Verslag (initiatief)wetsvoorstel (nader) : Verslag
36 923 Wijziging van de Wet op het kindgebonden budget en het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in verband met het verhogen van het afbouwpercentage voor ouders met een toetsingsinkomen vanaf € 57.950
Nr. 6
VERSLAG
Vastgesteld 1 juni 2026
De vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid, belast met het voorbereidend
onderzoek van voorliggend wetsvoorstel, heeft de eer als volgt verslag uit te brengen
van haar bevindingen.
Onder het voorbehoud dat de in het verslag opgenomen vragen en opmerkingen afdoende
door de regering worden beantwoord acht de commissie de openbare behandeling van het
wetsvoorstel voldoende voorbereid.
Inhoudsopgave
I.
Algemeen
1
1.
Inleiding
2
2.
Hoofdlijnen van het wetsvoorstel
4
3.
Wijziging Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
7
4.
Verhouding tot hoger recht
8
5.
Inkomenseffecten
8
6.
Financiële gevolgen voor het Rijk
9
7.
Caribisch Nederland
9
8.
Regeldrukeffecten, waaronder gevolgen voor de burger
9
9.
Toetsing en consultatie
9
10.
Evaluatie
10
11.
Overgangsrecht en inwerkingtreding
10
I Algemeen
De leden van de D66-fractie hebben met interesse kennisgenomen van het wetsvoorstel.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben het wetsvoorstel met interesse gelezen. Deze leden hebben nog een aantal vragen.
De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel tot aanpassing van het kindgebonden budget
door toevoeging van een hoger knikpunt. Deze leden vinden het verdedigbaar dat het
kindgebonden budget voor hogere inkomens wat sneller afbouwt. De extra inkomensafhankelijke
tegemoetkoming voor de kosten van kinderen is immers vooral bedoeld voor lagere en
middeninkomens, maar liep na meerdere verhogingen ver door tot fors hogere inkomens.
Zij hebben enkele vragen bij voorliggend wetsvoorstel.
De leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel tot wijziging van de Wet op het kindgebonden
budget en het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, gericht op het verhogen van
het afbouwpercentage voor ouders met een toetsingsinkomen vanaf € 60.000.
De leden van de SGP-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel. Deze leden zijn kritisch op het wetsvoorstel,
met name omdat dit middeninkomens financieel hard kan raken en omdat dit wetsvoorstel
zorgt voor een bezuiniging op gezinnen, zonder dat daar een investering in gezinnen
tegenover staat.
De leden van de ChristenUnie-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel. Deze leden hebben nog enkele vragen.
De leden van de Groep Markuszower hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel tot wijziging van de Wet op het kindgebonden
budget en het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in verband met het verhogen
van het afbouwpercentage voor ouders met een toetsingsinkomen vanaf € 60.000.
1. Inleiding
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat opeenvolgende verhogingen van het kindgebonden budget ertoe hebben geleid
dat steeds meer gezinnen kindgebonden budget ontvangen, en dat dat niet doelmatig
is. Deze leden kunnen de beschreven redenering volgen dat rijkere ouders het kindgebonden
budget wellicht niet nodig hebben om in het levensonderhoud van hun kinderen te voorzien,
deze leden merken daarbij wel op dat de «ondoelmatigheid» wat hen betreft alleen opgaat
in zoverre het gaat om daadwerkelijk rijke ouders, en niet wanneer het gaat om mensen
met een middeninkomen die net niet afhankelijk zijn van het kindgebonden budget om
niet in armoede terecht te komen. Daarnaast merken deze leden op dat de kinderbijslag
volgens deze redenering nog een stuk ondoelmatiger is, aangezien die helemaal niet
inkomensafhankelijk is en dus voor een groter deel ten goede komt aan ouders die het
extra bedrag niet nodig hebben. Deze leden pleiten er zeker niet voor om op de kinderbijslag
te bezuinigen, maar zijn wel benieuwd waarom nu precies gekozen wordt voor een bezuiniging
op het kindgebonden budget. De kinderbijslag is een voorbeeld dat het dichtst bij
het kindgebonden budget in de buurt komt, maar in de fiscaliteit zijn vele regelingen
te vinden die niet doelmatig zijn – het lage tarief in de vennootschapsbelasting is
bijvoorbeeld extreem ondoelmatig als het gaat om het ondersteunen van het midden-
en kleinbedrijf (mkb), omdat het bedrag dat het Rijk door die regeling misloopt voor
een groot deel terechtkomt bij de allerrijksten en grote bedrijven. Kan de regering
toelichten wat het kindgebonden budget geschikter maakt om op te bezuinigen dan andere
niet-doelmatige regelingen?
Voorts merken de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie op dat de regering voornemens
is het kindgebonden budget en de kinderbijslag samen te voegen, waarbij het inkomensafhankelijke
deel (vergelijkbaar met het huidige kindgebonden budget) kleiner wordt en het inkomensonafhankelijke
deel groter. Dat betekent dat juist rijkere ouders een hogere toelage zullen krijgen,
wat volgens de bij het voorliggende wetsvoorstel geleverde toelichting niet doelmatig
is. Deze leden vragen de regering om te reflecteren op deze twee voorstellen in relatie
tot elkaar. Hoe verhoudt het genoemde voornemen tot samenvoeging van de kindregelingen
zich tot de hier gegeven argumentatie om op het kindgebonden budget te bezuinigen?
Deze leden zijn overigens van mening dat er goede andere redenen zijn om minder inkomensafhankelijke
regelingen te willen, ook als dat niet doelmatig is – bijvoorbeeld om de complexiteit
voor zowel de ontvangers van die regelingen als de uitvoerders terug te dringen, of
meer zekerheid voor ontvangers te bewerkstelligen. In het specifieke geval van de
kindregelingen kan ook herverdeling tussen ouders enerzijds en mensen zonder kinderen
anderzijds een overweging zijn. Deze leden staan daarom in principe positief tegenover
het voorstel om de kindregelingen samen te voegen en daarbij een groter «vast» (inkomensonafhankelijk)
deel uit te keren. Deze leden menen echter ook dat de som van een maatregelenpakket
vooral positief uit moet pakken voor lage inkomens en middeninkomens, en niet voor
hoge inkomens. Deze leden vragen of de regering het daarmee eens is. Ook vragen zij
de regering om de gevolgen van dit wetsvoorstel op het gebied van zekerheid en stabiliteit
voor ouders toe te lichten, en aan te geven in hoeverre de regering deze gevolgen
wenselijk acht.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zijn ook benieuwd naar de timing van het wetsvoorstel
in relatie tot het voornemen tot samenvoeging van de kindregelingen. Het voorstel
uit het coalitieakkoord lijkt namelijk gedeeltelijk het tegenovergestelde effect te
hebben van het voorliggende wetsvoorstel. Deze leden vragen daarom of het niet logischer
was de twee voorstellen te combineren, en de genoemde bezuinigingsopgave, indien de
regering het per se wenselijk acht deze met het kindgebonden budget in te vullen en
niet met één van de vele ondoelmatige regelingen die ten goede komen aan de allerrijksten,
simpelweg te verwerken in het voorstel uit het coalitieakkoord. Deze leden merken
op dat dit zowel voor huishoudens als voor uitvoeringsorganisaties wellicht een prettigere
optie was geweest – huishoudens zouden zich immers minder met een sterk fluctuerende
toeslag geconfronteerd zien, terwijl uitvoeringsorganisaties niet twee keer een majeure
wijziging zouden hoeven doorvoeren. Kan de regering toelichten waarom zij daar niet
voor heeft gekozen?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen ook wat € 57.950 prijspeil 2024 is
in het prijspeil van 2026. Om welke bedrag gaat het naar verwachting in 2027 (op basis
van de voorspelde cumulatieve tabelcorrectiefactor voor de periode 2025 tot en met
2027)? Deze leden willen daarnaast graag weten welke plaats huishoudens met dit inkomen
hebben in de inkomensverdeling, zowel voor alleenstaanden als koppels. Gaat het hier
volgens de regering om lage inkomens, lage middeninkomens, middeninkomens, hoge middeninkomens
of hoge inkomens? En indien de regering het eens is dat het hier gedeeltelijk gaat
om mensen met een laag middeninkomen: in hoeverre vindt de regering het «ondoelmatig»
om lage middeninkomens te ondersteunen bij het dragen van de kosten van het levensonderhoud
van kinderen? Is de regering van mening dat het kindgebonden budget alleen doelmatig
is als het directe kinderarmoede voorkomt of is de doelstelling van deze toeslag wat
de regering betreft breder?
De leden van de BBB-fractie hebben met enige verbazing vastgesteld dat het beoogde doel van het wetsvoorstel
– het ondervangen van kinderarmoede en ondersteunen van lage inkomens – in de praktijk
vooral wordt bereikt via een substantiële netto bezuiniging op de midden- en hogere
inkomens. Immers, het wetsvoorstel levert vanaf 2027 een structurele besparing van
circa € 300 miljoen op jaarbasis op, vooral door de snellere afbouw van het kindgebonden
budget bij de middengroep
De leden van de Groep Markuszower constateren dat de regering wederom kiest voor verdere inkomensafhankelijke herverdeling
via het toeslagenstelsel. Deze leden wijzen erop dat het toeslagenstelsel de afgelopen
jaren juist heeft geleid tot grote uitvoeringsproblemen, terugvorderingen, schulden
en onzekerheid voor gezinnen. Volgens cijfers van de Dienst Toeslagen werden in 2023
honderdduizenden toeslagen deels of volledig teruggevorderd vanwege wijzigingen in
inkomen of huishoudsituatie. Deze leden vragen waarom de regering ondanks deze structurele
problemen opnieuw kiest voor aanpassing van een complex toeslageninstrument in plaats
van vereenvoudiging van het stelsel.
De leden van de Groep Markuszower vragen daarnaast waarom juist gezinnen met een midden-
of hoger inkomen extra worden geraakt door een hoger afbouwpercentage. Deze leden
vragen of de regering erkent dat werkende gezinnen hierdoor opnieuw geconfronteerd
worden met hogere marginale druk en lagere koopkracht.
2. Hoofdlijnen van het wetsvoorstel
De leden van de D66-fractie vragen wat de gevolgen van dit wetsvoorstel zijn voor de marginale druk van huishoudens.
Kan de regering een uitsplitsing naar inkomensgroep geven?
De leden van de D66-fractie vragen hoe dit wetsvoorstel zich verhoudt tot de voorgenomen
nieuwe kindregeling uit het coalitieakkoord «Aan de slag». Kan de regering dit nader
toelichten, zo vragen deze leden.
De leden van de D66-fractie vragen waarom niet is gekozen voor (gedeeltelijke) aansluiting
bij de afbouwpaden van de huurtoeslag of zorgtoeslag. Welke opties heeft de regering
in deze trant verkend, zo vragen deze leden.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat de regering een «geleidelijk oplopend» afbouwpercentage vanaf het tweede
afbouwpunt voorstelt. Begrijpen deze leden goed dat het hier gaat om een verhoging
van het afbouwpercentage van 4,3%-punt in 2027 en nog eens 0,45%-punt in 2028? In
hoeverre vindt de regering dat hier sprake is van een «geleidelijke» verhoging?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen ook dat de regering naar aanleiding
van de motie Flach c.s. (Kamerstuk. 36 725, nr. 23) enkele alternatieven heeft overwogen, maar uiteindelijk besloten heeft niet af te
wijken van het oorspronkelijke plan. Deze leden merken op dat de genoemde motie Flach
c.s. niet verzoekt om alternatieven te overwegen, maar om het oorspronkelijke voorstel
aan te passen. Klopt het dat de regering er dus voor kiest om deze aangenomen motie
naast zich neer te leggen? Deze leden merken op dat zij dat problematisch vinden,
en vragen de regering of zij deze keuze wil heroverwegen. Ook vragen zij de regering
wat het nieuwe afbouwpercentage zou worden als budgetneutraal gekozen wordt voor een
tweede afbouwpunt van € 75.000 (prijspeil 2024) en een vermogensgrens gelijk aan het
heffingvrij vermogen in box 3. Kan de regering toelichten in hoeverre zij deze variant
wenselijk vindt? En hoe verhoudt dat oordeel zich tot het voornemen in het coalitieakkoord
om de vermogensgrens in de zorgtoeslag gelijk te stellen aan het heffingsvrij vermogen
in box 3? Vindt de regering het wenselijk om vermogensgrenzen over verschillende regelingen
te harmoniseren, en zo meer zekerheid te bieden aan de ontvangers van onder andere
toeslagen?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen voorts of voor de nota van wijziging
ook is overwogen het afbouwpercentage te verhogen in plaats van het afbouwpunt te
verlagen, en waarom de regering daar niet voor gekozen heeft. Is de regering het ermee
eens dat dat de doelmatigheid van de regeling ten goede zou komen?
In tabel 1 staan de inkomensafbouwpunten in lopende prijzen voor komende jaren. De
leden van de CDA-fractie vragen om een actualisering van deze tabel naar aanleiding van de verlaging van het
inkomensafbouwpunt zoals voorgesteld als alternatieve dekking voor de bezuiniging
op proactieve dienstverlening bij Voorjaarsnota 2026. Daarnaast vragen deze leden
om inzichtelijk te maken, met een rekenvoorbeeld, wat de verlaging van het inkomensafbouwpunt
(van € 60.000 euro naar € 57.950) op jaarbasis betekent voor gezinnen.
De leden van de CDA-fractie vragen of de regering ook kan actualiseren hoeveel gezinnen
hun recht op kindgebondenbudget zullen verliezen.
De leden van BBB-fractie constateren dat de als «middeninkomens» aangeduide gezinnen steeds vaker de rekening
gepresenteerd krijgen van het kabinetsbeleid. Door het intensiveren van het kindgebonden
budget in voorgaande jaren, ontvingen ook hogere inkomens deze tegemoetkoming. Nu
wordt echter abrupt ingevoerd dat met een extra afbouwpunt vanaf € 60.000 de tegemoetkoming
versneld wordt afgebouwd en voor velen zelfs volledig verdwijnt. Dit treft ruim 340.000
ouders die gemiddeld € 670 minder per jaar zullen ontvangen, terwijl 114.000 ouders
hun aanspraak geheel verliezen.
De leden van de BBB-fractie merken op dat de regering stelt dat dit geen effect heeft
op kinderarmoede, aangezien deze huishoudens «primaire levensbehoeften zelfstandig
kunnen dragen». Echter, volgens deze leden wordt hiermee voorbijgegaan aan het feit
dat de lasten voor gezinnen met kinderen juist in de middengroep torenhoog zijn, onder
andere door stijgende woonlasten, oplopende kosten van levensonderhoud en de complexiteit
van het toeslagenstelsel. De bezuiniging treft juist de werkende middenklasse, waarop
volgens deze leden steeds meer druk wordt uitgeoefend om de maatschappelijke solidariteit
te bekostigen. Het overgrote deel van de getroffen huishoudens betreft paren, waarvan
velen bovendien reeds worstelen met een veranderlijk besteedbaar inkomen door inkomensafhankelijke
regelingen.
De leden van BBB-fractie vragen de regering of zij erkent dat nu het kindgebonden
budget bij hogere inkomens volledig verdwijnt, er voor deze gezinnen geen structurele
compensatie bestaat voor de stijgende lasten van kinderen, terwijl zij tegelijkertijd
geen aanspraak kunnen maken op andere inkomensafhankelijke regelingen? Is de regering
bereid te onderzoeken welke effecten dit heeft op het besteedbaar inkomen van de middenklasse?
Hoe waarborgt de regering dat het doelmatigheidsprincipe niet verwordt tot een kale
bezuinigingsoperatie waarbij vooral de werkende gezinnen met kinderen aan het eind
van het huidige afbouwpad de rekening betalen? Is het beleid vooral gericht op de
begroting of ook op de werkelijke draagkracht van gezinnen? Tot slot vragen deze leden
de regering of zij van mening is dat het uitgangspunt «werken loont» voldoende is
geborgd binnen deze maatregel. De marginale druk zal juist stijgen voor de middengroep.
De leden van de SGP-fractie constateren dat het oorspronkelijke voorstel is gewijzigd als gevolg van een nota
van wijziging. Het tweede afbouwpunt wordt hiermee nog lager gelegd. Klopt het dat
dit is gedaan met het oog op het invoeren van de Wet proactieve dienstverlening?
De leden van de SGP-fractie wijzen erop dat de Wet proactieve dienstverlening is bedoeld
om toeslaggerechtigden te wijzen op hun aanspraak op toeslagen. Deze leden vinden
de dekking van dat wetsvoorstel, via een beperken van het kindgebonden budget, op
zijn minst opmerkelijk. Vooral omdat de doelen van beide voorstellen elkaar tegenwerken.
Enerzijds wordt gestimuleerd om het recht op toeslagen te verzilveren, anderzijds
wordt het recht op toeslagen ingeperkt. Kan de regering hierop reflecteren? Waarom
is niet voor een dekking buiten het toeslagendomein gekozen om deze interactie te
voorkomen?
De leden van de SGP-fractie vragen naar een reflectie van de regering op het feit
dat de marginale druk als gevolg van het voorliggende wetsvoorstel met 4,3%-punt stijgt,
ook in het licht van de breed gedeelde wens om de marginale druk te doen dalen.
De leden van de SGP-fractie vragen waarom ervoor is gekozen om het extra knikpunt
te leggen bij een verzamelinkomen van € 60.000. Is dit enkel om budgettaire redenen
of is er bewust gekozen voor € 60.000?
De leden van de SGP-fractie danken de regering voor het meenemen van de opties waar
de motie Flach c.s. (Kamerstuk 36 725, nr. 23) om verzocht. De memorie van toelichting geeft daardoor een goed beeld van de overwogen
alternatieven. Tegelijk blijven deze leden van de mening dat een andere vormgeving
noodzakelijk is, om middeninkomens te ontzien en zoals de motie ook verzocht.
De leden van de SGP-fractie vragen naar de budgettaire gevolgen van het verhogen van
de afbouwgrens naar € 65.000, € 70.000, € 75.000 en € 80.000, met gelijkblijvend afbouwpercentage
van 12,80%?
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering om een nadere toelichting over de effecten op de marginale druk.
Dit wetsvoorstel laat zien dat het huidige belasting- en toeslagenstelsel zorgt voor
een hoge marginale druk. Dit illustreert de noodzaak voor een totale herziening van
het belasting- en toeslagenstelsel. Ziet de regering dit ook zo? Zo nee, waarom niet?
De leden van de ChristenUnie-fractie zijn sterk voorstander van een totale herziening
van het belasting- en toeslagenstelsel om het totale stelsel eenvoudiger en rechtvaardiger
te maken zonder risico op terugvorderingen. Deze regering werkt aan de samenvoeging
van de kinderbijslag en het kindgebondenbudget. Wat is hiervoor het tijdpad en wanneer
wordt wetgeving verwacht? En wat zijn de ambities van dit kabinet voor totale herziening
van het stelsel, naast de kinderbijslag en het kindgebondenbudget?
De leden van de ChristenUnie-fractie lezen in de memorie van toelichting dat de marginale
druk voor sommige huishoudens met 4,7% toeneemt en dat de marginale druk voor andere
huishoudens verdwijnt. Kan de regering deze twee situaties illustreren aan de hand
van voorbeelden?
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering hoeveel extra gezinnen het
kindgebondenbudget hebben ontvangen sinds 2021, als gevolg van de verhogingen van
het kindgebondenbudget. Daarnaast vragen deze leden om cijfers over terugvorderingen.
Hoeveel terugvorderingen zijn er per jaar sinds 2021 geweest? Wat was de gemiddelde
hoogte van deze terugvorderingen en is er een bepaalde verdeling over het aantal terugvorderingen
en de hoogte daarvan te zien over verschillende inkomensgroepen?
De leden van de ChristenUnie-fractie lezen in de memorie van toelichting een reactie
op de motie Flach c.s. Deze leden vragen de regering hier dieper op in te gaan. Wat
levert een verlaging van vermogensgrenzen financieel op? Hoeveel terugvorderingen
worden er in dat geval verwacht en kan dat op een andere manier worden voorkomen?
Is de regering er ten principale niet van overtuigd dat een verlaging van vermogensgrenzen
een wenselijkere maatregel is dan het verhogen van een tweede afbouwpunt? Zo nee,
waarom niet?
De leden van de ChristenUnie-fractie hebben vragen over voorliggend wetsvoorstel in
relatie tot het wetsvoorstel vereenvoudiging partnerbegrip toeslagen. Het wetsvoorstel
vereenvoudiging partnerbegrip toeslagen heeft een beoogde inwerkingtredingsdatum op
1 januari 2027. De kosten voor de wetswijzigingen worden gedekt door een verlaging
van de vermogensgrens van het kindgebondenbudget. Deze leden vragen tot welk punt
de vermogensgrens wordt verlaagd bij de inwerkingtreding van dit wetsvoorstel. Hoe
komt het kindgebondenbudget eruit te zien na de inwerkingtreding van beide wetsvoorstellen?
Kan de regering een overzicht schetsen van afbouwpunten en vermogensgrenzen met dit
wetsvoorstel, in combinatie met het wetsvoorstel vereenvoudiging partnerbegrip?
Aanvullend vragen de leden van de ChristenUnie-fractie hoe de regering de toekomst
inziet van de alleenstaande ouderkop (ALO-kop), ook in relatie tot het coalitieakkoord,
waarin samenvoeging van het kindgebondenbudget en de kinderbijslag is beoogd.
De leden van de Groep Markuszower verzoeken de regering nader uiteen te zetten hoeveel huishoudens exact worden geraakt
door het verhogen van het afbouwpercentage van het kindgebonden budget. Deze leden
vragen de regering tevens om een overzicht per inkomenscategorie van:
• het gemiddelde verlies aan kindgebonden budget;
• de gemiddelde marginale druk;
• het netto koopkrachteffect voor werkende gezinnen.
De leden van de Groep Markuszower vragen hoeveel gezinnen als gevolg van dit wetsvoorstel
geheel uit het recht op kindgebonden budget vallen. Voorts vragen deze leden of de
regering inzichtelijk kan maken hoeveel gezinnen met één werkende ouder worden geraakt
ten opzichte van tweeverdieners.
De leden van de Groep Markuszower vragen waarom is gekozen voor de inkomensgrens van
€ 60.000. Welke alternatieve inkomensgrenzen zijn onderzocht en waarom zijn die verworpen?
De leden van de Groep Markuszower vragen eveneens of de regering erkent dat gezinnen
in regio’s met hoge woonlasten, hoge energiekosten en hoge kinderopvangkosten relatief
harder worden geraakt door dit wetsvoorstel.
3. Wijziging Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
De leden van de Groep Markuszower verzoeken de regering nader toe te lichten waarom wijziging van het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering noodzakelijk is binnen dit wetsvoorstel. Deze leden vragen of de voorgestelde
wijziging gevolgen heeft voor beslagvrije voet, verrekeningen of incassotrajecten
bij gezinnen die te maken krijgen met terugvorderingen van toeslagen. Daarnaast vragen
deze leden hoeveel huishoudens jaarlijks te maken krijgen met gerechtelijke procedures
of dwanginvordering vanwege toeslagenschulden.
4. Verhouding tot hoger recht
De leden van de Groep Markuszower vragen of de regering heeft onderzocht of verdere afbouw van inkomensondersteuning
voor werkende gezinnen spanning oplevert met het evenredigheidsbeginsel.
De leden van de Groep Markuszower vragen tevens of de regering juridisch heeft getoetst
of de stapeling van inkomensafhankelijke regelingen kan leiden tot onevenredige marginale
druk voor bepaalde huishoudtypen.
5. Inkomenseffecten
De leden van de D66-fractie constateren dat de memorie van toelichting inkomenseffecten rapporteert in de tabellen.
Gaat het hier om de gemiddelde of om de mediane inkomenseffecten per inkomensgroep,
zo vragen deze leden. En kan de regering de spreiding van de inkomenseffecten binnen
deze inkomenseffecten door middel van een boxplot of op andere wijze inzichtelijk
maken?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie merken op dat er inclusief de nota van wijziging sprake is van een negatief inkomenseffect
in het derde inkomenskwintiel. Deze leden vinden het niet wenselijk dat er bezuinigd
wordt op lagere middeninkomens, terwijl de allerrijksten wederom de dans ontspringen.
Deze leden vragen de regering of zij echt geen andere opties ziet om de budgettaire
opgave in te vullen, waarbij niet middeninkomens maar (zeer) hoge inkomens meer gaan
bijdragen.
De leden van de CDA-fractie vragen de regering in hoeverre gezinnen erop vooruit gaan als gevolg van de extra
inzet uit het coalitieakkoord in de kindregelingen van € 300 miljoen in 2027 en € 600 miljoen
structureel vanaf 2028, waar tegelijkertijd meer zekerheid en verlaging van de marginale
druk voor gezinnen mee wordt nagestreefd door verhoging van de niet-inkomensafhankelijke
bedragen. Deze leden vragen het kabinet ook hoe deze bedragen het best kunnen worden
ingezet binnen de kindregelingen om de marginale druk voor gezinnen komende jaren
te beperken, en om daarbij ook de steeds hogere kinderopvangtoeslag in verband met
«bijna» gratis kinderopvang per 2029 te betrekken.
Wat is het gemiddelde, absolute effect in euro’s voor de vierde inkomensgroep, zo
vragen de leden van de SGP-fractie. Kan de regering de spreiding in absolute inkomenseffecten toelichten?
De leden van de Groep Markuszower verzoeken de regering om uitgebreid inzicht te geven in de cumulatieve inkomenseffecten
van:
• deze maatregel;
• wijzigingen in huurtoeslag;
• wijzigingen in zorgtoeslag;
• wijzigingen in kinderopvangtoeslag;
• stijgende lasten voor energie en wonen.
De leden van de Groep Markuszower vragen hoeveel gezinnen door de stapeling van maatregelen
er netto op achteruitgaan.
Voorts vragen de leden van de Groep Markuszower of de regering kan aangeven wat het
marginale drukpercentage wordt voor gezinnen met:
• één kind;
• twee kinderen;
• drie of meer kinderen.
De leden van de Groep Markuszower vragen daarnaast hoeveel gezinnen door deze maatregel
minder uren gaan werken volgens de ramingen van het kabinet.
6. Financiële gevolgen voor het Rijk
De leden van de SGP-fractie zijn kritisch op het wetsvoorstel, mede omdat het leidt tot een bezuiniging op kindregelingen
van € 330 miljoen. Hiermee wordt dus financieel gekort op gezinnen. Klopt het dat
hier geen directe investering in gezinnen tegenover staat?
De leden van de SGP-fractie wijzen er ook op dat uit de budgettaire bijlage van het
coalitieakkoord «Aan de slag» is voorgesteld om te investeren in gezinnen, dat juichen
deze leden toe. Volgend jaar, in 2027, is de investering echter € 300 miljoen. Het
huidige wetsvoorstel draait deze investering dus meer dan terug. Dit leidt tot de
vraag of het voorliggende wetsvoorstel de ambities van de regering niet meer dan teniet
maakt.
De leden van de Groep Markuszower vragen hoeveel structurele opbrengst de regering verwacht te realiseren met dit wetsvoorstel.
Deze leden verzoeken de regering tevens uiteen te zetten welk deel van deze opbrengst
voortkomt uit lagere uitgaven aan gezinnen met kinderen. Daarnaast vragen deze leden
hoeveel extra uitvoeringskosten gemoeid zijn met de wijziging van systemen, communicatie
en handhaving door de Dienst Toeslagen.
7. Caribisch Nederland
De leden van de Groep Markuszower vragen waarom dit wetsvoorstel geen directe gevolgen heeft voor Caribisch Nederland
en of vergelijkbare inkomensondersteunende regelingen daar bestaan.
8. Regeldrukeffecten, waaronder gevolgen voor burgers
De leden van de D66-fractie constateren dat Dienst Toeslagen constateert dat er een vergrote kans is op (hoge)
terugvorderingen door een steilere afbouw. Welke maatregelen treft de regering om
dit risico te verkleinen, zo vragen deze leden.
De leden van de Groep Markuszower vragen of de regering erkent dat wijzigingen in toeslagenregelingen leiden tot meer
onzekerheid voor gezinnen doordat voorschotten achteraf kunnen afwijken van het definitieve
recht.
De leden van de Groep Markuszower vragen hoeveel extra bezwaar- en beroepsprocedures
worden verwacht als gevolg van dit wetsvoorstel. Voorts vragen deze leden hoeveel
burgers naar verwachting met terugvorderingen te maken krijgen als gevolg van schommelingen
in inkomen rondom de grens van € 60.000.
9. Toetsing en consultatie
De leden van de SGP-fractie lezen in de Uitvoeringstoets dat het wetsvoorstel uitvoerbaar is, mits er wordt geaccepteerd
dat er een vergrote kans is op (hoge) terugvorderingen. De mate en hoogte van deze
terugvorderingen wordt echter niet gekwantificeerd. Graag ontvangen deze leden meer
kwantitatieve duiding van deze terugvorderingen, zowel in aantallen als in hoogten.
De leden van de ChristenUnie-fractie lezen in het coalitieakkoord dat de regering voornemens is om gezinnen te ondersteunen
en meer zekerheid te geven, onder andere door het verminderen van het risico op terugvorderingen.
Echter blijkt uit de consultatie dat de Dienst Toeslagen een grotere kans op (hoge)
terugvorderingen verwacht door een steilere afbouw. De verwachting is dat het aantal
terugvorderingen na twee jaar kleiner is, maar dat de hoogte van de terugvorderingen
toe kan nemen. Deze leden vragen de regering of er alleen de ambitie is om het risico
op terugvorderingen te verminderen, of dat er ook wordt gekeken naar de hoogte van
terugvorderingen.
De leden van de Groep Markuszower verzoeken de regering om alle uitvoeringstoetsen van de Dienst Toeslagen integraal
openbaar te maken indien deze nog niet volledig openbaar beschikbaar zijn.
De leden van de Groep Markuszower vragen daarnaast welke kritiekpunten uitvoeringsinstanties
hebben geuit over de uitvoerbaarheid van dit wetsvoorstel. Voorts vragen deze leden
of maatschappelijke organisaties, belangenorganisaties voor gezinnen of armoedeorganisaties
hebben gewaarschuwd voor negatieve effecten van deze maatregel op middeninkomens.
10. Evaluatie
De leden van de Groep Markuszower vragen binnen welke termijn de regering voornemens is deze wetswijziging te evalueren.
Deze leden vragen of daarbij specifiek zal worden gekeken naar:
• arbeidsparticipatie;
• marginale druk;
• terugvorderingen;
• schuldenproblematiek;
• koopkrachteffecten voor gezinnen.
11. Overgangsrecht en inwerkingtreding
De leden van de fractie van de SGP-fractie lezen dat de beoogde datum van inwerkingtreding 1 januari 2027 is. De leden wijzen
erop dat deze termijn ambitieus is, mede gezien het stadium waarin het wetsvoorstel
zich thans parlementair bevindt. Voor welke datum moet het wetsvoorstel volgens het
kabinet door beide Kamers aanvaard zijn, om de beoogde inwerkingtreding te halen?
Daarnaast wijzen de leden van de SGP-fractie erop dat de beoogde datum van inwerkingtreding
hoe dan ook zal betekenen dat gezinnen kort voor deze datum pas duidelijkheid kunnen
krijgen over de hoogte van het kindgebonden budget waar zij recht op hebben. Waarom
is er niet voor een latere inwerkingtreding gekozen? Hoe kunnen gezinnen anticiperen
om de voorgenomen bezuiniging?
De leden van de Groep Markuszower vragen waarom is gekozen voor de voorgestelde datum van inwerkingtreding.
Daarnaast vragen de leden van de Groep Markuszower of gezinnen tijdig en actief worden
geïnformeerd over de gevolgen voor hun besteedbaar inkomen.
De voorzitter van de commissie, Van der Lee
Adjunct-griffier van de commissie, Morrin
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
T.M.T. van der Lee, voorzitter van de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid -
Mede ondertekenaar
C.E. Morrin, adjunct-griffier
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.