Brief regering : Diverse onderwerpen op het gebied van migratie
30 573 Migratiebeleid
19 637
Vreemdelingenbeleid
Nr. 240
BRIEF VAN DE MINISTER VAN ASIEL EN MIGRATIE
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 1 juni 2026
Met deze brief wordt ingegaan op diverse aangenomen moties en gedane toezeggingen
op het terrein van opvang en migratie.
Motie Van Zanten over de mogelijkheden onderzoeken tot een algehele tijdelijke stop
op gezinshereniging1
Op 27 mei 2025 heeft uw Kamer een motie aangenomen van het voormalig lid Van Zanten
(BBB), waarin de regering wordt verzocht te onderzoeken of het mogelijk is een algehele
tijdelijke stop op gezinshereniging in te voeren. In de motie wordt daarbij verwezen
naar de strenge maatregelen die de lidstaten Oostenrijk en Duitsland hebben genomen
op het gebied van gezinshereniging.
Oostenrijk zet bij het tijdelijk stopzetten van gezinshereniging in op artikel 72
van het Verdrag van de Werking van de EU (VWEU). Deze bepaling schrijft voor dat nationale
wetgeving tijdelijk mag prevaleren boven EU-wetgeving als een lidstaat maatregelen
moet nemen om de openbare orde op hun grondgebied of de binnenlandse veiligheid te
verzekeren. Volgens jurisprudentie van het Europese Hof van Justitie (HvJEU) verleent
artikel 72 VWEU géén bevoegdheid voor de lidstaten om van Unierechtelijke bepalingen
af te wijken enkel door zich te beroepen op hun verantwoordlijkheden met betrekking
tot de handhaving van de openbare orde en binnenlandse veiligheid. De mogelijkheden
om secundaire Uniewetgeving buiten toepassing te laten met een beroep op artikel 72
VWEU zijn beperkt en moeten volgens het HvJEU eng worden uitgelegd. Een lidstaat moet
dan ook kunnen aantonen dat de Uniewetgever niet naar behoren rekening heeft gehouden
met zijn belang ex. artikel 72 VWEU om zijn verantwoordelijkheid ten aanzien van de
openbare en nationale veiligheid uit te oefenen bij het opstellen van de betreffende
secundaire Uniewetgeving. Daarnaast moet een lidstaat ook bewijzen dat in het kader
van zijn verantwoordelijkheid inzake de handhaving van de openbare orde en nationale
veiligheid noodzakelijk is gebruik te maken van deze afwijking.
Volgens de regering heeft de Uniewetgever in de Gezinsherenigingsrichtlijn nadrukkelijk
rekening gehouden met de belangen van de handhaving van de openbare orde en binnenlandse
veiligheid. Daarmee kunnen de lidstaten de krachtens artikel 72 VWEU op hen rustende
verantwoordelijkheid doeltreffend uitoefenen. Zoals mijn ambtsvoorganger op 26 juni
2025 in het commissiedebat al mondeling uiteenzette, ziet de regering het inzetten
op een algehele tijdelijke stop op gezinshereniging met beroep op artikel 72 VWEU
niet als een (juridisch) haalbare optie om het doel van de motie, namelijk het beperken
van de nareisinstroom, te bewerkstelligen.
Desalniettemin zet de regering zich onverminderd in om de druk op de asiel- en migratieketen
te verminderen waarbij er ook maatregelen genomen zijn en worden om de nareisinstroom
beter beheersbaar te maken. Met die reden heeft de regering gewerkt aan de twee wetsvoorstellen:
de Asielnoodmaatregelenwet en de Wet invoering tweestatusstelsel. Van deze twee wetsvoorstellen
is de Wet invoering tweestatusstelsel op 21 april 2026 aangenomen door de Eerste Kamer.
Deze wet stelt strengere eisen aan nareis van gezinsleden van subsidiaire beschermden
en beperkt de mogelijkheid van nareis tot het kerngezin. De voorgestelde wachttermijn
van twee jaar voor subsidiaire beschermden lijkt op de maatregel die Duitsland heeft
genomen met het voor twee jaar stopzetten van gezinshereniging van subsidiaire beschermden,
waarbij de maatregel in Duitsland geldt tot en met 2027 en de voorgestelde maatregel
in de Wet invoering Tweestatusstelsel geen einddatum kent. Met de Wet invoering tweestatusstelsel
zet de regering in op het vormgeven van een zo strikt mogelijk asielbeleid dat juridisch
haalbaar is.
Motie Van Zanten over herhaalde asielaanvragen en beroepszaken waarbij kinderen betrokken
zijn met voorrang behandelen2
Ten aanzien van de in de door uw Kamer aangenomen motie benoemde strategische inzet
van het indienen van herhaalde asielaanvragen, deelt de regering de overtuiging dat
de uitkomst van deze aanvragen zo snel mogelijk duidelijk moet zijn. Dat uitgangspunt
geldt echter in alle gevallen en niet enkel in het geval waarin kinderen betrokken
zijn. De procedure voor het behandelen van opvolgende asielaanvragen is in beginsel
efficiënt ingericht. Sinds 2024 worden er door de IND, binnen de mogelijkheden, ook
meer opvolgende asielaanvragen afgehandeld. Bovendien treedt het Europees Migratiepact
op 12 juni 2026 in werking. Dat is gericht op een goede doorstroom van aanvragen,
met korte en efficiënte procedures en korte doorlooptijden. Dit geldt ook voor herhaalde
aanvragen. De beslistermijnen voor opvolgende aanvragen bedraagt vanaf dat moment
in sommige zaken twee maanden en in andere opvolgende aanvragen drie maanden. Deze
aanpak zorgt voor een kortere doorlooptijd van het herhaalde asielproces en biedt
sneller duidelijkheid voor gezinnen met kinderen. Hiermee wordt uitvoering gegeven
aan de motie.
Toezegging over signalen van de Noorse IND over fraude van Eritreeërs bij de IND aanhangig
te maken
Tijdens het commissiedebat van 9 december jl. heeft mijn voorganger, naar aanleiding
van vragen van het lid Vondeling, uw Kamer toegezegd de signalen van de Noorse IND
over fraude van Eritreeërs bij de IND aanhangig te maken. Onverwijld na het commissiedebat
is hierover dan ook contact gezocht met de IND en zijn de signalen overgebracht.
In algemene zin geldt dat, indien er signalen zijn dat een statushouder mogelijk geen
bescherming (meer) nodig heeft, hier nader onderzoek naar gedaan zal worden door de
IND en dit mogelijk kan leiden tot herbeoordeling en intrekken van de asielstatus.
Vooralsnog zijn er geen vergelijkbare signalen dat Eritreeërs hier ten onrechte asielbescherming
ontvangen.
Motie Ceder over prioriteit geven aan het opsporen en uitzetten van terrorismeverdachten3
In de motie-Ceder wordt de regering verzocht prioriteit te geven aan het opsporen
en uitzetten van terrorismeverdachten die onrechtmatig in Nederland verblijven.
De regering deelt het uitgangspunt van de motie dat personen bij wie sprake is van
een verhoogd veiligheidsrisico binnen de vreemdelingenketen met prioriteit moeten
worden behandeld.
Daarbij wordt opgemerkt dat het Dreigingsbeeld Terrorisme Nederland verschillende
groepen beschrijft die elkaar deels overlappen, maar niet één-op-één samenvallen.
Personen die in verband worden gebracht met terrorisme en die geen rechtmatig verblijf
hebben, behoren binnen de vreemdelingenketen tot de hoogst geprioriteerde doelgroep.
Voor deze groep wordt, binnen de geldende wettelijke kaders, maximaal ingezet op het
realiseren van vertrek.
De motie bevestigt daarmee de bestaande werkwijze binnen de vreemdelingenketen. De
regering beschouwt de motie hiermee als afgedaan.
Toezegging over het te informeren van de Kamer over de uitwerking van de plannen rondom
vermindering van de subsidie voor VluchtelingenWerk Nederland
Uw Kamer heeft gevraagd geïnformeerd te worden over de uitwerking van de vermindering
van de subsidie voor VluchtelingenWerk Nederland (VWN).
De subsidierelatie met VluchtelingenWerk is door het vorige kabinet herzien om aan
te sluiten op de beschikbare middelen op de Rijksbegroting. Deze herziening heeft
geleid tot het afschalen van de taken van VluchtelingenWerk in de asielketen op de
onderdelen: aanwezigheid op COA-locaties, begeleiding gezinshereniging en maatschappelijke
ondersteuningstaken. Voor 2026 is vooralsnog € 18,6 mln. aan subsidie verleend om
deze transitie gefaseerd en in samenhang met de keten te realiseren. Bij voorjaarsnota
zijn aanvullende middelen voor VWN beschikbaar gekomen. Het aanvullende bedrag voor
VluchtelingenWerk dat bij Voorjaarsnota beschikbaar is gekomen, bedraagt maximaal
€ 10 mln. bovenop het reeds op de Rijksbegroting beschikbare bedrag van ca 13,6 mln.
In het Coalitieakkoord is opgenomen dat VluchtelingenWerk spreekuurvoorzieningen aanbiedt
op opvanglocaties en daarmee ook het COA en de IND ontlast. Deze toevoeging vormt
het kader waarbinnen de herijkte subsidierelatie verder wordt ingevuld.
Mijn ministerie werkt, in nauwe afstemming met de ketenpartners, de doorvertaling
uit naar de dienstverlening die aan VWN wordt gevraagd. Uitgangspunt is dat de dienstverlening
van VWN complementair is aan de dienstverlening van de ketenpartners. Zodra de nadere
uitwerking is afgerond, zal uw Kamer hierover nader worden geïnformeerd. Met deze
invulling is de uitwerking zoals toegezegd aan uw Kamer uiteengezet en is de toezegging
afgedaan.
Beleidskader discretionaire bevoegdheid
Om recht te doen aan de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad
van State van 27 augustus jl., is in de Vreemdelingencirculaire (Vc) een beleidskader
opgenomen voor de toepassing van de discretionaire bevoegdheid in opvolgende aanvragen.
In opvolgende aanvragen wordt in beginsel geen toepassing gegeven aan de discretionaire
bevoegdheid, gelet op het uitgangspunt dat omstandigheden die zich voordoen nadat
de eerste verblijfsaanvraag onherroepelijk is geworden, in beginsel voor rekening
en risico van de vreemdeling komen. Zo wordt zo veel mogelijk aangesloten bij hetgeen
geregeld is in artikel 3.6ba van het Vreemdelingenbesluit (Vb). Tevens wordt zo de
vereenvoudigde procedure van de IND behouden en terugkeer bevorderd. Voor eerste aanvraagprocedures
blijft de huidige ambtshalve toepassing ongewijzigd.
Mijn ambtsvoorganger heeft tot slot uw Kamer op 27 augustus jl. geïnformeerd dat het
beleidskader zou worden aangepast, waarbij de uitgangspunten van het in 2019 genomen
besluit blijven gelden en dat de toepassing van de discretionaire bevoegdheid belegd
blijft bij de directeur-generaal van de IND.
Categoriale verlenging van de beslistermijn
Op 8 mei 2025 heeft het Europees Hof van Justitie (hierna: het Hof) de prejudiciële vragen beantwoord die de Afdeling Bestuursrechtsspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling)
in november 2023 heeft gesteld. De vragen van de Afdeling hadden betrekking op de
categoriale verlenging van de beslistermijn van alle asielaanvragen die zijn ingediend
vanaf de datum van inwerkingtreding, 27 september 2022, en voor alle asielaanvragen
waarvan de wettelijke beslistermijn nog niet was verstreken. Deze verlenging is vervolgens
elk jaar op 1 januari vernieuwd met de laatste verlenging voor alle asielaanvragen
die zijn ingediend vanaf 1 januari 2025. Op 25 maart 2026 heeft de Afdeling op basis
van de beantwoording van de prejudiciële vragen door het Hof geconcludeerd dat de
eerste verlenging van de beslistermijn op basis van WBV 2022/22 niet rechtsgeldig
is en onverbindend verklaard. De motivering m.b.t. WBV 2023/3 bouwt voort op WBV 2022/22.
De Afdeling zal naar verwachting op korte termijn uitspraak doen over de geldigheid
van WBV 2023/3. De kans dat deze uitspraak positief uitvalt is nihil. Ik heb er daarom
voor gekozen om de verlenging van de beslistermijn op basis van WBV 2023/3 in te trekken.
De verlengingen op basis van WBV 2023/26 en 2025/4 voor de asielaanvragen ingediend
vanaf 1 januari 2024 zijn reeds ingetrokken. Op korte termijn zal een Wijzigingsbesluit
Vreemdelingencirculaire wordt gepubliceerd.
Periodieke rapportage over de evaluatie van Migratiebeleid
Graag informeer ik uw Kamer over de voortgang van de periodieke rapportage (hierna:
PR) over de evaluatie van Migratiebeleid (artikel 37.4 van de A&M-begroting). Per
brief van 13 januari 2025 is uw Kamer geïnformeerd over de opzet en planning van de
PR migratiebeleid: toegang, toelating en opvang vreemdelingen. In de begrotingsstaat
A&M 2026 is aangegeven dat deze rapportage nog loopt en in 2025 nog zou worden afgerond.
De planning loopt echter enige vertraging op en ook de kabinetsreactie moet nog worden
opgesteld. De verwachting is dat de Periodieke Rapportage Migratiebeleid samen met
de kabinetsreactie voor de zomer 2026 aan de Tweede Kamer kan worden aangeboden.
Tot slot, per abuis is uw Kamer niet eerder geïnformeerd over de brief die aan de
medeoverheden is verzonden over de taakstelling 2026-I. Via deze weg ontvangt u alsnog
een afschrift van de brief die hierover aan de medeoverheden is gestuurd, inclusief
de bijlage met de verdeling van de taakstelling over de gemeenten.
De Minister van Asiel en Migratie,
G. van den Brink
Ondertekenaars
G. van den Brink, minister van Asiel en Migratie