Brief regering : Versterkte en samenhangende aanpak van zorgfraude
28 828 Fraudebestrijding in de zorg
Nr. 163
BRIEF VAN DE MINISTER VAN LANGDURIGE ZORG, JEUGD EN SPORT
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 8 juni 2026
De kwaliteit, toegankelijkheid en betaalbaarheid van de zorg staan centraal in
ons zorgstelsel. Mensen moeten erop kunnen vertrouwen dat zorg beschikbaar is voor
wie dat nodig heeft, dat zorgverleners handelen vanuit professionaliteit en
integriteit en dat publieke middelen terechtkomen bij passende zorg voor cliënten.
Dat vertrouwen vormt de basis van het solidariteitsbeginsel waarop ons zorgstelsel
rust.
Zorgfraude gaat ten koste van zorg aan en ondersteuning van mensen. Het kabinet
vindt dat onverteerbaar. Geld dat bedoeld is voor zorg aan patiënten en cliënten
hoort in de zorg terecht te komen en niet in de zakken van fraudeurs en
criminelen. Het is onacceptabel dat mensen die afhankelijk zijn van zorg minder,
verkeerde of zelfs helemaal geen zorg ontvangen, terwijl daar wel publiek geld
voor wordt ontvangen. Iedere euro die wegvloeit door fraude kan niet worden
besteed aan goede en passende zorg. Fraude in de zorg is daarmee niet alleen een
financiële kwestie, maar raakt direct aan de kwaliteit, veiligheid en
toegankelijkheid van zorg voor kwetsbare cliënten.
Het kabinet maakt zich grote zorgen over de toenemende mate waarin ondermijnende
criminaliteit zich nadrukkelijker manifesteert binnen (delen van) de zorgketen.
Criminele netwerken maken misbruik van publieke middelen voor fraude, witwassen en
andere vormen van georganiseerde criminaliteit. Daarbij worden kwetsbare mensen
soms doelbewust geronseld, uitgebuit of onder druk gezet. Dat is volstrekt
ontoelaatbaar. Deze verwevenheid van zorg en criminaliteit schaadt niet alleen
cliënten, maar zet ook de veiligheid van zorgverleners en het vertrouwen in het
zorgstelsel onder druk. Het kabinet acht een realistische blik op de aanwezigheid
van ondermijnende criminaliteit binnen de zorgketen noodzakelijk. Fraude mag nooit
lonen.
Tegelijkertijd wil dit kabinet benadrukken dat het overgrote deel van de
zorgverleners dagelijks met grote inzet, deskundigheid en integriteit werkt aan
goede en passende zorg. De aanpak van zorgfraude is daarom ook in hun belang,
zodat zij in veiligheid hun werk kunnen doen en publieke middelen terechtkomen
waar ze horen: bij de zorg voor mensen die daarvan afhankelijk zijn.
Leeswijzer
Met deze brief informeert het kabinet de Kamer over de versterkte aanpak van
zorgfraude. Achtereenvolgens gaat deze brief in op de maatregelen die specifiek
gericht zijn op het voorkomen, signaleren, stoppen en bestraffen van zorgfraude.
Daarnaast plaatst het kabinet de aanpak van zorgfraude in de bredere context van
de hervormingen binnen het zorgstelsel die bijdragen aan een integere, houdbare en
toekomstbestendige zorg. Als laatste reageert het kabinet op een aantal moties en
toezeggingen en wordt toegelicht hoe uitvoering wordt gegeven aan de afspraken uit
het coalitieakkoord.
1. Aanpak van fraude kan alleen samen
Met de middelen uit het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA) wil het
kabinet, samen met alle betrokken partners, de aanpak van zorgfraude
substantieel versterken1. Een versterkte en samenhangende aanpak vereist:
• een integrale aanpak en multidisciplinaire samenwerking tussen de
verantwoordelijke ketenpartners, omdat geen enkele partner zorgfraude
alleen kan terugdringen. Partijen moeten de krachten (kunnen)
bundelen.
• strengere toetsing aan de poort, om te voorkomen dat malafide
zorgaanbieders in de zorg actief worden.
• versterking van de bestuurs- en strafrechtelijke operatie door
substantiële capaciteitsuitbreiding.
• het verder verbeteren van de gegevensuitwisseling tussen
ketenpartners.
• meer daadkracht in de uitvoering, door maximaal gebruik te maken van
bestaande bevoegdheden.
• maatschappelijke verantwoording van de resultaten van de aanpak.
Bij de aanpak van zorgfraude zijn vele partners in de gehele zorgsector
betrokken, ieder vanuit de eigen verantwoordelijkheid en bevoegdheden. Naast
het Ministerie van VWS zijn bijvoorbeeld branche- en beroepsorganisaties,
aanbieders van zorg en ondersteuning, zorgverzekeraars, zorgkantoren,
gemeenten, toezichthouders en opsporingsdiensten betrokken bij de aanpak van
zorgfraude. Geen van deze partners kan zorgfraude alleen terugdringen. Niet met
alléén toezicht of opsporing en ook niet met alléén wetgeving of subsidies. Een
integrale benadering is dus noodzakelijk: van preventie en vroegsignalering tot
toezicht, handhaving en opsporing.
De praktijk laat zien dat malafide aanbieders bewust gebruikmaken van
versnippering tussen domeinen, organisaties en diens bevoegdheden. Daarom zet
het kabinet in op vernieuwende vormen van multidisciplinaire samenwerking,
waarbij toezichthouders en opsporingsinstanties zoveel mogelijk gezamenlijk
opereren. Goede ervaringen met het Multidisciplinair Operationeel Plan
(MOP)2 laten zien dat deze werkwijze leidt tot sneller en effectiever optreden
bij complexe fraudesignalen. Het kabinet vindt het van belang dat deze vorm van
samenwerking structureler wordt ingezet en verder wordt versterkt. Een
belangrijk onderdeel van de versterkte aanpak is het voorkomen dat malafide
aanbieders in de zorg actief worden. Daarom zal dit kabinet de toetredingseisen
verder aanscherpen. De bestuursrechtelijke en strafrechtelijke aanpak wordt
geïntensiveerd, waardoor meer zaken kunnen worden opgepakt.
De versterkte aanpak vraagt ook om daadkracht in de uitvoering. Binnen de
huidige wet- en regelgeving bestaan vaak nu al meer mogelijkheden dan in de
praktijk worden benut. Het is daarom belangrijk dat bestaande bevoegdheden en
instrumenten maximaal worden ingezet om fraude tegen te gaan. Tot slot wil het
kabinet ook jaarlijks de resultaten van de aanpak monitoren. Hiertoe zal dit
kabinet samen met de betrokken partners afspraken maken.
2. Voorkomen van zorgfraude
2.1 Strenger aan de poort, sterker voor de zorg
Een belangrijk onderdeel van de versterkte aanpak is het voorkomen dat
malafide aanbieders zich kunnen vestigen of na eerdere overtredingen opnieuw
kunnen starten in de zorg. De huidige inrichting van het stelsel blijkt
hiervoor nog onvoldoende effectief. Grote groepen aanbieders zijn eerder,
vanwege andere belangen zoals administratieve lasten, uitgezonderd van
standaard screening of toetsing en een uniforme norm bij toetreding ontbreekt.
Het kabinet werkt daarom aan een wetsvoorstel om de toetredingseisen te
versterken. De verwachting is dat dit wetsvoorstel in 2028 kan worden
aangeboden aan de Tweede Kamer.
Uitgangspunt is een eenduidige norm en toets voor alle nieuwe en herstartende
aanbieders van Zvw- en Wlz-zorg, jeugdhulp, maatschappelijke ondersteuning en
zorg gefinancierd vanuit persoonsgebonden budgetten (pgb’s). Integriteit van de
aanbieder krijgt daarin een prominentere plaats.
Hoewel, afhankelijk van risico’s en uitvoerbaarheid, differentiatie in de
wijze en intensiteit van toetsing mogelijk moet blijven, mag geen enkele
aanbieder een minimale toets op risico’s voor rechtmatigheid en kwaliteit
kunnen ontlopen. Zonder het doorstaan van deze toets mag een aanbieder niet
starten of herstarten. Daarnaast is het van belang dat ook na toelating
blijvend wordt voldaan aan de gestelde eisen.
Het kabinet richt daarom een zo effectief mogelijke vergunningplicht in voor
alle zorgaanbieders die onder de Wet toetreding zorgaanbieders (Wtza) vallen.
De huidige vergunningplicht geldt in hoofdzaak voor instellingen binnen de Wlz
en Zvw, inclusief pgb-gefinancierde zorg, maar niet voor solisten en
onderaannemers. Daarnaast zet het kabinet in op een vergunningplicht voor
aanbieders van jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning, waarbij zoveel
mogelijk wordt aangesloten bij de voorwaarden van de Wtza-vergunning. Daarbij
worden de lessen die zijn opgedaan met de huidige vergunningplicht nadrukkelijk
betrokken.
Van personen die verantwoordelijk zijn voor de besteding van publiek zorggeld
en de aansturing van zorgorganisaties mag worden verwacht dat zij aantoonbaar
voldoen aan basale integriteitseisen. Daarom wordt de integriteitstoetsing
verder verstevigd door het verplicht stellen van een Verklaring Omtrent het
Gedrag (VOG) bij vergunningaanvragen en relevante wijzigingen in bestuur of
eigendom. Het voornemen is dat deze verplichting gaat gelden voor eigenaren,
bestuurders, interne toezichthouders en leden van de dagelijkse leiding.
Daarnaast zet het kabinet in op een meer structurele en risicogerichte
toepassing van de Wet Bibob om malafide partijen beter uit de zorg te weren. Zo
treft het CIBG maatregelen om Bibob vaker en gerichter toe te passen bij
vergunningsaanvragen. Ook gemeenten hebben de afgelopen jaren, onder meer via
de Proeftuin Aanpak Zorgfraude, ervaring opgedaan met de inzet van Bibob binnen
het zorgdomein. De positieve ervaringen en resultaten worden met ondersteuning
vanuit AZWA landelijk verspreid, zodat gemeenten beter in staat worden gesteld
het Bibob-instrument toe te passen. Daarnaast wordt onderzocht hoe zorgkantoren
de wet Bibob effectief kunnen toepassen bij de inkoop van Wlz gecontracteerde
zorg.
Met deze maatregelen werkt het kabinet toe naar een uniforme en stevige toets
voor nieuwe en herstartende aanbieders, waarbij integriteit nadrukkelijk
onderdeel vormt van de beoordeling. Daarmee wordt een belangrijke stap gezet om
malafide aanbieders te weren uit het zorgdomein.
2.2 Meer fysieke controles bij toetreding
Voorafgaand aan de vergunningverlening gaat het kabinet inzetten op fysieke
toetsing op integriteit en voorlichting bij (risicovolle) nieuwe en
herstartende zorgaanbieders. Dit betreffen onder andere «Welkom in de zorg»-
gesprekken bij nieuwe aanbieders. Deze gesprekken betreffen een fysieke
toetsing waarbij diverse partijen gezamenlijk optrekken en eventuele risico’s
eerder worden gesignaleerd en aangepakt. Hierdoor ontstaat beter zicht op de
vraag of aanbieders daadwerkelijk aan de vergunningseisen voldoen en blijft de
toetsing niet beperkt tot uitsluitend een papieren beoordeling. Deze gesprekken
vinden plaats onder leiding van het CIBG ten behoeve van de
vergunningverlening. Komend half jaar wordt dit traject verder uitgewerkt om
hier in 2027 mee van start te gaan.
2.3 Vergroten van bewustwording en alertheid
Het voorkomen van zorgfraude begint bij alertheid en weerbaarheid in de
zorgsector. Vertrouwen is een belangrijk fundament van ons zorgstelsel, maar we
mogen niet naïef zijn: er wordt misbruik gemaakt van zorggeld en criminele
partijen proberen voet aan de grond te krijgen in de zorg. Daarom zet het
kabinet samen met branche- en beroepsorganisaties in op het vergroten van de
kennis over fraude en ondermijning in de zorg, zodat signalen sneller worden
herkend en gedeeld. Daartoe worden onder meer kennissessies georganiseerd en
wordt de kennisuitwisseling binnen de sector versterkt. Daarnaast verkennen het
Ministerie van Justitie en Veiligheid, het Ministerie van VWS en branche- en
beroepsorganisaties de mogelijkheid van een bewustwordingscampagne. Deze
campagne zal zich richten op de zorgsector, om de alertheid en weerbaarheid ten
aanzien van fraude en ondermijnende criminaliteit te vergroten.
2.4 Verbeterde gegevensdeling
Gegevensuitwisseling tussen ketenpartners blijft een cruciaal onderdeel van de
bestrijding van zorgfraude. Fraudeurs opereren vaak domeinoverstijgend en in
meerdere gemeenten. Het is daarom essentieel dat betrokken partijen op een
zorgvuldige wijze informatie kunnen delen. Met de inwerkingtreding van de Wet
bevorderen samenwerking en rechtmatige zorg (Wbsrz) op 1 januari 2025 zijn
hardnekkige knelpunten in de gegevensdeling opgelost. Dit laat onverlet dat
verdere ontwikkeling van wet- en regelgeving ter verbetering van de
gegevensdeling nodig blijft.
Het kabinet zet in op een aantal aanvullende maatregelen. Daarbij wordt onder
meer gewerkt aan:
• Regelgeving die het mogelijk maakt dat gemeenten, zorgverzekeraars en
zorgkantoren gegevens met elkaar kunnen uitwisselen tijdens lopende
fraudeonderzoeken, zoals na ontvangst van een verrijkt signaal door de
Stichting Informatieknooppunt Zorgfraude (hierna: St. IKZ).
• De Verzamelwet gegevensverwerking IV (hierna: de Verzamelwet) wordt
voorbereid. Onderdeel hiervan is een uitbreiding van de reikwijdte van de
Wbsrz naar de forensische zorg. Met deze uitbreiding wordt de
informatiepositie van de Minister van JenV als inkoper van forensische
zorg in lijn gebracht met die van andere zorginkopende partijen die al
onder de Wbsrz vallen.
• Een ander onderdeel van de Verzamelwet is een wijziging van de Wtza op
grond waarvan de gegevensdeling tussen het CIBG, de IGJ, de NZa,
zorgverzekeraars en zorgkantoren wordt verbeterd. Zo kunnen de IGJ en de
NZa het volledig ingevulde aanvraagformulier van de aanvrager voor een
toelatingsvergunning ontvangen. Dat stelt de IGJ en de NZa nog beter in
staat om na te gaan of er bij hen gegevens bekend zijn die voor het CIBG
van belang zijn voor al dan niet verlenen of intrekken van een
toelatingsvergunning. Ook wordt met dit wetsvoorstel voor de IGJ, NZa,
zorgverzekeraars en zorgkantoren inzichtelijk wanneer een vergunning is
geweigerd, dan wel ingetrokken en om welke redenen. Dat helpt deze
partijen bij de uitvoering van hun wettelijke taken.
• Er wordt gesproken met onder andere de politie en het CIBG over een
mogelijke deelname aan St. IKZ. Besluitvorming over een eventuele
uitbreiding van St. IKZ volgt in het kader van de evaluatie van de Wbsrz
in 2027. Hiermee geeft het kabinet tevens uitvoering aan de afspraak uit
het coalitieakkoord.
• Vanuit de politie is aangegeven dat zij binnen hun onderzoeken frequent
informatie opdoet die raakvlakken heeft met zorgfraude. Deze informatie
kan behulpzaam zijn voor meerdere partners binnen de Taskforce
Integriteit Zorgsector (hierna: de TIZ) bij de uitvoering van hun
wettelijke taak ten aanzien van de aanpak van zorgfraude3. Op dit moment is er geen wettelijke grondslag voor de politie om
dergelijke informatie te delen met TIZ-partners. Het Ministerie van
J&V werkt aan een machtigingsbesluit voor de wet politiegegevens,
waarin de grondslag wordt opgenomen voor het delen van dergelijke
informatie met enkele TIZ-partners.
• Onlangs heeft de ministerraad ingestemd met het voorstel om de NZa en
IGJ als ontvanger van risicomeldingen toe te voegen aan het Besluit
controle op rechtspersonen (Bcr). Door deze wijziging kunnen de NZa en
IGJ ook signalen van misbruik van rechtspersonen in de zorgsector
ontvangen. De informatiedeling en bestrijding van criminele activiteiten
binnen de zorgsector wordt hierdoor effectiever.
• Met de Wbsrz ligt er een wettelijke basis voor gemeenten,
zorgverzekeraars en zorgkantoren om elkaar voor frauderende
zorgaanbieders te waarschuwen via het Waarschuwingsregister zorgfraude.
Daarmee heeft VWS de noodzakelijke wet- en regelgeving op orde gebracht
om gegevensdeling via het Waarschuwingsregister mogelijk te maken. Het
registratiesysteem zelf is op dit moment echter nog in ontwikkeling en
nog niet operationeel. De verdere implementatie en ingebruikname ligt bij
gemeenten, zorgverzekeraars en zorgkantoren. Zij gaan aan de slag met de
praktische inrichting en toepassing van het register, met ondersteuning
vanuit het Ministerie van VWS.
2.5 Meer transparantie op declaratie
In het AZWA is afgesproken dat verkend wordt of, en hoe, de
declaratievoorschriften kunnen worden aangepast, zodat het vermelden van de
AGB-code4 en naam van onderaannemer verplicht wordt op declaraties. Als voor
zorgverzekeraars inzichtelijk wordt wie de zorg daadwerkelijk levert, kunnen zowel
de inkopende partijen als de toezichthouders beter zicht krijgen op de kwaliteit
en rechtmatigheid van de geleverde zorg. Momenteel voert ZN een (juridische)
haalbaarheidsanalyse uit, waarbij ook de gevolgen voor de regeldruk bezien
worden.
2.6 Verbeterde ketensamenwerking
Samenwerking binnen de TIZ is essentieel voor een effectieve en samenhangende
aanpak van zorgfraude. De betrokken partners richten zich, ieder vanuit de eigen
verantwoordelijkheid, nadrukkelijk op (nieuwe) samenwerkingsvormen van malafide
aanbieders. De inzet is om meer operationele resultaten te behalen door
gezamenlijk op te treden, kennis te delen en van elkaar te leren. Dit gebeurt
onder andere door in te zetten op een nieuwe governance. Wat de praktijk nodig
heeft, vormt het uitgangspunt van de nieuwe governance structuur. Tevens wordt een
onafhankelijk kernbureau ingericht, voor centrale ondersteuning van de TIZ. Het
kernbureau krijgt een opzet vergelijkbaar met die van de FEC-raad (Financieel
Expertise Centrum). De nieuwe gremia, die voortkomen uit de nieuwe governance
structuur, gaan deze zomer van start. Onlangs zijn bijvoorbeeld goede ervaringen
opgedaan met het werken volgens het Multidisciplinair Operationeel Plan (MOP),
zoals eerder genoemd. Een MOP bestaat uit een cyclisch en deels herhalend proces.
Eerst worden alle relevante actoren en handhavingspartners in kaart gebracht en
betrokken. Vervolgens worden per actor doelen vastgesteld, interventies afgestemd
en uitgevoerd, waarna partners de resultaten rapporteren aan de kerngroep MOP.
Indien doelen niet worden bereikt, worden interventies bijgesteld; zodra de
integrale doelstelling is behaald, volgt een rapportage. Dit blijkt een effectieve
vorm van integrale samenwerking om complexe vraagstukken aan te pakken waarbij
alle noodzakelijke expertises samenkomen. Hierdoor kan sneller en effectiever
worden ingegrepen bij fraudesignalen.
In het coalitieakkoord is opgenomen dat bij de politie een Taskforce zorgfraude
wordt opgericht. Het is van belang dat eerst duidelijkheid wordt verkregen over
het doel, de positionering, de reikwijdte en de governance van een eventuele
taskforce in relatie tot bestaande initiatieven of (overleg)gremia. De Minister
van JenV onderzoekt dit en is hierover in gesprek met relevante partners. Zodra
deze nadere duiding er is, wordt de Kamer geïnformeerd.
3. Stoppen en bestraffen van zorgfraude
Naast het voorkomen van zorgfraude door malafide aanbieders te weren aan de
poort, verstevigt het kabinet ook de aanpak van zorgfraude zelf.
3.1 Intensivering bestuursrechtelijke aanpak
Het is van belang om snel en doeltreffend op te treden wanneer
toezichthouders fraude constateren. Daarom wordt de bestuursrechtelijke
aanpak van zorgfraude geïntensiveerd. Deze maatregel wordt momenteel nader
uitgewerkt.
Beoogd is dat een deel van de AZWA-middelen wordt ingezet voor de
uitbreiding van de toezichtscapaciteit, zodat toezichthouders vaker en
gerichter – en daar waar nodig in gezamenlijkheid – gebruik kunnen maken van
hun handhavingsinstrumentarium. Denk bijvoorbeeld aan het geven van een
aanwijzing, het opleggen van een last onder dwangsom of een bestuurlijke
boete. De IGJ en de NZa kunnen ook gegevens verstrekken aan het CIBG die
relevant zijn voor het weigeren of intrekken van een Wtza-vergunning bij
bestaande en/of herstartende aanbieders door het CIBG.
3.2 Intensivering strafrechtelijke aanpak
In aanvulling op de bestuursrechtelijke aanpak wordt ook het strafrechtelijk
optreden tegen zorgfraude versterkt. Ernstige en georganiseerde vormen van
zorgfraude, evenals ondermijnende criminaliteit binnen de zorg, vereisen een
krachtige strafrechtelijke reactie. Voornemen is o.a. om een deel van de
AZWA-middelen in te zetten voor de uitbreiding van de opsporingscapaciteit van
de recherche zorgfraude bij de NLA, zodat meer verdachten van zorgfraude en
ondermijning in de zorg kunnen worden opgespoord en vervolgd. Deze middelen
zorgen tevens voor extra vervolgingscapaciteit bij het Functioneel Parket (FP)
van het OM. Ter vergroting van de effectiviteit wordt, naast het intensiveren
van strafrechtelijke onderzoeken, ingezet op het versterken van de
ketensamenwerking via een gerichte multidisciplinaire aanpak. Daarnaast wordt
ingezet op een nauwere samenwerking tussen de recherche zorgfraude en de
politie zodat expertise op het gebied van zorgfraude, ondermijning en
georganiseerde criminaliteit over en weer kan worden benut en gezamenlijk
effectiever kan worden opgetreden tegen complexe zorgcriminaliteit. Hierbij
wordt in 2027 gestart met de intensivering van de samenwerking met de politie
Midden Nederland.
Hiermee wordt tevens uitvoering gegeven aan de afspraak uit het
coalitieakkoord om zorgfraudeurs vaker strafrechtelijk te vervolgen.
3.3 Verslechterde informatiepositie toezichthouders bij
micro-zorgaanbieders
Vanaf 1 januari 2025 is de openbare jaarverantwoording voor micro
zorgaanbieders5, waaronder eerstelijnszorgaanbieders, wijkverpleging, kleinschalige
instellingen voor gehandicaptenzorg of geestelijke gezondheidszorg, in omvang
beperkt. Ook wordt de openbare jaarverantwoording vanaf 1 januari 2025 slechts
gedeeltelijk openbaar gemaakt, maar wel voor het toezicht en onderzoek aan
partijen verstrekt.6 Hiermee zijn de grootste knelpunten voor deze groep opgeheven. In de
fraudetoets signaleert de NZa echter wel, dat het risico op fraude bij micro
zorgaanbieders mogelijk hoger kan zijn. Dit hangt samen met het feit dat onder
het microregime minder informatie over de bedrijfsvoering openbaar wordt
gemaakt. Hierdoor kan het voor toezichthouders lastiger zijn om zicht te houden
op deze zorgaanbieders en kunnen partijen, die misbruik willen maken, zich
relatief makkelijker onder de radar bewegen.7
Deze keuze voor een beperktere informatieverplichting vloeit voort uit
politieke besluitvorming, waarbij, via een amendement van het lid Bushoff
(GL-PvdA) gekozen is voor een vermindering van administratieve lasten en meer
vertrouwen in zorgaanbieders. Het kabinet blijft in afstemming met betrokken
partijen monitoren of de balans tussen regeldruk en een goede informatiepositie
voldoende behouden blijft.
4. De aanpak van zorgfraude in bredere context
Naast de specifieke maatregelen gericht op het voorkomen, signaleren en
bestrijden van zorgfraude, draagt ook een bredere set aan hervormingen binnen het
zorgstelsel bij aan het vergroten van de weerbaarheid tegen fraude en oneigenlijk
gebruik van zorggeld. Het kabinet wil benadrukken dat fraude niet met één
afzonderlijke maatregel kan worden opgelost. In het coalitieakkoord en de
beleidsbrief van VWS zijn verschillende maatregelen aangekondigd die primair
gericht zijn op het toegankelijk, betaalbaar en houdbaar houden van de zorg, maar
die tegelijkertijd ook bijdragen aan het verkleinen van frauderisico’s.
Zo zet het kabinet met de inzet op passende zorg nadrukkelijk in op het
terugdringen van niet-passende en niet-effectieve zorg. Door scherper vast te
leggen welke zorg bewezen effectief en passend is, beroepsrichtlijnen te
actualiseren en zorgaanbieders en zorgverleners hier sterker op aan te spreken,
ontstaat meer zicht op afwijkende zorgverlening en declaratiepatronen. Ook de
verstevigde rol van het Zorginstituut, de NZa en de IGJ bij het toetsen, monitoren
en handhaven van passende zorg draagt hieraan bij. Deze inzet is primair gericht
op kwaliteit en houdbaarheid van de zorg, maar beperkt tegelijkertijd de ruimte
voor misbruik van zorgmiddelen.
Duidelijke en aangescherpte normen voor verantwoord ondernemerschap in de zorg
dragen eveneens bij aan het tegengaan van aanbieders die met verkeerde intenties
actief zijn in de zorg. Deze randvoorwaarden voor integere bedrijfsvoering,
financiële transparantie, winstuitkering en vergunningsverlening en -intrekking
zijn opgenomen in het wetsvoorstel Wet integere bedrijfsvoering zorg- en
jeugdhulpaanbieders (Wibz). Voor de zomer wordt uw Kamer geïnformeerd over de
voorgenomen aanscherpingen van dit wetsvoorstel.
Ook versterkt het kabinet het instrument van de contractering door onder meer het
beëindigen van de vergoedingsverplichting van niet-gecontracteerde zorg. Het
kabinet wil benadrukken dat er geen directe relatie bestaat tussen
ongecontracteerde zorg en fraude. Tegelijkertijd blijkt uit de uitvoeringspraktijk
dat binnen ongecontracteerde zorg sprake kan zijn van grotere risico’s op
onrechtmatigheden. Bij ongecontracteerde zorg ontbreken immers afspraken tussen
zorgverzekeraars en aanbieders over onder meer kwaliteit, doelmatigheid,
informatie-uitwisseling en controle. Ook hebben zorgverzekeraars daar beperktere
mogelijkheden om vooraf voorwaarden te stellen en achteraf controles uit te
voeren. Door contractering te versterken en zorgverzekeraars een sterkere
informatiepositie te geven, krijgen zij meer mogelijkheden om passende zorg de
norm te maken én om opvallende declaratie- of zorgpatronen sneller te signaleren
en waar nodig in te grijpen.
Verder wordt in het coalitieakkoord ingezet op het verkennen van zorg in
natura als voorliggende leveringsvorm ten opzichte van het persoonsgebonden
budget (pgb).
Het pgb zou een bewuste keuze moeten zijn, maar dit is niet altijd het geval.
Door een bewuste keuze van het pgb wordt beoogd ook het risico op kwetsbare
situaties binnen het pgb-domein te verkleinen.
De aanpak van zorgfraude staat daarmee niet op zichzelf, maar maakt onderdeel uit
van een bredere beweging naar een zorgstelsel waarin passende zorg, transparantie,
kwaliteit, publieke verantwoording en doelmatige inzet van zorggeld centraal
staan.
5. Moties en toezeggingen
Met dank aan de indieners van de moties voor het onder de aandacht brengen van
een aantal onderwerpen, geeft het kabinet reactie op een aantal moties en doet het
kabinet een aantal toezeggingen gestand.8
5.1 Moties over verbeterde gegevensuitwisseling
In het kader van de begrotingsbehandeling zijn diverse moties aangenomen die
zien op het verbeteren van de gegevensuitwisseling. Dit betreft een tweetal
moties van de leden Van Brenk (50Plus) en Wendel (VVD). In de ene motie wordt
de regering verzocht te onderzoeken hoe zorgverzekeraars informatie over
frauderende zorgorganisaties met elkaar kunnen delen.9 In de andere motie wordt verzocht om informatiedeling over zorgfraude
mogelijk te maken tussen het IKZ en relevante partners.10 In een motie van het lid Struijs (50Plus) wordt verzocht om mogelijk te
maken dat gemeenten informatie over frauderende zorgorganisaties aan elkaar
mogen doorgeven.11
Zoals aangegeven in §2.4 biedt de Wbsrz een wettelijke basis voor
gemeenten, zorgverzekeraars en zorgkantoren om elkaar voor frauderende
zorgaanbieders te waarschuwen via het Waarschuwingsregister zorgfraude.
Zoals eerder benoemd, ligt de wettelijke basis er voor gemeenten,
zorgverzekeraars en zorgkantoren om elkaar voor frauderende zorgaanbieders
te waarschuwen. Het registratiesysteem zelf is nog in ontwikkeling en
daardoor nog niet operationeel. De verdere implementatie en ingebruikname
ligt bij gemeenten, zorgverzekeraars en zorgkantoren. Zij gaan aan de slag
met de praktische inrichting en toepassing van het register, met
ondersteuning vanuit het Ministerie van VWS.
Zorgverzekeraars en zorgkantoren gebruiken daarnaast het Extern
Verwijzingsregister; een waarschuwingssysteem waarmee financiële instellingen
elkaar waarschuwen voor bij hen bekende fraudeurs. Ook verplicht de Wbsrz
betrokken instanties om signalen van zorgfraude te delen met het IKZ.
In aanvulling hierop werkt dit kabinet aan verbeterde gegevensdeling tijdens
lopende fraudeonderzoeken, dus na ontvangst van een verrijkt signaal van het
IKZ, tussen gemeenten onderling en met zorgverzekeraars en zorgkantoren (zie
§2.4).
Met bovengenoemde maatregelen komt dit kabinet tegemoet aan de genoemde
moties.
5.2 Motie over signalen van fraude in de mond- en tandzorg
In het kader van de begrotingsbehandeling is een motie van de leden Van Brenk
(50Plus) en Wendel (VVD) aangenomen met het verzoek om signalen van mogelijke
misstanden en fraude in de mond- en tandzorg binnen de Wet langdurige zorg
onder de aandacht te brengen van de IGJ, als startpunt voor een doelgerichte
aanpak.12
Het kabinet onderschrijft het belang van goede mondzorg voor kwetsbare
ouderen. Juist voor deze groep is kwalitatief goede en toegankelijke mondzorg
essentieel voor de algehele gezondheid en kwaliteit van leven. Tegelijkertijd
zijn signalen van mogelijke misstanden en oneigenlijk gebruik van middelen
zorgwekkend en onwenselijk. De genoemde signalen zijn onder de aandacht
gebracht bij de IGJ. De inspectie heeft een onafhankelijke rol in het toezicht
op de kwaliteit en veiligheid van de zorg en kan, voor zover de signalen hierop
betrekking hebben, passende maatregelen treffen. Daarnaast heeft het kabinet
deze signalen onder de aandacht gebracht van de NZa, gezien haar rol in het
toezicht op de integere en professionele bedrijfsvoering van zorgaanbieders en
haar toezicht op de rechtmatige en doelmatige uitvoering van de Wlz door
zorgkantoren.
5.3 Motie over inzet van het strafrecht
De leden Wendel (VVD) en Van Brenk (50Plus) hebben de regering in een motie
verzocht om in haar overleggen met het OM expliciet te spreken over de inzet
van het strafrecht in de bestrijding van zorgfraude.13
Zoals toegelicht in §3.2 wordt met de AZWA-middelen o.a. de inzet van het
strafrecht geïntensiveerd. De inzet van het strafrecht is onderdeel van de
reguliere overleggen met het OM. Hiermee komt het kabinet tegemoet aan deze
motie.
5.4 Moties over het versterken van de aanpak van zorgfraude en het
terugvorderen van zorggeld
Het lid Bushoff (GL-PvdA) heeft samen met de leden Van Dijk (CDA), Van Brenk
(50Plus), Kostíc (PvdD), El Abassi (DENK), Bikker (CU), Coenradie (JA21) en
Claassen (PVV) in een motie verzocht om in de begroting van 2027 een concrete
doelstelling op te nemen om ten minste 1% van het totaalbedrag aan zorgfraude
voor de zorg te behouden en halfjaarlijks te rapporteren over de voortgang en
het behouden budget14. Daarnaast hebben de leden Bushoff (GL-PvdA) en Tielen (VVD) in een
andere motie verzocht om een wettelijke «claw back»-regeling in te voeren
waarmee zorggeld kan worden teruggevorderd bij fraude, wanbestuur en onterecht
uitgekeerde winsten in de zorg15. Aanleiding hiervoor zijn gevallen waarbij bestuurders zichzelf zouden
hebben verrijkt met publiek geld, terwijl bestaande mogelijkheden om gelden
terug te halen of vervolging in te stellen tekortschieten.
Het kabinet deelt nadrukkelijk de ambitie van de Kamer om zorgfraude
steviger aan te pakken en ervoor te zorgen dat zoveel mogelijk zorggeld
daadwerkelijk beschikbaar blijft voor patiënten en cliënten. Zorggeld hoort
in de zorg terecht te komen en niet bij fraudeurs of criminelen. Daarbij
vindt het kabinet het van belang dat zowel de effectiviteit van de
fraudebestrijding als de mogelijkheden om onterecht verkregen zorggeld terug
te halen verder worden versterkt.
Tegelijkertijd constateert het kabinet dat de motie over het behouden van
1% van het totaalbedrag aan zorgfraude in de huidige vorm ingewikkeld
uitvoerbaar is. Zoals eerder met de Kamer gedeeld, betreft de genoemde € 10
miljard een grove schatting van het OM, waarvoor geen sluitende onderbouwing
beschikbaar is. Verschillende onderzoeken hebben laten zien dat de totale
omvang van zorgfraude niet nauwkeurig vast te stellen is. Daardoor ontbreekt
een objectieve en verifieerbare basis om hieraan een exact percentage of
financieel resultaat te koppelen. Ook is het in de praktijk moeilijk om
opbrengsten rechtstreeks toe te rekenen aan afzonderlijke maatregelen of
specifieke inspanningen van partijen. Daarnaast zijn
terugvorderingstrajecten vaak langdurig en juridisch complex en zijn
middelen in veel gevallen al verdwenen of moeilijk traceerbaar.
Dat neemt niet weg dat het kabinet het van groot belang vindt dat de impact
van de aanpak van zorgfraude zo inzichtelijk mogelijk wordt gemaakt. Daarom
wordt, in afstemming met betrokken partijen, gewerkt aan een samenhangend
pakket van prestatie-indicatoren (KPI’s) om de voortgang en effectiviteit van
de maatregelen beter te monitoren. Daarbij wordt enerzijds gekeken naar
indicatoren die inzicht geven in financiële resultaten, zoals terugvorderingen,
voorkomen schade en stopgezette onrechtmatige declaraties. Anderzijds wordt
nadrukkelijk gekeken naar indicatoren die de inzet en versterking van de aanpak
zichtbaar maken, zoals intensivering van toezicht, samenwerking tussen
partijen, het aantal signalen, controles, interventies en
opsporingsonderzoeken.
De NZa beschikt als toezichthouder reeds over verschillende formele
handhavingsinstrumenten, waaronder het opleggen van bestuurlijke boetes en het
terugvorderen van geldsommen. Deze middelen vloeien terug naar de algemene
middelen van het Rijk dan wel het Zorgverzekeringsfonds. Over de mogelijkheden
voor het terugvorderen van uitgekeerde winsten wordt uw Kamer nader
geïnformeerd in de Kamerbrief over het vervolg van de Wet integere
bedrijfsvoering zorg- en jeugdhulpaanbieders (Wibz), die vóór het zomerreces
wordt verzonden.
Met deze aanpak wil het kabinet de Kamer periodiek beter inzicht geven in de
voortgang en effectiviteit van de aanpak van zorgfraude en in de mogelijkheden
om onterecht besteed zorggeld terug te halen.
5.5 Toezegging over witwassen crimineel geld met pgb’s
De zorgsector is, door het arbeidsintensieve karakter en de hoeveelheid geld
die daarmee gemoeid is, kwetsbaar voor misbruik door criminelen. Daarbij kan
ook sprake zijn van het witwassen van crimineel geld. Op dit thema wordt
ingegaan in een artikel uit de Telegraaf van 28 maart jl., getiteld «Ziek van
drugsgeld». De Vaste Kamercommissie heeft het kabinet om een reactie gevraagd.
De opsporingsdienst van de NLA doet onderzoek naar zorgfraude en constateert
dat witwas-activiteiten primair plaatsvinden rondom organisaties waar
geldstromen bij elkaar komen. Het pgb kan onderdeel uitmaken van deze
geldstromen en is in zijn aard niet meer, of minder, geschikt voor het
witwassen van crimineel geld dan andere financieringsvormen in de zorg.
Onderzoek laat zien dat witwasconstructies vaak onderdeel uitmaken van complexe
netwerken en omvangrijke geldstromen. Het pgb kan binnen bepaalde netwerken een
rol spelen als onderdeel van deze geldstromen.
5.6 Toezegging over Suwinet en het gebruik door gemeenten
Tijdens de begrotingsbehandeling van VWS heeft het kabinet toegezegd om de
vraag van het lid Coenradie (JA21) te beantwoorden over Suwinet en de aanpak om
zorgfraude op gemeentelijk niveau heel rap op te pakken, zoals in de gemeente
Rotterdam wordt gedaan. Suwinet wordt door gemeenten gebruikt voor de
uitvoering van hun wettelijke taken op het gebied van werk, inkomen en sociale
zekerheid. Voor de bestrijding van zorgfraude wordt Suwinet op dit moment niet
ingezet. Het kabinet gaat verkennen of het gebruik van gegevens uit Suwinet
daaraan kan bijdragen en beziet daarbij wat het nut en de noodzaak is van deze
gegevens, bovenop wat nu al mogelijk is. Deze verkenning zal naar verwachting
eind van dit jaar zijn afgerond.
5.7 Stand van zaken evaluatie Wtza
Op 1 januari 2022 is de Wtza in werking getreden. De Wtza bevat de
verplichting om binnen vier jaar na de inwerkingtreding een verslag naar de
Tweede Kamer te zenden over de doelmatigheid en doeltreffendheid van deze wet
in de praktijk. Deze wettelijke verplichting wordt ook wel aangeduid als de
evaluatieverplichting. Een jaar na de inwerkingtreding van de Wtza is een
zogenoemde invoeringstoets uitgevoerd en is gekeken naar de eerste ervaringen
van de Wtza in de praktijk.16 Deze invoeringstoets heeft geleid tot een aantal aanpassingen in de
Wtza en in onderliggende regelgeving. Zo waren er bijvoorbeeld signalen dat de
eis voor intern toezicht als niet proportioneel wordt ervaren door instellingen
in de eerstelijns- en kleinschalige zorg, gezien de verhouding tot het aantal
zorgverleners. Vervolgens zijn in 2024 mogelijke oplossingsrichtingen verkend.
Naar aanleiding van deze verkenning is per 1 juli 2025 het Uitvoeringsbesluit
Wtza gewijzigd. Met de wijziging is geregeld dat een bepaalde groep kleine(re)
instellingen in de eerstelijns- en kleinschalige zorg niet bij meer dan 25
zorgverleners, maar pas bij meer dan 50 zorgverleners over een interne
toezichthouder moet beschikken.17
Het is op dit moment niet opportuun om de Wtza te laten evalueren door een
onafhankelijk onderzoeksbureau. De Wtza is immers nog volop in beweging.
Daarnaast is een aantal wijzigingen van de Wtza van zeer recente datum, zoals
bijvoorbeeld de hierboven genoemde wijziging van het intern toezicht. Zoals in
de voorliggende brief is toegelicht, is het kabinet voornemens om diverse
stappen te zetten om de werking van de Wtza de komende tijd verder te
verbeteren. Het kabinet wil daarom een jaar na inwerkingtreding van de
voorgenomen wijzigingen van de Wtza een onafhankelijk evaluatieonderzoek laten
doen naar de werking van de Wtza inclusief de nieuwe aanscherpingen ervan. De
verwachting is dat in 2029 de externe evaluatie uitgevoerd gaat worden.
6. Tot slot
Met deze brief heeft het kabinet de Kamer geïnformeerd over de versterkte en
samenhangende aanpak van zorgfraude. De komende periode blijft het kabinet werken
aan verdere versterking van de weerbaarheid en integriteit van het zorgstelsel.
Zoals benoemd, wordt uw Kamer vóór het zomerreces nader geïnformeerd over de
voorgenomen aanscherpingen van de Wibz, die eveneens bijdragen aan het beter weren
van malafide partijen en het beschermen van publiek zorggeld.
Samen met alle betrokken partners blijft het kabinet zich inspannen om fraude in
de zorg en ondersteuning zoveel mogelijk te voorkomen, sneller te stoppen en
effectief te bestraffen. Zorggeld moet terechtkomen waar het voor bedoeld is: bij
goede en passende zorg voor mensen die daarvan afhankelijk zijn.
De Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport,
W.R.C. Sterk
Ondertekenaars
W.R.C. Sterk, minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport