Verslag (initiatief)wetsvoorstel (nader) : Verslag
36 932 Wijziging van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen en enkele andere wetten met het oog op het vereenvoudigen van het partnerbegrip voor toeslagen (Wet vereenvoudiging partnerbegrip toeslagen)
Nr. 5
VERSLAG
Vastgesteld, 5 juni 2026
De vaste commissie voor Financiën, belast met het voorbereidend onderzoek van bovenstaand
wetsvoorstel, heeft de eer als volgt verslag uit te brengen van haar bevindingen.
Onder het voorbehoud dat de regering op de gestelde vragen tijdig en genoegzaam zal
hebben geantwoord, acht de commissie de openbare beraadslaging over dit wetsvoorstel
voldoende voorbereid.
De voorzitter van de vaste commissie, Jansen
Adjunct-griffier van de commissie, Lips
INLEIDING
I ALGEMEEN
De leden van de D66-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel
Wet vereenvoudiging partnerbegrip toeslagen. Deze leden onderschrijven de doelstelling
om het toeslagenstelsel eenvoudiger, begrijpelijker en beter uitvoerbaar te maken
zoals opgenomen in het coalitieakkoord. Deze leden zijn daarom ook van mening dat
het van groot belang is om het toeslagenstelsel grondig te hervormen waarbij toeslagen
worden afgeschaft of vervangen, zodat werken meer gaat lonen en mensen voor hun bestaanszekerheid
niet afhankelijk zijn van toeslagen, die veel mensen niet durven aan te vragen. Ondanks
de wens tot grondige hervorming is het echter ook van belang om in de tussentijd te
doen wat nodig is om toeslagen beter werkbaar te maken voor mensen, wat het voorliggende
wetsvoorstel doet. Daarom steunen de leden van de D66-fractie het voorliggende wetsvoorstel,
maar hebben deze leden nog wel enkele vragen.
De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel vereenvoudiging
partnerschap toeslagen. Deze leden hebben hierover nog enkele vragen en opmerkingen.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben het wetsvoorstel met interesse gelezen.
Deze leden hebben nog enkele vragen.
De leden van de CDA-fractie juichen vereenvoudiging binnen inkomensondersteunende
regelingen toe, zodat de regelingen voor burgers begrijpelijker worden en zij beter
beschermd zijn. Het vereenvoudigen van begrippen en voorwaarden is daarvoor belangrijk.
Deze leden steunen dan ook de doelen van het voorliggende wetsvoorstel. Deze leden
hebben nog enkele vragen over de effecten voor voorgestelde maatregelen.
De leden van de JA21-fractie hebben enkele vragen en opmerkingen over het wetsvoorstel.
De leden van de SGP-fractie hebben kennisgenomen van het voorliggende wetsvoorstel.
Deze leden delen de wens om te komen tot vereenvoudiging van het toeslagenstelsel.
Wel hebben deze leden nog enkele vragen.
De leden van de ChristenUnie-fractie hebben met interesse kennisgenomen van het wetsvoorstel.
Deze leden onderschrijven dat het toeslagenstelsel complex is en voor burgers niet
altijd begrijpelijk, en door terugvordering bovendien potentieel schadelijk. Deze
leden vragen de regering uiteen te zetten welke fundamentele herziening de regering
voornemens is te treffen, ook in verhouding tot een bredere hervorming van het belastingstelsel.
1. Inleiding
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie delen de wens van de regering om het toeslagenstelsel
te vereenvoudigen en begrijpelijker te maken voor toeslaggerechtigden. Ook zijn deze
leden van mening dat het vaak wenselijker is dat een kleine groep mensen iets meer
ontvangt dan zij nodig hebben, dan dat een groep mensen te weinig ontvangt en daardoor
in armoede leeft. Vanuit dat perspectief zijn de maatregelen om enkele criteria voor
het toeslagpartnerschap te laten vervallen aan te moedigen.
Tegelijkertijd vragen deze leden of het voorliggende wetsvoorstel de genoemde doelstellingen
wel voldoende bereikt. Het gaat hier immers om vrij specifieke gevallen en een relatief
kleine groep mensen. Deze leden vragen daarom of de regering kan inschatten in hoeverre
het toeslagpartnerbegrip na invoering van de voorgestelde maatregelen begrijpelijk
is voor burgers. Is de regering van mening dat hier sprake is van een grote stap richting
een begrijpelijker stelsel of gaat het om een beperkte verbetering maar blijft het
voor burgers lastig om in te schatten of zij toeslagpartner van elkaar zijn of niet?
Indien het laatste geldt, kan de regering dan aangeven welke mogelijke maatregelen
de regering nog meer ziet om het toeslagpartnerbegrip te vereenvoudigen en waarom
hiervoor niet is gekozen?
2. Hoofdlijnen van het voorstel
De leden van de fractie van de VVD lezen dat de regering aanpassingen wil doen aan
het regime voor toeslagenpartnerschappen. Specifiek gaat het om een voorstel tot het
laten vervallen van het criterium samengestelde gezinnen, het criterium partner in
het voorgaande jaar, het criterium partner de rest van het jaar en de maatregel tot
het voorkomen dat minderjarigen als toeslagenpartner worden aangemerkt. Met deze voorgestelde
maatregelen ontvangen naar schatting 18.000 mensen (meer) zorgtoeslag en (meer) kindgebonden
budget. De regering schrijft in de memorie van toelichting dat dit «een verschil kan
opleveren van duizenden euro’s per jaar aan financiële ondersteuning die nodig is
om vitale voorzieningen te kunnen betalen» (pagina 6). Terwijl al ongeveer tien miljoen
mensen in Nederland enige toeslag ontvangen, worden mensen met deze voorgestelde maatregelen
nóg afhankelijker van toeslagen. Wat zijn de voorstellen van de regering om mensen
juist mínder afhankelijk te maken van toeslagen?
De leden van de JA21-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel.
Deze leden steunen het uitgangspunt dat het toeslagpartnerbegrip eenvoudiger en beter
uitvoerbaar moet worden. Het wegnemen van situaties waarin burgers louter op grond
van een gedeeld woonadres en een kind van één van beiden onbedoeld als toeslagpartner
worden aangemerkt, lost knelpunten op en past bij de wens van deze leden om willekeur
in het toeslagenstelsel terug te dringen. Dat daarbij een reeks foutgevoelige, handmatige
uitzonderingen vervalt, is uit oogpunt van eenvoud en uitvoerbaarheid winst. Of het
ook tot een rechtvaardiger uitkomst leidt, hangt af van de mate waarin van een feitelijk
partnerschap geen sprake is.
De leden van de JA21-fractie hebben daarnaast principiële en uitvoeringstechnische
vragen. Deze leden constateren dat het wetsvoorstel twee verschillende beslissingen
in één wet samenbrengt: een vereenvoudiging van het partnerbegrip en een ombuiging
via verlaging van de vermogensgrenzen. Deze leden vragen de regering om in te gaan
op de samenhang en de rechtvaardigheid van deze keuzes.
De leden van de JA21-fractie wijzen erop dat het toeslagenstelsel blijkens de Algemene
wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) draagkracht beoogt te meten op huishoudniveau.
Het partnerbegrip is altijd een grove benadering geweest van de vraag of mensen een
huishouden delen en daardoor schaalvoordelen genieten.
2.1 Laten vervallen criterium samengestelde gezinnen
De leden van de D66-fractie constateren dat ruim de helft van de burgers die op grond
van het criterium samengestelde gezinnen als toeslagpartner worden aangemerkt in de
praktijk geen gezin vormt, en dat dit jaarlijks ruim 10.000 toeslaggerechtigden betreft.
Kan de regering aangeven hoe de nieuwe partnerdefinitie in de uitvoering niet alsnog
leidt tot onjuiste partnerschapsvaststellingen?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat op grond van het criterium samengestelde
gezinnen en het criterium «partner in het voorafgaande jaar» jaarlijks ongeveer 18.000 burgers
worden aangemerkt als toeslagpartner. Deze leden vragen of het klopt dat het daarbij
om 18.000 koppels gaat of dat hiermee 9.000 koppels (en dus 18.000 burgers) worden
bedoeld. Deze leden lezen ook dat het «naar verwachting» in de helft van de gevallen
gaat om burgers die in de praktijk «waarschijnlijk geen gezin vormen», «naar schatting
10.000 burgers». Dat is in de ogen van deze leden opvallend, gegeven het feit dat
er verschillende uitzonderingen bestaan. Deze leden zijn dan ook benieuwd naar de
specifieke situaties van mensen die ook met deze uitzonderingen tussen wal en schip
vallen. Kan de regering een uitsplitsing geven van het soort situaties waarom het
hier gaat? Kan de regering ook aangeven hoe vaak elk van de genoemde al bestaande
uitzonderingen wordt gebruikt?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen ook op basis waarvan de regering niet
verwacht dat de situatie zich in de toekomst zal voordoen waarin een ouder met indicatie
op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz) het recht op kinderopvangtoeslag verliest
als gevolg van het feit dat diegene geen toeslagpartner meer heeft door het vervallen
van het criterium samengestelde gezinnen.
De leden van de CDA-fractie vinden het een goede vereenvoudiging dat mensen, die weliswaar
op hetzelfde adres wonen, niet per definitie als toeslagpartners worden aangemerkt,
omdat niet vanzelfsprekend is dat zij een gezamenlijke huishouding voeren. Het belang
hiervan zien deze leden inderdaad ook in het licht van vergrijzing en woningmarktkrapte.
Deze leden lezen dat toeslagpartnerschap op basis van objectieve criteria kan worden
verondersteld, zoals huwelijk, geregistreerd partnerschap, gezamenlijk kopen van een
woning, of worden van pensioenpartners. Deze leden vragen in hoeverre formeel partnerschap
bewust kan worden ontweken, doordat de relatie niet wordt geformaliseerd. Ook vragen
deze leden of het kan voorkomen dat partnerschap voor toeslagen onbedoeld niet aan
het licht komt, wanneer iemand vergeet wijzigingen in partnerschap door te geven en
de Belastingdienst partnerschap niet ziet, omdat geen sprake is van een objectief
criterium. Hierdoor kunnen immers te hoge toeslagen worden ontvangen. Wat zijn de
gevolgen als na afloop van het toeslagenjaar blijkt dat sprake was van een partnerschap,
wat niet gemeld is? Zijn er nog meer laagdrempelige objectieve criteria om een gezamenlijk
huishouden te toetsen, bijvoorbeeld een gezamenlijke bankrekening?
Deze leden vragen of enige sprake is van handhaving of controle op een feitelijke
situatie, waarbij deze leden niet beogen weer meer complexiteit toe te voegen. De
eenvoud blijft in de ogen van deze leden een belangrijk uitgangspunt.
De leden van de JA21-fractie wijzen erop dat met het laten vervallen van het criterium
samengestelde gezinnen personen, die uitsluitend op grond van dit criterium (een gedeeld
woonadres en een minderjarig kind van één van beiden) als toeslagpartner werden aangemerkt,
voortaan voor de zorgtoeslag en het kindgebonden budget worden behandeld als alleenstaande.
De overige partnerschapsgronden, zoals huwelijk, geregistreerd partnerschap, notarieel
samenlevingscontract, gezamenlijk kind, gezamenlijke eigen woning en pensioenpartnerschap,
blijven onverkort gelden. Deze personen, bijvoorbeeld een mantelzorger en de verzorgde
of een gastgezin en een inwonende, dragen feitelijk wél lagere kosten per persoon
dan een werkelijk alleenstaande, doordat zij woonlasten en vaste lasten delen. Hun
draagkracht ligt daarmee hoger dan die van een alleenstaande die alle kosten alleen
draagt.
De Afdeling advisering van de Raad van State stelt hierover dat de keuze om criteria
los te laten ertoe leidt dat «in bepaalde situaties, waarbij wel een bijdrage van
de partner zou mogen worden verwacht, geen sprake (meer) is van partnerschap» en dat
dit «veelal tot een hoger recht op een toeslag» leidt.
De leden van de JA21-fractie steunen dat deze groep er in koopkracht op vooruitgaat
en dat het stelsel eenvoudiger wordt. Hun vragen strekken er niet toe die vereenvoudiging
terug te draaien, maar om te begrijpen hoe de regering de doelmatigheid van de publieke
uitgaven en het draagkrachtbeginsel borgt. Deelt de regering de constatering dat twee
personen die louter een woonadres en een minderjarig kind van één van beiden delen,
door schaalvoordelen doorgaans een hogere feitelijke draagkracht hebben dan een werkelijk
alleenstaande en dat het wetsvoorstel deze draagkracht voor de zorgtoeslag en het
kindgebonden budget buiten beschouwing laat? Hoe verhoudt deze uitkomst zich tot het
draagkrachtbeginsel dat aan de Awir ten grondslag ligt? Kan de regering kwantificeren
voor hoeveel van de circa 18.000 toeslaggerechtigden sprake is van een feitelijk gedeeld
huishouden met aantoonbare schaalvoordelen en welk budgettair beslag daarmee gemoeid
is? Waarom kiest de regering ervoor de ene grofheid (te ruime koppeling) te vervangen
door de andere (het als volledig alleenstaand behandelen van kosten delende huisgenoten),
in plaats van te werken aan een instrument dat draagkracht nauwkeuriger meet? Hoeveel
van de circa 18.000 toeslaggerechtigden moeten na het verbreken van het toeslagpartnerschap
zelf een nieuwe individuele aanvraag indienen om de hogere toeslag voor alleenstaanden
te ontvangen en welk niet-gebruik verwacht de regering? Hoe verhoudt zich dat tot
de doelstelling dat deze groep er financieel op vooruit zou moeten gaan en welke maatregelen
treft de Dienst Toeslagen om niet-gebruik te voorkomen?
De leden van de JA21-fractie constateren dat het wegnemen van een toeslagpartner het
recht op toeslagen verhoogt en dat hiermee een financiële prikkel ontstaat om géén
formeel partnerschap aan te gaan. Deze leden wijzen erop dat het criterium samengestelde
gezinnen in 2012 (Overige fiscale maatregelen 2012) is ingevoerd omdat samengestelde
gezinnen anders «ten opzichte van andere gezinnen met kinderen een aanzienlijk voordeel
kunnen genieten» door als alleenstaande te worden behandeld. Het wetsvoorstel heropent
dit knelpunt.
De memorie van toelichting erkent dat van de circa 18.000 betrokken toeslaggerechtigden
iets minder dan de helft elkaar feitelijk wél financieel ondersteunt en niettemin
de toeslagen behorend bij een alleenstaande zal ontvangen.
Het financiële belang om geen partner te zijn is bovendien groot: alleen al de alleenstaande
ouderkop bedraagt tot 3.416 euro per jaar, naast het verschil in zorgtoeslag en kindgebonden
budget. Van de structureel geraamde 111 miljoen euro komt circa 93 miljoen euro voor
rekening van het kindgebonden budget. Erkent de regering dat met het voorliggende
wetsvoorstel een beleidsafweging uit 2012 wordt teruggedraaid? Het criterium samengestelde
gezinnen is destijds ingevoerd om te voorkomen dat deze gezinnen ten onrechte als
alleenstaande worden behandeld: dezelfde geobjectiveerde maatstaf (één adres en een
kind van één van beiden) wordt nu te grof bevonden in de tegenovergestelde richting.
Hoe weegt de regering dat het in 2012 gesignaleerde voordeel voor samengestelde gezinnen
daarmee terugkeert?
Welk bedrag is structureel gemoeid met de groep die elkaar feitelijk wél financieel
ondersteunt maar voortaan als alleenstaande wordt behandeld? Welke prikkel ontstaat
er voor stellen met een kind van één van beiden om af te zien van een huwelijk, geregistreerd
partnerschap of notarieel samenlevingscontract teneinde als twee alleenstaanden een
hoger recht op toeslagen te behouden? Acht de regering dit oneigenlijk gebruik wenselijk
en hoe wordt het tegengegaan?
De leden van de JA21-fractie vragen aandacht voor de handhaafbaarheid van het partnerbegrip
in situaties waarin de burgerlijke staat van betrokkenen moeilijk te verifiëren is.
De toets op het toeslagpartnerschap berust op gegevens uit de Basisregistratie Personen
(BRP), waaronder de burgerlijke staat en het woonadres. Voor personen die van buiten
de Europese Unie naar Nederland zijn gekomen, berust de geregistreerde burgerlijke
staat soms op een eigen verklaring of op brondocumenten uit landen zonder betrouwbare
basisadministratie en kan deze status geregistreerd staan als onbekend of in onderzoek.
Deze leden constateren dat het criterium samengestelde gezinnen tot op heden een grond
voor partnerschap bevat die niet afhangt van de geregistreerde huwelijkse staat, maar
van objectieve feiten: een gedeeld woonadres en de aanwezigheid van een kind van een
van beiden. Met het laten vervallen van dit criterium verschuift het partnerschap
sterker naar gronden die de betrokkene zelf in de hand heeft, zoals het huwelijk,
het geregistreerd partnerschap en het notarieel samenlevingscontract. Voor van buiten
de Europese Unie gekomen personen is die status het moeilijkst te verifiëren. Daarmee
nemen zowel de prikkel als de feitelijke ruimte toe om zich ten onrechte als ongehuwd
of gescheiden te presenteren. Op welke wijze stelt de Dienst Toeslagen de burgerlijke
staat vast van personen van wie de registratie in de BRP berust op een eigen verklaring
of op brondocumenten uit landen zonder betrouwbare basisadministratie? In hoeveel
gevallen staat de burgerlijke staat geregistreerd als onbekend of in onderzoek? Onderkent de regering dat het laten vervallen van het criterium samengestelde gezinnen
een objectieve, van zelfverklaring onafhankelijke grond voor partnerschap wegneemt
en dat het partnerschap daarmee sterker gaat leunen op de status die voor van buiten
de Europese Unie gekomen personen het moeilijkst verifieerbaar is? Deelt de regering
de zorg dat hierdoor zowel de prikkel als de feitelijke ruimte toeneemt om zich ten
onrechte als ongehuwd of gescheiden te presenteren en hoe verhoudt zich dat tot het
oordeel «fraudebestendigheid: niet van toepassing» in de uitvoeringstoets? Welke instrumenten
heeft de Dienst Toeslagen om een feitelijk partnerschap te signaleren wanneer geen
van de objectieve, registratie-onafhankelijke criteria meer geldt en acht de regering
die instrumenten toereikend?
De uitvoeringstoets kwalificeert de handhaafbaarheid als «aandachtspunt», terwijl
de toelichtende tekst het effect op de handhaafbaarheid als «beperkt» en zelfs «positief»
omschrijft. Kan de regering deze tegenstrijdigheid verklaren en aangeven welke concrete
handhavingsrisico’s tot de kwalificatie «aandachtspunt» hebben geleid?
De leden van de JA21-fractie stellen vast dat de vereenvoudiging zogenoemd budgetneutraal
wordt gedekt door een verlaging van de vermogensgrenzen in de zorgtoeslag en het kindgebonden
budget met 29.908 euro, waardoor ongeveer 50.000 huishoudens hun recht op één of beide
toeslagen verliezen. Deze leden vinden het principe dat toeslagen niet horen toe te
komen aan huishoudens met een aanzienlijk vermogen op zichzelf verdedigbaar. Deze
leden hebben echter bezwaren tegen de wijze waarop deze ombuiging tot stand komt.
Naar het oordeel van deze leden worden hier twee beslissingen van verschillende aard
aan elkaar gekoppeld: een wenselijke vereenvoudiging wordt gebruikt als budgettair
vehikel voor een zelfstandige ombuiging, namelijk de verlaging van de vermogensgrenzen.
Dat circa 50.000 huishoudens hun recht op zorgtoeslag of kindgebonden budget verliezen,
niet omdat hun situatie wijzigt maar enkel om de vereenvoudiging te dekken, achten
deze leden principieel onjuist. De verlaging van de vermogensgrenzen dient op haar
eigen merites te worden beoordeeld en niet als sluitpost van een vereenvoudigingsoperatie
te fungeren. Het treft in de regel mensen die langdurig hebben gespaard of een erfenis
ontvingen en zich net boven de verlaagde grens bevinden, terwijl hun eigen woning
in deze vermogenstoets buiten beschouwing blijft. Waarom wordt de vereenvoudiging
van het partnerbegrip gedekt uit de toeslagen zelf, in plaats van uit de algemene
middelen? Is dit een budgettaire noodzaak of een politieke keuze? Waarom is gekozen
voor een verlaging met exact 29.908 euro en niet voor aansluiting bij het heffingvrij
vermogen in box 3? De regering kondigt immers aan de vermogensgrens van de zorgtoeslag
per 2028 alsnog naar dat niveau te willen brengen. Waarom wordt deze stap niet ineens
en samenhangend gezet, zoals ook de Afdeling advisering van de Raad van State adviseert?
Kan de regering de groep van circa 50.000 huishoudens nader specificeren naar inkomen
en leeftijd en in het bijzonder aangeven welk deel bestaat uit AOW-gerechtigden met
een spaarbuffer? Deelt de regering de opvatting dat het hier veelal niet gaat om vermogende
huishoudens in eigenlijke zin, maar om huishoudens met een spaartegoed of erfenis
net boven de nieuwe grens?
De vermogensgrens geldt op de peildatum van 1 januari, zo constateren deze leden.
Onderkent de regering dat verlaging van de grens meer huishoudens in de zone brengt
waarin het lonend wordt vermogen rond de peildatum tijdelijk te verschuiven en hoe
beoordeelt de regering dit risico op peildatumgedrag?
Waarom wordt de vermogensgrens per 2027 verlaagd met 29.908 euro om vervolgens per
2030 weer te worden verhoogd met 1.539 euro? Welk doel dient deze gedeeltelijke terugdraai
en hoe verhoudt die zich tot het aangekondigde voornemen de grens van de zorgtoeslag
per 2028 verder te verlagen naar het niveau van het heffingvrij vermogen?
Is de doorwerking van deze maatregel naar het studiefinancieringsdomein (een hogere
eenoudertoeslag en een hogere aanvullende beurs of toelage, zoals de memorie van toelichting
onderkent) meegenomen in de raming en de dekking, of komen die kosten bovenop de 111
miljoen euro? Indien die kosten erbovenop komen, hoe worden deze dan gedekt?
De geraamde dekking (43 miljoen euro kindgebonden budget plus 70 miljoen euro zorgtoeslag,
samen 113 miljoen euro, naast een structurele uitvoeringsbesparing van circa 0,6 miljoen
euro) overtreft de geraamde kosten van 111 miljoen euro, zo constateren deze leden.
Kan de regering deze posten sluitend tegen elkaar afzetten en aangeven of er een budgettair
overschot of tekort resteert?
De voorschotten op de zorgtoeslag en het kindgebonden budget over 2027 worden reeds
eind december 2026 uitgekeerd. Op welke wijze en op welk moment worden de circa 50.000
betrokken huishoudens geïnformeerd, zodat zij tijdig kunnen handelen en onverwachte
terugvorderingen worden voorkomen?
De leden van de JA21-fractie constateren dat het toeslagpartnerbegrip de criteria
samengestelde gezinnen en partner in het voorafgaande jaar per 2027 laat vervallen,
terwijl het partnerbegrip in de inkomstenbelasting deze criteria blijkens de memorie
van toelichting pas met ingang van belastingjaar 2030 kan laten vervallen, omdat sprake
is van een structuurwijziging. Hierdoor ontstaat gedurende drie jaar een verschil
tussen het toeslagpartnerbegrip en het fiscale partnerbegrip. Onderkent de regering
dat van 2027 tot en met 2029 een groep ontstaat die voor de toeslagen niet, maar voor
de inkomstenbelasting wél als partner wordt aangemerkt (en omgekeerd) en dat dit de
door de regering beoogde begrijpelijkheid van het partnerbegrip tijdelijk ondermijnt?
Welke concrete gevolgen heeft deze divergentie voor onder meer de toerekening van
vermogensbestanddelen in box 3, de inkomensafhankelijke combinatiekorting en de voorinvulling
van de aangifte inkomstenbelasting?
Waarom wordt de harmonisatie niet gelijktijdig per 2027 doorgevoerd en wat verzet
zich tegen een eerdere structuurwijziging in de inkomstenbelasting?
De leden van de JA21-fractie plaatsen het voorliggende wetsvoorstel in een breder
verband. Deze leden stellen vast dat het wetsvoorstel een grove benadering vervangt
door een andere grove benadering, terwijl de onderliggende oorzaak onverlet blijft:
een complex stelsel dat draagkracht achteraf en bij benadering meet, met voorschotten,
terugvorderingen en partnerverrassingen. Is de regering met deze leden van mening
dat het herhaaldelijk bijstellen van het partnerbegrip de noodzaak van een fundamentele
herziening van het toeslagenstelsel onderstreept? Welke concrete stappen en welk tijdpad
voorziet de regering richting een stelsel dat draagkracht nauwkeuriger meet zonder
ingrijpend onderzoek in de persoonlijke levenssfeer en richting harmonisatie van het
partnerbegrip over de toeslagen, de fiscaliteit en de sociale zekerheid? Kan de regering
toezeggen de Kamer een routekaart te sturen waarin de samenhang tussen de vereenvoudiging
van het partnerbegrip, de herziening van de vermogenstoets en de bredere stelselherziening
uiteen wordt gezet?
De leden van de SGP-fractie hebben bedenkingen voor de voorgestelde maatregel om het
criterium samengestelde gezinnen te laten vervallen. Deze leden begrijpen dat dit
het stelsel eenvoudiger maakt en dat huishoudens er hierdoor op vooruit gaan. Tegelijk
kunnen er ook ongewenste effecten, waaronder ongelijke behandeling, optreden. Samengestelde
gezinnen, die bijvoorbeeld geen huwelijk of samenlevingscontract hebben gesloten,
geen gezamenlijke woning hebben gekocht of geen pensioenpartner zijn, kunnen er duizenden
euro’s op vooruit gaan. Onder andere door het recht krijgen op de alleenstaande ouderkop.
Tegelijk hebben gezinnen die «niet zijn samengesteld» hier geen recht op, terwijl
dat bijvoorbeeld alleen kan komen doordat er een huwelijk is gesloten. Of doordat
er een gezamenlijke woning is gekocht. De overige omstandigheden kunnen hetzelfde
zijn. Leidt dit niet tot ongewenste ongelijke behandeling? Wordt de toegang tot toeslagen
voor samengestelde gezinnen hierdoor niet veel eenvoudiger dan voor gezinnen die niet
zijn samengesteld? De leden van de SGP-fractie hebben daarom ook bedenkingen bij de
afweging die is gemaakt om het stelsel eenvoudiger te maken, maar tegelijk het stelsel
ook minder gericht te maken. Kan de regering hier ook op reflecteren?
De leden van de ChristenUnie-fractie ondersteunen het streven naar vereenvoudiging,
maar vragen hoe wordt geborgd dat het partnerbegrip beter aansluit bij de feitelijke
leefsituatie van burgers. In het geval van het laten vervallen van het criterium samengestelde
gezinnen begrijpen deze leden dat een knelpunt wordt opgelost. Immers, voor een groep
van ongeveer 10.000 burgers bestaat dan geen onbedoeld toeslagpartnerschap meer. Evenwel
is het mogelijk dat in de nieuwe situatie mensen die feitelijk wel onder het toeslagpartnerbegrip
zouden moeten vallen, dit niet aanvragen en om die reden te veel toeslagen ontvangen.
Kan de regering hierop reflecteren, en ook kwantitatief onderbouwen hoe groot deze
groep naar verwachting is, en welke budgettaire gevolgen dit heeft?
2.3 Laten vervallen uitzondering op medebewoner begrip voor ontheemden uit Oekraïne
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie kunnen de redenering dat ontheemden die een
inkomen genieten of beschikken over veel vermogen logischerwijs ook kunnen bijdragen
aan de woonkosten van een gasthuishouden goed volgen. Tegelijkertijd maken deze leden
zich enige zorgen over de gevolgen van deze maatregel voor het aantal huishoudens
dat bereid is ontheemden uit Oekraïne in huis op te nemen. Er is immers op dit moment
al sprake van een groot tekort aan opvangplekken, en het vooruitzicht dat mogelijk
het recht op de huurtoeslag vervalt kan mensen afschrikken van de stap om ontheemden
opvang te bieden. Dit kan zelfs het geval zijn als dat in de praktijk meevalt of zelfs
helemaal niet zo blijkt te zijn, omdat het voor burgers lastig kan zijn een inschatting
te maken van de exacte gevolgen. De onzekerheid die een mogelijk gevolg met zich meebrengt
kan volgens deze leden in de praktijk al voldoende zijn om mensen af te schrikken.
Deze leden vragen de regering dan ook of zij deze zorgen deelt. Ook vragen deze leden
wat de regering gaat doen om de eventuele onzekerheid bij mensen weg te nemen en mensen
goed voor te lichten over de gevolgen voor de huurtoeslag als zij een ontheemde uit
Oekraïne in huis opnemen. Voorts willen deze leden graag weten hoeveel gasthuishoudens
gebruik maken van huurtoeslag.
2.4 Voorkomen dat minderjarigen als toeslagpartner worden aangemerkt
De leden van de D66-fractie onderschrijven het uitgangspunt dat het niet wenselijk
is dat minderjarigen als toeslagpartner behoren te worden aangemerkt. Echter, in de
memorie van toelichting gaat het voornamelijk over situaties waarin ten minste één
partner minderjarig is, terwijl de aanleiding in de toelichting en beslisnota vooral
wordt gekeken naar een specifieke casus met twee minderjarigen? Kan de regering verduidelijken
om welke problematiek de maatregel nu precies gaat en hoe groot de verschillende groepen
zijn die hierdoor worden geraakt?
2.6 Verlaging vermogensgrenzen zorgtoeslag en kindgebonden budget
De leden van de D66-fractie lezen dat als dekking voor de afschaffing van het criterium
samengestelde gezinnen de vermogensgrenzen in de zorgtoeslag en het kindgebonden budget
per worden verlaagd. Is er alleen binnen het toeslagendomein dekking gezocht, of zijn
er ook andere dekkingsopties onderzocht? Hoeveel huishoudens verliezen zowel zorgtoeslag
en het kindgebonden budget? Hoeveel gaan deze huishoudens er netto en bruto op achteruit
maandelijks?
De leden van de VVD-fractie lezen dat de regering de voorstellen financieel wil dekken
door de vermogensgrenzen in het kindgebonden budget en de zorgtoeslag met bijna dertigduizend
euro te verlagen. Deze verlaging staat los van het voornemen van dit kabinet om de
vermogensgrens in de zorgtoeslag vanaf 2028 te harmoniseren met het heffingsvrij vermogen.
Daarvoor zal de regering een apart wetsvoorstel voorbereiden, zo schrijft de regering.
Wordt op deze manier dan niet getracht dezelfde financiële ruimte (verlagen vermogensgrens
zorgtoeslag) dubbel te benutten, namelijk enerzijds met dit voorstel en anderzijds
met de gemaakte afspraken in het coalitieakkoord? Graag ontvangen deze leden op dit
punt een toelichting.
Hoe verhoudt het voornemen van de regering om de vermogensgrens van de zorgtoeslag
gelijk te trekken met het heffingsvrij vermogen van box 3 zich tot de Wet werkelijk
rendement waarin het heffingsvrij vermogen wordt vervangen door het heffingsvrij resultaat?
Door het verlagen van de vermogensgrenzen in het voorliggende voorstel wordt financiële
prudentie voor huishoudens en investeringen in de economie door huishoudens niet aangemoedigd.
Immers, wie toeslagen wil ontvangen, kan beter geld uitgeven en minder vermogen zoals
spaargeld of aandelen opbouwen. Deelt de regering deze mening? Zo ja, waarom vindt
de regering dit wenselijk?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie begrijpen de keuze voor het dekken van de
voorgestelde maatregelen door middel van een verlaging van de vermogensgrenzen binnen
de zorgtoeslag en het kindgebonden budget. Deze leden delen echter ook de kritiek
van de Raad van State dat een bredere visie op de vermogensgrenzen ontbreekt. Net
als bij het partnerbegrip zijn ook vermogensgrenzen in nog meer regelingen dan alleen
de toeslagen te vinden: de Participatiewet kent bijvoorbeeld ook een vermogensgrens
en voor de kwijtschelding van gemeentelijke belastingen wordt eveneens een vermogensgrens
gehanteerd. Daarnaast vinden deze leden het opvallend dat binnen het toeslagenstelsel
verschillende vermogensgrenzen worden gehanteerd. Kan de regering toelichten waarom
dat zo is?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zijn bang dat de verschillende vermogensgrenzen
in de sociale zekerheid en inkomensondersteuningsregelingen voor verwarring kunnen
zorgen. Hoe ziet de regering dit? Vindt de regering het wenselijk dat deze grenzen
worden geharmoniseerd, of juist niet? Voorts vragen deze leden waarom de regering
niet van deze gelegenheid gebruik maakt om ook de vermogensgrens binnen het kindgebonden
budget te verlagen naar hetzelfde niveau als dat van de zorgtoeslag (conform het coalitieakkoord
het heffingvrije vermogen in box 3) en de opbrengst te gebruiken om af te zien van
de voorgenomen bezuiniging op het kindgebonden budget (het steilere afbouwpad in wetsvoorstel
36 923; Wijziging van de Wet op het kindgebonden budget en het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
in verband met het verhogen van het afbouwpercentage voor ouders met een toetsingsinkomen
vanaf € 57.950).
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat de voorgestelde maatregel ongeveer
50.000 huishoudens raakt. Dat is, zoals de regering aangeeft, 0,6 procent van het
totaal aantal huishoudens in Nederland. Kan de regering ook aangeven om welk percentage
van de huishoudens die zorgtoeslag of kindgebonden budget krijgen het gaat?
Voorts vragen deze leden of de regering heeft overwogen om ook box 2-vermogen mee
te laten tellen bij het bepalen of iemand recht heeft op een toeslag of niet. Kan
de regering de voor- en nadelen van deze optie schetsen? Hoeveel zou een dergelijke
maatregel jaarlijks opleveren? Ook zijn deze leden benieuwd of de regering het schrappen
van de doorwerking van aftrekposten op de hoogte van het verzamelinkomen als een alternatieve
dekkingsoptie ziet. Klopt het dat dit jaarlijks ongeveer een miljard euro zou opleveren?
Wat zijn hier de voor- en nadelen van?
De leden van de CDA-fractie vragen of het klopt dat de vermogensgrenzen voor het kindgebonden
budget op basis van deze wet uiteindelijk worden verlaagd tot € 146.011 – € 29.908
+ € 1.539 = € 117.642 voor alleenstaanden en € 184.633 – € 29.908 + € 1.539 = € 156.264
voor stellen. Deze leden vinden het vanuit een draagkrachtgedachte verdedigbaar de
dekking te zoeken in de hoogte van de vermogens voor toeslagen.
Ook vragen deze leden of meer in de breedte iets te zeggen is over de vermogensverdeling
onder toeslagenontvangers. Hoeveel ontvangers van kindgebonden budget hebben bijvoorbeeld
een vermogen tussen ca. 0 – € 50.000, hoeveel tussen de € 50.000 – € 100.000 en hoeveel
tussen de € 100.000 en € 150.000, uitgesplitst naar alleenstaanden en stellen?
De leden van de CDA-fractie lezen dat circa 50.000 huishoudens worden geraakt door
het verlagen van de vermogensgrenzen. Deze leden vragen of het klopt dat dit voor
8.000–13.000 huishoudens ziet op het kindgebonden budget en voor de rest van de huishoudens
op verlies aan zorgtoeslag.
De leden van de SGP-fractie lezen, in reactie op het advies van de Raad van State,
dat de regering de mogelijkheden verkent om de vermogenstoets op een andere manier
vorm te geven. Deze leden delen de wens voor dat onderzoek, omdat de vermogensgrenzen
nu tamelijk hoog liggen, waardoor huishoudens met een hoog vermogen vaak alsnog recht
houden op een toeslag. Deze leden wijzen er echter op dat zowel de inkomens- als vermogensgrenzen
veelvuldig zijn aangepast in de afgelopen tijd en dat er voorstellen liggen tot verdere
aanpassingen. Dit leidt tot veel onzekerheid bij huishoudens en tot het feit dat het
recht op een toeslag voortdurend kan veranderen. De leden van de SGP-fractie roepen
de regering daarom op om toekomstige wijzigingen zo veel als mogelijk te bundelen.
Deelt de regering deze wens en hoe komt dat tot uiting? Daarnaast vragen deze leden
wanneer de genoemde verkenning van de vermogenstoets naar de Kamer wordt gestuurd.
3. Verhouding tot nationale regelgeving
De leden van de D66-fractie vragen hoe het voorliggende wetsvoorstel zich verhoudt
tot wijzigingen van het partnerbegrip in de sociale zekerheid? Kan de regering toelichten
wat de stand van zaken is rond harmonisering van het partnerbegrip in de sociale zekerheid?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat de regering terecht wijst op de
relatie tussen het toeslagpartnerbegrip en de sociale zekerheid en fiscaliteit. Deze
leden merken op dat met het voorliggende wetsvoorstel nog steeds verschillende partnerbegrippen
blijven bestaan, wat voor burgers voor verwarring kan blijven zorgen. Deze leden vragen
daarom of de regering heeft overwogen over te gaan tot verdergaande harmonisatie van
het partnerbegrip in alle socialezekerheidsregelingen en inkomensondersteuningsregelingen.
Deze leden snappen dat het niet per se wenselijk is als de Dienst Toeslagen een feitenonderzoek
moet gaan uitvoeren om te bepalen of sprake is van een toeslagenpartnerschap of niet,
maar menen dat deze manier van werken ook bij andere uitvoeringsinstanties voor problemen
zorgt. Kan de regering daarop reflecteren? Is verdere harmonisatie voor de regering
wel een langetermijndoel of überhaupt niet per se wenselijk?
Voorts vragen deze leden of de regering kan bevestigen dat het de bedoeling is dat
de voorgestelde aanpassingen op termijn ook in de fiscaliteit worden doorgevoerd.
3.1 Relatie met studiefinanciering en de sociale zekerheid
De leden van de VVD-fractie steunen de ambitie om te komen tot een zoveel mogelijk
geharmoniseerd en gestandaardiseerd partnerbegrip. Deze leden vragen de regering waarom
er niet direct is gekozen voor een bredere standaarddefinitie die ook in andere inkomensafhankelijke
regelingen kan worden toegepast. Welke concrete stappen zijn nodig om op termijn tot
één uniform partnerbegrip binnen de sociale zekerheid en inkomensondersteuning te
komen?
De leden van de CDA-fractie vinden het goed dat ook wordt gekeken in hoeverre een
partnerbegrip in de Awir kan aansluiten op dat in de sociale zekerheid. In het coalitieakkoord
is immers ook opgenomen dat we willen werken aan vereenvoudigingen in het fiscale,
sociale zekerheids- en toeslagenstelsel, wat onder andere harmonisering van begrippen
en voorwaarden voor inkomensondersteunende regelingen betekent. Deze leden vragen
of de voorgenomen vereenvoudigingen voldoende in de richting van eenduidige kaders
gaan en wat er nog nodig is voor verdere harmonisatie. Ook vragen deze leden meer
in de breedte wat het tijdspad is dat de regering voor zich ziet om tot verdere harmonisering
en vereenvoudiging van begrippen en voorwaarden voor inkomensondersteunende regelingen
te komen, omdat dit ook randvoorwaardelijk is voor het uiteindelijk automatisch kunnen
toekennen van zulke regelingen.
3.2 Relatie met de fiscaliteit
De leden van de VVD-fractie onderschrijven het belang van een eenvoudiger en beter
uitlegbaar stelsel. Deze leden begrijpen dat de regering met het vervallen van het
criterium «partner in het voorgaande jaar» en het criterium voor samengestelde gezinnen
verdere harmonisatie tussen het partnerbegrip in de inkomstenbelasting en de toeslagen
beoogt.
Deze leden vragen de regering om nader uiteen te zetten welke concrete vereenvoudigingswinst
met deze harmonisatie wordt bereikt voor burgers, uitvoeringsorganisaties en de Belastingdienst.
In hoeverre draagt het terugbrengen van uitzonderingen en afwijkende partnercriteria
bij aan een meer uniform en voorspelbaar stelsel?
Daarnaast vragen deze leden of de regering een meer fundamentele visie heeft op de
standaardisering van partnerbegrippen binnen het fiscale domein. Acht de regering
het wenselijk dat, met uitzondering van zwaarwegende redenen, binnen verschillende
regelingen zoveel mogelijk één uniform partnerbegrip wordt gehanteerd? Zo ja, welke
resterende verschillen bestaan er nog en ziet de regering mogelijkheden om deze op
termijn verder te verminderen?
5. Uitvoeringsgevolgen
De leden van de D66-fractie vragen in hoeverre het vereenvoudigde partnerbegrip afhankelijk
is van de juistheid en actualiteit van de BRP-registratie. Kan de regering toelichten
wat er gebeurt in situaties waarin de woonsituatie en de BRP-registratie tijdelijk
niet overeenkomen, en in hoeverre dit kan leiden tot onjuiste toekenning of terugvordering
van toeslagen?
7. Doenvermogen
De leden van de D66-fractie lezen dat het vervallen van het criterium samengestelde
gezinnen het partnerbegrip intuïtiever zou maken. Hier wordt wel het oordeel gegeven
dat dit moet leiden tot minder acties voor de burger. Kan de regering aangeven hoe
wordt gezorgd dat de voormalige toeslagpartner zelf eenmalig individueel toeslagen
aanvraagt? Hoe groot acht de regering het risico op terugvorderingen bij burgers naar
aanleiding van de verlaging van de vermogensgrens bij kindgebonden budget en zorgtoeslag?
De leden van de VVD-fractie wijzen erop dat door de verlaging van de vermogensgrenzen
in de zorgtoeslag en het kindgebonden budget naar schatting van het kabinet 50.000
huishoudens het recht op één of beide toeslagen verliezen. De leden van de VVD-fractie
lezen dat de Dienst Toeslagen zich zal inspannen om duidelijk te communiceren over
de verlaging van de vermogensgrenzen om zoveel mogelijk terugvorderingen als gevolg
van de verlaging te voorkomen. Dit wil de Dienst Toeslagen doen door communicatie
via de website en intermediairs en door bij nieuwe aanvragen duidelijk te communiceren
over de nieuwe vermogensgrens. Ziet de regering mogelijkheden om nog meer inspanningen
te leveren rondom de communicatie en is de regering dat ook van plan?
8. Gevolgen burgers en bedrijven
De leden van de VVD-fractie lezen dat er bij de inschatting van de gevolgen voor de
regeldruk geen rekening is gehouden met eventuele terugbetalingen (zoals door het
niet tijdig stopzetten van één of beide toeslagen) of eventueel ingediende bezwaren.
Waarom is hiervoor gekozen? Wat de leden van de VVD-fractie betreft had dit de berekening
van de regeldrukkosten geloofwaardiger gemaakt.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
C.A. (Chris) Jansen, voorzitter van de vaste commissie voor Financiën -
Mede ondertekenaar
W.A. Lips, adjunct-griffier
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.