Brief regering : Verslag schriftelijk overleg over 'Samenvattend rapport Zorgverzekeringswet 2025' van de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa)(Kamerstuk 29689-1327)
29 689 Herziening Zorgstelsel
Nr. 1332
VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
Vastgesteld 2 juni 2026
De vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft een aantal vragen
en opmerkingen voorgelegd aan de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport over
de brief van 1 april 2026 over «Samenvattend rapport Zorgverzekeringswet 2025» van
de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) (Kamerstuk 29 689, nr. 1327).
De vragen en opmerkingen zijn op 16 april 2026 aan de Minister van Volksgezondheid,
Welzijn en Sport voorgelegd. Bij brief van 2 juni 2026 zijn de vragen beantwoord.
De voorzitter van de commissie, Mohandis
Adjunct-griffier van de commissie, Sjerp
Inhoudsopgave
I.
Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
2
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
2
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
3
Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
3
Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie
4
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
7
Vragen en opmerkingen van de leden van de SP-fractie
7
Vragen en opmerkingen van de leden van de Groep Markuszower
8
II.
Reactie van de Minister
10
I. Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van het «Samenvattend rapport Zorgverzekeringswet
2025» van de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) en de begeleidende brief van de Minister.
Deze leden danken de NZa voor het inzicht in de uitvoering van de Zorgverzekeringswet
en de Minister voor de bijgevoegde brief. Zij hebben hierover enkele vragen.
De leden van de D66-fractie lezen dat de premie voor de basisverzekering in 2025 minder
sterk is gestegen dan in voorgaande jaren, mede doordat zorgverzekeraars hun reserves
hebben ingezet. Deze leden vragen de Minister hoe zij kijkt naar de houdbaarheid van
deze ontwikkeling. Kan de Minister aangeven wat de mogelijke effecten van het verhogen
en trancheren van het eigen risico zijn op de premieontwikkeling?
De leden van de D66-fractie lezen de opmerkingen van de NZa over zorgverzekeraars
die vanuit hun zorgplicht een verantwoordelijkheid hebben om tijdige toegang tot zorg
te waarborgen. Hoe stuurt de Minister momenteel op deze zorgplicht in de ggz? Wat
zijn de resultaten daarvan, en wat zijn alternatieve instrumenten die de Minister
zou kunnen inzetten om deze impact te vergroten?
De leden van de D66-fractie constateren dat de NZa aangeeft dat zorgverzekeraars nog
stappen te zetten hebben in de invulling van hun zorgplicht in de kraamzorg. Deze
leden vinden dit zorgelijk, juist omdat de toegankelijkheid van kraamzorg al langere
tijd onder druk staat. Wat doet de Minister om zorgverzekeraars nadrukkelijker aan
te spreken op hun zorgplicht in de kraamzorg? Hoe neemt de Minister hierin haar stelselverantwoordelijkheid
en hoe wordt geborgd dat de uitvoering van deze zorgplicht daadwerkelijk op orde komt?
De NZa geeft aan deze ontwikkelingen te blijven volgen. Kan de Minister aangeven hoe
zij de Kamer actief zal informeren over de voortgang?
De leden van de D66-fractie lezen dat de NZa constateert dat de contractering in 2025
later tot stand kwam dan in het jaar ervoor. Deze leden vinden dit een zorgelijke
ontwikkeling, omdat dit zowel voor zorgaanbieders als voor verzekerden leidt tot onzekerheid
over zorgaanbod en vergoeding. Welke mogelijkheden ziet de Minister om te bevorderen
dat contractering tijdiger plaatsvindt? Welke rol ziet de Minister hierbij voor zichzelf
en de NZa, en acht zij aanvullende maatregelen nodig?
De leden van de D66-fractie lezen dat het aantal polissen hoog blijft, terwijl veel
polissen nauwelijks van elkaar verschillen, wat de transparantie voor consumenten
niet ten goede komt. Deze leden delen de zorg dat dit het maken van een weloverwogen
keuze bemoeilijkt. Welke stappen is de Minister voornemens te zetten om de transparantie
van het polisaanbod te verbeteren? Ziet de Minister mogelijkheden om zorgverzekeraars
sterker te prikkelen om zich te onderscheiden op relevante aspecten, zoals de mate
waarin zij voldoen aan hun zorgplicht?
De leden van de D66-fractie lezen dat de NZa het onwenselijk vindt dat aanvullende
verzekeringen worden gekoppeld aan bepaalde basisverzekeringen, omdat dit de keuzevrijheid
van consumenten beperkt en kan leiden tot hogere kosten. Hoe beoordeelt de Minister
deze analyse van de NZa? Welke vervolgstappen is de Minister bereid te zetten om deze
praktijk tegen te gaan en de keuzevrijheid van consumenten te beschermen?
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie hebben met interesse kennisgenomen van het «Samenvattend
rapport Zorgverzekeringswet 2025» van de Nederlandse Zorgautoriteit. Ze hebben hierover
nog een enkele vraag.
De leden van de VVD-fractie begrijpen dat de beperkte stijging van de zorgpremie te
wijten is aan het feit dat zorgverzekeraars hun reserves hiervoor hebben ingezet.
Kan de Minister aangeven hoe groot het deel van hun reserves zij hiervoor hebben ingezet,
procentueel gezien? In welke mate was de zorgpremie gestegen als zorgverzekeraars
geen gebruik hadden gemaakt van hun reserves?
Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de
brief van de Minister over het «Samenvattend rapport Zorgverzekeringswet 2025» van
de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa)». Genoemde leden hebben nog enkele vragen en opmerkingen.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie maken zich zorgen over de medicijntekorten
in Nederland. De genoemde leden lezen dat «Om die regierol goed te kunnen oppakken,
is verbetering nodig van hun inzicht in huidige en toekomstige vraag en aanbod van
generieke geneesmiddelen die mensen bij de apotheek kunnen krijgen.» Kan nader worden
toegelicht wat er concreet van zorgverzekeraars wordt verwacht ten aanzien van medicijntekorten
Worden er ook concrete doelen opgesteld ten aanzien van het verminderen van medicijntekorten?
Zijn er ook zorgverzekeraars waar de medicijntekorten relatief laag zijn? Zo ja, kan
worden toegelicht waarom de medicijntekorten bij die zorgverzekeraars minder problematisch
zijn dan bij andere? In hoeverre draagt het preferentiebeleid bij aan deze tekorten?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie maken zich tevens grote zorgen over de tekorten
in de kraamzorg. Vooral in kwetsbare wijken zijn de tekorten nijpend. Kan de Minister
toelichten of een differentiatiebeleid tussen wijken mogelijk is? Kunnen er verschillende
scenario’s van minimumtarieven worden geschetst waarbij er vooral wordt ingegaan wat
dit betekent voor het aanbod en de impact op de tekorten?
In het onderzoek naar de toegankelijkheid van fysiotherapie worden er geen prognoses
gedaan voor de toekomst. De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen wat de verwachting
is van de tekorten en wachtlijsten voor de fysiotherapie over 2, 5 en 10 jaar. Uit
een enquête van Fysiovakbond FDV blijkt namelijk dat 70 procent van de fysiotherapeuten
overweegt iets ander te doen1. Kan ook worden toegelicht hoe dit zich verhoudt tot de beweging naar passende zorg
waarin fysiotherapie een steeds belangrijkere rol krijgt?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat de NZa aanraadt om de eerste twintig
behandelingen voor chronisch zieken te vergoeden via de basisverzekering. Kan worden
toegelicht welke kosten hiermee zijn gepaard en wat de impact is op de gemiddelde
zorgpremie per jaar?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat het aantal polissen de laatste jaren
niet afneemt, waardoor patiënten met een gigantisch polisaanbod te maken hebben. Kan
worden toegelicht welke middelen of maatregelen genomen kunnen worden om het aantal
polissen te laten afnemen?
Ten aanzien van de contractering blijkt uit het onderzoek dat het aantal gesloten
contracten op 8 december 2025 voor het jaar 2026 in veel sectoren lager is dan vorig
jaar. Deze leden vinden dat een zorgelijke ontwikkeling. Kan worden toegelicht waarom
dit aantal lager is? Welke stappen gaan de veldpartijen (NZa, zorgverzekeraars, zorgaanbieders)
zetten om de contractering voor aankomend jaar eerder rond te hebben?
Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie
De leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van het «Samenvattend rapport Zorgverzekeringswet
2025» van de Nederlandse Zorgautoriteit en van de aanbiedingsbrief van de Minister.
Deze leden lezen in het rapport opnieuw een aantal hardnekkige problemen terug waar
patiënten en premiebetalers in de praktijk gewoon last van hebben. De druk op de zorg
neemt toe, wachttijden blijven bestaan, de rol van zorgverzekeraars schiet op onderdelen
tekort, het polisaanbod blijft onoverzichtelijk en ook de contractering loopt opnieuw
achter. De leden van de PVV-fractie vinden dat dit geen papieren problemen zijn, maar
zaken die mensen direct raken op het moment dat zij zorg nodig hebben.
De leden van de PVV-fractie lezen dat de NZa van zorgverzekeraars een actievere en
meer proactieve rol verwacht bij het signaleren en oplossen van knelpunten. Deze leden
vragen de Minister hoe zij dit beoordeelt. Waarom is die actieve opstelling kennelijk
nog steeds niet vanzelfsprekend? Hoe kan het dat zorgverzekeraars, terwijl zij binnen
dit stelsel juist zo’n belangrijke regierol hebben, op wezenlijke punten nog steeds
door de toezichthouder tot extra inzet moeten worden aangespoord?
De leden van de PVV-fractie lezen daarnaast dat in 2025 sprake is geweest van verscherpt
toezicht op een zorgverzekeraar vanwege tekortkomingen bij de uitvoering van de zorgplicht
in de geestelijke gezondheidszorg (ggz) en de medisch-specialistische zorg in een
specifieke regio. Deze leden vinden dat een ernstig signaal. Kan de Minister aangeven
wat hier precies misging, hoeveel verzekerden hierdoor geraakt zijn en wat dit zegt
over de manier waarop de zorgplicht in de praktijk wordt ingevuld? Hoe wordt voorkomen
dat verzekerden pas merken dat hun zorgverzekeraar tekortschiet als de toezichthouder
al heeft moeten ingrijpen?
De leden van de PVV-fractie vinden het ook zorgelijk dat de NZa bij de invulling van
de zorgplicht voor generieke geneesmiddelen nog steeds duidelijke verbeterpunten ziet.
Deze leden vragen de Minister hoe zij het beoordeelt dat zorgverzekeraars kennelijk
nog onvoldoende zicht hebben op de huidige en toekomstige beschikbaarheid van geneesmiddelen
en niet altijd tijdig kunnen ingrijpen bij tekorten. Wat betekent dit concreet voor
patiënten die afhankelijk zijn van deze middelen? Welke eisen stelt de Minister aan
zorgverzekeraars om te zorgen dat mensen niet de dupe worden van tekorten en gebrekkige
regie?
De leden van de PVV-fractie lezen verder dat ook de toegankelijkheid van de kraamzorg
nog altijd onder druk staat en dat de NZa verwacht dat zorgverzekeraars meer doen
om hun zorgplicht op dit punt waar te maken. Deze leden vragen de Minister hoeveel
regio’s in 2025 met serieuze problemen in de kraamzorg te maken hadden, in hoeveel
gevallen minder zorg kon worden geleverd dan normaal en hoe vaak moest worden teruggevallen
op een minimumvariant of digitale zorg. Acht de Minister het aanvaardbaar dat juist
rond zwangerschap en geboorte zulke structurele knelpunten blijven bestaan?
De leden van de PVV-fractie lezen dat de gemiddelde premie in 2025 uitkwam op 157
euro per maand en dat zorgverzekeraars 0,4 miljard euro uit hun reserves hebben ingezet
om de premiestijging te dempen. Deze leden vragen de Minister hoe houdbaar zij dit
vindt. Is hier niet gewoon sprake van het tijdelijk dempen van de pijn, terwijl de
onderliggende kosten in het stelsel blijven oplopen? Hoe groot acht de Minister het
risico dat premiebetalers de komende jaren alsnog met forse premiestijgingen te maken
krijgen?
De leden van de PVV-fractie constateren daarnaast dat er in 2025 nog steeds 59 basispolissen
zijn, en dat de NZa zelf aangeeft dat veel polissen nauwelijks van elkaar verschillen
en dat dit de transparantie niet ten goede komt. Deze leden delen die kritiek. Voor
veel mensen is het al lang niet meer duidelijk waar zij precies uit kunnen kiezen
en wat nu echt het verschil is tussen al die polissen. Waarom sleept dit probleem
al jaren voort? Wat gaat de Minister concreet doen om dit aanbod overzichtelijker
en begrijpelijker te maken?
De leden van de PVV-fractie lezen bovendien dat er per 2025 geen restitutiepolissen
meer worden aangeboden en dat deze zijn vervangen door combinatiepolissen met vergoedingsbeperkingen.
Deze leden vragen de Minister hoe zij deze ontwikkeling beoordeelt. Wat betekent dit
voor mensen die juist waarde hechtten aan keuzevrijheid of die afhankelijk zijn van
niet-gecontracteerde zorg? Hoeveel verzekerden zijn hierdoor er in de praktijk op
achteruitgegaan?
De leden van de PVV-fractie lezen verder dat aanvullende verzekeringen nog steeds
worden gekoppeld aan bepaalde basisverzekeringen en dat de NZa dit onwenselijk vindt,
omdat dit de keuzevrijheid beperkt en tot hogere kosten kan leiden. Deze leden vragen
de Minister waarom deze praktijk nog steeds mogelijk is. Is de Minister bereid te
kijken hoe aan deze vorm van koppelverkoop een einde kan worden gemaakt? Is de Minister
van mening dat de NZa de mogelijkheid moet krijgen om op te treden tegen ongewenste
koppelingen tussen basis- en aanvullende verzekeringen?
De leden van de PVV-fractie vinden het ook zorgelijk dat de contracteergraad op 8 december
2025 in veel sectoren lager lag dan een jaar eerder. Juist in de overstapperiode moeten
mensen weten waar zij aan toe zijn. Deze leden vragen de Minister wat dit concreet
heeft betekend voor verzekerden. Hoe kan iemand een weloverwogen keuze maken voor
een polis indien nog niet duidelijk is of zijn of haar zorgaanbieder wel gecontracteerd
zal zijn? Welke maatregelen worden genomen om te voorkomen dat deze onzekerheid zich
jaar op jaar blijft herhalen? Hoe gaat de Minister ervoor zorgen dat alle premies
bij de start van het overstapseizoen bekend zijn?
De leden van de PVV-fractie lezen daarnaast dat de NZa relatief veel meldingen heeft
ontvangen van ggz-aanbieders over contractvoorstellen van zorgverzekeraars en daarom
een toezichtonderzoek is gestart. Deze leden vragen de Minister hoe zij dit beoordeelt,
juist in een sector waar de wachttijden al hoog zijn en waar patiënten juist gebaat
zijn bij duidelijkheid en continuïteit. Deelt de Minister de opvatting dat onduidelijke
of onvoldoende onderbouwde contractvoorstellen de problemen in de ggz alleen maar
verder kunnen vergroten?
De leden van de PVV-fractie lezen dat de NZa bij fysiotherapie op dit moment geen
acute problemen in de toegankelijkheid ziet, maar wel waarschuwt voor risico’s voor
de continuïteit van zorg in de toekomst. Deze leden vinden dat een zorgelijk signaal,
juist omdat fysiotherapie voor veel mensen belangrijk is om klachten te beperken,
zwaardere zorg te voorkomen en zo lang mogelijk mobiel en zelfstandig te blijven.
Als de toegankelijkheid onder druk komt te staan, raken de gevolgen patiënten direct.
Hoe wil de Minister de toegankelijkheid van fysiotherapie vergroten?
De leden van de PVV-fractie lezen verder dat de resultaten van het onderzoek naar
de bruikbaarheid van de informatie op websites van zorgverzekeraars in het voorjaar
van 2026 worden gepubliceerd. Deze leden vragen de Minister de Kamer direct na publicatie
hierover te informeren, inclusief een reactie op de uitkomsten. Welke maatregelen
is de Minister bereid te nemen als uit dat onderzoek blijkt dat de informatie voor
consumenten onvoldoende duidelijk of bruikbaar is?
De leden van de PVV-fractie lezen voorts dat de NZa het onderzoek naar de risicoverevening
heeft geïntensiveerd en dat een verdiepend onderzoek loopt naar kosten zonder vastgesteld
NZa-tarief of prestatie, waardoor de definitieve vaststelling van de verantwoordingsinformatie
over 2022 is uitgesteld. Deze leden vragen de Minister hoe ernstig zij dit vindt.
Om welke bedragen gaat het precies en welke risico’s ziet zij voor de rechtmatigheid
en controleerbaarheid van de besteding van collectieve zorgmiddelen?
De leden van de PVV-fractie hebben ook vragen over de transformatiemiddelen. Zij lezen
dat voor de periode 2023–2028 1,9 miljard euro beschikbaar is en dat de NZa oordeelt
dat deze middelen plausibel zijn besteed en rechtmatig kunnen worden ingebracht. Deze
leden merken op dat dit nog niet automatisch betekent dat patiënten daar ook echt
verbetering van merken. Kan de Minister daarom concreet aangeven welke aantoonbare
resultaten in 2025 met deze middelen zijn bereikt als het gaat om wachttijden, toegankelijkheid,
personeel en passende zorg? Hoeveel van deze middelen zijn daadwerkelijk in de zorgpraktijk
terechtgekomen en hoeveel zijn opgegaan aan proceskosten, overlegstructuren, monitoring
en organisatie?
De leden van de PVV-fractie lezen ten slotte in de beslisnota dat het rapport volgens
het ministerie geen nieuwe informatie bevat en dat de Kamer over deze onderwerpen
al eerder is geïnformeerd. Deze leden vragen de Minister of dat niet juist onderstreept
dat dezelfde problemen rond toegankelijkheid, keuzevrijheid, contractering en transparantie
steeds terugkomen, zonder dat mensen daar in de praktijk voldoende verbetering van
merken. Kan de Minister per hoofdonderwerp aangeven welke concrete verbetering patiënten
en verzekerden in 2026 daadwerkelijk mogen verwachten?
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van het «Samenvattend rapport Zorgverzekeringswet
2025» van de NZa en hebben hierover nog enkele vragen.
Naar aanleiding van paragraaf 2.5 Toegang tot fysiotherapie. De leden van de CDA-fractie
lezen dat de NZa (opnieuw) in overweging geeft om de eerste twintig behandelingen
voor chronisch zieken te vergoeden via de basisverzekering. Deze leden vragen wat
de reactie van de Minister is op deze oproep, die eerder ook door het Zorginstituut
Nederland is gedaan en wat de implicaties hiervan zijn.
Naar aanleiding van paragraaf 3 Polismarkt. De leden van de CDA-fractie vragen hoe
het komt dat de korting bij een eigen risico van 885 euro per jaar de afgelopen jaren
is afgenomen (figuur 1).
Voorts lezen de leden van de CDA-fractie dat het aantal combinatiepolissen is gestegen,
met als oorzaak het niet meer aanbieden van restitutiepolissen. Deze leden vragen
hoe de Minister hiernaar kijkt. Wat is het verschil tussen een combinatiepolis en
een restitutiepolis en hoe sturen zorgverzekeraars via de combinatiepolis op minder
niet-gecontracteerde zorg? Wat is daar voor hen het voordeel van een combinatiepolis
ten opzichte van de restitutiepolis?
De leden van de CDA-fractie vragen of de Minister met de NZa deelt dat het grote aantal
polissen, dat ook niet afneemt, onwenselijk is vanwege de kleine verschillen tussen
polissen en het daarmee gepaard gaande gebrek aan transparantie voor verzekerden.
Deze leden vragen ook hoe de Minister aankijkt tegen het koppelen van aanvullende
verzekeringen aan (duurdere) basisverzekeringen. Deelt de Minister dat dit in het
nadeel van verzekerden is en niet past bij de maatschappelijke verantwoordelijkheid
van zorgverzekeraars?
Vragen en opmerkingen van de leden van de SP-fractie
De leden van de SP-fractie hebben kennisgenomen van het «Samenvattend rapport Zorgverzekeringswet
2025» van de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa). Zij hebben hier nog een aantal opmerkingen
en een enkele vraag over.
De leden van de SP-fractie lezen dat er in 2025 één zorgverzekeraar onder verscherpt
toezicht stond van de NZa vanwege de gebrekkige uitvoering van de zorgplicht op het
gebied van de ggz en de medisch specialistische zorg. Zij constateren echter dat de
zorgplicht structureel wordt geschonden door meerdere zorgverzekeraars als het gaat
om de ggz. De wachtlijsten in de ggz zijn namelijk structureel te lang, waardoor de
Treeknormen niet worden gehaald. Zorgverzekeraars hanteren ondertussen nog steeds
een inkoopbeleid dat niet is gericht op het maximaal verkorten van de wachtlijst,
door bijvoorbeeld omzetplafonds op te leggen. Waarom grijpt de NZa niet vaker in bij
zorgverzekeraars op dit gebied? Welke mogelijkheden heeft de NZa om zorgverzekeraars
verantwoordelijk te houden voor het schenden van de zorgplicht?
Vragen en opmerkingen van de leden van de Groep Markuszower
De leden van de Groep Markuszower hebben kennisgenomen van het «Samenvattend rapport
Zorgverzekeringswet 2025» van de NZa. Deze leden constateren dat het rapport wederom
symptomen beschrijft van een stelsel met dieperliggende architectuurproblemen: een
zorgplicht die te vrijblijvend wordt ingevuld, een polismarkt die schijnkeuze biedt
en een bekostigingssysteem dat preventie actief ontmoedigt. Structurele reparatie
vraagt om een eerlijk debat over de prikkels waarop het gehele systeem (verzekeraars,
ziekenhuizen en specialisten) feitelijk reageert. Deze leden hebben hierover de volgende
vragen en opmerkingen.
Inzake het onderdeel: Zorgplicht: verwachten of handhaven? De leden van de Groep Markuszower
constateren dat de NZa bij kraamzorg en geneesmiddelentekorten meerdere jaren achtereen
dezelfde verbeterpunten vaststelt, maar zich beperkt tot het uiten van «verwachtingen»
en «oproepen». Is de Minister het met deze leden eens dat vrijblijvende taal bij structurele
tekortkomingen niet langer passend is? Welke concrete handhavingsinstrumenten worden
dit jaar daadwerkelijk ingezet en wanneer kan de Kamer de eerste resultaten verwachten?
Genoemde leden merken tevens op dat restitutiepolissen per 2025 volledig zijn verdwenen
en dat zorgverzekeraars aanvullende verzekeringen blijven koppelen aan specifieke
basispolissen, iets wat de NZa zelf «onwenselijk» noemt. Is de Minister bereid een
wettelijk verbod in te voeren op deze koppelverkoop?
Inzake het onderdeel: Preventie en «longevity»: het stelsel beloont ziekte, niet gezondheid.
De leden van de Groep Markuszower constateren dat het NZa-rapport opnieuw zwijgt over
de structurele rem die de huidige bekostigingsarchitectuur legt op preventie. Dit
is geen nieuw inzicht. Uit onderzoek van het Talma-instituut (VU) bleek dat van elke
euro bespaard door passende zorg via de risicoverevening slechts circa 24 cent bij
de verzekeraar terugvloeit. Gezondheidseconoom Xander Koolman formuleerde het als
volgt: een zorgverzekeraar kan nooit meer dan 24 euro investeren om in de toekomst
100 euro aan zorgkosten te besparen, wil hij zijn concurrentiepositie niet schaden.
Investeren in preventie is daarmee voor individuele verzekeraars financieel irrationeel,
niet omdat bestuurders het niet willen, maar omdat het systeem het afstraft2.
Genoemde leden wijzen op het groeiende internationale wetenschappelijke inzicht dat
gezondheidszorg fundamenteel moet verschuiven van curatie naar preventie, niet als
moreel appel, maar als economische en demografische noodzaak. Arts en longevity-expert
dr. Peter Attia (Stanford/Johns Hopkins)3 betoogt in Outlive: The Science and Art of Longevity (2023) dat het huidige medische
model de vier grote chronische verouderingsziekten (hart- en vaatziekten, kanker,
dementie en type 2 diabetes) structureel te laat en te reactief aanpakt. Vroegtijdige
screening op biomarkers zoals ApoB-cholesterol, bloeddruk en insulineresistentie kan
hart- en vaatziekten, wereldwijd de grootste doodsoorzaak, significant uitstellen
of voorkomen. Een review in Frontiers in Aging (Milev et al., 2024) bevestigt dat
evidence-gedreven preventiestrategieën, inclusief leefstijlinterventies en biomarkermonitoring,
de meest kosteneffectieve route zijn om gezonde levensjaren te winnen.
Inzake het onderdeel: Stelselarchitectuur: een systeem dat zichzelf in stand houdt.
De leden van de Groep Markuszower stellen een fundamentelere vraag, die dit rapport
onbeantwoord laat: is het huidige zorgstelsel als geheel nog optimaal ontworpen voor
de uitdagingen van de komende decennia, of worden perverse prikkels op systeemniveau
structureel gereproduceerd? Genoemde leden verwijzen daarbij naar de economische literatuur
over principal-agent problemen in de gezondheidszorg.
Het huidige stelsel kent een gestapeld principal-agent probleem. Zorgaanbieders (de
agenten) worden per verrichting betaald, de zogenoemde p×q-bekostiging waardoor zij
een financiële prikkel hebben om zo veel mogelijk handelingen te verrichten, ongeacht
de gezondheidsuitkomst.4 Verzekeraars (als principaal tegenover zorgaanbieders) hebben in theorie belang bij
lagere kosten, maar worden via de risicoverevening feitelijk gecompenseerd voor hogere
zorguitgaven. De overheid (als principaal tegenover verzekeraars) wil lagere kosten
en betere gezondheidsuitkomsten, maar beschikt niet over de informatie en instrumenten
om dit effectief te sturen. De uitkomst van dit driedubbele principal-agent probleem
is een stelsel dat structureel meer productie, meer behandelingen en hogere kosten
genereert dan noodzakelijk is voor de volksgezondheid.
De NZa erkende dit zelf al eerder. Toenmalig bestuursvoorzitter Marian Kaljouw stelde
onomwonden dat de zorg «te veel een verdienmodel is geworden» en dat 15 tot 20 procent
van de behandelingen niet bewezen effectief is.5 Haar opvolger Josefien Kursten formuleerde de logische consequentie van passende
zorg nog scherper: «Als mensen minder naar het ziekenhuis gaan, zullen ziekenhuizen
moeten afslanken.»
Dit is de kern van het probleem dat dit rapport niet durft te benoemen: een consequente
preventieagenda, waarbij een significant deel van patiënten door vroegtijdige interventie
niet ziek wordt, ondermijnt de omzetbasis van ziekenhuizen en specialisten die nu
juist per verrichting worden betaald. De prikkel om te investeren in preventie en
gezondheid bestaat daarmee voor geen enkele actor in het stelsel. Ziekenhuizen worden
financieel geraakt als hun patiëntenpopulatie krimpt. Specialisten verdienen minder
als ze minder behandelen. Verzekeraars profiteren nauwelijks van kostenbesparingen.
En de overheid compenseert dit alles via de risicoverevening en de premie.
Genoemde vragen de Minister of zij bereid is een onafhankelijke evaluatie te laten
uitvoeren van de fundamentele prikkels in het zorgstelsel, specifiek gericht op de
vraag of de huidige combinatie van p×q-bekostiging, risicoverevening en marktwerking
compatibel is met een stelsel dat serieus inzet op preventie, longevity en gezondheidswinst
in plaats van zorgvolume.6 Is de Minister bereid de Kamer voor het einde van 2026 een onderzoeksopdracht voor
te leggen die deze vraag beantwoordt, met expliciete aandacht voor alternatieve bekostigingsmodellen
zoals populatiebekostiging en value-based healthcare?
Inzake het onderdeel: Financiële verantwoording: openstaand onderzoek. De leden van
de Groep Markuszower constateren dat het NZa-onderzoek naar de risicoverevening over
2022 opnieuw is uitgesteld. Wat is de financiële omvang van de posten onder verdiepend
onderzoek, en is terugvordering mogelijk als declaraties onrechtmatig blijken? Deze
leden vragen tevens of de Minister bereid is de Kamer jaarlijks te informeren over
concreet behaalde gezondheidsuitkomsten per zorgverzekeraar met de 1,9 miljard euro
aan IZA-transformatiemiddelen en niet slechts over de plausibiliteit van besteding,
maar over meetbare gezondheidswinst.
Tot slot vragen deze leden de Minister wanneer de Kamer een beleidsreactie op het
NZa-rapport kan verwachten die verder gaat dan het herhalen van bekende doelstellingen
en met concrete wetgevingsacties, handhavingsmaatregelen, en een eerlijk antwoord
op de vraag of het huidige stelsel structureel geschikt is voor een gezondheidspolitiek
die preventie serieus neemt.
II. Reactie van de Minister
De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van het «Samenvattend rapport Zorgverzekeringswet
2025» van de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) en de begeleidende brief van de Minister.
Deze leden danken de NZa voor het inzicht in de uitvoering van de Zorgverzekeringswet
en de Minister voor de bijgevoegde brief. Zij hebben hierover enkele vragen.
De leden van de D66-fractie lezen dat de premie voor de basisverzekering in 2025 minder
sterk is gestegen dan in voorgaande jaren, mede doordat zorgverzekeraars hun reserves
hebben ingezet. Deze leden vragen de Minister hoe zij kijkt naar de houdbaarheid van
deze ontwikkeling. Kan de Minister aangeven wat de mogelijke effecten van het verhogen
en trancheren van het eigen risico zijn op de premieontwikkeling?
Het kabinet vindt het positief dat eventuele meevallers bij verzekeraars terug worden
gegeven aan de premiebetaler via lagere premies. De inzet van reserves vormt echter
geen manier om op structurele wijze de premiegroei tegen te gaan. Ook een eenmalige
meevaller in het Zorgverzekeringsfonds zoals de meevaller die de premieontwikkeling
in 2026 heeft gedempt, is geen manier om op structurele wijze de premiegroei tegen
te gaan. Verder volgt de ontwikkeling van de premie de ontwikkeling van de zorguitgaven.
De zorguitgaven zullen naar verwachting ook in de komende jaren toenemen door de stijging
van de lonen in de zorg, de inflatie en de invloed van de vergrijzing op de zorguitgaven.
Hierdoor zal ook de premie moeten stijgen. In het coalitieakkoord heeft dit kabinet
maatregelen aangekondigd om het stelsel houdbaar en betaalbaar te houden. Dit doet
het kabinet door passende zorg de norm te maken. Ook zal de verhoging van het eigen
risico de premie minder hard doen laten stijgen.
Het kabinet is voornemens het verplicht eigen risico per 2027 weer te indexeren met
de stijging van de zorguitgaven en daarnaast te verhogen met € 60. Volgens huidige
inzichten leidt dit tot een € 57 minder hoge nominale premie. Daarnaast is het kabinet
voornemens het verplicht eigen risico per 2028 te trancheren op € 150 per behandelprestatie
in de medisch-specialistische zorg. Dit leidt naar verwachting in 2028 tot een € 2
minder hoge nominale premie.
De leden van de D66-fractie lezen de opmerkingen van de NZa over zorgverzekeraars
die vanuit hun zorgplicht een verantwoordelijkheid hebben om tijdige toegang tot zorg
te waarborgen. Hoe stuurt de Minister momenteel op deze zorgplicht in de ggz? Wat
zijn de resultaten daarvan, en wat zijn alternatieve instrumenten die de Minister
zou kunnen inzetten om deze impact te vergroten?
Het toezicht op de zorgplicht is in handen van de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa).
In de ggz zijn lange wachttijden en de NZa heeft in de afgelopen jaren diverse onderzoeken
gedaan naar de zorgplicht in de ggz. Recent is er onderzoek afgerond waarin gekeken
is of zorgverzekeraars voldoende proactief handelen bij overschrijding van de Treeknormen.
Twee zorgverzekeraars zijn hierop aangesproken door de NZa, en bij één zorgverzekeraar
is er een periode geweest van verscherpt toezicht. De NZa blijft alert op de rol van
zorgverzekeraars in de zorgplicht ggz. Het kabinet blijft in gesprek met de NZa en
zorgverzekeraars om de wachtlijsten in de ggz aan te pakken.
Het kabinet is daarnaast stelselverantwoordelijk en zet zich in om de toegankelijkheid
van de ggz te verbeteren. Zo zet het kabinet in op het versterken van de mentale veerkracht
via de Versterkingsagenda Mentale Gezondheid en ggz. Daarnaast voert het kabinet de
afspraken uit het IZA en AZWA uit om de organisatie van ggz-zorg en ondersteuning
structureel te verbeteren, onder meer door mentale gezondheidsnetwerken te versterken,
verkennende gesprekken in te zetten en exclusiecriteria te beperken. Samen met zorgverzekeraars
en zorgaanbieders ontwikkelen we een routekaart voor de verbetering van de contractering.
Het doel is om de randvoorwaarden zodanig te verbeteren dat de contractering en sturing
op passende ggz-zorg worden versterkt.
De leden van de D66-fractie constateren dat de NZa aangeeft dat zorgverzekeraars nog
stappen te zetten hebben in de invulling van hun zorgplicht in de kraamzorg. Deze
leden vinden dit zorgelijk, juist omdat de toegankelijkheid van kraamzorg al langere
tijd onder druk staat. Wat doet de Minister om zorgverzekeraars nadrukkelijker aan
te spreken op hun zorgplicht in de kraamzorg? Hoe neemt de Minister hierin haar stelselverantwoordelijkheid
en hoe wordt geborgd dat de uitvoering van deze zorgplicht daadwerkelijk op orde komt?
De NZa geeft aan deze ontwikkelingen te blijven volgen. Kan de Minister aangeven hoe
zij de Kamer actief zal informeren over de voortgang?
Het kabinet vindt het belangrijk dat de toegankelijkheid en continuïteit van kraamzorg
zoveel als mogelijk geborgd is. Hier zijn in eerste instantie kraamzorgaanbieders
en zorgverzekeraars voor verantwoordelijk. De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en
de NZa houden hier toezicht op. Zorgverzekeraars Nederland en Bo geboortezorg pakken
hun verantwoordelijkheid. Sinds 2023 hebben zij convenanten afgesloten om de zorg
op korte en middellange termijn te borgen. Voor de lange termijn hebben zij een visie
en versnellingsagenda opgesteld. Voor een deel van de agenda is € 9,8 miljoen aan
IZA-transformatiemiddelen toegekend. Met behulp van deze middelen wordt onder andere
aan passende kraamzorg gewerkt door de implementatie van de Kraamzorg landelijke Indicatie
methodiek (KLIM). Sinds 1 januari 2026 wordt gewerkt met regionale maatwerkafspraken.
In de brief van 3 maart7 jongstleden is de inzet van het kabinet op kraamzorg toegelicht. Het kabinet volgt
de ontwikkelingen nauwgezet en informeert de Kamer begin 2027 over de kraamzorg.
De leden van de D66-fractie lezen dat de NZa constateert dat de contractering in 2025
later tot stand kwam dan in het jaar ervoor. Deze leden vinden dit een zorgelijke
ontwikkeling, omdat dit zowel voor zorgaanbieders als voor verzekerden leidt tot onzekerheid
over zorgaanbod en vergoeding. Welke mogelijkheden ziet de Minister om te bevorderen
dat contractering tijdiger plaatsvindt? Welke rol ziet de Minister hierbij voor zichzelf
en de NZa, en acht zij aanvullende maatregelen nodig?
De NZa heeft in mei 2026 de informatiekaart gepubliceerd met de belangrijkste ontwikkelingen
rondom het overstapseizoen 2025/2026. Ten aanzien van de contracteergraad zijn in
deze informatiekaart ook de peildata van 22 december en 22 januari opgenomen. Het
samenvattend rapport gaat alleen in op de peildatum van 8 december.
In de informatiekaart komt naar voren dat de contractering in 2025 (gericht op 2026)
vergelijkbaar is met de contractering in 2024. De stijging ten opzichte van 2023 heeft
zich in 2025 grotendeels gestabiliseerd. Vanaf 22 december ontstaat een volledig beeld
en zit de contracteergraad in de meeste sectoren, de zbc’s uitgezonderd, boven de
90 procent. De meeste overstappers wisselen van zorgverzekeraar tussen kerst en nieuwjaar,
wanneer de meeste contracten rond zijn.
De NZa ziet toe op het soepel verlopen van het contracteerproces en heeft hiertoe
handvatten opgesteld. Op basis van een uitgebreide evaluatie met betrokken partijen
heeft de NZa de
Handvatten Zorgcontractering en de
Regeling transparantie zorgcontractering Zvw aangepast. Deze nieuwe handvatten zijn ingegaan op 1 maart 2026 en gelden voor het
contracteerproces vanaf 2027. De handvatten zijn verduidelijkt en daar waar mogelijk
vereenvoudigd met oog voor het beperken van de administratieve lasten. Voor zorgverzekeraars
geldt voortaan een maximale reactietermijn van zes weken bij offertes. Hiermee zijn
de verplichtingen van zorgverzekeraars en zorgaanbieders beter in balans. Ook moeten
zorgverzekeraars transparant maken hoe hun inkoopbeleid bijdraagt aan hun maatschappelijke
opgave, het waarborgen van toegankelijke, kwalitatief goede en betaalbare zorg voor
al hun verzekerden. De verwachting is dat deze nieuwe handvatten een positief effect
hebben op het contracteerproces.
Het kabinet is daarnaast voornemens een aantal maatregelen te treffen die van invloed
zullen zijn op het contracteerproces, zoals beschreven in de beleidsbrief VWS.8 Het kabinet zet in op passende zorg als norm, waarbij onder andere de inzet is dat
niet gecontracteerde zorg vanaf 2029 niet meer wordt vergoed. Dit zal effect hebben
op het contracteerproces.
De leden van de D66-fractie lezen dat het aantal polissen hoog blijft, terwijl veel
polissen nauwelijks van elkaar verschillen, wat de transparantie voor consumenten
niet ten goede komt. Deze leden delen de zorg dat dit het maken van een weloverwogen
keuze bemoeilijkt. Welke stappen is de Minister voornemens te zetten om de transparantie
van het polisaanbod te verbeteren? Ziet de Minister mogelijkheden om zorgverzekeraars
sterker te prikkelen om zich te onderscheiden op relevante aspecten, zoals de mate
waarin zij voldoen aan hun zorgplicht?
Voor 2026 betreft het 58 polissen. Er zijn 10 concerns en dus minder dan 6 polissen
per concern. Maar het is wel zo dat het voor verzekerden moeilijk is een verschil
te zien tussen bepaalde polissen. Het kabinet vindt dat informatieverstrekking aan
verzekerden helder en transparant moet zijn. Het moet bijvoorbeeld duidelijk zijn
of het om een natura- of een combinatiepolis gaat of welke vergoeding er wordt gegeven
bij niet gecontracteerde zorg. Hiervoor is de regel informatieverstrekking aan verzekerden
door de NZa gemaakt (TH/NR-027 regeling informatieverstrekking ziektekostenverzekeraars
aan consumenten). In deze regeling is ook opgenomen dat een zorgverzekeraar transparant
moet zijn over polissen die op elkaar lijken.
De NZa is een onderzoek begonnen naar hoe bruikbaar de informatie voor consumenten
was op de websites van zorgverzekeraars tijdens het afgelopen overstapseizoen. Daarbij
wordt vooral gekeken naar informatie over het eigen risico, de zorgplicht, (on)gecontracteerde
zorg en nagenoeg gelijke polissen, vanuit het perspectief van de consument. De NZa
zal de resultaten van dit onderzoek in de loop van 2026 bekend maken. Het kabinet
kijkt uit naar de resultaten van het onderzoek.
Alle zorgverzekeraars moeten aan de zorgplicht voldoen. Op onderdelen waarop zorgverzekeraars
zich wel kunnen onderscheiden, zoals actieve zorgbemiddeling en aandacht voor preventie,
profileren zij zich al. Het kabinet onderneemt verder geen actieve stappen om het
polisaanbod aan te passen.
De leden van de D66-fractie lezen dat de NZa het onwenselijk vindt dat aanvullende
verzekeringen worden gekoppeld aan bepaalde basisverzekeringen, omdat dit de keuzevrijheid
van consumenten beperkt en kan leiden tot hogere kosten. Hoe beoordeelt de Minister
deze analyse van de NZa? Welke vervolgstappen is de Minister bereid te zetten om deze
praktijk tegen te gaan en de keuzevrijheid van consumenten te beschermen?
Het is bekend dat er een aantal aanvullende verzekeringen aan specifieke basisverzekeringen
zijn gekoppeld. In 2024 is door zowel de NZa als ACM gevraagd om deze koppeling tegen
te gaan.9 Hier is in een brief van mijn voorganger op ingegaan.10 Het standpunt in deze brief, dat er voldoende keuzemogelijkheden voor verzekerden
moeten overblijven en dat verzekeraars eigen voorwaarden aan aanvullende verzekeringen
mogen stellen, wordt door dit kabinet onderschreven.
Het kabinet zal deze praktijk dus niet actief tegengaan, maar wel aandacht houden
voor de ontwikkeling en verlangen dat verzekeraars transparant en duidelijk zijn over
de voorwaarden.
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie hebben met interesse kennisgenomen van het «Samenvattend
rapport Zorgverzekeringswet 2025» van de Nederlandse Zorgautoriteit. Ze hebben hierover
nog een enkele vraag.
De leden van de VVD-fractie begrijpen dat de beperkte stijging van de zorgpremie te
wijten is aan het feit dat zorgverzekeraars hun reserves hiervoor hebben ingezet.
Kan de Minister aangeven hoe groot het deel van hun reserves zij hiervoor hebben ingezet,
procentueel gezien? In welke mate was de zorgpremie gestegen als zorgverzekeraars
geen gebruik hadden gemaakt van hun reserves?
Verzekeraars bepaalden in 2024 de inzet van de reserves voor de premie in 2025.
Daarom wordt de vergelijking gemaakt tussen de totale reserves in 2024 en de inzet
van de reserves voor de premiedemping in 2025. In 2024 hadden verzekeraars in totaal
11,4 mld euro aan reserves. De inzet van 0,4 mld euro bedraagt dan 3,5% van de totale
reserves.
Als verzekeraars geen reserves hadden ingezet, dan was de premie in 2025 1 euro per
maand hoger geweest. De gemiddelde maandelijkse premie was dan niet met € 11 maar
met € 12 gestegen in 2025.
Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de
brief van de Minister over het «Samenvattend rapport Zorgverzekeringswet 2025» van
de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa)». Genoemde leden hebben nog enkele vragen en opmerkingen.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie maken zich zorgen over de medicijntekorten
in Nederland. De genoemde leden lezen dat «Om die regierol goed te kunnen oppakken,
is verbetering nodig van hun inzicht in huidige en toekomstige vraag en aanbod van
generieke geneesmiddelen die mensen bij de apotheek kunnen krijgen.» Kan nader worden
toegelicht wat er concreet van zorgverzekeraars wordt verwacht ten aanzien van medicijntekorten
Worden er ook concrete doelen opgesteld ten aanzien van het verminderen van medicijntekorten?
Zijn er ook zorgverzekeraars waar de medicijntekorten relatief laag zijn? Zo ja, kan
worden toegelicht waarom de medicijntekorten bij die zorgverzekeraars minder problematisch
zijn dan bij andere? In hoeverre draagt het preferentiebeleid bij aan deze tekorten?
De verwachtingen van de NZa aan zorgverzekeraars voor de invulling van de zorgplicht
staan in algemene zin beschreven in de Handvatten Zorgplicht van de NZa.11 Verder heeft de NZa naar aanleiding van haar onderzoek naar de invulling van de zorgplicht
voor het onderwerp «geneesmiddelen» bij brief van 5 juni 2025 haar verwachtingen van
zorgverzekeraars concreet beschreven.12 Deze verwachtingen zijn in lijn met de verwachtingen ten aanzien van de zorgplicht
in het bijzonder. Daarnaast geldt dat medicijnen vaak onderdeel zijn van zorg waarvoor
toegankelijkheidsnormen opgesteld zijn. Het kabinet heeft geen signalen dat geneesmiddelentekorten
verzekerden van de ene zorgverzekeraar meer raken dan verzekerden van de andere zorgverzekeraar.
Het preferentiebeleid kan effect hebben op de beschikbaarheid van geneesmiddelen.
Het kan bijdragen aan de toegankelijkheid en beschikbaarheid van geneesmiddelen voor
de patiënt, maar het kan ook leiden tot een afname van de beschikbaarheid van geneesmiddelen.
In de Voortgangsbrief Beschikbaarheid Geneesmiddelen van 1 april 2026 heeft het kabinet
de Kamer daarover nader geïnformeerd. Tevens heeft het kabinet de Kamer bij die gelegenheid
geïnformeerd over de lopende onafhankelijke evaluatie van het preferentiebeleid, die
beoogt meer inzicht te geven in dit effect maar ook in andere effecten van het preferentiebeleid.13
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie maken zich tevens grote zorgen over de tekorten
in de kraamzorg. Vooral in kwetsbare wijken zijn de tekorten nijpend. Kan de Minister
toelichten of een differentiatiebeleid tussen wijken mogelijk is? Kunnen er verschillende
scenario’s van minimumtarieven worden geschetst waarbij er vooral wordt ingegaan wat
dit betekent voor het aanbod en de impact op de tekorten?
Op dit moment wordt kraamzorg per uur bekostigd. De NZa heeft laten weten dat op basis
van de huidige kostprijzen geen differentiatie aangebracht kan worden in de tarifering
van de kraamzorg. Een uur zorg leveren in een kwetsbare wijk kan complexer zijn, maar
heeft niet per se een hogere kostprijs. Wel is er ruimte om in de contractering het
leveren van zorg in deze wijken aantrekkelijker te maken, bijvoorbeeld met behulp
van de max-max tarieven. De toepassing van minimumtarieven in de kraamzorg ligt niet
voor de hand. Minimumtarieven worden gebruikt in het geval de macht van de zorgverzekeraars
zo hoog is dat druk ontstaat op de prijs en de zorgaanbieder daarvoor beschermd moet
worden. Dit probleem speelt niet in de kraamzorg. Zorgverzekeraars hebben de afgelopen
jaren, juist door het afsluiten van convenanten met de brancheorganisatie van de kraamzorg,
laten zien op basis van afspraken hogere tarieven te bieden.
Tegelijkertijd werken kraamzorgaanbieders en zorgverzekeraars aan een experimentele
bekostigingsstructuur met de intentie om de huidige bekostiging per uur te vervangen.
Hiermee wordt meer rekening gehouden met verschillen in zorgbehoefte tussen verschillende
gezinnen.
In het onderzoek naar de toegankelijkheid van fysiotherapie worden er geen prognoses
gedaan voor de toekomst. De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen wat de verwachting
is van de tekorten en wachtlijsten voor de fysiotherapie over 2, 5 en 10 jaar. Uit
een enquête van Fysiovakbond FDV blijkt namelijk dat 70 procent van de fysiotherapeuten
overweegt iets ander te doen14. Kan ook worden toegelicht hoe dit zich verhoudt tot de beweging naar passende zorg
waarin fysiotherapie een steeds belangrijkere rol krijgt?
Het onderzoek van de NZa bevat enkele prognoses over toekomstig gebruik van fysiotherapie
(tot 2040) op basis van demografische ontwikkelingen en de historische trend in zorggebruik.
Volgens deze scenario’s stijgt het gebruik van fysiotherapie jaarlijks met 0,1–0,8%.
Het gaat daarmee om een relatief kleine toename in zorggebruik. Tegelijkertijd plaatst
de NZa in haar rapport relevante kanttekeningen bij deze prognoses. Zo zijn de prognoses
gebaseerd op zorggebruik en niet de zorgvraag. Daarnaast is uitgegaan van gelijkblijvend
beleid. De beweging naar passende zorg is niet meegenomen in de prognoses. Deze beweging
kan zowel leiden tot een afname als toename van zorggebruik van fysiotherapie, bijvoorbeeld
door meer inzet op zelfredzaamheid (afname) en het ontlasten van bijvoorbeeld de medisch
specialist (toename).
De NZa constateert dat er momenteel voldoende eerstelijnsfysiotherapeuten zijn om
aan de huidige zorgvraag te voldoen. Tegelijkertijd voorziet de NZa wel risico’s die
op middellange termijn de sector onder druk kunnen zetten. Knelpunten in de beweging
naar passende zorg spelen daarin ook een rol. Fysiotherapeuten zijn een onmisbare
schakel in de beweging naar passende zorg. Zij leveren zorg dichtbij huis, ontlasten
de huisarts en nemen waar mogelijk zorg over van de tweede lijn. Daarmee dragen zij
bij aan het voorkomen van zwaardere en duurdere zorg. In de brief van 26 maart jl.
heeft het kabinet gereageerd op het rapport en de aanbevelingen van de NZa.15 Het kabinet zet in op het versterken in de eerstelijnszorg en passende zorg als norm.
Het kabinet verwacht van zorgaanbieders, zorgprofessionals en verzekeraars dat zij
uiteenlopende visies overbruggen door inzet op professionalisering. Daarnaast zet
dit kabinet in op structurele monitoring met gebruik van bestaande gegevensbronnen
en zo min mogelijk administratieve lasten.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat de NZa aanraadt om de eerste twintig
behandelingen voor chronisch zieken te vergoeden via de basisverzekering. Kan worden
toegelicht welke kosten hiermee zijn gepaard en wat de impact is op de gemiddelde
zorgpremie per jaar?
Het vergoeden van de eerste twintig behandelingen voor aandoeningen opgenomen op Bijlage
1 van het Besluit zorgverzekering zal naar verwachting ongeveer € 116 miljoen per
jaar kosten. Zonder overige wijzigingen in het basispakket resulteert dit in een toename
van de gemiddelde zorgpremie met circa € 4 per jaar.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat het aantal polissen de laatste jaren
niet afneemt, waardoor patiënten met een gigantisch polisaanbod te maken hebben. Kan
worden toegelicht welke middelen of maatregelen genomen kunnen worden om het aantal
polissen te laten afnemen?
Voor 2026 betreft het 58 polissen. Er zijn 10 concerns en dus minder dan 6 polissen
per concern. Het is voor verzekerden moeilijk om een verschil te zien tussen bepaalde
polissen. Het kabinet vindt dat informatieverstrekking aan verzekerden helder en transparant
moet zijn. Het moet bijvoorbeeld duidelijk zijn of het om een natura- of een combinatiepolis
gaat of welke vergoeding er wordt gegeven bij ongecontracteerde zorg. Hiervoor is
de regel informatieverstrekking aan verzekerden door de NZa gemaakt (TH/NR-027 regeling
informatieverstrekking ziektekostenverzekeraars aan consumenten). In deze regeling
is ook opgenomen dat een zorgverzekeraar transparant moet zijn over polissen die op
elkaar lijken.
De NZa is een onderzoek begonnen naar hoe bruikbaar de informatie voor consumenten
was op de websites van zorgverzekeraars tijdens het afgelopen overstapseizoen. Daarbij
wordt vooral gekeken naar informatie over het eigen risico, de zorgplicht, (on)gecontracteerde
zorg en nagenoeg gelijke polissen, vanuit het perspectief van de consument. De NZa
zal de resultaten van dit onderzoek in de loop van 2026 bekend maken. Het kabinet
kijkt uit naar de resultaten van het onderzoek.
Ten aanzien van de contractering blijkt uit het onderzoek dat het aantal gesloten
contracten op 8 december 2025 voor het jaar 2026 in veel sectoren lager is dan vorig
jaar. Deze leden vinden dat een zorgelijke ontwikkeling. Kan worden toegelicht waarom
dit aantal lager is? Welke stappen gaan de veldpartijen (NZa, zorgverzekeraars, zorgaanbieders)
zetten om de contractering voor aankomend jaar eerder rond te hebben?
De NZa heeft in mei 2026 de informatiekaart gepubliceerd met de belangrijkste ontwikkelingen
rondom het overstapseizoen 2025/2026. Ten aanzien van de contracteergraad zijn in
deze informatiekaart ook de peildata van 22 december en 22 januari opgenomen, waar
het samenvattend rapport alleen ingaat op de peildatum van 8 december.
In de informatiekaart komt naar voren dat de contractering in 2025 (gericht op 2026)
vergelijkbaar is met de contractering in 2024. De stijging ten opzichte van 2023 heeft
zich in 2025 grotendeels gestabiliseerd. De contractering van de ggz is wat achtergebleven
in vergelijking met vorig jaar, met name door discussies over tarieven naar aanleiding
van een kostprijsonderzoek dat is uitgevoerd door de NZa. Bij de medisch specialistische
zorg (msz) bleef de contractering in het begin van het seizoen wat achter doordat
offertes boven de in het IZA afgesproken tarieven lagen en/of een hogere prijsindex
dan de OVA. Vanaf 22 december ontstaat een volledig beeld en zit de contracteergraad
in de meeste sectoren, de zbc’s uitgezonderd, boven de 90 procent. De meeste overstappers
wisselen van zorgverzekeraar tussen kerst en nieuwjaar, wanneer de meeste contracten
rond zijn.
De NZa ziet toe op het soepel verlopen van het contracteerproces en heeft hiertoe
handvatten opgesteld. Op basis van een uitgebreide evaluatie met betrokken partijen
heeft de NZa de
Handvatten Zorgcontractering en de
Regeling transparantie zorgcontractering Zvw aangepast. Deze nieuwe handvatten zijn ingegaan op 1 maart 2026 en gelden voor het
contracteerproces vanaf 2027. De handvatten zijn verduidelijkt en daar waar mogelijk
vereenvoudigd met oog voor het beperken van de administratieve lasten. Voor zorgverzekeraars
geldt voortaan een maximale reactietermijn van zes weken bij offertes. Hiermee zijn
de verplichtingen van zorgverzekeraars en zorgaanbieders beter in balans. Ook moeten
zorgverzekeraars transparant maken hoe hun inkoopbeleid bijdraagt aan hun maatschappelijke
opgave, het waarborgen van toegankelijke, kwalitatief goede en betaalbare zorg voor
al hun verzekerden. De verwachting is dat deze nieuwe handvatten een positief effect
hebben op het contracteerproces.
Het kabinet is daarnaast voornemens een aantal maatregelen te treffen die van invloed
zullen zijn op het contracteerproces, zoals beschreven in de beleidsbrief VWS.16 Het kabinet zet in op passende zorg als norm, waarbij onder andere de inzet is om
niet gecontracteerde zorg vanaf 2029 niet meer te vergoeden. Dit zal effect hebben
op het contracteerproces.
Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie
De leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van het «Samenvattend rapport Zorgverzekeringswet
2025» van de Nederlandse Zorgautoriteit en van de aanbiedingsbrief van de Minister.
Deze leden lezen in het rapport opnieuw een aantal hardnekkige problemen terug waar
patiënten en premiebetalers in de praktijk gewoon last van hebben. De druk op de zorg
neemt toe, wachttijden blijven bestaan, de rol van zorgverzekeraars schiet op onderdelen
tekort, het polisaanbod blijft onoverzichtelijk en ook de contractering loopt opnieuw
achter. De leden van de PVV-fractie vinden dat dit geen papieren problemen zijn, maar
zaken die mensen direct raken op het moment dat zij zorg nodig hebben.
De leden van de PVV-fractie lezen dat de NZa van zorgverzekeraars een actievere en
meer proactieve rol verwacht bij het signaleren en oplossen van knelpunten. Deze leden
vragen de Minister hoe zij dit beoordeelt. Waarom is die actieve opstelling kennelijk
nog steeds niet vanzelfsprekend? Hoe kan het dat zorgverzekeraars, terwijl zij binnen
dit stelsel juist zo’n belangrijke regierol hebben, op wezenlijke punten nog steeds
door de toezichthouder tot extra inzet moeten worden aangespoord?
Het is niet zo dat zorgverzekeraars niet actief zijn. Maar voor zorgverzekeraars geldt
– net als voor aanbieders, maar ook voor de overheid – dat een meer proactieve rol
gewenst is. In de afgelopen jaren zijn er zorgakkoorden afgesloten waarin iedere partij
aangezet wordt tot bepaalde acties. In het coalitieakkoord wordt ook ingegaan op de
rol van de zorgverzekeraar en wat er verwacht wordt. Dergelijke ontwikkelingen moeten
door alle partijen omarmd en gestimuleerd worden. En het is goed dat er een toezichthouder
is die bekijkt of partijen voldoende inzet plegen.
De leden van de PVV-fractie lezen daarnaast dat in 2025 sprake is geweest van verscherpt
toezicht op een zorgverzekeraar vanwege tekortkomingen bij de uitvoering van de zorgplicht
in de geestelijke gezondheidszorg (ggz) en de medisch-specialistische zorg in een
specifieke regio. Deze leden vinden dat een ernstig signaal. Kan de Minister aangeven
wat hier precies misging, hoeveel verzekerden hierdoor geraakt zijn en wat dit zegt
over de manier waarop de zorgplicht in de praktijk wordt ingevuld? Hoe wordt voorkomen
dat verzekerden pas merken dat hun zorgverzekeraar tekortschiet als de toezichthouder
al heeft moeten ingrijpen?
Het toezicht op de zorgplicht is in handen van de NZa. De NZa onderzocht de grootste
zorgverzekeraar in vier regio’s met wachttijden boven de Treeknormen voor de geestelijke
gezondheidszorg en ziekenhuiszorg. Uit het onderzoek bleek dat er verbetermogelijkheden
zijn voor alle zorgverzekeraars bij het uitvoeren van de zorgplicht.
Daarbij handelt de NZa vanuit het publieke belang van een toegankelijke, betaalbare
en kwalitatief goede gezondheidszorg. De verwachtingen ten aanzien van zorgverzekeraars
in het kader van de zorgplicht heeft de NZa nader geduid in «De zorgplicht: handvatten
voor zorgverzekeraars».
Idealiter wordt voorkomen dat verzekerden gevolgen ondervinden van tekortschietende
invulling van de zorgplicht. Daarom wordt ingezet op vroegsignalering, transparantie
over wachttijden, monitoring en het tijdig aanspreken van zorgverzekeraars door de
NZa. Formele interventies door de toezichthouder zijn nadrukkelijk bedoeld als laatste
stap wanneer eerdere bijsturing onvoldoende effect heeft.
De leden van de PVV-fractie vinden het ook zorgelijk dat de NZa bij de invulling van
de zorgplicht voor generieke geneesmiddelen nog steeds duidelijke verbeterpunten ziet.
Deze leden vragen de Minister hoe zij het beoordeelt dat zorgverzekeraars kennelijk
nog onvoldoende zicht hebben op de huidige en toekomstige beschikbaarheid van geneesmiddelen
en niet altijd tijdig kunnen ingrijpen bij tekorten. Wat betekent dit concreet voor
patiënten die afhankelijk zijn van deze middelen? Welke eisen stelt de Minister aan
zorgverzekeraars om te zorgen dat mensen niet de dupe worden van tekorten en gebrekkige
regie?
De NZa ziet inderdaad mogelijkheden tot verbetering van de inzet van zorgverzekeraars.
Net als in andere zorgsectoren verwacht de NZa ook in de geneesmiddelensector dat
zorgverzekeraars de regie nemen. Zorgverzekeraars moeten zorgen dat ze meer en scherper
inzicht krijgen in de zorgvraag en in de beschikbare hoeveelheid geneesmiddelen. Dat
is nodig om tijdig in te kunnen grijpen, bijvoorbeeld in geval van een dreigend tekort.
Het kabinet beschouwt het als een positieve ontwikkeling dat de NZa meer duidelijkheid
over de rol en de verantwoordelijkheid van zorgverzekeraars schept en verwacht van
zorgverzekeraars dat die daar invulling aangeven. Van alle stakeholders mag verwacht
wordt dat zij het maximale doen om de beschikbaarheid van geneesmiddelen te waarborgen,
ook van zorgverzekeraars. De NZa heeft het kabinet laten weten dat zorgverzekeraars
sinds het verschijnen van de resultaten van het onderzoek, afgelopen zomer, inderdaad
stappen hebben gezet. Zorgverzekeraars kijken naar de mogelijkheden die er nog zijn
om de beschikbaarheid van generieke geneesmiddelen te bevorderen. Bijvoorbeeld door
hun informatieposities onderling te delen. Voor het daadwerkelijk structureel verbeteren
van de beschikbaarheid van geneesmiddelen dienen echter alle stakeholders zich in
te zetten. Daarom zijn er met alle betrokken partijen, waaronder ook de zorgverzekeraars,
in het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA) afspraken gemaakt om de beschikbaarheid
van geneesmiddelen te verbeteren.17
De leden van de PVV-fractie lezen verder dat ook de toegankelijkheid van de kraamzorg
nog altijd onder druk staat en dat de NZa verwacht dat zorgverzekeraars meer doen
om hun zorgplicht op dit punt waar te maken. Deze leden vragen de Minister hoeveel
regio’s in 2025 met serieuze problemen in de kraamzorg te maken hadden, in hoeveel
gevallen minder zorg kon worden geleverd dan normaal en hoe vaak moest worden teruggevallen
op een minimumvariant of digitale zorg. Acht de Minister het aanvaardbaar dat juist
rond zwangerschap en geboorte zulke structurele knelpunten blijven bestaan?
Kraamzorgorganisaties werken met elkaar samen in regionaal verband, in kraamzorg samenwerkingsverbanden
(KSV’s). Op basis van navraag bij Zorgverzekeraars Nederland (ZN) en Bo geboortezorg
ontstaat het volgende beeld. In totaal zijn er 41 KSV-regio’s. Op basis van declaratiedata
uit Vektis komt naar voren dat er in 2025 in totaal tien regio’s met krapte waren.
In die regio’s werken zorgverzekeraars en aanbieders aan de inzet van interventies
om de regionale problemen het hoofd te bieden. Hierbij kan gedacht worden aan wachtlijstcoördinatie,
partuspools, een kraamcentrum of zo nodig extra opleiden. Daarnaast zijn er negen
KSV-regio’s waar er nog geen optimale verdeling is van de schaarse zorg. Daar worden
gesprekken gevoerd over de precieze situatie en wordt in het gesprek bepaald of aanvullende
interventies nodig zijn.
Bo geboortezorg hanteert een normenkader continuïteit kraamzorg in tijden van krapte.18 Dit zijn afspraken die gericht zijn op het als regio in zijn geheel afschalen naar
minimale zorg en daarmee het verdelen van de uren over alle cliënten. Uit een inventarisatie
in het voorjaar van 2025 onder de wachtlijstcoördinatoren van de KSV-regio’s bleek
dat in 25 regio’s sprake was van code rood. Bij de meeste tussen april en oktober.
Op dit moment wordt kraamzorg thuis geïndiceerd volgens het landelijk indicatieprotocol
(2008), waarbij kraamvrouwen gemiddeld 49 uur geïndiceerd krijgen met een minimum
van 24 uur. Digitale kraamzorg wordt altijd aanvullend ingezet op fysieke kraamzorg
en gemiddeld nog minder dan 1 uur per cliënt. Bo geboortezorg laat weten dat uit de
kwaliteitsverantwoording 2025 van kraamzorgaanbieders naar voren komt dat 33 procent
van de 154.491 cliënten minder uren kraamzorg hebben ontvangen dan geïndiceerd, zonder
dat zij dat zelf wilden. Voor 18 procent van de cliënten geldt dat zij minder uren
ontvingen op eigen verzoek. Met betrekking tot bieden van minimale zorg volgt dat
20 procent van 143.104 cliënten, minimale zorg heeft ontvangen.
Het kabinet vindt het van belang dat iedereen die dat nodig heeft toegang heeft tot
passende kraamzorg. Het kabinet hecht daarom ook veel waarde aan de implementatie
van de Kraamzorg Landelijke Indicatie Methodiek (KLIM). Ook zetten kraamzorgaanbieders
en zorgverzekeraars belangrijke stappen om de duurzame toegankelijkheid van kraamzorg
voor iedereen die dit nodig heeft te verbeteren. De inzet van het kabinet voor de
kraamzorg is uiteengezet in de brief van 3 maart jl.
De leden van de PVV-fractie lezen dat de gemiddelde premie in 2025 uitkwam op 157
euro per maand en dat zorgverzekeraars 0,4 miljard euro uit hun reserves hebben ingezet
om de premiestijging te dempen. Deze leden vragen de Minister hoe houdbaar zij dit
vindt. Is hier niet gewoon sprake van het tijdelijk dempen van de pijn, terwijl de
onderliggende kosten in het stelsel blijven oplopen? Hoe groot acht de Minister het
risico dat premiebetalers de komende jaren alsnog met forse premiestijgingen te maken
krijgen?
Het klopt dat verzekeraars een euro uit de reserve alleen kunnen inzetten om de premie
eenmalig te dempen. De inzet van reserves vormt inderdaad geen manier om op structurele
wijze de premieontwikkeling tegen te gaan. Het kabinet vindt het wel positief dat
verzekeraars een teveel aan reserves teruggeven aan de premiebetaler via lagere premies.
Ook een eenmalige meevaller in het Zorgverzekeringsfonds zoals de meevaller die de
premieontwikkeling in 2026 heeft gedempt, is geen manier om op structurele wijze de
premiegroei tegen te gaan.
De ontwikkeling van de premie volgt de ontwikkeling van de zorguitgaven. De zorguitgaven
zullen naar verwachting ook in de komende jaren toenemen door de stijging van de lonen
in de zorg, de inflatie en de invloed van de vergrijzing op de zorguitgaven. Hierdoor
zal ook de premie moeten stijgen.
In het coalitieakkoord heeft het kabinet maatregelen aangekondigd om de zorg houdbaar
en betaalbaar te houden. Dit doet het kabinet door passende zorg de norm te maken.
Ook zal de verhoging van het eigen risico de premie minder hard doen laten stijgen.
De leden van de PVV-fractie constateren daarnaast dat er in 2025 nog steeds 59 basispolissen
zijn, en dat de NZa zelf aangeeft dat veel polissen nauwelijks van elkaar verschillen
en dat dit de transparantie niet ten goede komt. Deze leden delen die kritiek. Voor
veel mensen is het al lang niet meer duidelijk waar zij precies uit kunnen kiezen
en wat nu echt het verschil is tussen al die polissen. Waarom sleept dit probleem
al jaren voort? Wat gaat de Minister concreet doen om dit aanbod overzichtelijker
en begrijpelijker te maken?
Voor 2026 betreft het 58 polissen. Er zijn 10 concerns en dus minder dan 6 polissen
per concern. Het is wel zo dat het voor verzekerden moeilijk is een verschil te zien
tussen bepaalde polissen. Het kabinet vindt dat informatieverstrekking aan verzekerden
helder en transparant moet zijn. Het moet bijvoorbeeld duidelijk zijn of het om een
natura- of een combinatiepolis gaat of welke vergoeding er wordt gegeven bij ongecontracteerde
zorg. Hiervoor is de regel informatieverstrekking aan verzekerden door de NZa gemaakt
(TH/NR-027 regeling informatieverstrekking ziektekostenverzekeraars aan consumenten).
In deze regeling is ook opgenomen dat een zorgverzekeraar transparant moet zijn over
polissen die op elkaar lijken. De NZa is een onderzoek begonnen naar hoe bruikbaar
de informatie voor consumenten was op de websites van zorgverzekeraars tijdens het
afgelopen overstapseizoen. Daarbij wordt vooral gekeken naar informatie over het eigen
risico, de zorgplicht, (on)gecontracteerde zorg en nagenoeg gelijke polissen, vanuit
het perspectief van de consument. De NZa zal de resultaten van dit onderzoek in de
loop van 2026 bekend maken. Het kabinet kijkt uit naar de resultaten van het onderzoek.
De leden van de PVV-fractie lezen bovendien dat er per 2025 geen restitutiepolissen
meer worden aangeboden en dat deze zijn vervangen door combinatiepolissen met vergoedingsbeperkingen.
Deze leden vragen de Minister hoe zij deze ontwikkeling beoordeelt. Wat betekent dit
voor mensen die juist waarde hechtten aan keuzevrijheid of die afhankelijk zijn van
niet-gecontracteerde zorg? Hoeveel verzekerden zijn hierdoor er in de praktijk op
achteruitgegaan?
Het kabinet vindt het belangrijk dat verzekerden toegang hebben tot passende zorg
als dat nodig is. Een zorgverzekeraar heeft in het geval van een naturapolis de plicht
om ervoor te zorgen dat zijn verzekerden tijdige, bereikbare en kwalitatief goede
zorg krijgen. Deze zorgplicht omvat alle zorg van het basispakket. Een zorgverzekeraar
moet dus voor het gehele basispakket voldoende zorg contracteren. En hij moet een
verzekerde bemiddelen naar een alternatieve zorgaanbieder als die verzekerde met zijn
of haar zorgvraag niet snel genoeg bij een bepaalde gecontracteerde aanbieder terecht
kan. Zorgverzekeraars bieden naturapolissen aan met een ruime keuze aan zorgaanbieders.
Verzekerden die uit veel zorgverleners willen kiezen kunnen voor zo’n polis kiezen.
Zoals ook aangekondigd in de beleidsbrief van 24 april is het kabinet voornemens de
ruimte voor niet-passende zorg te verkleinen.19 Voor zorgverzekeraars is de contractering het belangrijkste instrument om niet-passende,
ondoelmatige en daarmee onnodig dure zorg te vermijden, en daarmee ook een onnodig
groot beroep op de schaarse tijd van zorgverleners te voorkomen. Voor de verzekerde
stond bij een restitutiepolis tegenover het voordeel van volledige vergoeding van
alle zorg bij alle zorgaanbieders het nadeel dat de verzekeraar ten behoeve van de
verzekerde minder goed op de kwaliteit, toegankelijkheid en doelmatigheid kan sturen,
met als mogelijk gevolgen hogere zorgkosten, een hogere premie en minder doelmatige
inzet van schaarse zorgcapaciteit, wat de toegankelijkheid van zorg onder druk zet.
Zorgverzekeraars moeten kunnen sturen op het zorgaanbod om te kunnen waarborgen dat
passende zorg nu en in de toekomst toegankelijk is. Daarom wil het kabinet stoppen
met de vergoeding van niet-gecontracteerde zorg. In dit licht staat het kabinet niet
negatief tegenover het verdwijnen van de restitutiepolis.
De leden van de PVV-fractie lezen verder dat aanvullende verzekeringen nog steeds
worden gekoppeld aan bepaalde basisverzekeringen en dat de NZa dit onwenselijk vindt,
omdat dit de keuzevrijheid beperkt en tot hogere kosten kan leiden. Deze leden vragen
de Minister waarom deze praktijk nog steeds mogelijk is. Is de Minister bereid te
kijken hoe aan deze vorm van koppelverkoop een einde kan worden gemaakt? Is de Minister
van mening dat de NZa de mogelijkheid moet krijgen om op te treden tegen ongewenste
koppelingen tussen basis- en aanvullende verzekeringen?
Het is bekend dat er een aantal aanvullende verzekeringen aan specifieke basisverzekeringen
zijn gekoppeld. In 2024 is door zowel de NZa als ACM gevraagd om deze koppeling tegen
te gaan.20 Hier is in een brief van mijn voorganger op ingegaan.21 Het standpunt in deze brief is dat verzekeraars eigen voorwaarden aan aanvullende
verzekeringen mogen stellen, dit is immers een vrije markt. Bovendien zijn er nog
steeds voldoende keuzemogelijkheden voor verzekerden. Het kabinet onderschrijft dit
standpunt en zal deze praktijk dus niet actief tegengaan, maar wel aandacht houden
voor de ontwikkeling en verlangen dat verzekeraars transparant en duidelijk zijn over
de voorwaarden.
De leden van de PVV-fractie vinden het ook zorgelijk dat de contracteergraad op 8 december
2025 in veel sectoren lager lag dan een jaar eerder. Juist in de overstapperiode moeten
mensen weten waar zij aan toe zijn. Deze leden vragen de Minister wat dit concreet
heeft betekend voor verzekerden. Hoe kan iemand een weloverwogen keuze maken voor
een polis indien nog niet duidelijk is of zijn of haar zorgaanbieder wel gecontracteerd
zal zijn? Welke maatregelen worden genomen om te voorkomen dat deze onzekerheid zich
jaar op jaar blijft herhalen? Hoe gaat de Minister ervoor zorgen dat alle premies
bij de start van het overstapseizoen bekend zijn?
De NZa heeft in mei 2026 de informatiekaart gepubliceerd met de belangrijkste ontwikkelingen
rondom het overstapseizoen 2025/2026. Ten aanzien van de contracteergraad zijn in
deze informatiekaart ook de peildata van 22 december en 22 januari opgenomen, waar
het samenvattend rapport alleen ingaat op de peildatum van 8 december.
In de informatiekaart komt naar voren dat de contractering in 2025 (gericht op 2026)
vergelijkbaar is met de contractering in 2024. De stijging ten opzichte van 2023 heeft
zich in 2025 grotendeels gestabiliseerd. Vanaf 22 december ontstaat een volledig beeld
en zit de contracteergraad in de meeste sectoren, de zbc’s uitgezonderd, boven de
90 procent. De meeste overstappers wisselen van zorgverzekeraar tussen kerst en nieuwjaar,
wanneer de meeste contracten rond zijn.
Om een weloverwogen keuze te maken voor een zorgverzekeringspolis is het belangrijk
dat verzekerden goed geïnformeerd zijn over de vergoeding van zorg. De zorgverzekeraar
moet daarom aan zijn verzekerden inzicht geven in de hoogte van de vergoeding voor
de zorg. Met behulp van kernboodschappen lichten zorgverzekeraars aan (potentiële)
verzekerden de status van de contractering toe, maar belangrijker nog, lichten zij
met de kernboodschappen toe in hoeverre de zorg bij een aanbieder volledig wordt vergoed
onafhankelijk van de contractstatus.
Op basis van deze kernboodschappen is in de overstapperiode voor de verzekerden duidelijk
of zij wel of geen recht hebben op volledige vergoeding van de zorg als zij naar een
bepaalde zorgaanbieder willen. Voorafgaand aan het overstapseizoen hebben IZA partijen
aanvullende afspraken gemaakt met betrekking tot de informatievoorziening vanuit zorgaanbieders
richting verzekerden. Er zijn afspraken gemaakt over het eenduidig informeren van
(toekomstige) patiënten via de website van zorgaanbieders, waarbij actief verwezen
wordt naar de online zorgzoekers van zorgverzekeraars. Hiermee worden door zowel zorgverzekeraars als zorgaanbieders
de verzekerden/patiënten op uniforme wijze geïnformeerd.
Het kabinet is daarnaast voornemens een aantal maatregelen te treffen die van invloed
zullen zijn op het contracteerproces, zoals beschreven in de beleidsbrief VWS.22 Het kabinet zet in op passende zorg als norm, waarbij onder andere de inzet is om
niet gecontracteerde zorg vanaf 2029 niet meer te vergoeden. Dit zal effect hebben
op het contracteerproces.
De leden van de PVV-fractie lezen daarnaast dat de NZa relatief veel meldingen heeft
ontvangen van ggz-aanbieders over contractvoorstellen van zorgverzekeraars en daarom
een toezichtonderzoek is gestart. Deze leden vragen de Minister hoe zij dit beoordeelt,
juist in een sector waar de wachttijden al hoog zijn en waar patiënten juist gebaat
zijn bij duidelijkheid en continuïteit. Deelt de Minister de opvatting dat onduidelijke
of onvoldoende onderbouwde contractvoorstellen de problemen in de ggz alleen maar
verder kunnen vergroten?
Contractvoorstellen moeten duidelijk en goed onderbouwd zijn. Daarom is het belangrijk
dat de NZa scherp toeziet op de transparantie van het contracteringsproces en de informatievoorziening
aan verzekerden. De NZa doet dit via de Regeling transparantie zorgcontractering Zvw,
die beoogt de transparantie voor zorgaanbieders en zorgverzekeraars te vergroten.
Daarmee wordt bevorderd dat verzekerden tijdig – namelijk bij de keuze voor een zorgverzekering
– inzicht hebben in het gecontracteerde zorgaanbod en de gevolgen voor de vergoeding
van zorg.
De leden van de PVV-fractie lezen dat de NZa bij fysiotherapie op dit moment geen
acute problemen in de toegankelijkheid ziet, maar wel waarschuwt voor risico’s voor
de continuïteit van zorg in de toekomst. Deze leden vinden dat een zorgelijk signaal,
juist omdat fysiotherapie voor veel mensen belangrijk is om klachten te beperken,
zwaardere zorg te voorkomen en zo lang mogelijk mobiel en zelfstandig te blijven.
Als de toegankelijkheid onder druk komt te staan, raken de gevolgen patiënten direct.
Hoe wil de Minister de toegankelijkheid van fysiotherapie vergroten?
De NZa constateert dat er op dit moment geen acuut toegankelijkheidsprobleem is binnen
de fysiotherapie. Tegelijkertijd voorziet de NZa risico's die op middellange termijn
de toegankelijkheid sector onder druk kunnen zetten. Die signalen neemt het kabinet
serieus. In de brief van 26 maart jl. heeft het kabinet gereageerd op het rapport
en de aanbevelingen van de NZa. Het kabinet zet in op het versterken van de eerstelijnszorg
en passende zorg als norm.23 Daarbij verwacht het kabinet van zorgaanbieders, zorgprofessionals en verzekeraars
dat zij uiteenlopende visies overbruggen door verdere professionalisering, wat bijdraagt
aan een toekomstbestendige en daarmee toegankelijke sector. Daarnaast zet het kabinet
in op structurele monitoring van de marktomstandigheden, met gebruik van bestaande
gegevensbronnen en zo min mogelijk administratieve lasten, zodat tijdig kan worden
bijgestuurd wanneer de toegankelijkheid onder druk dreigt te komen.
De leden van de PVV-fractie lezen verder dat de resultaten van het onderzoek naar
de bruikbaarheid van de informatie op websites van zorgverzekeraars in het voorjaar
van 2026 worden gepubliceerd. Deze leden vragen de Minister de Kamer direct na publicatie
hierover te informeren, inclusief een reactie op de uitkomsten. Welke maatregelen
is de Minister bereid te nemen als uit dat onderzoek blijkt dat de informatie voor
consumenten onvoldoende duidelijk of bruikbaar is?
De Kamer ontvangt de resultaten van het onderzoek na publicatie. Vanuit het kabinet
zal ook een reactie volgen op de uitkomsten.
De leden van de PVV-fractie lezen voorts dat de NZa het onderzoek naar de risicoverevening
heeft geïntensiveerd en dat een verdiepend onderzoek loopt naar kosten zonder vastgesteld
NZa-tarief of prestatie, waardoor de definitieve vaststelling van de verantwoordingsinformatie
over 2022 is uitgesteld. Deze leden vragen de Minister hoe ernstig zij dit vindt.
Om welke bedragen gaat het precies en welke risico’s ziet zij voor de rechtmatigheid
en controleerbaarheid van de besteding van collectieve zorgmiddelen?
Het kabinet is blij met de rol die de NZa als onafhankelijke toezichthouder vervult
in het zorgstelsel. De NZa heeft daarbij als toezichthouder de mogelijkheid om, indien
nodig, haar jaarlijks toezichtsonderzoek te verdiepen. De NZa heeft het later opleveren
van de uitkomsten van haar toezichtsonderzoek 2025 met het Ministerie van VWS en de
ketenpartijen afgestemd. Omdat het verdiepend onderzoek van de NZa nog niet is afgerond
kan nog niets gezegd worden over de bevindingen. Het kabinet wacht de resultaten van
het verdiepend onderzoek van de NZa af.
De leden van de PVV-fractie hebben ook vragen over de transformatiemiddelen. Zij lezen
dat voor de periode 2023–2028 1,9 miljard euro beschikbaar is en dat de NZa oordeelt
dat deze middelen plausibel zijn besteed en rechtmatig kunnen worden ingebracht. Deze
leden merken op dat dit nog niet automatisch betekent dat patiënten daar ook echt
verbetering van merken. Kan de Minister daarom concreet aangeven welke aantoonbare
resultaten in 2025 met deze middelen zijn bereikt als het gaat om wachttijden, toegankelijkheid,
personeel en passende zorg? Hoeveel van deze middelen zijn daadwerkelijk in de zorgpraktijk
terechtgekomen en hoeveel zijn opgegaan aan proceskosten, overlegstructuren, monitoring
en organisatie?
De kosten van impactvolle transformaties worden door de zorgaanbieders volgens het
verantwoordingskader van de NZa verantwoord en aan de zorgverzekeraars wordt gevraagd
om de kosten te toetsen op plausibiliteit. De NZa beoordeelt jaarlijks of zij kan
komen tot een bestuurlijk rechtsoordeel dat de kosten van de impactvolle transformaties,
die gefinancierd zijn met de transformatiemiddelen, plausibel zijn.
Veel projecten lopen pas vanaf 2025 en er zijn daarmee nog weinig harde cijfers over
impact en effecten op het zorggebruik. De Kamer wordt wel reeds via voortgangsrapportages
en jaarlijkse «monitoring van de beweging» geïnformeerd over de voortgang van het
IZA. In de Kamerbrief van 9 april jl. is toegelicht dat met de totstandkoming van
het AZWA de komende periode wordt benut om tot een geïntegreerde IZA/AZWA-monitor
te komen.24
De leden van de PVV-fractie lezen ten slotte in de beslisnota dat het rapport volgens
het ministerie geen nieuwe informatie bevat en dat de Kamer over deze onderwerpen
al eerder is geïnformeerd. Deze leden vragen de Minister of dat niet juist onderstreept
dat dezelfde problemen rond toegankelijkheid, keuzevrijheid, contractering en transparantie
steeds terugkomen, zonder dat mensen daar in de praktijk voldoende verbetering van
merken. Kan de Minister per hoofdonderwerp aangeven welke concrete verbetering patiënten
en verzekerden in 2026 daadwerkelijk mogen verwachten?
Het klopt dat het rapport geen nieuwe informatie bevat omdat het een samenvatting
is van de activiteiten en publicaties van de NZa over 2025. In 2025 gepubliceerde
onderzoeksresultaten zijn in 2025 al richting de kamer gestuurd.
De NZa heeft de Handvatten Zorgcontractering en de Regeling transparantie zorgcontractering
Zvw aangepast. De nieuwe regels, die gelden voor het contracteerproces vanaf 2027,
verduidelijken en vereenvoudigen het proces en beperken administratieve lasten. Zo
geldt voor zorgverzekeraars voortaan een maximale reactietermijn van zes weken bij
offertes en moeten zij transparanter zijn over hoe hun inkoopbeleid bijdraagt aan
toegankelijke, kwalitatief goede en betaalbare zorg. De verwachting is dat dit het
contracteerproces verbetert.
Verder hanteren zorgverzekeraars kernboodschappen waarmee ze aan (potentiële) verzekerden
de status van de contractering toelichten, maar belangrijker nog in hoeverre de zorg
bij een aanbieder volledig wordt vergoed onafhankelijk van de contractstatus. Het
is ook van belang dat zorgaanbieders (toekomstige) patiënten goed informeren over
de status van de contractering. Aan de IZA-thematafel Contractering, is afgesproken
dat zorgaanbieders (toekomstige) patiënten via hun website eenduidig informeren en
actief verwijzen naar de online zorgzoekers van zorgverzekeraars. Deze afspraken zijn
in het Bestuurlijk Overleg IZA in september 2025 bekrachtigd en zullen dus effect
hebben tijdens het overstapseizoen van dit jaar.
Het kabinet is daarnaast voornemens een aantal maatregelen te treffen die van invloed
zullen zijn op het contracteerproces, transparantie en toegankelijkheid zoals beschreven
in de beleidsbrief VWS.25 Het kabinet zet in op passende zorg als norm, waarbij onder andere niet gecontracteerde
zorg niet meer vergoed wordt.
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van het «Samenvattend rapport Zorgverzekeringswet
2025» van de NZa en hebben hierover nog enkele vragen.
Naar aanleiding van paragraaf 2.5 Toegang tot fysiotherapie. De leden van de CDA-fractie
lezen dat de NZa (opnieuw) in overweging geeft om de eerste twintig behandelingen
voor chronisch zieken te vergoeden via de basisverzekering. Deze leden vragen wat
de reactie van de Minister is op deze oproep, die eerder ook door het Zorginstituut
Nederland is gedaan en wat de implicaties hiervan zijn.
In de reactie op het eindrapport over het marktonderzoek fysiotherapeutische zorg
van de NZa heeft het kabinet een reactie gegeven.26 Het kabinet onderkent dat opname van de eerste twintig behandelingen voor aandoeningen
opgenomen op Bijlage 1 van het Besluit zorgverzekering in het basispakket kan bijdragen
aan een stevigere positie van de fysiotherapeutische sector binnen het zorgstelsel.
Op dit moment zijn geen middelen beschikbaar op de VWS-begroting voor een uitbreiding
met de eerste twintig behandelingen. Het kabinet voert deze uitbreiding daarom niet
door.
Naar aanleiding van paragraaf 3 Polismarkt. De leden van de CDA-fractie vragen hoe
het komt dat de korting bij een eigen risico van 885 euro per jaar de afgelopen jaren
is afgenomen (figuur 1).
Zorgverzekeraars bepalen zelf de korting die zij aan verzekerden willen geven als
ze kiezen voor een hoger vrijwillig eigen risico. De reden voor de daling van de korting
ligt waarschijnlijk in de verbetering van het risicovereveningsmodel. In de afgelopen
jaren is de overcompensatie voor (jonge) gezonde verzekerden afgenomen. Het is voor
zorgverzekeraars daardoor minder interessant geworden om zich op deze doelgroep te
richten. En het is juist de groep overstappers, die gezond is en gevoelig is voor
een grotere korting op het vrijwillig eigen risico. Sinds de invoering van de verbeteringen
is er een afname is van de korting op het vrijwillig eigen risico te zien.
Voorts lezen de leden van de CDA-fractie dat het aantal combinatiepolissen is gestegen,
met als oorzaak het niet meer aanbieden van restitutiepolissen. Deze leden vragen
hoe de Minister hiernaar kijkt. Wat is het verschil tussen een combinatiepolis en
een restitutiepolis en hoe sturen zorgverzekeraars via de combinatiepolis op minder
niet-gecontracteerde zorg? Wat is daar voor hen het voordeel van een combinatiepolis
ten opzichte van de restitutiepolis?
Een restitutiepolis en een combinatiepolis verschillen voornamelijk in de vergoeding
van niet-gecontracteerde zorg. Een restitutiepolis biedt verzekerden in beginsel vrije
keuze van zorgaanbieder, ook wanneer deze geen contract heeft met de zorgverzekeraar.
De kosten worden daarbij vergoed tot het wettelijk of marktconforme tarief.
Een combinatiepolis is, zoals de naam aangeeft, een combinatie van een restitutiepolis
en een naturapolis. Voor bepaalde vormen van zorg geldt een marktconforme vergoeding,
ook wanneer de zorg wordt geleverd door een niet-gecontracteerde aanbieder (restitutie).
Voor andere vormen van zorg, vaak in de ggz of wijkverpleging, geldt bij niet-gecontracteerde
zorg een lagere vergoeding dan marktconform (natura). Daarmee worden verzekerden gestimuleerd
gebruik te maken van gecontracteerde zorgaanbieders.
Voor zorgverzekeraars is de contractering het belangrijkste instrument om niet-passende,
ondoelmatige en daarmee onnodig dure zorg te vermijden, en daarmee ook een onnodig
groot beroep op de schaarse tijd van zorgverleners te voorkomen. Voor de verzekerde
stond bij een restitutiepolis tegenover het voordeel van volledige vergoeding van
alle zorg bij alle zorgaanbieders het nadeel dat de verzekeraar ten behoeve van de
verzekerde minder goed op de kwaliteit, toegankelijkheid en doelmatigheid kan sturen,
met als mogelijk gevolgen hogere zorgkosten, een hogere premie en minder doelmatige
inzet van schaarse zorgcapaciteit, wat de toegankelijk van zorg onder druk zet.
De leden van de CDA-fractie vragen of de Minister met de NZa deelt dat het grote aantal
polissen, dat ook niet afneemt, onwenselijk is vanwege de kleine verschillen tussen
polissen en het daarmee gepaard gaande gebrek aan transparantie voor verzekerden.
Deze leden vragen ook hoe de Minister aankijkt tegen het koppelen van aanvullende
verzekeringen aan (duurdere) basisverzekeringen. Deelt de Minister dat dit in het
nadeel van verzekerden is en niet past bij de maatschappelijke verantwoordelijkheid
van zorgverzekeraars?
Voor 2026 betreft het 58 polissen. Er zijn 10 concerns en dus minder dan 6 polissen
per concern. Het is wel zo dat het voor verzekerden moeilijk is een verschil te zien
tussen bepaalde polissen. Het kabinet vindt dat informatieverstrekking aan verzekerden
helder en transparant moet zijn. Het moet bijvoorbeeld duidelijk zijn of het om een
natura- of een combinatiepolis gaat of welke vergoeding er wordt gegeven bij ongecontracteerde
zorg. Hiervoor is de regel informatieverstrekking aan verzekerden door de NZa gemaakt
(TH/NR-027 regeling informatieverstrekking ziektekostenverzekeraars aan consumenten).
In deze regeling is ook opgenomen dat een zorgverzekeraar transparant moet zijn over
polissen die op elkaar lijken. De NZa is een onderzoek begonnen naar hoe bruikbaar
de informatie voor consumenten was op de websites van zorgverzekeraars tijdens het
afgelopen overstapseizoen. Daarbij wordt vooral gekeken naar informatie over het eigen
risico, de zorgplicht, (on)gecontracteerde zorg en nagenoeg gelijke polissen, vanuit
het perspectief van de consument. De NZa zal de resultaten van dit onderzoek in de
loop van 2026 bekend maken. Het kabinet kijkt uit naar de resultaten van het onderzoek.
Het is bekend dat er een aantal aanvullende verzekeringen aan specifieke basisverzekeringen
zijn gekoppeld. In 2024 is door zowel de NZa als ACM gevraagd om deze koppeling tegen
te gaan.27 Hier is in een brief van mijn voorganger op ingegaan.28 Het standpunt in deze brief is dat verzekeraars eigen voorwaarden aan aanvullende
verzekeringen mogen stellen, dit is immers een vrije markt. Bovendien zijn er nog
steeds voldoende keuzemogelijkheden voor verzekerden. Het kabinet onderschrijft dit
standpunt en zal deze praktijk dus niet actief tegengaan, maar wel aandacht houden
voor de ontwikkeling en verlangen dat verzekeraars transparant en duidelijk zijn over
de voorwaarden.
Vragen en opmerkingen van de leden van de SP-fractie
De leden van de SP-fractie hebben kennisgenomen van het «Samenvattend rapport Zorgverzekeringswet
2025» van de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa). Zij hebben hier nog een aantal opmerkingen
en een enkele vraag over.
De leden van de SP-fractie lezen dat er in 2025 één zorgverzekeraar onder verscherpt
toezicht stond van de NZa vanwege de gebrekkige uitvoering van de zorgplicht op het
gebied van de ggz en de medisch specialistische zorg. Zij constateren echter dat de
zorgplicht structureel wordt geschonden door meerdere zorgverzekeraars als het gaat
om de ggz. De wachtlijsten in de ggz zijn namelijk structureel te lang, waardoor de
Treeknormen niet worden gehaald. Zorgverzekeraars hanteren ondertussen nog steeds
een inkoopbeleid dat niet is gericht op het maximaal verkorten van de wachtlijst,
door bijvoorbeeld omzetplafonds op te leggen. Waarom grijpt de NZa niet vaker in bij
zorgverzekeraars op dit gebied? Welke mogelijkheden heeft de NZa om zorgverzekeraars
verantwoordelijk te houden voor het schenden van de zorgplicht?
De NZa ziet toe op de naleving van de zorgplicht door zorgverzekeraars en beschikt
daarbij over verschillende instrumenten, variërend van aanwijzingen en verscherpt
toezicht tot het opleggen van een last onder dwangswom. Wanneer signalen bestaan dat
verzekerden niet tijdig passende zorg ontvangen, onderzoekt de NZa of zorgverzekeraars
voldoende inspanningen leveren om aan hun zorgplicht te voldoen. Daarbij kijkt de
NZa niet alleen naar wachttijden, maar ook naar de inspanningen die zorgverzekeraars
verrichten op het gebied van zorgbemiddeling, regionale samenwerking en contractering.
Tegelijkertijd is in de ggz sprake van een structurele mismatch tussen de zorgvraag
en het beschikbare zorgaanbod, met name voor mensen met ernstige en complexe psychische
problematiek. Dat ontslaat zorgverzekeraars niet van hun zorgplicht, maar maakt wel
dat de oplossing breder is dan handhaving alleen. Daarom wordt samen met zorgverzekeraars
en zorgaanbieders gewerkt aan maatregelen om het zorgaanbod beter aan te laten sluiten
op de zorgvraag.
Samen met zorgverzekeraars en zorgaanbieders ontwikkelen we een routekaart voor de
inzet van omzetplafonds in de contractering. Doel is om deze gerichter en effectiever
toe te passen én om de sturing op passende ggz-zorg te versterken. Daarbij zorgen
we voor duidelijke randvoorwaarden op het gebied van informatievoorziening, kwaliteit,
aanspraken en alternatieve sturingsinstrumenten. In lijn met de afspraken uit het
AZWA moet dit ertoe leiden dat het zorgaanbod beter aansluit bij de zorgvraag en dat
zorgverzekeraars hun zorgplicht goed kunnen vervullen.
Vragen en opmerkingen van de leden van de Groep Markuszower
De leden van de Groep Markuszower hebben kennisgenomen van het «Samenvattend rapport
Zorgverzekeringswet 2025» van de NZa. Deze leden constateren dat het rapport wederom
symptomen beschrijft van een stelsel met dieperliggende architectuurproblemen: een
zorgplicht die te vrijblijvend wordt ingevuld, een polismarkt die schijnkeuze biedt
en een bekostigingssysteem dat preventie actief ontmoedigt. Structurele reparatie
vraagt om een eerlijk debat over de prikkels waarop het gehele systeem (verzekeraars,
ziekenhuizen en specialisten) feitelijk reageert. Deze leden hebben hierover de volgende
vragen en opmerkingen.
Inzake het onderdeel: Zorgplicht: verwachten of handhaven? De leden van de Groep Markuszower
constateren dat de NZa bij kraamzorg en geneesmiddelentekorten meerdere jaren achtereen
dezelfde verbeterpunten vaststelt, maar zich beperkt tot het uiten van «verwachtingen»
en «oproepen». Is de Minister het met deze leden eens dat vrijblijvende taal bij structurele
tekortkomingen niet langer passend is? Welke concrete handhavingsinstrumenten worden
dit jaar daadwerkelijk ingezet en wanneer kan de Kamer de eerste resultaten verwachten?
Het klopt dat de NZa in haar brief over de beschikbaarheid van generieke geneesmiddelen
en kraamzorg in eerste instantie heeft opgeroepen tot verbetering.29 De oproep in de brief moet echter niet als vrijblijvend worden gezien. Het onderzoek
is onderdeel van een reeks thema-onderzoeken naar de zorgplicht. De NZa gebruikt deze
uitkomsten om voor haar toezicht- en handhavingstaken een overkoepelend beeld te krijgen
van de inspanningen die zorgverzekeraars leveren op zorgplicht om zo patronen in beeld
te brengen. Indien nodig intervenieert de NZa gericht.
De inzet van handhavingsinstrumenten binnen het toezicht is primair aan de NZa als
onafhankelijke toezichthouder. Het kabinet treedt niet in individuele toezicht- of
handhavingsbesluiten. De NZa beschikt in algemene zin over een breed palet aan instrumenten,
variërend van aanwijzingen en verscherpt toezicht tot lasten onder dwangsom en bestuurlijke
boetes. Welke instrumenten in concrete gevallen worden ingezet, hangt af van de aard
en ernst van de signalen en is aan de toezichthouder zelf.
Genoemde leden merken tevens op dat restitutiepolissen per 2025 volledig zijn verdwenen
en dat zorgverzekeraars aanvullende verzekeringen blijven koppelen aan specifieke
basispolissen, iets wat de NZa zelf «onwenselijk» noemt. Is de Minister bereid een
wettelijk verbod in te voeren op deze koppelverkoop?
Het is bekend dat er een aantal aanvullende verzekeringen aan specifieke basisverzekeringen
zijn gekoppeld. In 2024 is door zowel de NZa als ACM gevraagd om deze koppeling tegen
te gaan.30 Hier is in een brief van mijn voorganger op ingegaan.31 Het standpunt in deze brief is dat verzekeraars eigen voorwaarden aan aanvullende
verzekeringen mogen stellen, dit is immers een vrije markt. Bovendien zijn er nog
steeds voldoende keuzemogelijkheden voor verzekerden. Het kabinet onderschrijft dit
standpunt en zal deze praktijk dus niet actief tegengaan, maar wel aandacht houden
voor de ontwikkeling en verlangen dat verzekeraars transparant en duidelijk zijn over
de voorwaarden.
Inzake het onderdeel: Preventie en «longevity»: het stelsel beloont ziekte, niet gezondheid.
De leden van de Groep Markuszower constateren dat het NZa-rapport opnieuw zwijgt over
de structurele rem die de huidige bekostigingsarchitectuur legt op preventie. Dit
is geen nieuw inzicht. Uit onderzoek van het Talma-instituut (VU) bleek dat van elke
euro bespaard door passende zorg via de risicoverevening slechts circa 24 cent bij
de verzekeraar terugvloeit. Gezondheidseconoom Xander Koolman formuleerde het als
volgt: een zorgverzekeraar kan nooit meer dan 24 euro investeren om in de toekomst
100 euro aan zorgkosten te besparen, wil hij zijn concurrentiepositie niet schaden.
Investeren in preventie is daarmee voor individuele verzekeraars financieel irrationeel,
niet omdat bestuurders het niet willen, maar omdat het systeem het afstraft32.
Genoemde leden wijzen op het groeiende internationale wetenschappelijke inzicht dat
gezondheidszorg fundamenteel moet verschuiven van curatie naar preventie, niet als
moreel appel, maar als economische en demografische noodzaak. Arts en longevity-expert
dr. Peter Attia (Stanford/Johns Hopkins)33 betoogt in Outlive:
The Science and Art of Longevity (2023) dat het huidige medische model de vier grote
chronische verouderingsziekten (hart- en vaatziekten, kanker, dementie en type 2 diabetes)
structureel te laat en te reactief aanpakt. Vroegtijdige screening op biomarkers zoals
ApoB-cholesterol, bloeddruk en insulineresistentie kan hart- en vaatziekten, wereldwijd
de grootste doodsoorzaak, significant uitstellen of voorkomen. Een review in Frontiers
in Aging (Milev et al., 2024) bevestigt dat evidence-gedreven preventiestrategieën,
inclusief leefstijlinterventies en biomarkermonitoring, de meest kosteneffectieve
route zijn om gezonde levensjaren te winnen.
Inzake het onderdeel: Stelselarchitectuur: een systeem dat zichzelf in stand houdt.
De leden van de Groep Markuszower stellen een fundamentelere vraag, die dit rapport
onbeantwoord laat: is het huidige zorgstelsel als geheel nog optimaal ontworpen voor
de uitdagingen van de komende decennia, of worden perverse prikkels op systeemniveau
structureel gereproduceerd? Genoemde leden verwijzen daarbij naar de economische literatuur
over principal-agent problemen in de gezondheidszorg.
Allereerst werkt het kabinet in het hier en nu aan de uitvoering van onze beleidsbrief
voor de gezondste generatie ooit en passende zorg als dat nodig is.34 Daarnaast treft het kabinet voorbereidingen voor de instelling van de Staatscommissie
Zorg, in lijn met het coalitieakkoord en de eerder aangenomen motie Krul c.s. die
de regering verzoekt om voorbereidingen te treffen voor een staatscommissie voor een
toekomstbestendige en weerbare inrichting van het Nederlandse zorgstelsel.35 Het kabinet streeft ernaar de Kamer voor de zomer te informeren over een voorstel
voor de invulling daarvan.
Het huidige stelsel kent een gestapeld principal-agent probleem. Zorgaanbieders (de
agenten) worden per verrichting betaald, de zogenoemde p×q-bekostiging waardoor zij
een financiële prikkel hebben om zo veel mogelijk handelingen te verrichten, ongeacht
de gezondheidsuitkomst.36 Verzekeraars (als principaal tegenover zorgaanbieders) hebben in theorie belang bij
lagere kosten, maar worden via de risicoverevening feitelijk gecompenseerd voor hogere
zorguitgaven. De overheid (als principaal tegenover verzekeraars) wil lagere kosten
en betere gezondheidsuitkomsten, maar beschikt niet over de informatie en instrumenten
om dit effectief te sturen. De uitkomst van dit driedubbele principal-agent probleem
is een stelsel dat structureel meer productie, meer behandelingen en hogere kosten
genereert dan noodzakelijk is voor de volksgezondheid.
De NZa erkende dit zelf al eerder. Toenmalig bestuursvoorzitter Marian Kaljouw stelde
onomwonden dat de zorg «te veel een verdienmodel is geworden» en dat 15 tot 20 procent
van de behandelingen niet bewezen effectief is.37 Haar opvolger Josefien Kursten formuleerde de logische consequentie van passende
zorg nog scherper: «Als mensen minder naar het ziekenhuis gaan, zullen ziekenhuizen
moeten afslanken.»
Dit is de kern van het probleem dat dit rapport niet durft te benoemen: een consequente
preventieagenda, waarbij een significant deel van patiënten door vroegtijdige interventie
niet ziek wordt, ondermijnt de omzetbasis van ziekenhuizen en specialisten die nu
juist per verrichting worden betaald. De prikkel om te investeren in preventie en
gezondheid bestaat daarmee voor geen enkele actor in het stelsel. Ziekenhuizen worden
financieel geraakt als hun patiëntenpopulatie krimpt. Specialisten verdienen minder
als ze minder behandelen. Verzekeraars profiteren nauwelijks van kostenbesparingen.
En de overheid compenseert dit alles via de risicoverevening en de premie.
Genoemde vragen de Minister of zij bereid is een onafhankelijke evaluatie te laten
uitvoeren van de fundamentele prikkels in het zorgstelsel, specifiek gericht op de
vraag of de huidige combinatie van p×q-bekostiging, risicoverevening en marktwerking
compatibel is met een stelsel dat serieus inzet op preventie, longevity en gezondheidswinst
in plaats van zorgvolume.38 Is de Minister bereid de Kamer voor het einde van 2026 een onderzoeksopdracht voor
te leggen die deze vraag beantwoordt, met expliciete aandacht voor alternatieve bekostigingsmodellen
zoals populatiebekostiging en value-based healthcare?
Allereerst werkt het kabinet in het hier en nu aan de uitvoering van onze beleidsbrief
voor de gezondste generatie ooit en passende zorg als dat nodig is.39 Daarnaast treft het kabinet voorbereidingen voor de instelling van de Staatscommissie
Zorg, in lijn met het coalitieakkoord en de eerder aangenomen motie Krul c.s. die
de regering verzoekt om voorbereidingen te treffen voor een staatscommissie voor een
toekomstbestendige en weerbare inrichting van het Nederlandse zorgstelsel.40 Het kabinet streeft ernaar de Kamer voor de zomer te informeren over een voorstel
voor de invulling daarvan.
Inzake het onderdeel: Financiële verantwoording: openstaand onderzoek. De leden van
de Groep Markuszower constateren dat het NZa-onderzoek naar de risicoverevening over
2022 opnieuw is uitgesteld. Wat is de financiële omvang van de posten onder verdiepend
onderzoek, en is terugvordering mogelijk als declaraties onrechtmatig blijken? Deze
leden vragen tevens of de Minister bereid is de Kamer jaarlijks te informeren over
concreet behaalde gezondheidsuitkomsten per zorgverzekeraar met de 1,9 miljard euro
aan IZA-transformatiemiddelen en niet slechts over de plausibiliteit van besteding,
maar over meetbare gezondheidswinst.
Het kabinet is blij met de rol die de NZa als onafhankelijke toezichthouder vervult
in het zorgstelsel. De NZa heeft daarbij als toezichthouder de mogelijkheid om, indien
nodig, haar jaarlijks toezichtsonderzoek te verdiepen. De NZa heeft het later opleveren
van de uitkomsten van haar toezichtsonderzoek 2025 met het Ministerie van VWS en de
ketenpartijen afgestemd. Omdat het verdiepend onderzoek van de NZa nog niet is afgerond
kan nog niets gezegd worden over de bevindingen. Het kabinet wacht de resultaten van
het verdiepend onderzoek van de NZa af.
Veel projecten lopen pas vanaf 2025 en er zijn daarmee nog weinig harde cijfers over
impact en effecten op het zorggebruik. De Kamer wordt wel reeds via voortgangsrapportages
en jaarlijkse «monitoring van de beweging» geïnformeerd over de voortgang van het
IZA. In de Kamerbrief van 9 april jl is toegelicht dat met de totstandkoming van het
AZWA de komende periode wordt benut om tot een geïntegreerde IZA/AZWA-monitor te komen.41
Tot slot vragen deze leden de Minister wanneer de Kamer een beleidsreactie op het
NZa-rapport kan verwachten die verder gaat dan het herhalen van bekende doelstellingen
en met concrete wetgevingsacties, handhavingsmaatregelen, en een eerlijk antwoord
op de vraag of het huidige stelsel structureel geschikt is voor een gezondheidspolitiek
die preventie serieus neemt.
Allereerst werkt het kabinet in het hier en nu aan de uitvoering van onze beleidsbrief
voor de gezondste generatie ooit en passende zorg als dat nodig is.42
Daarin worden een aantal maatregelen voorgesteld ten behoeve van preventie. Zo zet
het kabinet in op extra aandacht voor een kansrijke start voor kinderen, mentale gezondheid,
sport en bewegen, verminderen van middelengebruik onder jongeren en betere, toegankelijkere
jeugdhulp. Verder investeert het kabinet in laagdrempelige medische preventie, zoals
het verhogen van de vaccinatiegraad en deelname aan bevolkingsonderzoeken, én in een
betere voorbereiding van de zorg op toekomstige crises en pandemieën.
Daarnaast treft het kabinet voorbereidingen voor de instelling van de Staatscommissie
Zorg, in lijn met het coalitieakkoord en de eerder aangenomen motie Krul c.s. die
de regering verzoekt om voorbereidingen te treffen voor een staatscommissie voor een
toekomstbestendige en weerbare inrichting van het Nederlandse zorgstelsel.43 Het kabinet streeft ernaar de Kamer voor de zomer te informeren over een voorstel
voor de invulling daarvan.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
M. Mohandis, voorzitter van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport -
Mede ondertekenaar
E.M. Sjerp, adjunct-griffier