Brief regering : Kinderen in de asielopvang
19 637 Vreemdelingenbeleid
Nr. 3565
BRIEF VAN DE MINISTER VAN ASIEL EN MIGRATIE
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 2 juni 2026
De positie van kinderen in de asielopvang, onder wie alleenstaande minderjarige vreemdelingen
(hierna: amv), vraagt blijvend om expliciete aandacht in een context van aanhoudende
druk op de opvangcapaciteit. Het gesprek over deze complexe opgave wordt al langer
gevoerd. Ook dit kabinet zet zich in om de positie van kinderen in de asielketen verder
te verbeteren.
Dit gebeurt langs meerdere sporen. Zo wordt gewerkt aan structurele verbeteringen
in het asiellandschap via wet- en regelgeving, waaronder de implementatie van het
Europese asiel- en migratiepact. Daarnaast wordt ingezet op financiële versterking
van de opvang en begeleiding, onder meer via structurele middelen voor het COA en
Nidos. Tegelijkertijd blijft inzet nodig op het versnellen van procedures, zodat kinderen
zo snel mogelijk duidelijkheid krijgen over hun toekomst, evenals op flankerend beleid
en, waar nodig, tijdelijke oplossingen in een situatie van aanhoudende capaciteitsdruk.
Tegen deze achtergrond heeft uw Kamer in verschillende debatten, verzoeken en moties,
waaronder de motie van het lid Van Nispen over het hanteren van minimale eisen voor
opvanglocaties waar kinderen verblijven (Kamerstuk 19 637, nr. 3481), en de motie van het lid Westerveld over het niet langer plaatsen van nieuwe kinderen
in (crisis)noodopvang, verzocht om intensievere inzet om de situatie van kinderen
in de opvang te verbeteren. Deze moties zien met name op het verbeteren van de veiligheid
en kwaliteit van opvanglocaties, het minimaliseren van verhuisbewegingen, het borgen
van toegang tot zorg en onderwijs, en het terugdringen van het verblijf van kinderen
in noodopvang.
Met deze brief geef ik een overzicht van de wijze waarop uitvoering wordt gegeven
aan de moties en toezeggingen en informeer ik uw Kamer over de actuele stand van zaken
in deze volgorde:
I. Kwaliteit en veiligheid van opvanglocaties voor kinderen
a. COA inventarisatie
b. Onderwijs
c. Zorg
II. Terugdringen van het verblijf van kinderen in de noodopvang
III. Algemene stand van zaken t.a.v. opvang van amv
IV. Afsluitende noot
I. Kwaliteit en veiligheid van opvanglocaties voor kinderen
Brief Kinderrechtencollectief over kinderen in de noodopvang
Het Kinderrechtencollectief heeft aandacht gevraagd voor de sterke toename van het
aantal kinderen in noodopvanglocaties en de negatieve gevolgen daarvan voor hun ontwikkeling
en welzijn. Volgens het collectief verblijven kinderen te lang in instabiele opvangsituaties,
worden zij frequent overgeplaatst en hebben zij onvoldoende toegang tot onderwijs,
zorg en een veilige leefomgeving. Het collectief verzoekt het kabinet onder meer om
een concrete tijdlijn voor de afbouw van noodopvang voor kinderen, verbetering van
de leefomstandigheden en structurele borging van het belang van het kind in het opvangbeleid.
Ik herken de zorgen die het Kinderrechtencollectief uit over de impact die langdurig
verblijf in noodopvang kan hebben op kinderen, zoals hieronder ook nog verder wordt
toegelicht. Met name de gevolgen van frequente verhuizingen, beperkte stabiliteit
en verminderde toegang tot voorzieningen zoals onderwijs en zorg vragen blijvende
aandacht. Ik vind het belangrijk deze signalen zorgvuldig te bespreken en ga daarom
met het Kinderrechtencollectief graag in gesprek over de door hen aangedragen zorgen
en verzoeken, waaronder de voortgang van de afbouw van noodopvanglocaties en de positie
van kinderen binnen het opvangstelsel.
COA inventarisatie
In de Kamerbrief van 19 september 2025 heeft mijn ambtsvoorganger uw Kamer geïnformeerd
over de laatste stand van zaken ten aanzien van de situatie van kinderen in de asielopvang1. In deze brief is uw Kamer tevens geïnformeerd over de kwantitatieve inventarisatie
die in 2025 door het COA is uitgevoerd op alle locaties waar op dat moment kinderen
werden opgevangen. Op basis van de uitkomsten van de inventarisatie zijn diverse acties
in gang gezet door het COA. Er is onder andere ingezet op het versterken van de rol
van de contactpersoon kinderen op de locaties en het verbeteren van het voorlichtingsmateriaal
voor kinderen. Structurele monitoring van de leef- en verblijfsomstandigheden van
kinderen wordt ingebed in het bredere kwaliteitskader. Vanuit het Ministerie van OCW
hebben de regiocoördinatoren nieuwkomersonderwijs contact gehad met alle locaties
waarvan uit de inventarisatie bleek dat er knelpunten waren, met als doel om bij te
dragen aan het oplossen van deze knelpunten. In het overgrote deel van de gevallen
zijn de knelpunten opgelost of niet meer van toepassing.
Zoals eerder aan uw Kamer toegezegd, voert het COA momenteel opnieuw een inventarisatie
uit. Het onderzoek is vergelijkend van aard: dezelfde tien criteria worden opnieuw
getoetst, zodat duidelijk wordt in hoeverre de situatie op de verschillende locaties
is verbeterd en op welke locaties extra maatregelen genomen moeten worden. In de rapportage
rondom de inventarisatie zal worden ingegaan op de huidige stand van zaken, maar ook
op concrete verbeteracties die sinds de vorige inventarisatie zijn genomen en de knelpunten
in het behalen van de gewenste resultaten. Ook zal er worden aangegeven welke vervolgstappen
naar aanleiding van deze inventarisatie nodig zijn. Hierbij moet worden opgemerkt
dat de ruimte voor met name de structurele verbetering ook afhankelijk is van de landelijke
opvangcapaciteit.
Volledigheidshalve noem ik hier nogmaals de criteria die zullen worden getoetst. Er
wordt onderscheid gemaakt tussen harde criteria en zachte criteria voor het opvangen
van kinderen (NB: standaardcriteria die in algemene zin gelden voor de asielopvang
zoals veiligheid en hygiëne worden hierin niet expliciet opgenomen). Harde criteria
betreffen wettelijke verplichtingen waar het COA of samenwerkingspartners aan moeten
voldoen of verplichtingen voortkomend uit de opdracht van het COA, deze zijn:
1. Toegang tot onderwijs (kinderen gaan zo snel mogelijk, maar uiterlijk binnen 3 maanden2 na aankomst in Nederland naar school).
2. Toegang tot eerstelijnszorg (kinderen hebben toegang tot huisartsenzorg).
3. Aanbod van spel en recreatie activiteiten (aanwezigheid van wekelijks activiteitenaanbod
voor kinderen (per leeftijdsgroep).
4. Aanwezigheid van een Aandachtsfunctionaris Huiselijk Geweld en Kindermishandeling
op locatie.
5. Aanwezigheid van een Contactpersoon Kinderen op locatie
De zachte criteria zijn gebaseerd op interne beleidskaders. Deze betreffen:
1. Privacy (kinderen overnachten met hun gezin in een eigen afgesloten ruimte/amv overnacht
in een afgesloten ruimte).
2. Aanwezigheid van kookfaciliteiten (amv/gezinnen zijn in de gelegenheid om zelfstandig
of in samenwerking met een cateraar te koken).
3. Speelmogelijkheden (kinderen hebben een binnen- en buitenruimte en spelmateriaal per
leeftijdsgroep tot hun beschikking).
4. Voorlichting (kinderen ontvangen voorlichting over veiligheid en het leven en wonen
op locatie).
5. Participatie (kinderen kunnen meedenken over zaken die relevant zijn voor hun welzijn).
Aan de hand van deze criteria kan worden beoordeeld in hoeverre een locatie kindvriendelijk
en veilig is. Op het moment dat een locatie niet aan één of meer van de harde eisen
voldoet, of daar niet snel alsnog aan kan voldoen, is het op zijn minst onwenselijk
om kinderen op deze locatie op te vangen. Dat wil nog niet direct zeggen dat de locatie
ook fysiek onveilig is, maar het is evident dat snel ingrijpen op deze locatie noodzakelijk
is. Het uitgangspunt is immers dat kinderen niet worden geplaatst op locaties die
niet aan de harde eisen voldoen. Indien een locatie (tijdelijk) tekortschiet, worden
maatregelen getroffen of wordt waar mogelijk afgezien van plaatsing van kinderen.
In de praktijk betekent dit dat er locaties zijn waar bewust geen (nieuwe) kinderen
worden geplaatst, bijvoorbeeld vanwege beperkte voorzieningen of een ongeschikte inrichting.
Uiteraard vormen de zachte criteria ook belangrijke factoren die een opvanglocatie
kindvriendelijk maken. Ook hier geldt dat een locatie die niet voldoet aan één van
de zachte criteria, zo snel mogelijk actie moet ondernemen om wel aan deze criteria
te voldoen.
Onderwijs
COA en het Ministerie van OCW verkennen de mogelijkheden om opvang, onderwijs en zorg
voor kinderen in de asielketen dichter bij elkaar te brengen, conform de motie-Van
Nispen c.s. Deze verkenning laat zien dat het allereerst van belang blijkt om alle
betrokkenen in de keten goed te informeren over de verschillende verantwoordelijkheden
m.b.t. opvang, onderwijs en zorg en voor de mogelijkheden om impasses te kunnen doorbreken.
Een voorbeeld van een bekende uitdaging is het voorkomen en terugdringen van schoolverzuim
onder amv waarbij samenwerking en een heldere rolverdeling tussen alle betrokkenen
die om de jongere heen staan (zoals de medewerker van Nidos en COA, de leerkracht,
schoolleider en leerplichtambtenaar) van cruciaal belang is. Specifiek als het gaat
om onderwijs is er ondersteuning voor gemeenten en scholen vanuit de vijf regiocoördinatoren
nieuwkomersonderwijs. Ook netwerkorganisatie LOWAN kan scholen ondersteunen in opdracht
van het Ministerie van OCW. Bij wijze van noodmaatregel kunnen scholen ook gebruik
maken van een tijdelijke nieuwkomersvoorziening, waarmee ze ruimte krijgen in het
onderwijs aan nieuwkomers door bijvoorbeeld minder uren onderwijs te bieden. Er wordt
momenteel gewerkt aan het wetsvoorstel Onderwijs aan nieuwkomers, waarover uw Kamer
vorig jaar juni is geïnformeerd3. Zoals toegezegd wordt uw Kamer in september geïnformeerd over de contouren van dit
wetsvoorstel.
Zorg
Een bekend knelpunt is dat gemeenten een jeugdzorgtraject starten, waarna de jeugdige
verhuist. De nieuwe gemeente is dan niet op de hoogte van het lopende traject, met
onnodige verspilling van middelen als gevolg. Daarnaast wordt ook het hulptraject
afgebroken. Dat heeft een negatief effect op jeugdigen. Op dit moment ben ik daarom
met verschillende partners aan het onderzoeken hoe de gegevensuitwisseling verbeterd
kan worden. Hoewel deze kwestie geen onderdeel is van het harde criterium «toegang
tot eerstelijnszorg», wil ik dit onderzoek hier toch benoemen, omdat effectieve en
efficiënte gegevensuitwisseling van belang is voor veel aspecten die de situatie van
kinderen in de asielopvang beïnvloeden. Zodanig dat nieuwe gemeenten op de hoogte
gesteld kunnen worden van contacten over onderwijs en jeugdzorg uit de voorgaande
gemeente.
Daarnaast heeft uw Kamer op 2 oktober 2025 een motie aangenomen van het lid Podt (D66)4. In die motie wordt de regering gevraagd om de psychosociale ondersteuning voor kinderen
in de asielopvang structureel in te bedden. In december vorig jaar is de Kamer geïnformeerd
over de stand van zaken van de uitvoering van de motie Podt (D66)5. Naar aanleiding van de motie zijn overleggen gevoerd met het COA en de organisaties
die nu activiteiten uitvoeren op het terrein van psychosociale ondersteuning, Stichting
de Vrolijkheid, VluchtelingenWerk Nederland, Save the Children. Ook is er gesproken
met War Child die veel ervaring heeft met kinderen die te maken hebben met oorlogstrauma’s
en met Pharos, het kenniscentrum voor gezondheidszorg en vluchtelingen. Op grond van
deze gesprekken is in kaart gebracht wat nodig is om kinderen de juiste psychosociale
ondersteuning te bieden en wat de financiële implicaties daarvan zijn. Momenteel wordt
gekeken hoe financiële dekking kan worden gekregen zodat de activiteiten, conform
de motie, structureel geborgd kunnen worden. Hierover wordt de Kamer in een aparte
brief op de hoogte gehouden.
II. Terugdringen van verblijf in noodopvang
Het kabinet onderschrijft het uitgangspunt dat kinderen niet in (crisis)noodopvang horen te verblijven. Tegelijkertijd is de situatie in de asielopvang
kritiek. Er is een groot tekort aan opvangplekken wat de komende maanden naar verwachting
verder oploopt. De realiteit is dat circa twee derde van de opvanglocaties uit noodopvang
bestaat. Het volledig beëindigen van plaatsingen van kinderen in noodopvang is op
korte termijn daarom helaas niet haalbaar. Uiteraard streven we hier wel naartoe.
Het kabinet zet zich, onder meer via de Spreidingswet, in voor het realiseren van
voldoende stabiele en reguliere opvangplekken. Zodra het aantal reguliere plekken
iets meer bewegingsruimte toelaat in het plaatsingsbeleid van het COA, heeft het stoppen
met het plaatsen van kinderen in noodopvanglocaties hoge prioriteit. Daarmee gepaard
gaat ook het beperken van verhuisbewegingen van kinderen, door ze op duurzame locaties
onder te brengen. In dit licht wordt uitvoering gegeven aan de motie van het Lid Westerveld,
waarin wordt verzocht geen nieuwe kinderen meer te plaatsen in (crisis)noodopvang
en te komen met een plan met concrete doelstellingen om kinderen die momenteel in
de (crisis)noodopvang verblijven over te plaatsen naar reguliere opvangplekken.
In de tussentijd treft het COA, mede op basis van de uitkomsten van de inventarisatie,
gerichte maatregelen om ervoor te zorgen dat de omstandigheden voor kinderen ook op
noodopvanglocaties zo goed mogelijk voldoen aan de geldende opvangstandaarden.
III. Opvang en begeleiding van amv
De opvang van amv staat nog altijd onder druk. Er is sprake van een aanhoudend tekort
aan kleinschalige opvangplekken (KSO) bij Nidos, waardoor niet alle jongeren direct
in de meest passende opvangvorm kunnen worden geplaatst. Tegelijkertijd is de druk
op de opvangcapaciteit bij het COA momenteel zeer hoog. Het grootste knelpunt bevindt
zich momenteel niet zo zeer in de amv-locaties van het COA, maar in de reguliere opvanglocaties.
Momenteel verblijft een aanzienlijk aantal jongeren dat reeds de leeftijd van 18 jaar
heeft bereikt in de amv-opvang bij het COA. Op 29 april ging dit om bijna 1.000 personen.
Daarnaast bereiken binnen een jaar nog eens 1.900 jongeren de leeftijd van 18 jaar.
Deze jongeren dienen door te stromen naar de reguliere opvang voor volwassenen, maar
door de beperkte beschikbaarheid van plekken is dit niet altijd tijdig mogelijk. Dit
leidt tot stagnatie in de doorstroom en vergroot de druk op zowel de amv-opvang als
de reguliere opvang. Het COA zet zich in om amv zoveel mogelijk in dezelfde regio
te houden indien ze van opvanglocatie moeten wisselen nadat ze 18 worden. Door de
huidige capaciteitsdruk komt het echter ook regelmatig voor dat deze jongeren in een
ander deel van het land moeten worden geplaatst. Dit brengt risico’s met zich mee
voor de continuïteit en kwaliteit van de begeleiding, onderwijs en zorg van deze jongeren.
De overgang naar volledig zelfstandig leven is voor amv niet altijd eenvoudig. Het
regeerakkoord benadrukt dat kwetsbare amv, waar nodig, tot hun 21e jaar begeleid kunnen
worden. Voor amv met een verblijfsvergunning valt deze verlengde opvang onder de verantwoordelijkheid
van Nidos. Zij kunnen maximaal tot hun 21e jaar in hun opvanggezin of KSO blijven,
of kiezen voor zelfstandig wonen met ambulante begeleiding van Nidos mits vervolghuisvesting
beschikbaar is. De regeling voor verlengde opvang van Nidos bestaat sinds 2023. Nu
de eerste jongeren deze volledige periode doorlopen en 21 jaar zijn geworden, is dit
een passend moment voor een eerste evaluatie van deze vorm van opvang en begeleiding.
U zult over de uitkomsten van deze evaluatie worden geïnformeerd. Voor amv die nog
in procedure zijn en bij het COA verblijven, zijn de mogelijkheden voor verlengde
begeleiding na hun 18e beperkt en in de huidige situatie zo goed als nihil. Daarom
verkennen mijn ministerie en het COA momenteel mogelijkheden om ook binnen de COA-opvang
een vorm van verlengde begeleiding voor deze jongeren te realiseren.
Hiermee geef ik uitvoering aan motie van het lid Podt om uw Kamer ieder kwartaal te
informeren over de stand van zaken ten aanzien van de opvang van amv.
IV. Tot slot
Met deze inzet zet het kabinet concrete stappen om de veiligheid van kinderen en jongeren
in de asielopvang en de toegang tot en kwaliteit van opvang en voorzieningen te verbeteren.
Helaas zijn we er nog niet. Ik realiseer me dat er van COA, IND, Nidos, gemeenten,
scholen en andere betrokken actoren vaak veel wordt gevraagd. Daar spreek ik graag
nogmaals mijn waardering voor uit. Ik houd mij ook zeer aanbevolen voor goede praktijkvoorbeelden
in de keten en vanuit alle belanghebbenden die bij kunnen dragen aan het verbeteren
van de positie van deze doelgroep. Gezien de aanhoudende druk op het opvangstelsel
blijft verdere inzet noodzakelijk. Ik houd uw Kamer op de hoogte van de voortgang.
De Minister van Asiel en Migratie,
G. van den Brink
Ondertekenaars
G. van den Brink, minister van Asiel en Migratie