Lijst van vragen en antwoorden : Lijst van vragen en antwoorden, gesteld aan de Algemene Rekenkamer, over het rapport Resultaten verantwoordingsonderzoek 2025 bij Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp (Kamerstuk 36945-XVII-2)
36 945 XVII Jaarverslag en slotwet Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp 2025
Nr. 6
LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN
Vastgesteld 9 juni 2026
De vaste commissie voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking heeft een
aantal vragen voorgelegd aan de Algemene Rekenkamer over de brief van 20 mei 2026
inzake het rapport Resultaten verantwoordingsonderzoek 2025 bij Buitenlandse Handel
en Ontwikkelingshulp (Kamerstuk 36 945 XVII, nr. 2).
De Algemene Rekenkamer heeft deze vragen beantwoord bij brief van 9 juni 2026. Vragen
en antwoorden zijn hierna afgedrukt.
De voorzitter van de commissie, Den Hollander
De griffier van de commissie, Van der Leeden
Vragen en antwoorden
Vraag 1
Hoe kan het dat, ondanks bezuinigingen van € 300 miljoen in 2025 tot € 2,4 miljard
structureel vanaf 2027, en een daling van de ODA-prestatie naar 0,44%, de uitgaven
«constant» blijven?
Figuur 8 in ons rapport (pagina 40) toont het ODA-budget in de periode 2022 tot en
met 2028. De cijfers voor 2025 tot en met 2028 zijn afkomstig uit de HGIS-nota 2026.
De grafiek laat zien dat het ODA-budget als geheel daalt als gevolg van de bezuinigingen,
maar dat het deel van de Minister van BHOS in de ODA-uitgaven gedurende deze periode
nominaal redelijk constant is. Dit komt omdat het kabinet-Schoof verwachtte dat er
vanaf 2027 veel minder asielzoekers Nederland binnenkomen, zodat de Minister van Asiel
en Migratie minder uitgaven heeft aan de eerstejaarsopvang van asielzoekers. Deze
uitgaven worden uit het ODA-budget betaald. Door de lage raming van de instroom van
asielzoekers, is een groter deel van het ODA-budget beschikbaar voor de Minister van
BHOS. Dit is gebruikt om de bezuiniging op te vangen. Zie ook tabel 10 in ons rapport
(pagina 40) waarin zichtbaar is dat een groot deel van de bezuiniging wordt opgevangen
door het verdeelartikel in de begroting van de Minister van BHOS. Als er niet bezuinigd
zou zijn, had de Minister van BHOS veel meer te besteden gehad.
Door het leeghalen van het verdeelartikel, is de buffer voor tegenvallers als gevolg
van een hogere instroom van asielzoekers dan verwacht, goeddeels verdwenen. Dit is
een risico voor de begroting van de Minister van BHOS. Het risico is echter kleiner
dan in het verleden, omdat in het regeerakkoord van het kabinet-Schoof is afgesproken
dat vanaf 2027 maximaal 10% van het ODA-budget wordt uitgegeven aan eerstejaarsopvang.
Hierdoor gaan uitgaven aan de eerstejaarsopvang niet langer onbeperkt ten koste van
de BHOS-begroting. In de cijfers over 2027 in figuur 8 in ons rapport is deze grens
van maximaal 10% nog niet bereikt, dus tegenvallers zijn nog mogelijk. Zie ook ons
antwoord op vraag 4.
Vraag 2
U constateert dat een analyse van de langetermijneffecten van de bezuinigingen ontbreekt.
Bent u niet juist in positie om een dergelijke analyse te maken, in ieder geval een
kwantitatieve analyse van de hoeveelheid mensen die niet geholpen kon worden, de hoeveelheid
ziekte-infecties die niet voorkomen kon worden, de hoeveelheid voedselhulp die niet
geboden kon worden, et cetera?
In ons onderzoek naar de bezuinigingen op ontwikkelingssamenwerking constateren wij
inderdaad dat een inhoudelijke strategische analyse van de langetermijneffecten van
stopzetten van de financiering ontbreekt. Hiermee doelen wij op het feit dat deze
analyse vooraf niet gemaakt is door de Minister, waardoor de potentiële langetermijneffecten
dus ook niet zijn meegenomen als afweging bij het vormgeven van de bezuinigingen.
In zijn bestuurlijke reactie op ons onderzoek geeft de Minister van BHOS aan dat de
impact van de bezuinigingen van het vorige kabinet zo goed als mogelijk wordt meegenomen
in de evaluatieonderzoeken binnen de Strategische Evaluatie Agenda (SEA). Hoewel het
belangrijk is om de gevolgen van de bezuinigingen achteraf in beeld te brengen en
hierover beantwoording af te leggen, had hier volgens ons dus ook vooraf aandacht
voor moeten zijn. Voor een kwantitatieve analyse achteraf van de hoeveelheid mensen
die niet geholpen konden worden etc. door de bezuinigingen, die u in uw vraag benoemt,
vinden wij dat in eerste instantie de Minister aan zet is.
Vraag 3
Bij evaluaties in het verleden bleek de capaciteit bij de verantwoordelijke dienst
voor strategische goederen bij de Douane structureel onvoldoende. Aanvragen voor militaire
goederen en dual-use goederen, worden door de Douane weliswaar doorgeleid naar Buitenlandse
Zaken, maar ook daar staat de capaciteit onder druk. Kan de Algemene Rekenkamer hier
ook over oordelen?
Uit ons onderzoek zijn geen signalen naar voren gekomen dat er sprake is van een capaciteitstekort
bij de Douane of het Ministerie van BZ waar het gaat om het beoordelen van vergunningaanvragen.
Als het gaat om de controles op export en doorvoer van strategische goederen, dan
is de capaciteit bij de Douane mede bepalend voor het aantal controles dat uitgevoerd
zal worden.
Vraag 4
In figuur 8 is te zien dat de ODA-uitgaven van het Ministerie van Asiel en Migratie
flink dalen vanaf 2027, als gevolg van de maximering op 10%. Hoeveel zouden de uitgaven
vanuit ODA aan asiel en migratie vanaf 2027 zijn geweest zonder deze maximering, in
getallen en in percentages? Hoeveel zouden die uitgaven zijn onder kabinet-Schoof
vanaf 2027, met maximering? En hoeveel zijn die uitgaven onder kabinet-Jetten in getallen
en percentages, met maximering?
De daling van de ODA-uitgaven van de Minister van Asiel en Migratie in figuur 8 in
ons rapport komt niet door de begrenzing van maximaal 10%, maar door de lage raming
van het aantal asielzoekers dat Nederland binnenkomt. Als er meer asielzoekers binnenkomen
dan geraamd – en die kans is groot – dan is er meer geld nodig voor de eerstejaarsopvang
van asielzoekers en gaat dat ten koste van het verdeelartikel (artikel 5.4) in de
begroting van de Minister van BHOS. In de cijfers over 2027 en 2028 in figuur 8 in
ons rapport (pagina 40) is de grens van maximaal 10% nog niet bereikt. In 2027 gaat
het om € 465 miljoen voor Asiel en Migratie ten opzichte van een ODA-budget van € 6,1
miljard. In 2028 om € 337 miljoen ten opzichte van € 5,8 miljard (bron HGIS-nota 2026).
Een hogere instroom dan verwacht gaat daarmee ten koste van de ODA-uitgaven van de
Minister van BHOS totdat de grens van 10% is bereikt. Als de uitgaven aan eerstejaarsopvang
hoger zijn dan 10% van het ODA-budget dan zal het meerdere op een andere wijze gefinancierd
moeten worden.
Vraag 5
Op pagina 44 wordt geschreven over de keuze om nadrukkelijker in te zetten op het
Nederlands belang. Kunt u aangeven of, in uw optiek, inzet op ontwikkelingssamenwerking
niet sowieso al in het Nederlands belang is, gelet op het feit dat ondersteunen van
de economische ontwikkeling van landen ook markten opent en de Nederlandse export
bevordert, voor Nederlandse werkgelegenheid zorgt, enzovoort? En gelet op het feit
het in het Nederlands belang is om wereldwijd klimaatverandering in te dammen? Was
het beleid van vorige Ministers en kabinetten daarmee niet ook al in het Nederlands
belang?
Het is niet zo dat inzet op ontwikkelingssamenwerking altijd gaat om het ondersteunen
van de economische ontwikkeling van landen en daarmee markten opent en de Nederlandse
export bevordert. Vooral (een deel van) artikel 1 «Duurzame economische ontwikkeling,
handel en investeringen» van de begroting van BHOS richt zich hier primair op. Bij
de projecten die uit andere artikelen van de BHOS-begroting bekostigd worden, is hier
veelal niet of minder sprake van. Denk hierbij bijvoorbeeld aan noodhulp.
De link tussen ontwikkelingssamenwerking en handel is niet nieuw. Ook vorige kabinetten
hebben hierop ingezet. Wat wel nieuw is, is dat alle artikelen nu een wederzijds belang
moeten dienen. Naast «handel en economie» kunnen volgens het kabinet «veiligheid en
stabiliteit in de regio» en «migratie» ook bijdragen aan wederzijdse belangen.
Vraag 6
Op pagina 44 wordt geschreven over de keuze om nadrukkelijker in te zetten op het
Nederlands belang. Kunt u aangeven of, in uw optiek, inzet op ontwikkelingssamenwerking
niet sowieso al in het Nederlands belang is, gelet op het feit dat het helpen van
landen om zich economisch te ontwikkelen ook markten opent en Nederlandse export bevordert,
voor Nederlandse werkgelegenheid zorgt, enzovoort? En gelet op het feit dat het in
het Nederlands belang is om wereldwijd klimaatverandering in te dammen? Was het beleid
van de vorige Ministers en kabinetten daarmee niet ook al in het Nederlands belang?
Zie beantwoording vraag 5.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
R. den Hollander, voorzitter van de vaste commissie voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking -
Mede ondertekenaar
Drs. M.J. van der Leeden, griffier