Verslag van een commissiedebat : Verslag van een commissiedebat, gehouden op 28 mei 2026, over Maatschappelijk domein (inclusief Huiselijk geweld, kindermishandeling en geweld in afhankelijkheidsrelaties)
29 538 Zorg en maatschappelijke ondersteuning
Nr. 379
VERSLAG VAN EEN COMMISSIEDEBAT
Vastgesteld 22 juli 2026
De vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft op 28 mei 2026 overleg
gevoerd met mevrouw Sterk, Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport, over:
– de brief van de Staatssecretaris Langdurige en Maatschappelijke Zorg d.d. 26 september
2025 inzake NSOB-rapport «(N)iets te kiezen» en vervolg rondom inrichting coördinatie
van de aanpak huiselijk geweld en kindermishandeling (inclusief femicide) en geweld
tegen vrouwen (Kamerstuk 28 345, nr. 290);
– de brief van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport d.d. 7 juni
2024 inzake plan van aanpak Stop femicide! (Kamerstuk 28 345, nr. 278);
– de brief van de Staatssecretaris Langdurige en Maatschappelijke Zorg d.d. 7 oktober
2025 inzake beleidsreactie op IGJ-rapport over de kwaliteit van het Wmo-toezicht in
2024 (Kamerstuk 29 538, nr. 371);
– de brief van de Staatssecretaris Langdurige en Maatschappelijke Zorg d.d. 27 november
2025 inzake reacties op aanbevelingen GREVIO in het kader van implementatie Verdrag
van Istanbul (Kamerstuk 28 345, nr. 292);
– de brief van de Staatssecretaris Langdurige en Maatschappelijke Zorg d.d. 18 december
2025 inzake voortgang van de aanpak van huiselijk geweld en kindermishandeling (Kamerstuk
28 345, nr. 293);
– de brief van de Staatssecretaris Langdurige en Maatschappelijke Zorg d.d. 12 december
2025 inzake reactie op verzoek commissie over het bericht dat gemeenten dreigen moeders
hun kind af te pakken als ze aankloppen bij de daklozenopvang (Kamerstuk 29 325, nr. 192).
Van dit overleg brengt de commissie bijgaand geredigeerd woordelijk verslag uit.
De voorzitter van de commissie, Mohandis
De griffier van de commissie, Esmeijer
Voorzitter: Synhaeve
Griffier: Sjerp
Aanwezig zijn tien leden der Kamer, te weten: Armut, Becker, Van Brenk, Coenradie,
Diederik van Dijk, Van Meetelen, Moinat, Synhaeve, Westerveld en Wiersma,
en mevrouw Sterk, Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport.
Aanvang 10.00 uur.
De voorzitter:
Goedemorgen, iedereen. Het is 10.00 uur. Ik open de vergadering. Aan de orde is het
commissiedebat Maatschappelijk domein, inclusief huiselijk geweld, kindermishandeling
en geweld in afhankelijkheidsrelaties. Ik heet allereerst de Minister van Langdurige
Zorg, Jeugd en Sport, mevrouw Sterk, en haar ondersteuning van harte welkom. Welkom
aan de mensen op de publieke tribune en aan degenen die het debat digitaal volgen.
Aan de zijde van de Kamercommissie zijn de volgende leden aanwezig: mevrouw Coenradie
vanuit JA21, mevrouw Moinat vanuit Groep Markuszower... Voor mevrouw Moinat geldt
dat zij officieel geen lid is van deze commissie, dus ik kijk even rond om te zien
of iemand bezwaar heeft tegen haar aanwezigheid. Dat is niet het geval. Verder zijn
aanwezig: mevrouw Becker namens de VVD, mevrouw Van Brenk namens 50PLUS, de heer Van
Dijk namens de SGP, mevrouw Armut vanuit het CDA, mevrouw Wiersma vanuit BBB en mevrouw
Van Meetelen namens de PVV.
De spreektijd is vastgesteld op vier minuten per fractie. Met het oog op de tijd stel
ik voor om drie interrupties toe te staan in de eerste termijn van de Kamer. Dat lijkt
voor iedereen prima.
Het woord is aan mevrouw Coenradie voor haar inbreng in de eerste termijn.
Mevrouw Coenradie (JA21):
Voorzitter. Sinds de berichten over het Vlaardingse pleegmeisje slaap ik slechter,
niet omdat het incident uniek was, maar omdat het dat juist niet was. Daarna volgden
Jeugdbescherming Noord, Stadskanaal, en wie weet hoeveel zaken die nooit het nieuws
halen. Steeds zien we hetzelfde patroon: de signalen waren bekend, procedures waren
bekend en instanties waren aangehaakt, maar er was geen regie en niemand greep in.
Veel woorden, geen daden. Nu moeten wij hier serieus volhouden dat het stelsel in
de kern werkt.
Voorzitter. Een jeugdbeschermingssysteem is niet geslaagd omdat er protocollen zijn.
Het is geslaagd als kinderen veilig zijn. Als inspecties telkens constateren dat meldcodes
niet worden gevolgd, organisaties langs elkaar heen werken en signalen blijven liggen,
dan hebben we niet alleen een capaciteitsprobleem, maar dan hebben we ook te maken
met een cultuur- en verantwoordelijkheidsprobleem. Processen gaan boven kinderen.
Ik word er gek van. Ik wil de Minister daarom vragen om vandaag niet te antwoorden
met de gebruikelijke dooddoeners als «we wachten onderzoek x af», «we sturen voor
de zomer voortgangsbrief y», of «dit krijgt een plek in toekomstscenario z».
Ik wil vandaag een aantal voorstellen doen. Ik begin met het voorstel voor een klein
landelijk interventieteam dat binnen 24 uur inzetbaar is bij een stapeling van signalen
of ernstige vermoedens, met bevoegdheden om dossiers direct op te vragen, casussen
over te nemen, onaangekondigd huisbezoek te organiseren en bestuurlijke escalatie
af te dwingen. Is de Minister bereid om dit nog dit jaar als pilot te starten?
Punt twee. Bij een signaal van een kind, bijvoorbeeld bij zichtbaar letsel of een
telefoontje vanuit het kind, volgt automatisch binnen 48 uur een fysieke beoordeling
door een forensisch pedagoog. Dit gebeurt zonder de toestemming van de ouders of voogd.
Wil de Minister dit zo snel mogelijk landelijk beleid maken?
Punt drie. Ik stel verplichte externe doorlichting voor na ernstige incidenten, een
openbaar verbeterplan en bestuurlijke consequenties bij ernstige nalatigheid. Want
welke consequenties heeft falen nu daadwerkelijk?
Punt vier. Wil de Minister onderzoeken hoe Veilig Thuis, de jeugdbescherming en de
Raad voor de Kinderbescherming meer ruimte krijgen voor onaangekondigde controles
in hoogrisicozaken?
Punt vijf. Ik stel een directe escalatieroute voor vanuit school, een terugkoppelplicht
en een vast contactpersoon per regio.
Tot slot over kindermishandeling. De Kinderombudsman heeft voorafgaand aan dit debat
een brief naar de Minister gestuurd over kindermishandeling. Daarin staan enkele aanbevelingen
over educatie en bewustwording, periodieke monitoring, kennis over vormen van kindermishandeling,
stille omstanders en voorzieningen waar kinderen terechtkunnen. Graag een reactie
van de Minister op deze punten.
Voorzitter. Nog enkele punten over vroegsignalering en samenwerking. Bij ernstige
situaties rondom huiselijk geweld of kindermishandeling moet eerder worden gehandeld.
Nu wordt vaak pas ingegrepen als incidenten zich al hebben opgestapeld. Daarom de
vraag: is de Minister bereid om te kijken naar een verruiming van dat mandaatbesluit
voor Veilig Thuis en soortgelijke instanties, bijvoorbeeld bij preventieve huisverboden?
Is de Minister bereid meer ruimte te bieden voor globale controles in woningen?
Het is belangrijk om niet alleen achteraf te reageren, maar juist actief rust en veiligheid
op te bouwen rondom slachtoffers. JA21 pleit al langer voor afkoelhuizen, waarbij
daders uit huis gaan in plaats van slachtoffers. Welke stappen heeft de Minister hier
de afgelopen tijd op gezet?
In de praktijk zien we te weinig communicatie en afstemming tussen ketenpartners.
Juist bij hoogrisicozaken is structureel multidisciplinair overleg essentieel. Partijen
kunnen los van elkaar prima werk leveren, maar te vaak gaat het fout door gebrek aan
afstemming. In dat geval kan privacy mensenlevens kosten. Dit vraagt om regie en samenwerking.
De regierol zou prima ingevuld kunnen worden door de burgermeester. De samenwerking
is noodzakelijk in multidisciplinaire overleggen. Graag een reactie van de Minister.
Tot slot. Laagdrempelige hulpverlening die bijvoorbeeld Filomena biedt, is broodnodig.
Dat zeggen talloze mensen uit het werkveld. Talloze regio's missen een Filomena. De
Minister kent de toegevoegde waarde, want ze is er een paar maanden geleden samen
met mij naartoe geweest. Ziet de Minister in dat een landelijke uitrol van Filomena
broodnodig is?
Tot zover.
De voorzitter:
Ik zie een vraag vanuit mevrouw Becker.
Mevrouw Becker (VVD):
Ik kan het hele betoog van mevrouw Coenradie goed volgen en de urgentie die zij onderstreept
ook ondersteunen. Zij noemde een aantal verschrikkelijke gevallen uit het verleden,
zoals de situatie in Vlaardingen. Naar aanleiding daarvan heeft de inspectie een rapport
geschreven en gezegd: de vindplaatsen van dit soort vormen van geweld, toch wel vaak
scholen of artsen, zouden meer aangespoord moeten worden om sneller te melden bij
Veilig Thuis, en er zou een meldplicht moeten komen. Die meldplicht stond al in het
vorige regeerakkoord. VWS is er een onderzoek naar gestart. Het staat ook weer in
dit regeerakkoord. Is mevrouw Coenradie het met mij eens dat we dat nu eigenlijk binnen
een halfjaar gerealiseerd moeten hebben?
Mevrouw Coenradie (JA21):
In dit geval is de vraag stellen hem beantwoorden: absoluut. Het gaat niet alleen
om een meldplicht, maar ook om een terugkoppelplicht. Ik verwijs daar ook naar in
een van mijn voorstellen. Dat betekent dus dat er binnen een heel korte tijd – we
kennen dat wel uit andere landen, maar hebben dat blijkbaar in Nederland toch nog
niet echt goed geregeld – verplicht een goede, uitgebreide terugkoppeling komt. We
zien nu opnieuw bij de situatie in Stadskanaal – daarover ligt nog geen inspectierapport
– dat zaken toch wel worden gemeld. Hulde aan de school die dat wel gewoon doet. Maar
dat vraagt dan ook om een terugkoppeling. Wat is hier vervolgens mee gedaan? Daar
heeft de school ook recht op.
De voorzitter:
Dat brengt ons bij de volgende spreker aan de zijde van de Kamer. Voordat we dat doen,
is er een vraag vanuit mevrouw Van Brenk.
Mevrouw Van Brenk (50PLUS):
De collega van JA21 noemt Filomena. Dat heb ik ook in mijn bijdrage staan, omdat ik
heb gezien dat als gemeenteraadsleden ergens enthousiast over worden, het wel lukt.
Een 50PLUS-raadslid in Tilburg is daar een Filomena gestart, maar eigenlijk zouden
we dit door heel Nederland willen. We willen dat uitrollen. Ik ben wel benieuwd hoe
JA21 daarnaar kijkt. Wie zou daar nou het initiatief tot moeten nemen?
Mevrouw Coenradie (JA21):
Ik kan dat helemaal onderstrepen. Die wens ligt er vanuit de mensen in het werkveld
en vanuit Filomena zelf. We zien dat er ontiegelijk veel vraag is naar Filomena Rotterdam.
Dat komt juist omdat mensen niet meer langs een lokettenjungle gaan, maar gewoon in
één keer hun verhaal kunnen doen en gelijk te maken hebben met forensisch onderzoek,
mensen uit het ziekenhuis die worden ingezet, de politie et cetera. Het zit allemaal
op één plek, voor zowel kind, dader als slachtoffer. Ik kan dat dus alleen maar heel
erg stimuleren. Het is ook niet voor niets dat ik de Minister enige tijd geleden heb
gevraagd om mee te gaan op werkbezoek naar Filomena.
Filomena pleit zelf voor de uitrol naar twaalf locaties, zodat ze het landelijk kunnen
uitrollen. Daar is, pak ’m beet, een bedrag van 50 miljoen mee gemoeid. We weten allemaal:
geld is echt een issue, ook hier in Den Haag. Maar ik zou daarvoor willen pleiten,
omdat dit gewoon zo ontiegelijk goed werkt. Het is bewezen effectief. Dus, wie moet
het initiatief nemen? Dat is niet voor niets ook een vraag in mijn spreektekst. Ik
kijk de Minister aan, want ik ben heel erg benieuwd naar wat we hier nu mee gaan doen.
De voorzitter:
Dan gaan we nu wel degelijk naar de tweede spreker aan de zijde van de Kamer, mevrouw
Moinat.
Mevrouw Moinat (Groep Markuszower):
Dank, voorzitter. Allereerst wil ik zeggen dat de beelden en verhalen die onlangs
naar buiten kwamen over het meisje en het jongetje uit Stadskanaal diepe indruk hebben
gemaakt. Dit had nooit mogen gebeuren. Juist daarom moeten we vandaag eerlijk durven
zeggen dat het systeem opnieuw keihard heeft gefaald. Het baart ons grote zorgen dat
signalen van mishandeling en geweld nog steeds veel te laat worden opgepakt. Achteraf
horen we telkens hetzelfde verhaal: er waren al meldingen bij Veilig Thuis, wijkteams,
scholen, jeugdzorg of politie...
De voorzitter:
We gaan heel even schorsen tot de bel geweest is.
De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.
De voorzitter:
Ik denk dat het toch hielp om even te schorsen, want dan kunnen we uw bijdrage beter
horen. U kan vervolgen.
Mevrouw Moinat (Groep Markuszower):
Dank, voorzitter. Achteraf horen we telkens hetzelfde verhaal: er waren al meldingen
bij Veilig Thuis, wijkteams, scholen, jeugdzorg of de politie. Mensen trokken aan
de bel, slachtoffers vroegen om hulp, maar instanties werkten langs elkaar heen, of
niemand voelde echt de verantwoordelijkheid om door te pakken. Pas als een kind zwaargewond
raakt of bijna overlijdt, ontstaat ineens de vraag: hoe heeft dit kunnen gebeuren?
Ondertussen lijkt één ding wel altijd goed geregeld: de geldstromen richting instanties.
Want terwijl kinderen jarenlang onveilig zijn, blijven organisaties miljoenen declareren.
Iedereen wijst naar elkaar. Maar de enige die structureel beter lijken te worden van
dit falende systeem, zijn de instanties zelf. Winst is winst, declaratie is declaratie,
dossier na dossier. We lezen over bedragen van soms een miljoen per kind en 1,75 miljoen
voor één jeugdige. Hoe kan het dat zulke exorbitante bedragen omgaan in de jeugdzorg,
vraag ik de Minister. Hoe kan dit? Hoe kan het dat er blijkbaar eindeloos geld beschikbaar
is voor managementlagen, overlegtafels, rapportages en bureaucratie, maar niet voor
daadwerkelijke veiligheid? Niemand lijkt écht de regie te hebben wanneer er sprake
is van acute dreiging, zware kindermishandeling of eergerelateerd geweld. Achter ieder
dossier zit echter geen verdienmodel, maar een kind of vrouw die leeft in angst, mishandeling
en soms zelfs doodsbedreigingen.
Voorzitter. Ook de cijfers rondom eergerelateerd geweld zijn zorgwekkend. Het Landelijk
Expertisecentrum Eergerelateerd Geweld van de politie ziet opnieuw forse stijgingen
van meldingen. In 2025 ging het om ruim 750 zaken. Dit gaat over personen met een
migratieachtergrond; er komt geen Nederlander voor in de statistieken. Volgens het
Landelijk Expertisecentrum Eergerelateerd Geweld springt vooral de Syrische achtergrond
eruit met inmiddels 34% van alle geregistreerde eergerelateerde geweldszaken.
Hoe gaat de Minister ervoor zorgen dat deze geweldspatronen daadwerkelijk worden aangepakt?
Graag een reactie. DNA is namelijk klaar met dit beleid van pappen en nathouden. Wij
willen een strafrechtelijke aanpak zodra er iets strafbaars plaatsvindt. Het is niet
zo ingewikkeld: er mag geen enkele ruimte zijn voor daders om hun terreur voort te
zetten. Het strafrecht moet niet de laatste optie zijn, maar de eerste.
Wij willen een snelle invoering van een hybride beschermbevel naar Brits voorbeeld,
ook wel domestic violence protection order. Dit instrument combineert de civielrechtelijke
basis met keiharde strafrechtelijke handhaving. Het grote voordeel is de lagere bewijslast.
We hoeven niet langer te wachten op onomstotelijke strafrechtelijke veroordelingen
voordat een slachtoffer effectieve bescherming krijgt. Zo'n bevel kan bovendien worden
ingezet tegen meerdere personen tegelijk. In Nederland lachen daders nu vaak om civiele
verboden, maar bij dit hybride model moet elke overtreding direct leiden tot arrestatie
en vervolging.
Stop met het eindeloos verkennen van de juridische context en voer dit middel preventief
en afschrikwekkend in. Kan de Minister ons vertellen in hoeverre er mogelijkheden
zijn om dit type maatregelen versneld bij wet te regelen? Wat is de stand van zaken
nu? Is de Minister bereid te onderzoeken hoe instanties en medewerkers die zo ernstig
falen daadwerkelijk strafrechtelijk vervolgd kunnen worden?
Tot slot verbaast het onze fractie enorm dat de instanties die eerder al keihard faalden
in de zaak van het Vlaardingse pleegmeisje nu opnieuw verantwoordelijk zijn voor de
kwetsbare kinderen uit Stadskanaal. Geen enkel kind mag nog tussen wal en schip vallen
terwijl instanties naar elkaar blijven wijzen en ondertussen miljoenen blijven verdienen
aan een systeem dat faalt.
Tot zover.
De voorzitter:
Dank u wel. Mevrouw Westerveld is vanuit de partij GroenLinks-PvdA ook aangesloten.
Van harte welkom. Ik zie een vraag vanuit mevrouw Becker.
Mevrouw Becker (VVD):
Dank aan mevrouw Moinat voor het benoemen van eergerelateerd geweld. Ik zet mij zelf
al een heel aantal jaar in om dat onderwerp op de politieke agenda te krijgen en te
houden. Het gaat namelijk over heel kwetsbare vrouwen bij wie vaak door de hele familie,
niet alleen door een dader maar door de hele familie, geweld wordt goedgekeurd als
zij zich niet gedraagt zoals de familie vindt dat zij zich zou moeten gedragen. Om
die reden hebben we ook al een aanpak met elkaar afgesproken. Daarin staat bijvoorbeeld
dat we gaan werken aan een strafverzwaringsgrond als het gaat om eergerelateerd geweld,
dat het landelijk expertisecentrum bij de politie goed geborgd moet worden en dat
we ook willen kijken naar medeplichtigheid. Dan gaat het dus om het hele systeem dat
dit in stand houdt.
Ik wil dus eigenlijk van de gelegenheid gebruikmaken om aan mevrouw Moinat te vragen
of zij samen met mij aan de Minister zou willen vragen wanneer wij hiervan een uitwerking
kunnen verwachten. Dan kunnen we namelijk vandaag concrete afspraken met elkaar maken
en zakendoen met het kabinet.
Mevrouw Moinat (Groep Markuszower):
Ik denk dat dit een perfect voorstel is van mevrouw Becker. Alles wat dit geweld tegenhoudt...
Ik ben zelf ook op werkbezoek geweest bij meerdere instanties. Ik heb kinderen gezien
die daar zitten. Ik kan verder niet echt op de casussen ingaan, omdat het gewoon supergeheim
is wat die kinderen meemaken, maar ik heb een meisje van een jaar of 17 gezien dat
slachtoffer is van eergerelateerd geweld en zij kan eigenlijk ook niet meer naar buiten.
Dus de urgentie hierin is zeer groot. Dat wil ik dan ook delen met mevrouw Becker.
Ik wil de Minister inderdaad aansporen om dit zo snel mogelijk – het liefst zou zij
hier een hoofdprioriteit van maken – aan te stippen.
De voorzitter:
Dat brengt ons bij mevrouw Becker.
Mevrouw Becker (VVD):
Dank u wel, voorzitter. Allereerst fijn dat we met deze Minister, volgens mij voor
het eerst, in ieder geval voor mij, in deze commissie over dit belangrijke onderwerp
kunnen spreken en dat zij in haar drukke agenda – dat weet ik ook – veel waarde hecht
aan dit onderwerp.
In het jaar 2025 hebben we geweld tegen vrouwen meer op de politieke agenda gezet.
Er waren verschrikkelijke gebeurtenissen voor nodig om dat voor elkaar te krijgen.
Het jaar 2026 moet het jaar worden van actie, van praten naar doen. 1,3 miljoen mensen
hadden het afgelopen jaar met huiselijk geweld te maken en veel te veel van hen worden
niet geholpen of hebben te maken met bureaucratie. Te veel nabestaanden en slachtoffers
vertellen hoe signalen veel te laat serieus werden genomen, waardoor vrouwen en kinderen
ernstig mishandeld werden of soms zelfs vermoord werden.
Als er geweld speelt in een gezin, moeten we op tijd ingrijpen. Maar het omgekeerde
gebeurt nu te vaak. Vorige week nog sprak VNG hier de zorgen uit dat het aantal toegenomen
meldingen van huiselijk geweld, doordat er meer aandacht voor het onderwerp is, uiteindelijk
niet goed kan worden opgevolgd, omdat men de mogelijkheden niet heeft om echt te doen
wat nodig is.
Neem het gezin waar ik van hoorde, waar vader geweld gebruikt tegen moeder en waar
de gemeente tegelijkertijd aan slachtoffer, kind en pleger integrale hulp, zoals dat
heet, zou willen bieden. Dat lukt niet, want vanwege aanbestedingsregels rond de inkoop
van jeugdzorg mag het traject voor het kind maximaal een halfjaar duren, terwijl hulp
langer nodig is. De pleger kan zolang hij niet veroordeeld is, niet worden verplicht
om hulp te aanvaarden en weigert voor zichzelf een doorverwijzing bij de huisarts
te vragen. De hulp voor het kind kan onvoldoende op gang komen als niet beide ouders
daarmee instemmen. Zolang er geen strafbare feiten zijn aangetoond zijn dwingende
beperkingen zoals een huisverbod toch te vaak niet mogelijk. Het resultaat is te vaak
dat de moeder ten einde raad met het kind in de vrouwenopvang belandt, terwijl de
pleger thuis kan blijven.
Dit moet doorbroken worden. Er moet één regisseur vanuit de hulpverlening komen die
kan doorpakken. Er werd al gesproken over de werkbaarheid van Filomena. Ik zou willen
vragen hoe zo'n werkwijze zich verhoudt tot het Toekomstscenario kind- en gezinsbescherming.
Maakt dit scenario, waar het kabinet aan werkt, het nu mogelijk om deze werkwijze
te gaan toepassen? Kan de Minister een brief sturen over meer integraal werken in
de kind- en gezinsbescherming en ook meteen aangeven welk wettelijk kader daarvoor
nodig zou zijn? Kan zij dan ook aangeven hoe de herbezinning op Veilig Thuis hierin
eruitziet?
Voorzitter. De VVD stelt vandaag ook een dwingende aanpak voor plegers van huiselijk
geweld voor. In het VK doen ze dit al met zogenaamde protection orders, rechtelijke
dwangbevelen om verboden, zoals een huisverbod, een omgevingsverbod of een contactverbod
op te kunnen leggen bij signalen van schadelijke praktijken. Dat gebeurt niet bij
een strafrechtelijke veroordeling, maar juist al eerder om erger te voorkomen. Het
moet wat de VVD betreft preventief kunnen worden aangevraagd bij signalen en meldingen
van huiselijk geweld, dwingende controle of stalking. Het moet ook laagdrempeliger
kunnen worden aangevraagd dan nu het geval is.
Ik wil het kabinet vragen om opties naar de Kamer te sturen voor een meer preventief
dwingend juridisch kader richting plegers. Een onderdeel hiervan zou het opleggen
van een slachtofferdevice moeten kunnen zijn. Dat is zo'n enkelband die afgaat als
de pleger te dicht in de buurt van het slachtoffer komt. Al eerder stelden verschillende
Kamerleden in deze commissie daar vragen over. Steeds zegt het kabinet: dit kunnen
we niet landelijk uitrollen, want de lokale structuur is niet overal hetzelfde. Maar
waarom kunnen we niet praktisch worden? Waarom organiseren we niet gewoon een landelijk
project via organisaties die overal actief zijn, zoals Valente en de reclassering?
Klopt het dat dit device momenteel maar voor een maximale periode van een jaar kan
worden opgelegd? Is het kabinet bereid om te kijken naar verlengingsmogelijkheden,
zodat in de praktijk gedaan kan worden wat nodig is?
Tot slot. De VVD wil dat de afgesproken nationaal coördinator met doorzettingsmacht
er zo snel mogelijk komt om de regie echt voor elkaar te krijgen. Kan deze er voor
de zomer zijn? Wanneer kunnen we wetgeving rondom de meldplicht, waar ik zojuist al
even op interrumpeerde en die we afspraken in het regeerakkoord, tegemoetzien?
Dank, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel. Dat brengt ons bij een vraag van de heer Van Dijk.
De heer Diederik van Dijk (SGP):
Ik heb inderdaad een vraag aan mevrouw Becker. Ik las de voorstellen van mevrouw Becker
al in De Telegraaf. Daarvoor is er heel veel sympathie vanuit de SGP. Vanuit die sympathie
heb ik de volgende vraag. Ik hoorde andere collega's het ook constateren: het huidige
systeem piept, kraakt en faalt. De reflectie vanuit de Kamer en de politiek is dan
nog weleens «dan gaan we iets nieuws toevoegen aan de gereedschapskist», terwijl het
onderliggende probleem niet goed wordt opgelost. Wil mevrouw Becker daar misschien
op reflecteren in het licht van haar voorstel?
Mevrouw Becker (VVD):
Zeer veel dank voor die vraag. Daarom doe ik ook twee voorstellen. Eén: er moet gewoon
echt meer regie komen. Al die versnippering, van verschillende regelgeving vanuit
de jeugdzorg als het gaat over plegers, als het gaat om vrouwenopvang, om alle andere
dingen die aan de orde zijn, maar ook om de verschillende ministeries die erbij betrokken
zijn... Niet voor niets hebben wij in het regeerakkoord afgesproken: kom met een nationaal
coördinator en met een regiefunctie om dit mogelijk te maken, en dus eigenlijk ook
met een wettelijk kader. De VNG vroeg daar ook om in het rondetafelgesprek dat wij
met hen hadden. Kom met een wettelijk kader waardoor we die één-aanpak in een gezin
kunnen realiseren. Als we dat niet hebben, ben ik het helemaal met de heer Van Dijk
eens dat nieuwe wettelijke instrumenten niet voldoende zijn.
Stel dat we die één-regieaanpak hebben en men is in dat gezin en ziet daar: «Hier
willen we eigenlijk nu... De pleger heeft nog geen dusdanig geweld gepleegd dat ik
hem kan veroordelen, maar dit zijn rode vlaggen en ik zou nu eigenlijk al willen dat
die naar bijvoorbeeld een afkoelhuis gaat, of dat die zelf hulpverlening krijgt om
zijn gedrag te veranderen.» Op dit moment is dat allemaal in een zogenaamd «vrijwillig
kader». Wij stellen voor om daar een verplicht kader van te maken dat juist preventief
ingezet kan worden, zodat het niet eerst mis moet zijn gegaan voordat we daadwerkelijk
kunnen ingrijpen.
De voorzitter:
Dank u wel. Met het oog op de tijd stel ik voor dat we er met zijn allen op letten
dat de vragen wat korter zijn en de antwoorden wat bondiger. Mevrouw Van Brenk.
Mevrouw Van Brenk (50PLUS):
Dank, voorzitter. Het aantal mantelzorgers in Nederland groeit inmiddels.
De voorzitter:
Sorry. Ik heb een vraag over het hoofd gezien van mevrouw Van Meetelen.
Mevrouw Van Meetelen (PVV):
Ik heb een vraag aan mevrouw Becker. Vanuit de PVV kijken we best wel positief naar
dit voorstel, maar ik heb wel een vraag. Het zit ook dadelijk een beetje in mijn eigen
tekst. Als je dat gaat aanpakken, wie wordt er dan uiteindelijk eindverantwoordelijk?
Dat mis ik namelijk elke keer. We gaan dus eventueel wat aan die versnippering doen.
Dat lijkt me heel verstandig, maar dan nog steeds: als het misgaat, wie is in uw ogen
dan eindverantwoordelijk?
Mevrouw Becker (VVD):
Ik zou mevrouw Van Meetelen, voor zover ze dat niet gedaan heeft, echt willen uitnodigen
om een keer op werkbezoek te gaan bij Filomena. Ik ben daar geweest, en zag een aanpak...
Dat betekent niet dat één iemand alle verantwoordelijkheden overneemt. De politie
heeft de expertise van de politie. Veilig Thuis heeft de expertise van Veilig Thuis.
Maar op dit moment gebeurt er vaak een stukje en komt de politie ook vaak te laat
in beeld. Filomena heeft een regietafel, waaraan steeds een gezin wordt besproken
waar geweld speelt. Aan die tafel wordt besproken wat er in dat gezin moet gebeuren.
Dat gezin heeft één aanspreekpunt en wordt niet losgelaten tot het probleem is opgelost.
Dat is waar we naartoe willen.
Ik wil niet nu vanuit de Tweede Kamer bepalen dat het altijd Veilig Thuis moet zijn,
of altijd jeugdzorg. Die tafel zou wel de tools moeten kunnen hebben om te doen wat
nodig is en één regisseur aan te wijzen. Die komen vervolgens naar de politiek en
zeggen: wij hebben dit niet; geef ons dat alsjeblieft. Daar hoop ik vandaag stappen
in te kunnen zetten.
Excuus weer, voorzitter, voor dit lange antwoord, maar het is een onderwerp dat mij
aan het hart gaat.
De voorzitter:
Helder. Mevrouw Van Brenk.
Mevrouw Van Brenk (50PLUS):
Voorzitter. Het aantal mantelzorgers in Nederland groeit en groeit. Inmiddels zijn
er 5,5 miljoen mantelzorgers. Daar gaan we in een apart debat over spreken. Vanuit
de Wmo moet de gemeente deze mantelzorgers ondersteunen, maar heeft zij daarvoor wel
de middelen? We zien namelijk grote verschillen tussen gemeenten. Moeten wij niet
een ondergrens trekken? Is het niet wenselijk om een handleiding mantelzorgondersteuning
te maken voor de gemeenten? Of is de Minister daar misschien al mee bezig?
Dan de hulp bij het huishouden. Dat is een grote steun en vaak een reden dat ouderen
langer thuis kunnen blijven wonen. Deze ondersteuning, de goedkoopste vorm in de zorg,
is van onschatbare waarde en moet behouden blijven voor de mensen die dat nodig hebben.
Wat zijn nu de plannen van dit kabinet voor de huishoudelijke hulp? Mensen maken zich
daar nu al zorgen over. Geef duidelijkheid.
Wat ons betreft blijft dit toegankelijk voor de mensen die dit het hardst nodig hebben,
want anders komt de belasting nóg meer bij de mantelzorgers te liggen. De mantelzorgers
voelen zich al overbelast, dus dat is een recept voor ellende. Want met deze overbelasting
is de kans op ouderenmishandeling groot. Vaak is de oudere ook afhankelijk van deze
persoon die hem slecht behandelt.
Een van de meest voorkomende vormen van misbruik is financieel misbruik. Het is van
groot belang dat we ouderen ondersteunen bij het zelfstandig blijven, en dus ook dat
we bankieren en overheidsdiensten toegankelijk houden. In een steeds digitalere wereld
wordt het voor digibeten steeds moeilijker en raken mensen steeds meer afhankelijk
van anderen. Wat kan de Minister doen voor deze groep?
Een groeiende groep ouderen krijgt zorg aan huis. Dit is een voorziening die qua bekostiging
zeer interessant is. De zorg wordt steeds interessanter voor criminelen. Als je met
een malafide zorgorganisatie te maken hebt en daar afhankelijk van bent, dan ben je
aan de goden overgeleverd. Het is dan ook zaak dat gemeenten goed opletten met welke
organisaties zij in zee gaan.
Vandaag worden de resultaten gepresenteerd van de proeftuin Aanpak zorgfraude van
de regio's Twente en Hart van Brabant. Een goede screening middels de Wet Bibob helpt,
weten wij uit Twente. Via die wet zijn er 578 hoofd- en onderaannemers beoordeeld.
Daarvan zijn er 550 gecontracteerd. Enkele aanbieders namen al niet de moeite om zich
aan te melden. 28 aanbieders kwamen niet door de integriteitsscreening heen. Daardoor
zijn veel cliënten behoed voor slechte zorg. Gaan we dit nu standaard bij alle gemeenten
doen? Langer thuis betekent ook de verantwoordelijkheid van de gemeente voor goede
zorg thuis.
Als laatste onderwerp, voorzitter, de aanpak van femicide. Kan de Minister aangeven
hoe het staat met de invoering van de tien prioriteiten? Wat is de stand van zaken?
Heeft dit echt haar prioriteit?
50PLUS is – ik noemde het net al – enthousiast over het mooie concept van Filomena
uit Rotterdam. Het is een centrum voor iedereen die te maken heeft met extreme situaties,
van partnergeweld tot kindermishandeling. Wij zijn er dan ook trots op dat een raadslid
van 50PLUS ook een vestiging heeft gerealiseerd in Tilburg: Filomena Hart van Brabant.
Met dank aan Rotterdam voor deze unieke werkwijze is er een basis om Filomena landelijk
uit te rollen. Maar gaat dit nog vliegen? Dit gun je namelijk iedereen, ook elders
in het land. Wij horen graag de plannen van de Minister.
Dank, voorzitter.
De voorzitter:
De heer Van Dijk.
De heer Diederik van Dijk (SGP):
Dank u, voorzitter. «Verborgen leed, als een verstokte oven, verbrandt het hart waarin
het woont tot as.» Dat is een citaat van Shakespeare. Als onrecht, verdriet of pijn
niet aan het licht komt, werkt dat destructief. Veel van wat wij vandaag bespreken,
onttrekt zich aan het zicht van de buitenwereld. Geweld in huiskamers en pijn en angst
in slaapkamers met soms een fatale afloop. De afschuwelijke verhalen uit Vlaardingen
en Stadskanaal zijn al genoemd. Het is cruciaal dat de zorg en bescherming van kwetsbare
vrouwen, mannen en kinderen op orde is, en dat is het nu niet.
De SGP steunt daarom de versterkte inzet tegen huiselijk geweld, kindermishandeling
en partnergeweld. Het heeft geen zin om telkens noodverbandjes aan te leggen met tijdelijke
middelen. We moeten kritisch naar het stelsel als geheel kijken. Het moet meer samenhangend
en effectiever worden.
Ik zoom allereerst in op Veilig Thuis. De SGP maakt zich ernstig zorgen over de aanhoudende
wacht- en doorlooptijden. Al in 2024 trok de IGJ hierover aan de bel. Welke concrete
stappen zet het kabinet? Hoe wordt voorkomen dat een melding bij Veilig Thuis vooral
het resultaat is van handelingsverlegenheid van zorgprofessionals?
Voorzitter. Geweld tegen vrouwen is afschuwelijk en verwerpelijk. De SGP pleitte eerder
voor extra bescherming voor vrouwen die gevaar lopen. De Minister werkt aan 1.800
nieuwe opvangplekken. Wat is de laatste stand van zaken?
Voorzitter. Ik vraag hier ook aandacht voor de mishandeling van mannen. Wie denkt
dat mannenmishandeling amper voorkomt, heeft het helaas mis. Jaarlijks worden er in
huiselijke kring ongeveer 80.000 mannen ernstig mishandeld. Uit cijfers van het VWS
blijkt dat bij huiselijk geweld in 40% van de gevallen sprake is van mannenmishandeling.
Uit onderzoek blijkt dat vrouwen niet minder vaak fysiek huiselijk geweld plegen dan
mannen.
Dat mannenmishandeling desondanks weinig bekend is, komt door maatschappelijke beelden
en normen, maar ook schaamte. Een derde van de mishandelde mannen praat hier nooit
over en slechts 3% van de mannelijke slachtoffers meldt zich bij de politie. Wat doet
het kabinet om de aangiftebereidheid te vergroten? Is de Minister bereid om mannenmishandeling
nader te onderzoeken, om vervolgens te bekijken wat dit betekent voor het kabinetsbeleid?
Voorzitter. Tientallen dak- en thuisloze moeders en kinderen leven op straat. Vaders
zijn uit beeld en de gemeente helpt niet. De SGP vindt de kabinetsbrief hierover ontoereikend.
Waarom is er nog steeds geen goede oplossing voor deze moeders en kinderen? Is de
Minister het ermee eens dat deze situatie gewoon onacceptabel is? Hoe staat het met
de ministeriële regeling die voor deze groep uitkomst zou kunnen bieden? Kan de Minister
ook klip-en-klaar aangeven dat het onaanvaardbaar is dat deze kinderen via een Veilig
Thuismelding te maken krijgen met ondertoezichtstelling en een scheiding van hun moeder?
Voorzitter. Tot slot een paar opmerkingen over maatschappelijke ondersteuning. De
houdbaarheid van de Wmo vraagt om keuzes. Het volledig uit de Wmo halen van de huishoudelijke
hulp gaat de SGP echter te ver. Is de Minister bereid om te kijken naar alternatieven
hiervoor?
Uit recent onderzoek van het SCP blijkt dat het aantal ernstig belaste mantelzorgers
is gestegen tot maar liefst 600.000. Ik ben blij dat de Kamer afgelopen dinsdag het
verzoek van 50PLUS en de SGP steunde voor een plenair debat over mantelzorg, maar
ik begin ook wel een beetje ongeduldig te raken. De tijd van probleemanalyses is voorbij.
Er zijn concrete maatregelen nodig. Wat vindt de Minister bijvoorbeeld van een wettelijke
minimumnorm voor het aanbod van de respijtzorg en logeerzorg vanuit gemeenten? Krijgt
de aflopende mantelzorgagenda een vervolg?
Tot zover. Dank u, voorzitter.
De voorzitter:
Het woord is aan mevrouw Armut.
Mevrouw Armut (CDA):
Dank, voorzitter. Ieder mens moet veilig kunnen leven. Toch worden ongelofelijk veel
vrouwen slachtoffer van geweld, intimidatie, stalking, dwingende controle en uiteindelijk
zelfs femicide. Achter ieder cijfer schuilt een menselijk drama, een dochter, een
moeder, een zus, een vriendin die niet op tijd beschermd werd. Daarom moet de aanpak
veel eerder beginnen. Signalen moeten sneller worden herkend, slachtoffers beter beschermd
en daders steviger aangepakt. Het kabinet zet al veel in gang en er zijn ook ongelofelijk
veel voorstellen vanuit de Kamer gekomen. Maar wanneer merkt de vrouw in een gewelddadige
relatie dat dit echt verschil maakt?
Het probleem is niet alleen een gebrek aan plannen, maar ook versnippering. Meerdere
Kamerleden noemden het hier al. De gemeente, Veilig Thuis, de politie, het OM, de
opvang, scholen en zorgprofessionals hebben allemaal een rol. Welk mandaat krijgt
de nationaal coördinator om de versnippering daadwerkelijk tegen te gaan? Kan deze
coördinator grote stappen gaan zetten in de verbetering van informatiedeling tussen
scholen, lokale teams, politie en andere hulpverlening?
Het coalitieakkoord bevat maatregelen die breed worden gesteund. Er wordt bijvoorbeeld
vaker ingezet op combizittingen in straf- en familierecht. Kan de Minister uiteenzetten
hoe dit vorm gaat krijgen? Hoe voorkomen we dat slachtoffers elke keer weer opnieuw
hun verhaal moeten doen?
Ook is er de uitbreiding en betere inzet van het tijdelijke huisverbod. Hoe voert
het kabinet de motie hierover, die bijna Kamerbreed aangenomen is, uit? Hoe zorgt
de Minister ervoor dat een huisverbod op tijd wordt ingezet, met hulp voor slachtoffers
en kinderen?
Voorzitter. Over een paar weken begint de zomervakantie. Voor sommige meisjes is dit
een gevaarlijke periode, omdat zij tijdens een reis in het buitenland het risico lopen
genitaal te worden verminkt. Op Zero Tolerance Day pleit ik met andere partijen, onder
andere JA21, de VVD en PRO, voor meer actie, want wat we nu doen is niet genoeg en
dat weten we al heel lang. Een van de oplossingsrichtingen is het uitreisverbod. Is
de Minister bereid dit, samen met JenV, snel te regelen? In ieder geval... Voor komende
zomer is denk ik al te laat. Wanneer kunnen we iets verwachten hierop? Wat kan zij
daarnaast voor deze zomer nog doen richting scholen, consultatiebureaus, huisartsen,
Veilig Thuis en gemeenten?
Voorzitter. Dan over kindermishandeling. Ernstige incidenten roepen elke keer weer
de vraag op of signalen snel genoeg worden gedeeld en instanties goed genoeg kunnen
samenwerken. In drie jaar tijd steeg het aantal meldingen van scholen bij Veilig Thuis
over vermoedens van kindermishandeling met ruim 1.600. Dat meer scholen meldingen
maken is goed, maar Veilig Thuis kan dit aantal meldingen niet altijd aan. Dan ontstaat
er een flessenhals. Vroegsignalering is nog geen bescherming als de vervolgstap vastloopt.
Worden de meest urgente meldingen altijd opgepakt? Wat gebeurt er met structurele
onveiligheid, die misschien niet acuut lijkt, maar wel kan escaleren? Juist bij ernstige
kindermishandeling gaat het vaak om patronen die al langer zichtbaar waren. Wat doet
de Minister om Veilig Thuis structureel te versterken qua capaciteit, wachttijden,
vertrouwensartsen en de verschillen tussen de 25 organisaties?
Voorzitter. Ik zou tot slot nog willen stilstaan bij ouderenmishandeling. Ouderen
wonen langer thuis en zijn soms afhankelijk van zorg, mantelzorg en financiële ondersteuning.
Mishandeling, verwaarlozing of financiële uitbuiting kan lang verborgen blijven. We
hebben destijds – dat was mijn collega Krul – een motie ingediend. Die is nu afgedaan
met een online-themapagina. Dat vinden wij wel echt mager. Kunnen we verwachten dat
de Minister met een echte actieagenda komt rondom oudermishandeling, met inzet tot
preventie, signalering en de rol van Veilig Thuis?
Voorzitter. Veiligheid achter de voordeur vraagt om bescherming, doorzettingsmacht
en voldoende mensen en middelen.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dat brengt ons bij mevrouw Wiersma.
Mevrouw Wiersma (BBB):
Dank, voorzitter. Hier worden ze vaak besproken als dossiers, maar we hebben het natuurlijk
over mensen. Het gaat over vrouwen die zich niet veilig voelen thuis, maar ook over
te veel kinderen die 's avonds niet kunnen slapen omdat de thuissituatie onveilig
is, of die met honger gaan slapen. Er zijn gewoon veel problemen in Nederland. Kinderen
hebben eigenlijk maar een aantal dingen nodig. Dat zijn veiligheid, liefde en volwassenen
die hen beschermen zolang zij zelf nog te klein zijn om daarin te voorzien. Dat is
ook de reden dat de situatie in Stadskanaal en daarvoor al in Vlaardingen mensen zo
diep raakt. Want opnieuw waren er wel al vele signalen en meldingen vanuit de school
en vanuit de zorg. Dan blijft de vraag hangen: hoe kan het dan toch dat kinderen zo
lang in een onveilige situatie blijven zitten?
Kan deze Minister mij toezeggen dat de melders voortaan ook een terugkoppeling ontvangen
over wat er met hun melding gedaan wordt? Ik kan me namelijk voorstellen dat als je
een melding doet en niets hoort, je dan denkt dat je het ofwel verkeerd gezien hebt,
of dat het wordt opgepakt. Als vervolgens blijkt dat het kind toch in zo'n situatie
is blijven zitten, dan voelt dat extra machteloos.
Natuurlijk moeten fouten onderzocht worden, maar BBB vindt het daarnaast belangrijk
dat we niet alleen gaan zoeken naar één schuldige medewerker of instantie. Want als
systemen keer op keer tekortschieten, moeten we natuurlijk ook durven kijken naar
de systeemfouten die daarachter zitten, niet om de verantwoordelijkheid weg te poetsen,
maar juist om te voorkomen dat het opnieuw gebeurt. Dat vereist een open cultuur waarin
mensen fouten durven toegeven.
We zien steeds hetzelfde patronen terug: wachtlijsten, meldingen die blijven liggen,
professionals die elkaar niet goed weten te vinden, maar ook grote verschillen tussen
de regio's. De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd ziet ook al jaren dat het Wmo-toezicht
niet overal op orde is en dat wettelijke termijnen worden overschreden. Ook blijkt
uit de rapportage uit 2024 dat gemeenten soms onvoldoende zicht hebben op de meldingen,
de onderzoeken en de opvolgingen daarvan.
Daarom heb ik een aantal concrete vragen aan de Minister. Wat wordt er nu concreet
gedaan om ervoor te zorgen dat meldingen bij Veilig Thuis sneller worden beoordeeld
en dat ernstige signalen niet blijven liggen? Wanneer verwacht de Minister dat de
wettelijke termijnen wel weer structureel gehaald gaan worden? Hoe wordt voorkomen
dat ernstige situaties ondersneeuwen doordat het systeem overbelast is en professionals
te weinig tijd hebben? De Minister schrijft over meer uniformiteit tussen de 25 Veilig
Thuisorganisaties. Ik wil dan vragen: wat betekent dat concreet voor ouders, gezinnen
en kinderen? Welke minimale kwaliteitseisen gaat zij daarvoor hanteren?
De Minister schrijft ook dat er wordt gewerkt aan een betere samenwerking tussen Veilig
Thuis, de wijkteams, de jeugdbescherming, de zorg en de politie. Maar hoe wordt er
nu echt doorzettingsmacht georganiseerd als meerdere instanties signalen krijgen maar
er niemand is die de regie pakt?
We zien ook dat nog steeds veel gemeentes onvoldoende registreren, rapporteren en
openbaar maken als het gaat om toezicht en meldingen. Hoe gaat deze Minister er nu
voor zorgen dat we beter leren van fouten, maar ook van bijna-fouten? Want juist transparantie
en evaluatie zijn nodig om patronen te herkennen en daarmee herhaling in de toekomst
te kunnen voorkomen.
Hoe zorgen we er daarnaast voor dat we tegelijkertijd kunnen ingrijpen en dat we dat
zorgvuldig en proportioneel doen? Want een kind te laat beschermen is verschrikkelijk,
maar onterecht of onnodig ingrijpen in gezinnen heeft óók een enorme impact. Kinderen
mogen nooit afhankelijk zijn van toeval, drukte of gebrekkige samenwerking. Als samenleving
hebben we de plicht om eerder te signaleren, beter samen te werken en snelle bescherming
te bieden wanneer dat nodig is. Dat is niet vanuit wantrouwen, maar vanuit medemenselijkheid
en het nemen van verantwoordelijkheid.
Dank, voorzitter.
De voorzitter:
Mevrouw Van Meetelen.
Mevrouw Van Meetelen (PVV):
Dank u, voorzitter. Er zijn onderwerpen waarbij wij als Kamer laten zien dat het echt
niet meer onduidelijk is. Volgens mij is tot nu toe de rode draad dat iedereen eigenlijk
wel weet dat er hier heel veel misgaat.
Voorzitter. Bij huiselijk geweld, kindermishandeling en femicide is het probleem niet
dat wij te weinig rapporten, actieplannen, pilots, monitors, verkenningen of overlegtafels
hebben. Het probleem is dat vrouwen, kinderen en gezinnen in doodsangst kunnen leven
terwijl de overheid nog bezig is met het versterken van de ketensamenwerking. Daar
hebben we dat woord weer, «de keten». Dat is de pijnlijke werkelijkheid. De stukken
laten een duidelijke lijn zien.
De regering erkent veel. Er komt een Nationaal Coördinator Geweld tegen Vrouwen en
Huiselijk Geweld. Er wordt gewerkt aan een betere risicotaxatie, deskundigheid, de
aanpak van dwingende controle, verbetering van het tijdelijk huisverbod en betere
gegevensdeling. Maar erkenning is nog geen bescherming. Een monitor stopt geen vuist.
Een pilot houdt geen stalker tegen. Een handreiking redt geen vrouw als niemand verplicht
is om ernaar te handelen. We hebben het woord «verplichting» al een paar keer gehoord.
De vraag aan de Minister is dus heel eenvoudig: wanneer wordt dit systeem nou harder
dan de dader?
Dan een vraag over de beoogd nationaal coördinator. Ik heb daar ook al een paar andere
collega's over gehoord. Wanneer gaat deze coördinator starten? Wat gaat hij of zij
doen? Hoe gaat u ervoor zorgen dat deze functie niet weer gewoon een extra overlegpartner
wordt, maar iemand met gewicht die de boel eens echt gaat aanpakken en daadwerkelijk
gaat coördineren, zodat we ergens komen?
Voorzitter. GREVIO is niet mild over Nederland. Het zegt eigenlijk: Nederland heeft
beleid, maar slachtoffers merken nog te weinig bescherming. De aanpak is versnipperd,
te vaak lokaal verschillend en te vaak alsof het gaat om een conflict tussen twee
mensen, terwijl het in werkelijkheid gaat om macht, controle, angst en terreur. Daar
gaat het mis. Een vrouw die wordt geïsoleerd, gecontroleerd, gestalkt, bedreigd, financieel
kleingehouden of psychisch kapotgemaakt, is niet verwikkeld in een ingewikkelde relatie.
Zij zit gevangen.
Ziet Veilig Thuis dat altijd? Ziet de politie dat altijd? Ziet de rechter dat altijd?
Ziet de Raad voor de Kinderbescherming dat altijd? Zien zij het als er weer wordt
gesproken over omgang, contact en ouderschap? Of verdwijnt een gedeelte van het geweld
nog steeds achter nette woorden, zoals «een complexe scheiding», «escalatie tussen
ouders», «communicatieproblemen» en «van beide kanten»? Soms zijn er geen «beide kanten».
Soms is er een pleger en een slachtoffer. Soms is er een kind dat niet neutraal tussen
zijn twee ouders staat, maar leeft onder dreiging, spanning en controle.
Daarom moet de Minister vandaag wat de PVV betreft niet alleen zeggen wat er allemaal
loopt. De Minister moet zeggen wat er straks verplicht wordt, wie verantwoordelijk
is, wie ingrijpt als een regio achterblijft, wie ziet of signalen bij de politie,
Veilig Thuis, school, huisarts en jeugdbescherming samen een patroon vormen. Want
femicide komt zelden uit het niets. De rode vlaggen zijn bekend: stalking, bedreiging,
niet-fatale verwurging, dwingende controle, seksueel geweld, escalatie rond een relatiebreuk
en omgangsmomenten met kinderen. De vraag is niet of de vlaggen rood genoeg zijn.
De vraag is waarom het systeem ze nog steeds te vaak niet ziet of oppakt.
Dan het tijdelijk huisverbod. Dat moet niet blijven hangen als een woninggebonden
instrument uit een papieren werkelijkheid. Als het gevaar van een persoon komt, moet
de bescherming persoonsgericht zijn, ook als de pleger niet meer op hetzelfde adres
woont en ook als hij via familie, telefoon, schoolplein, werk, moskee, straat of social
media blijft controleren. Kan de Minister toezeggen dat bescherming niet meer afhankelijk
blijft van het adres van de dader, maar van het risico voor het slachtoffer?
Voorzitter. Laten we ook eerlijk zijn over eerwraak. Het is al even genoemd. Ook dat
is femicide, ook dat is geweld tegen vrouwen, niet als los cultureel bijverschijnsel,
niet als een familiezaak, maar als moorddadige controle over meisjes en vrouwen die
zelf willen kiezen.
De voorzitter:
Kunt u afronden?
Mevrouw Van Meetelen (PVV):
Ja, ik ga afronden. Ik heb nog twee zinnen. Bij huwelijksdwang, achterlating, bedreiging,
groepsdruk en eergerelateerd geweld moet de overheid niet fluisteren. De overheid
moet dan naast het slachtoffer staan en tegenover de familie die haar vrijheid afpakt.
Voorzitter. De PVV wil geen systeem dat achteraf zegt: alle signalen waren er. Wij
willen een overheid die ze vooraf bij elkaar legt, die niet later leert van de dood,
maar eerder ingrijpt voor het leven.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan geef ik het woord aan mevrouw Westerveld.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Dank u, voorzitter. Op papier hebben we het in Nederland allemaal heel goed geregeld
als het gaat om de zorg en ondersteuning van mensen. Ik zeg hier ook bewust «op papier»,
want in de praktijk is het een wirwar aan stelsels, instanties, akkoorden, agenda's
en noem maar op. De crux is dat als er in dit stelsel écht wat fundamenteel fout gaat,
iedereen kan doorverwijzen naar iemand anders en er niemand eindverantwoordelijk is.
Dat heeft enorme gevolgen voor de veiligheid en het welzijn van de meest kwetsbare
mensen.
We zien het ook in Kamerdebatten, want laten we eerlijk zijn: ook de Kamer heeft moeite
om in dit stelsel goed te controleren. Dat zien we aan de ophef die voortdurend ontstaat
naar aanleiding van vreselijke incidenten die in de media komen. Dan zien we helaas
ook vaak dat de aandacht erna weer wegebt, terwijl incidenten, bijvoorbeeld als we
kijken naar kindermishandeling, gewoon het topje van de ijsberg zijn. Naar schatting
maken zo rond de 119.000 kinderen een vorm van mishandeling mee.
Ik herinner me het spoeddebat dat we een jaar geleden hadden over het pleegmeisje
in Vlaardingen, waarbij het merendeel van deze Kamer zei: dit mag nooit meer gebeuren.
We waren allemaal oprecht emotioneel. Tegelijkertijd: dit gaat weer gebeuren op het
moment dat er niet fundamenteel wordt ingegrepen in dat stelsel. Ik vrees helaas ook
dat de kinderen uit Stadskanaal niet de laatste zullen zijn, want er liggen gewoon
stapels rapporten en we weten dat er na een Veilig Thuismelding in 63% van de gezinnen
nog sprake is van ernstig of veelvuldig geweld.
Ik heb een aantal vragen. Hoe kan het dat de Kamer eigenlijk weer dezelfde vragen
stelt als in het debat van vorig jaar over het pleegmeisje in Vlaardingen? Wat is
er echt – dat is een vraag aan de Minister – concreet gedaan met de toezeggingen die
toen zijn gedaan en de moties die zijn ingediend? Hoe kan het bijvoorbeeld dat de
aangenomen motie van het CDA en van ons, waarin we vragen om de expertise bij het
LECK, het Landelijk Expertise Centrum Kindermishandeling, structureel te borgen, niet
is uitgevoerd? Is dit bij meer van de moties of toezeggingen het geval?
Voorzitter. Er zijn schrikbarende aantallen van Nederlandse vrouwen die ooit in hun
leven fysiek of seksueel geweld hebben meegemaakt. Ik ben blij met de vragen van voorgangers
en ik vind het ook terecht dat er aandacht werd gevraagd voor de mishandeling van
mannen en jongens. Dat is een groot probleem. Er is veel schaamte over. Even over
vrouwenmishandeling. Volgens het Verdrag van Istanbul moeten slachtoffers van seksueel
en gendergerelateerd geweld zonder drempels toegang hebben tot medische of andere
ondersteuning. Ook dat is in Nederland niet het geval. Graag een reactie van de bewindspersoon.
Ik hoorde meerdere van mijn collega's vragen stellen over onderwerpen waar we het
al heel vaak over hebben gehad, zoals: waarom wordt niet standaard, of veel vaker,
de dader uit huis geplaatst? Hoe gaat het met Filomena, dat zo'n goede functie vervult?
Wordt dat structureel? Als het gaat over gendergerelateerd geweld: wordt het plan
van aanpak echt om dat ook juridisch beter en strakker aan te pakken? De VVD heeft
daar ook goede vragen over gesteld, waar ik me graag bij aansluit.
Voorzitter. Ik heb ook een vraag over de regeringscommissaris en over de toekomst.
Ik lees in het coalitieakkoord dat er een nationaal coördinator komt. Er is nog wat,
of best wel veel, onduidelijkheid over de rol en de invulling. Mijn vraag aan de Minister
is of ze ook met de huidige regeringscommissaris gesprekken met betrekking tot seksueel
grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld kan voeren als het gaat over hoe de
toekomst eruit moet zien en hoe de goede punten in dat programma voortgang kunnen
vinden.
Voorzitter. Alles wat ik nu zeg, raakt aan femicide. Dat is namelijk – dat wordt hier
ook vaker gezegd – de meest voorspelbare moord. Iedere acht dagen wordt er een vrouw
vermoord, vaak door iemand in de nabije omgeving. Ook daarover is door heel veel mensen
in deze Kamer vaker aangegeven dat er concrete acties moeten komen. Graag een reactie
van de Minister.
Ik zie de voorzitter naar mij kijken. Heeft dat een reden?
De voorzitter:
We zijn voorbij de vier minuten.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Mag ik nog een punt maken over dakloosheid? Want ook dat stond vandaag op de agenda.
Daar is het weinig over gegaan omdat de agenda zo groot is. Ik heb twee vragen. Een
gaat over de vrouwenopvang. Wil de Minister dat met gemeenten oppakken? En twee: wat
gaat ze doen om ervoor te zorgen dat wij gaan voldoen aan de doelstelling om in 2030
niemand meer dakloos te laten raken? Volgens mij zitten we namelijk bij lange na niet
op schema.
De voorzitter:
Dank u wel. Dat leidt tot een vraag van mevrouw Becker.
Mevrouw Becker (VVD):
Dank aan mevrouw Westerveld voor haar vraag over de structuur rondom de nationaal
coördinator. Wie coördineert nou precies wat? Ook ik stelde daar natuurlijk een vraag
over. Wanneer komt die nationaal coördinator?
Is mevrouw Westerveld het met mij eens dat het de voorkeur zou hebben om en-en te
doen? Dat betekent dus enerzijds een nationaal coördinator die doorbraken voor elkaar
gaat krijgen op het hele plan van aanpak, iets waar we al zo lang op wachten, maar
waar onze bestuurders helaas niet iedere dag fulltime aandacht aan kunnen geven. Daar
zit dan dus iemand die dat fulltime, met bestuurlijk-politieke ervaring en echte daadkracht
kan doen. Daarnaast is er dan een regeringscommissaris seksueel grensoverschrijdend
gedrag en seksueel geweld, die al heel veel heeft betekent voor kennisoverdracht en
bewustwording op de werkvloer, in het bedrijfsleven en in organisaties en die ook
een aanjaagfunctie heeft. Die functie zouden we ook moeten hebben vanuit het Verdrag
van Istanbul.
Om haar vraag dus goed te begrijpen: kunnen we dan aan het kabinet meegeven... Wilt
u die beide sporen bewandelen? Wilt u dus dat gesprek aangaan met de regeringscommissaris
en daarnaast een nationaal coördinator aanstellen?
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Mij maakt het niet zo heel veel uit hoe die structuren eruit gaan zien en wie nu precies
wat gaat doen. Volgens mij is het allerbelangrijkste dat het thema op de agenda blijft
staan en dat dit op verschillende manieren gebeurt, dus via iemand of een instantie
die er aandacht voor blijft vragen, gevraagd en ongevraagd adviezen stuurt en zaken
gaat onderzoeken. En natuurlijk moet er ook beter gecoördineerd worden tussen de verschillende
ministeries. Wij weten daar allebei het een en ander vanaf, omdat we deze debatten
natuurlijk in verschillende commissies voeren. De huidige bewindspersoon pakt die
taken volgens mij heel goed op, maar heeft wel ook weer te maken met verschillende
ministeries. Ook dat moet goed geborgd zijn. Ik denk dus dat het zaak is om dat allebei
goed te regelen, vandaar mijn vraag aan de Minister. Geef nou eens aan hoe de nationaal
coördinator eruit gaat zien, maar ga ook in gesprek met de huidige regeringscoördinator
om te overleggen over hoe we op een zo goed mogelijke manier al die goede zaken die
zij doen – vanochtend was er ook weer een onderzoek – voor het voetlicht blijven brengen.
Mevrouw Van Brenk (50PLUS):
Ik ben blij met het laatste punt dat mevrouw Westerveld naar voren brengt rondom dakloosheid.
Er is vanmiddag een plenair debat over wonen en daar zal ik dat punt ook naar voren
brengen. Ik maak me zorgen over de samenwerking tussen ministeries. Wie is nou waar
verantwoordelijk voor? Deze Minister heeft bijvoorbeeld ook seniorenhuisvesting in
haar portefeuille en is verantwoordelijk voor dakloosheid. Deelt GroenLinks-PvdA die
zorgen of heeft zij er vertrouwen in dat er op dit terrein een goed gecoördineerde
samenwerking is tussen alle ministeries?
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Ik ben blij met deze vraag, want dit laat weer precies zien waar het probleem ligt.
Ik deel die zorgen namelijk volledig. We zien dat ook in het beleid. Een aantal jaar
geleden werd met veel aandacht het Nationaal Actieplan Dakloosheid gepresenteerd,
met als doelstelling dat er in 2030 niemand meer dakloos is. Daar hebben we het toen
over gehad. Dat werd gelanceerd door de toenmalige Staatssecretaris van VWS, die verantwoordelijk
is.
Maar wat is het grote probleem met dakloosheid? Dat is dat mensen geen dak boven hun
hoofd hebben. In de afgelopen jaren, in het afgelopen kabinet, hebben we gemerkt dat
de toenmalige Minister van Wonen zich op geen enkele manier verantwoordelijk voelde
voor dakloze mensen. Ik heb alle goede hoop dat dat in dit kabinet gaat veranderen.
Ik vind namelijk dat dit niet alleen de verantwoordelijkheid is van deze bewindspersoon.
Deze bewindspersoon gaat over het, hopelijk, voorkomen dat mensen dakloos worden.
Maar uiteindelijk hebben mensen een dak boven hun hoofd nodig. Dat is de enige manier
om dakloosheid permanent op te lossen. Dat is ook de beste manier. Dat voorkomt ook
heel veel zorggeld, omdat mensen dan gewoon een fijne en veilige plek hebben om te
wonen. Dus dat ligt zeker ook bij het Ministerie van Wonen.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan wil ik mevrouw Coenradie vragen om tijdelijk het voorzitterschap over
te nemen.
Voorzitter: Coenradie
De voorzitter:
Ja. Voor de laatste bijdrage in deze commissie geef ik het woord aan mevrouw Synhaeve
van D66.
Mevrouw Synhaeve (D66):
Dank u wel, voorzitter. Twee kinderen hadden moeten opgroeien op een veilige plek,
waar liefde, rust en bescherming vanzelfsprekend hadden moeten zijn. Maar in plaats
daarvan zijn ze door een hel gegaan. Ze waren volledig afhankelijk van volwassenen,
instanties en een overheid die hen hadden moeten beschermen. De overheid heeft fundamenteel
gefaald.
Uit de berichtgeving van gisteren blijkt dat er al sinds begin 2025 signalen waren
bij instanties. We weten dat deze kinderen pas in mei van dit jaar uit huis zijn gehaald.
Het gebeurde dus niet in de loop van 2025, maar aan het begin van dat jaar. We weten
ook dat uiteindelijk pas is ingegrepen toen een van de kinderen voor de tweede keer
in het ziekenhuis belandde. Hoe kan een kind in Nederland twee keer zo ernstig mishandeld
worden dat het in een ziekenhuis belandt, zonder dat er is ingegrepen? Het onderzoek
loopt, maar ik hoor graag van de Minister welke inzichten zij heeft naar aanleiding
van de stappen die de afgelopen week zijn gezet. En wat zijn die stappen dan?
Voorzitter. Het is al eerder genoemd: dit is geen incident. Het is het topje van de
ijsberg. Er zijn meer kinderen die te lang ongezien blijven en in onveiligheid opgroeien.
Deze kinderen leren al vroeg dat systemen die hen moeten beschermen dat niet altijd
doen. Dat geldt ook voor kinderen in de vrouwenopvang en maatschappelijke opvang.
Zij zijn vaak getuige geweest van geweld, dreiging en angst, en zijn regelmatig ook
zelf mishandeld. Juist bij deze kinderen is snel passende psychische hulp nodig, maar
in de praktijk lopen zij vast in een systeem dat niet werkt. Die hulp valt namelijk
onder de Jeugdwet en moet worden betaald door de gemeente van herkomst, die akkoord
moet geven om de jeugdhulp in te zetten. Dat leidt tot bureaucratie tussen gemeenten,
aanbieders en opvang, en uiteindelijk leidt het ertoe dat heel veel van deze kinderen
geen zorg krijgen. Dat is onacceptabel. Het belang van het kind zou leidend moeten
zijn, niet welke gemeente betaalt. Daarom vraag ik de Minister: regel dit. Hoe gaat
zij ervoor zorgen dat getraumatiseerde kinderen in de traumaopvang op tijd de psychische
zorg krijgen waar zij recht op hebben?
Voorzitter. Dan kom ik bij de kindcheck. Die is er niet voor niets. Professionals
in de volwassenen-ggz moeten nagaan of hun patiënten kinderen hebben en of die kinderen
veilig zijn. ZonMw stelde al in 2019 dat die kindcheck geldt voor alle professionals
in de volwassenenzorg, bijvoorbeeld als er sprake is van ernstige psychische problemen,
verslaving of huiselijk geweld. ZonMw concludeerde ook dat een heel groot deel van
deze professionals niet bekend is met de kindcheck. Ik vraag de Minister: heeft zij
recente cijfers over de toepassing van de kindcheck in de volwassenen-ggz? Hoe zorgt
zij ervoor dat deze niet alleen op papier staat, maar ook echt wordt toegepast?
Voorzitter. Het is tenenkrommend hoe slecht wij zijn in het serieus nemen van de signalen
van kinderen die aangeven dat het thuis onveilig is. Wij denken dat het anders moet
en dat je ook fundamenteel moet kijken naar hoe we dat nu eigenlijk hebben georganiseerd.
We zullen binnenkort met een groot voorstel komen.
Tot slot. Ik sluit me aan bij alle vragen die al zijn gesteld rond de Nationaal Coördinator
Geweld tegen Vrouwen en Huiselijk Geweld, met name de vraag over hoe de rol wordt
ingevuld. Hoe zorgen we dat de coördinator voldoende mandaat en slagkracht heeft?
Voorzitter, ik sluit af. Kinderen die opgroeien in onveiligheid vragen niet om systemen
en doorverwijzingen; ze vragen om veiligheid, om rust en om volwassenen die doen wat
nodig is. Dat kunnen we organiseren. We kunnen ervoor zorgen dat het systeem om deze
kinderen heen gaat staan, in plaats van andersom. En dat is onze verantwoordelijkheid.
Dank u wel.
De voorzitter:
Ik zie dat er geen vragen zijn. Dan geef ik het voorzitterschap weer terug aan mevrouw
Synhaeve.
Voorzitter: Synhaeve
De voorzitter:
Dank u wel. Dan kijk ik even naar de Minister. Is een schorsing van twintig minuten
voor u haalbaar? Dat is niet het geval. Wat zou wel haalbaar zijn voor u? Een halfuur.
Dan zien we elkaar terug om 11.30 uur.
De vergadering wordt van 10.58 uur tot 11.36 uur geschorst.
De voorzitter:
Ik heropen deze vergadering. Ik stel voor dat we werken met drie interrupties aan
de zijde van de Kamer. Als we er allemaal op letten dat het korte interrupties zijn,
dan geeft ons dat ruimte om wellicht aan het eind nog een extra interruptie toe te
staan. Mevrouw Van Brenk heeft aangegeven dat zij iets eerder moet vertrekken ter
voorbereiding op een volgend debat. Dat is bij dezen gedeeld. Dan geef ik graag het
woord aan de Minister. Ogenblik, er is nog een aanvulling vanuit mevrouw Armut.
Mevrouw Armut (CDA):
Het is een beetje afhankelijk van hoelang het nog gaat duren, maar als mevrouw Van
Brenk het zo netjes heeft aangegeven, doe ik dat ook graag. Ik heb straks een commissiedebat,
dus het kan zijn dat ik iets eerder wegloop.
De voorzitter:
Helder. We zorgen sowieso dat we om 14.00 uur klaar zijn. Het woord is aan de Minister.
Minister Sterk:
Dank u wel, voorzitter. Dank voor alle vragen van de Kamerleden. De titel van het
debat is: maatschappelijk domein. Ik merk – en dat was ook wel de verwachting, gezien
de brieven – dat we het in het debat vooral hebben over wat de heer Van Dijk met een
heel mooi citaat van Shakespeare zei. Ik benoem het dan misschien in wat plattere
termen: het gaat vooral over wat we «terreur achter de voordeur» zouden kunnen noemen.
Dat is waar het vandaag over gaat wat mij betreft.
Het is een ontzettend belangrijk thema. Vorige week zagen we opnieuw hoe ongelofelijk
veel leed er achter de voordeur kan zijn, waar wij als samenleving soms niet van weten.
En als we ervan weten, hebben we soms onvoldoende op orde wat ervoor nodig is om te
zorgen dat er veiligheid is voor de getroffen kinderen en een plek waar ze geholpen
kunnen worden. Dat geldt soms ook voor de vrouwen en ook voor de mannen, zeg ik erbij
tegen de heer Van Dijk.
Ik keek een beetje rond. Ik vond het opvallend dat van alle fracties een vrouw aanwezig
is en van de enige fractie waarin geen vrouwen zitten, er een man aanwezig is. Dat
zegt ook iets over de betrokkenheid die wij allemaal voelen bij dit thema, denk ik.
Dat heb ik als bewindspersoon zelf ook. Dat wil ik graag benadrukken. Ik ben coördinerend
bewindspersoon, maar ik zit hier ook als vrouw, als moeder, als persoon die zelf ook
ervaringen heeft, niet in zo ernstige mate dat ik een melding moest doen bij Veilig
Thuis, maar ik bedoel dat we als vrouw allemaal wel herkennen wat er soms kan spelen.
Ik ben dus echt intrinsiek gemotiveerd om dit thema de komende jaren weer de urgentie
te geven en te laten behouden die het nodig heeft.
Ik geef ook een winstwaarschuwing af. Ik proef bij mevrouw Coenradie dat ze voelt:
we moeten nu eens actie ondernemen; er moeten dingen gebeuren. Dat vind ik ook. Tegelijkertijd
is het ook waar dat we daar soms toch tijd voor nodig hebben. We hebben het namelijk
over zaken die niet makkelijk te regelen zijn door ergens een verplichting neer te
leggen of iemand te benoemen als regiecoördinator. Het gaat ook om cultuurverandering.
Cultuurverandering vraagt tijd. Als partijen met elkaar moeten samenwerken, vraagt
dat tijd. Het vraagt dat mensen dezelfde taal gaan spreken. Volgens mij zijn we daar
al op een heleboel terreinen mee bezig. De winstwaarschuwing is wel dat ik soms toch
ga zeggen: daar zijn we over in gesprek of daar zijn we mee aan de slag. Dat moet
natuurlijk leiden tot actiepunten en dingen die we gaan doen en soms zijn we al met
die actiepunten bezig. Maar we moeten hier met elkaar niet de illusie creëren dat
als we maar dingen verplichten en er iemand voor verantwoordelijk maken, het dan geregeld
is. Ik zeg overigens niet dat u dat zegt, hoor, maar ik vind het wel belangrijk om
dat alvast aan de voorkant aan te geven.
Wat ik ook belangrijk vind om aan de voorkant te zeggen, is dat we met elkaar best
veel kritiek hebben op hoe het nu loopt. We zeggen dat het systeem faalt, zeker als
je kijkt naar wat er vorige week is gebeurd in Stadskanaal. Ik wil ook onderstrepen
dat er in het systeem heel veel mensen werken die met de allerbeste intenties en de
allerbeste wil van de wereld proberen om toch te helpen, ook bij deze kinderen in
Stadskanaal. Ik heb gisteren contact gezocht met Veilig Thuis om van hen te horen
hoe het daar nu is. Want al deze mensen hebben ook gehoord wat er in Stadskanaal is
gebeurd. Ze hebben gehoord hoe heel Nederland daaroverheen valt. Er zitten ook mensen
die hun uiterste best doen om dit probleem op te lossen. En niet alleen daar, die
zitten op heel veel plekken in de samenleving, gelukkig. Het geeft tegelijkertijd
de complexiteit aan waarmee we te maken hebben. Dat leidt tot veel rapporten en veel
ingewikkelde debatten. Dat is de onmacht die wij soms ook voelen als Kamer en ook
misschien wel als kabinet: waarom krijgen we het niet opgelost? Het is daarnaast ook
de motor waarop we door moeten gaan. We moeten zorgen dat we de komende periode een
aantal zaken echt goed gaan oppakken. Vanuit mijn rol als coördinerend bewindspersoon
kan ik niet alles, want een deel van uw vragen ligt bij mijn collega Van Weel, bijvoorbeeld.
Soms ligt het ook bij andere ministeries. Ik zal in ieder geval wel zorgen dat ik
mijn rol zo goed mogelijk pak, omdat we daarin juist samenwerking nodig hebben.
Dit wilde ik even aan de voorkant gezegd hebben. Ik heb een aantal thema's, die ik
in blokjes zal behandelen. Dat helpt om te weten waar we zitten in de beantwoording.
Er zijn heel veel vragen gesteld over de nationaal coördinator, over de regie en over
femicide. Daarna ga ik in op vragen rond de toekomstscenario's en Filomena. Vervolgens
komen de vragen over Veilig Thuis. Dan waren er enkele vragen over Stadskanaal en,
breder gezien, over kindermishandeling. Wat naar, trouwens, als je al die thema's
hoort; het zijn natuurlijk vreselijke thema's. Dan heb ik nog een blokje juridische
interventies, een blokje over specifieke aanpakken en vragen die daarbij horen. Dan
heb ik een blokje waarin ik vragen beantwoord over dakloosheid, de Wmo en mantelzorg.
Dat gaat ook over het maatschappelijke domein. Ook die vragen zijn gesteld. Ik zal
ze in dat blokje beantwoorden.
Ik begin met het blokje over de nationaal coördinator. Er zijn veel fracties die daarover
vragen hebben gesteld: mevrouw Becker, mevrouw Westerveld, mevrouw Armut, mevrouw
Synhaeve en mevrouw Van Meetelen. De nationaal coördinator willen we voor de zomer
benoemd hebben. U hoort voor de zomer wie dat zal worden. Die zal van start gaan om
te zorgen dat er een nationaal actieplan komt, zodat er iets wordt gedaan aan wat
we allemaal constateren, namelijk de versnippering die er is. Het doel is dat er meer
regie komt en meer samenwerking tussen de verschillende domeinen. Denk aan de strafrechtketen,
preventie en de zorg. Dat is de taak die de nationaal coördinator krijgt.
Er werd gevraagd naar de samenhang met de rijkscommissaris. Ik heb vorige week gesproken
met Mariëtte Hamer. In principe zou de nationaal coördinator verder moeten gaan op
de basis die de rijkscommissaris heeft gelegd. Ik denk dat ze hele goede dingen heeft
gedaan. De bewustwording is stukken verder gebracht. Ik wil bekijken hoe we goed kunnen
borgen wat de rijkscommissaris heeft opgeleverd. Ik wil eerlijk gezegd nog in gesprek
met mijn eigen ambtenaren over hoe we dat gaan doen. Ik wil u toezeggen dat ik in
de brief over huiselijk geweld, die ik voor de zomer naar de Kamer zal sturen, daarop
wat nader zal ingaan.
De voorzitter:
Een vraag van mevrouw Van Meetelen.
Mevrouw Van Meetelen (PVV):
Ik heb een vraag over de nationaal coördinator. U heeft er nu iets over gezegd, maar
wat betekent de regie concreet? Kan de coördinator dan ergens gaan ingrijpen of wordt
het gewoon coördineren zonder doorzettingsmacht? Als wachtlijsten oplopen en signalen
structureel niet worden opgevolgd, kan de coördinator daar dan wat aan doen? Of is
de rol alleen om te kijken hoe we iedereen bij elkaar krijgen? Zou u me kunnen toezeggen
om in een brief toe te lichten hoe dit wordt aangepakt?
Minister Sterk:
De bedoeling van de nationaal coördinator is niet dat die een soort doorzettingsmacht
krijgt om alle problemen op te lossen. Dat is niet het doel van de nationaal coördinator.
Het doel van de nationaal coördinator is vooral om alle versnipperde aanpakken en
dingen die we doen veel meer onder één dak te brengen en er samenhang in aan te brengen.
De coördinator zal werken onder de mandaten van de verantwoordelijke Ministers. Dus
als er actiepunten komen rondom zorg, ben ik uiteindelijk degene die daar verantwoordelijk
voor is. Hetzelfde geldt bij strafrechtelijke zaken. Die persoon heeft dus wel een
groot mandaat om door alle organisaties heen te gaan, iedereen daarvoor te benaderen
en daar eigenstandig een actieplan voor op te stellen, maar de mandaten rond de onderwerpen
blijven wel bij de verantwoordelijke bewindspersonen liggen.
De voorzitter:
Ik stel voor dat we vanuit de Kamer kijken of we de vragen zo veel mogelijk aan het
eind van een blokje kunnen stellen. Als u denkt dat het echt even snel tussendoor
moet, dan hoor ik het graag. De Minister vervolgt de beantwoording.
Minister Sterk:
Er was een vraag van mevrouw Coenradie en van mevrouw Wiersma over betere samenwerking
en afstemming tussen ketenpartners bij hoogrisicozaken. Er werd gevraagd of er geen
regierol moet komen voor de burgemeester. Samenwerking is noodzakelijk in multidisciplinaire
overleggen. Gevraagd wordt hoe we de doorzettingsmacht en regie gaan organiseren.
De samenwerking en goede afstemming is cruciaal bij deze zaken. Wat we nu nog weleens
zien in het systeem is wat we het estafettemodel noemen, waarbij de casus wordt doorgezet
naar de volgende instantie, zonder dat er gezamenlijk integraal naar is gekeken en
is afgesproken wie wat gaat oppakken. Samenwerking is dus ontzettend belangrijk. Het
kan alleen wel per casus verschillen wie daarin uiteindelijk de regierol moet gaan
vervullen. Mevrouw Coenradie vroeg of de burgemeester niet de regierol kan pakken.
Dat zou kunnen als het gaat over veiligheid. Maar als het over zorg gaat, is het niet
logisch om de regierol bij de burgemeester neer te leggen. Dan wil je die graag bij
een zorginstantie neerleggen, omdat het een ander type vraag is. Je zult dus per casus
moeten kijken naar hoe je dat doet. Daarom is het zo belangrijk dat er in alle regio's
samenwerkingsafspraken worden gemaakt. Dat willen we doen in de regionale veiligheidsteams,
waarbij duidelijk wordt geïdentificeerd: als dit de vraag of behoefte is, moet dit
de regie-eigenaar worden. Je kunt hiervoor geen one-size-fits-allaanpak organiseren,
want het kan echt per casus verschillen.
Vanuit Veiligheid Voorop werken onder meer Veilig Thuis, de politie en justitieorganisaties
sinds 2018 steeds meer vroegtijdig en intensief samen om zo snel mogelijk veiligheid
te realiseren. Dat betekent dat ze gezamenlijk een melding oppakken en met inbreng
van ieders expertise een gezamenlijk beeld vormen en vervolgacties afstemmen. Deze
aanpak wordt in steeds meer regio's ingezet. Daarnaast wordt in een aantal regio's
de specialistische aanpak voor huiselijk geweld en kindermishandeling bij complexe
zaken georganiseerd, de MDA++, met een expliciet aangewezen procesregisseur. In sommige
regio's is dat Veilig Thuis. In andere regio's voert het Zorg- en Veiligheidshuis
de regie, of soms de GGD. Wat volgens mij vooral belangrijk is, is dat er duidelijke
afspraken over zijn in een regio, zodat men weet wie de taak moet oppakken. Nogmaals,
ik denk dat het vooral belangrijk is dat de afspraken goed zijn. Daar wordt de komende
tijd aan gewerkt. Daarnaast is het belangrijk dat partijen gezamenlijk leren van de
samenwerkingsafspraken, maar dat geldt natuurlijk voor alles. Gemeentes hebben daarin
een hele belangrijke rol. Als er dan sprake is van calamiteiten of incidenten, zoals
in Stadskanaal, dan moet de inspectie daar altijd naar kijken en een onderzoek uitvoeren
als dat noodzakelijk is. Dat gaat in Stadskanaal gelukkig ook gebeuren.
Er waren vragen over femicide van mevrouw Van Brenk, mevrouw Armut en mevrouw Westerveld.
Een vraag was hoe het staat met de tien prioriteiten. Wanneer merkt een vrouw in een
gewelddadige relatie dat de inzet van het kabinet echt een verschil maakt? Het is
een onderwerp dat ook bij dit kabinet hoog op de agenda staat. Dat geldt voor mijn
collega Van Weel en het geldt voor mij. Er is geld voor vrijgemaakt, 10 miljoen, om
te kijken hoe we het kunnen verbeteren. Dat zit met name aan de strafrechtelijke kant.
Met het plan van aanpak Stop femicide! is en wordt er nog steeds aan de hand van de
pijlers en de tien prioriteiten invulling aan gegeven. Op verbeteringen die in gang
zijn gezet, wordt verder doorgepakt. Zo lopen er op dit moment voor risicotaxatie
acties om instrumenten voor een tijdige signalering te verbeteren en deskundigheid
van de zorg- en veiligheidsprofessionals te versterken. We werken samen met het landelijk
netwerk Veilig Thuis aan een betere informatievoorziening en laagdrempelige toegankelijkheid
van Veilig Thuis. Ik kom overigens op de vragen over Veilig Thuis nog terug in een
later blokje. Met de komst van de nationaal coördinator is het momentum er om het
plan van aanpak Stop femicide! te herijken en mee te nemen in de ontwikkeling naar
het nieuwe nationaal actieplan geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld en kindermishandeling.
Dat was het eerste blokje.
Mevrouw Becker (VVD):
Dank aan de Minister. Dit is wat mij betreft een van de belangrijkste onderwerpen,
waar we harde afspraken over hebben gemaakt in het regeerakkoord en waar echt actie
nodig is. Het is niet makkelijk voor deze Minister om het allemaal meteen te realiseren;
dat snap ik. Tegelijkertijd vraag ik ook haar begrip voor de voorgeschiedenis, namelijk
dat deze Kamercommissie en de Kamercommissie voor Justitie en Veiligheid al vier jaar
dit soort debatten voeren en dit soort antwoorden krijgen. Het risico bestaat dat
Minister Sterk nog een keer gaat uitleggen hoe het werkt en dat regio's en gemeenten
een belangrijke rol spelen en dat er veel initiatieven zijn. Vorige week zaten de
gemeenten hier. Ze zeiden: «Laat het alsjeblieft niet allemaal aan onszelf over. Neem
meer regie vanuit het Rijk. Kom met meer kaders. Pas wetgeving aan. Want we willen
het niet overal verschillend kunnen doen, we willen overal goede hulp kunnen bieden.»
Daarom de vraag vanuit deze commissie: is de Minister bereid om echt een nieuw wettelijk
kader te creëren, waarbij één aanpak in een gezin ook mogelijk is? Waarbij zoiets
simpels als het uitrollen van het slachtofferdevice, wat nu niet landelijk schijnt
te kunnen, dan kan worden meegenomen. Waarbij we niet nog een keer aan de nieuwe nationaal
coördinator vragen «maak maar weer een nieuw plan van aanpak», maar waarbij gewoon
een keer gaat worden uitgevoerd wat er staat in het plan van aanpak van twee jaar
geleden en in het regeerakkoord. Dus ik heb begrip voor haar positie. Ik zou alleen
niet meer uitleg willen over hoe het werkt, maar iets meer actie.
De voorzitter:
Laten we er met elkaar op letten dat de vragen korter zijn.
Minister Sterk:
Op het slachtofferdevice kom ik later nog terug. Ik denk dat het inderdaad belangrijk
is dat er meer uniformiteit komt. Ik snap de vraag van de gemeentes. Je ziet nu best
wel veel verschillen bij Veilig Thuis in verschillende regio's. We zijn nu bezig om
ervoor te zorgen dat er een meer gelijkvormige manier van werken ontstaat. Of je dat
wettelijk moet verankeren of niet, weet ik niet. Het is nodig dat er meer gelijke
werkwijzen komen en daar werken we op dit moment al aan. Dat is dus niet iets dat
pas in de actieagenda komt.
De voorzitter:
Ik zag eerst een vraag van mevrouw Coenradie. O, een vervolgvraag van mevrouw Becker,
excuses.
Mevrouw Becker (VVD):
Een opmerking om te voorkomen dat we er allemaal een interruptie aan kwijt zijn: ik
zou het fijn vinden als we dan ook kunnen horen wanneer we het kunnen verwachten.
Er staat bijvoorbeeld in het regeerakkoord dat er moet worden herbezonnen op Veilig
Thuis. Het is fijn te horen dat het gebeurt, maar wanneer kunnen wij daarover informatie
verwachten als Kamer?
Minister Sterk:
Ik heb nog een blokje Veilig Thuis. Ik stel voor dat ik dat eerst even afrond. Volgens
mij zit daar het antwoord in. Als u dan nog niet tevreden bent, dan hoor ik het graag.
De voorzitter:
Ik denk dat het algehele verzoek is om, waar dat kan, onmiddellijk expliciet aan te
geven wanneer iets naar de Kamer komt en in welke vorm dat is. Dat zou fijn zijn.
Mevrouw Coenradie (JA21):
Voordat het nu een interruptie kost, ben ik even benieuwd of de vraag later wordt
beantwoord of dat ik hem heb gemist. Mijn vraag was namelijk ook of de Minister bereid
is om te kijken naar de verruiming van het mandaatbesluit rond Veilig Thuis of andere
soortgelijke instanties, bijvoorbeeld bij preventieve huisverboden. Ik vraag het omdat
de Minister begon over Veiligheid Voorop. In het kader daarvan vroeg ik me af of deze
vraag nog wordt beantwoord in dit blokje of op een ander moment.
Minister Sterk:
Ik heb zo veel vragen gehad in de eerste termijn dat ik niet durf te zeggen of die
daarbij zit. We zullen het bekijken en dan ga ik ondertussen door met de beantwoording.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Ik heb ook een vraag op dit punt. Ik heb ter voorbereiding op deze commissie het actieplan
2018 tot 2021, Geweld hoort nergens thuis, erbij gepakt. Als je dat actieplan leest,
zou je dat een-op-een kunnen vertalen naar de situatie van nu. Er staat in dat actieplan
geen woord waar we het mee oneens zouden zijn. Er staan allemaal goeie intenties in,
allemaal goeie zaken die gaan gebeuren, en jaren later denk ik: we zijn nog steeds
op hetzelfde punt, zonder dat ik concreet weet wat de opbrengsten van dit actieplan
zijn geweest. We zijn er later in een brief over geïnformeerd, enzovoort. Dat weet
ik allemaal, maar mijn vraag aan de Minister is hoe ze gaat zorgen dat er heel concrete
keuzes worden gemaakt. Wat gaan we nou doen? Misschien ook: wat gaan we niet doen?
Welk tijdpad hoort erbij en wat gaat het opleveren? Dat mis ik eerlijk gezegd wel
in de vele actieplannen die we tot nu toe hebben gekregen over deze onderwerpen.
Minister Sterk:
Ik voelde deze vraag al een beetje aankomen. Ik snap heel goed dat u die stelt. Ik
heb dat in de voorbereiding van dit debat eerlijk gezegd ook zo gesteld. Ik wil er
voor de zomer wat dieper op ingaan. Ik begrijp dat u zich afvraagt wat we nu echt
gaan doen. Dat hoor ik bij veel meer mensen. Tegelijkertijd zit ik hier net een maand.
Ik ben bezig er grip op te krijgen. Ik heb net ook aangegeven dat ik mijn taak als
coördinerend bewindspersoon op dit onderwerp echt serieus neem. Ik wil u toezeggen
dat u daar voor de zomer meer over hoort in de brief. Wat mij betreft vindt u daar
dan vervolgens ook wat van.
De heer Diederik van Dijk (SGP):
Het is eigenlijk geen interruptie, maar een vraag over de blokjes. Het punt over geweld
tegen vrouwen is genoemd. Het punt van mannenmishandeling... Dat komt nog? Sorry,
dan wacht ik graag.
De voorzitter:
Dat brengt ons volgens mij bij blokje twee.
Minister Sterk:
Dat klopt. Die vraag van de SGP vergeet ik niet zomaar. Daar kom ik graag op terug.
Blokje twee gaat over toekomstscenario...
De voorzitter:
Excuses, we hebben nog een vraag van mevrouw Van Meetelen.
Mevrouw Van Meetelen (PVV):
Ik moest net wachten tot het einde van het blokje. Nu zijn we bij het einde van het
blokje en dan gaan we toch weer door. In het verlengde van de vragen die al zijn gesteld,
wil ik het volgende zeggen. We krijgen weer een nieuw actieplan. Wat mij betreft hebben
we geen nieuw actieplan nodig, maar gaan we in actie met het plan dat er al lag. Dat
lijkt me veel handiger; dan hoef je niet weer opnieuw te beginnen. Mijn vraag gaat
specifiek over de nationaal coördinator. Misschien kunt u er later nog op ingaan;
het maakt mij niet uit op welk moment. Dat hoor ik dan ook graag. Wat gaat de coördinator
nu precies uitvoeren en hoe gaat u ervoor zorgen dat het niet gewoon weer een extra
praat- of overleglaag gaat worden? Het is allemaal weer leuk bedacht, en ik steun
op zich wel dat het gaat gebeuren, maar er moet nu ook echt concreet iets uitgevoerd
worden. Ik denk dat iedereen hier aan deze tafel en ook daar op de publieke tribune
denkt: wat gaan we krijgen? Dat is volgens mij de voornaamste vraag.
Minister Sterk:
Ik ben blij om te horen dat ook mevrouw Van Meetelen onderschrijft dat het goed is
dat de nationaal coördinator er komt. Natuurlijk mag het geen lege huls zijn. Het
moet echt wel ergens toe leiden. Ik wil ook niet de indruk wekken dat we helemaal
overnieuw gaan beginnen. Er loopt al heel veel; er gebeurt al heel veel. Ik hoor u
ook allerlei voorbeelden noemen van dingen die al lopen en gebeuren. Wat we ook met
elkaar constateren is dat er versnippering is. Volgens mij is het de taak van de nationaal
coördinator – ze heet ook niet voor niets... «Ze» of... De kans is natuurlijk groot
dat het een «ze» wordt. In ieder geval is het een coördinator, die ervoor zorgt dat
het veel meer bij elkaar wordt gebracht. Dat betekent niet dat we nu ineens stoppen
met de dingen die we doen. Het betekent wel dat we ze misschien nog beter kunnen gaan
doen. Dat is de opdracht die ze heeft. Op het moment dat wij de nationaal coördinator
benoemen, hoort u dat als Kamer. Ik zeg toe dat ik in de brief dan ook nader zal ingaan
op wat ze precies gaat doen, zodat het voor u als Kamer ook zwart-op-wit te lezen
is.
Mevrouw Moinat (Groep Markuszower):
Ik weet niet of het volgende een verspreking is van de Minister. U zegt net dat de
kans groot is dat het een «ze» wordt. Bent u beter geïnformeerd dan wij? Of was het
een verspreking toen u zei dat de kans groot is dat het een «ze» wordt? Dat triggert
bij mij het een en ander, namelijk dat u meer weet dan ik.
Minister Sterk:
U begrijpt dat op dit moment de procedure loopt voor de benoeming van de nationaal
coördinator. Ik word soms geïnformeerd over in welke fase die zich bevindt. Zodra
iemand als nationaal coördinator wordt benoemd, hoort de Kamer dat als eerste.
De voorzitter:
Ik denk dat dat wel degelijk het einde van blokje één was. Dat brengt ons bij blok
twee: toekomstscenario en Filomena.
Minister Sterk:
Velen van u hebben met waarderende woorden gesproken over Filomena. Ik onderschrijf
dat; ik ben er zelf geweest. Ik ben ook onder de indruk van de manier waarop zij vrouwen,
en daarmee ook vaak kinderen, goed begeleiden en ondersteunen in de zoektocht naar
een veilige plek en verwerking van wat hen is overkomen. Ze hebben daarbij ook oog
voor de dader, die er een belangrijke rol in speelt maar die zelf ook vaak een probleem
heeft en een probleem is. Ik heb dus veel waardering en ben onder de indruk van wat
ik daar heb gezien.
Filomena is een vorm van vrijwillige hulp en ondersteuning voor slachtoffers van ernstige
vormen van huiselijk geweld en kindermishandeling. Zij doen het vooral goed voor een
hele specifieke groep, met name bij een hele ernstige vorm van huiselijk geweld en
kindermishandeling. Dan doen ze hele goede dingen. Gemeenten hebben alle ruimte om
initiatieven als Filomena verder te ontwikkelen, passend bij hun regionale context.
Het voorbeeld van mevrouw Van Brenk laat zien hoe het in Brabant gebeurt. Dat heet
dan misschien niet «Filomena», maar het is wel een manier van werken die ook werkt.
Ik heb naar aanleiding van mijn bezoek aan Filomena de vraag gesteld hoe het in de
rest van het land gaat. Ik zie ook regio's waar gezegd wordt: hier werkt dit type
aanbod niet. Een regionaal inlooppunt zien ze in Drenthe bijvoorbeeld niet als een
goed instrument. Dat geldt ook voor Zeeland. Het is belangrijk om te kijken wat de
werkzame elementen zijn bij Filomena. Welke dingen werken daar goed? Hoe kunnen we
die meenemen in de aanpak binnen andere regio's? Daarin zie ik een rol voor mezelf
weggelegd, bijvoorbeeld door deze zaken mee te nemen in overleggen met gemeentes.
We werken aan een toekomstscenario. We willen een regionaal veiligheidsteam vormgeven.
Daarin zitten nu functionaliteiten van Veilig Thuis, van GI's en de Raad voor de Kinderbescherming,
maar ik wil zeker ook bekijken hoe we de elementen van Filomena daarin een plek kunnen
geven, zodat wat goed werkt ook in andere regio's kan gaan gebeuren.
Ik heb nog iets overgehouden aan het bezoek. U heeft er zelf niet naar gevraagd, maar
ik noem het toch even. Bij Filomena is de mogelijkheid voor gegevensuitwisseling soms
een probleem. Ik wil laten onderzoeken wat we daaraan kunnen doen, want dat is iets
wat op dit moment blokkeert.
Er waren nog meer vragen over dat toekomstscenario en hoe Filomena zich tot dat toekomstscenario
verhoudt. Dat was ook een vraag van mevrouw Becker en van mevrouw Wiersma. Het verzoek
is ook om hierover een brief te sturen, met de vraag hoe dat er daar dan uitziet en
hoe we kunnen leren van de fouten of de bijna-fouten die zijn gemaakt. Het zijn best
wel veel vragen. Het Toekomstscenario kind- en gezinsbescherming is er vooral op gericht
om niet meer specifiek alleen naar een kind te kijken, maar juist dat hele gezinssysteem
mee te nemen. Want een kind heeft soms problemen... Als er ergens kindermishandeling
is, is er potentieel de kans dat er een vrouw wordt mishandeld en andersom, of dat
er misschien wel een man wordt mishandeld. Als er geweld in een gezin is, dan heeft
dat invloed op het hele gezin en niet alleen specifiek op de kinderen die er zijn.
Daarom is het belangrijk dat we vroegtijdig met alle organisaties kijken naar wat
er nu precies speelt. Het is belangrijk dat we dan afstappen van het estafettemodel,
wat ik net zei, waarbij we het netjes doorgeven aan de volgende post en dat die er
opnieuw naar gaat kijken en opnieuw gaat kijken wat die persoon zou moeten doen.
We willen veel meer toewerken naar een andere werkwijze en cultuur. Daarom zeg ik
ook dat sommige dingen soms meer tijd vragen dan alleen maar sec afspreken: we gaan
het zo doen. We vragen ook om een structuurverandering met aanpassing van regelgeving
voor een regionaal veiligheidsteam. Daarin – dat heb ik net al gezegd – nemen we ook
mee hoe Filomena een rol kan hebben in de kind- en gezinsbescherming. We hebben juist
ook in het kader van die toekomstscenario's die proeftuinen gedaan. Daar refereerde
mevrouw Van Brenk geloof ik aan. We weten nu al veel beter wat werkt in bepaalde regio's.
En dat willen we nu ook snel gaan opschalen. Dat hoeven we dan niet opnieuw uit te
vinden. Dat kunnen we gewoon uit gaan rollen. In 36 regio's zijn ook al stappen gezet,
met goede resultaten.
In juni informeren de Staatssecretaris van JenV en ik u over de eerste acties die
we gaan ondernemen met de VNG, de lokale teams, Veilig Thuis, de GI's en de Raad voor
de Kinderbescherming. Dat heb ik u in het mondelinge vragenuur ook al toegezegd. Alleen
bleek er toen wat verwarring te ontstaan over dat ik – dat wil ik hier toch nog even
toelichten – voor de zomer al met een plan van aanpak voor Stadskanaal kom. Dat heb
ik niet gezegd. Ik heb gezegd dat we met actiepunten komen die voortkomen uit de toekomstscenario's.
De inspectie doet nu onderzoek naar Stadskanaal en ik weet nog helemaal niet wanneer
dat is afgerond. Pas dan kunnen we gaan kijken wat we daarvan hebben geleerd.
Dat was dit blokje, voorzitter.
De voorzitter:
Dat leidt tot een vraag van mevrouw Becker.
Mevrouw Becker (VVD):
Dank aan de Minister voor haar toezegging dat ze kijkt naar hoe de werkwijze van Filomena
ook meegenomen kan worden in de toekomstscenario's. Misschien kunnen we straks horen
hoe we daar dan informatie over krijgen.
De Minister triggerde mij toen ze begon over gegevensdeling. We hebben hier op 22 september
2025, inmiddels bijna acht maanden geleden, een debat gehad naar aanleiding van een
initiatiefnota vanuit de Kamer. Daar hebben we al met elkaar een motie, toevallig
van mijn hand, aangenomen die de regering verzoekt een inventarisatie te maken van
privacywetgeving die momenteel gegevensuitwisseling ter voorkoming en bestraffing
van femicide in de weg staat. De motie verzoekt de regering om een voorstel te doen
om dit aan te passen en de veiligheid van vrouwen zo veel als mogelijk vóór privacy
te laten gaan. Ik was even benieuwd of we ook kunnen checken waar deze inventarisatie
staat. Dan zouden we misschien al sneller stappen kunnen zetten.
Minister Sterk:
Ik ga proberen om dat te laten checken, zodat ik daar in de tweede termijn nog even
op terug kan komen.
De voorzitter:
Voor wat betreft het eerste deel van de vraag van mevrouw Becker heeft de Minister,
als ik het goed heb begrepen, eerder toegezegd dat in de brief die in juli komt ook
ingegaan wordt op hoe Filomena deel is van het toekomstscenario. Klopt dat beeld?
Minister Sterk:
Ja, dat kunnen we daarin meenemen.
De voorzitter:
Geen andere vragen van de Kamer? Dat brengt ons bij het derde blokje: Veilig Thuis.
Minister Sterk:
Ja, voorzitter. En ik hoop daarmee een aantal vragen af te kunnen vangen die net al
naar aanleiding van het eerste blokje werden gesteld.
Mevrouw Becker vraagt of ik kan aangeven hoe de herbezinning op Veilig Thuis eruitziet.
Ik zei net al dat er ook veel vragen zijn gesteld over Veilig Thuis. Dat is terecht,
denk ik, want er speelt heel veel. In mijn inleiding zei ik al dat de professionals
daar heel hard werken, maar er wordt ook wel heel veel van hen gevraagd. We zien dat
het aantal adviesvragen toeneemt; dat is heel positief, denk ik. Het aantal meldingen
neemt toe. Dat leg ik dan ook maar positief uit, omdat blijkbaar meer mensen deze
organisatie weten te vinden. Maar dat betekent ook best wel dat er nu veel druk ligt
bij Veilig Thuis. We hebben onlangs bij de begroting ook nog aangenomen dat er een
chatfunctie moet komen voor 24 uur per dag. Dat moet wel allemaal door mensen worden
gedaan. Er zijn hoge verwachtingen over Veilig Thuis, en terecht, want daar is het
ook voor. Maar het is denk ik wel goed om ons dat te realiseren.
Ik heb net al het nodige gezegd over dat toekomstscenario. Onderdeel van dat toekomstscenario
zijn die sterk lokale teams. Die willen we er eerder bij hebben. Dat betekent ook
dat Veilig Thuis soms terug moet kunnen verwijzen naar een sterk lokaal team dat,
als het echt om advies of een hulpvraag gaat, dan ook op die veiligheid moet gaan
acteren. Daarnaast ligt er natuurlijk een verbinding naar die regionale veiligheidsteams,
waar ook Veilig Thuis een belangrijk onderdeel van moet zijn. Maar dat zijn dingen
voor de langere termijn, dingen waar we naar toe werken.
U vroeg ook aan mij: wat gaan we nu doen? We zijn op dit moment heel hard bezig om
bestaande problemen aan te pakken. Dat betekent dat we in ieder geval bezig zijn met
het aanpakken van de wachtlijsten. Dat heeft ook te maken met hoe het werk georganiseerd
is. Ik weet zeker dat ik nog ergens een vraag had waarin ik iets dieper hierop inging.
Ik hoop daar zo nog even op terug te komen. Ja, die zit hier, volgens mij.
We zetten nu ook in op digitalisering, gebruik van AI waar dat kan. Dat kan soms juist
zaken versnellen. We verbeteren ook de samenwerkingsafspraken met de netwerkorganisatie.
We zijn ook heel druk bezig met het werven van nieuwe medewerkers. Nogmaals, er wordt
veel van hen gevraagd en ook daar is er arbeidskrapte. Veilig Thuis probeert ook signalen
eerder op te vangen door meer aanwezig te zijn op vindplekken, zoals scholen, huisartsenpraktijken
en buurtcentra, zodat professionals direct ondersteund kunnen worden. We hebben opleidingsplekken
voor vertrouwensartsen gerealiseerd en er is een gerichte wervingscampagne gevoerd.
En we zijn bezig om de borging van de sociaal-medische expertise anders in te vullen.
Afgelopen jaren is er een versterking geweest van de advies- en ondersteuningsfunctie
om vroegtijdig hulp te kunnen bieden. Nogmaals, dat zien we wel terug in de cijfers.
In die zin zie je wel dat de stappen die we zetten, leiden tot waar het voor is: meer
advies en melding. Tegelijkertijd zie ik dat we er nog niet zijn. Daarom hebben we
acties op de korte, maar ook op de langere termijn.
Dan ga ik weer even terug naar de vragen. Mevrouw Coenradie en eigenlijk ook mevrouw
Wiersma vroegen hoe we nou die samenwerking tussen de school en Veilig Thuis verbeteren.
Ik herken die problematiek. Ik heb ook mensen gesproken die zeggen: «Als school zien
we soms veel en geven we dat door, en dan lijkt het in een soort zwart gat te verdwijnen.
Wij hebben nog steeds te maken met de ouders en met de kinderen en we weten soms niet
zo goed wat we daar nou aan kunnen doen.» Er wordt natuurlijk ook soms gemeld en daar
hoort men niet altijd terug wat er dan mee gebeurt. Ik wil verder verkennen hoe we
dat kunnen verbeteren. Ik heb daar toevallig gisteren over gesproken met de voorzitter,
denk ik, van Veilig Thuis landelijk. In principe is Veilig Thuis verplicht om een
terugkoppeling te geven aan de melder. Dan gaat het over een melding. Maar als er
advies wordt gevraagd en er dus gehandeld wordt, dan is het ook fijn om een beetje
te weten: waar staan we dan en hoe kunnen we daar als onderwijs in helpen? Om een
voorbeeld te noemen: kunnen we dit kind nu wel of niet aan die vader meegeven als
het bij school wordt opgehaald? Ik wil dat graag gaan verkennen. Melders verwachten
vaak ook wel een inhoudelijke terugkoppeling, maar dat kan niet altijd. Dat is het
eerlijke verhaal. Maar goed, daar kom ik op terug en ik wil u toezeggen dat... Ik
weet niet of dat voor de zomer gaat lukken in die brief. Ik kijk even opzij. Na de
zomer komt er nog een brief over kindermishandeling. Daar gaat het ook met name over,
denk ik, als het over onderwijs gaat. Ik zeg u toe dat ik in die brief even nader
op dit punt in zal gaan.
De voorzitter:
We wachten even tot het einde van het blokje voor we de vragen stellen.
Minister Sterk:
Mevrouw Becker had het over de verplichte meldcode, maar ik denk dat u bedoelt dat
er een adviesplicht ligt; die staat namelijk in het coalitieakkoord. Dat vermoedde
ik al. Wij zijn daar heel hard mee bezig. We zijn op dit moment al allerlei gesprekken
aan het voeren met alle partijen die hierbij betrokken zijn over hoe ze dat voor zich
zien. Dat levert in elk geval een heleboel waardevolle inzichten op, maar soms nog
wel wat ingewikkeldheden. Ik ben nog niet zover dat ik kan zeggen: we gaan het op
deze manier doen. Ik zal in het najaar een uitgewerkte, of in ieder geval de contouren
van die adviesplicht aan u voorleggen. Dan kunnen we daarover wat mij betreft het
gesprek hebben.
Mevrouw Wiersma vroeg hoe we er nu voor gaan zorgen dat die 25 Veilig Thuisorganisaties
ook meer uniformiteit krijgen, en wat dat dan concreet voor gezin en kinderen betekent.
Welke minimale kwaliteitseisen gaan gelden? Mevrouw Armut had het over de verschillen
tussen die 25 organisaties. De wettelijke basis voor Veilig Thuis ligt in de Wmo.
In principe zijn gemeentes daarvoor natuurlijk verantwoordelijk. Die basis is in principe
voor alle 25 VT's hetzelfde. Maar we zien wel grote regionale verschillen; ik zei
dat net al. Dat geldt zowel voor de organisatievorm – elke regio heeft het soms weer
anders belegd – als voor de manier waarop ze de taken uitvoeren. Dat maakt het lastig
om te zorgen voor een soort landelijke uniformiteit. Maar we kijken wel, ook in het
kader van het houdbaarheidsonderzoek Wmo, welke aanpassingen we kunnen doen om meer
gelijkvormige VT's te krijgen, zodat je meer eenduidig hebt hoe die VT's nou acteren.
Die willen we mogelijk wettelijk gaan vastleggen, zodat die leiden tot een meer eenduidige
lokale inrichting. Samen met het landelijk netwerk Veilig Thuis, de VNG, het Ministerie
van JenV en de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd onderzoeken we hoe we de wettelijke
basis van de VT's kunnen aanpassen, welke kwaliteitseisen daarvoor nodig zijn en hoe
we daarmee kunnen zorgen voor meer uniformiteit. We nemen daarin natuurlijk de lessen
van de afgelopen tien jaar mee, want de VT's bestaan dit jaar tien jaar. Ook in het
toekomstscenario kijken we natuurlijk hoe we meer centrale waarborgen kunnen realiseren,
zonder dat daarmee de beleidsvrijheid van gemeenten wordt losgelaten. Dat zeg ik er
maar even bij, ook in de richting van de VNG.
Mevrouw Van Meetelen vroeg of de signalen wel altijd worden gezien. Verdwijnt geweld
niet nog steeds achter nette woorden en communicatieproblemen? Wie grijpt in als de
regio achterblijft? Ik zei net al dat het over terreur achter de voordeur gaat. Dat
is natuurlijk gelijk het probleem. Heel veel zien we niet. Het is ergens natuurlijk
ook een groot goed dat mensen niet zomaar bij iemand anders naar binnen kunnen komen.
Ik denk dat we het daar met elkaar snel over eens zijn. Soms zou je willen dat je
het wel kon. Dat betekent dus dat we signalen niet altijd goed zien. We weten van
femicide inmiddels veel beter wat de rode vlaggen zijn. Ik denk dat er inmiddels al
wel veel meer bewustwording in de samenleving is over wanneer je echt moet gaan nadenken
of er grotere problemen zijn. Het is denk ik heel belangrijk dat wij ook omstanders
en professionals alert houden op die signalen van die onveiligheid. In de meldcode
wordt dat ook geregeld via de stappen die men moet doorlopen. We zijn ook bezig met
een publiekscampagne. Dit jaar zullen we weer een nieuwe publiekscampagne gaan draaien.
Hoe herken je met name femicide en wat zijn daarbij de rode vlaggen? Maar dat geldt
breder voor geweld tegen vrouwen, ook seksueel geweld. Omstanders en professionals
kunnen ook bij Veilig Thuis terecht voor advies of het doen van een melding. Ik zei
net al dat de regio's en lokale organisaties op de korte termijn hard bezig zijn om
die onderlinge samenwerking te verbeteren. We doen aan deskundigheidsbevordering.
Ja dat, mevrouw Van Meetelen.
Dat was het einde van dit blokje.
De voorzitter:
Dank u wel. Ik zag vragen van in ieder geval mevrouw Coenradie, mevrouw Moinat, mevrouw
Westerveld, meneer Van Duijvenvoorde en mevrouw Wiersma. Ik doe het eerst in deze
volgorde. Mevrouw Coenradie.
Mevrouw Coenradie (JA21):
Er zijn meerdere dingen geroepen en daar wil ik toch wel even iets over zeggen. In
de introductie ging het volgens mij onder andere over Veilig Thuis. We moeten hier
als commissie zeker niet stellen dat alles mis is bij Veilig Thuis of bij alle medewerkers
die werkzaam zijn bij Veilig Thuis of bij de jeugdbescherming of bij welke stichting
dan ook. Laat ik dat hier ook even heel helder hebben. Maar ik vind in ieder geval
wel, van alles wat ik te zien en te lezen krijg, dat het onvoldoende werkt. Dat is
ook de reden dat ik eerder voor het volgende heb gepleit en opnieuw aan deze Minister
zou willen vragen: in hoeverre is het mogelijk dat een Veilig Thuis ook onafhankelijk
getoetst, geïnspecteerd en gecontroleerd wordt, en dus ook inspectie op wat dan ook
krijgt om in ieder geval verantwoording af te leggen en meer dan wat tot op heden
gebeurt? Ik hoorde de Minister ook vragen stellen over het team dat dan ingezet kan
worden. Ik heb daar een concreet voorstel over gedaan in mijn eigen spreektekst. Ik
ben even benieuwd of dat dan nog komt.
Dan laat ik het hier eventjes bij. Overigens nog even één opmerking. De beleidsvrijheid
van gemeenten – ik hoorde deze woorden terug in de tekst die de Minister uitsprak
– staat wel haaks op wat de VNG juist bij ons aangeeft. Die zeggen: we zoeken niet
naar beleidsvrijheid, we zoeken juist naar de landelijke regie, landelijke kaders.
Sterker nog, iedereen in dit land van gemeente tot aan instanties schreeuwt om landelijke
regie en landelijke financiering. Wanneer kunnen we dit van de Minister verwachten?
Ik wil gewoon geen langetermijnantwoorden of wollige taal. Wanneer kunnen we dit verwachten?
Want anders is de Minister toondoof voor wat er precies in het werkveld wordt gevraagd.
Minister Sterk:
Op die vraag over onafhankelijke toetsing wil ik graag in de tweede termijn terugkomen.
Dan over die beleidsvrijheid. Ik heb daarmee niet willen zeggen dat het dus niet mogelijk
is om meer landelijke kaders te stellen. Ik heb er alleen op gewezen dat dit in principe
nu binnen de Wmo de verantwoordelijkheid is van de gemeentes. Ik hoor van gemeentes
daar soms ook wisselende geluiden over. Soms zijn de gemeentes heel blij dat ze die
beleidsvrijheid hebben en willen ze die ook graag houden voor bepaalde onderwerpen.
Voor andere onderwerpen, als het ingewikkeld is, willen ze graag dat het Rijk daarin
meer regie neemt. Dat doen we ook op dit moment. Ik gaf net aan dat we die kaders
aan het bekijken zijn en dat dat eventueel kan leiden tot wettelijke aanpassingen.
Maar ik ga niet nu al zeggen dat dat leidt tot wettelijke aanpassingen. Ik wil vooral
graag met de VNG en met de andere partijen kijken wat er nou voor nodig is om de rol
van een VT meer eenduidig, goed scherp te krijgen. In die zin is Veilig Thuis een
beetje een spin in het web, ook een soort van regievoerder. We moeten dit goed verankeren.
Wij zijn sowieso al breder, bijvoorbeeld voor de vrouwenopvang, met de gemeentes aan
het kijken hoe we die vrouwenopvang beter kunnen regelen. Daar hebben we geld voor
vrijgemaakt. Maar het geldt ook voor dit soort thema's. Daar wordt op dit moment aan
gewerkt. Het heeft soms ook financiële consequenties. Dat moeten we goed met elkaar
bekijken. Voor de zomer zal ik het overzicht geven in die brief over huiselijk geweld.
Mevrouw Moinat (Groep Markuszower):
Ik vind het niet fijn om dit te doen, maar ik heb het idee dat wij hier als Kamer
op dit moment op een soort wachtlijst worden gezet. Volgens mij zijn er meerdere keren
debatten gevoerd over deze onderwerpen. Als ik ga terugkijken – ik heb het net even
teruggezocht in andere brieven – dan hoor ik deze Minister eigenlijk hetzelfde zeggen.
De samenwerking, jaren van gesprekken, terugkoppelingen, rapporten voor de zomer komen
we erop terug. Dit is al gedeeld. Het enige wat eigenlijk nieuw is, is de AI-functie
die de Minister net noemde. Maar volgens mij is het in het vorige debat, vorig jaar,
hier ook al over gegaan. Eigenlijk hoor ik nu een soort van dezelfde antwoorden terug
en hoor ik: ik kom er voor de zomer op terug. Ik wil de Minister, via u voorzitter,
het volgende vragen. Ik hoop dat er echt iets meer inhoud komt op alle vragen die
wij gesteld hebben in plaats van dezelfde antwoorden en «ik kom er voor de zomer op
terug». Want dit kan gewoon niet langer wachten. Ik hoop dat de Minister dat met mij
eens is.
Minister Sterk:
Ik herken heel erg het gevoel van urgentie van mevrouw Moinat. Dat heb ik zelf ook
en ik zou willen dat we dat morgen allemaal hebben opgelost.
Twee. Ik wil niet de indruk wekken dat er helemaal niets gebeurt. Ik vind het ook
niet terecht als u dat stelt, want er gebeurt veel op dit moment. Nogmaals, het toekomstscenario
is een heel groot... Ik zie vaak dat de Kamer de neiging heeft om soms wat pleisters
te plakken, terwijl ik denk dat het gaat om een systeem dat onvoldoende functioneert.
We zijn nu bezig met dat toekomstscenario om er juist voor te zorgen dat dat systeem
beter gaat functioneren. Dus als er meldingen zijn, als er problemen zijn, als er
hulpvragen zijn, dat we die met elkaar goed oppakken. Want we constateren keer op
keer dat dat niet goed gaat. 8 juli hebben wij een laatste overleg daarover. Ik heb
u toegezegd dat ik dan kom met welke actiepunten daaruit volgen en die we meteen gaan
oppakken. Daar hebben we de afgelopen tijd hard aan gewerkt. Er zijn allemaal proeftuinen
geweest. Mevrouw Van Brenk sprak er net ook over. Daar zijn dingen ontdekt die we
met elkaar nu weer gaan opschalen. Dus ik herken niet dat er helemaal niks gebeurt.
Ik herken wél dat het een ontzettend ingewikkeld, complex probleem is dat ons allemaal
en iedereen in Nederland raakt, omdat het in zijn vorm vaak zo gruwelijk is. Wij willen
dat het gewoon wordt opgepakt. Daar wil ik mij echt heel sterk voor maken, om maar
even mijn achternaam te gebruiken. De nationaal coördinator moet daar ook een belangrijke
rol in gaan spelen. Ik zal u ook zo veel mogelijk informeren over de stappen die we
daarin zetten.
De voorzitter:
Een vervolgvraag van mevrouw Moinat.
Mevrouw Moinat (Groep Markuszower):
Ik zeg niet dat er niks gebeurt. Maar ik weet wel dat er al heel veel zaken heel lang,
al jaren lopen. Als we dan wederom zelf op een soort wachtlijst worden geplaatst,
dan voelt dat voor mij alsof we weer in het oude zeer gaan lopen van: het komt allemaal
wel goed, maar we hebben tijd nodig. Ik weet niet hoe dat voor de rest van deze Kamer
voelt. Volgens mij zijn we hier al jaren mee bezig, voeren we hier al jaren debatten
over. Dat betekent niet dat er niets gebeurt, maar er gebeurt mijns inziens veel en
veel te weinig. Want nogmaals, de dingen die ik de Minister hoor zeggen, heb ik, behalve
de AI-functie, al meerdere keren voorbij horen komen.
Minister Sterk:
Ik hoor niet echt een vraag, maar ik denk dat het ook goed en belangrijk is dat u
mij als Minister scherp houdt op dit dossier. In die zin waardeer ik de woorden die
mij eigenlijk oproepen om aan het werk te gaan en te zorgen dat er wat bereikt wordt.
Ik hoor daarin vooral uw vraag terug.
De voorzitter:
Dat brengt ons bij mevrouw Westerveld.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Ja, ook hierover. Ik hoor terechte woorden over het toekomstscenario en ook over de
samenwerking tussen scholen en Veilig Thuis. Maar exact die antwoorden en exact die
aandachtspunten hebben we met elkaar gewisseld in het debat van 5 maart 2025 over
het Vlaardingse pleegmeisje. Ik heb het stenogram ook in de voorbereiding op dit debat
gelezen en de brief die daarop volgde op 17 juni 2025 waarin allerlei verbeteracties
stonden. Dan hebben we het over verbeteracties met betrekking tot de jeugdbescherming,
pleegzorg en kinderbescherming. We hebben het ook over de meldcode gehad en over de
rol van school. We hebben het toen echt gehad over het dilemma dat scholen soms bellen
naar Veilig Thuis en vervolgens niet weten wat met die melding gedaan werd. Er is
toen gezegd: daar gaan we achteraan. Ik lees dat in een rijtje met verbetermaatregelen.
Dan is mijn vraag aan de Minister: als we dat dan teruggekoppeld krijgen in het debat,
maar ook in een brief, dan mogen we er als Kamer toch van uitgaan dat een verbeteractie
ook in gang wordt gezet en dat we een jaar daarna in ieder geval weten wat de resultaten
zijn?
Minister Sterk:
Dat lijkt mij een vraag die eigenlijk retorisch zou moeten zijn. Natuurlijk moet u
als Kamer goed geïnformeerd worden over zaken die we hier met elkaar hebben afgesproken.
Ik vind het een beetje ingewikkeld om daar nu heel specifiek op in te gaan, omdat
mevrouw Westerveld een vrij grote vraag stelt. Ik zat net even te zoeken, want we
hebben wel degelijk naar aanleiding van Vlaardingen een heleboel acties opgepakt en
er zijn een heleboel dingen gebeurd. Ik heb ook een datum bij wanneer we dat allemaal
hebben gedaan en wanneer daar op korte termijn ook... Ik wil dat graag in de tweede
termijn ook even benoemen. Ik merkte ook bij de mondelinge vragen dat de indruk was
dat er helemaal niets was gebeurd. Dat is gewoon niet het geval. Tegelijkertijd hebben
we te maken met een ontzettend complexe problematiek die begint bij mensen die de
foute dingen doen en vervolgens is er een systeem dat daar op dit moment onvoldoende
op acteert. We werken er gewoon heel hard aan.
De voorzitter:
Een vervolgvraag van mevrouw Westerveld.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Ik denk dat niemand hier ontkent dat het een heel complex systeem is geworden. Sterker
nog, meerdere collega's hebben dat in hun bijdrage genoemd. Ik denk ook dat iedereen
hier ziet hoe ontzettend hard hulpverleners aan het werk zijn. Daarom dringen we er
ook elke keer op aan dat er iets fundamenteels in het systeem moet veranderen, zodat
de instanties niet door het systeem langs elkaar heen werken in plaats van dat ze
goed met elkaar kunnen samenwerken. Die roep komt ook al heel lang uit het veld zelf.
Dus laten we ons met elkaar inzetten om ervoor te zorgen dat hulpverleners en al die
mensen die kinderen beschermen, hun werk kunnen doen. Mijn vraag aan de Minister is
of ze de beloftes die zijn gedaan in dat debat, maar ook in die brief van 17 juni
2025, eens op een rijtje kan zetten in een brief en aan kan geven wat er dan precies
gedaan is. Als ik bijvoorbeeld lees «verstevig de stem van het kind in de sector»,
dan heb ik geen flauw benul wat er nu de afgelopen tijd is gedaan. Bijvoorbeeld: verbeteren
samenwerking GI en pleegzorg door evaluatie... Nou ja, ik zal niet alles voorlezen.
Verbeteren van de informatievoorziening bij rechtszittingen, verbeteren toezicht op
voogdijkinderen. Het is allemaal beloofd; ik weet niet waar we staan. Ik zal dat heel
graag uitgebreid ontvangen in een brief en ik denk dat we dat allemaal goed kunnen
gebruiken.
Minister Sterk:
Ik begrijp die vraag heel goed en ik zeg toe dat we dat gaan doen.
De voorzitter:
Kunt u ook aangeven wanneer die brief komt?
Minister Sterk:
Ik zeg rond de zomer. Ik vermoed dat we het mee kunnen nemen in de brief rondom huiselijk
geweld die voor de zomer komt. Maar ik wil er zelf ook nog even goed naar kijken.
Het zou ook kunnen zijn dat het niet lukt en dat ik het dan na de zomer doe. Maar
het zal kort na de zomer zijn. Is dat voldoende toezegging? Ik kijk even naar de voorzitter.
De voorzitter:
Ja. Ik kijk even naar het lijstje. De heer Van Dijk was eerst.
De heer Diederik van Dijk (SGP):
De Minister maakt gewag van het feit dat het aantal meldingen bij Veilig Thuis stevig
stijgt en in die zin noemt zij het positief dat het meldpunt blijkbaar goed wordt
gevonden. Dat begrijp ik, maar niet als het gevolg veel handelingsverlegenheid bij
de zorgprofessionals is. Ik kan me er alles bij voorstellen. Je weet niet goed wat
je ermee moet doen, laat ik dan maar liever een melding doen, en er verandert natuurlijk
eigenlijk verder niks. Wil de Minister daar misschien nog op reflecteren?
Minister Sterk:
Dat ben ik zeer met u eens. Daarom zei ik net ook voorzichtig dat meer meldingen natuurlijk
meerdere gezichten hebben. Meer meldingen zijn fijn omdat mensen het kunnen vinden.
Het geeft ook aan dat er veel leed is. We moeten dan vervolgens wel zorgen dat het
niet alleen bij een melding blijft. Dat doen we met die toekomstscenario's. We zorgen
ervoor dat die aanpak echt wordt verbeterd en dat we niet een soort estafettemodel
krijgen. We zien nu vaak dat dingen worden doorgegeven maar niemand uiteindelijk probleemeigenaar
is en echt toewerkt naar een oplossing.
Mevrouw Wiersma (BBB):
Ik had eigenlijk dezelfde vragen als mevrouw Westerveld. Ik ben ook blij met de toezegging
van de Minister over die terugmeldplicht. Volgens mij is dat een hele belangrijke.
We zullen dan rond de zomer zien wat voor stappen daarop gezet zijn.
Maar ik had ook een andere vraag. Wanneer, met alle inzet die de Minister zojuist
benoemd heeft, verwacht de Minister dat de wettelijke termijnen niet meer structureel
overschreden gaan worden? Ik heb het antwoord daarop nog niet gehoord.
Minister Sterk:
Ik vind het moeilijk om daar een soort deadline aan te verbinden, maar ik wil er wel
een kanttekening bij plaatsen. Ik proef bij de Kamer heel erg de vraag om meer dingen
te verplichten. Dat snap ik, want als je het verplicht, dan denk je dat het ook gebeurt.
We hebben die vijfdagentermijn en dat is in principe een verplichting. Daar moet Veilig
Thuis zich aan houden. Die termijn hebben we niet voor niets, want we willen natuurlijk
dat als er echt iets acuuts aan de hand is er ook snel wordt ingegrepen en het niet
twee weken op de plank blijft liggen om daarna eens te gaan kijken: wat zouden we
kunnen doen. Gelukkig maakt Veilig Thuis wel binnen 24 uur een inschatting. Is het
echt acuut? Moeten we er acuut op ingrijpen of is er wel echt iets aan de hand, maar
vraagt dat ook om er nog even nader naar te kijken?
Ik hoor tegelijk van de Kamer ook vragen om samenwerking, om te zorgen dat we meer
eigenaarschap krijgen van wat er aan de hand is. Dat vraagt soms ook tijd. Soms heb
je dat in die vijf dagen nog niet helemaal goed op de rails. Daarom denk ik dat het
soms voorkomt dat Veilig Thuis het ingewikkeld vindt om dat op tijd in beeld te krijgen.
Ik zeg daarmee niet dat we van die wettelijke termijn af moeten. Dat wil ik hier niet
zeggen. Ik wil wel aangeven dat het soms de complexiteit is van dit soort wettelijke
verplichtingen. Volgens mij moeten we vooral zorgen dat Veilig Thuis goed acteert
op de eerste 24 uur, en dat ze zo veel mogelijk zorgen dat ze zich houden aan die
vijf dagen van die wettelijke verplichting. U vraagt wanneer ik tevreden ben, wanneer
het helemaal op orde is en wanneer de termijn altijd wordt aangehouden. Ik vind het
wel ingewikkeld om dat zo te definiëren. Het is een wettelijke verplichting en in
principe zijn ze eraan gehouden. Soms kunnen er gevallen zijn waarin het beter is
dat het net iets langer duurt, juist omdat je die samenwerking moet zoeken. Maar dit
is iets wat ook meeloopt in de toekomstscenario's.
De voorzitter:
Een vervolgvraag van mevrouw Wiersma.
Mevrouw Wiersma (BBB):
Ik heb er eigenlijk twee, maar ik begin met één vraag. Als het wettelijk is vastgelegd,
wat is dan de consequentie als het structureel overschreden wordt?
Minister Sterk:
Uiteindelijk is dat vooral in eerste instantie aan de gemeentes, denk ik. Die zijn
in eerste instantie verantwoordelijk voor Veilig Thuis en voor een goed gesprek over
wat er precies aan de hand is. Ik denk dat we op dit moment ook aan het verkennen
zijn bij Veilig Thuis... Er wordt op dit moment heel veel van Veilig Thuis verwacht
en daardoor is het ook zo dat men soms die vijfdagentermijn niet haalt. Wat zit daar
precies achter? Wat is de oorzaak dat ze soms die wettelijke termijn niet halen? Ik
vind dat gesprek veel vruchtbaarder dan te gaan dreigen met: we moeten gaan ingrijpen
of er moeten maatregelen worden getroffen. Volgens mij hebben we er op dit moment
veel aan om ervoor te zorgen dat Veilig Thuis, die volgens mij steeds meer uitgroeit
tot een belangrijke plaats, waar kan maken wat we van hen verwachten. En dat doen
we ook. We gaan op zoek naar wat daar nog niet goed werkt. We zorgen ervoor dat er
nieuwe mensen komen werken en dat professionals de weg ernaar weten te vinden waardoor
ze ook dingen kunnen afvangen. Want als ze goed advies krijgen, kan er ook veel meer
terug in de keten worden opvangen. Ik vind dat zinvoller dan dat we boetes gaan uitdelen
of zo – dat kan ik trouwens niet als Minister; dat is niet mijn verantwoordelijkheid
– omdat ze hun wettelijke verplichting niet nakomen.
De voorzitter:
Uw laatste interruptie.
Mevrouw Wiersma (BBB):
Ja. Ik zou willen dat we zo ook wat meer met de landbouw om zouden gaan, maar dat
terzijde. Wettelijke termijnen zonder consequenties zijn natuurlijk gewoon een soort
wassen neus. Dat zegt dan echt helemaal niets.
Mijn laatste vraag is echt een andere. De Minister maakte zojuist ook heel terecht
het onderscheid tussen de acute situaties en de structurele onveiligheid. Zit in dat
onderscheid niet ook het gevaar dat daarmee ernstige situaties juist ondersneeuwen,
omdat structurele onveiligheid ook in een kort tijdsbestek op kan spelen richting
een acute situatie? Ziet de Minister dat ook? En kan de Minister, als zij toch dat
stelsel aan wil gaan pakken, dat dan ook meenemen?
Minister Sterk:
We schuren nu al een beetje tegen de kanten aan dat eigenlijk een professioneel oordeel
wordt gevraagd of structurele problematiek in een gezin soms ook kan opvlammen en
tot een acute situatie kan leiden. Ik denk dat dat inderdaad kan voorkomen. Volgens
mij is het ook heel erg belangrijk, en ik laat het graag aan professionals en niet
aan mijzelf over om te beoordelen. Dat is volgens mij ook wat Veilig Thuis moet doen
samen met andere professionals: wat is hier nu precies aan de hand? Daarvoor moet
je dus breder kijken dan soms alleen het kind waar een melding over wordt gedaan.
Hoe is de situatie in het gezin en wat zijn de factoren waardoor dingen toch misschien
ineens heel snel uit de hand kunnen lopen? Ik vind het moeilijk om daar nu zo een
oordeel over te geven. Want als je omkeert wat mevrouw Wiersma zegt, namelijk dat
je alles gaat behandelen als een potentieel acuut geval, dan creëer je volgens mij
ook weer een nieuw probleem. Want hoe kun je nu alles meteen binnen 24 uur afvangen?
Een gezin is er soms ook helemaal niet mee geholpen, denk ik, als je het op deze manier
zou doen. Ik begrijp uw zorg en tegelijkertijd vind ik het ook een ingewikkelde vraag
om te moeten beantwoorden.
Mevrouw Van Meetelen (PVV):
Ik hoorde de Minister zojuist ook zeggen dat de Kamer pleisters aan het plakken is.
Dat is natuurlijk echt niet het geval. De Kamer is volgens mij juist keihard die pleister
eraf aan het rukken; het tegenovergestelde is dus het geval. Ik krijg er toch een
klein beetje irritatie over, moet ik eerlijk zeggen. Ik heb tijdens het vragenuurtje
ook aan u gevraagd hoe verantwoordelijk u zich nu hiervoor voelt. Daar heb ik toen
geen antwoord op gekregen. Ik hoor elke keer een beetje verantwoording verleggen.
Gemeentes die vragen om landelijke regie. Dan wordt weer gezegd dat ze dat zelf...
dat het bij de Wmo ligt. De moeders zijn uiteraard degenen die de misdaad plegen.
Zij zijn uiteindelijk verantwoordelijk, op het moment dat ze zijn veroordeeld, moet
ik er wel bij zeggen. Maar u bent verantwoordelijk; de Minister is verantwoordelijk.
U bent verantwoordelijk voor deze uitvoering. Maar ik – het is misschien niet eens
een vraag – krijg echt irritatie van het verleggen van uw verantwoording. Dus ik vraag
gewoon aan u...
De voorzitter:
Wilt u via de voorzitter spreken?
Mevrouw Van Meetelen (PVV):
Via de voorzitter vraag ik aan u: hoe verantwoordelijk voelt u zich voor dit alles?
De voorzitter:
Via de voorzitter.
Minister Sterk:
Ik heb geprobeerd om in mijn inleiding al duidelijk te maken dat ik mij heel erg verantwoordelijk
voel voor dit dossier. Ik ben coördinerend bewindspersoon; ik zie de urgentie. Die
urgentie proef ik aan uw kant ook. Maar ik ben niet overal verantwoordelijk voor,
omdat we het gewoon niet zo hebben georganiseerd in dit land. Ik denk dat het belangrijk
is dat de partijen die medeverantwoordelijkheid dragen voor de oplossing, zorgen dat
ze die verantwoordelijkheid oppakken of goed kunnen oppakken. Het is mijn verantwoordelijkheid
dat dat dan dus ook gebeurt. Daarom pak ik soms ook de regie meer over, zoals het
nu gaat bij het onderzoek naar Veilig Thuis waarbij we meer kaders willen stellen.
Dus ik voel me wel verantwoordelijk, maar het is ook een feit dat ik niet alleen verantwoordelijk
ben. Er zijn meer partijen verantwoordelijk en met elkaar moeten we zorgen dat het
beter gaat.
De voorzitter:
Dan heb ik zelf nog een vraag als woordvoerder. We hebben net even afgestemd dat als
ik aan het eind van een blokje een vraag stel, we dan niet elke keer helemaal formeel
het voorzitterschap overhevelen, want dat wordt wel heel erg verwarrend. Ik zal wel
heel expliciet maken wanneer ik de vraag vanuit mijn rol als woordvoerder stel. Bij
dezen.
De Minister geeft aan dat we heel wezenlijk naar het stelsel moeten kijken. En dat
is terecht, want we hebben het nu zo versnipperd georganiseerd dat niemand zich uiteindelijk
nog verantwoordelijk voelt. Dat gaat ten koste van de meest kwetsbare kinderen. Tezelfdertijd
is er natuurlijk heel veel wat we nu al kunnen doen. We hebben een aantal maanden
geleden, ongeveer Kamerbreed volgens mij, de motie Handle with Care aangenomen. Die
motie zegt: zorg nou dat ook Veilig Thuis en onderwijs met elkaar mogen communiceren.
Dat vraagt één kleine wetswijziging in de Wmo in artikel 4.1.1. Dat zijn volgens mij
stappen die we nu al kunnen zetten voor zover dat nog niet het geval is.
Minister Sterk:
U had de vraag niet in de eerste termijn gesteld, dus daar was ik nu niet op voorbereid.
Ik kom in de tweede termijn nog even terug op dat «handle with care», op de vraag
of die wetswijziging nu doorgevoerd gaat worden.
De voorzitter:
De vraag was meer een reflectie op... Allereerst is de vraag of die wetswijziging
wordt doorgevoerd en binnen welke termijn. Maar ook de algehele reflectie op... Kijk,
we moeten natuurlijk wezenlijke keuzes gaan maken en die moeten we ook heel snel gaan
maken. Het is heel goed dat voor de zomer die brief al komt met hopelijk heel actiegericht
wat we dan gaan doen in dat toekomstscenario om daartoe te komen, maar daarnaast ook
de erkenning dat er ook heel veel is wat we nu al kunnen doen. Dat vraagt geen lange
tijd.
Minister Sterk:
Volgens mij ben ik het op beide punten met u eens. Ik denk dat we niet moeten laten
wat we nu al kunnen doen. En u noemt dat punt van «handle with care». Daar kom ik
dadelijk in de tweede termijn even op terug, want dat weet ik niet zo specifiek. En
er zijn ook dingen die wat langer de tijd gaan vragen, maar die we daarom ook vandaag
moeten beginnen.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan neem ik nu mijn rol als voorzitter weer over. Vanuit deze voorzittersrol
zie ik een vraag van mevrouw Van Meetelen.
Mevrouw Van Meetelen (PVV):
Het was geen vraag, maar eigenlijk meer een punt van orde. Ik vind eigenlijk wel dat
u als voorzitter het voorzitterschap moet overhevelen. U heeft mij twee keer aangesproken
op het «via de voorzitter». U moet het ook doen. Dus, bij dezen.
De voorzitter:
Bij dezen akkoord. We zullen dadelijk op het moment dat ik een vraag wil stellen formeel
het voorzitterschap overdragen.
Als voorzitter: wij zijn volgens mij aangekomen bij het volgende blokje. Dat is blokje
vier: Stadskanaal/kindermishandeling.
Minister Sterk:
Dat klopt. Dan begin ik met een vraag van de voorzitter, mevrouw Synhaeve. Hoe kan
een kind twee keer worden mishandeld zonder in te grijpen? Welke acties zijn ingezet?
Ik heb vorige week ook al gezegd dat het natuurlijk afgrijselijk is wat er is gebeurd.
Iedereen vraagt zich af: hoe heeft het nu weer kunnen gebeuren met in ons geheugen
allerlei herinneringen aan eerdere gevallen die zijn misgegaan? Daarom is het, denk
ik, toch belangrijk dat de inspectie daar nu grondig onderzoek naar gaat doen. Hoe
heeft dit kunnen gebeuren? Wat kunnen we daarvan leren? Ik kan daar niet op vooruitlopen.
U vraagt aan mij wat ik hier al van heb geleerd? Ik denk dat het belangrijk is dat
een onafhankelijke toezichthouder dat op dit moment doet. Ik heb u wel gezegd dat
ik binnenkort in Stadskanaal ga praten met mensen die er natuurlijk allemaal stuk
van zijn dat dit in hun gemeenschap heeft kunnen gebeuren. Ik zeg u toe dat zodra
de inspectie haar onderzoek heeft afgerond, ik zal zorgen dat het bij uw Kamer terechtkomt.
De inspectie zal het u zelf ook laten weten, denk ik.
Dan kom ik op de vraag van mevrouw Moinat of ik bereid ben om te onderzoeken hoe instanties
en medewerkers daadwerkelijk strafrechtelijk kunnen worden vervolgd. Volgens mij is
het vooralsnog de taak van de inspectie om te kijken wat er precies is gebeurd. Op
basis daarvan moeten we dan kijken wat er nodig is en of er inderdaad zaken zijn die
ook om strafrechtelijk vervolging zouden vragen. Ik vind het echt veel te vroeg om
daar nu op vooruit te lopen.
De voorzitter:
Ik kijk even naar de Kamer. Even een punt van orde. Ik zie bij een aantal Kamerleden
het verzoek om niet tot het einde van het blokje te wachten om een vraag te stellen,
maar om dat onmiddellijk te doen. Ik denk, met het oog op de tijd, dat daar ruimte
voor moet zijn. Iedereen akkoord? Ja? Dan gaan we nu de vragen niet aan het eind van
het blokje stellen. Het mag nog steeds; u mag tot het einde van het blokje wachten,
maar u mag ook tussendoor een vraag stellen. In dat kader is er volgens mij een vraag
van mevrouw Moinat; dat is dan ook uw laatste vraag.
Mevrouw Moinat (Groep Markuszower):
Ik zal het kort houden. Ik had eigenlijk een volmondig «ja» verwacht. Als we terug
gaan kijken naar het Vlaardingse pleegmeisje, dan is dat ook niet gebeurd namelijk.
Ik had inmiddels wel verwacht dat wij als Kamer en als kabinet de conclusie hadden
kunnen trekken dat we de instanties en inderdaad de medewerkers die zo ernstig falen
in dit soort casussen, wel strafrechtelijk kunnen vervolgen. Ik had echt gehoopt dat
dit afgestemd was en dat we tot de conclusie waren gekomen dat we inmiddels deze «ja»
hadden kunnen wisselen met elkaar. En dat ik had kunnen zeggen: ik ben helemaal blij
met uw antwoord; ik vind dit heel fijn. Maar om nu weer een «nee» te horen, daar vind
ik met alle respect echt wat van.
Minister Sterk:
Ik hoor hier vooral een oordeel en eigenlijk geen vraag. En ik herken mij niet in
het oordeel dat mevrouw Moinat uitspreekt.
De voorzitter:
Mevrouw Coenradie, uw eerste interruptie.
Mevrouw Coenradie (JA21):
Ik heb daar wel moeite mee. We hebben een inspectierapport gehad. Dat is inderdaad
een uitgebreid inspectierapport geweest. Naar aanleiding daarvan is er door het OM
besloten om een medewerker specifiek niet te vervolgen. Je ziet wel dat er instanties,
medewerkers, steevast wegkomen, dat er wettelijke termijnen worden overschreden, dat
mensen hun werk niet doen of echt ernstig nalatig zijn, en vervolgens niet vervolgd
worden. Daar zit gewoon ontzettend veel pijn, in ieder geval in deze Kamer. Dat wordt
echt heel erg breed gedeeld. Natuurlijk snappen we dat we niet vooruit kunnen lopen
op een inspectierapport dat er nog moet komen. Maar het zou zo prettig zijn als we
wat meer beweging voelen: ja, wij vinden vanuit het ministerie ook dat deze mensen
vervolgd zouden moeten worden of dat er op z'n minst consequenties aan verbonden moeten
worden, of dat we met het OM in gesprek gaan om te kijken wat we kunnen doen. Maar
nu kunnen mensen dus gewoon ten koste van kinderen, of in het geval van geweld tegen
vrouwen en geweld tegen mannen, ontzettend nalatig zijn, zonder enige consequentie.
Ik heb daar heel veel moeite mee. Als we door rood rijden, krijgen we ook een boete.
Bij dit soort gevallen wil ik ook consequenties zien.
Minister Sterk:
Ik ben het helemaal met mevrouw Coenradie eens dat mensen als ze door rood rijden
een boete moeten krijgen. Dus als straks uit onderzoek blijkt dat mensen, in symbolische
zin, door rood zijn gereden, dan moeten ze wat mij betreft ook een boete krijgen.
Alleen vraagt u van mij om nu al te zeggen dat we dat gaan doen. Ik vind dat echt
te vroeg. We hebben niet voor niets een onafhankelijke inspectie hier in ons land
die het onderzoek moet doen en die erop moet toezien dat iedereen heeft gedaan wat
ie moest doen. Volgens mij hebben we dan een moment, als we die conclusies hebben,
om te kijken wat er nodig is. En dan wil ik er graag een gesprek met u over hebben.
Ik ga nu niet toezeggen dat we dat gaan doen, want ik weet helemaal nog niet precies
waar het systeem precies heeft gefaald. Of het in het systeem zit of dat er menselijke
fouten zijn gemaakt en of die vervolgens ook aan te rekenen zijn. Nogmaals, als het
wel zo is en iemand moedwillig door rood rijdt, dan hoort die een boete te krijgen.
En dat geldt ook, in meer symbolische zin, in dit geval.
Mevrouw Coenradie (JA21):
Ik vraag niet – dat geef ik ook heel duidelijk in mijn vraagstelling aan – om vooruit
te lopen op een inspectierapport dat nog moet komen. Wat ik in het algemeen vraag
is hoe we omgaan met hulpverleners die ernstig nalatig zijn geweest. Hoe gaan we daarmee
om? Hoe gaan we om met ernstig nalatige medewerkers en/of hulpinstanties?
Minister Sterk:
Als er inderdaad verwijtbare nalatigheid is, dan hebben we volgens mij een rechtssysteem
waarin mensen daarop dan kunnen worden aangesproken en mogelijk strafrechtelijk vervolgd.
In die zin zijn het ook een soort gescheiden machten. Het is, denk ik, niet aan mij
om te zeggen dat mensen vervolgd zouden moeten worden. Daar hebben we het OM voor;
die kan dit soort dingen beoordelen. Ik vind dat er een consequentie aan moet zitten
als mensen echt moedwillig nalatig dingen niet hebben gedaan. Ik denk dat u dat ook
zo ziet. Volgens mij zit ik niet op de stoel om vervolgens te zeggen dat mensen moeten
worden vervolgd. Volgens mij is dat iets wat uiteindelijk ook bij het OM hoort en
die moet dat beoordelen. Ik vind het een wat ingewikkelde vraag, hoewel ik heel goed
begrijp dat voor mensen die dit soort vreselijke dingen doen en dat hadden kunnen
voorkomen en dat moedwillig niet hebben gedaan, dat niet zonder consequenties kan
blijven.
Mevrouw Van Brenk (50PLUS):
Ik geloof dat de Minister wel snapt dat er hier bij Kamerleden wat frustratie zit,
omdat we zien dat er misstanden zijn in de zorg en dat dat nagenoeg geen consequenties
heeft. Toen ik recent vragen stelde over een verzorgingshuis waar mensen liever het
raam uitsprongen, is er voor het eerst, naar wat ik gemerkt heb, ingegrepen en is
het gesloten, ook al duurde dat nog heel lang. Dat is zeldzaam. De inspectie is vooral
gericht op verbetering. We zien hier regelmatig de naam van de William Schrikker Stichting
voorbijkomen. Ik weet dat de werkdruk ontzettend hoog is en dat de belasting van medewerkers
groot is. Maar het is wel de verantwoordelijkheid van die organisatie dat mensen goed
hun werk kunnen doen en dat ze goed begeleid worden. Wanneer en welke mogelijkheden
heeft de inspectie om echt een keertje daadwerkelijk in te grijpen? Ik denk dat de
inspectie wat dat betreft daar ook wat daadkrachtiger mag optreden. Ik weet niet welke
mogelijkheden de Minister daarvoor ziet.
Minister Sterk:
In zijn algemeenheid is de IGJ er natuurlijk niet op gericht om instellingen te sluiten.
Zij wil vooral zorgen dat mensen goede zorg krijgen. Zij moet als instrument worden
ingezet om te zorgen dat de zorg goed genoeg is. Dat kan ertoe leiden dat een instelling
wordt gesloten en het is ook goed als dat dan gebeurt. U vroeg specifiek wat ik kan
doen om de IGJ daartoe aan te zetten. Ik spreek regelmatig met de inspecteur-generaal
– dit heb ik afgelopen week ook weer gedaan – maar zij blijft een onafhankelijke toezichtinstelling.
Dit hebben we zo met elkaar afgesproken. Dit is ook goed, want ik moet daarop geen
invloed hebben. Verder is ook nog sprake van tuchtrecht tussen de zorginstellingen.
Ik kom daar straks nog op terug met een specifieker antwoord op uw vraag.
De voorzitter:
Even in algemene zin. We zijn volgens mij halverwege de beantwoording van de blokjes.
Op deze manier gaan we het niet halen voor 14.00 uur. Ik verzoek u allen kort en bondig
te spreken waar dit kan. De Minister vervolgt met blokje vier.
Minister Sterk:
Ik zal ook mijn best doen om dat te doen. Mevrouw Armut schetste dat bij ernstige
kindermishandeling patronen vaak al langer zichtbaar zijn en vraagt wat er dan gebeurt
met de structurele onveiligheid, die misschien niet acuut lijkt maar wel kan escaleren.
Hierover heb ik net al wat gezegd in relatie tot de vraag van mevrouw Wiersma. Wat
we in ieder geval proberen te doen, is de sterke lokale teams een veel belangrijkere
rol geven, ook op het punt van veiligheid. Iemand kan aan een gezin worden verbonden
en gaan volgen hoe het met dit gezin gaat. Als bekend is dat er sprake is van structurele
onveiligheid, zal iemand naast dat gezin gaan staan om te kijken hoe dat zich ontwikkelt,
naast natuurlijk het aanbieden van hulp en ondersteuning. Inderdaad heb je soms meerdere
meldingen nodig om de patronen te kunnen herkennen. Daarom is het belangrijk dat Veilig
Thuis meldingen over langere tijd aan elkaar gaat koppelen zodat we die patronen zichtbaar
kunnen maken. Er komt dus echt een belangrijke taak voor die sterke lokale teams om
juist die structurele onveiligheid in beeld te houden.
Mevrouw Coenradie had het over een forensisch pedagoog. Ik heb het nagevraagd, maar
wij kennen dat begrip niet. Veilig Thuis kan altijd advies vragen bij het Landelijk
Expertise Centrum Kindermishandeling over letsel of, als dit nodig is, aanvullend
onderzoek inzetten. Dat kan door een forensisch arts. Ik weet niet of u dat precies
bedoelt, maar wij konden het begrip «forensisch pedagoog» niet helemaal duiden.
Mevrouw Coenradie (JA21):
Daar zit natuurlijk precies de kern van het probleem. Omdat we het niet hebben, doen
we het niet, terwijl uit een rondvraag in het werkveld blijkt dat daar behoefte aan
is. Een forensisch pedagoog is dus iemand die zorg en veiligheid combineert. Mijn
specifieke vraag is of dit een soort rodevlagprotocol is, wat betekent dat als een
kind zelf belt of er zichtbaar letsel is waarmee een kind naar school gaat, er binnen
48 uur automatisch een fysieke beoordeling plaatsvindt door zo'n forensisch pedagoog,
die gelijk al verder kan kijken en kan beoordelen of sprake is van een strafrechtelijke
zaak. En die dit doet zonder toestemming van ouders of voogd, want dat is vaak de
belemmering die er nog voor zit.
Minister Sterk:
Ik vind uw suggestie heel interessant. Ik stel voor dat we dat nader bekijken en dat
ik erop terugkom. Het is inderdaad een interessante gedachte.
Mevrouw Synhaeve heeft een vraag gesteld over psychische hulp voor kinderen in de
vrouwenopvang. Dat probleem herken ik. Vaak ligt de focus op de vrouwen en wat minder
op de kinderen. Daar zijn inmiddels wel betere afspraken over gemaakt. Met VNG zijn
we nog steeds bezig om dat verder te verbeteren zodat kinderen passende hulp krijgen.
Zij mogen niet het onderspit delven in de vrouwenopvang, waarin in eerste instantie
vaak de vrouw op de voorgrond komt. We herkennen dat er knelpunten zijn in die samenwerking.
In de voortgangsbrief Jeugd, die u voor de zomer zult ontvangen, wil ik u nader informeren
over waartoe we zijn gekomen en welke afspraken er zijn gemaakt.
De voorzitter:
Ik draag het voorzitterschap over aan mevrouw Coenradie zodat ik vanuit mijn rol als
Kamerlid hierover een vraag kan stellen.
Voorzitter: Coenradie
De voorzitter:
Zeker. Ik geef het woord aan mevrouw Synhaeve.
Mevrouw Synhaeve (D66):
Twee jaar geleden heb ik in de Kamer aandacht gevraagd voor de medische zorg voor
vrouwen en kinderen in de vrouwenopvang. We wisten dat ze daar in de praktijk geen
gebruik van maken – ze hebben daar wel recht op – omdat hun partner of ex-partner
via de zorgverzekering kon achterhalen waar iemand in het land geplaatst is. De toenmalige
Staatssecretaris heeft laten zien dat het binnen twee maanden kon worden opgelost.
Het zou heel mooi zijn als in de brief niet alleen een beschrijving van de oplossing
komt, maar dat we ook laten zien dat we dat snel kunnen regelen met elkaar. Het gaat
om meer dan 6.000 kinderen per jaar.
Minister Sterk:
Ja, daar ga ik mijn best voor doen.
Mevrouw Coenradie (JA21):
Dan geef ik nu het woord aan mevrouw Synhaeve in haar rol als voorzitter.
Voorzitter: Synhaeve
De voorzitter:
Deze voorzitter geeft hierbij opnieuw het woord aan de Minister voor een vervolg van
de beantwoording van de vragen.
Minister Sterk:
Dan ga ik het Kamerlid Synhaeve bij dezen beantwoorden. Ze heeft gevraagd of ik cijfers
heb over de kindcheck bij de volwassenen-ggz en hoe ik ervoor zorg dat het niet alleen
een papieren werkelijkheid is. Veel ggz-instellingen hebben de kindcheck in hun beleid
verankerd in de meldcode. De inspectie houdt daar toezicht op. Er zijn verschillende
handreikingen en e-learnings over opgesteld. De Nederlandse ggz is gelukkig ook als
partner betrokken bij de Hervormingsagenda Jeugd, maar ook bij het toekomstscenario.
Verder is er periodiek overleg met de ggz over het versterken van de gezinsgerichte
samenwerking waarbij de kindcheck een belangrijk onderdeel is. Ik zal in ieder geval
naar aanleiding van deze vraag dit nog even specifiek als thema op de agenda van dat
overleg zetten.
De voorzitter:
Dan wil ik graag nogmaals het voorzitterschap overdragen aan mevrouw Coenradie, als
zij het daarmee eens is.
Voorzitter: Coenradie
De voorzitter:
Zeker. Ik geef het woord aan mevrouw Synhaeve.
Mevrouw Synhaeve (D66):
Heel fijn en dank dat dat opnieuw op de agenda komt. We hebben best veel geïnvesteerd
in die meldcode, en met name hebben we die kindcheck onder de aandacht van zorgprofessionals
gebracht. Het lijkt wel weer een beetje te zijn weggezakt. Volgens mij is de conclusie
uit het veld ook of dit niet veel meer verankerd moet worden in de vorm van een aandachtsfunctionaris,
die echt de verantwoordelijkheid heeft om te zorgen dat het on top of mind van mensen
blijft. Mijn vraag aan de Minister zou zijn: als de Minister erop terugkomt in de
brief, zou zij daarbij specifiek stil willen staan bij de rol van een eventuele aandachtsfunctionaris
op dit onderdeel?
Minister Sterk:
Dat zeg ik toe aan het Kamerlid Synhaeve.
De voorzitter:
Ik geef weer het woord terug aan de voorzitter, mevrouw Synhaeve.
Voorzitter: Synhaeve
De voorzitter:
Ja. Dan gaan we verder met de beantwoording van de vragen door de Minister.
Minister Sterk:
Ik kom bij de vraag van mevrouw Westerveld over de motie over de expertise bij het
LECK. De motie vraagt of de expertise van het LECK bij letselduiding breed beschikbaar
is, dus ook voor niet-medisch professionals. Zoals mijn voorganger bij de appreciatie
van deze motie al heeft aangegeven, is het LECK primair bedoeld voor medisch specialisten
die twijfels hebben of het letsel of afwijkingen kunnen duiden op mogelijke kindermishandeling.
Dit heeft het LECK zelf ook aangegeven. Voor andere professionals is het van belang
om de stappen van de meldcode te volgen en bij onduidelijkheid contact op te nemen
met Veilig Thuis voor advies of melding. De vertrouwensarts van Veilig Thuis kan het
LECK benaderen. Ik zeg toe dat ik voor de zomer daarop nader zal ingaan. Het uitvoeren
van een top-teenonderzoek is geen onderdeel van het advies van het LECK.
De voorzitter:
Een vraag van mevrouw Westerveld.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Ik denk dat de Minister een andere motie voor zich heeft. Ik had het over een motie
die wij samen met het CDA hebben ingediend. De Minister haalt hier een andere motie
aan. Het is de motie-Krul/Westerveld, waarin wordt gevraagd om in overleg te gaan
met het LECK – het Landelijk Expertise Centrum Kindermishandeling – en andere betrokkenen
om te verkennen hoe hun expertise geborgd kan worden bij instanties die betrokken
zijn bij de zorg en bescherming van kinderen. Die motie is vorig jaar op 5 maart ingediend
en met een ruime meerderheid aangenomen. Ik vraag dit omdat wij weten dat het aantal
adviesaanvragen bij het LECK aan het stijgen is. We hebben contact met hen gezocht
om meer te weten te komen, ook in relatie tot dit debat, en tot mijn grote verbazing
bleek uit dat contact dat het LECK niet wist van het bestaan en het aannemen van deze
motie. Dit riep bij mij de vraag op of de motie dan niet is uitgevoerd. Dit zeg ik
even als toelichting. Ik hoop dat de Minister straks in tweede termijn hierop kan
terugkomen.
Minister Sterk:
Ik kan me uw verbazing voorstellen, als dit het geval is. Het lijkt me goed dat ik
ernaar kijk. Als dit niet in tweede termijn lukt, kom ik er in een brief op terug.
De voorzitter:
U vervolgt uw betoog.
Minister Sterk:
Ik heb nog een vraag in dit blokje. Mevrouw Moinat vroeg hoe het kan dat er in de
jeugdzorg exorbitante bedragen rondgaan en dat er blijkbaar nog altijd geld beschikbaar
is voor managementlagen en bureaucratie. Het is van belang dat jeugdigen en gezinnen
de hulp en ondersteuning krijgen die ze nodig hebben, zeker als hun veiligheid in
het geding is. Het grootste deel van de middelen voor de jeugdzorg zit in de algemene
uitkering van het gemeentefonds. Die middelen zijn voor gemeentes in principe beleids-
en bestedingsvrij. Ik heb wel met gemeentes en andere partners in de Hervormingsagenda
Jeugd afspraken gemaakt die ertoe moeten leiden dat de zorg beschikbaar is, onder
andere door standaardisatie van de coördinatiekosten en het terugdringen van de administratieve
lasten. Ik ben het met u eens dat je niet wilt dat het geld blijft hangen bij allerlei
bestuurders of mensen die toezicht houden, maar dat het naar de kinderen gaat en naar
degenen die de hulp moeten geven. Dat is wat ik hierop kan zeggen.
Dan ga ik door naar het blokje juridische interventies. Allereerst gaat het over het
slachtofferdevice. Mevrouw Becker heeft hiernaar gevraagd. Het slachtoffer draagt
het slachtofferdevice bij zich en dit is altijd gekoppeld aan elektronische monitoring
van een verdachte of een veroordeelde. Mevrouw Becker weet dit ongetwijfeld. De medewerking
van een verdachte of een veroordeelde aan het slachtofferdevice moet in een bijzondere
voorwaarde worden beschreven. Die voorwaarde wordt opgelegd door de rechter of door
de DJI in het kader van de detentiefasering. De maximale termijn is gekoppeld aan
de duur van het opgelegde reclasseringstoezicht. Dit kan ook langer dan een jaar zijn.
Ik begrijp niet goed wat u bedoelt met uw uitspraak dat dit maximaal een jaar kan
zijn. Met een landelijk project zetten we nu gefaseerd in op landelijke inzet van
het slachtofferdevice in 2027.
Mevrouw Becker (VVD):
Dit is een belangrijk punt. Ik ben blij dat er aan die landelijke uitrol wordt gewerkt,
want eerder was het antwoord nog dat het niet kan. Het is dus winst dat het kabinet
nu zegt het eens te zijn met de Kamer dat het landelijk uitgerold moet worden. Ik
zou hopen dat we iets kunnen versnellen, zodat we dit al begin 2027 op orde hebben.
Ik weet dat de veldpartijen hieraan heel graag willen bijdragen. Het device wordt
nu ingezet als onderdeel van een reclasseringstraject. Dit betekent dat er al iets
ernstigs aan de hand moet zijn, er al een strafbaar feit is gepleegd, de pleger al
in een reclasseringstraject zit en de rechter dan kan opleggen dat dit een jaar of
langer dan een jaar mag duren. Het verzoek dat ik vandaag doe is om dit instrument
ook meer preventief te gaan inzetten. Hulpverlening moet daarvoor gaan kijken wat
er nodig is. Dit kan dan langer dan een jaar zijn, ook los van een reclasseringstraject.
Het gaat om meer maatwerk aan de voorkant, zodat het device ervoor zorgt dat er geen
slachtoffers vallen en het slachtoffer daadwerkelijk beschermd wordt voordat het zover
komt.
Minister Sterk:
Ik denk dat ik hierover ook even overleg moet hebben met mijn collega bij Justitie
en Veiligheid. Ik snap de logica van het verzoek. Ik kom daarop terug, maar wil dit
eerst even afstemmen.
De voorzitter:
En wanneer kunt u dat doen?
Minister Sterk:
Ik hoop in de brief voor de zomer.
De voorzitter:
In de brief voor de zomer.
Minister Sterk:
Mevrouw Coenradie had een vraag over ruimte voor globale controles in woningen en
voor het uitvoeren van onaangekondigde controles in hoogrisicozaken. Die ruimte om
onaangekondigde controles te doen bij hoogrisicozaken is er al. Voor Veilig Thuis
geldt in een vrijwillig kader dat zij in de basis werkt vanuit vrijwilligheid. Als
Veilig Thuis niet kan binnenkomen in een huishouden, is dat reden om op te schalen
naar de Raad voor de Kinderbescherming. Wanneer er sprake is van een gedwongen kader,
bijvoorbeeld omdat door de rechter een ondertoezichtstelling is uitgesproken, is de
GI verantwoordelijk om ervoor te zorgen dat het kind veilig kan opgroeien. Dit kan
zowel thuis als in een pleeggezin zijn. De GI heeft reeds de mogelijkheid om onaangekondigd
controles uit te voeren. U heeft het ook nog over de Raad voor de Kinderbescherming
gehad. Ook die kan onaangekondigd op huisbezoek gaan. Volgens mij vraagt u naar iets
wat al mogelijk is. Ik begrijp niet zo goed wat de achtergrond van uw vraag is waardoor
u denkt dat dit niet zou kunnen.
De voorzitter:
Ik begrijp dat nu weer vragen de andere kant op gesteld worden. Dat gaat niet werken
en we zitten bij een aantal Kamerleden al echt aan het maximumaantal interrupties.
Ik wil ons daar ook aan houden. Er zijn ook heel wat antwoorden op vragen doorgeschoven
naar de tweede termijn. Ik ga geen extra interrupties toestaan, al voel ik aan deze
kant wel dat die behoefte er is. Dat gaan we nu niet doen. De Minister.
Minister Sterk:
Er was een vraag over afkoelhuizen voor plegers, beschermingsbevelen, huisverboden
en preventieve maatregelen. De vraag sluit aan bij waar we al mee bezig zijn, want
ik vind het van belang dat we snel kunnen ingrijpen als er sprake is van onveiligheid.
Hierin trek ik op met de Minister van Justitie en Veiligheid, want die heb ik daarvoor
echt nodig. Een van de zaken waaraan we nu hard werken, is de verbetering van de inzet
van het tijdelijk huisverbod zodat burgemeesters beter in staat worden gesteld om
plegers op basis van onderbouwde signalen uit huis te kunnen plaatsen. Dit gaat niet
alleen om acute crisissituaties, maar ook om signalen van structurele onveiligheid.
Daarbij wordt ook gekeken naar verplichte hulpverlening voor plegers, waaronder een
opvanglocatie elders en elektronische monitoring. Ik vermoed dat u met «afkoelhuizen»
de opvanglocatie elders bedoelt.
Ik ben bijna aan het einde van dit blokje. Het CDA stelde een vraag over combizittingen.
Het doel is om straf- en civiele zaken met elkaar te combineren. Dat doel zetten we
centraal in het verbetertraject, dat eind vorig jaar is gestart. We willen die beter
met elkaar verbinden. In de voortgangsbrief Geweld tegen vrouwen – dat is de brief
over huiselijk geweld die voor de zomer komt – wordt u verder geïnformeerd over de
voortgang daarvan.
Mevrouw Van Meetelen heeft een vraag gesteld die ik niet goed kan plaatsen. Ze vroeg
wanneer dit systeem harder wordt dan de dader. Ik denk dat u bedoelde te vragen wanneer
wij harder kunnen ingrijpen dan wat de dader zelf kan doen. Ik denk dat het gesprek
dat we hier hebben gevoerd daar de hele tijd over gaat. Ik wil het daarbij laten.
De voorzitter:
Dat brengt ons bij het volgende blok. Dat is blokje zes: specifieke aanpak.
Minister Sterk:
Dat klopt. Ik heb nog twee blokjes. De eerste vraag is er een van mevrouw Armut. Hoe
kunnen we voorkomen dat slachtoffers herhaaldelijk hun verhaal moeten vertellen? Het
is heel verschrikkelijk als je dat elke keer moet doen. We werken daaraan. Dat is
trouwens ook iets wat Filomena heel goed doet, want die haalt weg dat het niet ook
op andere momenten wordt gevraagd. Ik probeer het allemaal wat korter te beantwoorden,
maar dat is nog best wel ingewikkeld als er zo veel tekst staat. We kijken naar de
verbetering van het eerste contact en het daarin betrekken van zo veel mogelijk netwerkpartners.
Hierdoor kan het estafettemodel worden vermeden, wat betekent dat iets wordt doorgegeven
en dat iemand weer het verhaal moet vertellen. Dit is ten eerste heel pijnlijk voor
de slachtoffers, maar ten tweede helpt het niet bij de snelheid van de afhandeling.
Mevrouw Moinat heeft een vraag gesteld over de aanpak van eergerelateerd geweld. Hoe
zorgen we ervoor dat de geweldspatronen daadwerkelijk worden aangepakt? Er wordt met
verschillende maatregelen ingezet op het voorkomen van dat geweld. We werken met sleutelpersonen
bij de voorlichting en bij de toeleiding naar hulp binnen gemeenschappen. Sociale
Zaken financiert een pilot gericht op potentiële plegers van eergerelateerd geweld.
Het is belangrijk dat we de signalen tijdig herkennen. Dat is best heel ingewikkeld
bij eergerelateerd geweld. Het is van belang dat professionals de signalen kunnen
herkennen. Er is een specifiek stappenplan van de meldcode bij vermoedens van eergerelateerd
geweld, waarbij veiligheid en vroegtijdige consultatie centraal staan. U weet dat
als er vermoedens zijn, deze bij het Landelijk Expertise Centrum Eergerelateerd Geweld
gemeld moeten worden ten behoeve van advies en ondersteuning. Mevrouw Becker zei eerder
al dat die positie gelukkig is geborgd binnen het coalitieakkoord.
Mevrouw Armut vroeg of het lukt om het uitreisverbod voor de zomer te regelen. Het
platte antwoord is dat dit niet haalbaar is. Dat is echt een te korte termijn. We
doen wel een heleboel andere dingen. We zijn bijvoorbeeld bezig met een aanpak op
Schiphol, omdat daar gesignaleerd kan worden dat bij uitreizen van mensen je zou kunnen
vermoeden dat er later sprake zou kunnen zijn van genitale verminking. We doen al
van dit soort zaken, maar voor de zomer is niet haalbaar.
De voorzitter:
Dat leidt tot een vraag van mevrouw Armut.
Mevrouw Armut (CDA):
Dan is de logische vervolgvraag natuurlijk wanneer het wel haalbaar is. Ik zit nu
zes maanden in de Kamer, maar heb de Kamerdebatten jaar op jaar gevolgd en verschillende
Kamerleden, bijvoorbeeld mevrouw Becker, keer op keer voor de zomervakantie horen
wijzen op de risico's. Het is bijna juli en we weten dat straks weer meisjes het risico
lopen door hun ouders te worden meegenomen om daarna genitaal verminkt terug te komen.
Wanneer gebeurt dit dan wel en wat kunnen we in de tussentijd doen om ook bij zorgprofessionals
stappen te zetten? Onder andere in het rondetafelgesprek kwam naar voren dat bij huisartsen
door kleine aanpassingen, soms zelfs een eenvoudige vraag, al het verschil kan worden
gemaakt. Als je weet dat er iemand tegenover je zit die uit een risicogebied komt,
stel dan de vraag. Wat kan daar nu al aan worden gedaan?
Minister Sterk:
Deze rol bij het uitreisverbod ligt bij mijn collega van het Ministerie van Justitie.
Die verkent op dit moment de mogelijkheden voor aanvullende preventieve beschermingsbevelen
die in bestuursrechtelijke en in civielrechtelijke zin kunnen worden ingezet, waarbij
niet-naleving strafrechtelijke consequenties heeft. In die verkenning worden ook de
mogelijkheden voor een uitreisverbod meegenomen. Gelet op de aard en omvang van deze
juridische verkenning is een uitgewerkt plan voor de zomer niet haalbaar. Hij verwacht
wel de bevindingen van de verkenning begin 2027 met uw Kamer te kunnen delen.
U vroeg wat er nog meer kan gebeuren, ook in preventieve zin.
De voorzitter:
Is dat nog het antwoord op de vraag van mevrouw Armut?
Minister Sterk:
Ja, dat is nog steeds het antwoord. U zei dat ook huisartsen heel makkelijk iets zouden
kunnen doen. Er wordt al langere tijd ingezet op de deskundigheidsbevordering, van
onder anderen huisartsen, op het punt van vrouwelijke genitale verminking zodat ze
tijdelijk de signalen kunnen herkennen. Ik zie niet hoe dat hele concrete signaal
dat u nu noemt, kan worden aangepakt, maar ik denk dat we alles moeten doen wat eraan
kan bijdragen. Ik hoor dus graag wat dit betekent zodat we kunnen bekijken of we dit
mee kunnen nemen.
De voorzitter:
Dat leidt nog tot een vraag van mevrouw Becker.
Mevrouw Becker (VVD):
Zou de Minister willen toezeggen om concreet met haar collega van OCW in overleg te
gaan? Ik weet dat eerdere kabinetten en bewindspersonen dan, omdat het nog niet mogelijk
was, wel voor de zomer een speciale communicatie hebben laten uitgaan naar alle scholen
om hen nog eens extra te alerteren. Ik zou graag de toezegging krijgen dat dat dit
jaar ook weer gebeurt. Ook wil ik de Minister vragen een keer op werkbezoek te gaan
bij de speciale polikliniek in Den Haag waar hersteloperaties in het kader van genitale
verminking worden uitgevoerd. Mevrouw Armut citeert uit de rondetafel die we met hen
hadden, want daar hebben ze concrete ideeën over hoe we dit veel meer aandacht kunnen
geven in de praktijk van de hulpverlening.
Minister Sterk:
Dat laatste aanbod neem ik graag aan. En dat eerste kan ik toezeggen. Deze zomer gaat
er inderdaad weer een nieuwsbrief naar de scholen, net als de vorige zomer. Dat gebeurt
dus.
Dan kom ik bij de vragen van de heer Van Dijk over de vrouwenopvang en de capaciteit.
Ik ken de signalen dat er te weinig opvangplaatsen zijn op dit moment. Ik zie de noodzaak
dat we dat moeten oplossen. Daarom hebben we 12 miljoen extra vrijgemaakt. Ik ben
op dit moment met gemeentes in gesprek om te zorgen dat die plaatsen er zo snel mogelijk
komen. Tegelijkertijd is de norm van 1.800 opvangplekken uit het Verdrag van Istanbul
een advies. Een opvangplek is uiteindelijk het einde van de keten. Er moet vooral
geprobeerd worden te voorkomen dat ze daar komen. In die zin moet het aansluiten op
waar we in Nederland aan werken. Ik ben ermee bezig. Dat is het korte antwoord.
Mevrouw Coenradie vroeg een reactie op de brief van de Kinderombudsman om de aanpak
te versterken. Ik ben het met haar eens en werk ook op andere terreinen met haar samen,
bijvoorbeeld door het kinderrecht te toetsen en te zorgen dat kinderen veel meer in
beeld komen bij beleid dat over hen gaat. Dat zijn we ambtelijk aan het organiseren.
Veilig Thuis geeft steun aan professionals over het handelen van professionals bij
disclosure. Disclosure gaat erover dat een kind zelf aangeeft dat het mishandeld wordt.
Er wordt ook training geboden aan medewerkers om hiermee om te gaan. Hoe voer je zo'n
gesprek met een kind? Ook wordt steeds meer gewerkt aan kindvriendelijke locaties
zodat kinderen goed hun verhaal kunnen doen. Veilig Thuis geeft ook advies aan mensen
die het moeilijk vinden om zo'n gesprek over kindermishandeling met een kind aan te
gaan. We werken ook met een verklarende analyse, waarin een gesprek met het kind zit
over passende ondersteuning om de thuissituatie veilig te maken. Dat gebeurt ook echt.
Dit heeft de aandacht, maar het is goed dat we een Kinderombudsman hebben die ons
er keer op keer op wijst dat we dit goed moeten doen.
Dan kom ik op de vraag van de heer Van Dijk over mannenmishandeling. Huiselijk geweld
is onacceptabel, ongeacht wie er slachtoffer is. We hebben het hier vaak over vrouwen,
maar het is goed om te beseffen dat er huiselijk geweld voorkomt. Volgens de prevalentiemonitor
is het inderdaad zo dat mannen ongeveer even vaak slachtoffer zijn van huiselijk geweld
als vrouwen. Dat gaat om respectievelijk 7% en 10%. Vrouwen krijgen wel vaker dan
mannen te maken met structureel huiselijk geweld in de afgelopen vijf jaar. Dat gaat
om respectievelijk 8% en 6%. De gendersensitieve aanpak blijft van belang. Dit betekent
dat in de signalering en aanpak van deze doelgroep rekening moet worden gehouden met
verschillen ten opzichte van vrouwelijke slachtoffers. Dit gaat bijvoorbeeld over
de manier van hulp zoeken of over hoe je een probleem presenteert.
In het begin hebben we het gehad over het nationaal actieplan dat de Nationaal Coördinator
Geweld tegen Vrouwen en Huiselijk Geweld moet opstellen. Ik denk dat hij ook moet
gaan kijken naar de positie en behoeften van mannelijke slachtoffers.
De voorzitter:
Een vraag van de heer Van Dijk.
De heer Diederik van Dijk (SGP):
Dank voor deze reactie. Ik hoop oprecht dat het overbodig is om te zeggen dat ik op
geen enkele manier vrouwen- en mannenmishandeling tegen elkaar wil uitspelen, absoluut
niet. Het was juist ook voor mij een hele nare eyeopener om te constateren dat vrouwen
ongeveer even vaak huiselijk geweld plegen als mannen. Je schrikt van het aantal mannenmishandelingen.
We moeten constateren – dit gold voor mijzelf, maar breder geldt dit, denk ik, ook
voor media en politiek – dat er sprake is van een blinde vlek. Erkent de Minister
of deelt zij de constatering dat dit ook doorwerkt in het kabinetsbeleid? Er is, terecht,
heel veel aandacht voor vrouwen die verkeerd worden behandeld, maar hoe krijgen we
daar meer balans in, zonder dat het ten koste gaat van vrouwen?
Minister Sterk:
Ik ben blij dat u dat laatste toevoegt. Ik denk dat het inderdaad belangrijk is dat
we oog hebben voor al het huiselijk geweld. Het begint met het expliciet als opdracht
meegeven aan de Nationaal Coördinator Geweld tegen Vrouwen en Huiselijk Geweld om
dit goed in beeld te brengen. Volgens mij hebben we u om ons scherp te houden om dit
in beeld te houden.
De heer Diederik van Dijk (SGP):
Nogmaals dank voor deze reactie uiteraard. Dat geldt ook voor mijn collega's. Laten
we er vooral niet een vrouwen- of mannending van maken. Dat wil ik helemaal niet.
Ik hoop van harte dat de Minister eraan zal bijdragen om dit zichtbaar op de agenda
te houden.
Minister Sterk:
Ik kom bij de vraag van mevrouw Armut over de actieagenda ouderenmishandeling. Op
dit moment zoekt de Universiteit van Maastricht uit wat precies de omvang van ouderenmishandeling
in Nederland is. De resultaten van dit onderzoek worden na de zomer verwacht. Ik wil
kijken wat we daar verder nog in moeten doen en dat ook met de gemeentes oppakken.
Er lopen inderdaad een aantal zaken. Er zijn bijvoorbeeld lokale allianties en er
is ook een landelijke alliantie op financieel veilig ouder worden. In gezinnen ontstaat
vaak juist agressie rondom financiën. Ik zou graag willen kijken wat we met elkaar
zien gebeuren en wat we missen in de aanpak. Volgens mij is dat ook wat u vraagt,
want u wilt een actieplan om ouderenmishandeling tegen te gaan. Dat is de toezegging
die ik hierover wil doen.
De voorzitter:
Even voor mijn beeld. Is daar een datum bij genoemd?
Minister Sterk:
Dat onderzoek komt in de tweede helft van het jaar. Ik moet eerst dat onderzoek afwachten.
De voorzitter:
Dus dan...
Minister Sterk:
In de tweede helft van dit jaar, nadat het onderzoek is verschenen, komt het naar
de Kamer.
De voorzitter:
Dat leidt tot een aantal vragen, in ieder geval van mevrouw Van Brenk.
Mevrouw Van Brenk (50PLUS):
Ik had inderdaad heel specifiek naar aanleiding van financiën gevraagd naar ouderenmishandeling,
zeker over de afhankelijkheid die er is en zeker als mensen minder digitaal vaardig
zijn. Mijn vraag is specifiek wat de Minister daarin zou kunnen betekenen. Ik weet
dat er met de banken overlegd wordt en dat er een leidraad is, een soort toolbox.
Maar het is best lastig om die doelgroep te bereiken. Het punt was: zorg nou dat zij
zo zelfstandig mogelijk zijn, zodat je niet afhankelijk wordt van iemand. Wat zou
de Minister daarin kunnen betekenen?
Minister Sterk:
Met de beweging aan de voorkant waarbij we willen dat mensen langer zelfstandig blijven
en thuis kunnen wonen, is het natuurlijk belangrijk dat zij ook financieel zelfstandig
blijven en dat de digitale wereld toegankelijk blijft voor ouderen. Ik zie dat ook
aan mijn moeder, die daar soms best wel wat mee worstelt. Dit is eigenlijk het terrein
van de Minister van BZK. Die gaat over digitale veiligheid. Op dit moment zijn er
meer dan 500 informatiepunten digitale overheid. Die zijn bedoeld om mensen te helpen
bij de dienstverlening. Er is een telefonische DigiHulplijn. Die beantwoordt op dit
moment maandelijks tussen de 500 en 1.000 vragen op dit punt. In de gemeentes is er
de mogelijkheid om cliëntondersteuning te bieden om te helpen bij dit soort problemen.
Ik hoop dat dat voldoende antwoord is op uw vraag.
De voorzitter:
Ik zag nog een andere vraag van mevrouw Armut.
Mevrouw Armut (CDA):
Ja. Dank, voorzitter. Dank ook aan de Minister voor de beantwoording. Dit gaat even
specifiek over ouderenmishandeling, omdat de Minister zegt eerst graag te willen kijken
wat de omvang van dit probleem is voordat we kunnen overgaan tot een aanpak, of zoals
ik het noemde: een actieagenda. Als ik nu kijk, zijn hierover al best wel veel rapporten.
Ik heb het even opgezocht. Ik kan vrij snel vinden dat het om rond de 200.000 gevallen
per jaar gaat. Het werkelijke aantal ligt waarschijnlijk nog veel hoger. Ik vraag
me daarom af waarom dat een voorwaarde is om te kijken naar wat voor actieagenda we
nu zouden kunnen uitrollen om dit daadwerkelijk tegen te gaan.
Minister Sterk:
Volgens mij hebben wij geconstateerd dat er al een heleboel dingen gebeuren. U zegt
dat dat te weinig is en dat er meer moet gebeuren. Ik zou graag eerst willen weten
wat we precies zien als we naar die groep kijken en wat er dan nog meer nodig is.
Daar zou ik ook de gemeentes bij willen betrekken, omdat het vaak moet gebeuren vanuit
dat sociale domein. Dat ligt bij de gemeentes. Dat is de redenering die ik volg. Ik
heb u net een aantal zaken genoemd die we ook doen. Als we het over huiselijk geweld
hebben, gaat het natuurlijk ook over geweld tegen ouderen. Ook dat is huiselijk geweld,
net zo goed als dat het tegen mannen ook huiselijk geweld is.
Mevrouw Westerveld had een vraag over het Verdrag van Istanbul en slachtoffers zonder
drempels toegang geven tot medische en andere ondersteuning. Zij zegt dat dit niet
het geval is in Nederland en vraagt om een reactie. Volgens mij erkennen we dat dat
inderdaad nog niet voldoende is. U had het volgens mij ook al over GREVIO. Dat was
iemand anders? Maar goed, GREVIO wijst denk ik ook op een aantal dingen die we op
dit moment nog niet goed doen. Dat is een van de redenen waarom we de nationaal coördinator
hebben aangesteld die dat soort zaken moet gaan oppakken en ervoor moet zorgen dat
dat leidt tot acties en niet alleen tot nieuwe rapporten. In die zin zou ik dat daarnaar
willen doorverwijzen.
Mevrouw Coenradie had het over dat kleine landelijke interventieteam. Via stichting
Veiligheid Voorop zetten wij al in op het snel samen oppakken van meldingen van ernstige
vermoedens van huiselijk geweld. Ik heb u volgens mij net ook al verteld wat er allemaal
kan gebeuren en welke mogelijkheden er zijn. De vraag is dus een beetje of zo'n klein
landelijk interventieteam inderdaad daarbij helpt of dat we dat eigenlijk al aan het
doen zijn op dit moment. Ik ben het met u eens dat het nodig is, maar of het helpt
om er weer een nieuw landelijk interventieteam voor op te richten en daar een pilot
voor te starten? We zijn op dit moment eigenlijk al bezig dat te doen.
Dat was het einde van mijn blokje.
De voorzitter:
Er komt in ieder geval nog een blokje dakloosheid en Wmo/Wlz.
Minister Sterk:
Dat klopt. U heeft zó veel vragen gesteld, zeg ik maar even tegen de Kamer. Ik doe
mijn best ze te beantwoorden. Mevrouw Westerveld vroeg over dakloosheid wat we gaan
doen aan de doelstelling dat er in 2030 niemand meer dakloos is. We hebben hierover
al eerder met elkaar gesproken. We werken er natuurlijk heel hard aan om dat Nationaal
Actieplan Dakloosheid te realiseren. Uit de tussentijdse evaluatie blijkt wel dat
er aanvullende maatregelen nodig zijn omdat de doelstelling anders inderdaad niet
wordt gehaald. Ik werk een aantal van die aanbevelingen uit, gericht op het herzien
van de organisatiestructuur, het verbeteren van de ondersteuning in de regio en hoe
effectief interventies kunnen worden versneld in de regio. Ik zal u daarover informeren
in de voortgangsbrief die ik voor het commissiedebat van 11 november naar u stuur.
Wat wilde ik er nog meer over zeggen? Een van de grote knelpunten is natuurlijk dat
woningen heel erg nodig zijn. Dat geldt breder en niet alleen voor dakloosheid maar
ook voor andere vormen van opvang. Daarom zit ik in de Taskforce Versnelling Woningbouw.
Daar vraag ik elke keer weer aandacht voor urgentiegroepen. Dat zijn ouderen, mensen
die dakloos zijn en ook vrouwen en kinderen die een plek zoeken omdat het gezin uit
elkaar is gevallen. Ik probeer daarvoor ook vanuit die verantwoordelijkheid aandacht
te vragen en zaken te laten gebeuren.
De heer Van Dijk had ook een vraag over dakloosheid: hoe staat het met de ministeriële
regeling? Die regeling treedt op 1 juli 2027 in werking. Ik hoop dat dat voldoende
antwoord is. U weet in ieder geval wanneer dat gaat gebeuren. U vraagt ook waarom
er nog steeds geen goede oplossing is voor dakloze moeders met kinderen. Ik gaf dat
net al aan. Dat heeft natuurlijk te maken met de woningvoorraad die we in Nederland
hebben. Ik probeer de urgentie daarvan elke keer op tafel te leggen, ook bij mijn
collega van VRO. Daar ligt in samenspraak met de gemeentes voor een groot deel de
oplossing. Ik ben op dit moment aan het kijken of er nog aanvullende maatregelen nodig
zijn. U wilt graag weten wanneer u daarover iets hoort. Ik informeer u daarover in
de voortgangsbrief voor het debat van 11 november waaraan ik net refereerde.
Mevrouw Van Brenk informeerde naar de proeftuin Aanpak zorgfraude Twente. Die lessen
worden gedeeld met de gemeentes. Dat gaat bijvoorbeeld vanmiddag gebeuren. Ik ben
daar, als dat lukt qua tijd, hopelijk zelf ook bij aanwezig. Gemeentes kunnen hiermee
hun voordeel doen. Het is uiteindelijk aan gemeentes of regio's zelf of zij dezelfde
aanpak invoeren, aangezien dat vooral bij de gemeentes ligt. Met de VNG wordt op dit
moment verkend of er nog een vervolg kan worden gegeven aan het huidige stimuleringsprogramma
Wmo-toezicht en of elementen vanuit de proeftuin daar onderdeel van kunnen zijn. In
die zin gaan we kijken of we het beter kunnen borgen.
Mevrouw Van Brenk en de heer Van Dijk hadden vragen over huishoudelijke hulp. Eerder
in het debat hebben we het daarover al gehad. De opdracht is de huishoudelijke hulp
te schrappen. Tegelijkertijd zien we natuurlijk ook dat er wel een vangnet moet zijn
voor de mensen die huishoudelijke hulp nodig hebben maar dat niet zelf kunnen financieren.
U weet dat we bezig zijn met een onderzoek naar de stapeling van allerlei maatregelen.
Als de uitkomst bekend is, wil ik heel graag kijken hoe we dat vorm moeten gaan geven,
ook in het licht daarvan.
De voorzitter:
Dat leidt tot een vraag van mevrouw Van Brenk.
Mevrouw Van Brenk (50PLUS):
Inmiddels zijn al mijn vragen beantwoord, dus ik dacht: nu kan ik nog eventjes terug.
Ik ben heel erg teleurgesteld. De Minister gaat vanmiddag praten over zorgfraude.
Hopelijk kan ze daarbij zijn. Dat gaat om miljarden in Nederland. Er is nu bewezen
dat als je zorgaanbieders in ieder geval middels Bibob screent, er een aantal uitkomt
dat crimineel is. Daardoor kunnen die in ieder geval worden geweigerd. Sommige komen
niet eens opdagen omdat ze weten dat ze worden gescreend. We moeten echt een angstcultuur
optuigen zodat mensen die iets op hun kerfstok hebben, zich niet durven te mengen
in de zorg. Echt elk middel dat we beschikbaar hebben, moeten we daarvoor inzetten.
Ik vind het antwoord van de Minister gewoon heel teleurstellend. Iedere gemeente moet
dit tussen de oren krijgen. Wat de Minister daaraan kan doen, móét ze ook doen. Het
antwoord stelde mij echt teleur. De urgentie moet bij ieder ministerie zitten. Elk
onderwerp dat we kunnen inzetten om ervoor te zorgen dat die miljarden niet naar de
verkeerde mensen gaan, moeten we aanpakken.
Minister Sterk:
Ik vind het heel vervelend om te horen dat ik mevrouw Van Brenk teleurgesteld heb.
Dat doe ik natuurlijk niet graag. Volgens mij hoeft dat ook niet. Ik kom binnenkort
met een brief naar de Kamer waarin ik ga aangeven welke maatregelen wij gaan nemen
om zorgfraude aan te pakken. Geld voor de zorg moet in de zorg blijven. Daarover zijn
we het allebei eens, denk ik. Daar is overigens wellicht meer voor nodig dan alleen
die Bibob. We gaan ook een aantal andere maatregelen nemen om te voorkomen dat geld
in de verkeerde zakken verdwijnt.
De voorzitter:
Wanneer kan de Kamer die brief verwachten?
Minister Sterk:
Voor de zomer. Daar zijn we nu echt mee bezig. Die komt.
De voorzitter:
Met oog op de tijd.
Minister Sterk:
Ik ben bijna aan het einde. Ik heb alleen nog het kopje mantelzorg. Daarover zijn
twee vragen gesteld, ook door mevrouw Van Brenk. Zij zei overigens net dat al haar
vragen zijn beantwoord, maar volgens mij is dat toch niet het geval. Zij gaf aan dat
er grote verschillen zijn tussen gemeentes en mantelzorgondersteuning. Zij vroeg of
er geen ondergrens voor moet komen en of er een handleiding mantelzorgondersteuning
kan komen. We zijn bezig om afspraken te maken over meer gelijkgericht ondersteuningsaanbod
tussen gemeentes. Dat komt volgens mij ook uit het AZWA voort. Er is inderdaad veel
verschil. Ik vind ook dat mensen eigenlijk overal dezelfde ondersteuning zouden moeten
kunnen krijgen. Onderdeel daarvan is een handreiking voor gemeentes over dit ondersteuningsaanbod.
Er zijn extra middelen voor om dat te doen.
De heer Van Dijk zei dat er eigenlijk meer moest gebeuren op mantelzorg. Ik begrijp
dat het voor u een belangrijk onderwerp is. Dat herken ik ook. Het is heel belangrijk
dat we dat mogelijk maken als we een beweging naar de voorkant willen maken en meer
informele zorg gaan inzetten. Voor een deel zijn dat mantelzorgers, soms ook vrijwilligers
die je in zekere zin ook mantelzorgers zou kunnen noemen. Wij zijn bezig een mantelzorgagenda
te maken. Die komt ergens rond de zomer uw kant op. Ik wil daarbij het SER-advies
betrekken dat is uitgebracht. U had een specifieke vraag over een wettelijke minimumnorm.
Die sluit eigenlijk niet goed aan bij de manier waarop we dit hebben georganiseerd.
Ik werk wel vanuit het HLO aan het verbeteren van de toegang tot respijt- en logeerzorg.
Ook daarvoor hebben we de 25 miljoen beschikbaar. Daar zijn we concrete stappen aan
het zetten.
Voorzitter, dat was het.
De voorzitter:
Dat brengt ons bij de tweede termijn aan de zijde van de Kamer. Ik krijg bericht dat
we geen mogelijkheid tot uitloop hebben, want er staat een volgend overleg gepland
in deze zaal. Mijn verzoek zou zijn om te kiezen voor een korte tweede termijn met
een inbreng van maximaal een minuut. Dan kijk ik straks naar het kabinet om ook daar
het verzoek te doen de vragen kort en bondig te beantwoorden.
Eerst mevrouw Coenradie.
Mevrouw Coenradie (JA21):
Allereerst zou ik graag van de gelegenheid gebruik willen maken om een tweeminutendebat
aan te vragen.
Ik moet toch een paar dingen constateren. Ik heb gemerkt dat er enerzijds heel veel
vragen zijn gesteld en dat we heel snel terechtkomen in het afraffelen van antwoorden.
Dat doet dit onderwerp, deze onderwerpen eigenlijk, geen recht. Ik wil voorstellen
dat we bij dit soort commissiedebatten voorafgaand aan de commissiedebatten schriftelijke
rondes doen. Daarmee kunnen we misschien toch al het een en ander ondervangen. Dat
is een vraag die ik hier in ieder geval wil neerleggen. Daarbij kijk ik mijn medecommissieleden
aan.
Het andere is dat ik toch een beetje de winstwaarschuwing voor zo'n eventuele schriftelijke
ronde of een vervolg wil neerleggen dat het gaat om wat meer concrete antwoorden of
informatie. Ik hoor soms echt letterlijk teksten die ik anderhalf jaar geleden op
dit onderwerp heb uitgesproken. Dat geeft aan in welke voortgangsmodus we zitten.
Dat wil ik gezegd hebben.
De voorzitter:
Ja, dank u wel. We zullen deze suggestie op de agenda van de procedurevergadering
zetten, zodat we die daar kunnen bespreken. Ik ga even het rijtje af. Een vraag. Kort
alstublieft.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Een vraag aan mevrouw Coenradie. Zouden we de onderwerpen nu moeten splitsen? Vandaag
stond bijvoorbeeld dakloosheid op de agenda. Daarover hebben we pas in november een
commissiedebat, terwijl we totaal uit de pas lopen als je kijkt naar de beloftes die
zijn gedaan.
De voorzitter:
Dit is echt een discussie die we in de procedurevergadering met elkaar kunnen voeren.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Prima. Ik zie gelukkig mensen knikken.
De voorzitter:
Ik vermoed zomaar dat er brede steun voor zal zijn. Mevrouw Moinat, tweede termijn,
maximaal een minuut.
Mevrouw Moinat (Groep Markuszower):
Voorzitter. Steun voor het verzoek van mevrouw Westerveld aan mevrouw Coenradie.
Ik denk dat we vandaag na de winstwaarschuwing van de Minister dat alles veel tijd
en nog meer tijd gaat kosten, geen steek verder komen. Ik hoor ook dezelfde antwoorden.
Ik heb er net al op gereflecteerd. Ik vind het zeer spijtig dat ik tot de conclusie
moet komen dat we hier met z'n allen hebben gezeten en ons praatje hebben kunnen doen,
maar dat er feitelijk concreet niets is veranderd, behalve dat ik een grote, stevige
brievenbus moet gaan kopen voor de zomer waar al de brieven in passen. Ik hoop dat
er niet nog iets gaat gebeuren waar we weer met z'n allen op moeten springen. Dat
moeten we namelijk wel doen; «hadden we nu maar, was er nu maar».
Er ligt al een tijdje genoeg concreets voor de Minister klaar, inmiddels al twee jaar
denk ik. Ik wil nogmaals het verzoek doen: actie in de taxi.
De voorzitter:
Ik ga naar mevrouw Becker.
Mevrouw Becker (VVD):
Dank, voorzitter. Laat ik zeggen dat het goede nieuws van vandaag en op dit onderwerp
is dat de verdeeldheid niet zit op wat er nodig is. Van links tot rechts is er brede
steun. We zien ook een Minister die zegt het belangrijk te vinden, maar die zegt:
geef me even, want ik zit er net drie maanden. Dat snap ik. Tegelijkertijd hoop ik
ook dat zij de urgentie proeft. Zij zit er net drie maanden, maar wij soms al vier
jaar en we zijn bezig met duwen en trekken om dingen voor elkaar te krijgen die op
papier staan maar nog wel moeten gebeuren. Het risico dat ik zie, is dat de nationaal
coördinator weer aan de slag moet met nieuwe plannen, terwijl het echt tijd is voor
uitvoering.
Ik dank de Minister voor alle toezeggingen, ook om te gaan kijken naar de instrumenten
die ik heb gevraagd om meer preventief plegers dwang te kunnen opleggen.
Dank ook voor de toezegging op het terrein van genitale verminking. Voor de zomer
komt er een hele belangrijke brief. Ik zou willen zeggen: laten we daarover gaan debatteren
met deze Minister én de Minister van Justitie en Veiligheid, zodat we spijkers met
koppen kunnen slaan.
Volgens mij heb ik nog recht op antwoord op mijn vraag over de gegevensdeling. Dat
is een heel concreet punt. We hebben in 2025 gevraagd dat te inventariseren. Wat staat
er aan privacyregelgeving in de weg?
De voorzitter:
Dit heeft de Minister scherp.
Mevrouw Becker (VVD):
Dank, voorzitter.
De voorzitter:
Dat brengt ons bij mevrouw Van Brenk.
Mevrouw Van Brenk (50PLUS):
Voorzitter. Ik heb aandacht gevraagd voor ouderenmishandeling omdat dat een groot
zorgpunt is. We zien dat ouderen vaak afhankelijk zijn van die personen. Daarom vinden
wij het heel zorgelijk dat de huishoudelijke hulp dreigt te verdwijnen, zeker als
je weet dat steeds meer ouderen langer thuis moeten blijven wonen. Zelfstandigheid
is wat dat betreft heel belangrijk en daar zorgt met name die huishoudelijke ondersteuning
voor. Het blijft voor ons een heel belangrijk punt. Langer thuis betekent ook een
verantwoordelijkheid voor de gemeente voor de kwaliteit van de zorg die daar wordt
geleverd. Nogmaals: wij moeten alles doen om zorgfraude tegen te gaan bij zorgaanbieders,
ook voor de gemeente. De gemeente moet een goede screening hebben, zodat we dat soort
misstanden daar kunnen voorkomen.
Dank, voorzitter.
De voorzitter:
De heer Van Dijk.
De heer Diederik van Dijk (SGP):
Dank, voorzitter. Dank aan de Minister voor de gegeven antwoorden. We hebben over
ingrijpende thema's gesproken, juist vanuit het besef dat de overheid nooit in staat
zal zijn om ieder ernstig incident te voorkomen. Dat kan ook niet omdat we geen politiestaat
willen worden. Dat blijft een voortdurende spanning. De overheid moet wel alles op
alles zetten om het systeem zo effectief en zo beschermend mogelijk te maken. Dit
vergt herziening van het stelsel. Ik heb de wil geproefd dat de Minister daarmee aan
de bak gaat.
Ik dank de Minister ook voor de gegeven reacties op het punt van mannenmishandeling,
een blinde vlek, nog steeds in een taboesfeer. Daar is lage aangiftebereidheid. Ik
denk dat het belangrijk is op dat punt nog iets meer balans in het kabinetsbeleid
te krijgen.
Dank, voorzitter.
Mevrouw Wiersma (BBB):
Voorzitter. Het is mooi te zien dat deze hele Kamer en ook deze Minister de urgentie
voelen. Ik denk overigens dat er geen Minister is geweest die dit geen belangrijk
onderwerp vindt. Ik ben nieuw in deze commissie, maar zelfs ik zie dat de debatten
over deze onderwerpen steeds weer over dezelfde dingen gaan.
Ik heb eigenlijk maar een vraag aan de Minister. Ik weet namelijk dat zij ambitieus
is. Wat gaat zij nu echt anders doen, zodat we bij het volgende debat hierover echt
een ander debat gaan voeren? Dat wens ik haar toe en ons ook, want nogmaals, dit zijn
geen casussen, dit zijn mensen. Dit betreft mensen in onveiligheid en onzekerheid.
Dit betreft kinderen die kwetsbaar zijn en daarvoor hebben wij de verantwoordelijkheid
en de zorgplicht.
De voorzitter:
Mevrouw Van Meetelen.
Mevrouw Van Meetelen (PVV):
Dank u, voorzitter. Ik dank de Minister voor de beantwoording, maar in een dossier
als dit verwachten wij toch wel meer van haar. Slachtoffers van huiselijk geweld,
mishandeling, dwingende controle en eerwraak hebben niks aan kleine stappen als ze
thuis nog steeds niet veilig zijn. U raakte het net al even aan; ik heb natuurlijk
het rapport GREVIO genoemd. De centrale spanning is dat het kabinet zegt dat er programma's,
onderzoeken, wetswijzigingen en pilots lopen, maar slachtoffers hebben nú concrete
steun, bescherming en recht nodig. Ik kan van alles opnoemen maar daar hebben we geen
tijd voor. U noemde zelf de nationaal coördinator. Hier staan nog meer concrete punten
en conclusies in. Ik zou zeggen: neem die ter harte, onder andere de lokale verschillen
door decentralisatie en een uniforme risicotaxatie. Kijk naar al dat soort dingen
en neem die mee. Volgens mij is dat ook de vraag vanuit de rest van de Kamer.
Dank u.
De voorzitter:
Mevrouw Westerveld.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Ik heb nog een vraag naar aanleiding van de antwoorden. Mij lijkt het niet de bedoeling
dat de nationaal coördinator ook de taken van de regeringscommissaris erbij gaat doen.
Klopt dat, vraag ik aan de Minister.
Ik herken wat de collega's hier zeggen, namelijk dat dit debat al meerdere keren is
gevoerd. Met de afgelopen bewindspersonen hebben we ook al deze thema's aangekaart.
Ik snap dat de Minister hier nog maar kort zit en wel de verantwoordelijkheid heeft,
maar er de afgelopen jaren niet bij was op het ministerie. Als we het hebben over
alles wat er is gebeurd ten tijde van de mishandeling van het Vlaardingse pleegmeisje,
was het natuurlijk wel met name het vorige kabinet dat die aanbevelingen had moeten
opvoeren. Dat wil ik erbij zeggen, want ik zie dat deze Minister zich dit terecht
aantrekt. Dit is natuurlijk niet iets waaraan zij persoonlijk wat kan doen.
Nog een laatste punt. We hebben het al eerder gehad over de term «huiselijk geweld»
en dat we die eigenlijk niet zouden moeten gebruiken. Er is niks huiselijks aan geweld.
We hebben in de commissie toen gezegd het «geweld achter de voordeur» of «terreur
achter de voordeur» te noemen. Dat lijkt me een betere term. Taal doet ertoe. Laat
ik daarmee afsluiten.
De voorzitter:
Dan wil ik nu mevrouw Coenradie vragen of zij weer tijdelijk het voorzitterschap zou
willen overnemen.
Voorzitter: Coenradie
De voorzitter:
Ik geef het woord aan mevrouw Synhaeve.
Mevrouw Synhaeve (D66):
Dank u wel, voorzitter. Ik denk dat voor ons allemaal geldt dat dit onder onze huid
gaat kruipen. Dat is maar goed ook. Het is goed dat we hier met z'n allen wakker van
liggen. We slagen er anno 2026 niet in onze meest kwetsbare kinderen te beschermen.
Dat is precies waarvoor we wel besteld zijn, alle goede intenties ten spijt. Die zijn
er namelijk bij ons allemaal.
Dank aan de Minister voor de beantwoording van de vragen. Ik denk dat we heel wezenlijk
moeten kijken naar hoe we dit hebben georganiseerd. Laten we alsjeblieft in de brieven
die voor de zomer komen, heel wezenlijk kijken naar hoe we daar echt stappen in gaan
zetten. Dat geldt zeker als het gaat over het toekomstscenario. We hebben het er al
jaren over. We durven niet echt keuzes te maken. Dat zijn keuzes die organisaties
pijn gaan doen, want geen enkele organisatie wil zichzelf opheffen. We hebben het
wel nodig om nu stappen vooruit te zetten. Ik ben heel blij te zien dat dit kabinet
daar zo voortvarend mee aan de slag is. Laten we parallel daaraan zorgen dat we al
die ogenschijnlijk kleine stappen die we snel kunnen realiseren, daadwerkelijk snel
zetten met elkaar.
De voorzitter:
Dan geef ik nu het woord weer terug aan mevrouw Synhaeve in de rol van voorzitter.
Voorzitter: Synhaeve
De voorzitter:
Dank u wel. Volgens mij kunnen we direct door met de beantwoording in tweede termijn.
Minister Sterk:
Ik ga mijn best doen, voorzitter. Ik wil beginnen met het uitspreken van dank voor
de compassie. Het is inderdaad best een ingewikkelde situatie waarin je zit als je
net drie maanden Minister bent, een onderwerp heel erg belangrijk vindt en heel goed
snapt dat er urgentie is gevraagd, maar tegelijkertijd nog een boel kennis mist. Ik
wil daarmee niet zeggen dat ik voor mijn verantwoordelijkheid wegloop. Die indruk
wil ik zeker niet wekken. Ik vind ook echt dat wij als kabinet – en dat is ook de
rol waarin ik hier zit – de verantwoordelijkheid hebben om dit verder te brengen.
Daar wil ik me echt voor inzetten. Ik wil benadrukken dat het echt een complexe situatie
is. We kunnen hier wel dingen afspreken, maar dat wil nog niet zeggen dat het in de
buitenwereld meteen op die manier gebeurt. Het gaat vaak om de cultuur in organisaties,
om mensen die buiten die cultuur om moeten durven gaan werken. Soms helpt het inderdaad
om dingen vast te leggen. Ik doe echt mijn voordeel met alle tips en voorstellen die
jullie hebben ingebracht. Ik zie het nu in ieder geval als mijn eerste taak om voor
mijzelf even goed op orde te krijgen wat we allemaal hebben afgesproken, wat de stand
van zaken daarin is en hoe we zaken daarbinnen kunnen versnellen. Die toezegging wil
ik aan u doen. Voor een deel zal dat landen in de brief die wij u voor de zomer zullen
doen toekomen. Dat is misschien ook een beetje het antwoord op de vraag van mevrouw
Wiersema.
Op het punt van de regeringscommissaris kom ik terug in de brief. Ik hoor wat u zegt
en ik denk ook niet dat dat een-op-een zo op elkaar kan vallen. We moeten zorgen dat
de erfenis die er nu ligt, goed wordt bewaakt en wordt bestendigd.
Ik had nog een aantal vragen voorliggen waarvan ik had toegezegd die in tweede termijn
te beantwoorden. De eerste is van mevrouw Becker. Zij vroeg hoe het staat met de uitvoering
van de motie over gegevensdeling. Gezien de expertise over privacy die nodig is voor
de uitvoering van deze motie zijn we helaas heel lang bezig geweest een geschikte
partij te vinden om deze uit te kunnen voeren. Het goede nieuws is dat we een partij
hebben gevonden. Er loopt nu een gesprek over de offerte. We gaan ervan uit dat we
de uitkomsten eind van dit jaar met de Kamer kunnen delen. Het is misschien niet het
antwoord dat u wilde horen, maar we hebben ons best gedaan.
De voorzitter:
Een verhelderende vraag.
Mevrouw Becker (VVD):
Gaat het om de uitkomst van het offertetraject of de uitkomsten van het onderzoek?
Minister Sterk:
De uitkomst van het onderzoek. Scherp doorgevraagd.
Eerder was de vraag gesteld – ik kan niet zien van wie die was – op welke wijze er
individuele consequenties volgen voor falende medewerkers. We hadden er volgens mij
een soort interruptiedebatje over. Het was een vraag van mevrouw Moinat, begrijp ik.
We hebben natuurlijk al wat gezegd over het strafrecht en bij wie dat ligt. Voor professionals
is er natuurlijk ook het tuchtrecht. Dat is van toepassing op professionals die een
SKJ- of een BIG-registratie hebben. Iedereen die te maken heeft met deze professionals
kan een tuchtklacht indienen over beroepsmatig handelen of juist het nalaten daarvan.
Daarnaast kan de uitkomst van een onderzoek van de IGJ of de Inspectie Justitie en
Veiligheid naar individueel handelen aanleiding zijn de zaak voor te leggen aan de
tuchtrechter en/of het Openbaar Ministerie. Uiteindelijk besluit het Openbaar Ministerie
of er wordt overgegaan tot strafrechtelijke vervolging. Dat tuchtrecht is ook altijd
een route die mogelijk is.
Mevrouw Synhaeve had een vraag over de motie over Handle with Care. Ik wil daar graag
nog eens een keer naar kijken, want ik ken het initiatief verder niet. Mij wordt verzekerd
dat het een mooi initiatief is. Een aantal gemeentes werkt daar al een aantal jaren
mee en de aantallen groeien. Ik voer op dit moment ook gesprekken over hoe het gebruik
kan worden gestimuleerd en over mogelijke wettelijke belemmeringen die gemeentes daarin
ervaren. Als dat laatste het geval is, wil ik ernaar kijken hoe we die kunnen oplossen.
Ik verwacht de Kamer na de zomer te informeren over de concrete invulling van deze
ondersteuning.
Ik ben nog niet aan het einde van de vragen, maar misschien wilt u interrumperen op
dit punt?
De voorzitter:
Ja, maar dan geef ik eerst weer even het voorzitterschap over aan mevrouw Coenradie.
Voorzitter: Coenradie
De voorzitter:
Mevrouw Synhaeve.
Mevrouw Synhaeve (D66):
Een verhelderende vraag. Hier is al een motie op aangenomen. Die hebben we Kamerbreed
aangenomen. Dit is geen nieuw verzoek, maar vooral een verzoek om te kijken hoe we
ervoor kunnen zorgen dat de vaart erin blijft.
Minister Sterk:
Volgens mij geef ik terug dat wij gesprekken voeren om de vaart erin aan te brengen.
We kijken ook of er eventueel wettelijke belemmeringen zijn die de boel afremmen en
of ik die wettelijke belemmeringen kan oplossen. Ik bericht u daarover in het najaar.
Mevrouw Westerveld noemde die motie. Ik hoop dat ik nu het goede antwoord heb over
de motie waarover u zojuist sprak. Die motie verzoekt met het LECK en andere betrokkenen
in gesprek te gaan om te verkennen hoe hun expertise kan worden geborgd bij instanties
die betrokken zijn bij zorg en bescherming van kinderen. Daarover hebben we al een
keer gesproken met het LECK, althans het ministerie. Dat zullen we nog een keer doen.
Er zijn via de meldcode en vertrouwensartsen al wegen om de expertise van LECK in
te zetten, maar ik zeg toe dat ik met LECK en de genoemde partijen nog verder ga kijken
hoe deze routes vaker en vooral ook beter benut kunnen worden. In het najaar zal ik
u laten weten hoe daarin nog verbetering kan worden gebracht.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Heel mooi om te horen dat die gesprekken plaatsvinden. Ik stel de vraag ook omdat
we van het LECK hoorden dat het aantal adviesaanvragen toeneemt. Dat is natuurlijk
mooi, want dat betekent dat meer mensen het weten te vinden. Er zit wel een werkdrukcomponent
achter. Ik hoop dat de Minister dit ook kan meenemen om ervoor te zorgen dat zij echt
hun werk kunnen blijven doen en al die mensen die om advies vragen, kunnen blijven
helpen.
Minister Sterk:
Ik kan hier geen financiële toezegging doen, maar ik kan me zomaar voorstellen dat
dit in het gesprek oppopt en dat we daarnaar moeten kijken.
Ik had een toezegging gedaan om iets explicieter in te gaan op het signaal dat ik
steeds krijg: er is niks gebeurd sinds Vlaardingen. Dat is gewoon niet zo. Dat het
nog niet perfect is en dat nog niet alles is gerealiseerd, is wellicht ook waar. We
hebben toen in ieder geval een betere samenwerking tussen professionals afgesproken.
Die afspraken worden vastgelegd in de nieuwe handreiking over de samenwerking tussen
jeugdbescherming en pleegzorgaanbieders. Die wordt dit najaar vastgesteld. Daarin
is onder andere het versnellen van verklarend analyseren, gegevensuitwisseling tussen
professionals en ook samenwerkingsafspraken met gezinshuizen meegenomen. Een ander
punt dat onder die betere samenwerking is afgesproken, is versterking van de stem
van het kind in de pleegzorg via inzet van vertrouwenspersonen van Jeugdstem door
het vergroten van de bekendheid van vertrouwenspersonen met een communicatiecampagne.
Die start deze zomer al en gaat door in het najaar.
Over versterking van Veilig Thuis heb ik, denk ik, net al het nodige gezegd. Veilig
Thuis verbetert de inzet bij disclosure. De medewerkers worden op dit moment getraind
in het werken vanuit de NICHD-methode. Dat is een erkende methode om systematisch
in gesprek te gaan met kinderen bij vermoedens van geweld achter de voordeur. Laat
ik vast gaan oefenen met die term. De uitrol loopt op dit moment. Er wordt een nieuw
digitaal platform gelanceerd. Dat is al in september vorig jaar gelanceerd en blijft
doorontwikkeld worden. Er is brede aandacht voor de adviesfunctie. We zien ook dat
de adviesfunctie steeds meer wordt gebruikt. Dat komt met name doordat professionals
meer om advies vragen. En er is voorlichting op school over de radarfunctie. Er zijn
ook afspraken gemaakt op het punt van meer zicht op veiligheid van pleegkinderen door
verscherpte screening van pleegouders. Er is een evaluatie op de aanscherping van
het kwaliteitskader voorbereiding en screening in de pleegzorg, gedaan door Jeugdzorg
Nederland. Eind juni wordt dat bestuurlijk vastgesteld. Dat is al binnen een paar
weken. Hierin zijn onder andere de ervaringen van vorige pleegzorgaanbieders meegenomen.
Indien een pleegouder wisselt van pleegzorgaanbieder, gaat dit over het opvragen van
referenten voor aspirant-pleeggezinnen en ook de screening en voorbereiding van netwerkpleegouders.
Er zijn echt verschillende acties opgepakt en bijna afgerond.
Tot slot had mevrouw Coenradie nog de vraag of het mogelijk is of een Veilig Thuis
onafhankelijk wordt getoetst of een soort inspectie krijgt. Op dit moment houdt de
Inspectie Gezondheid en Jeugd al onafhankelijk toezicht op de uitvoering van de wettelijke
taken van VT en de protocollen. Gemeentes zijn vanuit de Wmo zelf verantwoordelijk
om dat toezicht in te regelen, boven op de taak die al bij de inspectie ligt. Door
IGJ wordt toezicht gehouden op de wettelijke vijfdagentermijn en op de tienwekentermijn
voor de specifieke diensten en de daarbij behorende geldende protocollen.
Ik had eigenlijk nog één bullet en dan ben ik aan het eind. Zoals aangegeven zijn
we aan het onderzoeken hoe er ook op andere onderdelen steviger toezicht kan worden
ingeregeld. Ik kan daar nu geen algemeen antwoord op geven omdat we niet precies scherp
hebben wat er precies ontbreekt. In principe hebben we al wel toezicht belegd. Dat
werken we op dit moment samen met de VNG verder uit vanuit de gedeelde verantwoordelijkheden
die we daarvoor hebben.
Voorzitter: Synhaeve
De voorzitter:
En dat leidt tot een verhelderende vraag van mevrouw Coenradie.
Mevrouw Coenradie (JA21):
Ja, want ik begrijp dat er al het een en ander kan worden gedaan, maar ik begrijp
ook uit de stukken dat er voor het laatst een rapport is verschenen in 2024 en dat
er slechts drie locaties van Veilig Thuis zijn bezocht. Doelen we dan op precies hetzelfde
of... Ik moet even kijken hoe ik deze vraag dan verhelderend stel.
De voorzitter:
Volgens mij is daarmee de vraag gesteld. De Minister.
Minister Sterk:
Volgens mij is uw vraag, als ik die goed begrijp, hoe we erop toezien dat Veilig Thuis
de dingen doet die ze moet doen en wie dat dan doet. Mijn antwoord daarop is enerzijds
dat de inspectie dat doet voor wat betreft de uitvoering van de wettelijke taak en
protocollen. Ik weet dat ook nu in het onderzoek in Stadskanaal de inspectie naar
Veilig Thuis gaat kijken, dus ook daarop toeziet. Voor een ander deel ligt dat bij
de gemeentes. Ik weet niet of u dat bedoelt. Dat denk ik eigenlijk niet. Alle Veilig
Thuislocaties worden continu geïnspecteerd. In principe ligt die rol bij de inspectie.
Als die signalen krijgt dat dingen niet goed gaan en dat die wettelijke taken niet
voldoende worden uitgevoerd, is er een reden op zo'n melding te acteren.
Nog één ding, voorzitter, want ik zie mevrouw Coenradie nog een beetje moeilijk kijken.
Zullen we daar in de brief nog even wat uitgebreider op ingaan? Tenzij u nog een verhelderende
vraag heeft.
De voorzitter:
Volgens mij bij dezen in ieder geval de toezegging om daar in de brief nog bij stil
te staan. Dat leidt nog tot een andere verhelderende vraag van mevrouw Becker.
Mevrouw Becker (VVD):
Misschien om te kunnen beoordelen of het nodig is hierover een motie in te dienen.
Volgens mij gaat het heel erg over hoe het toezicht is ingericht. Er is inderdaad
wettelijk een taak, maar nu rapporteren die Veilig Thuislocaties zelf aan de inspectie.
Die hebben een rapportageverplichting over hoe ze voldoen. Dat dreigt dan een papieren
werkelijkheid te worden, terwijl je misschien wel vaker onaangekondigde bezoeken wil
of terwijl je misschien wel vaker verschillende locaties wil bezoeken dan maar drie.
Dus is de Minister bereid ook naar dat «hoe» te kijken en daar dan over te rapporteren
in die brief? Dus hoe dat meer praktijkgericht en vaker kan gebeuren?
De voorzitter:
Dat zou dan een brief vóór het tweeminutendebat moeten zijn, neem ik aan.
Minister Sterk:
Ik wil u toezeggen dat we daarover in gesprek gaan met de inspectie en dat ik u de
uitkomst van dat gesprek zal doen toekomen. U wilt dat natuurlijk voor het tweeminutendebat,
maar het is een beetje afhankelijk van wanneer we dit gesprek kunnen laten plaatsvinden.
Voor de zomer, maar ik denk dat het tweeminutendebat vast sneller wordt gewenst. Dat
moeten we aan onze kant even regelen. Laten we proberen dat binnen twee weken te doen.
De voorzitter:
Het verzoek voor dat tweeminutendebat gaan we natuurlijk doorgeleiden richting de
plenaire Griffie. We weten nog niet wanneer dat wordt ingepland. Volgens mij is het
verzoek vanuit de Kamer om in ieder geval voor dat tweeminutendebat met een terugkoppeling
te komen. De vraag is of u dat kunt toezeggen.
Minister Sterk:
Dat wil ik zeker toezeggen. Ik hoop dat dat tweeminutendebat niet te snel komt.
Ik krijg ook nog mee dat er op 18 juni een technische briefing is met de Kamer waarbij
ook de inspectie zelf aansluit. Daar heeft u ook de mogelijkheid om het zelf aan de
inspectie te vragen.
De voorzitter:
Dat klopt. Dat is vanuit JenV geïnitieerd. Dat is een technische briefing met de inspectie,
die zal aanschuiven, en waarin wordt ingegaan op welke handvatten je hebt als een
jeugdbeschermingsorganisatie te lang niet levert.
Dat brengt ons bij de toezeggingen. Het zijn er volgens mij vijftien. Ik ga de toezeggingen
op hoofdlijnen samenvatten in de toezeggingenlijst. De griffie zal expliciet benoemen
welke subonderdelen onder een brief hangen. Ik doe het nu dus iets meer op hoofdlijnen.
– De Kamer ontvangt voor de zomer een brief over geweld achter de voordeur. Daarin zal
worden ingegaan op een hele lijst aan thema's en onderwerpen die zijn toegezegd.
– Voor de zomer ontvangt de Kamer een brief met de uitwerking van de actiepunten uit
het toekomstscenario, inclusief hoe de aanpak Filomena daarin wordt meegenomen.
– Na de zomer ontvangt de Kamer een brief over kindermishandeling. Daarin wordt in ieder
geval bericht over de terugmeldplicht en het LECK.
– In het najaar ontvangt de Kamer de contouren van de adviesplicht.
– Zodra de inspectie haar onderzoek heeft afgerond naar de casus Stadskanaal wordt de
Kamer daarover geïnformeerd.
– Voor de zomer ontvangt de Kamer een brief inzake jeugdbeleid met in ieder geval aandacht
voor de aandachtsfunctionaris.
– De verkenning voor genitale verminking zal begin 2027 met de Kamer worden gedeeld.
– De Kamer wordt in het najaar of in de tweede helft van 2026 geïnformeerd over het
actieplan ouderenmishandeling na afloop van het onderzoek van de Universiteit van
Maastricht.
– De Kamer ontvangt een voortgangsbrief dakloosheid voorafgaand aan het commissiedebat
in november.
– Voor de zomer komt er een brief over de aanpak zorgfraude.
– Rond de zomer volgt er een brief over mantelzorg.
– De uitkomst van het onderzoek gegevensdeling naar aanleiding van de motie ontvangt
de Kamer eind van het jaar.
– In het najaar komt er een bericht richting de Kamer over de uitvoering van de motie-Synhaeve
c.s.
– In het najaar komt er een bericht over het LECK naar aanleiding van de vragen van
mevrouw Westerveld.
– Er komt een brief over toezicht op Veilig Thuis.
Volgens mij was dat het laatste punt dat we met elkaar hebben toegezegd.
Voorafgaand aan het tweeminutendebat vindt er een terugkoppeling plaats van het gesprek
dat de Minister zal voeren.
Tot slot maar niet minder belangrijk: mevrouw Coenradie heeft een tweeminutendebat
aangevraagd. Dat wordt doorgegeven aan de Griffie plenair.
Dank u wel. Bij dezen sluit ik de vergadering.
Sluiting 13.56 uur.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
M. Mohandis, voorzitter van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport -
Mede ondertekenaar
M.E. Esmeijer, griffier