Inbreng verslag schriftelijk overleg : Inbreng verslag van een schriftelijk over LVVN-inzet in de EU (Kamerstuk 21501-32-1812)
2026D28708 INBRENG VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
Binnen de vaste commissie voor Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur hebben
de onderstaande fracties de behoefte vragen en opmerkingen voor te leggen aan de Minister
van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur over haar brief van 8 juni 2026
over «LVVN-inzet in de EU» (Kamerstuk 21 501-32, nr. 1812).
De voorzitter van de commissie,
Steen
Adjunct-griffier van de commissie,
Bosman
Inhoudsopgave
I
Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de PRO-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de JA21-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de PvdD-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de CU-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie
Vragen en opmerkingen van het lid Keijzer
II
Antwoord/Reactie van de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur
III
Volledige agenda
I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
De leden van de D66-fractie zijn van mening dat kracht en weerbaarheid ontstaan bij
diversiteit: in de natuur, in de economie en in ons voedselsysteem. Hoe afhankelijker
Europa is van slechts enkele landen voor grondstoffen als kunstmest en krachtvoer,
hoe kwetsbaarder het continent is voor externe schokken. De geopolitieke ontwikkelingen
van de afgelopen jaren maken deze kwetsbaarheid pijnlijk zichtbaar. Deze leden zijn
dan ook van mening dat het nieuwe Gemeenschappelijke Landbouwbeleid (GLB) een cruciale
kans biedt om Europese voedselzekerheid structureel weerbaarder te maken door te investeren
in grondgebondenheid, diversificatie van voedselproductie en verduurzaming.
De leden van de D66-fractie hechten specifiek aan grondgebondenheid als middel om
zowel de voedselzekerheid als de natuur- en milieudoelen te versterken. Grondgebonden
landbouw vermindert de afhankelijkheid van externe inputs van buiten Europa zoals
kunstmest en krachtvoer en draagt bij aan een schokbestendiger voedselsysteem. Deze
leden constateren echter dat grondgebondenheid op dit moment geen centrale plek lijkt
te hebben in de Europese GLB-discussie. Is de Minister bereid om grondgebondenheid
als beleidsprioriteit actief te agenderen in de Europese GLB-onderhandelingen? Zo
ja, op welke wijze geeft hij daar concreet invulling aan?
De leden van de D66-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de brieven van
de Minister over de eco-regeling (Kamerstukken 28 625, nrs. 383 en 384). Deze leden onderschrijven het belang van de eco-regeling als instrument voor de
verduurzaming van de landbouw en steunen de inzet van de Minister om de regeling voorspelbaarder
en rechtvaardiger te maken voor deelnemende boeren. De Minister schrijft dat hij de
eco-regeling per 2027 wil aanpassen via een flexibelere punten-instapeis, het afschaffen
van de medaillesystematiek en de uitbetaling van de werkelijk behaalde waarde. Deze
leden juichen deze aanpassingen toe, maar vragen of dit voldoende is om de regeling
ook inhoudelijk scherper te richten op duurzaamheidsdoelen. Overweegt de Minister
naast de aangekondigde aanpassingen ook een inhoudelijke herijking van de set aan
eco-activiteiten en de bijbehorende puntentoekenning, zodat de regeling beter aansluit
op de meest impactvolle verduurzamingsdoelen? Hoe wordt Wageningen University & Research
(WUR) daarin betrokken?
De leden van de D66-fractie constateren dat de eco-activiteit «voedselbos» momenteel
niet voldoende punten oplevert om de eco-premie te ontvangen. Aan voedselbossen is
een biodiversiteitsscore van 1 toegekend door de WUR, waarbij gewezen is op de risico’s
van uitheemse soorten. Deze leden wijzen er echter op dat de WUR in het rapport «Richtlijnen
voor risicobeperking invasieve exoten in agroforestry», opgesteld in opdracht van
het ministerie, heeft geconcludeerd dat het beperkte risico van invasieve exoten niet
opweegt tegen de voordelen van agroforestry voor biodiversiteit en de Nederlandse
natuur, mits de aanbevolen negatieve soortenlijsten worden gehanteerd (WUR, september
2022, «Richtlijnen voor risicobeperking invasieve exoten in agroforestry: Advies voor
het hanteren van een negatieflijst bij aanplant van agroforestry», https://research.wur.nl/en/publications/richtlijnen-voor-risicobeperkin…).
De leden van de D66-fractie hechten aan een zorgvuldige, onafhankelijke onderbouwing
van de puntentoekenning voor eco-activiteiten, maar vragen of de meerwaarde van voedselbossen
voor biodiversiteit bij de huidige score voldoende is gewogen. Is de Minister bereid
om voor het aanvraagjaar 2027 een second opinion van de WUR te vragen over de puntentoekenning
voor de eco-activiteit voedselbos, waarbij expliciet de voordelen voor biodiversiteit
worden afgezet tegen de risico’s van uitheemse soorten, uitgaande van de aanbevelingen
uit het eerdergenoemde agroforestry-rapport? Tot slot vragen deze leden hoe de Minister
de relatie ziet tussen de huidige nationale eco-regeling en de toekomstige GLB-systematiek,
die in het voorstel van de Europese Commissie (EC) voor 2028–2034 de eco-regelingen
en het Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer (ANLb) samenvoegt in één systeem van
vrijwillige agromilieu- en klimaatacties. Deze leden zijn van mening dat het behoud,
de verbreding en de versterking van een ambitieuze eco-regeling cruciaal zijn voor
een duurzame, weerbaardere landbouw.
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van de brieven over de Nederlandse
inzet in de Europese Unie (EU) op het terrein van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid
en Natuur (LVVN), de reactie op het Deense EU-voorzitterschap, de stand van zaken
van het LB en de eco-regeling. Deze leden onderschrijven het belang van een sterke
landbouw- en visserijsector die kan rekenen op een gelijk speelveld, ruimte voor innovatie
en een toekomstbestendig verdienvermogen. Zij hebben naar aanleiding van de stukken
nog enkele vragen.
EU-stresstest Vogel- en Habitatrichtlijn
De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de aangekondigde
Europese stresstest van de Vogel- en Habitatrichtlijn. Deze leden zien hierin een
belangrijke kans om de uitvoerbaarheid van de Europese natuurwetgeving en de gevolgen
daarvan voor vergunningverlening kritisch te evalueren. Zij constateren dat de C hierbij
expliciet kijkt naar de toepassing van artikel 6 van de Habitatrichtlijn en de gevolgen
daarvan voor Natura 2000-gebieden, passende beoordelingen en vergunningverlening.
Deze leden vragen hoe de Minister deze stresstest beoordeelt. Welke concrete Nederlandse
inzet kiest het kabinet in dit traject? Is de Minister voornemens de Nederlandse knelpunten
rond vergunningverlening, die mede zijn ontstaan door de opeenstapeling van jurisprudentie
rondom artikel 6 van de Habitatrichtlijn, nadrukkelijk onder de aandacht van de EC
te brengen? Deze leden vragen voorts of de Minister bereid is zich ervoor in te zetten
dat projecten die aantoonbaar leiden tot emissiereductie eenvoudiger vergund kunnen
worden. Ook vragen zij of de Minister mogelijkheden ziet om meer duidelijkheid te
verkrijgen over de beoordeling van significante effecten en meer rechtszekerheid te
creëren voor maatregelen die op gebieds- of systeemniveau leiden tot stikstofreductie.
Daarnaast vragen zij of de Kamer periodiek geïnformeerd kan worden over de voortgang
van de stresstest en de Nederlandse inzet daarbij.
Mest, derogatie en Renure
De leden van de VVD-fractie steunen de inzet van het kabinet om in Europees verband
te werken aan toelating van Renure, aanpassing van de Nitraatrichtlijn en het verkrijgen
van een nieuwe derogatie. Deze leden constateren tegelijkertijd dat het kabinet zelf
aangeeft dat gesprekken met de EC tot op heden niet hebben geleid tot een wijziging
van de Europese positie. Kan de Minister aangeven welke concrete signalen hij momenteel
ontvangt vanuit de EC en andere lidstaten over de kansen voor Renure en een nieuwe
derogatie? Voorts vragen deze leden welke alternatieve scenario’s het kabinet voorbereidt
indien een nieuwe derogatie uitblijft. Wat zijn in dat geval de gevolgen voor grondgebonden
melkveebedrijven en de mestmarkt? Daarnaast vragen deze leden welke coalities Nederland
momenteel vormt met andere lidstaten om te komen tot aanpassing van de Nitraatrichtlijn
en een meer doelgerichte benadering van nutriëntenbeleid.
Eco-regeling
De leden van de VVD-fractie constateren dat de eco-regeling een belangrijk instrument
is binnen het GLB om boeren te belonen voor verduurzamingsinspanningen. Tegelijkertijd
hebben veel boeren de afgelopen periode zorgen geuit over afkeuringen van eco-activiteiten
en de werking van het Areaalmonitoringssysteem (AMS). Deze leden zijn positief over
de toezegging van de Minister om alle 1.345 dossiers waarin afwijzing van de eco-activiteit
Groenbedekking heeft geleid tot een lagere premie alsnog handmatig te beoordelen.
Zij vragen of de Minister inmiddels kan aangeven in hoeveel gevallen deze aanvullende
beoordeling heeft geleid tot aanpassing van de beschikking. Zij vragen daarnaast of
de Minister bereid is ook andere eco-activiteiten waarbij bodembedekking een belangrijke
voorwaarde is, zoals Groenbemesting, in vergelijkbare situaties van een menselijke
beoordeling te voorzien. Uit voorlopige gegevens van de Rijksdienst voor Ondernemend
Nederland (RVO) blijkt volgens de Land- en Tuinbouworganisatie (LTO) dat het aantal
deelnemers aan de eco-regeling in 2026 met ruim 6 procent afneemt ten opzichte van
het voorgaande jaar. Welke conclusies verbindt de Minister aan deze ontwikkeling?
Deelt de Minister de opvatting dat een brede deelname aan de eco-regeling essentieel
is voor het realiseren van verduurzamingsdoelen binnen de landbouw? Welke aanvullende
maatregelen overweegt hij om deelname aantrekkelijk te houden? Voorts vragen deze
leden of de Minister blijft vasthouden aan het gebruik van het AMS-systeem? Welke
verbeteringen worden momenteel doorgevoerd om fouten in de beoordeling van dood of
verdroogd gewas te voorkomen?
De leden van de VVD-fractie vragen tevens wat de wetenschappelijke basis is voor de
eis dat groenbedekking op minimaal 80 procent van een perceel aanwezig moet zijn.
In hoeverre wordt daarbij rekening gehouden met verschillen in bodemtype, droogte,
wateroverlast en andere weersomstandigheden?
De leden van de VVD-fractie vragen daarnaast of de Minister bereid is bij de beoordeling
van aanvragen in 2026 rekening te houden met uitzonderlijke weersomstandigheden en
ervoor te zorgen dat boeren zo vroeg mogelijk worden geïnformeerd wanneer een perceel
mogelijk niet aan de voorwaarden voldoet, zodat zij tijdig hun aanvraag kunnen aanpassen
of een beroep kunnen doen op overmacht.
Toekomstig GLB
De leden van de VVD-fractie constateren dat de voorbereidingen voor het GLB na 2027
in volle gang zijn. Deze leden vinden het van belang dat het toekomstige GLB eenvoudiger
wordt, minder administratieve lasten oplevert en beter aansluit bij de praktijk op
het boerenbedrijf. De Minister geeft aan dat verschillende knelpunten rond samenwerking
tussen melkveehouders en akkerbouwers beter kunnen worden meegenomen bij de vormgeving
van het GLB na 2027. Kan de Minister aangeven welke concrete wijzigingen Nederland
hiervoor in Brussel wil bepleiten? Daarnaast vragen deze leden hoe het kabinet zich
ervoor inzet dat innovatie, kennisontwikkeling en samenwerking ook in het toekomstige
GLB stevig verankerd blijven. Zij wijzen daarbij onder meer op het belang van het
Europees Innovatiepartnerschap en andere samenwerkingsinstrumenten.
De leden van de VVD-fractie vragen daarnaast hoe Nederland zich in de onderhandelingen
over het toekomstige GLB zich inzet voor een gelijk Europees speelveld op het gebied
van verduurzamingsmaatregelen. Welke mogelijkheden ziet de Minister om ervoor te zorgen
dat boeren die bijdragen aan natuur-, milieu en klimaatdoelen hiervoor passend worden
beloond, zonder dat dit leidt tot concurrentienadelen voor Nederlandse ondernemers?
Visserij en innovatie
De leden van de VVD-fractie onderschrijven het belang van een toekomstbestendige visserijsector
met ruimte voor innovatie. Deze leden steunen de inzet van het kabinet om in Europees
verband aandacht te blijven vragen voor pulsvisserij en andere innovatieve technieken.
Kan de Minister aangeven welke concrete stappen sinds het verschijnen van de EU-inzetbrief
zijn gezet om draagvlak te verwerven voor hernieuwde discussie over pulsvisserij?
Welke lidstaten tonen zich hierbij ontvankelijk? Daarnaast vragen zij welke kansen
de lopende evaluatie van het Gemeenschappelijk Visserijbeleid (GVB) biedt om innovatie,
verduurzaming en vermindering van administratieve lasten beter te faciliteren.
Regeldruk en uitvoerbaarheid
De leden van de VVD-fractie ondersteunen de inzet van het kabinet om Europese regelgeving
eenvoudiger en beter uitvoerbaar te maken voor boeren, tuinders en vissers. Deze leden
constateren dat dit een belangrijke prioriteit vormt binnen de Nederlandse EU-inzet.
Zij vragen welke concrete resultaten inmiddels zijn geboekt op het gebied van vermindering
van administratieve lasten en vereenvoudiging van regelgeving. Welke Nederlandse voorstellen
zijn inmiddels overgenomen in Europese wetgeving of voorstellen, waaronder de recente
vereenvoudigingen binnen het GLB?
Vragen en opmerkingen van de leden van de PRO-fractie
De leden van de PRO-fractie hebben kennisgenomen van de LVVN-inzet in de U. Deze leden
hebben vragen en opmerkingen over de herziening van het GLB, de steun voor groene
activiteiten en de onderhandelingsstrategie in Brussel.
De leden van de PRO-fractie zijn van mening dat publiek geld ten alle tijden moet
bijdragen aan het behalen van publieke doelen. In de motie-Bromet/Podt (Kamerstuk
21 501-32, nr. 1780) wordt gepleit voor het verlagen van de bandbreedte voor inkomenssteun om zo de ruimte
voor ecosysteemdiensten te vergroten. Deze leden vragen de Minister hoe zij deze motie
uitvoert en op welke momenten hij kansen ziet om dit als zijn inbreng mee te geven.
Het is volgens hen van belang dat zowel de boven- en ondergrens kan worden verlaagd.
Is dit ook hoe de Minister de eerdergenoemde motie leest? Ook stellen deze leden de
generieke hectarepremies ter discussie. Volgens hen is dit een voorbeeld van ongerichte
steun die beter gericht voor publieke belangen ingezet kunnen worden. Is de Minister
het daar mee eens? Daarnaast vragen zij met welke EU-lidstaten de Minister op dit
punt samenwerkt of voornemens is samen te werken.
De leden van de PRO-fractie zijn voorstander van het inzetten van het GLB-budget om
de natuur te versterken. Deze leden pleiten ervoor om hiertoe zo veel als mogelijk
budget te oormerken voor groene en juridische doelen (zoals beschreven in artikel
10 van de GLB-verordening). Welke mogelijkheden ziet de Minister om, met behoud van
het huidige budget, alsnog meer middelen vrij te maken voor groene en juridische doelen?
De leden van de PRO-fractie vragen daarnaast of de vrije ruimte in de Nationale en
Regionale Partnerschapsplannen (NRPP) kan worden besteed aan het behalen van de doelen
uit de Natuurherstelverordening. Ziet de Minister kansen om de vrije ruimte hier (nog
meer) voor te benutten? Zo ja, hoe kan dit tot inzet worden gemaakt in Europees verband?
De Minister spreekt in de Kamerbrief van «synergie» tussen verschillende doelen. Wat
wordt hiermee bedoeld?
De leden van de PRO-fractie maken zich zorgen over het halen van de juridische doelen
voor de natuur. In de Kamerbrief over de EU-inzet (Kamerstuk 21 501-32, nr. 1812) schrijft de Minister: «Ook kijken we binnen de onderhandelingen over het volgend
Meerjarig Financieel Kader (MFK) hoe EU-middelen optimaal kunnen bijdragen aan de
uitvoering van Europese natuurwetgeving.» Deze leden vragen de Minister om dit uitgebreider
toe te lichten. Hoe zouden EU-middelen optimaal voor dit doel benut kunnen worden?
Welke mogelijkheden ziet de Minister om op dit punt invloed uit te oefenen? Zij vragen
welk aandeel van de EU-middelen realistisch gezien zouden kunnen worden geoormerkt
voor dit doel.
De leden van de PRO-fractie lezen dat «de ambities van LVVN dwinge[n] tot duidelijke
en betrouwbare beleidskeuzes op nationaal niveau.» Uiteraard steunen deze leden dit,
maar zij vragen wat de Minister verstaat onder «duidelijk» en «betrouwbaar.» Zij wijzen
erop dat de EC vorig jaar nog Nederland tot de orde heeft geroepen om vaart te maken
met het verduurzamen van de landbouw en het verlagen van stikstofuitstoot. Zij zijn
benieuwd welke gevolgen het niet consequent niet halen van deze doelen heeft op de
geloofwaardigheid en slagkracht van Nederland in Europees verband. Hoe verwacht de
Minister te bewijzen dat Nederland de doelen wel gaat halen? Wanneer ligt er een pakket
dat dusdanig stevig is dat het acceptabel is voor de EC?
De leden van de PRO-fractie snappen dat na het kabinet-Schoof, waarin het natuur-
en stikstofbeleid getraineerd en gefrustreerd werd, het kabinet-Jetten zich richt
op het herstellen van de vertrouwensband in Europa. Echter wijzen deze leden erop
dat vertrouwen herstellen niet als gevolg mag hebben dat Nederland zich neerlegt bij
voorstellen en compromissen waar eigenlijk niet achter staat. Kan de Minister concreet
maken hoe het belang van relatiemanagement de onderhandelingen die Nederland voert
beïnvloedt? Hoe kan de Minister kritisch zijn op voorstellen van de EC en andere lidstaten
als dit belang ook zwaar weegt?
De leden van de PRO-fractie steunen een ambitieuze, onversneden groene agenda in Europees
verband, waar het versterken van de natuur het zwaarstwegende belang is. Is de Minister
het hiermee eens?
Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie
Algemeen
De leden van de PVV-fractie hebben met kritische belangstelling kennisgenomen van
de geagendeerde stukken. Hoewel het huidige kabinet inmiddels meer dan 100 dagen actief
is en spreekt over een actieve en strategische aanpak in de EU, vragen deze leden
wat de concrete resultaten tot nu toe zijn voor de Nederlandse boer en visser. Zij
constateren dat er veelvuldig gesproken wordt over het aftasten van dossiers en constructieve
dialogen, maar dat de druk vanuit Brussel op de Nederlandse voedselproductie onverminderd
groot blijft. Kan het kabinet toelichten welke tastbare verbeteringen in de Brusselse
regelgeving zij na deze eerste periode voor de sector heeft weten te verzilveren?
LVVN-inzet in de EU (Kamerstuk 21 501-32, nr. 1691)
De leden van de PVV-fractie maken zich grote zorgen ten aanzien van de toekomst van
het GLB na 2027 over het «Single Fund» of «Single National Plan» idee van de EC. Dit
plan beoogt landbouwsubsidies te koppelen aan brede nationale hervormingen op gebieden
als de woningmarkt of de rechtsstaat, wat de voorspelbaarheid en stabiliteit voor
de sector ondermijnt.
De leden van de PVV-fractie vragen of de Minister bereid is zich onvoorwaardelijk
aan te sluiten bij de elf lidstaten, waaronder Italië en Frankrijk, die zich expliciet
hebben uitgesproken voor het behoud van de twee-pijlerstructuur en een gereserveerd
budget voor het GLB en het GVB. Kan de Minister garanderen dat de Nederlandse inzet
voor het MFK een formeel veto bevat tegen elke koppeling van landbouwgelden aan niet-sectorrelevante
hervormingen?
Nitraatrichtlijn en het mestdossier
De leden van de PVV-fractie vragen of in plaats van telkens te blijven inzetten op
het «smeken» om tijdelijke uitzonderingen (derogatie) die door de EC als onvoldoende
worden gewogen de Minister bereid is de Nitraatrichtlijn fundamenteel aan te vechten.
Deelt de Minister de mening dat het beleid gebaseerd moet zijn op de werkelijke waterkwaliteit
in plaats van op verouderde, generieke Brusselse normen?
Reactie op het EU-voorzitterschap van Denemarken en de Grøn Trepart (Kamerstuk 21 501-32, nr. 1707)
De leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van het Deense Landbouwakkoord, waarin
een CO2-heffing op vee wordt ingevoerd die oploopt tot 40 euro per ton CO2-equivalent in 2035. Hoewel de Minister aangeeft dat dit akkoord niet direct toepasbaar
is op Nederland, spreekt hij wel over innovatiesamenwerking en afrekenbare normen
voor broeikasgassen. Kan de Minister klip en klaar uitsluiten dat er, naar Deens voorbeeld,
ooit een CO2-heffing of andere extra belasting op de Nederlandse veestapel of voedselproductie
zal worden ingevoerd?
Financieel Kader (MFK) en het «Single Fund»
De leden van de PVV-fractie maken zich grote zorgen over het «Single Fund»-concept
van de EC, waarbij landbouwsubsidies dreigen te worden gekoppeld aan brede nationale
hervormingen op gebieden als de woningmarkt. Kan de Minister garanderen dat de Nederlandse
inzet voor het MFK een formeel veto bevat tegen elke vorm van koppeling van landbouwgelden
aan niet-sectorrelevante hervormingen, om zo de stabiliteit en voorspelbaarheid voor
onze boeren te waarborgen?
Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) in 2026 (Kamerstuk 28 625, nr. 380)
De leden van de PVV-fractie wijzen op de uitvoering van de motie-Flach (Kamerstuk
36 600 XIV, nr. 55) over de consistentie in vergoedingen voor de eco-regeling. Kan de Minister bevestigen
dat, ondanks de budgetverhoging van 50 miljoen euro voor 2026, lagere tarieven nog
steeds niet kunnen worden uitgesloten bij een hoge inschrijving?
De leden van de PVV-fractie vragen ook naar de voortgang van de motie-Grinwis (Kamerstuk
30 252, nr. 182) over samenwerking tussen akkerbouwers en melkveehouders. Waarom worden structurele
wijzigingen om samenwerking in het GLB te faciliteren pas meegenomen voor de periode
post-2027, terwijl de noodzaak nu hoog is?
De leden van de PVV-fractie constateren wat betreft de uitvoering van het GLB dat
het AMS en het gebruik van algoritmes leiden tot massale afwijzingen en een onterechte
bewijslast bij de boer leggen. Hoe rijmt de Minister het voornemen om vanaf 2027 een
strenger sanctiebeleid zonder waarschuwingen in te voeren met haar ambitie om het
vakmanschap van de boer te waarderen en de regeling minder bureaucratisch te maken?
Reactie op brief Cumela inzake het GLB (Kamerstuk 28 625, nr. 382)
De leden van de PVV-fractie steunen de oproep van brancheorganisatie Cumela voor betere
mogelijkheden om innovaties gezamenlijk te benutten. Kan de Minister toelichten waarom
de GLB-steun primair gericht blijft op individuele agrariërs, terwijl juist de loonwerksector
een cruciale rol speelt bij de verspreiding van innovatieve technieken op het erf?
Stand van zaken Eco-regeling (Kamerstuk 28 625, nr. 383)
De leden van de PVV-fractie uiten hun grote ongenoegen over de werking van het AMS
en het gebruik van algoritmes die leiden tot massale afwijzingen. Het feit dat er
1.345 dossiers van de activiteit «Groenbedekking» alsnog handmatig moeten worden beoordeeld
na de motie-Koorevaar c.s. (Kamerstuk 21 501-32, nr. 1789), bewijst volgens deze leden dat de techniek niet feilloos is. Zij vragen waarom
de bewijslast volledig bij de boer wordt gelegd via ingewikkelde bezwaarprocedures
als het algoritme (bijvoorbeeld bij doodgevroren gewas) faalt.
De leden van de PVV-fractie vragen ook een reactie op het voornemen om vanaf 2027
een strenger sanctiebeleid in te voeren zonder waarschuwingen vooraf. Hoe rijmt de
Minister dit met haar zijn ambitie om de regeling voorspelbaarder te maken en het
vakmanschap van de boer te waarderen? Kan de Minister garanderen dat de voorgenomen
afschaffing van de medaille-systematiek (brons, zilver, goud) in 2027 niet zal leiden
tot een verdere bureaucratisering of een feitelijke verlaging van de totale uitbetalingen
aan boeren?
Overige
De leden van de PVV-fractie verwachten van het kabinet dat zij in Brussel niet langer
als het braafste sulletje van de klas acteert, maar de belangen van de Nederlandse
voedselzekerheid en onze boerenstand met kracht verdedigt tegen de oprukkende regelzucht
van de EC.
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de agenda voor het schriftelijk
overleg EU-LVVN en hebben hierbij nog enkele vragen.
De leden van de CDA-fractie willen de Minister vragen naar zijn inschatting van de
onderhandelingen van het GLB. Welke risico’s ziet de Minister voor tijdige invoering
van het nieuwe GLB per 1 januari 2028, mede in het licht van de moeizaam verlopende
MFK-onderhandelingen en de ervaringen met de uitgestelde invoering van het huidige
GLB?
De leden van de CDA-fractie merken op dat Nederland een uniek platteland heeft met
eigen sociaaleconomische uitdagingen. Hoe zet de Minister zich in de onderhandelingen
in Europa specifiek in voor plattelandsgemeenschappen wat recht doet aan de kenmerken
van het Nederlandse platteland?
De leden van de CDA-fractie hebben geconstateerd dat in het huidige GLB en door Eurocommissaris
voor Landbouw Christophe Hansen wordt ingezet op het stimuleren en versterken van
de positie van vrouwen in de landbouw en op het platteland. Hoe zet de Minister daar
in Nederland op in? Hoe gaat de Minister zich daarvoor inzetten in de onderhandelingen
richting het nieuwe GLB?
De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de reactie van de Minister op
de brief van Cumela over het verbreden van het GLB naar loonwerkers en ketenpartners.
Is de Minister bereid zich in de onderhandelingen over het MFK 2028–2034 in te zetten
voor GLB-toegang voor loonwerkers en ketenpartners zodat ook deze partijen hun bijdrage
kunnen leveren aan innovatie en verduurzaming?
De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de reactie van de Minister over
de herbeoordeling van eco-regelingen naar aanleiding van de motie-Koorevaar (Kamerstuk
21 501-32, nr. 1789). Deze leden vragen zich af wat de reden was dat 2 procent van de afgekeurde eco-regelingen
na menselijke beoordeling alsnog is toegekend. Ook vragen zij hoe groot de groep ondernemers
was die hun goud- of zilverstatus verloren doordat één eco-activiteit werd afgekeurd.
Is de Minister bereid dit systeem te herzien als blijkt dat de financiële consequenties
van afkeuringen door het medaillesysteem niet in verhouding staan met de afkeuring
van een enkele activiteit? Ook zijn zij benieuwd hoe de Minister de daling van 6 procent
in het aantal ondernemers dat zich aanmeldt voor eco-regelingen duidt en wat hij gaat
doen om de eco-regelingen weer populairder te maken.
Vragen en opmerkingen van de leden van de JA21-fractie
De leden van de JA21-fractie hebben kennisgenomen van de agenda voor het schriftelijk
overleg EU-LVVN.
De leden van de JA21-fractie hebben kennisgenomen van de brief over het GLB in 2026.
Voor veel agrariërs zijn GLB-gelden van groot belang voor inkomen, bedrijfszekerheid
en voedselproductie. De Minister schrijft dat agrariërs in 2026 bij vergelijkbare
deelname kunnen rekenen op 171 euro basispremie per hectare en eco-premies van 60,
100 en 200 euro. Tegelijk sluit de Minister lagere tarieven niet uit bij hogere inschrijving.
Deze leden vragen de Minister daarom of kan worden gegarandeerd dat de GLB-gelden
in 2026 en 2027 op niveau blijven. Zo nee, welke risico’s ziet de Minister concreet
voor verlaging van de basispremie of eco-premies? Ook vragen zij hoe de Minister voorkomt
dat agrariërs relatief laat duidelijkheid krijgen over de uiteindelijke tarieven.
Kan de Minister toezeggen dat agrariërs tijdig zekerheid krijgen over budget, voorwaarden
en vergoedingen? Tot slot vragen zij hoe de Minister zich in Brussel inzet voor een
sterk GLB na 2027.
De leden van de JA21-fractie lezen dat het kabinet in Europees verband wil blijven
werken aan acceptatie van vaccinatie tegen hoogpathogene vogelgriep. Deze leden steunen
inzet op preventie.
De leden van de JA21-fractie vragen de Staatssecretaris hoe binnen de EU-draagvlak
wordt gecreëerd voor vaccinatie tegen vogelgriep. Welke lidstaten steunen deze lijn
inmiddels en waar bestaan nog bezwaren? Ook vragen deze leden hoe de Staatssecretaris
ervoor zorgt dat er voldoende zicht blijft op handel met belangrijke afzetlanden binnen
en buiten de EU. Worden hierover concrete afspraken gemaakt voordat vaccinatie breder
wordt toegepast?
De leden van de JA21-fractie vragen verder op welke schaal kuikens of legkippen op
dit moment worden gevaccineerd en hoe de Staatssecretaris de verdere opschaling voor
zich ziet. Wanneer ontvangt de Kamer het aangekondigde plan voor bredere toepassing
van vaccinatie tegen vogelgriep?
Vragen en opmerkingen van de leden van de PvdD-fractie
De leden van de PvdD-fractie hebben kennisgenomen van de agenda voor het schriftelijk
overleg EU-LVVN en hebben hier nog enkele vragen over.
Gemeenschappelijk landbouwbeleid
De leden van de PvdD-fractie hebben kennisgenomen van de EU-inzet van de Minister
omtrent het GLB. Eerder gaf de Minister aan dat publieke gelden wat hem betreft moeten
worden ingezet «waar ze het meeste verschil kunnen maken», waarbij hij denkt aan natuur
en milieu (Kamerstuk 21 501-32, nr. 1794). Tegelijkertijd zien deze leden dat het GLB vooral wordt gebruikt om het huidige
landbouwsysteem in stand te houden en zijn de aanzetten tot vergroening in hoge mate
symbolisch zijn gebleken. Erkent de Minister dat het huidige GLB-instrumentarium tekortschiet
wat betreft doelmatigheid? Kan de Minister aangeven hoe hij zich ervoor gaat inzetten
dat de GLB-gelden zullen worden gebruikt voor de transitie naar een toekomstbestendige
landbouw, in plaats van het in stand houden van het huidige systeem?
De leden van de PvdD-fractie vragen de Minister of hij zich inzet voor het afschaffen
van de hectarebetalingen, aangezien dit geld voor een groot deel bij de grootste landbouwbedrijven
en landeigenaren terecht komt.
De leden van de PvdD-fractie vragen de Staatssecretaris of hij binnen het nieuwe GLB
ruimte ziet voor het gebruik van middelen voor de transitie naar een dierwaardige
veehouderij? Zo ja, op welke manier? Zo nee, waarom niet? Is hij bereid om dierwaardigheid
expliciet mee te nemen in het nationale GLB-programma?
De leden van de PvdD-fractie vragen waarom de transitie naar biologische, gifvrije
landbouw niet is opgenomen in de LVVN-inzet van dit kabinet in de EU. Onderschrijft
de Staatssecretaris het belang van de transitie naar landbouw zonder schadelijke bestrijdingsmiddelen,
zowel op nationaal als op Europees niveau? Ziet de Staatssecretaris ruimte om meer
GLB-middelen in te zetten voor de transitie naar biologische landbouw? Ziet de Minister
ruimte om, in het kader van de eiwitstrategie, meer GLB-middelen in te zetten voor
het telen van gewassen zoals bonen en erwten, en andere duurzame teelten, zoals vlas
en hennep?
Herziening Europese dierenwelzijnsregelgeving
De leden van de PvdD-fractie constateren dat de EC een niet-wetgevende veeteeltstrategie
heeft aangekondigd, met daarin aspecten die raken aan dierenwelzijn. Wat verwacht
de Staatssecretaris van de veeteeltstrategie? Hoe verhoudt deze strategie zich met
de aangekondigde herzieningen van de Europese dierenwelzijnsverordeningen, die al
jarenlang worden aangekondigd maar nog altijd niet zijn gepubliceerd?
De leden van de PvdD-fractie roepen de Minister op om opnieuw en zeer krachtig te
pleiten voor een snelle publicatie van alle beloofde voorstellen.
Visserij
De leden van de PvdD-fractie lezen dat de Staatssecretaris een herziening van het
GVB van belang vindt. Deze leden roepen met klem op om te waarborgen dat er niet opnieuw
een omnibus komt die leidt tot verslechtering van de bescherming van de natuur, in
dit geval onze zeeën en oceanen. Zij ontvangen graag een reactie op dit punt. Zij
wijzen er tevens op dat de wetenschappelijke consensus laat zien dat vissen pijn kunnen
lijden. Desondanks is er geen wettelijke bescherming om het lijden van vissen tegen
te gaan. Kan de Staatssecretaris aangeven voor welke vissenwelzijnsmaatregelen hij
zich zal inzetten op Europees niveau en bij een eventuele herziening van het GVB?
Bont
De leden van de PvdD-fractie constateren dat de EC naar verwachting op korte termijn
zal aangeven hoe zij de toekomst van de bontindustrie in de EU voor zich ziet en dat
de signalen erop wijzen dat de EC afkoerst op aanscherping van welzijnsstandaarden
in de bontfokkerijen in plaats van een productie- en importverbod. Deze leden wijzen
erop dat ruim 1,5 miljoen Europeanen het burgerinitiatief «Fur Free Europe» hebben
ondertekend, dat uitdrukkelijk oproept tot een EU-breed verbod. Vindt het kabinet
dat met aanscherpingen van welzijnsstandaarden recht wordt gedaan aan het burgerinitiatief
Bontvrij Europe, dat door ruim 1,5 miljoen Europeanen is ondertekend? Is het kabinet
voornemens om uit te spraken dat zo’n aanpak onvoldoende is? Blijft Nederland zich
hardmaken voor een EU-breed fok- en importverbod? Zo ja, hoe? De meeste lidstaten,
waaronder Nederland, hebben bontfokkerij al uitgefaseerd, of zijn bontfokkerijen aan
het uitfaseren. Hoe beoordeelt het kabinet de kans dat de EC een meerderheid vindt
voor een voorstel om (slechts) welzijnsstandaarden te verhogen, ook met oog op een
gelijk speelveld en de onwenselijkheid dat nertsenhouders zich verplaatsen van lidstaten
met een verbod naar lidstaten zonder een verbod? Hoe zwaar hechten andere lidstaten
die al een nationaal verbod hebben ingesteld aan een Europees verbod? Is er een meerderheid
te vinden in de Europese Raad voor een fok- en importverbod?
De leden van de PvdD-fractie vragen welke concrete stappen het kabinet zal ondernemen
als de EC afziet van een fok- en importverbod voor bont. Tevens vragen deze leden
naar de stand van zaken omtrent de aangenomen motie-Van Esch (Kamerstuk 36 254, nr. 16) waarmee de regering wordt verzocht om met een plan te komen om producten waarin
bont, dons van levend geplukte dieren, angorawol of kangoeroeleer is verwerkt, uit
de Nederlandse winkels te weren. Zij wijzen erop dat uit onderzoek is gebleken dat
deze productie gepaard gaat met structurele dierenwelzijnsrisico’s en certificeringssystemen
onvoldoende effectief zijn (Kamerstuk 2025D48257). De toenmalige Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat (I&W) stelde dat
dit «aanknopingspunten» bevat voor onder meer regulering van verkoop en import van
materialen met ernstige dierenwelzijnsproblemen (Kamerstuk 32 852, nr. 394). Deze leden verzoeken de Staatssecretaris om, in samenwerking met de bewindspersoon
van I&W, alsnog uitvoering te geven aan de aangenomen motie en met een plan te komen
om deze producten die leiden tot vreselijk dierenleed uit de Nederlandse winkels te
weren.
Huis- en hobbydierenlijst
De leden van de PvdD-fractie constateren dat het College van Beroep voor het bedrijfsleven
(CBb) op 28 mei jongstleden de uitspraak heeft gedaan in de procedure rondom de Nederlandse
huis- en hobbydierenlijst voor zoogdieren (ECLI:NL:CBB:2026: nrs. 210 t/m 213). Het
CBb heeft daarbij bevestigd dat de gehanteerde wetenschappelijke beoordelingsmethode
gebruikt kan worden voor het bepalen van welke diersoorten geschikt zijn om als huisdier
te houden. Het stemt deze leden positief dat er eindelijk, na jarenlang onderzoek,
een wetenschappelijke, objectieve methodiek is die juridisch houdbaar is.
De leden van de PvdD-fractie zijn van mening dat nu er een juridisch houdbare methodiek
is, er, conform de wens van de Kamer, zo spoedig mogelijk werk moet worden gemaakt
van een nationale positieflijst voor de andere diercategorieën, waaronder reptielen,
vogels en vissen. Daarnaast wijzen de leden erop dat de handel in exotische dieren
bij uitstek een grensoverschrijdend karakter heeft en dat het belangrijk is om niet
alleen een sterke nationale positieflijst in te voeren, maar ook een EU-brede positieflijst.
De leden van de PvdD-fractie vragen de Staatssecretaris hoe hij de recente uitspraak
van het CBb betrekt bij zijn inzet in de Raad en in bilaterale gesprekken met Ministers
van andere lidstaten. Is de Staatssecretaris bereid de positieve ervaringen met de
Nederlandse positieflijst actief onder de aandacht te brengen in Europa? Zo nee, waarom
niet?
De leden van de PvdD-fractie vragen de Staatssecretaris voorts of hij bereid is zich
in Europees verband concreet in te zetten voor de totstandkoming van een EU-brede
positieflijst voor huis- en hobbydieren.
Vragen en opmerkingen van de leden van de CU-fractie
De leden van de CU-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de onderliggende
stukken en hebben diverse vragen.
De leden van de CU-fractie zijn benieuwd naar de inzet van de Minister in de EU op
het gebied van agrarisch natuur en landschapsbeheer. Deze leden hebben grote waardering
voor het ANLb en andere regelingen om boeren een eerlijke vergoeding te geven voor
natuur en landschapsbeheer. Zij hebben vragen over de prikkels die uitgaan van de
huidige vormgeving van de GLB-voorstellen binnen het MFK. Inkomenssteun kan volledig
uit het Europese GLB-budget worden gefinancierd, terwijl voor maatregelen onder artikel
10, waaronder het ANLb en de eco-regeling komen te vallen, verplichte nationale cofinanciering
van 30 procent geldt.
De leden van de CU-fractie zien dat hierdoor minder makkelijk geld vanuit het GLB
beschikbaar komt voor ANLb en de eco-regeling. Daarnaast beloont inkomenssteun in
de vorm van hectarepremies primair het bezit van grond en heeft het een opdrijvend
effect op grondprijzen. Kan de Minister reflecteren op dit verschil en de gevolgen
daarvan voor de inzet op natuur- en milieudoelen? Is de Minister bereid in EU-verband
te pleiten voor het afschaffen of verlagen van de verplichte nationale cofinanciering
voor artikel 10-maatregelen? Welke andere mogelijkheden ziet hij om in EU-verband
te pleiten voor een eerlijke vergoeding voor agrarisch natuurbeheer?
De leden van de CU-fractie hebben ook vragen over de voorgestelde herschikking binnen
het GLB, waarbij wordt voorgesteld om de pijlers te laten vervallen en waardoor de
eco-regeling en ANLb uit dezelfde pot worden gefinancierd (artikel 10 van de GLB-verordening).
Klopt het dat hiermee de middelen voor agrarisch natuurbeheer relatief kleiner worden?
Acht de Minister dit wenselijk? Is de Minister bereid te pleiten voor het vergroten
van de ruimte binnen het herziene GLB voor beloning van ecosysteemdiensten middels
agrarisch natuurbeheer door de bandbreedte voor inkomenssteun stapsgewijs te verlagen,
in lijn met de aangenomen motie-Bromet/Podt (Kamerstuk 21 501-32 nr. 1780)? Is de Minister bereid zich in EU-verband in te zetten voor een gerichte oormerking
van middelen binnen artikel 10 van de GLB-verordening?
De leden van de CU-fractie zijn ook benieuwd naar de inzet van de Minister rondom
de uitvoering van de stress test voor de Vogel- en Habitatrichtlijn door de EC. Hoe
beoordeelt de Minister de aangekondigde stress test van de Vogel- en Habitatrichtlijn?
Is de Minister voornemens om de Nederlandse knelpunten voor vergunningsverlening die
zijn ontstaan door opstapelende jurisprudentie volgend uit de habitatrichtlijn onder
de aandacht te brengen? Is de Minister bereid om in dit kader voorstellen te doen
die de vergunningverlening van projecten die bijdragen aan emissiereductie vergemakkelijken,
meer duidelijkheid geven over de beoordeling van significante effecten en meer rechtszekerheid
bieden voor maatregelen die op gebieds- of systeemniveau leiden tot een vermindering
van stikstofemissies?
Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie
De leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van de geannoteerde agenda voor de
Landbouw- en Visserijraad. Deze leden hebben hierover nog enkele vragen.
De leden van de BBB-fractie constateren dat veel knelpunten voor Nederlandse boeren,
tuinders en vissers hun oorsprong vinden in Europese wet- en regelgeving. Denk daarbij
aan regels rond mest, natuur, gewasbescherming, diergezondheid, waterkwaliteit, visserij
en de steeds verdergaande stapeling van verplichtingen. Kan de Minister aangeven op
welke Europese dossiers hij op dit moment actief inzet op wijziging, vereenvoudiging
of herziening van bestaande Europese wetgeving? Kan de Minister specifiek ingaan op
de inzet van de Minister en de taskforce ten aanzien van het aanpassen van Europese
wet- en regelgeving? Wordt dit spoor nog actief bewandeld, zoals de Ministeriële Commissie
voor Economie en Natuurherstel (MCEN) dit deed en zo ja, op welke concrete punten?
Zo nee, waarom niet? Kan de Minister aangeven welke concrete voorstellen Nederland
in Brussel heeft gedaan of voorbereidt om Europese regelgeving beter uitvoerbaar,
betaalbaar en haalbaar te maken voor boeren, tuinders en vissers? Kan de Minister
aangeven hoe de taskforce prioriteiten stelt? Wordt daarbij vooral gekeken naar juridische
haalbaarheid, naar economische schade voor boeren en vissers, naar uitvoerbaarheid
voor medeoverheden, of naar de snelheid waarmee verlichting kan worden bereikt? Kan
de Minister aangeven met welke lidstaten Nederland optrekt om Europese landbouw- en
natuurregelgeving te vereenvoudigen? Zijn er vaste coalities van gelijkgezinde lidstaten,
en zo ja, op welke dossiers? Kan de Minister aangeven hoe hij de positie van jonge
boeren en bedrijfsopvolgers meeneemt in de Nederlandse inzet in Brussel? Wordt bij
Europese voorstellen standaard gekeken of deze de instroom van jonge boeren bevorderen
of juist verder bemoeilijken? Kan de Minister aangeven hoe vaak hij met de EC spreekt
over de gevolgen van Europese regelgeving voor Nederlandse boeren, tuinders en vissers?
Welke knelpunten heeft hij daarbij het meest nadrukkelijk ingebracht?
Visserij
De leden van de BBB-fractie vragen hoe de Minister de strategische waarde van de Nederlandse
visserijsector beoordeelt voor de voedselzekerheid van Nederland en Europa, gelet
op de geopolitieke ontwikkelingen en het belang van Europese voedselautonomie.
De leden van de BBB-fractie vragen of de Minister deelt dat voedsel uit zee een belangrijke
bijdrage kan leveren aan een robuust, duurzaam en betaalbaar Europees voedselsysteem
en hoe dit wordt ingebracht in de Europese discussies.
De leden van de BBB-fractie vragen wat de stand van zaken is van de uitvoering van
de aangenomen motie-Van der Plas/Den Hollander (Kamerstuk 21 501-32 nr. 1738).
De leden van de BBB-fractie vragen of er inmiddels met andere lidstaten is gesproken
over gezamenlijk onderzoek naar innovatieve visserijtechnieken, waaronder pulsvisserij
en welke concrete resultaten deze gesprekken hebben opgeleverd.
De leden van de BBB-fractie vragen welke regelingen en instrumenten voor verduurzaming
en innovatie van de visserijsector worden meegenomen in de onderhandelingen over het
MFK.
De leden van de BBB-fractie vragen hoe de Staatssecretaris de Europese regelgeving
voor habitattype H1110 interpreteert.
De leden van de BBB-fractie vragen of de Staatssecretaris eerst met zijn Duitse en
Deense collega’s in gesprek wil gaan over de jacht op de zwarte zee-eend voordat mogelijke
gebiedssluitingen worden overwogen vanwege de staat van deze populatie.
De leden van de BBB-fractie vragen welk deel van de gebiedssluitingen voortvloeit
uit Europese verplichtingen en welk deel het gevolg is van nationale beleidskeuzes.
De leden van de BBB-fractie vragen ervoor te zorgen dat extra uitvoeringskosten als
gevolg van de implementatie van een nieuw GVB niet worden afgewenteld op vissers.
De leden van de BBB-fractie vragen of de Nederlandse visie op voedsel uit zee wordt
ingebracht bij de ontwikkeling van de Europese visie op visserij en aquacultuur.
De leden van de BBB-fractie vragen welke concrete maatregelen de Staatssecretaris
wil invoeren om de visserijsector te versterken.
De leden van de BBB-fractie vragen wat de Staatssecretaris precies verwacht van de
aangekondigde Europese visie op visserij en aquacultuur, welke mogelijkheden deze
biedt voor de pulsvisserij en welke inzet Nederland hiervoor pleegt.
Vragen en opmerkingen van het lid Keijzer
Het lid Keijzer heeft kennisgenomen van de brief over de inzet van het kabinet op
landbouw-, visserij-, voedselzekerheids- en natuurbeleid in de Europese Unie. Dit
lid heeft hierover de volgende vragen aan de Minister.
Het lid Keijzer constateert dat het kabinet inzet op een toekomstbestendige landbouwsector,
versterking van het verdienvermogen van boeren, vermindering van regeldruk en ruimte
voor innovatie. Tegelijkertijd staat Nederland nog altijd op slot door de stikstofproblematiek,
met grote gevolgen voor boeren, woningbouw, infrastructuur en economische ontwikkeling.
Welke concrete ruimte wil het kabinet in Brussel verkrijgen om Nederland van het stikstofslot
af te krijgen? Op welke Europese regelgeving, interpretaties of Europese verplichtingen
richt deze inzet zich specifiek? Welk concreet resultaat wil het kabinet voor het
einde van deze kabinetsperiode hebben bereikt ten aanzien van vergunningverlening
voor landbouw, woningbouw en infrastructuur? Is het kabinet van mening dat de huidige
Europese kaders voldoende ruimte bieden om Nederland structureel van het stikstofslot
af te krijgen? Zo ja, waarop baseert het kabinet deze verwachting? Indien de huidige
Europese kaders daarvoor onvoldoende ruimte bieden, is het kabinet dan bereid zich
in te zetten voor aanpassing van Europese regelgeving, richtsnoeren of interpretaties?
Zo nee, waarom niet?
Het lid Keijzer leest dat het kabinet de EC proactief zal informeren over de Nederlandse
aanpak van stikstof en natuurherstel. Welke concrete boodschap brengt het kabinet
daarbij over aan de EC? Is het doel van het kabinet uitsluitend om binnen de bestaande
Europese kaders te opereren, of zet het kabinet ook actief in op verruiming van de
ruimte voor vergunningverlening en economische ontwikkeling? Welke lidstaten trekken
met Nederland op in deze discussie? Welke coalitie probeert Nederland in Brussel te
vormen om meer ruimte te creëren voor nationale oplossingen?
Voorts constateert het lid Keijzer dat het kabinet inzet op de verdere ontwikkeling
en toepassing van Renure en andere circulaire meststoffen. Welke concrete resultaten
wil het kabinet de komende twee jaar bereiken ten aanzien van de toelating en toepassing
van Renure? Welke belemmeringen in Europese regelgeving staan momenteel verdere toepassing
van Renure in de weg? Welke stappen gaat de Minister zetten om deze belemmeringen
weg te nemen? Wanneer verwacht de Minister dat Nederlandse boeren daadwerkelijk de
voordelen van verruimde Renure-toepassingen zullen merken? Welk effect verwacht de
Minister hiervan op de mestmarkt, de afhankelijkheid van kunstmest en het verdienvermogen
van boeren?
Het lid Keijzer merkt daarnaast op dat het kabinet veelvuldig spreekt over het belang
van een gelijk speelveld binnen Europa. Is de Minister van mening dat Nederlandse
boeren momenteel onder gelijkwaardige voorwaarden concurreren met boeren in andere
lidstaten? Zo ja, waaruit blijkt dat? Zo nee, op welke terreinen ondervinden Nederlandse
boeren volgens de Minister een concurrentienadeel? Welke concrete inzet kiest het
kabinet om deze verschillen te verkleinen? Kan de Minister toezeggen dat zij zich
zal verzetten tegen nieuwe Europese verplichtingen die leiden tot extra lasten voor
Nederlandse boeren zonder dat sprake is van een aantoonbaar gelijk speelveld binnen
de EU?
Het lid Keijzer constateert voorts dat het kabinet inzet op natuurherstel en implementatie
van Europese natuur- en milieuwetgeving. Hoe voorkomt het kabinet dat de implementatie
van de Natuurherstelverordening en andere Europese natuurwetgeving leidt tot aanvullende
beperkingen voor boeren, tuinders en vissers? Kan de Minister uitsluiten dat bij de
implementatie van Europese natuurwetgeving nationale koppen worden toegevoegd die
verder gaan dan Europese verplichtingen? Welke ruimte ziet de Minister binnen de Europese
regelgeving om natuurdoelen, voedselproductie en economische ontwikkeling beter met
elkaar in balans te brengen? Is het verkrijgen van meer nationale beleidsruimte voor
lidstaten onderdeel van de Nederlandse inzet in de onderhandelingen over het volgende
MFK en het toekomstige GLB? Welke concrete bevoegdheden of beleidsruimte wil het kabinet
terugleggen bij de lidstaten? Acht de Minister meer nationale beleidsvrijheid noodzakelijk
om Nederland van het stikstofslot af te krijgen en de concurrentiepositie van Nederlandse
boeren te versterken?
Het lid Keijzer merkt tot slot op dat voedselzekerheid, strategische autonomie en
geopolitieke weerbaarheid steeds belangrijker worden binnen Europa. Dit lid is van
mening dat een sterke landbouwsector een essentiële voorwaarde vormt voor de voedselzekerheid
van Nederland en Europa. Deelt de Minister de opvatting dat voedselzekerheid een strategisch
publiek belang is dat zwaarder moet meewegen binnen Europese besluitvorming? Deelt
de Minister de opvatting dat een sterk en zelfstandig GLB met een eigen en toereikend
budget noodzakelijk is om de voedselzekerheid van Europa te waarborgen? Is de Minister
bereid zich expliciet uit te spreken tegen voorstellen waarbij GLB-middelen opgaan
in bredere fondsen of afhankelijk worden gemaakt van andere nationale beleidsdoelen?
Welke inzet kiest Nederland in de onderhandelingen over het toekomstige GLB na 2027?
Met welke lidstaten trekt Nederland op om te komen tot een sterk, zelfstandig en voldoende
gefinancierd GLB?
II Antwoord/Reactie van de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur
III Volledige agenda
LVVN-inzet in de EU
Kamerstuk 2026Z12308 – Brief Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, J. van Essen
– d.d. 8 juni 2026
LVVN-inzet in de EU
Kamerstuk 21 501-32-1691 – Brief Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, F.M. Wiersma
d.d. 19 december 2024
Reactie op het EU-voorzitterschap van Denemarken, de Nederlandse inzet tijdens dit
voorzitterschap en reactie op de Grøn Trepart (het Deense Landbouwakkoord)
Kamerstuk 21 501-32-1707 – Brief Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, F.M. Wiersma
d.d. 27 mei 2025
Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) in 2026
Kamerstuk 28 625-380 – Brief Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, F.M. Wiersma
d.d. 6 februari 2026
Reactie op verzoek commissie over brief Cumela inzake het gemeenschappelijk landbouwbeleid
Kamerstuk 28 625-382 – Brief Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, J. van Essen
d.d. 7 mei 2026
Stand van zaken Eco-regeling
Kamerstuk 28 625-383 – Brief Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, J. van Essen
d.d. 12 mei 2026
Ecoregeling en gecombineerde opgave 2026
Kamerstuk 28 625-384 – Brief Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, J. van Essen
– d.d. 5 juni 2026
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
H.S. Steen, voorzitter van de vaste commissie voor Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur -
Mede ondertekenaar
J. Bosman, adjunct-griffier
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.