkansen naar betaald werk. Tegelijk
leidt het mensen op voor de banen van de toekomst, essentieel voor de grondstoffentransitie
en minder afhankelijkheid van primaire grondstoffen. Onderschrijft de Minister het
principe dat de kringloopsector een maatschappelijk cruciale rol vervult, doordat
deze zowel bijdraagt aan de circulaire economie, aan sociale doelstellingen zoals
arbeidsparticipatie, talentontwikkeling- en onderwijs, en dat deze sector daarom erkenning
verdient als maatschappelijk cruciale sector? Kan de Minister daarnaast aangeven op
basis van welke criteria het kabinet bepaalt welke sectoren als maatschappelijk cruciaal
worden aangemerkt? In hoeverre voldoet de kringloopsector aan deze criteria, gezien
haar rol in circulaire economie, arbeidsparticipatie en (informeel) onderwijs? Wordt
hierbij rekening gehouden met de Kansrijke Beroepenlijst van het UWV14?
De leden van de PvdD-fractie zijn van mening dat hier kansen blijven liggen en vragen
daarom of het kabinet bereid is om, in samenwerking met de sector, te verkennen hoe
de kringloopsector structureel kan worden ondersteund als maatschappelijk cruciale
sector voor talentontwikkeling, basisvaardigheden en arbeidsparticipatie. Hoe wordt
voorkomen dat nieuwe en toekomstgerichte sectoren met een grote maatschappelijke en
inclusieve arbeidsmarktfunctie, zoals de kringloopsector, buiten beeld blijven bij
investeringen in talentontwikkeling en scholing, en hoe wordt voorkomen dat vakkennis
en ambachtelijke vaardigheden verloren gaan in sectoren met een vergrijzende beroepsgroep,
zoals in delen van de circulaire economie?
Ook vragen de leden van de PvdD-fractie zich af hoe er in de uitwerking van de Talentstrategie
en het mbo-pact «Opleiden van de arbeidsmarkt van de toekomst» geborgd wordt dat ook
praktijkgerichte leeromgevingen buiten het formele onderwijs, zoals in de kringloopsector,
worden benut voor talentontwikkeling. Is de Minister bereid om de kringloopsector
expliciet te erkennen als (non-formele) leer- en ontwikkelomgeving binnen het beleid
rond basisvaardigheden en LLO – met aandacht voor de basis- en vakvaardigheden die
nodig zijn voor de arbeidsmarkt van de toekomst – en deze sector beter te benutten
voor talentontwikkeling?
Tot slot vragen de leden van de PvdD-fractie het kabinet om een meer interdepartementale
aanpak bij sectoroverstijgende opgaven op het gebied van onderwijs, (inclusieve) arbeidsmarkt
en circulaire economie. Gezien de brede bijdrage van de kringloopsector aan beleidsdoelen
van OCW, SZW én de circulaire economie, vragen deze leden of dit aanleiding is om
de sector explicieter te positioneren binnen de talentstrategie en aan te wijzen als
maatschappelijk cruciale sector.
Inbreng van de leden van de ChristenUnie-fractie
De leden van de ChristenUnie-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de beleidsbrief.
Deze leden hebben nog een aantal vragen.
Maatschappelijke Diensttijd
De leden van de ChristenUnie-fractie zijn blij dat Maatschappelijke Diensttijd (MDT)
wordt genoemd in de beleidsbrief en dat dit waardevolle programma de komende jaren
wordt doorgezet. Deze leden vinden het belangrijk dat voor het programma de samenwerking
met maatschappelijke partners en andere departementen als Defensie wordt versterkt,
op basis van gelijkwaardigheid. Zij memoreren hierbij ook aan de aangenomen motie
van de leden Ceder en Armut15 en menen dat deze motie niet voldoende is uitgevoerd.
De leden van de ChristenUnie-fractie merken op dat volgens een groot aantal MDT-organisaties
er weliswaar sprake was van co-creatie en participatieprocessen, maar dat er van echte
invloed geen sprake is. Deze leden vinden dat dit proces op gespannen voet staat met
de samenwerking op basis van gelijkwaardigheid zoals in de eerdergenoemde motie van
de leden Ceder en Armut staat. Kan de Staatssecretaris hierop reflecteren? Op welke
manier is in de totstandkoming van het programmaplan samengewerkt? Was deze samenwerking
op basis van gelijkwaardigheid tot tevredenheid van de MDT-organisaties? Zo nee, wat
doet de Staatssecretaris met dit gegeven?
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen hoe de Staatssecretaris toekomstige samenwerking
omtrent MDT op basis van gelijkwaardigheid gaat vormgeven. Zijn er bijvoorbeeld ideeën
over een structureel governance-model waarin ook maatschappelijke organisaties een
rol hebben? Op welke manier worden deze meegenomen voor de toekomstige vormgeving
van MDT?
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen waarom er in de meest recente subsidieregeling
voor is gekozen om de cofinanciering te verhogen van 25 procent naar 30 procent. Acht
de Staatssecretaris deze extra drempel voor alle maatschappelijke organisaties waar
in het verleden naar tevredenheid mee is samengewerkt werkbaar? Is verhoging van deze
eis ook tot stand gekomen in samenspraak met het veld? Zo nee, waarom niet?
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de Staatssecretaris of zij een update
kan geven van de vooraanvragen die zijn gedaan voor MDT2026. Verwacht de Staatssecretaris
op basis hiervan dat maatschappelijke organisaties die in het verleden MDT-trajecten
hebben aangeboden, kunnen voldoen aan de voorwaarden uit MDT2026 of dat er, net als
bij de subsidieaanvraag voor 2025, wederom veel organisaties buiten de boot vallen?
Kan de Staatssecretaris tevens toezeggen de Kamer tijdig te informeren zodra de aanvragen
zijn behandeld en welke mogelijke lessen hieruit worden getrokken voor de toekomst?
Deze leden vragen of de Staatssecretaris verwacht dat middels de huidige subsidieregeling
en de voorgaande voldoende wordt geborgd dat er een landelijk dekkend MDT-netwerk
ontstaat. Zo nee, op welke manier wil de Staatssecretaris dit landelijk dekkend netwerk
alsnog bereiken?
Toezicht op informeel onderwijs
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen of de Staatssecretaris een toelichting
kan geven op de huidige wet over informeel onderwijs die het kabinet momenteel voorbereidt.
Wat zijn de belangrijkste verschillen met de wet waar onder het vorige kabinet aan
werd gewerkt?
Deze leden vragen of de Inspectie onder de nieuwe wet over informeel onderwijs niet
meer de taak krijgt om toezicht te houden op dit onderwijs. Mocht dit wel het geval
zijn, waarom kiest de Staatssecretaris hiervoor? Zij vragen of de Staatssecretaris
kan bevestigen dat de nieuwe wet over informeel onderwijs geen karakter van een «sleepnet-wet»
krijgt zoals de wet waar onder het vorige kabinet aan werd gewerkt, waardoor ook bijvoorbeeld
de scouting en de zondagsschool onder deze wet zouden vallen. Zo nee, waarom is hier
alsnog weer voor gekozen?
Overig
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen naar de uitvoering van de gewijzigde motie
van het lid Ceder over meer meesters behouden voor het onderwijs16. Zijn er afspraken gemaakt met het werkveld? Deze leden vragen naar de verdeling
van het totale budget voor de zevende aanvraagronde van de Subsidieregeling praktijkleren
in derde leerweg tussen de goedgekeurde praktijkplaatsen voor studenten vanuit opleidingen
die gericht zijn op respectievelijk een volledig diploma, een certificaat of een praktijkverklaring.
Klopt het dat minder dan 20 procent van het totale subsidiebedrag terechtkomt bij
werkgevers die een praktijkplaats gericht op een praktijkverklaring aanbieden en daarmee
dus voor mensen voor wie een mbo-diploma of certificaat (nog) niet haalbaar is? Acht
de Minister het wenselijk dat zo’n relatief klein deel van het totale subsidiebudget
benut wordt om mensen die door het reguliere onderwijs niet worden bereikt toch scholing
te kunnen bieden, terwijl werkgevers die een mbo-student een praktijkplaats aanbieden
ook al een aanvraag kunnen doen bij de subsidieregeling Praktijkleren? Is de Minister
bereid te verkennen hoe kan worden geborgd dat er voldoende budget beschikbaar is
voor werkgevers die leertrajecten aanbieden die afgerond worden met een praktijkverklaring
of mbo-verklaring? Zo nee, waarom niet?
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen of de Minister kan toezeggen om de aangenomen
motie van het lid Ceder over de normen van de WCAG17 en inclusief digitaal ontwerpen opnemen in de inkoopvoorwaarden voor digitale leermiddelen,
leerlingvolgsystemen en leeromgevingen, websites en apps18 uit te voeren? Deze leden lezen dat de Minister beleidsopties gaat verkennen, terwijl
het dictum van de motie concreet vraagt om de normen van de WCAG en inclusief digitaal
ontwerpen op te laten nemen in de inkoopvoorwaarden voor digitale leermiddelen, leerlingvolgsystemen
en leeromgevingen, websites en apps.
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen naar de uitwerking van de € 3 miljoen
die structureel beschikbaar is voor de techniekhavo dankzij het amendement van het
lid Bontenbal c.s.19. Wanneer vindt de besluitvorming plaats over de structurele inzet van deze middelen?
De leden van de ChristenUnie-fractie lezen dat de Staatssecretaris heeft aangegeven
dat het zou kunnen dat door de invoering van de praktijkgerichte havo minder leerlingen
kiezen voor één van de andere profielkeuzevakken, zoals Onderzoek & Ontwerpen (O&O).20 Hoe reflecteert de Staatssecretaris hierop? Wat zijn de gevolgen voor scholen en
de opgebouwde expertise als minder leerlingen kiezen voor deze profielkeuzevakken?
Is de Staatssecretaris bereid om in gesprek te gaan met scholen die dergelijke profielkeuzevakken
aanbieden en vrezen voor een ongelijk speelveld door de aanvullende bekostiging voor
de praktijkgerichte havo en te kijken hoe ongewenste gevolgen kunnen worden ondervangen,
zo vragen deze leden.
Inbreng van de leden van de SP-fractie
Algemeen
De leden van de SP-fractie zien in de beleidsbrief een begin van een omslag van incidentele
naar structurele middelen via bijvoorbeeld gerichte bekostiging. Dit biedt langjarige
zekerheid waar onderwijsinstellingen bij gebaat zijn en zorgt ook voor meer regie
van de politiek op de besteding van middelen. Ziet de Minister dit als aanzet voor
een bredere herziening van de bekostiging van ons onderwijsstelsel waarbij ook bijvoorbeeld
de lumpsumfinanciering ter discussie kan worden gesteld en op termijn geheel kan worden
afgeschaft en vervangen door gerichtere vormen van bekostiging?
Investeren in vakmanschap en teamprofessionalisering
De leden van de SP-fractie merken op dat de Minister verschillende maatregelen neemt
om leraren en schoolleiders aan te trekken en te behouden, bijvoorbeeld door het aantrekkelijker
maken van lerarenopleidingen en te investeren in zij-instromers. Deze leden zien echter
niets terug over de «stille reserve» en welke maatregelen eventueel genomen worden
om deze al bevoegde leerkrachten weer te stimuleren om in het onderwijs aan de slag
te gaan. Kan de Minister toelichten in hoeverre het beleid zich ook op deze kansrijke
groep richt?
De leden van de SP-fractie lezen dat om het lerarentekort terug te dringen, gewerkt
wordt aan het «meer activerend maken van de bovenwettelijke werkloosheidsregelingen».
Kan de Minister toelichten hoe het onaantrekkelijker maken van de arbeidsvoorwaarden
van leerkrachten het beroep aantrekkelijker zal maken? Deze leden roepen de Minister
op niet in te zetten op het verzwakken van de dergelijke regelingen, maar juist op
het voorkomen van werkloosheid onder leerkrachten door in te zetten op goede arbeidsvoorwaarden
en duurzaam personeelsbeleid.
Student: de juiste randvoorwaarden creëren voor het talent van de toekomst
De leden van de SP-fractie vragen wat de uitgangspunten zijn voor de contouren van
een wetsvoorstel voor verplichte stagevergoedingen die nog voor de zomer aan de Kamer
gestuurd zouden worden en komen hier ook de plannen van dit kabinet voor een stagefonds
in terug. Zo nee, wanneer horen we daar meer over?
De basis op orde in het vervolgonderwijs
De leden van de SP-fractie lezen dat het kabinet werkt aan wijziging van de financiering
voor zowel het mbo als voor het hbo en wo om deze minder afhankelijk te laten zijn
van fluctuaties in studentenaantallen. Deze leden zien dit als een positieve ontwikkeling,
maar vragen of bij de wijziging van de financiering ook expliciet gekeken wordt naar
stevigere publieke sturing van en controle op de besteding van middelen? Daarnaast
vragen zij zich af of ook kritisch gekeken wordt naar het beperken of afschaffen van
de lumpsumfinanciering. Deze leidt immers tot negatieve prikkels door de sturing op
studentenaantallen en diplomaproductie in plaats van onderwijskwaliteit en maatschappelijke
behoefte. Deze leden constateren dat in het recente onderzoek van PwC naar varianten
voor het nieuwe bekostigingsstelsel voor het mbo de lumpsumfinanciering21 als zodanig niet ter discussie wordt gesteld. Kan de Minister toelichten waarom daar
niet voor is gekozen?
Onderzoek en innovatie als fundament voor vooruitgang
De leden van de SP-fractie zijn positief over de investering van dit kabinet in onderzoek
en wetenschap, maar hebben daarbij zorgen over de verdeling van de middelen. Hoe ziet
de Minister de verdeling tussen publieke en private investeringen en hoe gaat de Minister
er zorg voor dragen dat er voldoende middelen beschikbaar zijn voor ongebonden onderzoek?
In de praktijk zien we dat veel onderzoek gefinancierd wordt uit een mix van publieke
en private middelen, via de tweede geldstroom (bijvoorbeeld vanuit de NWO) of dat
publieke middelen ingezet worden als matching (bijvoorbeeld bij Europese beurzen).
Is de Minister bereid ook extra te investeren in echt ongebonden onderzoek via de
eerste geldstroom van universiteiten?
De leden van de SP-fractie lezen dat hoewel de bezuinigingen op onderwijs en wetenschap
van het kabinet-Schoof worden teruggedraaid, de verdeling van middelen wellicht anders
zal zijn dan voor de bezuinigingen en dat daarin «lastige keuzes» gemaakt moeten worden.
In hoeverre wordt bij deze nieuwe verdeling rekening gehouden met onderwijs en onderzoek
dat gereorganiseerd of geschrapt is vanwege de bezuinigingen van het kabinet-Schoof
inclusief de staande bezuinigingen van 2026?
De leden van de SP-fractie vragen in hoeverre bij deze nieuwe verdeling rekening wordt
gehouden met bestaande verschillen in financiering in de bèta-, medische en andere
wetenschappen. Kan de Minister de verschillen in langjarige financiering per student
over de verschillende wetenschapsdomeinen in kaart brengen, verantwoorden waarom die
bedragen uiteenlopen en uitleggen hoe ze gaat voorkomen dat deze nog verder uiteen
komen te lopen?
Inbreng van de leden van de Groep Markuszower
De leden van de Groep Markuszower hebben met interesse kennisgenomen van de voorliggende
stukken en wachten de beantwoording van de Minister met belangstelling af.
II Reactie van de Minister en Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
J.C. Koorevaar, voorzitter van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap -
Mede ondertekenaar
L.E.T.M. van Thiel, adjunct-griffier
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.