Verslag (initiatief)wetsvoorstel (nader) : Verslag
36 912 Regels over een basisverzekering voor arbeidsongeschikte zelfstandigen (Wet basisverzekering arbeidsongeschiktheid zelfstandigen)
Nr. 5
VERSLAG
Vastgesteld 29 mei 2026
De vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid, belast met het voorbereidend
onderzoek van voorliggend wetsvoorstel, heeft de eer als volgt verslag uit te brengen
van haar bevindingen.
Onder het voorbehoud dat de in het verslag opgenomen vragen en opmerkingen afdoende
door de regering worden beantwoord acht de commissie de openbare behandeling van het
wetsvoorstel voldoende voorbereid.
Inhoudsopgave
I.
Algemeen
1
1.
Inleiding
2
2.
Probleemanalyse
4
3.
Doelen en aard van de maatregelen
6
4.
Kring van verzekerden
10
5.
Het recht op uitkering
12
6.
De hoogte van de uitkering
15
7.
Claimbeoordeling
17
8.
Activering
19
9.
Premieheffing- en inning
20
10.
Opt-out
22
11.
Informatie- en medewerkingsverplichting, terugvordering, toezicht en handhaving
26
12.
Overgangsrecht
27
13.
Verwerking van persoonsgegevens
28
14.
Ministeriële verantwoordelijkheid
29
15.
Overig
29
16.
Internationaalrechtelijke aspecten
29
17.
Financiële gevolgen
30
18.
Evaluatie
31
19.
Ontvangen inbreng
31
II
Artikelsgewijze toelichting
32
I. Algemeen
De leden van de D66-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel
De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het voorliggende wetsvoorstel. Deze leden
hebben geruime tijd gewacht op dit wetsvoorstel en zijn verheugd dat deze uiteindelijk
de Kamer heeft bereikt. Deze leden hebben op verschillende punten nog vragen over
dit wetsvoorstel.
De leden van de PVV-fractie hebben grote zorgen over het wetsvoorstel Wet basisverzekering arbeidsongeschiktheid
zelfstandigen.
De leden van de CDA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel en hebben nog enkele
vragen.
De leden van de JA21-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel Wet basisverzekering arbeidsongeschiktheid
zelfstandigen. Deze leden onderschrijven de doelstelling dat werkenden adequaat beschermd
dienen te zijn tegen de financiële risico’s van arbeidsongeschiktheid. Deze leden
maken zich daarentegen zorgen over de wijze waarop de regering dit doel tracht te
realiseren en hebben daarover nog enkele vragen.
De leden van de BBB-fractie hebben met bezorgdheid kennisgenomen van het wetsvoorstel Wet basisverzekering arbeidsongeschiktheid
zelfstandigen en de daarbij behorende stukken.
De leden van de SGP-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel. Deze leden hebben daarover
nog enkele vragen.
De leden van de ChristenUnie-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel Wet basisverzekering
arbeidsongeschiktheid zelfstandigen. Deze leden maken van de mogelijkheid gebruik
tot het stellen van vragen
De leden van de Groep Markuszower hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel inzake de Wet basisverzekering arbeidsongeschiktheid
zelfstandigen. Deze leden constateren dat opnieuw een verplichte collectieve regeling
wordt opgetuigd voor een zeer diverse groep zelfstandigen, terwijl veel zelfstandigen
juist bewust kiezen voor vrijheid, eigen verantwoordelijkheid en maatwerk.
1. Inleiding
De leden van de D66-fractie zijn verheugd te vernemen dat nu een wetsvoorstel voorligt waarmee een belangrijke
doorbraak gerealiseerd kan worden in de arbeidsmarktpositie van zelfstandigen. Veel
zelfstandigen zijn niet of onvoldoende verzekerd voor arbeidsongeschiktheid, wat zorgt
voor een druk op de samenleving of een ongelijk speelveld. Daarnaast is de positie
van zelfstandigen die niet in aanmerking komen voor een private verzekering schrijnend
en verdient zij aandacht. Het is volgens deze leden een goede zaak dat hier nu een
voorstel voor is opgesteld, dat gegrond is in een uitgebreid voortraject waarin veel
betrokken partijen zijn meegenomen. Op sommige onderdelen hebben deze leden echter
nog vragen, omdat er nog zorgen leven. Die zorgen betreffen bijvoorbeeld of er op
deze manier nu echt een goed verzekeringsproduct beschikbaar wordt gesteld aan zelfstandigen,
nu dit verplicht wordt. Daarnaast hebben deze leden zorgen over de uitvoering en of
de opt-out een reële optie is voor zelfstandigen.
In het algemeen merken de leden van de D66-fractie op dat veel beleidsmatige keuzes,
zoals de afbakening van de doelgroep of de wachttermijn zijn gemaakt met het oog op
de betaalbaarheid. Het valt natuurlijk te prijzen dat uitvoerbaarheid een belangrijk
punt van aandacht is geweest bij het opstellen van dit wetsvoorstel. Voorkomen moet
echter worden dat politieke, beleidsmatige discussies onmogelijk worden gemaakt omdat
problemen in de uitvoering slechts één beleidsmatige keuze mogelijk maken. Kan de
regering inzicht bieden per grote beleidskeuze die deel uitmaakt van dit wetsvoorstel
in hoeverre die keuze vooral gedreven is door uitvoerbaarheid en in hoeverre andere
keuzes überhaupt mogelijk zijn?
De leden van de PVV-fractie begrijpen dat langdurige arbeidsongeschiktheid grote gevolgen kan hebben voor zelfstandigen.
Tegelijkertijd zien deze leden in dit voorstel vooral een nieuw bureaucratisch monster
ontstaan dat ondernemers opzadelt met extra lasten, extra regels en extra onzekerheid.
De leden van de PVV-fractie lezen bovendien dat de Raad van State vernietigend kritisch
is over de uitvoerbaarheid van dit voorstel en zelfs stelt dat de regeling «niet of
nauwelijks uitvoerbaar» is zolang de problemen bij het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen
(UWV) niet zijn opgelost. Kan de regering uitgebreid toelichten waarom zij toch doorgaat
met dit voorstel terwijl het UWV nu al kampt met enorme achterstanden binnen de Wet
werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA)?
De leden van de PVV-fractie vrezen dat dit wetsvoorstel uiteindelijk zal uitmonden
in hogere lasten, meer bureaucratie en nóg meer druk op uitvoeringsorganisaties die
nu al overbelast zijn. Waarom zet de regering desondanks door met een voorstel waarvan
de Raad van State waarschuwt dat het nauwelijks uitvoerbaar is? Erkent de regering
bovendien dat, ondanks de goede bedoelingen achter dit wetsvoorstel, de negatieve
effecten voor ondernemers, uitvoeringsorganisaties en de uitvoerbaarheid van het socialezekerheidsstelsel
uiteindelijk mogelijk zwaarder zullen wegen dan de beoogde voordelen?
De leden van de CDA-fractie constateren dat de regering met dit wetsvoorstel drie doelen nastreeft, namelijk
inkomensbescherming voor zelfstandigen, een gelijker speelveld en minder afwenteling
op algemene voorzieningen. Deze leden vragen of de regering per doel kan aangeven
welke concrete en meetbare resultaten na invoering moeten zijn bereikt om de wet als
geslaagd te kunnen beoordelen.
De leden van de CDA-fractie lezen dat de Raad van State grote zorgen heeft over de
uitvoerbaarheid van het wetsvoorstel, mede vanwege de bestaande problemen bij de WIA.
Deze leden vragen welke concrete uitvoeringsindicatoren volgens de regering minimaal
op orde moeten zijn voordat de Basisverzekering arbeidsongeschiktheid zelfstandigen
(Baz) daadwerkelijk in werking kan treden.
De leden van de BBB-fractie zijn van mening dat het wetsvoorstel in feite een nivelleringsoperatie is waarbij
goedbetaalde zelfstandigen zonder personeel (zzp’ers) buitenproportioneel worden geraakt
in hun vermogen om te ondernemen. Deze leden constateren dat de regering aan de ene
kant tot in het extreme van zzp’ers vraagt zich te verantwoorden als ondernemer, maar
tegelijkertijd een verplichte verzekering opdringt. Goedbetaalde zzp’ers zullen onder
de nieuwe wetgeving meer betalen voor hun verzekering dan in de huidige situatie.
Dit is wat deze leden betreft ontoelaatbaar.
De leden van de Groep Markuszower hebben ernstige zorgen over de gevolgen van deze verplichte verzekering voor kleine
zelfstandigen, eenpitters en ondernemers met lage marges. Deze leden vragen de regering
uitgebreid te motiveren waarom zelfstandigen gedwongen moeten worden deel te nemen
aan een publiek stelsel, terwijl een aanzienlijk deel reeds particuliere voorzieningen
heeft getroffen of bewust geen verzekering wenst af te sluiten.
2. Probleemanalyse
De leden van de D66-fractie herkennen de probleemanalyse en merken voorts op dat uit onderzoek blijkt dat onverzekerde
zelfstandigen vaker zwaar en gevaarlijk werk doen dan verzekerde zelfstandigen. Kan
de regering nader ingaan op deze stelling?
De leden van de D66-fractie delen de zorgen dat veel zelfstandigen op dit moment niet
of onvoldoende verzekerd zijn en dit tot schrijnende situaties kan leiden. Dit wordt
ook ondersteund door vele cijfers die goed onderbouwd worden in de memorie van toelichting.
Deze leden merken echter op dat de cijfers over de omvang van het probleem voornamelijk
betrekking hebben op het aantal zelfstandigen die op dit moment risico lopen op arbeidsongeschiktheid,
maar weinig ondersteunende cijfers worden geleverd op het aantal arbeidsongeschikte
zelfstandigen die op dit moment moeite hebben met rondkomen omdat zij onvoldoende
verzekerd zijn. Heeft de regering ook cijfermatige onderbouwing van de omvang en de
zwaarte van arbeidsongeschikte zelfstandigen op dit moment?
De leden van de PVV-fractie hebben grote vragen over de wachttijd van 104 weken. Hoeveel zelfstandigen zullen
volgens de regering in die twee jaar alsnog moeten terugvallen op spaargeld, schulden
of zelfs de bijstand? Zeker voor zzp’ers zonder enig vangnet, voor wie dit wetsvoorstel
oorspronkelijk bedoeld was, dreigt deze lange wachttijd juist averechts uit te pakken.
De leden van de CDA-fractie lezen dat de regering zorgen heeft over zelfstandigen zonder adequate voorziening
tegen arbeidsongeschiktheid. Deze leden vragen of de regering nader kan kwantificeren
welk deel van deze groep financieel kwetsbaar is, welk deel eigen vermogen of partnerinkomen
inzet als voorziening, en welk deel zich aantoonbaar niet of slechts beperkt privaat
kan verzekeren.
De leden van de CDA-fractie vragen of de regering kan aangeven hoeveel zelfstandigen
met lage inkomens door dit wetsvoorstel daadwerkelijk beter beschermd worden dan onder
het huidige vangnet van de Participatiewet, mede gelet op de wachttijd van 104 weken,
partnerinkomen, vermogenstoetsen en de hoogte van de uiteindelijke Baz-uitkering.
De leden van de CDA-fractie vragen of de regering kan aangeven hoeveel zelfstandigen
naar verwachting tijdens de wachttijd van 104 weken alsnog een beroep zullen doen
op spaargeld, partnerinkomen, broodfondsen, gemeentelijke ondersteuning, het Besluit
bijstandverlening zelfstandigen of de Participatiewet.
De leden van de JA21-fractie maken zich zorgen over de wijze waarop de wet tot stand is gekomen. In de memorie
van toelichting refereert de regering aan de brede maatschappelijke discussie en de
adviezen van de Stichting van de Arbeid die aan dit wetsvoorstel voorafgingen. Deze
leden vragen hoe de regering beoordeelt dat een dermate ingrijpende verplichting voor
zelfstandigen voortkomt uit een polderakkoord waarin voornamelijk de traditionele
werkgevers- en werknemersorganisaties een centrale rol speelden. Is de regering van
mening dat zelfstandigen bij de totstandkoming van deze afspraak in 2019 voldoende
en evenredig waren vertegenwoordigd? In hoeverre is bij de totstandkoming van het
pensioenakkoord daadwerkelijk met de zelfstandigen zelf over de basisverzekering gesproken?
Hoe reflecteert de regering op het gegeven dat blijkens achterbanonderzoek van de
Vereniging ZZP Nederland ruim 81% van de zelfstandigen zich uitspreekt tegen de introductie
van de voorgestelde basisverzekering? Hoe kijkt de regering aan tegen het gebrek aan
draagvlak onder de directe doelgroep?
De leden van de JA21-fractie vragen in dat kader ook welke zelfstandigenorganisaties
sinds het pensioenakkoord structureel en op gelijkwaardige basis zijn betrokken bij
de verdere uitwerking van het wetsvoorstel. Welke bezwaren hebben zij ingebracht ten
aanzien van de proportionaliteit, de betaalbaarheid, de keuzevrijheid, de vormgeving
van de opt-out en de feitelijke uitvoerbaarheid, en op welke concrete onderdelen is
het wetsvoorstel naar aanleiding daarvan aangepast? Kan de regering inzichtelijk maken
welke aanpassingen voortkomen uit de opmerkingen van zelfstandigenorganisaties, en
aanpassingen die zijn gedaan primair ingegeven door technische bezwaren van uitvoeringsorganisaties,
de wensen van sociale partners, of budgettaire randvoorwaarden van de regering?
De leden van de JA21-fractie vragen of de regering bereid is, mede in het licht van
het geconstateerde minieme draagvlak onder zelfstandigen en het uiterst kritische
advies van de Afdeling advisering van de Raad van State, de verdere behandeling van
het wetsvoorstel op te schorten om opnieuw met zelfstandigenorganisaties in gesprek
te gaan. Is de regering bereid om tijdens dit overleg de fundamentele vraag centraal
te stellen of de basisverzekering in de huidige vorm wel de juiste route is? Is de
regering bereid de Kamer voorafgaand aan de verdere parlementaire behandeling te informeren
over de uitkomsten van dat hernieuwde overleg, inclusief het antwoord op de vraag
of er onder zelfstandigen voldoende draagvlak bestaat voor dit voorstel?
De leden van de SGP-fractie vragen hoe de regering heeft onderzocht in hoeverre bestaande private voorzieningen
voor zelfstandigen reeds voorzien in passende dekking. Wat waren daarvan de resultaten?
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering of informatie bekend is over hoeveel van de zelfstandigen die
zich op enigerlei wijze hebben verzekerd tegen arbeidsongeschiktheid (via ofwel spaargeld,
een verzekering of een broodfonds) een verzekering hebben die minstens net zo hoog
of vergelijkbaar is met de door de regering voorgestelde basisverzekering.
De leden van de ChristenUnie-fractie zijn benieuwd of de regering een inschatting
kan maken wat de omvang is van de huidige groep voormalig zelfstandigen die (gedeeltelijk)
arbeidsongeschikt zijn geraakt en die geen voorziening hadden getroffen om te kunnen
voorzien in hun levensonderhoud. Waar vallen deze mensen over het algemeen op terug
om rond te kunnen komen? En wat zijn de materiële gevolgen van hun arbeidsongeschiktheid?
In de memorie van toelichting lezen de leden van de ChristenUnie-fractie dat er de
afgelopen jaren een lichte stijging te zien is van zelfstandigen die aangeven een
voorziening te treffen tegen het risico van arbeidsongeschiktheid. Dat is positief.
Deze leden vragen of ook bekend is of de voorziening die zelfstandigen treffen van
een voldoende niveau is om daadwerkelijk te kunnen rondkomen wanneer de zelfstandige
onverhoopt (gedeeltelijk) arbeidsongeschikt raakt.
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering of zij een beeld heeft in
welke sectoren zelfstandigen juist wel en juist geen voorziening hebben getroffen
tegen het risico op arbeidsongeschiktheid. Voorts vragen deze leden welke inzet de
regering de afgelopen jaren heeft getroffen om zelfstandigen te bewegen een (voldoende)
voorziening te treffen.
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering om toe te lichten wat de redenen
waren om de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen te sluiten. Hoe verhouden
de argumenten die toentertijd zijn gebruikt tot de huidige situatie?
In de memorie van toelichting lezen de leden van de ChristenUnie-fractie waarom niet
gekozen is om de aanmeldtermijn voor vrijwillige verzekering bij UWV te verlengen
van 13 weken naar een jaar. De regering heeft niet uiteengezet wat de reden is waarom
voor vrijwillige verzekering bij UWV de zelfstandige eerst in loondienst moet zijn
geweest. Deze leden vragen de logica hierachter toe te lichten is en aan te geven
of overwogen is om deze voorwaarde aan te passen.
De leden van de ChristenUnie-fractie lezen dat uit onderzoek uit 2016 bleek dat 27%
van de zelfstandigen niet op eigen kracht een inkomen op sociaal minimumniveau kon
verdienen tot de Algemene Ouderdomswet (AOW-)leeftijd. Deze leden vragen of bij deze
cijfers ook het inkomen van de eventuele partner en het vermogen van het huishouden
zijn meegerekend.
De leden van de Groep Markuszower vragen op welke concrete cijfers de regering baseert dat sprake zou zijn van een
maatschappelijk probleem dat een verplichte verzekering rechtvaardigt. Hoeveel zelfstandigen
raken jaarlijks langdurig arbeidsongeschikt zonder enige voorziening? Kan de regering
tevens aangeven hoeveel zelfstandigen uiteindelijk afhankelijk raken van bijstand
of andere publieke voorzieningen wegens het ontbreken van een arbeidsongeschiktheidsverzekering?
Deze leden vragen daarnaast hoeveel zelfstandigen bewust afzien van een verzekering
vanwege hoge premies, wantrouwen richting verzekeraars of omdat zij beschikken over
eigen vermogen of een partnerinkomen.
3. Doelen en aard van de maatregelen
De leden van de D66-fractie kunnen de overwegingen van de regering bij de verschillende alternatieven in het
algemeen goed volgen. Voor de volledigheid willen deze leden de regering op enkele
punten van deze overwegingen nog bevragen. In haar overwegingen om niet te kiezen
voor een uniform stelsel voor alle werkenden lijkt de regering echter te suggereren
dat in een dergelijk stelsel gekozen moet worden voor een risicoavers stelsel met
hoge premies dan wel voor een minder risicoavers stelsel met lagere premies. Deze
leden merken op dat een stelsel ook vorm te geven is met een vrije keuze tussen verschillende
polissen, waarbij de ene polis een bredere dekking biedt tegen een hogere premies
dan de andere polis. Werkenden, los van hun positie in de werkkring, kunnen dan een
polis afsluiten die aansluit bij hun risicovoorkeuren. Door middel van risicoverevening
zijn gedragseffecten te mitigeren, zoals nu ook in het zorgverzekeringsstelsel geschiedt.
Deze leden vragen of dergelijke mogelijkheden ook in de afweging van de regering zijn
meegenomen en of deze opties ook meegewogen worden in toekomstige hervormingen van
het arbeidsongeschiktheidsstelsel, mede gelet op het feit dat de regering terecht
aangeeft dat de geschetste alternatieven pas op de langere termijn te verwezenlijken
zouden zijn dan hun voorliggende wetsvoorstel.
De leden van de D66-fractie lezen voorts dat als tegenargumenten voor het invoeren
van een volledig privaat stelsel voor arbeidsongeschikten worden opgevoerd dat A)
een risicovereveningsystematiek lastig uitvoerbaar zou zijn en B) dat er onzekerheid
bestaat over het zijn van zelfstandig ondernemer en de (verwachte) winst uit onderneming.
Deze leden zijn benieuwd naar een verdere onderbouwing van deze argumenten, met name
in verhouding tot het feit dat A) het wetsvoorstel een stabiliteitsbijdrage kent die
overeenkomsten vertoont met een dergelijke risicovereveningsystematiek en B) het wetsvoorstel
dezelfde problematiek rond het afbakenen van zelfstandig ondernemerschap en winst
uit onderneming kent.
De leden van de PVV-fractie hebben grote zorgen over de enorme complexiteit van het voorstel. Vooral voor ondernemers
die deels in loondienst werken en deels zelfstandig ondernemer zijn. Kan de regering
concreet uiteenzetten hoe het systeem in de praktijk gaat werken voor mensen die bijvoorbeeld
18 uur in loondienst werken en daarnaast 18 uur als zzp’er actief zijn? Hoeveel aparte
beoordelingen moeten dan plaatsvinden? Hoeveel (extra) administratieve handelingen
worden daarbij verwacht van ondernemers?
De leden van de CDA-fractie lezen dat de regering de Baz vormgeeft als een basisverzekering met een uitkering
van maximaal het wettelijk minimumloon na een wachttijd van 104 weken. Deze leden
vragen of de regering kan aangeven voor welke inkomensgroepen deze verzekering vooral
een reële inkomensbescherming biedt en voor welke inkomensgroepen vooral sprake is
van een minimumvangnet.
De leden van de CDA-fractie vragen hoe de regering voorkomt dat zelfstandigen de mate
van bescherming door de Baz overschatten, bijvoorbeeld doordat zij wel verplicht premie
betalen maar bij arbeidsongeschiktheid pas na twee jaar en tot maximaal het wettelijk
minimumloon dekking krijgen.
De leden van de CDA-fractie lezen dat de regering kiest voor een apart stelsel voor
zelfstandigen en tegelijkertijd erkent dat samenloop met andere stelsels complex kan
zijn. Deze leden vragen welke concrete vereenvoudigingen de regering nog mogelijk
acht in dit wetsvoorstel zonder de kern van de verzekering aan te tasten.
De leden van de CDA-fractie vragen hoe de regering bij het bepalen van het moment
van inwerkingtreding het actuele oordeel van UWV en de Belastingdienst over uitvoerbaarheid,
beschikbare capaciteit en ICT-gereedheid betrekt. Deze leden vragen of de regering
bereid is de Kamer voorafgaand aan inwerkingtreding een actueel invoeringsbeeld te
sturen, waarin in ieder geval het oordeel van UWV en de Belastingdienst op deze punten
is opgenomen.
De leden van de JA21-fractie lezen dat de regering heeft gekeken naar alternatieven voor de voorgestelde basisverzekering,
waaronder varianten met een uniform stelsel voor alle werkenden. Deze leden lezen
ook dat de regering uiteindelijk kiest voor een afzonderlijk stelsel voor zelfstandigen,
mede omdat een breder uniform stelsel ingrijpender zou zijn en meer tijd zou vergen.
Deze leden vragen de regering in hoeverre de keuze voor het voorliggende model inhoudelijk
is ingegeven door de beste bescherming voor zelfstandigen, en in hoeverre door de
wens om tijdig invulling te geven aan afspraken in het kader van het Herstel- en Veerkrachtplan.
Kan de regering concreet aangeven welke ontwerpkeuzes zijn gemaakt om tempo te houden,
en welke nadelen daarbij zijn aanvaard?
De leden van de JA21-fractie vragen in het bijzonder waarom niet is gekozen voor aansluiting
bij het bestaande stelsel voor werknemers, bijvoorbeeld via premieafdracht aan het
Arbeidsongeschiktheidsfonds. Deze leden vragen of is onderzocht of zelfstandigen kunnen
aansluiten bij bestaande structuren voor arbeidsongeschiktheid zonder dat het werknemersstelsel
als geheel hoeft te worden omgebouwd. Kan de regering uiteenzetten of deze variant
afzonderlijk is doorgerekend, en hoe deze zich verhoudt tot het voorliggende voorstel
qua premiehoogte, uitkeringshoogte, uitvoeringskosten, invoeringstermijn en gevolgen
voor private aanvullende verzekering?
De leden van de JA21-fractie vragen of de regering heeft onderzocht of aansluiting
bij het bestaande stelsel eenvoudiger zou kunnen zijn dan het voorliggende voorstel.
Dit wetsvoorstel introduceert immers een eigen kring van verzekerden, een afzonderlijke
premieheffing, een opt-out, een stabiliteitsbijdrage, gegevensuitwisseling tussen
verschillende partijen en een eigen claimbeoordeling. Kan de regering onderbouwen
waaruit blijkt dat dit nieuwe stelsel eenvoudiger en beter uitvoerbaar is dan aansluiting
bij bestaande arbeidsongeschiktheidsregelingen? Welke uitvoeringswinst levert het
gekozen model concreet op ten opzichte van een variant via het Arbeidsongeschiktheidsfonds?
De leden van de JA21-fractie vragen of de regering, mede gelet op het kritische advies
van de Afdeling advisering van de Raad van State over de uitvoerbaarheid, bereid is
opnieuw te bezien of het voorgestelde stelsel daadwerkelijk de meest doelmatige en
uitvoerbare route is. Deze leden vragen of het verantwoord is om een nieuw en complex
stelsel op te tuigen terwijl er nog grote druk bestaat op de uitvoering van bestaande
arbeidsongeschiktheidsregelingen. Kan de regering aangeven welke concrete randvoorwaarden
vervuld moeten zijn voordat invoering verantwoord is, en of zij bereid is de invoering
te heroverwegen indien blijkt dat aansluiting bij bestaande regelingen eenvoudiger,
beter uitvoerbaar of beter uitlegbaar is?
De leden van de BBB-fractie hebben een aantal kritische vragen aan het regering. Deze leden constateren dat goedverdienende
zelfstandigen per saldo financieel nadeel kunnen ondervinden van het wetsvoorstel,
doordat de maximale dekking van de publieke verzekering relatief laag is ten opzichte
van hun inkomen. Hoe rechtvaardigt de regering deze achteruitgang voor deze groep,
met name gezien het feit dat zij vaak wel risico’s willen nemen en zich bewust niet
(of anders) verzekeren? Hoe beoordeelt de regering de proportionaliteit van een verplichte,
relatief sobere basisverzekering voor hoger verdienende zzp’ers?
De leden van de BBB-fractie wijzen op de parallelle invoering van het rechtsvermoeden
in het arbeidsrecht, waardoor schijnzelfstandigen laagdrempelig het bestaan van een
arbeidsovereenkomst bij de rechter kunnen claimen. Deelt de regering de analyse dat
met deze maatregel schijnzelfstandigheid wordt teruggedrongen en dat hierdoor de noodzaak
van een verplichte verzekering, die in sterke mate wordt gerechtvaardigd door het
fenomeen schijnzelfstandigheid, mogelijk vervalt voor deze groep?
De leden van de BBB-fractie vragen of de regering bereid is om bij de evaluatie van
de wet expliciet te onderzoeken of de verplichte verzekering leidt tot een (verdere)
terugtrekking van goedbetaalde zzp’ers uit het ondernemerschap, bijvoorbeeld door
overgang naar een BV-constructie of uitstroom naar loondienst, en of daarmee het beoogde
economische en maatschappelijke doel – een dynamische en innovatieve arbeidsmarkt
– mogelijk juist wordt ondermijnd.
Tot slot zijn de leden van de BBB-fractie van mening dat de Baz niet als stoplap voor
de begroting gebruikt dient te worden en de premie-inkomsten enkel kostendekkend mogen
worden ingezet. Deze leden vragen of de regering dit kan garanderen.
De leden van de ChristenUnie-fractie lezen in de memorie van toelichting dat de verzekering betaalbaar moet zijn voor
de samenleving en daarom budgetneutraal wordt ingericht. Dat houdt in dat er evenveel
premie moet worden geheven, als er aan uitkeringen en uitvoeringskosten wordt uitgegeven.
Deze leden onderschrijven dit uitgangspunt van harte. Zij vragen wel hoe dit uitgangspunt
zich verhoudt tot de uitgangspunten voor de arbeidsongeschiktheidspremie die wordt
geheven voor werknemers en de huidige praktijk hieromtrent waar de verhouding tussen
inkomsten en kosten ver uit het lood is geslagen. In hoeverre ontstaat hier een discriminerend
verschil tussen de hoogte van de premie voor zelfstandigen en werknemers? Kan de regering
de wettelijke vereisten en de huidige praktijk nader duiden en onderbouwen?
De leden van de ChristenUnie-fractie lezen dat de regering met de gekozen invulling
voor een relatief beperkte verzekering niet verder dan noodzakelijk gaat om de nagestreefde
doelen te behalen. Hoe verhoudt deze keuze zich tot de conclusie van de Raad van State
dat de beoogde doelen van inkomenszekerheid en een gelijker speelveld voor alle werkenden
slechts ten dele worden bereikt. In hoeverre heeft de kritiek van de Raad van State
meegewogen bij de bewust beperkte vormgeving van de verzekering? Welke alternatieven
zijn overwogen om tegemoet te komen aan de kritiek van de Raad van State?
Er zullen twee separate stelsels voor publieke verzekering tegen arbeidsongeschiktheid
komen. Twee separate stelsels is inherent inefficiënt, zo vinden de leden van de ChristenUnie-fractie.
Echter kunnen deze leden begrijpen, dat gezien de complexiteit en problematische uitvoering
van de WIA de keuze is gemaakt voor een separaat stelsel. Deze leden vragen of het
wel de ambitie van de regering is om op termijn de twee stelsels samen te voegen tot
één stelsel. Aanvullend vragen deze leden of in de uitvoering, bijvoorbeeld in de
beoordeling van arbeidsongeschiktheid, wel uitgevoerd wordt door dezelfde verzekeringsartsen
en medewerkers van UWV.
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering om het percentage van 142,86%
van het wettelijk minimumloon uit te leggen.
De leden van de ChristenUnie-fractie lezen in de memorie van toelichting een onderbouwing
van het gekozen stelsel. Evenwel vragen deze leden of de regering kan toelichten waarom
niet gekozen is voor een verplichte basisverzekering voor alle zelfstandigen, zonder
opt-out, met vrijwillige private bijverzekering. Welke voor- en nadelen kleven aan
dit alternatief? Zou een dergelijk alternatief niet gemakkelijker uitvoerbaar zijn?
De leden van de Groep Markuszower vragen waarom de regering kiest voor een verplichte verzekering in plaats van stimulering
van vrijwillige private oplossingen. Waarom is niet gekozen voor fiscale stimulansen,
vrijwillige collectieven of lichtere alternatieven? Deze leden vragen voorts of de
regering erkent dat deze maatregel opnieuw leidt tot hogere lasten en meer regeldruk
voor ondernemers.
4. Kring van verzekerden
De leden van de D66-fractie lezen dat de onmogelijkheid tot fiscale aftrek van de premie, waardoor de feitelijke
kosten voor een arbeidsongeschiktheidsverzekering hoger voor de directeur-grootaandeelhouder
(DGA) zouden zijn, ten grondslag ligt aan de keuze om DGA’s niet te verzekeren. Deze
leden zijn benieuwd of en, zo ja, welke mogelijkheden de regering heeft verkend om
deze onmogelijkheid tot fiscale aftrek op een andere manier te mitigeren opdat er
de feitelijke kosten tussen IB-ondernemers en DGA’s voor een arbeidsongeschiktheidsverzekering
gelijk zijn.
De leden van de D66-fractie begrijpen dat ondernemers zelf zorg dienen te dragen voor
de betaling van de premie en het eventueel aanvragen van een voorlopige betaling.
Deze leden zijn benieuwd hoe de regering ondernemers hier actief op gaat wijzen zodat
situaties waarin het achteraf eisen grote sommen verschuldigde premies zoveel mogelijk
wordt voorkomen.
De leden van de VVD-fractie vragen of IB-ondernemers met personeel uitgezonderd kunnen worden van een verplichte
verzekering. Deze leden zouden ook graag willen weten als dat niet mogelijk is waarom
dat dan zo is.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen de regering toe te lichten waarom resultaat uit overige werkzaamheden (ROW)
niet onder de kring van verzekering valt.
Daarnaast vragen de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie om een beschouwing over de
omvang van de groepen die onder de kring van verzekering vallen in verhouding tot
het voorstel van de Stichting van de Arbeid. Tevens vragen deze leden per groep een
beschouwing te geven over het gelijktrekken van het speelveld en de prikkelwerking
om zich voor te doen als een andere categorie werkende.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen in de memorie van toelichting het volgende:
«Het zou in theorie ook mogelijk zijn om DGA’s via de werknemersverzekeringen te verzekeren,
bijvoorbeeld door intrekking van de Regeling aanwijzing directeur-grootaandeelhouder
2016. Ook dit acht de regering op dit moment niet wenselijk, nu daarmee de DGA ook
voor de andere werknemersverzekeringen (Ziektewet (ZW) en Werkloosheidswet (WW)) verzekerd
zou worden.» Deze leden vragen wat hier precies mee bedoeld wordt. Tevens vragen deze
leden wat deze regeling precies regelt en wat er zou gebeuren als deze wel ingetrokken
zou worden. Ook vragen deze leden om hoeveel mensen het hierbij gaat.
Daarnaast hebben de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie nog enkele vragen over gemoedsbezwaren.
Deze leden vragen hoe dit er in de praktijk uitziet en om hoeveel mensen het ongeveer
gaat. Ook vragen deze leden hoe groot deze groep is bij andere regelingen. Verder
vragen deze leden of met zekerheid gesteld kan worden dat mensen de verzekeringsplicht
niet vanwege oneigenlijke redenen proberen te omzeilen en hoe hierop gecontroleerd
wordt.
De leden van de CDA-fractie lezen dat de regering aansluit bij fiscale begrippen om de kring van verzekerden uitvoerbaar
af te bakenen. Deze leden vragen welke grensgevallen de regering hierdoor verwacht,
bijvoorbeeld bij meewerkende partners, resultaatgenieters, DGA’s, hybride werkenden
en ondernemers met wisselende fiscale kwalificatie.
De leden van de CDA-fractie vragen hoe groot de regering het risico acht dat zelfstandigen
hun rechtsvorm aanpassen om buiten de verzekeringsplicht te vallen, en welke gevolgen
dit heeft voor de premiegrondslag, solidariteit en het doel van een gelijker speelveld.
De leden van de CDA-fractie vragen hoe de wet uitpakt voor familiebedrijven en agrarische
ondernemingen waarin winst, arbeid, gezinsinkomen en meewerkende partners vaak nauw
met elkaar verweven zijn, en of de regering bereid is deze groep afzonderlijk te monitoren.
De leden van de SGP-fractie constateren dat de keuze is gemaakt dat niet enkel zelfstandigen onder de kring van
verzekerden vallen, maar alle IB-ondernemers met inbegrip van eenmanszaken. Waarom
is hiervoor gekozen, en welke nadelige consequenties heeft dit voor niet-zelfstandigen?
De leden van de SGP-fractie zijn teleurgesteld dat de regering de aangenomen motie-Flach
c.s. (Kamerstuk 36 600 XV, nr. 75) niet heeft uitgevoerd, waardoor een uitzondering voor de agrarische sector in dit
wetsvoorstel ontbreekt. Terwijl bij de totstandkoming van het Pensioenakkoord een
uitzonderingspositie voor de agrarische sector is overeengekomen, vanwege de specifieke
positie van de sector ten opzichte van andere sectoren. Die specifieke positie wordt
in het adviesrapport Keuze voor zekerheid ook uitvoerig onderbouwd. Daarnaast blijkt uit een eerdere verkenning dat het voor
de Belastingdienst mogelijk is om zelfstandig ondernemers in de agrarische sector
af te bakenen; uitvoeringstechnisch zijn er dus geen zwaarwegende bezwaren. Deze leden
zijn van mening dat de regering zwaarwegende redenen moet kunnen aanvoeren om een
dergelijke Kameruitspraak naast zich neer te leggen. Is de regering bereid alsnog
een opt-out voor deze sector op te nemen in het wetsvoorstel, ter uitvoering van genoemde
motie?
De leden van de SGP-fractie doen de suggestie bijvoorbeeld bestaande sectorale vervangings-
en waarborgregelingen in de land- en tuinbouw als equivalent aan te merken voor de
verplichte arbeidsongeschiktheidsverzekering (AOV), mits zij aan vooraf vastgestelde
kwaliteitseisen voldoen. Zo kent de agrarische sector al jaren een praktische en solide
reductieregeling: wanneer een boer door ziekte of ongeval tijdelijk uitvalt, kan via
een agrarisch uitzendbureau bedrijfsverzorging worden ingezet tegen gereduceerd tarief,
zodat het bedrijf kan doordraaien en inkomen behouden blijft. Deze regeling heeft
een collectief karakter, borgt continuïteit van het bedrijf, en kent duidelijke toegangs-
en kwaliteitscriteria. Welke mogelijkheden ziet de regering voor implementatie van
dit voorstel in de wet?
De leden van de ChristenUnie-fractie lezen in de memorie van toelichting dat de regering wenste een onderscheid te maken
tussen zelfstandigen met en zonder personeel maar dat dit uitvoeringstechnisch te
complex zou zijn. Deze leden vragen wat de verwachtingen zijn of veel zelfstandigen
met personeel gaan kiezen voor de opt-out. Is hier informatie over of zijn hier signalen
over bekend?
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering nader te motiveren waarom
zij niet gekozen heeft om een uitzondering te maken voor zelfstandigen in de agrarische
sector, daar er meerdere Kameruitspraken liggen om deze uitzondering te realiseren.
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering naar de verwachte omvang van
het aantal gemoedsbezwaarden.
De leden van de Groep Markuszower vragen waarom vrijwel alle zelfstandigen onder de regeling worden gebracht, ongeacht
inkomen, vermogen of reeds getroffen voorzieningen. Kan de regering aangeven waarom
zelfstandigen met substantiële vermogens, beleggingen of andere financiële buffers
niet worden uitgezonderd? Voorts vragen deze leden hoe wordt omgegaan met hybride
werkenden die zowel in loondienst als zelfstandig werkzaam zijn.
5. Het recht op uitkering
De leden van de D66-fractie merken op dat in het wetsvoorstel verschil wordt aangebracht tussen het einde van
het recht wanneer de verzekerde in staat is om ten minste het wettelijk minimumloon
per maand te verdienen enerzijds en het einde van recht wanneer de verzekerde daadwerkelijk
arbeid verricht en daarmee ten minste het wettelijk minimumloon verdient. Deze leden
zijn benieuwd hoe in het eerste geval het «in staat zijn het minimumloon te verdienen»
wordt vastgesteld. Controleert UWV dit of is dit iets dat uitsluitend door de verzekerde
zal moeten worden aangeven, zo vragen deze leden. En in geval beëindiging via deze
weg gedeeltelijk of voornamelijk leunt op een signaal vanuit de verzekerde, waarom
zouden verzekerden dit doen als zij hiermee een veel kortere uitlooptermijn verkrijgen
dan wanneer zij feitelijk arbeid verrichten?
De leden van de D66-fractie merken op dat mensen ontheven kunnen worden van de plicht
tot verzekering indien zij aangeven gemoedsbezwaard te zijn. Om hoeveel mensen schat
de regering in dat dit gaat en is de regering voornemens maatregelen te nemen indien
deze uitzondering oneigenlijk door veel meer mensen gebruikt wordt? Bijvoorbeeld als
dit aantal gemoedsbezwaarden opeens veel hoger ligt dan bij de Zorgverzekeringswet?
Hoe wordt de vervangende belasting vastgesteld voor deze groep en wordt deze minstens
even hoog gesteld als de premie, zodat mensen geen financiële prikkel hebben om zichzelf
als gemoedsbezwaarde te laten aanmerken?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie verzoeken de regering een beschouwing te geven van situaties waarin de arbeidsrelatie
onjuist wordt gekwalificeerd, bijvoorbeeld wanneer achteraf blijkt dat sprake was
van werknemerschap in plaats van zelfstandigheid (schijnzelfstandigheid) of andersom.
Zo vragen deze leden hoe de situatie eruit ziet dat iemand denkt zelfstandige te zijn,
maar dat achteraf dit niet het geval blijkt. Deze leden vragen in dit antwoord mee
te nemen hoe er om wordt gegaan met onterecht (niet) afgedragen premies voor de Baz
of juist onterecht (niet) afgedragen premies voor de WIA. Tevens vragen deze leden
in welke gevallen er al dan niet met terugwerkende kracht sprake zal zijn van recht
of het vervallen van recht van zowel de Baz als de WIA.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen of er sprake is van «geen premie, wel
recht». Deze leden vragen dit te duiden in de context van de basisverzekering. Daarnaast
vragen deze leden of het klopt dat er, net zoals bij andere regelingen, sprake is
van het verzekeren van het risque social en niet alleen van het risque professionnel.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen de regering nader te onderbouwen waarom
er niet voor is gekozen om een wachttijd van 52 weken te hanteren. Deze leden merken
op dat wel wordt toegelicht waarom niet is gekozen voor differentiatie, maar niet
waarom is afgeweken van het advies van de Stichting van de Arbeid ten aanzien van
de duur van de wachttijd in algemene zin.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen hoe precies wordt gecontroleerd wat
de eerste ziektedag is en of iemand op dat moment al ziek was. Tevens vragen deze
leden of er gesjoemeld kan worden met de meldingstermijn van 13 weken.
Daarnaast hebben de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie enkele vragen over het geval
dat er alleen recht bestaat op een WIA-uitkering of alleen recht bestaat op een uitkering
op basis van de Wet Baz, terwijl de persoon in kwestie zowel zelfstandige is als werknemer.
Deze leden merken op dat in de memorie van toelichting uitgebreid wordt toegelicht
wat er gebeurt als er alleen sprake is van een uitkering op basis van de wet WIA.
Deze leden merken op dat dit niet het geval is voor de situatie dat er alleen recht
is op een Baz-uitkering. Deze leden vragen of dit hypothetisch ook mogelijk is en
in welke scenario’s dit zich zou kunnen voordoen, bijvoorbeeld bij een relatief laag
loon en lage inkomensvermindering waardoor de WIA-drempel niet gehaald wordt, maar
iemand wel minder dan het minimumloon kan verdienen. Tevens vragen deze leden of dit
niet mogelijk is omdat de franchise alle denkbare scenario’s afdekt.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen hoe de regering kijkt naar situaties
waarbij iemand een vervolguitkering in de WIA krijgt, niet de restverdiencapaciteit
verdient en daarmee onder minimumloonniveau zakt. Deze leden merken op dat in de voorliggende
wet een franchise is geregeld, waarbij het uitgangspunt is dat wanneer iemand kan
terugvallen op het minimumloon, er geen noodzaak is voor een uitkering op basis van
de wet Baz. Deze leden begrijpen die gedachte, maar denken dat deze redenering in
dit geval spaak loopt.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat de regering het volgende schrijft:
«Ten tweede zal de betreffende zelfstandige, indien de zelfstandige bij arbeidsongeschiktheid
in de regel uitzicht heeft op een uitkering ter hoogte van het wettelijk minimumloon,
ook als dat gedeeltelijk of geheel op grond van de Wet WIA is, in de regel ook geen
beroep doen op de algemene voorzieningen. In samenhang met het bovenstaande acht de
regering de noodzaak van dekking op grond van de in dit wetsvoorstel geregelde basisverzekering
afhankelijk van de omvang van het voor de Wet WIA verzekerde loon respectievelijk
geheel niet en gedeeltelijk niet langer aanwezig.» Deze leden vragen hoe de regering
op deze tekst reflecteert, indachtig situaties waarbij sprake is van een Werkhervatting
Gedeeltelijk Arbeidsgeschikten (WGA-)uitkering onder minimumloonniveau.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen hoe het kwalificatievraagstuk van de
arbeidsrelatie binnen dit wetsvoorstel wordt bekeken. Deze leden vragen of het klopt
dat dit in principe buiten dit wetsvoorstel plaatsvindt, maar dat de kwalificatie
uiteraard wel gevolgen heeft voor de behandeling als werknemer of zelfstandige.
Daarnaast hebben de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie nog enkele vragen over het
einde van de uitkering in het geval iemand weer beter wordt. Verbetering van de belastbaarheid
kan ertoe leiden dat de verzekerde op basis van algemeen geaccepteerde arbeid weer
in staat is om ten minste het wettelijk minimumloon per maand te verdienen. In dat
geval is de verzekerde niet langer arbeidsongeschikt. Deze leden vragen hoe dit wordt
getoetst en wanneer een dergelijke beoordeling aan de orde komt.
Daarnaast lezen de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie het volgende: «Als de volgende
eindigingsgronden zich niet meer voordoen, herleeft het recht op uitkering mits is
voldaan aan de overige voorwaarden: Het recht op uitkering is geëindigd omdat de verzekerde
niet meer arbeidsongeschikt is. Als de betrokkene opnieuw arbeidsongeschikt wordt,
herleeft het recht op uitkering als de arbeidsongeschiktheid voortkomt uit dezelfde
oorzaak als op basis waarvan de betrokkene eerder recht op uitkering had. In dit geval
geldt een herlevingstermijn van vijf jaar vanaf de datum van de beëindigde uitkering.»
Deze leden vragen waarom er in dat geval geen nieuwe uitkering ontstaat. Tevens vragen
deze leden wat het voordeel is van het laten herleven van de uitkering. Vervolgens
lezen deze leden dat het in de volgende bullet gaat over opnieuw arbeidsongeschikt
worden, waarbij een herlevingstermijn van vier weken geldt vanaf de datum van de beëindigde
uitkering. Deze leden vragen waarom is gekozen voor een termijn van vier weken.
De leden van de CDA-fractie lezen dat de wachttijd van 104 weken mede is gekozen vanwege betaalbaarheid, uitvoerbaarheid
en aansluiting bij de WIA. Deze leden vragen hoeveel zelfstandigen naar verwachting
onvoldoende financiële buffer hebben om deze wachttijd te overbruggen en welke groepen
daarbij het grootste risico lopen.
De leden van de CDA-fractie vragen of de regering scenario’s kan uitwerken van varianten
op de wachttijd, waaronder 52 weken, 78 weken en een gedifferentieerde wachttijd,
met daarbij de gevolgen voor premie, uitvoeringscapaciteit, beroep op bijstand, schuldenrisico
en bescherming van kwetsbare zelfstandigen.
De leden van de CDA-fractie lezen dat tijdige ziekmelding van belang is voor het recht
op uitkering. Deze leden vragen welke waarborgen de regering treft om te voorkomen
dat zelfstandigen door onbekendheid, psychische klachten, laaggeletterdheid, beperkte
digitale vaardigheden of geleidelijke uitval te laat melden en daardoor rechten verliezen.
De leden van de CDA-fractie lezen dat de Baz een absoluut arbeidsongeschiktheidscriterium
kent, waarbij wordt beoordeeld of iemand nog het wettelijk minimumloon per maand kan
verdienen met arbeid. Deze leden vragen of de regering kan aangeven in hoeveel gevallen
naar verwachting geen recht op uitkering ontstaat terwijl de zelfstandige het eigen
beroep of de eigen onderneming niet meer kan voortzetten.
De leden van de CDA-fractie vragen hoe bij het arbeidsongeschiktheidscriterium wordt
voorkomen dat de beoordeling voor oudere zelfstandigen, zelfstandigen in zware beroepen
of zelfstandigen met zeer specialistische beroepservaring te theoretisch uitpakt.
De leden van de SGP-fractie vragen hoe dit wetsvoorstel zich verhoudt tot personen die tevens recht hebben op
een Wajong-, WIA-, Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO-) of Inkomensvoorziening
Volledig Arbeidsongeschikten (IVA-)uitkering en daarnaast als zelfstandige actief
zijn. In hoeverre krijgen zij ook recht op een AOV-uitkering?
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering welke gevolgen het voor de wachttijd en arbeidsongeschiktheidsbeoordeling
heeft wanneer een zelfstandige na ziekmelding alsnog inkomen genereert, al dan niet
hoger of lager dan het wettelijk minimumloon.
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering waarom gekozen is voor een
termijn van 13 weken, waarom niet 12 of 14 of 10 weken, maar specifiek 13.
De leden van de ChristenUnie-fractie lezen dat het arbeidsongeschiktheidscriterium uit voorliggend wetsvoorstel verschilt ten opzichte van de wet WIA.
De beoordeling ziet sec op de vraag of iemand in staat is zelfstandig het wettelijk
minimumloon te verdienen en houdt geen rekening met eerder inkomen. Deze leden vragen
hoe UWV dit kan beoordelen en welke instrumenten zij hiertoe tot haar beschikking
heeft. Aanvullend vragen deze leden in hoeverre werknemers van UWV die nu WIA-beoordelingen
verrichten in staat zijn om dergelijke beoordelingen te doen.
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering nader uiteen te zetten voor
hoelang de uitkering wordt verstrekt, wat er gebeurt wanneer de zelfstandige weer
inkomen uit de onderneming of inkomen uit dienstbetrekking genereert ten tijde van
de uitkeringsperiode. Aanvullend vragen deze leden wat de verwachting van de regering
is of zelfstandigen die een uitkering genieten op grond van voorliggend wetsvoorstel
voor de hoogte van de uitkering in aanmerking komen voor het verkrijgen van een hypotheek.
De leden van de Groep Markuszower vragen hoe wordt voorkomen dat langdurige procedures en bureaucratische claimbeoordelingen
ontstaan, vergelijkbaar met eerdere problemen binnen sociale zekerheidssystemen. Kan
de regering tevens toelichten hoeveel bezwaar- en beroepsprocedures jaarlijks worden
verwacht?
6. De hoogte van de uitkering
De leden van de D66-fractie lezen dat de uitkering waar op grond van dit wetsvoorstel recht op kan bestaan, wordt
aangepast aan de ontwikkeling van het wettelijk minimumloon. Deze leden begrijpen
de koppeling aan de reguliere indexatie van het wettelijk minimumloon om zo de koopkracht
van uitkeringsontvangers te waarborgen. Deze leden zouden wel graag een nadere motivering
zien om de hoogte van de uitkering te koppelen aan een beleidsmatige verhoging van
het wettelijk minimumloon. Zorgt een beleidsmatige verhoging van het wettelijk minimumloon
ook voor hogere premies, zo vragen deze leden.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen waarom ervoor is gekozen om te werken met het minimumloon per maand en waarom
er niet voor is gekozen om het uurloon als basis te nemen. De gedachte achter het
invoeren van het minimumuurloon was immers dat wordt gekozen voor één duidelijke definitie
die voor mensen herkenbaar is.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie verzoeken de regering een inschatting te geven
van de hoogte van de uitkering en van het aantal mensen dat deze hoogtes ontvangt.
Deze leden verzoeken de regering dit weer te geven in een tabel of grafiek.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen of het klopt dat het mogelijk is om
onder het sociaal minimum of onder 100% van het minimumloon te zakken als sprake is
van een laag inkomen en dus een lage grondslag. Tevens verzoeken deze leden de regering
inzicht te geven in hoeveel mensen in dat geval moeten worden aangevuld via de bijstand
en een inschatting te geven van de omvang van al deze groepen in aantallen.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen of de regering kan uitsluiten dat ervoor
is gekozen om de tegemoetkoming arbeidsongeschikten niet toe te kennen aan zelfstandigen
vanwege budgettaire overwegingen.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat ervoor is gekozen om uitkeringen
op grond van de Baz niet aan te vullen via de Toeslagenwet. Deze leden vragen of hiervoor
is gekozen omdat privaat verzekerden anders met een extra uitvoerende partij te maken
zouden krijgen, of dat hier andere redenen aan ten grondslag liggen. Daarbij merken
deze leden op dat publiek verzekerden hierdoor juist ook met een extra partij te maken
krijgen.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen of het klopt dat publiek verzekerden
die wel bij UWV zitten, niet worden aangevuld via de Toeslagenwet. Indien dat het
geval is, constateren deze leden dat publiek verzekerden voor een aanvulling tot het
sociaal minimum op de bijstand worden aangewezen om een gelijke behandeling met privaat
verzekerden te creëren.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie verzoeken de regering inzicht te geven in
hoeveel zelfstandigen momenteel een beroep doen op de bijstand, hoeveel van hen dat
doen vanwege arbeidsongeschiktheid en hoeveel niet-gebruik de regering momenteel ziet.
Voorts vragen deze leden of het Rijk gemeenten niet zou moeten compenseren voor deze
kosten. Daarbij merken zij op dat zelfstandigen ook nu al een beroep doen op de bijstand
wanneer zij onder het sociaal minimum zakken. Tevens vragen deze leden of de keuze
om aanvulling niet via de Toeslagenwet te laten verlopen mede is ingegeven door budgettaire
overwegingen vanuit het Rijk.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat ervoor is gekozen om geen ondergrens
te hanteren voor zogenoemde kruimeluitkeringen, omdat juridisch de vraag speelt of
dit zou leiden tot ongerechtvaardigde indirecte discriminatie. Deze leden merken op
dat bij de WW wel een ondergrens wordt gehanteerd en verzoeken de regering toe te
lichten waarom een ondergrens voor uitkeringen bij de WW deze juridische toets wel
doorstaat.
De leden van de PVV-fractie constateren verder dat ondernemers straks mogelijk jarenlang premie betalen terwijl
de maximale uitkering uiteindelijk slechts op minimumloonniveau ligt. Hoe rechtvaardigt
de regering dat ondernemers met hoge lasten, investeringen of personeel uiteindelijk
slechts aanspraak kunnen maken op een zeer beperkte basisuitkering?
De leden van de CDA-fractie vragen of de regering kan laten zien hoe de Baz-uitkering uitpakt voor zelfstandigen
met verschillende inkomensniveaus voordat er arbeidsongeschiktheid plaatsvindt, bijvoorbeeld
€ 15.000, € 25.000, € 40.000 en € 60.000 winst per jaar, inclusief de vraag of aanvullende
bijstand nodig kan zijn.
De leden van de CDA-fractie lezen dat de uitkeringsgrondslag samenhangt met winst
uit onderneming en dat een middelingsregeling geldt. Deze leden vragen of de regering
met concrete voorbeelden kan laten zien hoe dit uitpakt voor starters, seizoensondernemers
en ondernemers met een incidenteel laag winstjaar door investeringen.
De leden van de CDA-fractie vragen of de regering bereid is om voor de wetsbehandeling
inzichtelijk te maken wat een langere middelingsperiode, bijvoorbeeld drie of vijf
jaar, zou betekenen voor rechtvaardigheid, uitvoerbaarheid, premiehoogte en terugvorderingsrisico’s.
De leden van de JA21-fractie willen in het bijzonder stilstaan bij de verhouding tussen de te betalen premie en
de geboden inkomensbescherming. De regering stelt meermaals dat dit wetsvoorstel noodzakelijk
is om een gelijker speelveld op de arbeidsmarkt te creëren tussen werknemers en zelfstandigen.
Deze leden wensen de onderbouwing van deze stelling aan de hand van concrete cijfers
te toetsen. Deze leden vragen de regering daarom concreet inzichtelijk te maken hoe
de premie- en uitkeringsverhouding onder de Baz zich verhoudt tot die van werknemers
in loondienst. Daarbij merken deze leden op dat zij de werkgeversafdrachten voor arbeidsongeschiktheid,
waaronder de Arbeidsongeschiktheidfonds (Aof-) en Werkhervattingskas (Whk-)premies,
bezien als onderdeel van de loonruimte van de werknemer en ze daarom graag beide meeneemt
in de voorbeelden. Kan de regering tegen deze achtergrond voor verschillende inkomensniveaus
laten zien hoeveel premie een zelfstandige naar verwachting betaalt en welke maximale
uitkering daar bij arbeidsongeschiktheid tegenover staat? Kan de regering in datzelfde
overzicht tevens inzichtelijk maken hoe dit zich verhoudt tot de totale premieafdracht,
inclusief de genoemde werkgeverslasten, en de geboden inkomensbescherming die een
werknemer met een vergelijkbaar inkomen geniet bij arbeidsongeschiktheid? Welke premie
zou naar verwachting horen bij een WIA- of WGA-achtig regime voor zelfstandigen, en
welke dekking zou daartegenover staan? Deelt de regering de opvatting dat een iets
hogere premie beter uitlegbaar kan zijn wanneer daar een ruimere inkomensbescherming
tegenover staat?
De leden van de JA21-fractie vragen de regering vervolgens te reflecteren op de uitkomsten
van deze vergelijking. Kan de regering voorts verder toelichten hoe dit stelsel daadwerkelijk
bijdraagt aan een gelijker speelveld tussen werknemers in loondienst en zzp’ers? Deze
leden vragen waarom bij zelfstandigen niet is gekozen voor een systematiek waarbij
de dekking, vergelijkbaar met de regeling voor werknemers, sterker is gekoppeld aan
het daadwerkelijke inkomen of de historische winst. Welke alternatieven zijn onderzocht
om zelfstandigen voor een vergelijkbare premie een ruimere en beter uitlegbare inkomensbescherming
te bieden, bijvoorbeeld met een verzekerde grondslag die vergelijkbaar is met het
maximumdagloon in de werknemersverzekeringen?
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering een nadere duiding te geven van de verhouding tussen de gekozen
hoogte van de uitkering en de verwachte premiehoogte. Zelfstandigen zullen zich privaat
willen verzekeren wanneer ze verwachten dat ze in de publieke verzekering «geen waar
voor hun geld» krijgen. Hoe ziet de regering dit risico?
De leden van de Groep Markuszower vragen waarom gekozen is voor de voorgestelde hoogte van de uitkering. Acht de regering
het risico aanwezig dat zelfstandigen veel premie gaan betalen voor een relatief beperkte
uitkering? Kan de regering inzicht geven in voorbeeldberekeningen voor zelfstandigen
met lage, midden- en hogere inkomens?
7. Claimbeoordeling
De leden van de D66-fractie lezen dat voor de claimbeoordeling basisfuncties worden geselecteerd uit het huidige
Claimbeoordeling- en borgingssysteem (CBBS) van UWV, wat een subset betreft van alle
functies in loondienst waarmee ten minste het wettelijk minimumloon per maand verdiend
kan worden. Deze leden merken op dat de verzekerden voor de arbeidsongeschiktheid
werk hebben gedaan als ondernemer. In hoeverre verwacht de regering dat de functies
in loondienst als referentiekader volstaan voor ondernemers, zo vragen deze leden.
In hoeverre heeft dit impact op de begrijpelijkheid van de verzekering?
De leden van de D66-fractie lezen in de memorie van toelichting dat voor zelfstandigen
die zowel voor de WIA als op grond van het wetsvoorstel zijn verzekerd de bevindingen
uit het WIA-onderzoek zoveel mogelijk worden betrokken bij de belastbaarheidsvraag.
Deze leden zijn benieuwd of de regering nader kan toelichten hoe zij dit voor zich
ziet en in hoeverre de in het kader van de WIA vastgestelde restverdiencapaciteit
ook bruikbaar is voor de vaststelling van het recht op de aan dit wetsvoorstel verbonden
publieke verzekering. Voorts zijn de leden benieuwd of, ondanks het voornemen om dubbele
werkzaamheden te voorkomen, het in praktijk toch kan voorkomen dat de belastbaarheid
bij de WIA significant anders wordt ingeschat dan bij de aan dit wetsvoorstel verbonden
verzekering.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben verschillende vragen over de invulling van de basisfunctie via lagere regelgeving.
Deze leden verzoeken de regering nader toe te lichten wat in de praktijk wordt verstaan
onder «algemeen geaccepteerde arbeid, die de ondergrens van de verdiencapaciteit markeert,
met een minimale belasting». Tevens verzoeken zij de regering uiteen te zetten om
welke beroepen het hierbij gaat. Deze leden vragen om nadere uitleg.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie merken op dat het in dit geval gaat om een
beroep met minimale belasting. Deze leden vragen hoe een dergelijke functie per persoon
wordt gekozen en in hoeverre een dergelijke functie in de praktijk altijd beschikbaar
is. Tevens vragen zij of het niet lastig is om werk te vinden dat enerzijds minimale
belasting kent, maar anderzijds nog aansluit bij iemands vaardigheden en werkervaring.
Deze leden verzoeken de regering toe te lichten hoe deze afweging is gemaakt.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen voorts in hoeverre deze basisfuncties
aansluiten bij de beleving van mensen.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen daarnaast of deze beroepen voldoende
dekkend zijn voor de arbeidsmarkt, zodat iedereen in zijn of haar eigen omgeving een
dergelijk beroep kan uitoefenen.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat een termijn van 89 weken geldt voordat
de mogelijkheid ontstaat om de uitkering aan te vragen. Deze leden verzoeken de regering
toe te lichten waarom specifiek voor een termijn van 89 weken is gekozen.
De leden van de CDA-fractie lezen dat het UWV het wetsvoorstel technisch uitvoerbaar acht, maar dat daadwerkelijke
implementatie alleen mogelijk is als voldoende capaciteit beschikbaar is voor de benodigde
sociaal-medische beoordelingen. Deze leden vragen hoeveel extra claimbeoordelingen,
herbeoordelingen en bezwaarzaken UWV jaarlijks verwacht door de invoering van de Baz,
uitgesplitst naar de eerste vijf jaar na invoering en de structurele situatie. Ook
vragen deze leden hoeveel extra verzekeringsartsen, arbeidsdeskundigen en sociaal-medische
ondersteuners hiervoor nodig zijn, hoeveel daarvan op dit moment beschikbaar zijn
en welk tekort resteert bij ongewijzigd beleid.
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering waarom in de claimbeoordeling onderscheid gemaakt wordt of het
wettelijk minimumloon verdiend kan worden via de eigen arbeid of via algemeen geaccepteerde
arbeid. Wat voegt de dubbele toets toe?
In de memorie van toelichting lezen de leden van de ChristenUnie-fractie dat het recht
op uitkering kan worden beëindigd wanneer de verzekerde wegens een verbetering van
de belastbaarheid weer in staat kan worden geacht een basisfunctie uit te oefenen.
Op welke wijze wordt dit door UWV getoetst? Hoe regelmatig moeten verzekerde opnieuw
getoetst worden of hun recht op uitkering blijft bestaan?
De leden van de Groep Markuszower vragen welke instantie verantwoordelijk wordt voor de claimbeoordeling en hoe wordt
voorkomen dat grote achterstanden ontstaan, mede gezien eerdere problemen bij uitvoeringsinstanties
zoals het UWV. Kan de regering aangeven hoeveel extra personeel nodig is voor de uitvoering
van deze wet?
8. Activering
De leden van de D66-fractie lezen dat de regering thans geen Arbocentrum voor zelfstandigen uitwerkt. Is dit
wel overwogen en, zo ja, waarom heeft de regering besloten hiervan af te zien?
De leden van de D66-fractie lezen dat in het kader van activering een werkhervattingsvisie,
een re-integratieplan (tijdens ziekteperiode, voor uitkering), een re-integratievisie
en een re-integratieplan (tijdens uitkeringsperiode) kunnen worden opgesteld. Deze
leden zijn benieuwd of het onderscheid tussen deze instrumenten voor de verzekerde
afdoende duidelijk is en hoe de regering er zorg voor draagt dat het traject van ziekte
naar uitkering naar re-integratie begrijpelijk is.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben nog enkele vragen over activering tijdens en na de wachttijd. Deze leden lezen
dat tijdens de wachttijd ondersteuning vanuit het UWV mogelijk is. Tegelijkertijd
lezen zij dat het niet nakomen van afspraken met het UWV aanleiding kan zijn om een
beschikking te herzien of in te trekken. Deze leden verzoeken de regering toe te lichten
hoe dit er in de praktijk uitziet en welke afwegingen zijn gemaakt ten aanzien van
de aantrekkelijkheid van deze ondersteuning.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat na de wachttijd in voldoende mate
moet worden geprobeerd passende arbeid te verkrijgen of passende arbeid te verrichten.
Deze leden verzoeken de regering uiteen te zetten hoe dit er in de praktijk concreet
uitziet. Daarbij vragen zij of sprake is van een sollicitatieplicht en of er mogelijkheden
bestaan voor om- of bijscholing. Tevens verzoeken deze leden de regering een vergelijking
te maken tussen de concrete uitwerking van de rechten en plichten die gaan gelden
voor de Baz en de rechten en plichten die momenteel gelden binnen de verschillende
werknemersverzekeringen enerzijds en de bijstand anderzijds.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat de regering ervoor heeft gekozen
om de inzet van de no-riskpolis en proefplaatsing alleen beschikbaar te stellen voor
publiek verzekerde zelfstandigen, omdat deze verzekerden gebruik kunnen maken van
publieke instrumenten. Deze leden verzoeken de regering deze keuze nader toe te lichten.
Tevens vragen zij of vanuit het perspectief van zelfstandigen is overwogen om ook
zelfstandigen met een opt-outverzekering in aanmerking te laten komen voor de no-riskpolis.
De leden van de CDA-fractie constateren dat de Baz pas na 104 weken tot een uitkering kan leiden. Deze leden
vragen hoe wordt geborgd dat zelfstandigen in de eerste twee ziektejaren daadwerkelijk
tijdig ondersteuning krijgen bij herstel, re-integratie, aanpassing van de onderneming,
omscholing of overgang naar ander werk.
De leden van de JA21-fractie lezen in de memorie van toelichting dat de regering preventie een noodzakelijke voorwaarde
noemt voor een adequate aanpak van verzuim en arbeidsongeschiktheid. Deze leden lezen
tevens dat de regering erkent dat de preventieve diensten van arbobedrijven en bedrijfsartsen
weliswaar beschikbaar zijn voor zelfstandigen, maar daar in de praktijk niet of nauwelijks
gebruik van wordt gemaakt. Deze leden vragen hoe de regering voorkomt dat de Baz vooral
een vangnet achteraf wordt, terwijl zelfstandigen juist voor langdurige uitval moeilijk
toegang vinden tot preventieve arbeidsgerelateerde zorg.
De leden van de JA21-fractie lezen dat de Stichting van de Arbeid eerder heeft geadviseerd
om een Arbocentrum voor zelfstandigen op te richten, gefinancierd uit premie-inkomsten,
en dat de regering dit voorstel in de memorie van toelichting noemt maar niet uitwerkt.
Kan de regering toelichten waarom dit voorstel niet in het wetsvoorstel is opgenomen?
Is onderzocht of een deel van de premie-inkomsten of uitvoeringsmiddelen kan worden
benut om zelfstandigen laagdrempelig toegang te geven tot bedrijfsartsen, arbeidsdeskundigen
of andere arboprofessionals?
De leden van de JA21-fractie lezen voorts dat de regering in reactie op consultatiereacties
wijst op re-integratieondersteuning door UWV tijdens de wachttijd en op bredere initiatieven
buiten dit wetsvoorstel, zoals de Arbovisie 2040. Deze leden vragen waarom de regering
ervoor kiest preventie grotendeels buiten dit wetsvoorstel te laten, terwijl het voorstel
zelfstandigen wel verplicht laat deelnemen aan een publieke arbeidsongeschiktheidsverzekering.
Deelt de regering de opvatting dat een verplichte verzekering niet alleen inkomensverlies
moet opvangen nadat uitval is ontstaan, maar ook moet bijdragen aan het voorkomen
van langdurige arbeidsongeschiktheid?
De leden van de JA21-fractie vragen welke concrete preventieve ondersteuning beschikbaar
is voor zelfstandigen die beginnende gezondheidsklachten ervaren maar nog niet arbeidsongeschikt
zijn. Hoe wordt geborgd dat zelfstandigen tijdig deskundig en onafhankelijk advies
kunnen krijgen over werk, gezondheid en inzetbaarheid? Is de regering bereid voor
invoering van de Baz nader uit te werken hoe preventieve arbeidsgerelateerde zorg
voor zelfstandigen toegankelijker kan worden gemaakt?
Voorkomen is beter dan genezen, is de algemene uitdrukking. De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering op welke wijze laagdrempelige preventieve zorg voor zelfstandigen
verbeterd kan worden. Aanvullend vragen deze leden om een nadere toelichting hoe de
«laagdrempelige ondersteuningsfaciliteit voor alle werkenden» eruit kan komen te zien,
wat hiervoor de ambitie van het kabinet is inclusief tijdpad.
De leden van de Groep Markuszower vragen welke verplichtingen arbeidsongeschikte zelfstandigen krijgen opgelegd in
het kader van re-integratie en activering. Hoe wordt voorkomen dat zelfstandigen geconfronteerd
worden met disproportionele verplichtingen, controles en sancties?
9. Premieheffing- en inning
De leden van de D66-fractie lezen dat de premiegrondslag maximaal 142,86% van het wettelijk minimumloon bedraagt.
Kan de regering door middel van een tabel of histogram inzichtelijk maken welk aandeel
van de verzekerde kring (naar verwachting) een grondslag op of boven het maximum heeft
en hoe de populatie qua grondslag onder dit maximum is verdeeld, zo vragen deze leden.
De leden van de D66-fractie ondersteunen de keuze om de premie lastendekkend vast
te stellen (samen met de solidariteitsbijdrage). Hoe zal deze lastendekkendheid precies
worden gerealiseerd in de vaststelling van het premiepercentage en welke mate van
beleidsvrijheid bestaat hiervoor? Hoe wordt voorkomen dat dit alsnog een koopkrachtinstrument
wordt en er meerjarige tekorten of overschotten worden opgebouwd? Op basis van welke
ramingen gebeurt dit? Waarom is er niet gekozen voor een systeem waarin het premiepercentage
ieder jaar zo wordt vastgesteld dat een tekort of overschot direct binnen een jaar
zou moeten verdwijnen?
De leden van PVV-fractie lezen dat het voorstel uitgaat van één uniform premiepercentage ongeacht beroep of
sector. Waarom vindt de regering het rechtvaardig dat een administratief adviseur
en een ondernemer in een zwaar fysiek beroep, zoals de landbouw of bouw, binnen hetzelfde
systeem vallen terwijl de risico’s sterk verschillen?
De leden van de CDA-fractie vragen of de regering met concrete voorbeelden kan laten zien wat de bruto en netto
premie-effecten zijn voor zelfstandigen met verschillende winsthoeveelheden (bijvoorbeeld
€ 15.000, € 30.000, € 50.000 en € 70.000 winst per jaar), en daarbij kan aangeven
in welke gevallen de premie tot financiële knelpunten kan leiden.
De leden van de CDA-fractie lezen dat de Belastingdienst voor de uitvoering afhankelijk
is van schaarse ICT-capaciteit. Deze leden vragen welke fiscale moderniseringen, vereenvoudigingen
of beleidswijzigingen door de implementatie van de Baz mogelijk worden vertraagd of
verdrongen.
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering wat de verwachte premie-opbrengsten en premie-uitgaven zijn van
de publieke verzekering. De premie is gemaximeerd op 142,86% van het wettelijk minimumloon.
Hoeveel procent van de zelfstandigen wordt verwacht dat zij deze maximale premie moeten
betalen?
Hoe verhoudt de hoogte van het premiepercentage en de uitkeringshoogte zich tot huidige
private verzekeringen van vergelijkbare uitkeringshoogte, vragen de leden van de ChristenUnie-fractie.
De premie zal elk jaar worden bijgesteld naar het kostendekkende niveau. De leden
van de ChristenUnie-fractie vragen de regering op welk moment de premie jaarlijks
wordt vastgesteld en hoe verzekerden hierover worden geïnformeerd.
Er is de mogelijkheid om bij een forse bijstelling stapsgewijs de premie te verhogen.
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen hoe deze mogelijkheid wettelijk is geborgd
en wat kwalificeert als een «forse bijstelling».
De leden van de Groep Markuszower vragen wat de verwachte gemiddelde premielast wordt voor zelfstandigen per maand
en per jaar. Kan de regering tevens aangeven hoeveel zelfstandigen volgens haar financiële
problemen zullen ervaren door de verplichte premieafdracht? Deze leden vragen daarnaast
welke gevolgen de maatregel heeft voor het ondernemerschap en het aantal stoppende
zelfstandigen.
10. Opt-out
De leden van de D66-fractie lezen in de memorie van toelichting dat de regering de invloed van mogelijke wetswijzigingen
die in de toekomst zouden plaatsvinden ten aanzien van de pensioengerechtigde leeftijd
heeft nader geduid, omdat deze van invloed zijn op het duale stelsel en private verzekeringen
in het bijzonder. Deze leden zijn benieuwd of het stopzetten van wijzigingen aan de
AOW-leeftijd gevolgen heeft voor dit onderdeel van het wetsvoorstel.
De leden van de D66-fractie onderstrepen dat een eventuele toekomstige extra verhoging
van het wettelijk minimumloon, bovenop de wettelijke indexatie, een moeilijk verzekerbaar
risico vormt. Om te voorkomen dat verzekeraars hoge premie-opslagen moeten rekenen
om dit risico af te dekken, zorgt dit wetsvoorstel ervoor dat verzekeraars de hoogte
van de uitkering voor eenmaal lopende uitkeringen jaarlijks mogen indexeren met de
consumentenprijsindex (CPI) in plaats van het wettelijk minimumloon. Deze leden zijn
benieuwd of is overwogen om in plaats hiervan de indexatie van zowel de publieke als
de private uitkering los te koppelen van beleidsmatige verhogingen van het wettelijk
minimumloon.
De leden van de D66-fractie lezen dat UWV niet expliciet toetst of een private verzekering
voldoet aan het toetsingskader. Zou de regering dit nader kunnen motiveren, zo vragen
deze leden. Acht de regering, gezien de complexiteit van de regelgeving, zelfstandigen
zelf voldoende in staat om na te gaan of de private verzekering voldoet aan het toetsingskader?
De leden van de D66-fractie hebben zorgen over de balans tussen de publieke optie
en de private alternatieve verzekeraars indien de zogenaamde «goede risico’s» zich
concentreren in private opties vanwege de bredere dekking die zij kunnen bieden voor
eenzelfde prijs aangezien zij aanvullende voorwaarden kunnen stellen, terwijl de zogenaamde
«slechte risico’s» zich concentreren in de publieke verzekering. Deelt de regering
deze zorgen? Deze leden merken op dat de premie van de publieke verzekering steeds
verder toeneemt als dit zich voordoet, waarop de private verzekeraars ook gedwongen
zullen worden op basis van het wetsvoorstel hun premie te verhogen zonder dat daar
navenante uitgaven tegenover staan. Deze leden begrijpen dat hiervoor de zogenaamde
solidariteitsbijdrage zal worden gevraagd van verzekeraars, maar hoe kan die precies
genoeg worden vastgesteld om het voornoemde effect daadwerkelijk te kunnen voorkomen.
Deelt de regering de zorgen van deze leden dat een imperfecte risicoverevening kan
leiden tot een steeds groter compensatiegat dat een zelfversterkend effect zal hebben?
En hoe kan dit gemitigeerd worden?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben verschillende vragen over de opt-out, de noodzaak daarvan en de wijze waarop
deze is vormgegeven. Deze leden constateren dat de opt-out de uitvoeringstechnische
complexiteit vergroot en dat er verschillen ontstaan vanwege de inherente vormgeving
van zowel het publieke als het private stelsel, bijvoorbeeld door verschillen tussen
omslagfinanciering en kapitaaldekking, maar ook vanwege de mate waarin de overheid
toezicht en grip kan uitoefenen. Deze leden constateren dat hierdoor ruimte ontstaat
tussen de private markt en het publieke stelsel en verzoeken de regering hierop te
reflecteren.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie maken zich zorgen over selectie-effecten en
vragen of de risicoverevening voldoende effectief is vormgegeven. Deze leden merken
op dat de duale markt in belangrijke mate staat of valt met het juist vaststellen
van de stabiliteitsbijdrage. Zij verzoeken de regering daarom toe te lichten met welke
mate van zekerheid de genomen stappen voldoende zicht bieden op een adequate vaststelling
van deze bijdrage. Tevens vragen deze leden of tussentijds wordt gemonitord hoe de
risicoverevening uitpakt en, indien dat het geval is, op welke wijze dit gebeurt.
De leden van de GroenLinks-PvdA fractie vinden fundamenteel dat sprake moet zijn van
solidariteit binnen de regeling. Deze leden erkennen dat het beprijzen van de private
markt daaraan kan bijdragen, maar merken op dat dit alleen het geval is indien de
juiste prijs wordt gehanteerd. Deze leden geven aan dat solidariteit binnen één regeling
waarbij goede risico’s via een uniforme premie bijdragen aan slechte risico’s hun
voorkeur heeft en verzoeken de regering hierop te reflecteren.
Op dit onderwerp brengen de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie het rapport van de
commissie Borstlap in herinnering. Dit rapport constateert dat een opt-out de solidariteit
ondergraaft in het stelsel van werknemersverzekeringen. De commissie schrijft: «De
Commissie acht dat niet gewenst omdat dit de houdbaarheid van deze collectieve regelingen
potentieel uitholt en het draagvlak hiervoor ondergraaft». Deze leden vragen de regering
hierop te reflecteren.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat de premie van de private verzekering
minimaal gelijk moet zijn aan de premie van de publieke verzekering en dat concurrentie
op de premiehoogte daarmee volgens de regering wordt uitgesloten. Deze leden vragen
of tegelijkertijd kan worden uitgesloten dat een vliegwieleffect ontstaat ten aanzien
van de ruimheid van de dekking. Daarbij vragen zij of het mogelijk is dat de publieke
verzekering op termijn te veel goede risico’s verliest doordat private verzekeringen
aantrekkelijkere dekkingen bieden, waardoor relatief meer slechte risico’s in het
publieke stelsel achterblijven. Tevens verzoeken deze leden de regering uiteen te
zetten welke andere risico’s en scenario’s zij op dit punt ziet.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen met welke mate van zekerheid de regering
verwacht dat de private markt uit ongeveer 300.000 zelfstandigen zal bestaan. Tevens
verzoeken deze leden de regering inzicht te geven in de marges en onzekerheden behorend
bij deze cijfers.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen hoe in de praktijk inhoudelijk wordt
getoetst of bij een private verzekering sprake is van het minimale dekkingsvereiste
en specifiek van de voorwaarde dat de hoogte van de uitkering ten minste gelijkwaardig
is aan de uitkering die de publieke verzekering zou bieden.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen of er binnen het voorgestelde overgangsrecht
gevallen bestaan waarin mensen vanwege een bepaalde eindleeftijd buiten de publieke
verzekering vallen.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat private verzekeringen geen medische
uitsluitingen mogen bevatten. Deze leden vragen of private verzekeringen wel andere
vormen van uitsluiting mogen hanteren. Tevens vragen zij hoe deze voorwaarde zich
verhoudt tot het ontbreken van een acceptatieplicht. Daarbij verzoeken deze leden
de regering uiteen te zetten in welke gevallen zelfstandigen in de praktijk geen toegang
zullen hebben tot een verzekering.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen of het klopt dat roekeloosheid alleen
binnen de publieke verzekering een grond kan vormen voor weigering van de uitkering
en niet binnen private verzekeringen. Deze leden verzoeken de regering toe te lichten
welke afweging hieraan ten grondslag ligt.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat ervoor is gekozen verzekeraars de
mogelijkheid te bieden de hoogte van de uitkering te verhogen met de CPI in plaats
van met de ontwikkeling van het minimumloon. Deze leden vragen of verzekeraars dit
niet zullen aangrijpen om standaard kosten te drukken indien die mogelijkheid zich
voordoet. Zij verzoeken de regering hierop te reflecteren. Tevens vragen deze leden
waarom er niet voor is gekozen om de contractloonontwikkeling te hanteren. Ook vragen
de leden waarom er niet voor is gekozen dat een andere methode alleen toegepast kan
worden als er sprake is van een extra verhoging van het minimumloon.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie verzoeken de regering inzicht te geven in
de totale omvang van de stabiliteitsbijdrage en de macro-economische gevolgen daarvan.
De leden van de PVV-fractie zijn daarnaast kritisch op de enorme administratieve constructie rondom de opt-out.
Tegelijkertijd vinden deze leden juist dat ondernemers maximale vrijheid moeten behouden
om zelf verantwoordelijkheid te nemen.
De leden van de PVV-fractie zien graag een ruimere en minder bureaucratische opt-outmogelijkheid
voor zelfstandigen die aantoonbaar zelf voldoende financiële voorzieningen hebben
getroffen om langdurige arbeidsongeschiktheid op te vangen. Waarom kiest de regering
ervoor om ondernemers vrijwel uitsluitend richting collectieve verzekeringsconstructies
te duwen, terwijl veel zelfstandigen bewust voorzieningen hebben opgebouwd, zoals
bestaande private verzekeringen, eigen vermogen, beleggingen, spaargeld, bedrijfsreserves,
schenkkringen, broodfondsen of andere aantoonbare financiële buffers? Waarom wordt
de keuzevrijheid van zelfstandigen op dit punt zo beperkt?
De leden van de PVV-fractie vragen de regering daarnaast of zij erkent dat veel ondernemers
dit voorstel ervaren als een vorm van gedwongen collectivisering waarbij zij verplicht
premie moeten betalen voor een regeling die niet aansluit op hun persoonlijke situatie.
Kan de regering bovendien exact toelichten hoe hoog de totale lasten voor ondernemers
gemiddeld zullen uitvallen inclusief: premie, stabiliteitsbijdrage, administratieve
lasten, aanvullende private verzekeringen en fiscale effecten?
De leden van de PVV-fractie lezen verder dat private verzekerden via de stabiliteitsbijdrage
alsnog moeten meebetalen aan het publieke systeem. Waarom acht de regering het rechtvaardig
dat ondernemers die bewust kiezen voor een private verzekering alsnog financieel worden
belast voor een publieke regeling waar zij geen gebruik van maken?
De leden van de CDA-fractie vragen of de regering met concrete rekenvoorbeelden kan laten zien hoe de publieke
Baz zich verhoudt tot private arbeidsongeschiktheidsverzekeringen. Kan de regering
daarbij, voor zover mogelijk op basis van representatieve marktgegevens, voorbeelden
geven voor zelfstandigen van 30, 45 en 60 jaar, met lichte en zware beroepen, met
€ 25.000, € 50.000 en € 75.000 winst per jaar, en daarbij premie, wachttijd, dekking,
eindleeftijd, uitsluitingen, stabiliteitsbijdrage en re-integratieondersteuning vergelijken.
De leden van de JA21-fractie lezen dat zelfstandigen onder voorwaarden kunnen kiezen voor een private arbeidsongeschiktheidsverzekering
in plaats van deelname aan de publieke basisverzekering. Deze leden vinden keuzevrijheid
belangrijk, maar vragen hoe reëel en duurzaam deze opt-out in de praktijk zal zijn.
Hoe voorkomt de regering dat de opt-out vooral aantrekkelijk wordt voor jonge en gezonde
zelfstandigen, terwijl oudere zelfstandigen, zelfstandigen met gezondheidsrisico’s
en zelfstandigen in zwaardere beroepen uiteindelijk in de publieke basisverzekering
achterblijven?
De leden van de JA21-fractie vragen of de regering heeft doorgerekend wat er gebeurt
met de publieke premie indien een relatief groot deel van de lage risico’s gebruikmaakt
van de opt-out. Wat betekent dit voor de betaalbaarheid van de publieke basisverzekering?
Kan de regering aangeven bij welke mate van uitstroom naar private verzekeringen de
publieke premie onder druk komt te staan?
De leden van de JA21-fractie vragen hoe wordt voorkomen dat private verzekeraars de
«krenten uit de pap» halen door vooral zelfstandigen met een gunstig risicoprofiel
aan te trekken, terwijl zelfstandigen met hogere risico’s minder makkelijk toegang
krijgen tot een betaalbare private verzekering. Welke waarborgen bevat het wetsvoorstel
om te voorkomen dat de publieke basisverzekering achterblijft met relatief hoge risico’s
en daardoor nog duurder wordt?
De leden van de JA21-fractie vragen specifiek aandacht voor de beëindigingsleeftijd
van private arbeidsongeschiktheidsverzekeringen. Indien private verzekeraars de eindleeftijd
van opt-outverzekeringen structureel lager vaststellen, bijvoorbeeld op 55 jaar, kan
dit ertoe leiden dat zelfstandigen op latere leeftijd zijn aangewezen op de publieke
basisverzekering, juist op het moment dat het arbeidsongeschiktheidsrisico toeneemt.
Hoe voorkomt de regering dat private verzekeraars lage risico’s tijdelijk verzekeren,
maar hogere risico’s op latere leeftijd alsnog doorschuiven naar de publieke basisverzekering?
De leden van de JA21-fractie vragen of de regering het wenselijk acht dat private
verzekeringen die toegang geven tot de opt-out kunnen eindigen ruim vóór de AOW-leeftijd.
Hoe wordt geborgd dat een private verzekering die toegang geeft tot de opt-out voldoende
duurzaam is voor de gehele periode waarin een zelfstandige anders onder de publieke
basisverzekering zou vallen? Wat gebeurt er wanneer een zelfstandige na beëindiging
van een private verzekering instroomt in de publieke verzekering?
De leden van de JA21-fractie vragen de regering te reflecteren op de vraag of sprake
kan zijn van ongelijke behandeling naar leeftijd indien private verzekeraars in de
praktijk stelselmatig lagere eindleeftijden hanteren of oudere zelfstandigen alleen
tegen aanzienlijk slechtere voorwaarden verzekeren. Heeft de regering beoordeeld of
de vormgeving van de opt-out, in combinatie met private acceptatievoorwaarden en beëindigingsleeftijden,
risico’s op leeftijdsdiscriminatie met zich meebrengt? Is de regering bereid dit juridisch
te laten toetsen?
De leden van de JA21-fractie vragen of de regering bereid is voorwaarden over de minimale
looptijd en eindleeftijd te verbinden aan private verzekeringen die toegang geven
tot de opt-out. Is de regering van mening dat de opt-out niet mag leiden tot een situatie
waarin private verzekeraars alleen de gunstige risico’s selecteren en de publieke
basisverzekering achterblijft met de hoogste risico’s?
De leden van de SGP-fractie vragen in hoeverre bij de vormgeving van dit wetsvoorstel rekening is gehouden met
de verschillen tussen typen zelfstandigen, zoals bijverdieners, fulltimezelfstandigen,
studenten en zelfstandigen met sterk variërend inkomen.
De leden van de SGP-fractie vragen hoe wordt voorkomen dat zelfstandigen die al een
voorziening hebben getroffen niet, als gevolg van dit wetsvoorstel, slechter uitkomen
als zij niet in de opt-out passen.
De leden van de SGP-fractie vragen aandacht voor freelancers die via een platform
reeds verzekerd zijn tijdens opdrachten. Deze wet lijkt de bestaande dekking niet
te erkennen binnen de voorwaarden van de opt-outregeling. Hierdoor ontstaat het risico
dat incidentele bijverdieners alsnog worden verplicht aanvullende arbeidsongeschiktheidsverzekeringen
af te sluiten die financieel disproportioneel zijn ten opzichte van hun beperkte werkzaamheden
en inkomsten. Deze leden verzoeken de regering op dit zorgpunt uitgebreid in te gaan.
De leden van de SGP-fractie ontvangen graag alle alternatieven die op tafel hebben
gelegen bij de totstandkoming van dit wetsvoorstel. Welke mogelijkheden ziet de regering
voor maatwerk, uitzonderingen of alternatieve invullingen voor groepen zelfstandigen
voor wie het standaardregime niet passend is?
De leden van de ChristenUnie-fractie lezen dat dekking en premie van een private verzekering ten minste equivalent moet
zijn aan de publieke verzekering. Kan de regering een nadere duiding en uitleg geven
van het begrip «equivalent»?
De leden van de Groep Markuszower vragen waarom de voorwaarden voor een opt-out relatief streng zijn vormgegeven. Waarom
krijgen zelfstandigen niet meer vrijheid om zelf invulling te geven aan hun arbeidsongeschiktheidsvoorziening?
Kan de regering aangeven hoeveel zelfstandigen naar verwachting gebruik zullen maken
van de opt-outregeling?
11. Informatie- en medewerkingsverplichting, terugvordering, toezicht en handhaving
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen in welke gevallen UWV zal besluiten om niet tot terugvordering over te gaan
of bedragen niet te herzien. Deze leden lezen in de memorie van toelichting dat het
UWV hiervan kan afzien in geval van dringende redenen en verzoeken de regering nader
toe te lichten hoe dit criterium wordt ingevuld. Tevens vragen deze leden welke lessen
worden getrokken uit de problematiek bij UWV rondom de uitvoering van werknemersregelingen.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen welke concrete stappen de regering
op korte termijn zet om duidelijkheid te bieden aan zelfstandigen en uitvoerders,
zodat zij goed kunnen voorbereiden op de Wet Baz.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen hoe wordt gehandhaafd dat een verzekeraar
daadwerkelijk premies int. Tevens vragen deze leden of het mogelijk is de verzekeringsplicht
te ontduiken door aan te sluiten bij een partij waarbij in de praktijk geen premies
worden geïnd.
De leden van de JA21-fractie uiten ernstige zorgen over de uitvoerbaarheid van dit wetsvoorstel. Deze leden wijzen
op de bestaande capaciteitsproblemen en achterstanden bij het UWV, in het bijzonder
bij de sociaal-medische beoordelingen binnen de WIA. De Afdeling advisering van de
Raad van State is bovendien zeer kritisch over de uitvoerbaarheid van het voorstel.
Tegen die achtergrond vragen deze leden hoe de regering het verantwoord acht om het
UWV te belasten met de claimbeoordeling en re-integratiebegeleiding van een nieuwe,
omvangrijke groep zelfstandigen, terwijl de uitvoering van de bestaande arbeidsongeschiktheidsregelingen
al zwaar onder druk staat.
De leden van de JA21-fractie vragen de regering concreet aan te geven hoeveel extra
sociaal-medische beoordelingen, herbeoordelingen en re-integratietrajecten jaarlijks
worden verwacht als gevolg van de Baz. Hoeveel extra verzekeringsartsen, arbeidsdeskundigen
en andere uitvoeringscapaciteit zijn daarvoor nodig? Kan de regering aangeven of deze
capaciteit op dit moment beschikbaar is, en zo nee, op welke termijn zij realistisch
beschikbaar zal zijn?
De leden van de JA21-fractie vragen welke harde uitvoeringsvoorwaarden vervuld moeten
zijn voordat deze wet verantwoord in werking kan treden. Kan de regering toezeggen
dat de wet niet in werking treedt zolang UWV niet aantoonbaar in staat is de nieuwe
taken uit te voeren zonder verdere verslechtering van de uitvoering van de WIA en
zonder langere wachttijden voor zieke werknemers die momenteel op een beoordeling
wachten?
De leden van de JA21-fractie vragen hoe wordt voorkomen dat zieke zelfstandigen straks
de dupe worden van wachttijden, voorlopige beoordelingen, fictieve beslissingen of
hersteloperaties achteraf. Welke rechtszekerheid heeft een zelfstandige indien het
UWV niet tijdig tot een beoordeling komt? Heeft de zelfstandige in dat geval recht
op voorschotten, en hoe wordt voorkomen dat later terugvorderingen ontstaan door fouten
of vertragingen in de uitvoering?
De leden van de JA21-fractie vragen hoe de regering de uitvoerbaarheid van de premieheffing
en -inning door de Belastingdienst beoordeelt. De regeling vergt gegevensuitwisseling,
inkomensvaststelling, correcties en afstemming met de verzekeringsplicht. Hoe wordt
voorkomen dat zelfstandigen te maken krijgen met complexe naheffingen, correcties
of onduidelijkheid over hun verzekeringspositie, zeker bij wisselende inkomsten of
achteraf vastgestelde winst uit onderneming?
Tot slot vragen de leden van de JA21-fractie of de regering bereid is het wetsvoorstel
aan te houden indien UWV en Belastingdienst niet ondubbelzinnig kunnen aantonen dat
de uitvoering op tijd, betrouwbaar en zonder risico’s voor de rechtszekerheid van
zelfstandigen of huidige uitkeringsgerechtigden kan plaatsvinden. Deelt de regering
de opvatting dat een verplichte verzekering pas verantwoord is wanneer zelfstandigen
er ook daadwerkelijk op kunnen vertrouwen dat premieheffing, claimbeoordeling en uitbetaling
tijdig en correct verlopen? Op welk moment verwacht de regering de kamer te informeren
over de herijking van de uitvoeringstoets en de uitvoerbaarheid van het voorstel?
De leden van de Groep Markuszower vragen welke sancties kunnen worden opgelegd bij overtreding van informatie- of medewerkingsverplichtingen.
Hoe wordt voorkomen dat zelfstandigen door administratieve fouten geconfronteerd worden
met hoge terugvorderingen of boetes?
12. Overgangsrecht
De leden van de CDA-fractie vragen hoeveel bestaande private arbeidsongeschiktheidsverzekeringen naar verwachting
onder het overgangsrecht vallen, hoeveel bestaande verzekeringen naar verwachting
niet voldoen, en hoe zelfstandigen voor inwerkingtreding individuele zekerheid krijgen
over de vraag of hun bestaande verzekering onder het overgangsrecht valt.
De leden van de JA21-fractie hebben vragen over de voorgestelde bepalingen omtrent het overgangsrecht, in het
bijzonder de zogeheten eerbiedigende werking voor zelfstandigen die reeds een private
arbeidsongeschiktheidsverzekering hebben afgesloten. Deze leden constateren dat in
de markt inmiddels een duidelijke anticipatiebeweging op gang lijkt te komen, waarbij
private verzekeraars in de aanloop naar de wetgeving adverteren met het argument dat
ondernemers nu nog een private polis met een lage premie kunnen afsluiten alvorens
het minimumtarief van de basisverzekering gaat gelden. Deze leden vragen hoe de regering
deze marktontwikkeling beoordeelt. Heeft de regering voorafgaand aan het indienen
van dit wetsvoorstel geanalyseerd welk effect een substantiële instroom van relatief
gezonde zelfstandigen in private overgangspolissen heeft op de initiële samenstelling,
kapitalisatie en financiële soliditeit van de publieke basisverzekering? Indien een
aanzienlijk deel van de gezonde zelfstandigenpopulatie zich via het overgangsrecht
langdurig aan de publieke basisverzekering onttrekt, in hoeverre zijn de budgettaire
ramingen en premie-inkomsten van de Baz dan nog houdbaar?
De leden van de JA21-fractie vragen of de regering heeft doorgerekend bij welke mate
van anticiperend gedrag door zelfstandigen en verzekeraars de publieke basisverzekering
financieel kwetsbaarder wordt dan in de huidige ramingen is verondersteld. Welke maatregelen
overweegt de regering om te voorkomen dat het overgangsrecht onbedoeld leidt tot een
ongunstige risicoselectie in de publieke basisverzekering nog voordat de wet effectief
in werking is getreden?
De leden van de Groep Markuszower vragen waarom niet is gekozen voor een ruimere overgangsperiode voor bestaande zelfstandigen.
Kan de regering aangeven hoeveel zelfstandigen reeds langdurige private arbeidsongeschiktheidsverzekeringen
hebben afgesloten en mogelijk dubbel worden belast?
13. Verwerking van persoonsgegevens
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen in de memorie van toelichting dat het volgens de regering noodzakelijk is een
zelfstandigenadministratie op te bouwen, wat volgens het UWV ten minste 36 maanden
in beslag zal nemen. Deze leden vragen of de regering verwacht dat het UWV deze zelfstandigenadministratie
kan vormgeven met behulp van beperkte aanpassingen aan de bestaande polisadministratie.
De leden van de CDA-fractie lezen dat vanwege het duale stelsel gegevensdeling nodig is tussen UWV, Belastingdienst,
Sociale Verzekeringsbank (SVB), private verzekeraars en toezichthouders. Deze leden
vragen welke gegevens worden gedeeld, met welk doel, op welke wettelijke grondslag,
met welke bewaartermijn en met welke waarborgen voor medische en fiscale gegevens.
De leden van de Groep Markuszower vragen welke medische en financiële persoonsgegevens worden verwerkt en gedeeld binnen
het stelsel. Hoe wordt gegarandeerd dat privacygevoelige gegevens adequaat beschermd
blijven?
14. Ministeriële verantwoordelijkheid
De leden van de Groep Markuszower vragen wie uiteindelijk politiek verantwoordelijk wordt voor fouten, uitvoeringsproblemen
of onterechte afwijzingen binnen dit stelsel.
15. Overig
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat er zelfstandigen zijn met een hoger inkomen en een dermate hoog arbeidsongeschiktheidsrisico,
dat zij niet, of tegen een premie die als niet betaalbaar wordt ervaren, tot een private
(aanvullings)verzekering zullen worden toegelaten. Daarvoor is het arbeidsongeschiktheidsrisico
dat de private verzekeraar moet inprijzen te hoog. De Stichting van de Arbeid zag
in 2020 voor deze groep zelfstandigen een mogelijkheid om een Onderling Waarborgfonds
te creëren, met een publiekrechtelijke basis, privaatrechtelijke uitvoering en acceptatieplicht
om te borgen dat iedere zelfstandige zich aanvullend aan de publieke basisverzekering,
op betaalbare wijze, privaat kan verzekeren.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen in de memorie van toelichting dat de
regering het Onderling Waarborgfonds niet wenselijk acht, maar wel alternatieven onderzoekt.
Deze leden verzoeken de regering de Kamer te informeren over de stand van zaken van
de in 2024 gestarte verkenning naar alternatieven voor het Onderling Waarborgfonds
en over de wijze waarop betaalbaarheid en toegankelijkheid voor zelfstandigen met
een verhoogd risico worden gewaarborgd. Tevens verzoeken deze leden de regering toe
te lichten welke concrete varianten momenteel worden onderzocht.
De leden van de CDA-fractie lezen dat de publieke verzekering een basisdekking biedt en dat zelfstandigen daarnaast
aanvullende private verzekeringen of andere aanvullende voorzieningen kunnen treffen.
Deze leden vragen hoe wordt voorkomen dat zelfstandigen ten onrechte denken dat zij
met de publieke Baz volledig verzekerd zijn tegen inkomensverlies bij arbeidsongeschiktheid.
Kan de regering aangeven hoe zelfstandigen actief worden geïnformeerd over de beperkte
dekking van de publieke Baz en over de mogelijkheid of noodzaak van aanvullende dekking?
De leden van de Groep Markuszower vragen of de regering erkent dat deze maatregel opnieuw leidt tot uitbreiding van
de verzorgingsstaat en verdere inperking van de keuzevrijheid van ondernemers. Kan
de regering daarnaast aangeven welke alternatieven serieus zijn onderzocht voordat
gekozen werd voor een verplichte verzekering?
16. Internationaalrechtelijke aspecten
De leden van de D66-fractie lezen dat de regering voornemens is bijlage XI bij verordening 883 te wijzigen. Op
welke termijn verwacht de regering instemming te verkrijgen van de Europese Commissie
voor aanpassing van bijlage XI? Welke invloed heeft de herziening van verordening
883 op dit proces?
De leden van de Groep Markuszower vragen in hoeverre Europese regelgeving of internationale afspraken van invloed zijn
geweest op de totstandkoming van dit wetsvoorstel. Bestond er enige verplichting vanuit
de Europese Unie om tot deze maatregel te komen?
17. Financiële gevolgen
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie maken zich grote zorgen over de passages in paragraaf 17.1 van de memorie van toelichting
waarin wordt gesproken over het maken van een nieuwe afweging tussen enerzijds het
belang van een stabiele duale markt met een realistische mogelijkheid voor zelfstandigen
om te kiezen voor een opt-out en anderzijds de financiële toegankelijkheid van de
publieke verzekering voor zelfstandigen die niet kunnen of willen kiezen voor een
private verzekering. Deze leden verzoeken de regering deze passage nader toe te lichten.
Tevens vragen de leden de regering te bevestigen dat dit toch niet zou kunnen betekenen
dat de stabiliteitsbijdrage op termijn geheel komt te vervallen.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen daarnaast om een inschatting van de
omvang van de verschillende groepen waarnaar in paragraaf 17.2 wordt verwezen. Deze
leden verzoeken de regering dit inzichtelijk te maken in aantallen.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie verzoeken de regering inzicht te geven in
de totale omvang van de stabiliteitsbijdrage en de macro-economische gevolgen daarvan.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben daarnaast meerdere vragen over de rentehobbelopslag.
Deze leden verzoeken de regering een nadere onderbouwing te geven van de cumulatieve
omvang van € 18 miljard en deze ontwikkeling uit te zetten over de tijd. Deze leden
vragen om welke opbouwperiode het gaat en om hoeveel het per jaar gaat. Deze leden
vragen hoe de afweging is gemaakt tussen het voldoende op peil houden van een reserve
en het drukken van kosten voor zelfstandigen.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie verzoeken de regering tevens de ontwikkeling
van de rentehobbelopslag af te zetten tegen de hoogte van de premie en de stabiliteitsbijdrage
en ook deze bedragen over de tijd inzichtelijk te maken.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie verzoeken de Minister voorts te reflecteren
op twee kostprijsverhogende mechanismen binnen het voorgestelde stelsel. Deze leden
merken op dat de rentehobbelopslag de kostprijs van de publieke verzekering verhoogt,
terwijl de stabiliteitsbijdrage de kostprijs van private verzekeringen verhoogt. Deze
leden vragen of de Minister erkent dat beide mechanismen op elkaar inwerken en gezamenlijk
leiden tot een te hoge premie. Deze leden vragen de regering om handelingsperspectief
te schetsen.
De leden van de CDA-fractie vragen of de regering een sensitiviteitsanalyse kan geven van de premieontwikkeling
bij hogere instroom in de Baz, lagere deelname aan de opt-out, hogere uitvoeringskosten,
langere uitkeringsduur, lagere premiegrondslag en meer rechtsvormarbitrage dan geraamd.
Kan de regering daarbij aangeven bij welk premiepercentage de betaalbaarheid voor
zelfstandigen volgens de regering onder druk komt te staan?
De leden van de Groep Markuszower vragen wat de totale structurele uitvoeringskosten van deze wet bedragen. Kan de
regering tevens inzicht geven in de verwachte kostenoverschrijdingen en risico’s voor
de Rijksbegroting? Voorts vragen deze leden hoeveel extra uitvoeringskosten worden
verwacht bij het UWV, de Belastingdienst en andere betrokken instanties.
18. Evaluatie
De leden van de CDA-fractie vragen of de regering bereid is een invoeringstoets en een tussenevaluatie wettelijk
vast te leggen, waarbij in ieder geval wordt gekeken naar uitvoerbaarheid, sociaal-medische
capaciteit, premieontwikkeling, wachttijd, niet-gebruik, bezwaar en beroep, opt-out,
regeldruk, inkomenseffecten, beroep op bijstand, rechtsvormarbitrage en gevolgen voor
kleine ondernemers.
De leden van de Groep Markuszower vragen wanneer en op welke wijze de wet geëvalueerd zal worden. Kan de regering toezeggen
dat specifiek wordt gekeken naar effecten op ondernemerschap, regeldruk, uitvoeringsproblemen
en het aantal stoppende zelfstandigen?
19. Ontvangen inbreng
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen wat de aard is van de uitvoeringstoets die het UWV drie jaar voor inwerkingtreding
zal uitvoeren. Tevens vragen deze leden de regering om toe te lichten welke invloed
de toets volgens de regering kan hebben op het tijdpad.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben daarnaast vragen over de combinatie
van de Baz en pensioenopbouw, mede indachtig de opmerkingen die hierover tijdens de
internetconsultatie zijn gemaakt. Deze leden merken op dat de verplichte Baz mogelijk
een stimulans kan vormen om meer te doen aan pensioenopbouw wanneer beide voorzieningen
in één product worden gecombineerd. Tevens merken deze leden op dat beroepspensioenfondsen,
zoals die voor artsen, medisch specialisten of schilders, mogelijk ook de Baz voor
hun beroepsgroep zouden kunnen organiseren. Deze leden vragen daarom of de Minister
mogelijkheden ziet voor een Baz-polis als onderdeel van een zzp-pensioenproduct. Daarbij
verzoeken deze leden de regering te reflecteren op een combinatie van een lijfrenteproduct
met een Baz-verzekering binnen de derde pijler, dan wel een combinatie van ouderdomspensioen
en een Baz-verzekering in de tweede pijler.
De leden van de PVV-fractie lezen dat de Belastingdienst aangeeft dat invoering pas onder voorwaarden mogelijk
is vanaf 2030. Hoe realistisch acht de regering de huidige planning nog?
De leden van de CDA-fractie lezen dat naar aanleiding van de kritische uitvoeringstoetsen aanpassingen zijn gedaan,
onder meer rond de wachttijd, ziekmelding, terugvordering, opt-out en overgangsrecht.
Deze leden vragen of de regering per aanpassing kan aangeven welk concreet uitvoeringsknelpunt
van UWV of de Belastingdienst daarmee is verminderd, welk uitvoeringsrisico nog resteert
en of UWV en de Belastingdienst deze resterende risico’s aanvaardbaar achten.
De leden van de CDA-fractie lezen dat UWV in de herijkte uitvoeringstoets aangeeft
dat drie jaar voorafgaand aan de beoogde implementatie een herijking van de financiële
impact noodzakelijk is en dat daarin ook een definitief oordeel over het capaciteitsvraagstuk
wordt gegeven. Deze leden vragen hoe de Kamer het wetsvoorstel op dit punt goed kan
beoordelen zolang het definitieve oordeel over de beschikbare capaciteit nog volgt.
De leden van de SGP-fractie lezen dat UWV het wetsvoorstel enkel uitvoerbaar acht als er voldoende capaciteit
beschikbaar is. Terwijl daar op dit moment reeds sprake is van een fors capaciteitstekort.
Hoe wil de regering ervoor zorgen dat dit wetsvoorstel uitvoerbaar is bij inwerkingtreding,
gelet op deze omstandigheden?
Welke concrete stappen zet de regering om op korte termijn duidelijkheid te geven
aan zelfstandigen en uitvoerders, zodat zij zich tijdig en reëel kunnen voorbereiden
op implementatie, zo vragen de leden van de SGP-fractie.
UWV heeft aan gegeven een derde uitvoeringstoets nodig te hebben drie jaar voor de
beoogde invoeringsdatum in 2030. De leden van de SGP-fractie zijn geïnteresseerd in
de reden hiervan. De uitvoeringstoetsen zijn immers inmiddels gedaan en mede op basis
daarvan behandelt de Kamer nu de wet. Wat is de gedachte achter deze aanvullende toets,
waarom heeft UWV dat nodig en hoe wordt deze toets vormgegeven? Welke informatie moet
daaruit blijken, en in hoeverre kan die informatie niet ook relevant zijn voor de
behandeling in beide Kamers?
De leden van de SGP-fractie vragen de regering toe te zeggen dat de derde uitvoeringstoets
enkel zal gaan over het tijdpad en niet zal leiden tot inhoudelijke aanpassingen van
het wetsvoorstel, aangezien de Kamer deze nu immers inhoudelijk behandelt en daar
wel of niet mee instemt. Onder welke omstandigheden is het voor de regering aanvaardbaar
dat uitkomsten van deze derde toets leiden tot uitstel of afstel van de beoogde implementatie
in 2030?
De leden van de SGP-fractie vragen de regering uiteen te zetten wat op dit moment
het beoogde tijdpad is voor de implementatie van het wetsvoorstel, en welke stappen
daarin zeker of juist nog onzeker zijn
De leden van de Groep Markuszower vragen welke kritiekpunten vanuit ondernemersorganisaties, zelfstandigenorganisaties
en uitvoeringsinstanties door de regering niet zijn overgenomen en waarom niet.
II Artikelsgewijze toelichting
De leden van de ChristenUnie-fractie hebben vragen over de inwerkingtreding van het wetsvoorstel. Wat is het beoogde tijdpad
voor implementatie van het wetsvoorstel, welke stappen moeten hier, afgezien van parlementaire
behandeling, nog voor gezet worden en hoe zeker is dat de mijlpalen gehaald zullen
worden? Welke concrete stappen zet de regering om op korte termijn duidelijkheid te
geven aan zelfstandigen, het UWV en de private verzekeringsmarkt, zodat zij zich tijdig
en reëel kunnen voorbereiden op de Wet Baz?
De leden van de Groep Markuszower verzoeken de regering per relevant artikel nader toe te lichten: welke uitvoeringslasten
voortvloeien uit het betreffende artikel; welke administratieve verplichtingen voor
zelfstandigen ontstaan; welke handhavings- en sanctiebevoegdheden worden geïntroduceerd;
en welke gevolgen deze bepalingen hebben voor kleine zelfstandigen en eenpitters.
De voorzitter van de commissie, Van der Lee
Adjunct-griffier van de commissie, Van den Broek
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
T.M.T. van der Lee, voorzitter van de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid -
Mede ondertekenaar
E.E. van den Broek, adjunct-griffier
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.