Lijst van vragen en antwoorden : Lijst van vragen en antwoorden over het rapport Resultaten verantwoordingsonderzoek 2025 bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (Kamerstuk 36945-VIII-2)
36 945 VIII Jaarverslag en slotwet Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap 2025
Nr. 6
LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN
De vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap heeft een aantal vragen voorgelegd
aan de Minister en Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap over het
rapport van de Algemene Rekenkamer «Resultaten erantwoordingsonderzoek 2025 bij het
Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap» (36 945 VII, nr. 2).
De Minister heeft deze vragen beantwoord bij brief van 9 juni 2026. Vragen en antwoorden
zijn hierna afgedrukt.
De voorzitter van de commissie, Koorevaar
De griffier van de commissie, Verhoev
1
Welke lessen trekt u uit de constatering van zowel het IBO als de Algemene Rekenkamer
dat effectieve sturing vraagt om heldere doelen, eenduidige sturing en duidelijke
rolverdeling?
Dat effectieve sturing vraagt om heldere doelen, eenduidige sturing en een duidelijke
rolverdeling sluit aan bij de probleemanalyse uit de herijkingsbrief over de sturing in het funderend onderwijs. Zoals in de brief geconstateerd heeft het de overheid te lang ontbroken aan heldere
doelen en een duidelijke visie. De overheid stuurde in het funderend onderwijs te
vaak inconsistent en overlaadde het onderwijsveld met wensen en maatregelen, waardoor
het voor onderwijsorganisaties niet duidelijk was wat de overheid nu precies van hen
verwachtte. Daarnaast moet de interne samenwerking tussen het schoolbestuur, de schoolleider
en de leraar nog beter. Op veel plekken gaat het goed, maar nog niet overal heeft
de leraar en schoolleider de professionele autonomie die hoort bij het beroep.
2
Op welke wijze gaat u de uitgangspunten van heldere doelen, eenduidige sturing en
een duidelijke rolverdeling leidend maken in toekomstig onderwijsbeleid?
In de herijkingsbrief over de sturing in het funderend onderwijs zijn vijf uitgangspunten benoemd voor de sturing bij de beleidsvorming.
Het gaat om (1) het nemen van meer regie door de overheid, (2) een langetermijnaanpak
en/of heldere doelen op de prioritaire thema’s zoals basisvaardigheden en de aanpak
van het lerarentekort, (3) structurele bekostiging voor structurele taken, (4) verdere
professionalisering is van belang – waaronder ook een duidelijke rolverdeling binnen
de schoolorganisatie en (5) samenwerking wordt de norm.
Er wordt gewerkt aan heldere doelen op de prioritaire thema’s, de bekostiging en een
duidelijke interne rolverdeling. Hierover wordt uw Kamer via de voortgangsbrief lerarenstrategie
op de hoogte gehouden.
3
Deelt u met de Algemene Rekenkamer dat in het jaarverslag niet wordt stilgestaan bij
de resultaten van het gevoerde beleid?
Resultaten worden op verschillende plekken in het jaarverslag beschreven. Zo wordt
in het beleidsverslag stilgestaan bij de uitgevoerde (beleids)maatregelen van de verschillende
OCW-beleidsterreinen. Verder is in de beleidsartikelen uitgewerkt wat de gerealiseerde
uitgaven zijn per (beleids)maatregel.
4
Bent u voornemens in het volgende jaarverslag uitgebreider stil te staan bij de resultaten
van het gevoerde beleid?
Wij blijven werken aan een betere weergave van de samenhang tussen doelen, resultaten,
maatregelen, middelen en indicatoren. Op dit moment wordt in het beleidsverslag per
beleidsprioriteit en sub-thema beschreven in hoeverre de doelen zijn behaald aan de
hand van de uitgevoerde (beleids)maatregelen. Indien mogelijk vermelden we de bijbehorende
beleidsindicatoren en verwijzen we per beleidsprioriteit en sub-thema voor nadere
informatie naar ocwincijfers.nl. Onder andere vanwege de behapbaarheid en leesbaarheid
van het jaarverslag plaatsen wij deze nadere informatie over de koppeling tussen doelen,
resultaten, maatregelen, middelen en indicatoren, aan de hand van monitoringsmatrices,
op ocwincijfers.nl.
5
Hoe beoordeelt u het signaal van de Algemene Rekenkamer dat budgetonzekerheid structureel
personeelsbeleid belemmert?
Zoals in de herijkingsbrief over de sturing in het funderend onderwijs benoemd besteden besturen gemiddeld 81 procent van hun bekostiging aan personele
lasten. Daarom is het van belang om structurele (personele) taken structureel te bekostigen.
Daarvoor worden enkele grote subsidies omgezet in bekostiging.
6
Op welke manier wordt tot dusver gewerkt aan het formuleren van een gezamenlijke,
meetbare definitie van «gelijke kansen» in het mbo?
Naar aanleiding van de aanbevelingen van de Algemene Rekenkamer zijn er gesprekken
met JOBmbo en de MBO Raad om concretere afspraken te maken over wat we van instellingen
verwachten ten aanzien van informatievoorziening, het mbo-studentenfonds en de begeleiding
en ondersteuning van studenten. Rond de zomer sturen wij uw Kamer een brief waarin
wij concreet zullen maken wat we onder gelijke kansen verstaan en wat wij hierin van
mbo-instellingen verwachten.
7
Hoe komt het dat het tot dusver niet gelukt is te komen tot een gezamenlijke, meetbare
definitie van «gelijke kansen» in het mbo?
Er is in het mbo vanwege de aard en diversiteit van de doelgroep al veel aandacht
voor gelijke kansen, in wet- en regelgeving en in de praktijk. Het komen tot een meetbare
definitie is complex omdat het over verschillende aspecten van (potentiële) ongelijkheid
gaat.
8
Hoeveel is er uitgegeven (in miljoenen euro's) aan het bevorderen van kansengelijkheid
in het mbo?
De ondersteuning en begeleiding van studenten wordt gefinancierd vanuit de reguliere
bekostiging die mbo-instellingen via de lumpsum ontvangen. Instellingen ontvangen
daarnaast ook middelen uit de Werkagenda MBO, waarin kansengelijkheid één van de thema’s
is. Voor verbetering van kansengelijkheid kunnen instellingen middelen uit de Werkagenda
MBO inzetten. Over 2025 zijn er nog geen cijfers bekend. Uit de monitoring van 2024 blijkt dat instellingen circa € 322 miljoen besteden aan de prioriteit kansengelijkheid.
Hieronder vallen in ieder geval de middelen uit de Kwaliteitsafspraken. Daarnaast
voeren sommige instellingen ook andere regelingen op, zoals de versterking aansluiting
beroepsonderwijskolom (VABOK), de voormalige subsidieregeling nazorg of vullen ze
hun inzet aan met lumpsum middelen.
9
Hoe worden verschillen tussen mbo-instellingen op het gebied van (stage)begeleiding
en studentenondersteuning gemeten en teruggedrongen?
Stagebegeleiding en studentenondersteuning zijn onderdeel van de bestuurlijke afspraken
in de Werkagenda mbo en het Stagepact mbo 2023–2027. Mbo-instellingen hebben op basis
van de landelijke doelstellingen via de regeling kwaliteitsafspraken een «kwaliteitsagenda»
opgesteld. Daarin hebben zij de eigen ambities geformuleerd waarmee zij bijdragen
aan de doelstellingen uit de Werkagenda en het Stagepact. De agenda’s zijn goedgekeurd
door het ministerie en de mbo-instellingen ontvangen middelen voor de uitvoering van
hun plan. In de jaarlijkse monitoring van de Werkagenda en het Stagepact wordt de
voortgang op de doelstellingen en de acties gemeten op instellingsniveau, waardoor
in kaart kan worden gebracht waar grote verschillen tussen instellingen optreden.
Daarnaast brengen we ook verschillen in onderwijsresultaten voor verschillende groepen
studenten in kaart. Zie bijvoorbeeld de laatste meting van najaar 2025 in de Kamerbrief en bijbehorende rapportages. Ook voert JOBmbo jaarlijks een grootschalig tevredenheidsonderzoek
uit onder mbo-studenten. De resultaten hiervan laten per mbo-instelling zien hoe studenten
de stagebegeleiding en de extra ondersteuning vanuit school ervaren. Insteek van de
hele werkagenda is een lerende aanpak. Doordat onderwijsinstellingen van elkaar leren
gaat de kwaliteit in de hele sector omhoog. Het kennispunt Beroepspraktijkvorming
van de MBO Raad heeft hierin een belangrijke rol. Daarbij worden er naar aanleiding
van de midterm review concrete acties ingezet om scholen te ondersteunen bij het verbeteren
van (stage)begeleiding, zoals toegelicht in de Kamerbrief van 18 december 2025. Instellingen waarvan de plannen of resultaten onder de maat
scoren, worden door het ministerie hierop aangesproken.
10
Waarom is er geen inzicht in hoeveel geld er naar welke pijler gaat van het masterplan
basisvaardigheden?
In het verantwoordingsonderzoek 2023 is een overzicht opgenomen van de middelen die per pijler van het Masterplan Basisvaardigheden
beschikbaar zijn. Om de aansluiting met begrotingsstukken te verbeteren is in de begroting
van 2026 de relatie tussen beleidsprioriteiten, doelen, beleid (en maatregelen), indicatoren
en middelen inzichtelijk gemaakt.
11
Hoe komt het dat de Algemene Rekenkamer kan constateren dat indirecte administratieve
lasten nog onvoldoende worden meegewogen?
Het onderzoek «Hoeveel tijd mag het kosten?» van de Algemene Rekenkamer (ARK) dat vorig jaar is gepubliceerd heeft geleid tot
nieuwe inzichten met betrekking tot indirecte administratieve lasten. Dit onderzoek
was een directe aanleiding om onze aanpak op het gebied van werkdruk en administratieve
lasten verder uit te werken, aan te scherpen en te verstevigen. Goed om te lezen dat
de Algemene Rekenkamer constateert dat OCW op de goede weg is met de uitwerking van
maatregelen naar aanleiding van het onderzoek en het inzetten op de voorgestelde adviezen
uit het rapport.
12
Welke stappen zet u om beter te controleren of middelen voor extra ondersteuning rechtmatig
en doelmatig worden ingezet?
In onze bestuurlijke reactie bij dit rapport zijn deze stappen toegelicht en is uitgewerkt hoe wordt omgegaan
met de aanbevelingen. Het kabinet neemt de aanbeveling van de Algemene Rekenkamer
over om in overleg met de inspectie en DUO gezamenlijk te onderzoeken hoe het toezicht
en de controle beter in te regelen is. Het kabinet betrekt de Algemene Rekenkamer
bij deze verkenning naar de mogelijke maatregelen voor deze verbetering.
13
Hoe gaat u de aanbevelingen van de Algemene Rekenkamer rondom de toelaatbaarheidsverklaringen
(tlv-afgifte) uitwerken?
Ten aanzien van de toelaatbaarheidsverklaringen (tlv) is een wetswijziging in voorbereiding
om de onzekerheid op de controle op de bekostigingscategorie van de tlv weg te nemen.
Het kabinet betrekt de Algemene Rekenkamer in de voorbereiding, zodat met zekerheid
de onzekerheid met deze wijziging goed wordt opgelost.
14
Hoe beoordeelt u de constatering van de Algemene Rekenkamer dat er beperkt zicht is
op de juiste besteding van middelen voor nieuwkomersbekostiging in het primair en
voortgezet onderwijs?
De middelen voor nieuwkomers worden verstrekt als (aanvullende) bekostiging. Bekostiging
moet worden besteed aan onderwijsdoelen, binnen wettelijke kaders op hoofdlijnen.
Verantwoording over bekostiging vindt plaats middels het jaarverslag, en dit geldt
dus ook voor nieuwkomersbekostiging. Er is dus evenveel zicht op de juiste besteding
van de nieuwkomersbekostiging als op andere doelen van de bekostiging.
15
Welke gevolgen heeft het vervallen van de persoonsgebonden bewijslast sinds 2021/2022
voor de controleerbaarheid van de bekostiging van nieuwkomersonderwijs?
Doordat het vervallen van de bewijslast van de persoonsgebonden bewijslast de administratieve
lasten heeft verlicht is ook voor een deel van de nieuwkomersbekostiging onzekerheid
in de rechtmatigheid geconstateerd. Dat komt doordat niet voor alle nieuwkomers met
zekerheid vastgesteld kan worden dat de gegevens van de nieuwkomers correct zijn opgegeven
door de school. Om deze onzekerheid op te lossen wordt ambtshalve nieuwkomersbekostiging
in het primair onderwijs voorbereid en is per 1 januari 2026 in het voortgezet onderwijs
de startdatum van de nieuwkomersbekostiging gewijzigd van de datum in Nederland naar
de datum van eerste inschrijving in het onderwijs.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
J.C. Koorevaar, voorzitter van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap -
Mede ondertekenaar
M. Verhoev, griffier