Lijst van vragen en antwoorden : Lijst van vragen en antwoorden, gesteld aan de Algemene Rekenkamer, over het rapport Resultaten verantwoordingsonderzoek 2025 bij het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (Kamerstuk 36945-XVI-2)
36 945 XVI Jaarverslag en slotwet Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport 2025
Nr. 5
LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN
Vastgesteld 9 juni 2026
De vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft een aantal vragen
voorgelegd aan de Algemene Rekenkamer over de brief van 20 mei 2026 inzake het rapport
Resultaten verantwoordingsonderzoek 2025 bij het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn
en Sport (Kamerstuk 36 945 XVI, nr. 2). De Algemene Rekenkamer heeft deze vragen beantwoord bij brief van 9 juni 2026.
Vragen en antwoorden zijn hierna afgedrukt.
De voorzitter van de commissie, Mohandis
Adjunct-griffier van de commissie, Heller
Vragen en antwoorden
Vraag 1
Welke indicatoren heeft de Tweede Kamer minimaal nodig om te kunnen beoordelen of
het Integraal Zorgakkoord (IZA), Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA) en het
Hoofdlijnenakkoord Ouderenzorg (HLO) daadwerkelijk resultaat opleveren?
De Tweede Kamer ontvangt informatie over de voortgang en resultaten op verschillende
thema’s van de Akkoorden, mede op basis van veel relevante indicatoren. Wat de Tweede
Kamer nodig heeft om te kunnen beoordelen of de Akkoorden daadwerkelijk resultaat
opleveren zijn drie zaken. Ten eerste dat de vele indicatoren samenkomen in een totaalbeeld
over de mate waarin de grote einddoelen van de Akkoorden dichterbij komen. Ten tweede
dat daarbij een duiding staat over bijvoorbeeld of dit snel genoeg is. Ten derde dat
helder is dat eventuele voortgang richting grote einddoelen mede het gevolg is van
de acties die zijn ingezet.
De Minister van VWS heeft het afgelopen jaar een belangrijke stap gezet op de eerste
twee eisen door een overkoepelend overzicht te maken met een samenvatting van de verschillende
onderliggende rapportages en een algemene duiding daarvan. Op de derde eis zien wij
echter nog geen vooruitgang. De Minister geeft namelijk aan dat op basis van data
uit 2023 en 2024 er nog geen trends of causale relaties te geven zijn. Er is weliswaar
op bepaalde thema’s een «positief» of een «negatief» effect zichtbaar, maar het is
niet duidelijk of dit toe te schrijven is aan het gevoerde beleid met de Akkoorden.
De Minister van VWS heeft de Tweede Kamer op 9 april 2026 geïnformeerd over het voornemen
om een geïntegreerde IZA/AZWA-monitor te maken om daarmee effectiever te sturen op
de voortgang. U kunt er bij de Minister op aandringen dat in de monitor een heldere
relatie wordt gelegd tussen de (SMART geformuleerde) doelstellingen, de beschikbare
middelen, de instrumenten/acties en de resultaten. Daarmee moet u antwoord krijgen
op de vraag of het beleid snel genoeg leidt tot de gewenste resultaten, of dat bijsturing
noodzakelijk is.
Vraag 2
Geeft de huidige verantwoordingsinformatie voldoende inzicht in de oorzaken van het
feit dat in 2025 voor 42 procent van de soorten ziekenhuisbehandelingen de gemiddelde
wachttijd langer was dan aanvaardbaar?
Wij hebben geen onderzoek gedaan naar de (informatie over) wachttijden bij ziekenhuizen.
Wel hebben wij in 2020 onderzoek gedaan naar de oorzaken van de wachttijden in de
specialistische ggz. Wij verwijzen hiervoor naar ons rapport Geen plek voor grote problemen. Ook zijn wij in het verantwoordingsonderzoek VWS 2023 nagegaan of het beleid op
één van de oorzaken (financiële prikkels) goed gewerkt heeft.
Vraag 3
Heeft de Tweede Kamer voldoende zicht op regionale verschillen in wachttijden en toegankelijkheid
van zorg?
Wij hebben geen onderzoek gedaan naar de manier waarop de Tweede Kamer geïnformeerd
wordt over regionale verschillen in wachttijden. Ook hebben we dit jaar geen onderzoek
gedaan naar de toegankelijkheid van zorg.
Vraag 4
Is de inzet op Artificiële Intelligentie (AI) en digitale zorg voldoende meetbaar
gekoppeld aan minder administratietijd en minder personeelsdruk?
Wij hebben niet onderzocht of de inzet op AI en digitale zorg voldoende meetbaar gekoppeld
is aan minder administratietijd en minder personeelsdruk. Wel hebben wij in ons verantwoordingsonderzoek
VWS 2025 geconstateerd dat de AZWA-partijen, onder regie van de Minister van VWS,
volgens afspraak in oktober 2025 een plan gemaakt hebben voor een programma Realisatie
AI in de zorg. Dit is te vinden in de brief over de inzet van kunstmatige intelligentie
in zorg en welzijn van de Minister van VWS aan de Tweede Kamer van 6 oktober 2025.
Ook constateren we dat de resultaten van de activiteiten uit dit plan en de bijdrage
aan AZWA-doelen nog zichtbaar moeten worden. Het plan is immers in oktober 2025 pas
opgesteld.
Voor de inschatting van de effecten verwijzen wij u naar de Minister van VWS. Zij
heeft de Tweede Kamer namelijk in diezelfde brief beloofd om de activiteiten en voortgang
te monitoren. Ook zegt zij de gemaakte impact in beeld te brengen, «zodat de beoogde
impact die in het AZWA is afgesproken ook kan worden aangetoond».
Vraag 5
Hoe kan de Tweede Kamer controleren of de € 2,8 miljard aan transformatiemiddelen
daadwerkelijk leidt tot minder zorgvraag, minder personeelstekort of minder groei
van de zorguitgaven?
De Tweede Kamer kan de Minister van VWS vragen om te rapporteren over de mate waarin
deze doelen dichterbij zijn gekomen sinds de start van het IZA en AZWA. Belangrijk
is dat een dergelijke rapportage niet alleen gaat over activiteiten (wat de Minister
doet), maar om welke resultaten daarmee worden bereikt. Ook kan de Tweede Kamer vragen
aan de Minister hoe de partijen borgen dat de transformatiemiddelen leiden tot een
duurzame verandering in de zorg, die ook stand houdt als het transformatiebudget op
is. Zie ook het antwoord op vraag 1.
Vraag 6
Heeft u bij de daling van de uitgaven op artikel 5 Jeugd van € 216 miljoen in 2024
naar € 175 miljoen in 2025 signalen gezien van onderuitputting, vertraging of het
niet volledig uitvoeren van voorgenomen maatregelen?
Wij hebben hier geen onderzoek naar gedaan. In de tweede suppletoire van de begroting
VWS 2025 staan op artikel 5 diverse overhevelingen genoemd die het verschil grotendeels
verklaren, maar of er sprake is van onderbesteding is daaruit niet af te leiden. U
kunt deze vraag aan de Minister stellen.
Vraag 7
Welke beperking levert het op voor het budgetrecht en de controlerende taak van de
Tweede Kamer dat de premiegefinancierde zorguitgaven niet op rechtmatigheid worden
gecontroleerd in het verantwoordingsonderzoek?
De Kamer heeft geen formeel budgetrecht voor de premiegefinancierde zorguitgaven.
Dat betekent dat de Minister niet vooraf toestemming hoeft te vragen aan het parlement
voor deze uitgaven. Deze uitgaven worden feitelijk ook niet door de Minister zelf
gedaan, maar door zorgkantoren en zorgverzekeraars, die daarmee declaraties van zorgaanbieders
en verzekerden vergoeden.
De Algemene Rekenkamer controleert alleen de Rijksuitgaven op rechtmatigheid. Dat
wil niet zeggen dat de premiegefinancierde zorguitgaven niet op rechtmatigheid worden
gecontroleerd. Zorgkantoren, zorgverzekeraars en zorgaanbieders zijn particuliere
organisaties die gecontroleerd worden door hun eigen auditdiensten en een externe
accountant. Zorgverzekeraars ontvangen hun middelen via de nominale zorgpremie en
het Zorgverzekeringsfonds (Zvf). De zorgkantoren krijgen hun middelen vanuit het Fonds
Langdurige Zorg (Flz). Het Zorginstituut is de fondsbeheerder voor het Zvf en het
Flz. Het Zorginstituut publiceert jaarlijks het financieel jaarverslag van de fondsen.
Deze is voorzien van een jaarrekening, een financiële rechtmatigheidsverantwoording
en een controleverklaring door een onafhankelijk accountant. Voor uw controlerende
taak kunt u hier kennis van nemen en de minster er desgewenst vragen over stellen.
Vraag 8
Welke informatie zou u moeten verzamelen over de voorbereiding van zorgorganisaties
op de inzet van zorgreservisten?
Tijdens de covid-periode waren er veel oud-zorgmedewerkers die wilden helpen in de
zorg, maar het bleek lastig om hen daadwerkelijk in te zetten. Het koppelen van vraag
en aanbod was één van de grote knelpunten. Met de Nationale Zorgreserve heeft de Minister
de aanbodkant georganiseerd. De reservisten zijn ingedeeld in 5 profielen met vaste
takenpakketten en allerlei informatie van hen zoals hun opleidingen zijn geregistreerd.
Aan de vraagkant is het de Minister echter onbekend of zorgorganisaties voorbereid
zijn op een mogelijke inzet van de zorgreserve in een crisis. Weliswaar is het – gegeven
het zorgstelsel – volledig aan de zorgorganisaties om te bepalen of zij zorgreservisten
willen inzetten, maar als zij niet voorbereid zijn bestaat het risico dat de reservisten
alsnog niet ingezet kunnen worden. Welke voorbereidingen nodig zijn hangt af van de
administraties, personeelssamenstellingen en werkprocessen van de individuele zorgorganisaties
Het zou goed zijn als de Minister wist hoeveel organisaties de inzet van reservisten
hebben geïntegreerd in hun crisisplan.
Vraag 9
Wat moet minimaal in een crisisoefening worden getest om te kunnen beoordelen of de
Nationale Zorgreserve in de praktijk werkt?
In een crisisoefening zou zowel de werking, als de bruikbaarheid in praktijk getest
moeten worden. Met het testen van de werking bedoelen we een praktijksimulatie van
begin tot eind waaruit moet blijken of het lukt om snel de juiste reservisten te vinden
en aan het werk te krijgen. Met het testen van de bruikbaarheid bedoelen we onder
andere of de concrete takenpakketten en profielen waarin de reservisten zijn ingedeeld
voldoende aansluiten op de praktijk.
Vraag 10
Worden fiscale regelingen op het terrein van VWS voldoende geëvalueerd op doelmatigheid
en doeltreffendheid, gezien het geraamde financiële belang van € 7,796 miljard?
Vorig jaar bevalen we in de Staat van de Rijksverantwoording 2024 parlement en kabinet
aan voorstellen te doen om na beleidsevaluaties die een negatief of onbekend oordeel
hebben over doeltreffendheid of doelmatigheid − in lijn met de begrotingsregels −
de betreffende maatregel te «stoppen, tenzij». Het grootste probleem is namelijk vaak
niet dat er geen evaluatie is, maar dat fiscale regelingen door blijven gaan nadat
er uit evaluaties is gekomen dat de effectiviteit en/of de doelmatigheid van de fiscale
regelingen onbekend of zelfs aangetoond negatief is.
Zo blijkt uit onderzoek dat de Staatssecretaris van Financiën publiceerde in juni
2023 (Aanpak fiscale regelingen) dat voor zowel de fiscale regeling specifieke zorgkosten, als het verlaagd tarief
geneesmiddelen en hulpmiddelen de doelmatigheid negatief is en de effectiviteit onbekend.
Het kabinet heeft het voornemen om de fiscale regeling specifieke zorgkosten af te
schaffen. De Algemene Rekenkamer heeft in het verantwoordingsonderzoek VWS 2020 overigens
onderzoek gedaan naar deze fiscale regeling en geconstateerd dat de regeling de doelgroep
wel goed wist te bereiken maar helaas ook veel anderen.
Vraag 11
Welke informatie ontbreekt nog om medicijntekorten goed vanuit patiëntperspectief
in beeld te krijgen?
Geen van de partijen die informatie verzamelen over medicijntekorten, rapporteert
over het aantal tekorten vanuit patiëntperspectief. Namelijk: tekorten waarbij een
volwaardig alternatief van een bepaald medicijn niet beschikbaar is.
Zo definieert de Koninklijke Nederlandse Maatschappij ter bevordering der Pharmacie
(KNMP) op hun Farmanco-website een geneesmiddelentekort als een tekort in de sterkte
van de stof, de toedieningsvorm, het merk en afhankelijk van het preferentiebeleid
van de verzekeraar, de verpakkingsgrootte. Echter, vanuit patiëntperspectief is een
tekort van bijvoorbeeld een bepaalde verpakkingsgrootte niet meteen een geneesmiddeltekort
als er wel een andere verpakkingsgrootte beschikbaar is. Daarnaast zijn merk en toedieningsvorm
voor bepaalde patiënten relevant voor hun genezing, maar niet voor iedereen. Vanuit
patiëntperspectief gaat het om de vraag of er bij een tekort van een specifiek medicijn
voor de patiënt volwaardige alternatieve medicijnen in de apotheek beschikbaar zijn.
Daarnaast publiceert het Ministerie van VWS op de website «Meldpunt geneesmiddelentekorten
en -defecten» informatie over verschillende soorten tekorten, maar geen van die tekorten
is uit patiëntperspectief. Zo geeft de website informatie over het aantal werkzame
stoffen waaraan een tekort is. Vanuit patiëntperspectief is dat een onderschatting,
want daar vallen meerdere geneesmiddelen onder. Daarnaast melden zij tijdelijke leveringsonderbrekingen.
Maar een leveringsonderbreking van een specifiek medicijn vertaalt zich niet automatisch
in een tekort bij de patiënt. Zolang er nog voorraden of voldoende volwaardige alternatieve
medicijnen zijn, is er vanuit patiëntperspectief geen tekort.
In ons verantwoordingsonderzoek VWS 2024 geven wij in bijlage 3 uitgebreid inzicht
in de definities, validiteit en beperkingen van alle openbare bronnen van medicijntekorten.
Vraag 12
Welke concrete risico’s ziet u bij de verlaging van het budget voor pandemische paraatheid
naar € 177 miljoen structureel?
De Algemene Rekenkamer heeft geen onderzoek gedaan naar concrete risico’s bij de verlaging
van het budget voor pandemische paraatheid naar € 177 miljoen. Wel wijzen wij erop
dat de Minister van VWS oorspronkelijk € 300 miljoen beschikbaar stelde om Nederland
voor te bereiden op een oorlog, pandemie of andere crisis. Het voornemen van het kabinet
Schoof was om dit volledig af te bouwen naar nul. Het kabinet Jetten heeft dit deels
teruggedraaid en alsnog € 177 miljoen beschikbaar gesteld. Het is niet duidelijk hoeveel
van de oorspronkelijke doelen voor weerbare zorg hierdoor gerealiseerd kunnen worden.
Doelen, middelen en resultaten moeten immers in balans zijn. De Tweede Kamer kan de
Minister van VWS dan ook vragen welke gevolgen dit heeft voor de voorbereiding op
verschillende soorten grote crises.
Vraag 13
Wat is uw huidige inschatting over de vraag in hoeverre de ambities, doel, middelen
en resultaat passend zijn in het kader van pandemische paraatheid en weerbare zorg?
Zie het antwoord op vraag 12.
Vraag 14
Hoe groot is het risico dat wetgeving in de praktijk onuitvoerbaar blijkt, gezien
de bevinding dat bij dertig procent van de nieuwe wet- en regelgeving een of meer
uitvoeringstoetsen ontbreken?
Juist door het geheel of gedeeltelijk ontbreken van uitvoeringstoetsen, is het moeilijk
in te schatten of nieuwe wetgeving wel uitvoerbaar is. Naast ontbrekende toetsen,
zijn toetsen ook onvolledig. Informatie over benodigd personeel ontbreekt in 45% van
de onderzochte uitvoeringstoetsen. Dat creëert ook risico’s voor de uitvoering van
nieuwe wet- en regelgeving, omdat noodzakelijk personeel mogelijk niet beschikbaar
is.
Vraag 15
Heeft uw bij uw onderzoek naar ontbrekende uitvoeringstoetsen ook gekeken naar wet-
en regelgeving op het terrein van jeugdzorg, jeugdbescherming of jeugd-ggz?
We hebben gekeken naar 33 wetten en algemene maatregelen van bestuur (AMvB’s) uit
de periode september 2024 tot en met september 2025 gekeken. Op het terrein van jeugdzorg,
jeugdbescherming of jeugd-ggz hebben we de volgende voorstellen onderzocht:
– Wetsvoorstel Integere bedrijfsvoering zorgen jeugdzorgaanbieders
– Besluit van 18 november 2024, houdende wijziging van het Besluit gebruik burgerservicenummer
in de zorg en het Besluit Jeugdwet met het oog op de verbetering van de intrekkings-
en doorhalingsgronden in verband met de toegangsmiddelen, het register en de autorisatielijst
– Wet aanpak meervoudige problematiek sociaal domein. Dit voorstel wijzigt onder meer
de Jeugdwet.
Vraag 16
Welke stappen moet VWS volgens u zetten om de nieuwe onvolkomenheid rond uitvoeringstoetsen
op te lossen?
Wij verwachten dat de Minister bij nieuwe wet- en regelgeving met substantiële gevolgen
voor uitvoeringsorganisaties altijd alle uitvoeringsorganisaties tijdig om een uitvoeringstoets
vraagt. De Minister moet zorgen dat die uitvoeringstoetsen volledig zijn en onderwerpen
als benodigde personele capaciteit bevatten.
Vraag 17
Welke risico’s levert het op dat in bijna de helft van de uitvoeringstoetsen informatie
over personele gevolgen ontbreekt, juist in een sector met grote personeelstekorten?
Het ontbreken van informatie over personele gevolgen betekent dat nieuwe wetgeving
mogelijk niet goed uitvoerbaar is omdat er onvoldoende personele capaciteit is. Dat
geldt ook voor de handhaving van door toezichthouders. De Algemene Rekenkamer heeft
in het rapport Door de mazen van toezicht en handhaving in 2025 geconstateerd dat toezichthouders door gebrek aan personeel hun werk niet
goed kunnen doen. Dat leidt bijvoorbeeld tot geringe pakkans bij ernstige feiten,
waaronder zorgfraude.
Vraag 18
Geeft de huidige informatievoorziening over Pallas de Kamer voldoende zicht op planning,
kostenontwikkeling, risico’s en mogelijke tegenvallers tijdens de bouw en exploitatie
van de reactor?
Wij hebben geen onderzoek gedaan naar de vraag of de huidige informatievoorziening
over PALLAS voldoende zicht biedt op planning, kostenontwikkeling, risico’s en mogelijke
tegenvallers tijdens de bouw en exploitatie van de reactor.
De Tweede Kamer elk halfjaar voortgangsrapportages van het Ministerie van VWS, waarin
onder andere informatie staat over de scope, planning, risico’s financiën en status
van de businesscase. Ook de Auditdienst Rijk (ADR) controleert op vaste momenten de
financiële informatie en risicobeheersing in het PALLAS-project. Deze rapportages
ontvangt de Tweede Kamer ook.
In ons onderzoek merken wij op dat de doorgerekende toekomstscenario’s over planning
en kosten geen rekening houden met externe risico’s, zoals toekomstige prijsstijgingen
van grondstoffen of geopolitieke ontwikkelingen. Dergelijke ontwikkelingen kunnen
invloed hebVraag 19ben op de businesscase.
Welke risico’s blijven bestaan zolang er nog geen interne controleur is voor Pallas,
gezien de financiële omvang en het risicoprofiel van het project?
Wij hebben niet onderzocht welke risico’s blijven bestaan zolang er nog geen interne
controleur is voor PALLAS. Wel onderschrijven wij in ons onderzoek het belang van
de aanbeveling van de ADR «dat VWS zorgt voor de definitieve inrichting van de Eigenstandige Control Functie
(ECF) conform de daaraan te stellen eisen met een bijbehorende beschrijving van taken,
verantwoordelijkheden en bevoegdheden, waaronder de bevoegdheid tot escalatie.» Zonder een ECF heeft de Minister van VWS mogelijk niet voldoende expertise in huis
om informatie over onder meer planning, financiën en risico’s zelfstandig te kunnen
beoordelen en eventueel tijdig maatregelen te kunnen nemen.
Vraag 20
Wat is de reden voor het negatieve oordeel over de financiële informatie van de agentschappen
en over de begrotingsartikelen 2, 3 en 10?
Op artikel 2 is er sprake van een overschrijding van het contractueel vastgesteld
maximumsaldo van de bankrekening van PALLAS. Ten aanzien van artikel 3 is er sprake
van een fout in de naleving van de aanbestedingsregels bij de verlenging van vervoer
van mensen met een beperking (Valys) en een onzekerheid doordat er niet getoetst is
aan de staatssteunregels bij een zorginstelling voor gehandicapten. Bij artikel 10
en de samenvattende verantwoordingsstaat van de agentschappen zijn de aanbestedingsregels
niet juist gevolgd.
Vraag 21
Waarom is de contractverlenging voor het vervoer van mensen met een beperking, met
een waarde van € 70 miljoen, volgens de Europese aanbestedingsregels onrechtmatig?
Bij het verlengen van het contract heeft het Ministerie van VWS de aanbestedingsregels
op een aantal punten niet nageleefd. Het betreffende contract heeft een looptijd van
4 jaar met 3 keer een optie van verlenging met 1 jaar. Deze termijn eindigde op 30 september
2025. De vierde verlenging naar september 2026 is volgens de geldende aanbestedingsregels
niet toegestaan. Bij deze laatste verlenging zijn ook de tarieven aangepast. Daarmee
is sprake van een wezenlijke wijziging van het contract, waardoor een nieuwe Europese
aanbesteding had moeten plaatsvinden. De Minister van VWS is inmiddels een nieuwe
aanbesteding gestart.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
M. Mohandis, voorzitter van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport -
Mede ondertekenaar
M. Heller, adjunct-griffier