Schriftelijke vragen : Het gebrek aan draagvlak voor de uitvoering van de Spreidingswet en de inzet van dwangmaatregelen jegens gemeenten
Vragen van het lid Russcher (FVD) aan de Minister van Asiel en Migratie over het gebrek aan draagvlak voor de uitvoering van de Spreidingswet en de inzet van dwangmaatregelen jegens gemeenten. (ingezonden 29 mei 2026).
Vraag 1
Bent u bekend met het artikel «Asielminister Van den Brink wil uitleg over opvangplekken:
dit is het tekort in jouw gemeente»?1
Vraag 2
Kunt u bevestigen dat op dit moment 250 van de 342 gemeenten niet voldoen aan de taakstelling
uit de Wet gemeentelijke taak mogelijk maken asielopvangvoorzieningen (hierna: de
Spreidingswet), en dat ruim honderd gemeenten in het geheel geen opvang bieden?
Vraag 3
Indien de cijfers in bovenstaande vraag niet correct zijn, hoeveel gemeenten voldoen
op dit moment dan niet aan de taakstelling van de Spreidingswet en hoeveel gemeenten
bieden in zijn geheel geen opvang?
Vraag 4
Deelt u de opvatting dat een situatie waarin bijna driekwart van de gemeenten niet
aan de wettelijke taak voldoet, wijst op een breed en structureel gebrek aan maatschappelijk
en bestuurlijk draagvlak voor de gedwongen vestiging van asielzoekerscentra?
Vraag 5
Indien u de in vraag 4 verwoorde opvatting niet deelt, hoe verklaart u dan dat na
ruim twee jaar werking van de wet slechts 92 gemeenten aan hun opgave voldoen?
Vraag 6
Acht u het uitvoerbaar en proportioneel om een wet met dwang te handhaven waarvan
de naleving bij een ruime meerderheid van de gemeenten uitblijft?
Vraag 7
Indien het antwoord op vraag 6 bevestigend luidt, op grond van welke afweging?
Vraag 8
Is er naar uw oordeel een omstandigheid denkbaar die een tekort aan opvangplekken
in een gemeente kan rechtvaardigen?
Vraag 9
Indien het antwoord op vraag 8 bevestigend luidt, welke omstandigheden acht u dan
legitiem, en betrekt u daarbij factoren als het ontbreken van lokaal draagvlak, ruimtelijke
beperkingen en zorgen over de openbare orde en veiligheid?
Vraag 10
Indien het antwoord op vraag 8 ontkennend luidt, met welk oogmerk nodigt u gemeenten
dan uit om uitleg te komen geven, indien de uitkomst van die gesprekken reeds op voorhand
vaststaat?
Vraag 11
Kunt u uiteenzetten in welke gevallen een door een gemeente aangevoerde reden kan
leiden tot bijstelling van haar taakstelling?
Vraag 12
Acht u het wenselijk de autonomie van 250 gemeenten te doorkruisen door over te gaan
tot actief toezicht en, in laatste instantie, tot het aanwijzen van opvanglocaties
die gemeenten verplicht zijn te accepteren?
Vraag 13
Erkent u dat het zelf aanwijzen van opvanglocaties, tegen een besluit van de gemeenteraad
in, een vergaande inbreuk vormt op de lokale democratische besluitvorming?
Vraag 14
Indien het antwoord op de vorige vraag ontkennend luidt, waarom niet?
Vraag 15
Bent u bereid af te zien van dwangmaatregelen jegens gemeenten waar aantoonbaar geen
lokaal draagvlak bestaat?
Vraag 16
Indien het antwoord op de vorige vraag ontkennend luidt, waarom weegt de uitvoering
van de taakstelling voor u zwaarder dan de uitkomst van het lokale democratische proces?
Vraag 17
Bent u bereid de Spreidingswet in te trekken indien de medewerking van gemeenten niet
wezenlijk verbetert?
Vraag 18
Indien u niet bereid bent tot intrekking, bent u dan bereid een gedoogbeleid te voeren
waarbij de dwangbepalingen van de Spreidingswet niet worden uitgevoerd zolang het
vereiste lokale draagvlak ontbreekt?
Vraag 19
Waarom kiest u niet voor het reduceren van de instroom tot nihil, als structurele
oplossing?
Vraag 20
Beschikt uw ministerie over voldoende ambtelijke capaciteit (fte) om de circa 250
niet-voldoende presterende gemeenten onder actief toezicht te plaatsen?
Vraag 21
Kunt u kwantificeren hoeveel fte gemoeid is met het onder actief toezicht plaatsen
van één gemeente, en welk totaal beslag dit zou leggen indien dit voor 250 gemeenten
gelijktijdig zou moeten geschieden?
Vraag 22
Indien de daarvoor benodigde capaciteit ontbreekt, betekent dit dan dat het instrument
van actief toezicht in de praktijk slechts selectief of symbolisch kan worden ingezet?
Vraag 23
Indien het antwoord op de vorige vraag bevestigend luidt, hoe verhoudt zich dat tot
een gelijke behandeling van gemeenten?
Vraag 24
Hoe verhoudt het uitnodigen van gemeentebestuurders om zich op uw ministerie te verantwoorden
zich tot gemeentelijke autonomiteit?
Vraag 25
Bent u bereid de verslagen of notulen van de gesprekken met gemeenten openbaar te
maken, dan wel vertrouwelijk aan de Kamer ter inzage te geven?
Vraag 26
Indien u daartoe niet bereid bent, waarom niet?
Ondertekenaars
Tom Russcher, Tweede Kamerlid
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.