Nota n.a.v. het (nader/tweede nader/enz.) verslag : Nota naar aanleiding van het verslag
36 919 Raming der voor de Tweede Kamer in 2027 benodigde uitgaven, alsmede aanwijzing en raming van de ontvangsten
Nr. 6
NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG
Vastgesteld 27 mei 2026
De vaste commissie voor Binnenlandse Zaken, belast met het voorbereidend onderzoek
van de Raming der voor de Tweede Kamer in 2027 benodigde uitgaven, alsmede aanwijzing
en raming van de ontvangsten (Kamerstuk 36 919), heeft de eer als volgt verslag uit te brengen van haar bevindingen.
Onder het voorbehoud dat het Presidium op de gestelde vragen en de gemaakte opmerkingen
afdoende zal hebben geantwoord, acht de commissie de openbare behandeling over de
Raming voldoende voorbereid.
De voorzitter van de commissie, Kisteman
De griffier van de commissie, Honsbeek
INHOUDSOPGAVE
blz.
1.
Inleiding
2
2.
Algemeen begrotingsbeeld
3
2.1
Enveloppe «goed bestuur»
3
3.
Toekomstbestendige Kamerorganisatie
21
3.1
Sociale veiligheid
23
3.2
Arbeidsmarkt in transitie
24
4.
Werkwijze van de Kamer
24
4.1
Vergaderen in de regio
28
5.
Integrale veiligheid in de Tweede Kamer
29
5.1
Weerbaarheid Kamer
29
6.
Huisvesting Tweede Kamer
30
7.
Overig
30
1. Inleiding
De leden van de D66-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de Raming. Deze
leden danken alle medewerkers van de Kamerorganisatie voor het harde werk dat zij
verzetten om deze organisatie en onze democratie draaiende te houden.
De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de Raming
der voor de Tweede Kamer in 2027 benodigde uitgaven, alsmede aanwijzing en raming
van de ontvangsten, van de geleidende brief, waarin aandachtspunten voor het jaar
2027 staan beschreven, en de bijlagen. Graag willen deze leden het Presidium daarover
een aantal vragen stellen.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van
de Raming voor het jaar 2027. Deze leden hebben hierover op dit moment een aantal
vragen.
De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de ramingen. Deze leden willen
allereerst uitspreken dat zij de ondersteuning van de Kamerorganisatie in de vele
hoedanigheden waarin zij plaatsvindt, buitengewoon waarderen. Zij maken graag gebruik
van deze gelegenheid om een aantal vragen te stellen.
De leden van de BBB-fractie danken de Voorzitter en het Presidium voor de toegestuurde
stukken en de voorbereiding daarvan. Daarnaast spreken deze leden hun waardering uit
voor alle medewerkers van de Kamer. Het functioneren van dit huis staat of valt met
hun inzet, vaak achter de schermen en onder hoge druk. Deze leden vinden het belangrijk
om dat expliciet te benoemen en zullen dat ook tijdens het wetgevingsoverleg onderstrepen.
De leden van de SGP-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de Raming
voor het jaar 2027. Deze leden hebben veel waardering voor de inzet die op vele terreinen
wordt verricht. Zij hebben slechts enkele vragen over de stukken.
De leden van de ChristenUnie-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de
Raming der Tweede Kamer voor de in 2027 benodigde uitgaven, alsmede aanwijzing en
raming van de ontvangsten. Deze leden danken de leden van het Presidium voor hun werk
namens de hele Kamer en hebben ook veel waardering voor de inzet van de gehele ambtelijke
organisatie voor haar bijdrage aan het functioneren van onze democratie. Deze leden
maken gebruik van de mogelijkheid voor het stellen van vragen over de Raming.
2. Algemeen begrotingsbeeld
Vraag
De leden van de SGP-fractie vragen of het Presidium een toelichting kan geven op de
kostenontwikkeling in de meerjarenraming. Deze leden wijzen erop dat de bedragen van
artikel 3 in de komende jaren een dalende trend laten zien en dat veel posten van
dit artikel stabiel zijn. Zij vragen hoe dit te verklaren valt, alleen al gelet op
de ontwikkeling van de inflatie.
Antwoord
In de meerjarenraming is geen rekening gehouden met toekomstige indexeringen als gevolg
van inflatie. Loon- en prijsbijstellingen worden verwerkt in lopende begrotingen en
maken derhalve geen onderdeel uit van de meerjarenraming.
De dalende ontwikkeling van het budget op artikel 3 in de meerjarenperiode wordt grotendeels
verklaard door het incidentele karakter van een aantal uitgaven in 2026. Het betreft
onder meer kosten voor schokdemping bij fractievergoedingen, hogere onderhouds- en
investeringslasten in het tijdelijke huisvestingsgebouw als gevolg van de verlengde
verblijfs- en gebruiksduur, en aanvullende investeringen op het terrein van veiligheid.
Deze uitgaven hebben een eenmalig karakter en leiden daardoor tot een relatief hoger
uitgavenniveau in 2026, waarna in de daaropvolgende jaren een daling zichtbaar is.
Vraag
Deze leden vragen of het Presidium wil toelichten welke uitgangspunten gehanteerd
worden voor de kosten ten aanzien van het uitvoeren van parlementaire enquêtes. Voor
de komende jaren blijkt hiervoor geen bedrag ingeboekt. In hoeverre is het nodig om
hiervoor toch een voorziening te reserveren, ook in jaren dat geen enquêtes worden
uitgevoerd, gelet op het feit dat de behoefte eraan vrij snel kan ontstaan?
Antwoord
Voordat een parlementaire enquête start, worden de kosten overeenkomstig het onderzoeksvoorstel
van de uit te voeren parlementaire enquête begroot. Deze begroting is gebaseerd op
de reguliere begrotingssystematiek voor parlementair onderzoek en afgestemd met de
Stafdienst Financieel Economische Zaken van de Tweede Kamer. De voor het onderzoek
benodigde middelen worden, conform artikel 3 van de Wet op de parlementaire enquête
2008, vervolgens toegevoegd aan de begroting van de Tweede Kamer. Hiertoe wordt een
claim ingediend bij het Ministerie van Financiën.
Voor 2027 is geen begroting opgenomen, omdat ten tijde van het opstellen van de Raming
de besluitvorming over de verlenging van de parlementaire enquête Corona nog niet
formeel was afgerond. Dat is inmiddels wel gebeurd. Nu het Presidium op 11 maart 2026
heeft ingestemd met de ophoging van de begroting van de parlementaire enquêtecommissie
Corona, kunnen bij de Voorjaarsnota 2027 middelen worden toegevoegd.
2.1 Enveloppe «goed bestuur»
Inleidende reactie van het Presidium over enveloppe «goed bestuur»
Het Presidium begrijpt de vele vragen die zijn gesteld over de besteding van de middelen
uit de enveloppe «goed bestuur» en hecht er daarom aan wat uitvoeriger in te gaan
op de achtergrond hiervan alvorens de concrete vragen te beantwoorden. De 10 miljoen
euro voor de versterking van de kennis- en onderzoeksfunctie van de Tweede Kamer komt
niet voort uit een door de Kamer zelf geuite behoefte, maar is op 2 juli 2025 aangekondigd
door de toenmalig demissionair Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.
Er is voorafgaand geen contact geweest met de Tweede Kamer op ambtelijk of politiek
niveau over de hoogte van dit bedrag of de wijze waarop deze middelen zouden kunnen
worden ingezet.1
Op basis van het door het Ministerie van BZK meegegeven kader van versterking van
de kennis- en onderzoeksfunctie van het instituut Tweede Kamer heeft de Kamerorganisatie
een bestedingsplan voor deze middelen opgesteld, waarbij zo veel mogelijk is teruggegrepen
op wensen en ambities die eerder door de Kamer zelf op dit gebied zijn uitgesproken,
bijvoorbeeld in het rapport van de werkgroep Versterking functies Tweede Kamer. Daarnaast
is aangesloten bij het rapport «Van overvloed naar inzicht? Perspectieven van Tweede
Kamerleden op informatiegebruik en informatiebehoefte», dat het Ministerie van BZK
in 2025 door de Universiteit Leiden heeft laten uitvoeren. Dit onderzoek, waar een
aantal fracties ook naar verwijst, is gebaseerd op gesprekken met 58 Kamerleden die
suggesties hebben aangedragen voor het structureel verbeteren van de informatiepositie
van de Tweede Kamer.
Door de vele vragen die zijn gesteld over de groei van de Dienst Analyse en Onderzoek
(DAO) lijkt er een beeld te zijn ontstaan dat het volledige bedrag van 10 miljoen
voor formatieve uitbreiding van deze dienst zou worden aangewend. Dat is niet het
geval. Het klopt dat een deel van de middelen wordt ingezet om de kennispositie en
onderzoeksmogelijkheden van met name de vaste Kamercommissies te vergroten. Een net
zo substantieel deel van de middelen zal echter worden gebruikt voor de noodzakelijke
versterking en innovatie van de digitale informatievoorziening van de Tweede Kamer.
Hiermee wordt ook opvolging gegeven aan de twee eerste aanbevelingen uit het rapport
van de Universiteit Leiden: het verminderen en (beter) structureren van de informatiestroom
en het verbeteren van de digitale infrastructuur. Concreet betekent dat bijvoorbeeld
middelen om grote hoeveelheden informatie te verwerken, toegang tot nieuwe en beter
ontsloten datasets en informatiebronnen, slimme(re) toepassingen van generatieve AI
die de productiviteit kunnen verhogen en verbetering van de digitale samenwerking
door in een gedeelde omgeving aan documenten en annotaties te kunnen werken.
Het op deze wijze opgestelde bestedingsplan is eind 2025 besproken met de ambtelijk
secretarissen van de fracties en met het Presidium, waarna dit is verwerkt in de Raming
voor 2027. Daarbij is gekozen voor een meerjarig ingroeimodel, waarbij steeds tussentijds
geëvalueerd wordt wat het effect is geweest van de stapsgewijze uitbreiding en deze
op basis daarvan zo nodig kan worden bijgestuurd. Hierbij zal worden aangesloten bij
de verantwoordings- en begrotingsrapportage die het Presidium drie keer per jaar ontvangt.
Middelen die niet besteed worden, vloeien terug naar het Ministerie van BZK. Zoals
het Presidium in de geleidende brief al heeft aangegeven, staat het de Kamer vrij
om via een amendement alsnog (een deel van) deze middelen te bestemmen voor fractieondersteuning.
Het Presidium ziet de behandeling van de Raming ook als een goede gelegenheid om het
gesprek te voeren over de vraag in welke mate de Kamer behoefte heeft aan welke vormen
van ondersteuning. Dit kan mede aan de hand van een of meerderere amendementen die
fracties zouden kunnen indienen om een andere verdeling van deze middelen mogelijk
te maken.
Tot slot wil het Presidium benadrukken dat het altijd aan de Kamer zelf moet zijn
om zich uit te spreken over de wijze waarop zij haar taken uitoefent en welke middelen
daarvoor benodigd zijn, en dat het uit zowel principieel als praktisch oogpunt dus
ongewenst en ongebruikelijk is als een kabinet hier eenzijdig en zonder afstemming
vergaande voorstellen toe doet. Het dient ook aan de Kamer zelf gelaten te worden
of hierbij gekozen wordt voor meer fractieondersteuning, uitbreiding van de ambtelijke
organisatie of een combinatie van beide.
Vraag
De leden van de D66-fractie merken op dat de Dienst Analyse en Onderzoek (DAO) in
de afgelopen jaren is uitgebreid, en ook de komende jaren zal blijven groeien. Naar
de mening van deze leden voorziet de DAO in zeer nuttige ondersteuning voor democratische
controle, onder andere via het opstellen van notities. Tegelijk constateren zij dat
uit onderzoek van de Universiteit Leiden blijkt dat de diensten van de Kamer nog maar
beperkt door Kamerleden als informatiebron worden gebruikt.
Op basis van welke overwegingen wordt voorgesteld om deze diensten uit te breiden?
Welke mogelijkheden zijn er om het gebruik van deze diensten te vergroten? Zij vragen
of het klopt dat notities en adviezen van DAO momenteel enkel intern beschikbaar zijn.
Is overwogen om de adviezen van DAO standaard openbaar te maken, zodat ze voor het
brede publiek en media beschikbaar zijn, zo vragen zij tevens. Wat zouden hiervan
de voor- en nadelen zijn?
Antwoord
De overwegingen om DAO uit te breiden grijpen terug op eerder geuite wensen van de
Kamer om voldoende specialistische ondersteuning in huis te hebben, die ten dienste
staat van alle fracties en leden, als aanvulling op de deskundigheid die binnen fracties
zelf ook aanwezig is. Dit gaat bijvoorbeeld om terreinen als begroting, fiscaliteit,
grondrechten en burgerbetrokkenheid. Hierbij kan onder meer gewezen worden op het
rapport «Versterking functies Tweede Kamer» en de bijbehorende monitoringsrapporten
(werkgroep-Van der Staaij II en werkgroep-Kamminga), initiatieven en aangenomen moties
over meer aandacht voor constitutionele zaken en grondrechten (zie bijvoorbeeld Kamerstuk
34 665, nr. 1 e.v. over de aandacht voor constitutionele zaken en de motie-Omtzigt c.s. over een
tijdelijke commissie grondrechten en constitutionele toetsing) en de motie-Van Hijum
c.s. over het onderzoeken van een bureau begroting en verantwoording binnen de Kamer
(Kamerstuk 36 560, nr. 22). Op een aantal terreinen heeft de Kamer hier de afgelopen jaren al stappen gezet,
maar deze ondersteuning kan op een veelzijdiger en voorspelbaarder manier worden ingevuld,
waardoor ook duidelijker is voor fracties wat zij op welk moment van DAO kunnen verwachten.
Op dit moment lukt het niet altijd om op alle terreinen dezelfde consistente dienstverlening
aan alle Kamercommissies te leveren.
Daarbij is het uitgangspunt dat niet per se méér wordt geproduceerd, maar selectief
wordt ingespeeld op de behoefte aan actuele analyse, ordening en verdieping toegespitst
op het parlementaire proces tegen de achtergrond van een steeds groter wordend informatieaanbod
zoals ook in het rapport van de Universiteit Leiden wordt geschetst. Daarbij wordt
steeds afgewogen in hoeverre daadwerkelijk meerwaarde wordt geboden en het aanbod
behapbaar blijft voor Kamerleden en fractiemedewerkers. Dit zal ook periodiek worden
getoetst door middel van een behoefte- en kwaliteitspeiling.
De stafnotities die DAO-medewerkers veelal binnen de commissiestaven opstellen zijn
doorgaans voor intern gebruik, omdat zij primair bestemd zijn voor de leden en hun
medewerkers. Ze bieden inzicht en analyse, doorgaans voorzien van vraagsuggesties,
die Kamerleden kunnen gebruiken ter voorbereiding op bijvoorbeeld debatten. Commissies
kunnen besluiten een notitie openbaar te maken, waardoor deze notitie onderdeel wordt
van het parlementaire proces. Overigens worden veel andere producten waaraan DAO meewerkt,
zoals rapporteursverslagen of de rapporten in het kader van parlementaire verkenningen,
wel automatisch openbaar gemaakt. Dat geldt ook voor producten in het kader van het
samenwerkingsverband Parlement & Wetenschap en externe onderzoeken in het kader van
de kennisagenda’s van de commissies.
De voorgestelde extra investeringen bieden de mogelijkheid om te experimenteren met
nieuwe vormen van onderzoeksgerichte dienstverlening, zoals meer diepgravende, eigenstandige
analyses in de vorm van daarvoor ontwikkelde publicaties. De intentie is dat deze
dienstverlening ook openbaar wordt. Zo kunnen inzichten op basis van onafhankelijk
wetenschappelijk onderzoek beter toegankelijk en toepasbaar worden gemaakt voor het
parlementaire debat. In andere parlementen zijn daar goede ervaringen mee.
Vraag
Deze leden constateren dat er in de afgelopen jaren een aantal rapporten zijn verschenen
over het functioneren van de Kamer, waarin onder andere voorstellen worden gedaan
om te komen tot betere behandeling van wetgeving. Deze aanbevelingen moeten vervolgens
geïmplementeerd worden in de werkwijze van de Kamer en haar commissies om ook effect
te hebben. De griffies van de commissies spelen hierin een belangrijke rol; zij kunnen
op procedurevergaderingen voorstellen inbrengen om het proces van wetgevingsbehandeling
beter te organiseren.
Op welke wijze wordt de opvolging van de aanbevelingen belegd bij de griffie? Zijn
er al best practices die gedeeld kunnen worden?
Antwoord
De aanbevelingen uit de rapporten «Versterking functies Tweede Kamer» en «Voor een
Kamer die Werkt» bieden de commissiestaven bijvoorbeeld meer ruimte om een latere
inbrengdatum voor het verslag van een wetsvoorstel voor te stellen dan de gebruikelijke
twee tot drie weken na indiening van het wetsvoorstel. De commissiestaf kan daarbij
rekening houden met de omvang en bepaalde inhoudelijke aspecten van een wetsvoorstel,
zoals eventuele grondrechtelijke en constitutionele aandachtspunten. In enkele concrete
gevallen zijn recentelijk voorstellen gedaan voor een latere inbrengdatum dan gebruikelijk
vanwege de fundamentele aard van de wetswijziging, een mogelijk werkbezoek ter voorbereiding
op de behandeling van het wetsvoorstel, het opstellen van een wetgevingsscan door
de staf of vanwege het feit dat de tijdelijke commissie Grondrechten en Constitutionele
toetsing naar verwachting een advies over het wetsvoorstel zou gaan geven. Het is
vervolgens aan de desbetreffende commissies om daar al dan niet opvolging aan te geven.
Voorstellen voor latere inbrengdata worden niet altijd overgenomen door commissies.
In wetgevingsintensieve commissies wordt voorts via de procedurevergaderingen de prioritering
van wetsvoorstellen geagendeerd en vastgesteld, wat een voortvarend proces van wetgeving
eveneens ten goede kan komen.
Daarnaast gebruiken alle vaste commissies hun jaarlijkse strategische procedurevergadering
om verder vooruit te kunnen plannen en planningsbrieven op te vragen bij de bewindspersonen.
Daarmee komt de wetgevingskalender beter en sneller in beeld, op basis waarvan een
staf proactief en gericht procedurevoorstellen kan doen. Daardoor kan een commissie
bijvoorbeeld al vroeg in het behandelproces besluiten tot het laten uitvoeren van
een wetgevingsscan en/of het aanstellen van een wetgevingsrapporteur. Ook deze beide
instrumenten dienen ter extra kennisondersteuning van de commissies bij de behandeling
van complexe wetgeving.
Vraag
Voor de versterking van de kennis- en onderzoeksfunctie van de Tweede Kamer wordt
in de Raming 2027 een bedrag van 10 miljoen euro geleidelijk overgeheveld van de begroting
van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) naar de begroting
van de Tweede Kamer. Daarmee zal structureel worden geïnvesteerd in de DAO. Een ander
deel van dit bedrag zal worden besteed aan het versterken van de digitale ondersteuning
en informatievoorziening.
De leden van de VVD-fractie vragen in hoeverre die 10 miljoen euro al verdisconteerd
is in de Raming. Deze leden krijgen graag inzicht in de verdeling en besteding van
dit geld over de komende jaren heen. Kortom, kan worden aangegeven hoe de verdeling
van de 10 miljoen euro over de drie sporen zal zijn? Graag krijgen zij een reactie
van het Presidium.
Antwoord
Dit is deels het geval. Het betreffende budget wordt gefaseerd toegevoegd aan de begroting,
aangezien dit plaatsvindt via een ingroeimodel langs drie sporen, zoals weergegeven
in bijgaande tabel.
Artikel 3: Wetgeving en controle
2026
2027
2028
2029
2030
2031
Tweede Kamer (in €1.000)
Spoor 1 (DAO)
648
1.115
2.022
2.670
3.156
3.771
Spoor 2 (IV)
2.417
4.112
3.917
3.982
3.992
4.012
Spoor 3 (Overig)
0
1.045
1.188
1.330
1.430
1.557
De twee voornaamste sporen betreffen versterking van DAO en de verbetering van de
digitale informatievoorziening. Het derde spoor ziet met name op de verwachte doorwerking
naar andere diensten die volgt uit de investeringen in deze twee sporen. De verdeling,
inclusief de financiële uitwerking, is toegelicht bovenaan pagina 3 van de begrotingstoelichting
en nader gespecificeerd in het middendeel van tabel 4 op pagina 8.
Vraag
In het kader van het aangegeven spoor 1 (versterking DAO) wordt er extra geïnvesteerd
in wetgevingsadvisering, het borgen van expertise op het gebied van grondrechten en
advisering over burgerbetrokkenheid.
Waarom wordt er voor deze route gekozen? Zou er niet meer behoefte zijn aan wetgevingsjuristen
bij Bureau Wetgeving in plaats van een extra investering in DAO, zo vragen deze leden.
Antwoord
De wetgevingsadvisering van DAO is gericht op het inhoudelijk ondersteunen van commissies
bij de behandeling van (regerings)wetsvoorstellen. Wetgevingsadviseurs bieden deskundige
en direct toepasbare kennis en analyse met betrekking tot de kwaliteit van wetsvoorstellen,
bijvoorbeeld met een scan van juridische aspecten, de uitvoerbaarheid en het burgerperspectief
van een wetsvoorstel. De commissies kunnen deze inzichten gebruiken bij de voorbereidende
behandeling van wetsvoorstellen. Daarnaast ondersteunen zij wetgevingsrapporteurs
in de commissies. Deze dienstverlening is de afgelopen jaren opgezet binnen DAO naar
aanleiding van het rapport van de werkgroep Versterking functies Tweede Kamer. Uit
de toename van het aantal wetgevingsrapporteurs blijkt dat hier ook behoefte aan bestaat.
Met de huidige capaciteit kan deze advisering op dit moment echter nog niet volledig
beschikbaar worden gemaakt voor alle commissies. Een extra investering in wetgevingsadvisering
maakt verdere specialisatie op wetgevingsintensieve beleidsterreinen mogelijk en versterkt
de ondersteuning van het toegenomen aantal wetgevingsrapporteurs in de commissies.
Over de ondersteuning van Kamerleden door Bureau Wetgeving en de noodzaak van een
eventuele capaciteitsuitbreiding heeft het Presidium in 2024 een zienswijze van Bureau
Wetgeving met de Kamer gedeeld (Kamerstuk 36 528, nr. 21). Het Presidium onderschreef de conclusie dat de huidige capaciteit van Bureau Wetgeving
toereikend is om Kamerleden te ondersteunen bij het voorbereiden van initiatiefwetsvoorstellen
en amendementen en om (incidentele) pieken in de werklast op te vangen. Er hebben
zich sindsdien geen ontwikkelingen voorgedaan die aanleiding geven tot een herbezinning
op de benodigde capaciteit.
Vraag
Verder vragen zij of kan worden toegelicht hoe de investering in DAO zich vertaalt
naar een efficiëntere en betere ondersteuning van het parlementaire werk vanuit de
Griffies Commissies, de Griffie Plenair en andere ondersteunende diensten.
Antwoord
De investering waarop gedoeld wordt ziet niet op de uitbreiding van DAO, maar op de
versterking van de digitale informatievoorziening. Behalve voor de fracties biedt
deze transformatie en innovatie ook kansen voor diensten van de Kamer om bijvoorbeeld
door de inzet van AI werkprocessen te optimaliseren of sneller innovatieve toepassingen
met efficiencyvoordelen te kunnen realiseren.
Vraag
Verder vragen deze leden of bij de fracties is nagegaan welke wensen zij hebben voor
de besteding van die 10 miljoen euro. Zo ja, hoe is dat geïnventariseerd? Wat waren
de uitkomsten van die inventarisatie? Zo neen, waarom is dat niet gebeurd? Graag krijgen
deze leden een reactie van het Presidium. Overigens zouden zij zich kunnen voorstellen
dat een deel van de 10 miljoen euro bij de fracties c.q. groepen terechtkomt.
Antwoord
Het bestedingsplan is eind 2025 ter consultatie voorgelegd aan de ambtelijke secretarissen
van de fracties en daarna ter besluitvorming aan het Presidium. Verder is zo veel
mogelijk aangesloten bij de bevindingen uit het recente rapport van de Universiteit
Leiden, waarvoor alle fracties zijn benaderd en waar 58 Kamerleden aan hebben meegewerkt,
en bij de aanbevelingen uit recente rapporten die door werkgroepen vanuit de Kamer
zijn opgesteld. Voor de overwegingen om de middelen in te zetten voor versterking
van de kennis- en onderzoeksfuncties van de Kamer als instituut verwijst het Presidium
naar de algemene inleiding, in het bijzonder naar de opmerking over het eerdere uitgangspunt
van het Ministerie van BZK om deze middelen te bestemmen voor versterking van het
instituut en niet voor uitbreiding van de fractieondersteuning.
Vraag
Het is deze leden opgevallen dat er onder artikel 3 punt 02. (Kennis en onderzoek)
in het jaar 2026 en verder sprake is van een enorme verhoging van het bedrag, van
240.000 euro in 2025 naar 1.421.000 euro in 2026 en verder. Wat zijn daarvan de redenen?
Antwoord
Het reguliere kennis- en onderzoeksbudget van de Kamer, dat beheerd wordt door de
Dienst Analyse en Onderzoek en mede bestemd is voor (extern) onderzoek binnen de verschillende
commissies, is onveranderd gebleven ten opzichte van vorig jaar. De 240.000 euro betreft
de realisatie aan kosten in 2025. Voor elke commissie is jaarlijks 110.000 euro beschikbaar
voor kennis en onderzoek. In 2025 waren de gerealiseerde kosten relatief laag, omdat
het een jaar was waarin het kabinet viel en er Tweede Kamerverkiezingen plaatsvonden.
Vraag
Deze leden willen graag aandacht vragen voor een aantal praktische zaken in de Kamer.
Al lange tijd wordt door vele fracties bij de Kamerorganisatie aangekaart dat er problemen
zijn met de doorlooptijden voor het verkrijgen van een Rijkspas en vervolgens met
het verkrijgen van een laptop en werkomgeving. Na indiensttreding van nieuwe (fractie)medewerkers
kan het ruim meer dan een week duren voordat zij een afspraak hebben met de Rijkspassenbalie
en vervolgens bij de Dienst Automatisering (DA).
Dat betekent dat tot die tijd nieuwe medewerkers niet aan het werk kunnen. Hoe kan
dit probleem worden opgelost? Kan de tijd (drie à vier uur) tussen de afspraak bij
de Rijkspassenbalie en de DA worden verkort? Zouden meer medewerkers een oplossing
kunnen zijn?
In hoeverre wordt er bij de Raming geld vrijgemaakt om dit probleem op te lossen?
Zo neen, waarom niet? Graag krijgen deze leden een reactie van het Presidium.
Antwoord
Er is vanuit de ambtelijke organisatie een initiatief gestart door de Beveiligingsdienst,
het Bureau CISO en de Dienst Automatisering om knelpunten bij de instroom in kaart
te brengen en zo veel mogelijk te verbeteren. Hierbij worden zowel organisatorische
als technische oplossingen onderzocht.
De benodigde tijd na de ID-check van de nieuwe medewerker is op dit moment inderdaad
drie tot vier uur. Dit komt door de technische inrichting van processen die leiden
tot een Tweede Kamer ID en account (e-mail etc.). In het onderzoek wordt meegenomen
of dit verkort kan worden.
Op dit moment is er wel inzicht in de ambtelijke instroom op maand- en kwartaalbasis
maar niet op de instroom bij fracties. Ook wordt onderzocht hoe er beter geanticipeerd
kan worden op pieken bij instroom en benodigde capaciteit bij de Rijkspas- en IT-servicedeskbalies.
Als uit het onderzoek blijkt dat er knelpunten zijn die alleen kunnen worden opgelost
door extra inzet van personeel en eventuele benodigde middelen, dan zullen hiervoor
de benodigde stappen worden gezet.
Naar verwachting kan in het derde kwartaal een terugkoppeling worden gegeven via de
ambtelijk secretarissen, die hier in eerste instantie vaak mee te maken hebben.
Vraag
Graag ontvangen de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie een uitgesplitst overzicht
van hoe de middelen uit de enveloppe «goed bestuur» worden verdeeld over de verschillende
posten die nu door het Presidium zijn voorzien (DAO, ontsluiten informatiebronnen
etc.).
Deze leden ontvangen daarnaast graag een nadere toelichting op wat concrete effecten
zullen zijn van het versterken van de digitale ondersteuning en informatievoorziening,
zodat fracties en commissies toegang tot nieuwe en beter ontsloten informatiebronnen
verkrijgen.
Ook vragen deze leden of het Presidium overwogen heeft om een deel van de middelen
uit de enveloppe «goed bestuur» aan de fractiekostenregeling toe te voegen, zodat
fracties zelf nadere invulling kunnen geven aan het versterken van de ondersteuning
van Kamerleden.
Antwoord
Voor de verdeling van de middelen over de verschillende posten verwijst het Presidium
naar de beantwoording van de vergelijkbare vraag van de VVD-fractie en de daarin opgenomen
tabel.
De groeiende inzet van informatietechnologie en daarmee de toenemende hoeveelheid
data en informatie zijn geen tijdelijk verschijnsel, maar een structurele ontwikkeling.
Dit is zichtbaar in de gehele maatschappij en dus ook binnen de Nederlandse overheid.
De Tweede Kamer zal zich hiertoe moeten verhouden om enerzijds de snel groeiende informatiestromen
het hoofd te kunnen bieden en anderzijds de risico’s op onjuiste informatie te verkleinen.
Hiervoor zijn organisatiebrede investeringen in technologie nodig, waarbij risico’s
op het gebied van security en privacy beperkt worden en onze soevereiniteit bewaakt
wordt. Ook in het rapport van de Universiteit Leiden wordt geconstateerd dat er een
breed gedeelde wens is om verbeteringen in bestaande informatiesystemen aan te brengen.
Daarnaast worden er kansen gezien in de inzet van AI om Kamerstukken sneller toegankelijk
te maken en het institutioneel geheugen beter te ontsluiten. AI-toepassingen maken
het mogelijk om verschillende informatiestromen in onderlinge samenhang te verwerken
en bijvoorbeeld gericht samen te vatten. Het risico op informatie-overload kan worden
tegengegaan als Kamerleden hierbij de beschikking hebben over geavanceerde zoektechnologie.
De ontsluiting van grote hoeveelheden parlementaire data maakt het eenvoudiger om
onderliggende trends en patronen in bijvoorbeeld debatten, beleidsstukken en onderzoeken
ook over de langere termijn snel te kunnen reconstrueren en te verbinden met actuele
ontwikkelingen.
Dit kan zowel technisch als organisatorisch alleen integraal vanuit de betrokken diensten
van de Kamerorganisatie opgepakt worden, met voldoende waarborgen op het gebied van
privacy en betrouwbaarheid van informatie. Ook de inzet van veilige en verantwoorde
AI-modellen zoals Vlam.ai vraagt om een robuuste organisatie die op structurele basis
de regie houdt over een zorgvuldige implementatie en kan inspelen op nieuwe ontwikkelingen
en innovaties. Technologie wordt op deze wijze niet een bron van extra complexiteit,
maar een instrument om complexiteit hanteerbaar te houden.
De inzet van innovatieve technologie (zoals data-, AI- en cloudtechnologie) leidt
enerzijds tot efficiencyvoordelen voor fracties en de ambtelijke organisatie (eenvoudiger
toegang en betere ontsluiting van informatie en ondersteuning van werkzaamheden met
generatieve AI) en anderzijds tot nieuwe mogelijkheden om bestaande informatie te
gebruiken of nieuwe of gecombineerde bronnen te creëren. Hiervoor is vanzelfsprekend
nieuwe technologie nodig (infrastructuur, applicaties en licenties) maar ook is het
belangrijk om alle Kamerbewoners, passend bij hun rol en functie, te trainen in het
gebruik van deze technologie. Het gebruik van generatieve AI ter ondersteuning van
het Kamerwerk biedt immers kansen maar brengt zeker ook risico’s met zich mee. Daarnaast
is het belangrijk dat er nieuwe kennis en expertise binnengehaald wordt, zodat de
technische inrichting en de governance de mogelijke risico’s van het gebruik onder
controle houden.
Voor meer achtergrond bij de overwegingen om de middelen in te zetten voor versterking
van de ambtelijke organisatie in plaats van toevoeging aan de fractiekostenregeling
verwijst het Presidium naar de algemene inleiding.
Vraag
De leden van de CDA-fractie hebben bedenkingen bij de voorgenomen besteding van de
middelen uit de enveloppe «goed bestuur» en betwijfelen of deze daadwerkelijk tegemoetkomt
aan de ondersteuningsbehoefte van Kamerleden. Wat deze leden betreft zou het (deels)
gebruiken van dit budget als aanvulling op de fractiegelden, zoals benoemd in de geleidende
brief, wenselijk zijn.
Zij vragen of er reeds een voorstel ligt voor een voorgenomen invulling (in fte en
functietitels) en, zo ja, of die meegestuurd kan worden in de beantwoording.
Ook vragen zij of het Presidium bereid is een aanzienlijk deel van het budget beschikbaar
te stellen voor de budgetten van fracties.
Antwoord
De inzet van deze middelen vindt plaats via een meerjarig ingroeimodel. Daarbij wordt
structureel geïnvesteerd in de kennis- en informatiepositie van de Kamercommissies
en ontstaat meer ruimte voor de beantwoording van vragen vanuit Kamerleden en fracties.
Meer concreet wordt geïnvesteerd in expertise op het gebied van begroting en verantwoording,
wetgeving, grondrechten, burgerbetrokkenheid en de borging van expertise op het gebied
van (parlementair) onderzoek. Daarmee wordt aangesloten bij de wensen die de Kamer
in diverse rapporten en moties op dit gebied heeft geformuleerd. Ook kunnen de bestaande
functiegroepen binnen DAO versterkt om meer ruimte te bieden voor maatwerk aan individuele
leden en fracties, naast het ondersteunen van de vaste commissies dat centraal staat
in de kennis- en informatiedienstverlening van DAO. Dit voorgestelde ingroeimodel
leidt tot een voorgenomen stapsgewijze uitbreiding die oploopt tot 24 fte in 2031.
Daarnaast wordt Kamerbreed geïnvesteerd in versterking en innovatie van de digitale
informatievoorziening, waarbij het gaat om een combinatie van structurele personele
uitbreidingen, opleidingen en digitale voorzieningen, aangevuld met incidentele investeringen
in onderzoek en implementatie. Kamerleden en commissies krijgen hierdoor toegang tot
nieuwe en beter ontsloten informatiebronnen. Dit wordt binnen één programmatische
aanpak tussentijds gemonitord en geëvalueerd. De verwachte extra inzet vanwege de
doorwerking naar andere Kamerdiensten zal nader worden uitgewerkt in samenhang met
de andere sporen.
Zoals gezegd ziet het Presidium de behandeling van de Raming als een goede gelegenheid
om het gesprek te voeren over de vraag in welke mate de Kamer behoefte heeft aan welke
vormen van ondersteuning. Dit kan er inderdaad toe leiden dat een deel van de middelen
alsnog ter beschikking van fracties wordt gesteld.
Vraag
Deze leden merken op dat er de afgelopen jaren is geïnvesteerd in de uitbreiding van
de DAO.
Zij vragen of in beeld is hoe de investeringen in en de uitbreiding van DAO de afgelopen
jaren hebben uitgepakt.
Hierbij vragen zij hoe dit heeft geleid tot verbeterde ondersteuning van Kamerleden
en of dit erin heeft geresulteerd dat Kamerleden meer gebruikmaken van de diensten
van DAO.
Antwoord
Naar aanleiding van onder meer het rapport «Versterking functies Tweede Kamer» (2021)
is de ondersteuning vanuit DAO aan de vaste commissies de afgelopen jaren versterkt
en is nieuwe dienstverlening ontwikkeld ter ondersteuning van de wetsbehandeling in
de commissies. Daarnaast is de EU-advisering naar DAO overgebracht vanuit de Griffies
Commissies en verder versterkt ter uitvoering van de motie-Koekkoek c.s. (Kamerstuk
36 200 VII, nr. 42). Uit individuele contacten met Kamerleden en medewerkers, reacties op kennisproducten
via diverse kanalen en andere rapportages blijkt dat de ondersteuning wordt gewaardeerd
en gebruikt. DAO verzorgt verder de inhoudelijke begeleiding van begrotings-, EU-
en wetgevingsrapporteurs, die de Kamer in toenemende mate aanstelt. Zo is het afgelopen
jaar het aantal rapporteurs verder gegroeid, van 137 naar 160 (waarbij een aantal
Kamerleden meerdere rapporteurschappen op zich neemt). Dat geldt ook voor het nieuwe
instrument van de parlementaire verkenning, dat de afgelopen jaren tot ontwikkeling
is gekomen.
DAO-medewerkers zijn onderdeel van de integrale commissiestaven en werken daarbinnen
nauw samen met collega’s van de Griffies Commissies. Deze werkwijze in nabijheid van
de commissie en de leden bevordert een goede afstemming tussen vraag en aanbod van
dienstverlening. Veel producten en diensten worden dan ook onder de vlag van de commissiestaf
aangeboden, teneinde Kamerleden een eenduidig aanspreekpunt te bieden voor zowel de
procedurele als de inhoudelijke ondersteuning aan de commissies. Mede daardoor lijken
niet alle fracties even goed bekend met de dienstverlening, zoals ook bleek uit het
rapport «Voor een Kamer die Werkt». Het periodiek meten van de bekendheid van én behoefte
aan deze ondersteuning is daarom een punt van aandacht. De dienstverlening vanuit
de integrale commissiestaven wordt belicht in de introductiedossiers, de brochure
«Commissies aan zet», de kennismakingsbijeenkomsten en individuele gesprekken met
Kamerleden en medewerkers. Ook coördineert DAO het cursusaanbod binnen de Tweede Kamer
Academie, dat verzorgd wordt met collega’s van andere diensten.
Vraag
De leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van de passage over de enveloppe
«goed bestuur» en de daarin geschetste keuze om middelen over te hevelen naar de begroting
van de Tweede Kamer, met name ten behoeve van de versterking van de DAO. Ook hebben
deze leden kennisgenomen van de suggestie dat, indien gewenst, (een deel van) deze
middelen via een amendement kan worden ingezet ter versterking van fracties.
Deze leden vragen het Presidium waarom er in eerste instantie voor wordt gekozen om
deze middelen primair te investeren in de DAO. Voor zover bij deze leden bekend, zijn
er geen signalen van acute capaciteitstekorten bij de DAO die een dergelijke substantiële
investering rechtvaardigen.
Kan het Presidium nader onderbouwen waar deze keuze op is gebaseerd en welke concrete
knelpunten hiermee worden opgelost?
Tegelijkertijd willen deze leden nadrukkelijk aandacht vragen voor de positie van
fracties, en in het bijzonder de kleinere fracties. Deze fracties hebben, net als
grotere fracties, dezelfde constitutionele taken: het controleren van de regering,
het behandelen van wetsvoorstellen en het deelnemen aan debatten en overleggen. Daar
staat echter een aanzienlijk kleinere ondersteuningscapaciteit tegenover. In de praktijk
betekent dit dat kleine fracties dezelfde hoeveelheid, vaak zeer complexe, stukken
van het kabinet moeten doorgronden, maar met veel minder fractieondersteuning.
Deze leden vragen het Presidium hoe het kijkt naar deze disbalans. Acht het Presidium
het wenselijk dat de verschillen in ondersteuning tussen fracties zo groot zijn, terwijl
de taken gelijk zijn?
Is het in dat licht niet verstandiger om (een deel van) de beschikbare middelen juist
in te zetten ter versterking van de fracties zelf, in plaats van primair te investeren
in de DAO?
Deze suggestie lijkt het Presidium ook zelf te doen in zijn begeleidende brief. Deze
leden willen wel benadrukken dat zij de inzet en kwaliteit van de DAO zeer waarderen.
Antwoord
Het Presidium wijst erop dat een deel van de middelen inderdaad wordt gebruikt voor
uitbreiding van DAO, maar dat een net zo substantieel deel ingezet wordt voor de verbetering
van de digitale informatievoorziening (zie ook de tabel in antwoord op de vraag van
de VVD-fractie over de verdeling van de middelen). Beide onderdelen komen rechtstreeks
tegemoet aan wensen die op verschillende momenten en manieren door de Kamer zijn geuit.
De beschikbaarstelling van de middelen uit de enveloppe «goed bestuur» maken het mogelijk
deze wensen nu in een samenhangend plan uit te werken. De aanleiding is dus niet gelegen
in een acuut capaciteitstekort of concrete knelpunten.
De voorgestelde versterking van de kennisdienstverlening van DAO is niet binnen de
huidige formatie en middelen te realiseren. De benodigde expertise is ook niet op
andere plaatsen binnen de Kamerorganisatie beschikbaar. Het bestaande aanbod van kennisdienstverlening
voor commissies richt zich voornamelijk op kennis- en informatieproducten en -diensten
gericht op begrotingen, beleidsvoorstellen, wetgeving en EU-dossiers en op advisering
en ondersteuning van de kennisagenda’s van de commissies. Met de extra capaciteit
kunnen meer kennisproducten en diensten worden geleverd voor commissiedebatten en
andere parlementaire activiteiten.
Het door de fractie van de BBB genoemde verschil in fractieondersteuning tussen grotere
en kleinere fracties vloeit voort uit de systematiek van de Regeling financiële ondersteuning
fracties en groepen Tweede Kamer, waarbij de bijdrage voor fractieondersteuning bestaat
uit een bedrag per zetel vermenigvuldigd met het zeteltal. Overigens kent de fractiekostenregeling
al vanaf het begin een voorziening voor kleinere fracties: afhankelijk van het zeteltal
ontvangt een kleinere fractie een extra bedrag. Het zeteltal waarop de hoogte van
de bijdrage wordt vastgesteld, wordt fictief met één «bonuszetel» verhoogd voor fracties
met minder dan zes leden en met een halve «bonuszetel» voor fracties met minder dan
elf leden. De fractiekostenregeling wordt door de Kamer zelf vastgesteld, laatstelijk
in 2024. De (schriftelijke) behandeling door de Kamer heeft het Presidium destijds
geen aanleiding gegeven voor aanpassing van de systematiek die leidt tot wat de fractie
van BBB als «disbalans» omschrijft.
Vraag
De leden van de SGP-fractie vragen een toelichting op de suggestie in de brief dat
de Kamer zou kunnen besluiten het budget voor DAO te gebruiken voor de aanvulling
van de fractiegelden, na amendering door de Kamer.
Deze leden zouden graag een nadere toelichting ontvangen op de meest doelmatige aanwending
van de middelen volgens het Presidium en het proces waarmee die besluitvorming op
de meest zorgvuldige, geïnformeerde wijze tot stand kan komen.
Antwoord
Het Presidium verwijst voor een toelichting naar de algemene inleiding en merkt daarbij
op dat de genoemde suggestie het bestedingsplan in zijn geheel betreft, waarbij het
gaat over zowel de investeringen in DAO als in de informatievoorziening en de overige
diensten. Bij het opstellen van het bestedingsplan is teruggegrepen op wensen en ambities
die de afgelopen jaren door de Kamer zelf op dit gebied zijn uitgesproken. Tevens
is aangesloten bij recent onderzoek van de Universiteit Leiden, waarin op basis van
gesprekken met 58 Kamerleden een aantal aanbevelingen wordt gedaan voor het structureel
verbeteren van de informatiepositie van de Tweede Kamer. Het ingroeimodel dat daarbij
wordt gehanteerd wordt tussentijds gemonitord en zo nodig bijgesteld. Een zorgvuldige
en geïnformeerde besluitvorming door de Kamer zou wat het Presidium betreft dus gebaseerd
kunnen worden op de verschillende rapporten van de Kamer zelf («Versterking functies
Tweede Kamer», «Voor een Kamer die Werkt») alsmede op het onderzoek van de Universiteit
Leiden. Ook een eventueel amendement over een andere verdeling van de middelen kan
bijdragen aan een gedegen en goed onderbouwde discussie en besluitvorming.
Vraag
Deze leden wijzen erop dat alleen al ten aanzien van DAO volgens de voorgelegde Raming
in de komende jaren sprake zou zijn van meer dan een verdrievoudiging van het bestaande
budget. Deze leden constateren dat het aantal medewerkers van de DAO sinds 2021 al
met sprongen is gestegen van 40 naar 92 en dat nu kennelijk een nog verdergaande verhoging
beoogd is.
Zij vragen of deze verhogingen redelijkerwijs nodig en passend zijn gelet op de ambities
die worden beschreven en in het licht van het totaalaantal van 800 medewerkers. Deze
leden vragen hoe geëvalueerd wordt of de verhogingen tot het gewenste resultaat hebben
geleid.
Verder vragen zij of ook expliciet inzichtelijk gemaakt wordt of de uitbreiding van
de capaciteit enigszins naar evenredigheid neerslaat bij de fracties, gelet op het
feit dat in de onderbouwing verwezen wordt naar voordelen die de uitbreiding kan hebben
voor de fracties.
Antwoord
Het Presidium herkent de vermeende verdrievoudiging van het bestaande budget van DAO
niet. Er is, aan de hand van een meerjarig ingroeimodel, voorzien in een personele
groei van ongeveer 26%. Dit resulteert in een formatieve uitbreiding met 24 fte in
2031.
Met betrekking tot de noodzaak van de verhoging verwijst het Presidium naar de algemene
inleiding. Omdat gekozen is voor een meerjarig ingroeimodel zal ook regelmatig inzichtelijk
worden gemaakt wat het effect is geweest van de stapsgewijze uitbreiding, zodat deze
op basis daarvan zo nodig kan worden bijgestuurd. Hierbij zal worden aangesloten bij
de verantwoordings- en begrotingsrapportage die het Presidium drie keer per jaar ontvangt.
De verwachte voordelen voor fracties zijn niet beperkt tot de uitbreiding van DAO,
maar zien ook op de versterking en innovatie van de digitale informatievoorziening.
Als de Kamer ervoor zou kiezen een deel van de middelen ter beschikking van fracties
te stellen, kan evenredigheid tussen fractieondersteuning en ambtelijke organisatie
een van de overwegingen zijn. Zonder af te doen aan de deskundigheid van fractieondersteuning,
ziet het Presidium ook de meerwaarde van specialistische kennis bij DAO die in gelijke
mate beschikbaar is voor alle leden en fracties. Gelet op de noodzaak van een centrale
Kamerbrede structuur voor digitale informatievoorziening, kunnen verbeteringen op
dit vlak niet gedecentraliseerd aan fracties worden overgelaten.
Vraag
Deze leden vragen of het Presidium kan toelichten wat de verhouding is tussen de extra
investeringen die hoe dan ook in DAO gedaan zouden worden ten opzichte van de onduidelijkheid
die er nog over bestaat of op termijn ook extra investeringen in de staf van de commissies
te verwachten zijn.
Waarom wordt voorafgaand aan nieuwe intensiveringen niet eerst onderzocht of juist
een directe investering in de commissiestaf aan te bevelen valt, gelet op het feit
dat die ondersteuning meer direct ten goede komt aan alle fracties en het primaire
politieke proces?
Antwoord
Het Presidium wijst erop dat de medewerkers van DAO deel uitmaken van de commissiestaven
en dat het grootste deel van hun werk dan ook direct gerelateerd is aan de ondersteuning
van het primaire politieke proces in commissieverband. In aanvulling daarop maakt
uitbreiding van de capaciteit van DAO het mogelijk om meer dan nu het geval is tegemoet
te komen aan kennisvragen van individuele leden en fracties. Dat nog niet alle investeringen
op dit moment zijn ingevuld, hangt samen met de keuze voor een meerjarig ingroeimodel
waarbij de effecten steeds tussentijds geëvalueerd worden. Het uitgangspunt van alle
investeringen uit het bestedingsplan is nadrukkelijk om de voorgestelde inzet van
mensen, middelen en systemen ten goede te laten komen aan versterking van de kennis-
en informatiepositie van fracties in relatie tot het primaire politieke proces.
Vraag
Deze leden vragen welk beloningsbeleid gehanteerd wordt voor de functies die betrekking
hebben op analyse en onderzoek en hoe dat beleid zich verhoudt tot vergelijkbare functies
bij andere publieke instellingen, zoals het Centraal Planbureau (CPB) en Sociaal en
Cultureel Planbureau (SCP).
De leden van de ChristenUnie hebben ook vragen over het functiehuis en inschaling
van de ambtelijke organisatie. Uit openbare informatie en openstaande vacatures en
uit de begrotingstoelichting blijkt dat functies als griffier en kenniscoördinatoren
ingeschaald worden in schaal 13. Hoe verhoudt deze inschaling zich tot de inschaling
bij het Rijk, bij organisaties als het CPB en het SCP waar ook (gepromoveerd) onderzoekers
werken (zie deze recente vacature bij het SCP voor een gepromoveerd wetenschappelijk
medewerker in schaal 12 https://web.archive.org/web/20260218153045mp_/https:/www.werkenvoornede…) en deze vacature voor econoom bij het CPB waar wetenschappelijk medewerkers worden
ingeschaald in schaal 10–12
https://web.archive.org/web/20250321093924/https:/www.cpb.nl/het-cpb-zo…), en tot de inschaling van fractiemedewerkers?
Antwoord
Functies binnen de ambtelijke organisatie van de Tweede Kamer, waaronder ook de functies
binnen de Dienst analyse en onderzoek en de Griffies Commissies, worden beschreven
op basis van de aard van de werkzaamheden en de bijbehorende verantwoordelijkheden.
Deze functiebeschrijving wordt gewaardeerd aan de hand van het functiewaarderingssysteem
van de sector Rijk, genaamd FUWASYS. Deze score vertaalt zich in een salarisschaal
opgenomen in de CAO Rijk. De beschrijvingen en waarderingen komen tot stand in samenwerking
met FUWASYS-gecertificeerde experts. Het Presidium heeft geen inzicht in de afwegingen
die een rol spelen bij de waardering van functies bij andere organisaties.
Vraag
Deze leden vragen of het Presidium varianten in beeld zou kunnen brengen waarin in
ieder geval een deel van het aanvullende budget voor analyse en onderzoek rechtstreeks
bij de fracties terecht zou komen.
Gelet op het aandeel medewerkers dat reeds bij DAO aanwezig is, zou het niet vreemd
zijn als ook de fracties een bepaald extra budget toegewezen krijgen om zelf te kunnen
investeren in een medewerker die zich richt op inhoudelijke verdieping en ondersteuning.
Antwoord
Er zijn uiteraard verschillende varianten denkbaar om de middelen op een andere manier
te verdelen, maar gezien de door meerdere fracties genoemde evenredigheid wil het
Presidium in ieder geval twee varianten noemen die daaraan tegemoet zouden komen.
Een variant zou kunnen zijn om het totaal aan middelen van 10 miljoen gelijk te verdelen
over fractieondersteuning (5 miljoen) en de ambtelijke organisatie (5 miljoen). Als
de Kamer daarvoor kiest, zal de ambtelijke organisatie een nieuwe verdeling maken
voor de beschikbare 5 miljoen voor versterking van DAO en verbetering van de digitale
informatievoorziening. Bij de versterking van DAO zal in dat geval voorgesteld worden
om prioriteit te geven aan versterking van de specialistische ondersteuning, zoals
begrotingsadvisering, en het structureel aanbieden van kennisproducten ter voorbereiding
op debatten om daarmee de gezamenlijke, partij-overstijgende feitenbasis te versterken,
zoals ook genoemd in het rapport van de Universiteit Leiden. Bij de verbetering van
de digitale informatievoorziening zal voorgesteld worden prioriteit te geven aan de
inzet en ontwikkeling van veilige en verantwoorde AI-toepassingen.
Een andere variant waarin de middelen op een evenredige wijze worden verdeeld over
fracties en ambtelijke organisatie, is om voor de uitbreiding van fractieondersteuning,
de ondersteuning door DAO en de versterking van de digitale informatievoorziening
elk een derde van de beschikbare middelen aan te wenden. Ook hierbij zal ambtelijk
een herprioritering gemaakt worden. Net zoals bij de vorige variant betekent dit ook
dat de verwachte doorwerking naar andere diensten geïntegreerd zal worden als post
binnen de twee sporen uitbreiding DAO en versterking digitale informatievoorziening.
Een variant waarin alle middelen voor meer fractieondersteuning worden aangewend,
leidt ertoe dat er niet op een structurele en samenhangende manier opvolging gegeven
kan worden aan eerdergenoemde wensen en behoeften van de Kamer op het gebied van kennisondersteuning
en informatievoorziening. Het is daarmee niet ondenkbaar dat er voor deze wensen en
behoeften op een later moment alsnog financiële claims gedaan moeten worden om het
door de Kamer gewenste niveau van ondersteuning te kunnen leveren. Middelen die (nog)
niet besteed worden, vloeien terug naar het Ministerie van BZK, zoals ook het geval
is bij andere vormen van onderuitputting.
Vraag
De leden van de ChristenUnie-fractie hebben vragen over de uitgaven aan de DAO. Deze
dienst is de afgelopen jaren fors uitgebreid. In 2020 betrof het aantal medewerkers
40, in 2022 73, in 2024 83 en in 2025 92. In de geleidende brief lezen deze leden
dat er een meerjarig ingroeimodel is waardoor er structureel wordt geïnvesteerd voor
versterking van de DAO. Dat deze dienst, gezien het rapport van de werkgroep Versterking
functies Tweede Kamer, groeit is begrijpelijk en noodzakelijk. Echter hebben deze
leden vragen bij de omvang van de groei.
De omvang van de dienst is in een paar jaar tijd ruimschoots verdubbeld.
Deze leden vragen het Presidium om een nadere duiding van de aard en noodzaak van
deze sterke groei. Is deze sterke groei nog wel noodzakelijk gelet op de opkomst en
het toenemende gebruik van AI, ook in het Kamerwerk?
Antwoord
Voor een nadere duiding verwijst het Presidium naar de algemene inleiding en naar
de beantwoording van eerdere vragen hierover. Het gebruik van AI kan inderdaad leiden
tot een andere ondersteuningsbehoefte. Tegelijkertijd vraagt een veilig en verantwoord
gebruik van AI ook om nieuwe kennis en expertise, zowel bij DAO als bij andere diensten
en bij fracties. Een groot onderdeel van de versterking van de digitaal informatievoorziening
heeft dan ook als doel om vaardig in te kunnen spelen op nieuwe AI-ontwikkelingen
en innovaties en deze ook snel te kunnen vertalen naar relevante toepassingen die
aansluiten op het parlementaire proces. Door te kiezen voor een meerjarig ingroeimodel
kan hier ook goed en flexibel op ingespeeld worden en blijft samenhang tussen deze
twee sporen van het bestedingsplan geborgd.
Vraag
Deze leden lezen in de begrotingstoelichting dat de uitgaven aan de DAO (spoor 1),
bovenop de zeer sterke groei van afgelopen jaren, de komende jaren met 482% gaat groeien.
Deze leden vragen het Presidium een overzicht te verschaffen van de aantallen medewerkers
van DAO voor elk van de jaren tussen 2018 en 2025 en een prognose hiervan voor de
jaren 2026 tot en met 2031.
Aanvullend vragen zij het Presidium de noodzaak en invulling van de groei de komende
jaren nader uiteen te zetten.
Antwoord
Het Presidium herkent de vermeende groei van 482% van DAO niet. Er is, aan de hand
van een meerjarig ingroeimodel, voorzien in een groei van ongeveer 26%. Dit resulteert
in een uitbreiding met 24 fte in 2031. Voor de noodzaak en invulling van de investeringen
in DAO verwijst het Presidium naar de algemene inleiding en de eerdere vragen hierover.
Het huidige registratiesysteem P-Direkt gaat terug tot 2020. Op basis daarvan kan
het volgende overzicht worden gegeven van de aantallen medewerkers van DAO:
Jaar
2020
2021
2022
2023
2024
2025
2026
Fte
36
40
49
74
74
86
93
Het betreft overigens zowel vaste medewerkers als tijdelijke formatie in het kader
van de ondersteuning van parlementaire enquêtes. Onderdeel van deze ontwikkeling van
de formatie is ook de verplaatsing van de bestaande functiegroep EU-adviseurs van
de Griffies Commissies naar DAO in 2022. In het kader van de extra investeringen voor
de komende jaren wordt uitgegaan van een ingroeimodel waarbij de formatie van DAO
geleidelijk oploopt tot 117 fte in 2031. Het betreft dus een uitbreiding met 24 fte
over een periode van vijf jaar.
Vraag
Deze leden vragen het Presidium nader te duiden wat de extra investering van 10 miljoen
euro de komende jaren concreet gaat opleveren.
Antwoord
Het Presidium verwijst hierbij voor een uitgebreide toelichting naar de beantwoording
van eerdere gelijksoortige vragen, maar samenvattend kunnen de volgende concrete opbrengsten
voor fracties benoemd worden: snellere en voorspelbare levering van feitelijke en
specialistische analyses en onderzoeken die nauwer aansluiten op de parlementaire
agenda, meer capaciteit voor maatwerkvragen vanuit individuele Kamerleden en fracties,
verrijking en verbreding van producten door versterkte data-analyse, middelen om grote
hoeveelheden informatie te verwerken, toegang tot nieuwe en beter ontsloten datasets
en informatiebronnen, slimme(re) toepassingen van AI die de productiviteit verhogen
en verbeterde applicaties in een gebruiksvriendelijkere werkomgeving.
Vraag
Deze leden vragen het Presidium hoeveel van het budget van het ingroeimodel, zoals
uiteengezet in de tabel in de begrotingstoelichting, al een (structurele) bestemming
heeft en voor welk bedrag nog een exacte bestemming gezocht moet worden.
Hoeveel fte verwacht het Presidium extra te moeten aantrekken om het geld uit te kunnen
geven?
Antwoord
De structurele personele uitbreiding bedraagt circa 39 fte voor de uitbreiding van
DAO (24 fte) en de versterking van de digitale informatievoorziening (15 fte) gezamenlijk.
Inclusief een indicatieve doorwerking van 20% voor ondersteunende diensten komt de
totale formatieve uitbreiding uit op circa 47 fte. Deze uitbreiding wordt gefaseerd
gerealiseerd in de periode tot en met 2031 en groeit stapsgewijs door naar dit structurele
eindniveau, conform het gehanteerde ingroeimodel.
Vraag
Deze leden lezen in de geleidende brief dat het Presidium de mogelijkheid geeft om
per amendement het budget (deels) te gebruiken als aanvulling op de fractiegelden.
Klopt het dat het Presidium hier zelf niet voor heeft gekozen, maar er de voorkeur
aan geeft dit budget enkel te besteden aan de ambtelijke organisatie? Zo ja, waarom?
Waarom wordt er niet voor gekozen het geld evenredig te verdelen over de ambtelijke
organisatie en de fractiegelden, aangezien het zeker voor relatief kleine fracties
die volop meedoen aan het parlementaire proces een uitdaging is om voldoende ondersteuning
voor al dat werk te organiseren? Ondersteuning die bovendien onmogelijk kan worden
geboden door DAO.
Antwoord
Het Presidium verwijst naar de algemene inleiding voor een toelichting op de totstandkoming
van het bestedingsplan en de daarbij voorgehouden kaders voor de bestemming van deze
middelen. Met dit plan kan ervoor worden gezorgd dat de kennis- en onderzoeksfunctie
van de Kamer op een evenwichtige wijze wordt versterkt ten behoeve van de uitvoering
van de kerntaken van de Kamer. De dienstverlening wordt veelzijdiger, breder beschikbaar
en toegankelijker, wat aan alle fracties ten goede komt. Zoals gezegd ziet het Presidium
de behandeling van de Raming als een goede gelegenheid om het gesprek te voeren over
de vraag in welke mate de Kamer behoefte heeft aan welke vormen van ondersteuning.
De uitkomst hiervan kan inderdaad een evenredige verdeling van de middelen over de
fracties en ambtelijke organisatie zijn, zoals uitgewerkt in de varianten die zijn
geschetst in reactie op de vraag van de SGP-fractie. Het Presidium onderschrijft dat
DAO voorziet in een politiek-neutrale ondersteuning en dat fracties in aanvulling
daarop ook behoefte hebben aan een politieke vertaalslag, maar wijst er tegelijkertijd
op dat redelijkerwijs niet van fracties – en zeker niet van kleinere fracties – kan
worden verwacht alle voor het Kamerwerk benodigde specialistische kennis in huis te
hebben. Hierin kunnen beide vormen van ondersteuning dus complementair zijn. De versterking
en innovatie van de digitale informatievoorziening kan uiteraard niet door de fracties
worden gefaciliteerd.
Vraag
Deze leden vragen het Presidium om nadere duiding te geven bij de volgende teksten
uit de geleidende brief: «Dit versterkt o.a. de kennis- en informatiepositie van de Kamercommissies. Ook krijgt
DAO meer capaciteit om maatwerk te leveren voor vragen vanuit Kamerleden en fracties.» «Op deze manier ontwikkelt de Kamer een meer eigenstandige kennispositie.»
Wat is dit «maatwerk» dat nu niet geleverd kan worden, maar in de toekomst wel, zo
vragen zij. In hoeverre heeft de Kamer nu geen eigenstandige kennispositie? Heeft
het Presidium signalen dat er behoefte is aan een meer eigenstandige kennispositie
ten opzichte van de huidige situatie? Waar is dit op gebaseerd?
Antwoord
Naast de ondersteuning aan commissies en de Kamer wordt ook een beroep gedaan op DAO-medewerkers
door individuele leden en fracties. Daarvoor geldt nu een beperkte vorm van dienstverlening:
op feitelijke individuele vragen van leden of fracties wordt vanuit DAO alleen ondersteuning
geboden indien de capaciteit dit toelaat en de inschatting is dat voor de beantwoording
van de betreffende vragen niet meer dan vier uur benodigd zal zijn. Dit betekent dat
niet alle vragen in behandeling kunnen worden genomen. Om, in aanvulling op de commissieondersteuning,
te kunnen voldoen aan de behoefte van individuele Kamerleden en fracties aan kennisondersteuning,
wordt gericht geïnvesteerd in versterking van de huidige functiegroepen op terreinen
waar dat nodig is. Zo kan meer maatwerk worden geboden. Omdat meer kennis in huis
kan worden geleverd, wordt de Kamer minder afhankelijk van andere informatiebronnen
zoals van het kabinet en kan de eigenstandige kennispositie worden versterkt. Meer
eigenstandige, commissiebrede informatievergaring is ook een van de aanbevelingen
uit het rapport «Versterking functies Tweede Kamer».
Vraag
Deze leden vragen het Presidium ook te reflecteren op het onderzoek «Van overvloed
naar overzicht» van de Universiteit Leiden (Kamerstuk 28 362, nr. 85), waaruit blijkt dat Kamerleden maar beperkt gebruikmaken van de diensten van DAO.
In hoeverre zou een nog grotere groei van DAO in de komende jaren, ten opzichte van
de groei van afgelopen jaren, te rechtvaardigen zijn gezien de conclusies van dit
onderzoek?
Antwoord
Het Presidium constateert dat er in dit rapport zes aanbevelingen worden gedaan om
de informatiepositie van de Kamer structureel te versterken:
1. Verminderen en (beter) structureren van de informatiestroom: kortere, bondigere Kamerstukken
en systematische samenvattingen met duiding;
2. Verbeteren digitale infrastructuur: gebruiksvriendelijkere databases en veilige AI-toepassingen
voor ordening en ontsluiting van informatie;
3. Meer en beter gedeelde werkbezoeken: intensievere en gezamenlijke werkbezoeken, met
structurele verslaglegging om praktijkkennis beter en breder te benutten;
4. Versterken ondersteuning: uitbreiding van persoonlijke en fractieondersteuning en
versterking van Kamerdiensten als actieve informatiemakelaars;
5. Betere timing en gelijke toegang tot informatie: eerder aanleveren van stukken en
werken aan een gezamenlijke, partij-overstijgende feitenbasis;
6. Directere toegang tot ambtenaren: contacten met ambtenaren zonder tussenkomst van
een Minister of Staatssecretaris makkelijker maken.
Een deel van deze aanbevelingen houdt rechtstreeks verband met de werkzaamheden van
DAO en vraagt ook om uitbreiding van deze dienst als de Kamer hier structureel opvolging
aan wenst te geven. Zoals gezegd biedt het rapport van de Universiteit Leiden in combinatie
met recente rapporten van de Kamer zelf een goede basis om bij de behandeling van
de Raming het gesprek te voeren over de vraag in welke mate de Kamer behoefte heeft
aan welke vormen van ondersteuning.
Voor mogelijkheden om de Kamer meer gebruik te laten maken van de diensten en producten
van DAO verwijst het Presidium naar de beantwoording van de vergelijkbare vraag van
de fractie van D66.
Vraag
Een groot deel van het extra budget wordt ook gebruikt voor informatievoorziening,
zien deze leden in de begrotingstoelichting. In de geleidende brief staat hierover:
«Kamerleden en commissies krijgen hierdoor toegang tot nieuwe en beter ontsloten informatiebronnen».
Kan nader geconcretiseerd worden wat hiermee wordt bedoeld?
Antwoord
In de huidige situatie zijn de interne en externe informatiebronnen die de Kamerorganisatie
gebruikt in haar dagelijks werk groot in aantal en omvangrijk in grootte en gebouwd
voor het gebruik in vroeger tijden. Innovatieve (AI-, data- en cloud-) technologie
maakt het mogelijk om deze bronnen beter te ontsluiten, aan elkaar te relateren en
gebruiksvriendelijk te bevragen. Ook kan de data uit deze bronnen gebruikt worden
om nieuwe inzichten, analyses en zelfs voorspellingen te genereren. De mate van toegang
tot externe data- en informatiebronnen neemt razendsnel toe omdat veel (overheids-)organisaties
in toenemende mate hun data publiceren, ook mogelijk gemaakt door de nieuwe mogelijkheden
van technologie. Voor de Tweede Kamer is de betrouwbaarheid van de informatie die
gebruikt wordt van wezenlijk belang. Dat betreft zowel de externe informatie die benut
wordt bij de uitoefening van de verschillende parlementaire taken als de informatie
die in het parlementaire proces zelf geproduceerd wordt. Juist de toename van de datastromen
en informatiebronnen vraagt om investeringen die een veilig en verantwoord gebruik
van deze data en informatie faciliteren.
Daarom wordt in de moderne werkomgeving van de Tweede Kamer de mogelijkheid aangeboden
om op veilige en gecontroleerde wijze generatieve AI in te zetten bij de ondersteuning
van dagelijkse werkzaamheden zoals het schrijven, redigeren, samenvatten en vertalen
van teksten. Dit wordt, binnen de infrastructuur van de Tweede Kamer, zo ingericht
dat risico’s voor security en privacy zo veel mogelijk beperkt worden. Daarnaast heeft
de Tweede Kamer sinds enige tijd richtlijnen voor het gebruik van generatieve AI vastgesteld
en geïmplementeerd. Bij het gebruik van AI hoort ook een (verplichte) opleiding, om
de fractiemedewerkers en ambtenaren zo goed mogelijk voor te bereiden op de mogelijkheden
die AI biedt en nog gaat bieden.
3. Toekomstbestendige Kamerorganisatie
Vraag
Er wordt gewerkt aan het opstellen van een organisatievisie. Daarin wordt duidelijk
waar de Kamerorganisatie in 2030 wil staan. Hoe wordt het werken aan deze visie vormgegeven?
Worden er bijvoorbeeld gesprekken met mensen uit de organisatie en de fracties gevoerd?
Gaat deze visie alleen over de ambtelijke organisatie of ook over de fracties in de
Kamer? Wanneer zal deze visie, naar verwachting, gereed zijn?
Wat is in dezen de relatie met de Kamerbrede gedragscode, waar op dit moment aan wordt
gewerkt? In hoeverre zal in deze Kamerbrede gedragscode worden meegenomen dat leden
van de Kamer zich dienen te onthouden van gedragingen die het gezag of de waardigheid
van de Kamer schaden?
In hoeverre kan daarbij een onderscheid worden gemaakt tussen gedragingen in de Kamer,
gedragingen buiten de Kamer en gedragingen online? Graag krijgen de leden van de VVD-fractie
een reactie van het Presidium.
Antwoord
De organisatievisie 2030 is een missie- en visiedocument gericht op de ambtelijke
organisatie van de Tweede Kamer en ziet dus niet op de fracties. De visie is tot stand
gekomen met inbreng van een brede vertegenwoordiging uit de organisatie. Op dit moment
worden sessies georganiseerd om de visie binnen de hele ambtelijke organisatie onder
de aandacht te brengen. Nadat dit traject is afgerond, wordt de organisatievisie besproken
in het overleg met de ambtelijk secretarissen, die in zekere zin de link vormen tussen
de ambtelijke organisatie en de politiek. Vervolgens wordt het Presidium over de visie
geïnformeerd. Dit gebeurt naar verwachting na het zomerreces.
De organisatievisie gaat over de missie, visie en kernwaarden van de ambtelijke organisatie.
Een gedragscode ziet, zoals in de motie-Grinwis c.s. (Kamerstuk 36 714, nr. 15) is geformuleerd, op de omgangsvormen tussen Kamerleden onderling en richting ambtenaren
en fractiemedewerkers. De organisatievisie en een gedragscode hebben dan ook geen
directe relatie. Wel zijn beide (mede) geïnitieerd tegen de achtergrond van het belang
de sociale veiligheid binnen de Tweede Kamer te verbeteren.
De Kamerbrede gedragscode die op dit moment wordt uitgewerkt zal de in het maatschappelijk
verkeer geldende en collectief aanvaarde gedragsnormen beschrijven die niet toelaatbaar
zijn. Hierbij wordt aangesloten bij bestaande wet- en regelgeving die voor de werkvloer
relevante gedragsnormen bevatten. De code zal betrekking hebben op gedragingen van
Kamerleden, fractiemedewerkers en Kamerambtenaren in hun onderlinge samenwerking.
Dit kan gaan om gedragingen binnen en buiten de gebouwen van de Kamer en ook digitaal
via e-mails en sociale media.
Vraag
In 2025 is er in de Kamer geëxperimenteerd met het gebruik van generatieve artificiële
intelligentie. Dat experiment is inmiddels geëvalueerd. Hoe zal het gebruik van AI
in de Kamer verder vorm worden gegeven, zo vragen deze leden.
Antwoord
In 2025 heeft de Kamer een aantal experimenten uitgevoerd in de ambtelijke werkgroep
Generatieve AI. De leden van deze werkgroep, werkzaam binnen verschillende ambtelijke
diensten, hebben betaalde licenties voor generatieve AI gekregen om aan de hand van
verschillende use cases de mogelijkheden te onderzoeken.
Gedurende de experimenten tekende zich een duidelijk beeld af van verschillende manieren
om naar het gebruik ervan te kijken. Ten eerste is er het gebruik op individueel niveau,
waarbij het gaat om de inzet van GenAI ten behoeve van de persoonlijke productiviteit
van een medewerker. In de digitale werkomgeving levert GenAI dan ondersteuning van
de eigen productiviteit, de toegevoegde waarde blijft primair bij het individu. Voor
Kamerleden en fracties geldt dat zij sinds september 2025 een licentie voor productiviteits-AI
op de werkplekomgeving kunnen aanvragen.
Daarnaast kan generatieve AI een bijdrage leveren door een werkproces slimmer of efficiënter
te maken met inzet van GenAI, voor een groep Kamerleden, fractiemedewerkers, ambtenaren
en/of burgers. Denk hierbij aan de inzet van generatieve AI om grote hoeveelheden
parlementaire informatie te kunnen ontsluiten en doorzoeken, bijvoorbeeld door een
chatbot. Om generatieve AI goed te kunnen inzetten voor een dergelijke toepassing
is een projectmatige aanpak noodzakelijk waarin ethische aspecten en informatiebeveiligingsaspecten
zorgvuldig worden gewogen en meegenomen. Hiervoor wordt gedacht aan het gebruik van
een AI-oplossing van de Rijksoverheid, Vlam.ai. Vlam staat daarbij voor Veilige Lokale
AI-Modellen en is de naam van een project van het Ministerie van Binnenlandse Zaken
dat als doel heeft AI-modellen veilig, snel en schaalbaar naar productie te brengen
binnen de Rijksoverheid.
Vraag
De leden van de CDA-fractie hechten er waarde aan dat de Kamerorganisatie een lerende
organisatie is. Deze leden vermoeden dat onder (recent vertrokken) Kamerleden waardevolle
inzichtingen opgehaald kunnen worden over welke vormen van ondersteuning van waarde
zijn voor het goed functioneren van Kamerleden.
Daarom vragen deze leden of en hoe er geëvalueerd wordt onder Kamerleden van welke
vormen van ondersteuning zij het meest gebruikmaken, hoe zij verschillende vormen
van ondersteuning waarderen en van welke vorm van ondersteuning versterking nodig
is.
Antwoord
Om meer inzicht te krijgen in het gebruik van en de behoefte aan kennisondersteuning
wordt vanuit DAO geëxperimenteerd met periodieke behoeftepeilingen en klantenpanels.
Naar verwachting zullen ook oud-Kamerleden daarin plaatsnemen. Dit bevindt zich nog
in een pilotfase. Met deze werkwijze kunnen meer kwantitatieve en kwalitatieve inzichten
worden verkregen en kan beter worden bepaald hoe de dienstverlening zo goed mogelijk
kan worden aangesloten op de veranderende samenstelling, behoefte en werkwijze van
de Kamer, de commissies, leden en medewerkers. Bij een succesvolle afronding van de
pilot kan deze werkwijze mogelijk breder worden toegepast binnen de Kamerorganisatie.
Overigens worden reflecties en reacties op producten en instrumenten van DAO ook doorlopend
verzameld in de contacten die er zijn. Deze worden onderling uitgewisseld, vastgelegd
en op basis daarvan vinden ook tussentijds aanpassingen aan de dienstverlening plaats.
3.1 Sociale veiligheid
Vraag
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hechten veel waarde aan een veilige sociale
werkomgeving voor alle Kamerbewoners. Deze leden kijken dan ook met belangstelling
uit naar de Kamerbrede gedragscode.
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen hoe het staat met de uitvoering van de
motie-Grinwis inzake een gedragscode (Kamerstuk 36 714, nr. 15). Welke vorm krijgt deze en wanneer zal deze worden opgeleverd en geïmplementeerd?
Antwoord
Het Presidium heeft een aantal keren gesproken over de vorm en reikwijdte van een
Kamerbrede gedragscode. Het Presidium heeft de voorkeur uitgesproken om een gedragscode
uit te werken die beschrijft wat wordt beschouwd als ongewenste omgangsvormen. Voor
de beschrijving van deze normen zal worden aangesloten bij de geldende wet- en regelgeving
die voor de werkvloer relevante gedragsnormen bevat, zoals de arbeidsomstandighedenwet-
en regelgeving waarin is gedefinieerd wat onder agressie, geweld en discriminatie,
pesten en (seksuele) intimidatie wordt verstaan. De gedragscode wordt aangevuld met
een meld- en klachtregeling.
De motie Grinwis c.s. strekt tot het instellen van een «Kamerbrede gedragscode». Dat
wil zeggen dat deze binnen en tussen alle groepen Kamerbewoners van toepassing is:
Kamerleden, kamerambtenaren en fractiemedewerkers. Een gezamenlijke code voor alle
Kamerbewoners verbetert de kenbaarheid en duidelijkheid van het beleid over ongewenste
omgangsvormen.
Voor een Kamerbrede gedragscode zal de meld- en klachtprocedure voor de verschillende
groepen Kamerbewoners verschillend moeten worden ingericht. De regeling zal er rekening
mee dienen te houden dat Kamerleden een bijzondere, autonome, staatsrechtelijke positie
hebben en dat het werkgeverschap van fractiemedewerkers en ambtenaren verschillend
is belegd. Uitgangspunt van de regeling zal in elk geval zijn dat ongewenst gedrag
eerst op laagdrempelige en informele wijze bespreekbaar wordt gemaakt binnen de fractie
of de ambtelijke organisatie.
Het Presidium heeft in zijn vergadering van 12 mei 2026 ingestemd met de verdere uitwerking
van een Kamerbrede gedragscode ongewenste omgangsvormen en een daarbij behorende meld-
en klachtprocedure zoals hierboven omschreven. In het najaar van 2026 hoopt het Presidium
een eerste concept van een regeling verder te kunnen bespreken. Het streven is om
volgend jaar een voorstel voor een Kamerbrede gedragscode aan de Kamer voor te leggen.
Het is vervolgens aan de Kamer om hier over te beraadslagen en te besluiten.
3.2 Arbeidsmarkt in transitie
Vraag
De leden van de CDA-fractie lezen dat er in 2026 een medewerkersonderzoek wordt uitgevoerd
om inzicht te krijgen in thema’s als werkdruk, inclusie, leiderschap en sociale veiligheid.
Voor deze leden is het van belang dat de medewerkers zich op hun gemak voelen in de
omgang met Tweede Kamerleden. Zij vragen of in het onderzoek hier ook aandacht aan
besteed wordt.
Antwoord
In het medewerkersonderzoek zal de beleving rondom verhoudingen en omgangsvormen ambtelijk-politiek
aan bod komen.
4. Werkwijze van de Kamer
Vraag
De leden van de D66-fractie merken op dat er sinds een aantal maanden een nieuw inschrijfsysteem
is voor plenaire debatten na afloop van de regeling van werkzaamheden. In plaats van
inschrijving in de zaal dienen leden zich bij het vallen van de hamer digitaal in
te schrijven voor debatten.
Deze leden vragen wat de eerste ervaringen zijn met dit inschrijfsysteem. Zij merken
zelf op dat het, in ieder geval in de eerste weken, leek voor te komen dat ook aanmeldingen
ingediend vóór de hamerslag geaccepteerd werden. Het systeem van digitaal inschrijven
is minder transparant dan inschrijven in de zaal. Wat waren de beweegredenen om van
dit systeem af te stappen, zo vragen zij.
Antwoord
Er is geen sprake van een nieuw inschrijfsysteem voor plenaire debatten. Van oudsher
konden leden zich al (laten) inschrijven via e-mail, en dat was ook altijd de meest
gebruikte methode. Inschrijvingen worden voortdurend verwerkt in Parlis, zodat ook
voor debatten die nog niet zijn gepland een stand van zaken op te vragen is. Wat wel
veranderd is, is dat dit de enige methode is geworden. Voorheen konden leden zich
ook tijdens de regeling van werkzaamheden op dinsdag inschrijven aan het rostrum bij
het sprekershandboek.
Alle leden zijn op 28 november 2025 geïnformeerd over deze verandering. Daarbij is
toegelicht dat het in de plenaire zaal in toenemende mate onrustig werd rond het proces
van inschrijven en dat er sprake was van rijvorming en gedrang. Dit werkte zeer verstorend
voor de plenaire vergadering en maakte dat deze werkwijze niet langer wenselijk was.
De ervaringen sindsdien zijn positief; het is voor fracties duidelijk wanneer er ingeschreven
kan worden (op het moment dat de regeling van werkzaamheden is afgelopen) en de inschrijvingen
worden op de kortst mogelijke termijn verwerkt in het Parlementaire Informatiesysteem
zodat iedereen de sprekersvolgorde van debatten zelf kan raadplegen.
Vraag
Een van de aanbevelingen uit het rapport «Voor een Kamer die Werkt» van de werkgroep-Kamminga
is het evalueren van het nieuwe appreciatiekader van moties. De leden van de VVD-fractie
vragen naar de stand van zaken van deze evaluatie.
Antwoord
Het huidige appreciatiekader moties is op 19 november 2024 ingegaan. Doel van deze
wijziging is om te komen tot een meer eenduidige definitie van de appreciaties. Daarbij
kan het aangepaste kader een bijdrage leveren aan het terugdringen van het aantal
moties.
Het Presidium heeft de Kamer op 24 september 2025 via een brief geïnformeerd over
de wijze waarop vorm wordt gegeven aan de implementatie van de aanbevelingen van de
werkgroep «Voor een Kamer die Werkt» (Kamerstuk 36 673, nr. 6). Aangegeven is dat er doorlopend aandacht is voor het appreciatiekader, onder meer
door het kader te bespreken tijdens de overleggen die de Voorzitter regulier heeft
met de Minister-President en de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.
Ook in het informatieboekje dat dit jaar aan de nieuwe bewindspersonen is uitgereikt
wordt aandacht besteed aan het appreciatiekader.
Gezien de relatief korte tijd waarin het nieuwe appreciatiekader wordt toegepast heeft
er nog geen evaluatie plaatsgevonden. De Voorzitter laat dit jaar onderzoeken of het
appreciatiekader aan de verwachtingen voldoet van zowel Kamerleden als bewindspersonen.
Vraag
Tijdens een wetgevingsoverleg op 9 maart jongstleden is er door een van de aanwezige
Kamerleden gevraagd om de avondschorsing gelijktijdig te laten plaatsvinden met de
aanvang van de iftartijd. Dit ordevoorstel is behandeld conform artikel 8.10, derde
lid, van het Reglement van Orde. Deze leden hebben de brief daarover van de Voorzitter
d.d. 31 maart 2026 gelezen. Wat deze leden betreft, is het onwenselijk als tijdens
plenaire vergaderingen, commissiedebatten en andere Kamerbijeenkomsten ordevoorstellen
worden gedaan vanwege iftar of andere religieuze activiteiten. Schorsingen kunnen
om die redenen wat hen betreft niet plaatsvinden. Naar de mening van deze leden is
religie een privéaangelegenheid. Religieuze activiteiten horen dan ook niet thuis
in de Kamer. In dezen moet de Kamer neutraliteit betrachten, want zij vertegenwoordigt
immers het gehele Nederlandse volk.
Antwoord
Op grond van artikel 8.4 van het Reglement van Orde besluit de Voorzitter (of de commissievoorzitter
bij toepassing in een commissievergadering) tot het schorsen of sluiten van de vergadering,
indien hij dit met het oog op het verloop van de werkzaamheden of voor het handhaven
van de orde wenselijk acht. Het schorsen met het oog op het verloop van de werkzaamheden
kan daarbij bijvoorbeeld plaatsvinden om gelegenheid te geven tot onderling beraad
of alleen maar om een korte rust toe te staan.2
Vanuit het oogpunt van neutraliteit past het daarbij thans niet dat op initiatief
van de Voorzitter tot een schorsing vanuit religieuze redenen wordt overgegaan. Artikel
8.10, derde lid, van het Reglement van Orde biedt individuele leden echter ook de
mogelijkheid op dit punt een voorstel van orde te doen, waarbij geen inhoudelijke
beperkingen gelden. De bepaling sluit dus niet uit dat een lid vanuit religieuze redenen
om een schorsing verzoekt, waarvan bij het betrokken wetgevingsoverleg sprake was.
De Voorzitter is niet verplicht een dergelijk ordevoorstel direct toe te wijzen, waarbij
de Kamer zich dan over de kwestie kan uitlaten. De Kamer(meerderheid) heeft hierbij
dan de mogelijkheid om zich uit te spreken over de vraag of zij hiervoor ruimte wil
bieden, en kan een dergelijk verzoek dus ook (standaard) afwijzen. Wanneer de Kamermeerderheid
zich echter achter het ordevoorstel schaart, zal de Voorzitter daar vanuit zijn neutrale
positie naar handelen.
Vraag
De leden van de BBB hebben nog een opmerking over de brief van het Presidium inzake
de regels omtrent een religieuze schorsing, in dit geval een iftar. Zij constateren
dat het Reglement van Orde een dergelijke schorsing niet verbiedt. Tegelijkertijd
zijn zij van mening dat het faciliteren van religieuze momenten niet tot de kerntaken
van de Kamer behoort. De Kamer is er voor wetgeving en controle en dient daarin neutraal
en verbindend te opereren.
Het Presidium roept de Kamer op om zich hierover uit te spreken. Deze leden geven
in ieder geval aan dat zij een aanpassing van het Reglement van Orde op dit punt het
overwegen waard vinden, om duidelijkheid te scheppen voor de toekomst. Zij vragen
de Voorzitter welke mogelijke nadelen of onbedoelde gevolgen een dergelijke aanpassing
met zich mee zou kunnen brengen, zowel praktisch als staatsrechtelijk.
Antwoord
Het naar aanleiding van het betrokken incident in een wetgevingsoverleg reglementair
blokkeren van een schorsing of ordevoorstel op religieuze grond, kan de vraag oproepen
wat daaronder precies moet worden verstaan, alsmede of er op grond van incidenten
nog andere inhoudelijke bijzondere gronden kunnen zijn om schorsingen of ordevoorstellen
standaard uit te sluiten. Dergelijke clausules kunnen de flexibele toepassing van
de bepaling daarbij ook in de weg gaan staan. Verder blijkt uit de gang van zaken
bij het betrokken wetgevingsoverleg dat de meningen op dit punt verdeeld zijn, wat
ook wordt onderschreven door de betrokken Presidiumbrief (Kamerstuk 36 919, nr. 4). Hierdoor zijn vraagtekens te plaatsen bij het draagvlak voor (en de bestendigheid
van) een dergelijk wijzigingsvoorstel. Echter, het staat ieder lid vrij om, alleen
of met andere leden, een voorstel tot wijziging van het Reglement van Orde in te dienen.
Vraag
De leden van de SGP vragen het Presidium naar aanleiding van recente ophef over een
iftarschorsing om toe te lichten hoe wordt omgegaan met een beroep op religieuze verplichtingen
en gewoonten in de organisatie en de agenda van de Kamer.
Kan het Presidium bevestigen dat in de recentere parlementaire geschiedenis niet op
bijzondere wijze rekening is gehouden met bijvoorbeeld bijzondere gebedsdagen en dat
er geen reden is om tot wijziging van de staande praktijk te komen dat dit vooral
aan de individuele verantwoordelijkheid van de Kamerleden wordt overgelaten?
Hoe wil het Presidium eraan bijdragen dat dit hierover voldoende duidelijkheid bestaat
binnen de Kamer en dat bijvoorbeeld niet opnieuw discussie ontstaat in commissievergaderingen?
Antwoord
Er is in de recente geschiedenis niet op bijzondere wijze rekening gehouden met bijvoorbeeld
bijzondere gebedsdagen, anders dan de officiële feestdagen. Leden die aandacht wilden
besteden aan voor hen bijzondere gebedsdagen hebben op eigen wijze invulling te geven
aan hun (deels) afwezigheid.
Vraag
De leden van de ChristenUnie-fractie hebben kennisgenomen van de brief van het Presidium
over de schorsing tijdens het wetgevingsoverleg Integratie en maatschappelijke samenhang.
Deze leden lezen in de brief dat in het Presidium geen overeenstemming is bereikt
over de te nemen maatregelen. Zij achten het bijzonder ongewenst dat een vergadering
wordt geschorst vanwege een religieuze activiteit van één van de aanwezige leden bij
een vergadering. Zij begrijpen dat over een dergelijk voorstel de Kamer c.q. commissie
altijd besluit of het ordevoorstel wordt gehonoreerd.
Zij vragen of het huidig Reglement van Orde een mogelijkheid biedt voor de Voorzitter
van de Kamer of de voorzitter van een commissie om een verzoek voor een dergelijke
schorsing te kunnen weigeren? Zo nee, moet het Reglement van Orde hierop worden aangescherpt?
Op welke wijze zou het Reglement van Orde kunnen worden aangescherpt om schorsingen
voor religieuze activiteiten te voorkomen?
Antwoord
Zoals eerder is vermeld in dit verslag, beslist de Voorzitter (onderscheidenlijk commissievoorzitter)
op grond van artikel 8.4 van het Reglement van Orde over een schorsing, en is hij
niet gehouden om een ordevoorstel van een lid ex artikel 8.10, derde lid, standaard
toe te wijzen. Wanneer de Kamermeerderheid zich echter achter een dergelijk ordevoorstel
schaart, zal de Voorzitter daar vanuit zijn neutrale positie naar handelen.
Indien men dit in het Reglement van Orde wenst uit te sluiten, zal dit betrekking
hebben op artikel 8.4 (voor zover wordt aangeknoopt bij de schorsing) en/of 8.10 (voor
zover wordt aangeknoopt bij ordevoorstellen). Het Presidium verwijst voor wat betreft
een eventuele aanscherping van het Reglement van Orde naar de beantwoording bij de
hiervoor gestelde vraag van de BBB-fractie.
Vraag
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hechten aan het goede parlementaire debat.
Deze leden vinden het daarom belangrijk dat de Kamer inhoudelijke debatten kan voeren
waarin de regering zo goed mogelijk kan worden gecontroleerd en Kamerleden onderling
een goed inhoudelijk debat kunnen voeren. Deze leden vinden het van belang dat er
voldoende mogelijkheid is om tijdens het debat interrupties te kunnen plegen. Bij
de afgelopen begrotingsbehandelingen was het echter niet bij alle begrotingen op een
gelijk manier mogelijk omdat bij de ene begrotingsbehandeling het aantal interrupties
niet werd beperkt en bij andere begrotingsbehandelingen juist wel. Zij zouden het
goed vinden als voor alle begrotingsbehandelingen dezelfde regel wordt gehanteerd.
Graag ontvangen zij op dit punt een reactie van het Presidium.
Antwoord
Artikel 8.11 van het Reglement van Orde kent aan de Voorzitter de bevoegdheid toe
om interrupties toe te staan. Deze moeten bestaan uit korte opmerkingen of vragen,
zonder inleiding. De voorzitter van het betreffende debat kan een keuze maken voor
het vaststellen
van een aantal interrupties, per vraag of cluster van vragen, ervoor kiezen om geen
beperking op te leggen maar bijvoorbeeld strenger te handhaven op bondigheid van de
interrupties. Daarbij kan bijvoorbeeld een maximumtijd per interruptie ook een hulpmiddel
zijn. De keuze van de voorzitter kan van debat tot debat verschillen. De woordvoerders
worden bij aanvang van het debat meegenomen in deze keuze.
Vraag
Een ander element waar deze leden graag aandacht voor vragen is de geregelde uitloop
van de regeling van werkzaamheden omdat hier soms uitgebreide verzoeken worden geformuleerd
en reacties op de verzoeken soms ook halve debatinbrengen zijn. Zij zouden het goed
vinden als bij de regeling van werkzaamheden meer aandacht komt voor een korte en
bondige procedurele gang van zaken.
Antwoord
Het is van belang dat verzoeken bij de regeling van werkzaamheden toegelicht kunnen
blijven worden. De Voorzitter ziet daarbij «enkele zinnen» als toelaatbaar. Hier zal
ook richting de leden nog eens aandacht voor gevraagd worden. Een reactie aan de interruptiemicrofoon
dient daarbij ook kort en bondig te zijn. Overigens zij opgemerkt dat veel verzoeken
wel degelijk vlot passeren en dat het aantal verzoeken per regeling van werkzaamheden
sterk kan variëren, waardoor de ene regeling van werkzaamheden aanzienlijk langer
duurt dan de andere.
Vraag
Het is geen geheim dat de leden van de CDA-fractie van mening zijn dat de Kamer zorgvuldig
en behoedzaam om dient te gaan met haar instrumenten. Deze leden hebben dan ook met
tevredenheid gelezen dat het Presidium in haar geleidende brief beaamt dat zeker bij
het intrument motie overdaad kan schaden. Wat zij echter missen, zijn voorstellen
om die zorgvuldigheid in de praktijk meer handen en voeten te geven. Kan hier verder
op worden ingegaan?
Antwoord
Het Presidium wijst erop dat het bij uitstek ook aan de Kamerleden en -fracties is
om te werken aan een cultuur waarbij instrumenten zorgvuldig worden ingezet. Het is
van belang het gesprek te blijven voeren over het effectief inzetten van onze parlementaire
instrumenten, het instrument van de motie is hier één van. De oplossing om het grote
aantal moties terug te dringen hoeft niet alleen gezocht te worden in het aanpassen
van reglementen en procedures. Het gaat met name om de wijze waarop wij met onze instrumenten
omgaan.
4.1 Vergaderen in de regio
Vraag
De leden van de BBB-fractie danken het Presidium voor de uitwerking van de door BBB-fractie
ingediende motie om commissiedebatten in de regio mogelijk te maken. Voor deze leden
is dit geen symbolisch punt. Te vaak wordt beleid gemaakt op afstand van de praktijk,
terwijl de gevolgen juist in de regio het hardst worden gevoeld. Het verheugt deze
leden dan ook dat binnen de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken inmiddels een
voorbereidingsgroep actief is om het voorstel van het Presidium nader uit te werken,
en te komen tot een voorstel voor een commissiedebat in de regio.
Naar aanleiding van de motie van de leden Wijen-Nass en Vijlbrief heeft het Presidium
besloten in 2026 twee keer te experimenteren met een commissievergadering in de regio.
Bij de volgende Raming zal de Kamer worden geïnformeerd over de opgedane ervaringen.
De leden van de VVD-fractie vragen het Presidium of er een inschatting van de kosten
kan worden gemaakt. Wat zullen die kosten zijn? Overigens vragen deze leden in hoeverre
de veiligheid van Kamerleden, Kamerpersoneel en medewerkers van Kamerfracties kan
worden gegarandeerd. In hoeverre kan hetzelfde niveau van veiligheid als in het gebouw
van de Kamer worden geborgd? Graag krijgen zij een reactie van het Presidium.
Antwoord
Vergaderen in de regio vraagt om extra inzet van ambtelijke capaciteit, met name van
de Griffies Commissies, het Bureau Beveiligingsautoriteit, de Beveiligingsdienst,
de Bodedienst, de Stafdienst Communicatie, de Facilitaire Dienst en de Dienst Verslag
en Redactie. Daarnaast brengt vergaderen in de regio extra kosten met zich mee, met
name voor transport/reizen, beveiliging, faciliteiten en techniek.
Deze diensten dienen op de betreffende locatie capaciteit in te zetten voor het mogelijk
maken en ondersteunen van de vergadering in de regio volgens de vereiste standaarden
(van openbaarheid, verslaglegging, veiligheid, etc.) die ook gelden voor de vergaderingen
in het Kamergebouw. Voor deze diensten zal dan ook rekening moeten worden gehouden
met extra personele capaciteit van ongeveer 19 fte en de daarmee gepaard gaande kosten
van ongeveer € 10.000. Ook dient rekening te worden gehouden met reis- en mogelijk
verblijfskosten. Voor de overige diensten geldt dat de personele kosten binnen de
bestaande capaciteit lijken te vallen. Ten slotte zullen eenmalig extra kosten voor
techniek en aanschaf materiaal moeten worden gemaakt om de fysieke veiligheid van
deelnemers en aanwezigen (waaronder één of twee scanstraten), de openbaarheid en verslaglegging
via de livestream te kunnen garanderen tussen de € 10.000 en € 20.000.
Vergaderingen in de regio vinden uitsluitend plaats op locaties die al beschikken
over voldoende basisvoorzieningen, waaronder een voor de leden, genodigden en publiek
geschikte vergaderzaal, stabiele internetverbinding, basisvoorzieningen voor audiovisuele
ondersteuning en voldoende ruimte voor veiligheidsmaatregelen. Deze locaties zullen
(ruim) van tevoren worden verkend door de betrokken diensten, zoals het Bureau Beveiligingsautoriteit,
de Facilitaire dienst en de Beveiligingsdienst.
De veiligheidsdriehoek zet zich altijd in om Kamerbewoners voldoende veilig het werk
te laten doen. Zo ook bij vergaderingen in de regio. De specifieke maatregelen die
nodig zijn hiervoor, zijn echter afhankelijk van de lokale context. Hiervoor schakelt
Bureau Beveiligingsautoriteit Tweede Kamer met zijn veiligheidspartners op nationaal,
regionaal en lokaal niveau en treft in samenwerking met alle betrokkenen vervolgens
die maatregelen die nodig zijn voor de voornoemde veilige werkomgeving. Dit vergt
mogelijk extra inzet.
Gelet op het bovenstaande heeft het Presidium besloten de vaste Kamercommissies de
mogelijkheid te geven een uitgewerkt voorstel voor het vergaderen in de regio aan
het Presidium voor te leggen, inclusief een kostenoverzicht. In 2026 kunnen, in de
vorm van een pilot, twee vergaderingen in de regio plaatsvinden. Het Presidium wacht
met belangstelling het voorstel van de commissie Binnenlandse Zaken af.
5. Integrale veiligheid in de Tweede Kamer
5.1 Weerbaarheid Kamer
Vraag
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vernemen graag wanneer het Presidium de Kamer
nader kan informeren over de uitwerking dan wel vervolgstappen van het programma weerbaarheid
dat in opdracht van de Griffier gestart is.
Antwoord
In het licht van de geopolitieke ontwikkelingen van de afgelopen jaren krijgt het
onderwerp weerbaarheid bijzonder veel aandacht, zowel nationaal als internationaal.
Ook het Presidium vindt het van groot belang dat de Tweede Kamer zo goed mogelijk
voorbereid is op uiteenlopende dreigingen en proactief maatregelen treft om de continuïteit
van het democratische proces ook in buitengewone omstandigheden te waarborgen. Op
de recente conferentie van Parlementsvoorzitters in Kopenhagen, waar namens de Tweede
Kamer de ondervoorzitter en Griffier aanwezig waren, was continuïteit en veiligheid
in tijden van hybride dreigingen en parlementaire kwetsbaarheden ook een belangrijk
onderwerp. De verschillende parlementen hebben ervaringen uitgewisseld met het tijdig
onderkennen van hybride dreigingen en het versterken van fysieke en digitale veiligheid,
zonder daarbij afbreuk te doen aan democratische principes als openbaarheid, transparantie
en publieke toegankelijkheid. Ook op ambtelijk niveau vindt er regelmatig uitwisseling
van kennis en ervaring over dit onderwerp plaats.
Het Presidium spreekt nog voor het zomerreces over de voortgang van het programma
weerbaarheid en zal op basis hiervan ook de Kamer bij dit onderwerp betrekken, in
eerste instantie via de commissie voor de Werkwijze. Binnen het programma weerbaarheid
is de afgelopen periode intensief gewerkt aan de concretisering van enkele dreigingsscenario’s
(o.a. op basis van de verslechtering van de internationale veiligheidssituatie en
een toename van de hybride en militaire dreiging voor Nederland), de beschikbaarheid
van fysieke uitwijklocaties en noodcommunicatievoorzieningen. Momenteel wordt in kaart
gebracht welke gerichte investeringen en aanvullende maatregelen noodzakelijk zijn
om effectief voorbereid te zijn op deze dreigingsscenario’s. Dit betreft naast fysieke
en digitale maatregelen ook het voorbereiden van alle Kamerbewoners op deze scenario’s,
het oefenen hiervan en de daarbij op te stellen protocollen en communicatie. Het Presidium
zal de Kamer met name betrekken bij keuzes die gemaakt moeten worden over de besluitvormingsstructuur
in buitengewone omstandigheden en over maatregelen die rechtstreeks ingrijpen op het
reguliere parlementaire proces.
6. Huisvesting Tweede Kamer
Vraag
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vinden het belangrijk dat de Kamer gastvrij
is naar bezoekers. Deze leden constateren dat met name in de avonduren wanneer er
vergaderingen zijn, maar het Statenlokaal gesloten is er amper mogelijkheden zijn
voor bezoekers om iets te drinken. Welke mogelijkheden ziet het Presidium om in de
Statenpassage bijvoorbeeld een koffie/thee/water voorziening te plaatsen zodat bezoekers
ook tijdens avonddebatten iets kunnen drinken?
Antwoord
Op het verzoek van het Presidium heeft het Restaurantbedrijf in maart een koffiemachine
geplaatst in de Statenpassage. Hier kunnen in de avonduren wanneer het Statenlokaal
is gesloten, naast gekoelde frisdranken en snacks nu ook warme diverse dranken worden
gekocht. Gekoeld kraanwater is gratis.
7. Overig
Vraag
De leden van de D66-fractie merken op dat tijdens verkiezingsrecessen bepaalde Kamerfaciliteiten
hetzelfde rooster draaien als tijdens reguliere recessen. Meer dan tijdens reguliere
recessen zijn veel medewerkers in het pand aanwezig en maken zij lange dagen, waarop
zij juist graag gebruikmaken van de faciliteiten zoals het restaurant en koffiecorner
op de derde verdieping. Wat is de reden dat deze faciliteiten sluiten tijdens verkiezingsrecessen,
zo vragen deze leden. Is het mogelijk om deze open te houden in die periodes?
Antwoord
Tijdens alle recessen zijn het Statenrestaurant en het Statenlokaal in principe geopend
en kan gebruik worden gemaakt van de vergaderservice. Door werkzaamheden, zoals onderhoud
en/of renovatie die niet tijdens reguliere vergaderweken kan plaatsvinden, kan het
echter voorkomen dat deze faciliteiten tijdens een reces gesloten zijn.
Het rooster is erop ingericht dat medewerkers van het Restaurantbedrijf met name buiten
de reguliere vergaderweken, en dus ook tijdens het verkiezingsreces, de mogelijkheid
hebben om verlof op te nemen. Hierdoor kan het Restaurantbedrijf het personeel tijdens
vergaderweken efficiënt inzetten. Het afgelopen jaar is de Kamer meerdere keren tussentijds
teruggekeerd van reces. Ook op die dagen heeft het Restaurantbedrijf al extra inzet
moeten verrichten om faciliteiten te bieden. Het openen van extra faciliteiten tijdens
recessen betekent dat er extra medewerkers moeten worden aangetrokken of aanvullend
personeel moet worden ingehuurd.
Vraag
Deze leden vragen waar de verdeling van recesweken over het jaar op is gebaseerd.
Zo heeft de Kamer drie weken reces rondom de kerstdagen en de jaarwisseling, maar
één week rondom de voorjaarsvakantie. Dit terwijl in heel Nederland de schoolvakantie
rond kerst en de jaarwisseling twee weken duurt, terwijl de voorjaarsvakantie een
vakantiespreiding over twee weken heeft. Dat heeft als gevolg dat de Kamer vergadert
terwijl het in een groot deel van Nederland vakantie is. Daarnaast is dit lastig voor
Kamerleden met schoolgaande kinderen die vakantie hebben in de week dat de Kamer geen
reces heeft en vice versa. Welke mogelijkheden zijn er om het kerstreces met een week
in te korten en deze week bij het voorjaarsreces te betrekken?
Antwoord
Het Presidium stelt in het najaar telkens de recesdata voor het volgende parlementair
jaar vast. Daarbij wordt rekening gehouden met de schoolvakantiedata zoals die zijn
vastgesteld door het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Het Presidium
stelt daarbij inderdaad een derde recesweek volgend op de kerstvakantie vast. De indruk
is daarbij dat leden deze recesweek waarderen, juist om het parlementaire werk weer
gedegen voor te bereiden en waarbij er ruimte is voor fractieactiviteiten en het afleggen
van werkbezoeken.
In de Regeling vaststelling schoolvakanties 2025–2030 is er voor de meivakantie één
verplichte week. Scholen zijn zelf bevoegd om daar een week aan te voegen voorafgaand
of direct na die verplichte week. De praktijk laat zien dat scholen daar verschillend
mee omgaan, zelfs binnen gemeentegrenzen en met verschillen tussen basisonderwijs
en voortgezet onderwijs. In antwoord op de vraag van voornoemde leden zou de Kamer
met een Kameruitspraak het Presidium kunnen verzoeken niet langer een derde kerstrecesweek
vast te stellen en deze recesweek te voegen aan de voorjaarsvakantie, zodat dat reces
in totaal twee weken duurt en het zowel de voorgaande als de nakomende week van de
officiële vakantiedatum betreft.
Vraag
Deze leden lezen dat binnen de politieke artikelen 8,7 miljoen euro voor wachtgelduitkeringen
wordt toegevoegd als gevolg van een groter beroep op de wachtgeldregeling door vertrekkende
en niet herkozen Kamerleden. Zij constateren dat er Kamerleden zijn die zeggen tijdelijk
ontslag te nemen om andere werkzaamheden te verrichten en zich «laten vervangen».
Van deze Kamerleden stelt een deel geen gebruik te maken van de wachtgeldregeling,
maar die claim kan niet worden gecontroleerd. Het tijdelijk terugtreden als Kamerlid
is een vreemde figuur die zich volgens deze leden niet laat rijmen met de ambtseed
(tenzij het formeel verlof betreft of er duidelijk sprake is van ziekte), maar is
al helemaal niet uit te leggen als er gebruik zou worden gemaakt van wachtgeld. Dat
geldt ook voor de «vervanger» die recht zou hebben op wachtgeld als deze het daarvoor
vereiste minimaal aantal maanden Kamerlid is geweest. Dit fenomeen is echter lastig
te bestrijden als men niet kan controleren of er daadwerkelijk gebruik kan worden
gemaakt van wachtgeld. Welke mogelijkheden ziet het Presidium om hier toch enige vorm
van toezicht op uit te oefenen, zo vragen zij.
Antwoord
Het Presidium stelt vast dat de huidige wettelijke regeling voor wachtgelden (uitkering
via Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers) niet voorziet in mogelijkheden om
hierop toezicht uit te oefenen of dit nader te reguleren. Voor eventuele aanpassing
is wijziging van wet- en regelgeving nodig.
Vraag
Deze leden constateren dat bij de stemmingen met enige regelmaat sprake is van stakende
stemmen. Zij constateren tevens dat er in het geval van stakende stemmen vaak direct
voor een tweede keer bij handopsteken en aansluitend hoofdelijk wordt gestemd. Dit
is veelal een tijdrovende exercitie.
Zij vragen op welke regel in het Reglement van Orde deze praktijk gebaseerd is. Op
grond van paragraaf 8.3.2 van het Reglement van Orde kan worden volstaan met stemmen
bij handopsteken.
Zij vragen of bij stakende stemmen bij handopsteken alleen kan worden overgegaan tot
hoofdelijk stemmen indien een lid daartoe actief verzoekt en het voorstel anders niet
wordt aangenomen.
Antwoord
Het Presidium acht dit een interessant vraagstuk en zal de commissie voor de Werkwijze
verzoeken dit te onderzoeken en daarover de Kamer te informeren.
Vraag
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vinden het belangrijk dat jongeren in aanraking
komen met de instituties van de democratische rechtsstaat. Het werk van ProDemos is
daarin van belang. Deze leden hebben afgelopen jaar een motie ingediend (Kamerstuk
36 714, nr. 14) waarin het Presidium verzocht werd om het Ministerie van BZK en het Ministerie van
Justitie en Veiligheid (JenV) in overleg te treden met als doel om de activiteiten
van ProDemos voort te laten zetten. In de Raming zijn de middelen voor ProDemos vanuit
de Kamer voor de komende periode tot en met 2031 opgenomen. Zij lezen in reactie op
de aangenomen motie dat de middelen vanuit het kabinet tot 2027 geborgd zijn, maar
dat de afspraken voor de periode vanaf 2027 nog niet helder zijn.
Wat is de stand van zaken nu? Is het Presidium bereid om opnieuw met BZK en JenV te
bezien hoe de activiteiten van ProDemos structureel geborgd kunnen worden?
Antwoord
Aan de motie is uitvoering gegeven middels een overleg tussen de Griffier van de Tweede
Kamer en de secretaris-generaal van het Ministerie van BZK in 2025. Eerder dit jaar
is een amendement-Sneller/Meulenkamp aangenomen op de begroting van het Ministerie
van BZK voor 2026 dat voorziet in extra middelen voor ProDemos om haar kerntaken te
continueren en verder uit te breiden (Kamerstuk 36800-VII, nr. 93). Dit betreft een structurele investering van 1,5 miljoen, waarmee de activiteiten
van ProDemos na 2027 dus ook zijn geborgd. In algemene zin is het Presidium ook van
mening dat de financiering van ProDemos beter geadresseerd kan worden bij de behandeling
van de begroting van het Ministerie van BZK dan bij de behandeling van de Raming.
Vraag
De leden van de CDA-fractie vragen om een stand van zaken rondom de evaluatie van
de dienstauto van de Griffier.
Antwoord
De voorziening voor het woon-werk en werk-werkverkeer van de Griffier wordt na afloop
van de leaseovereenkomst van de dienstauto geëvalueerd. Deze overeenkomst is in 2025
afgesloten en heeft een looptijd van drie jaar. De evaluatie zal in 2028 plaatsvinden.
Vraag
Deze leden zouden graag nader inzicht hebben in de buitenlandse reiskosten van Kamerleden.
Specifiek vragen zij of aangegeven kan worden hoeveel geld er is uitgegeven aan vluchten
naar het buitenland voor Kamerleden, uitgesplitst in eerste en tweede klas, en of
hierbij aangegeven kan worden om hoeveel vluchten dit gaat.
Antwoord
Kamerleden volgen voor hun buitenlandse reizen grotendeels de richtlijnen die zijn
vastgelegd in de CAO Rijk, die als norm geldt voor reiskosten.
Hieronder vindt u het totale aantal buitenlandse reizen in 2025 en de bijbehorende
kosten die door de Kamerleden zijn gemaakt. Deze zijn per type reis onderverdeeld
in verschillende klassen.
Soort
Aantal
Bedrag
Vliegen
157
€ 345.943
Trein
143
€ 45.278
Totaal
300
€ 391.221
Vliegreizen
Class
Aantal
Bedrag
Businessclass
52
€ 266.270
Economy Class
100
€ 66.171
Premium Economy Class
5
€ 13.502
Totaal
157
€ 345.943
Treinreizen
Class
Aantal
Bedrag
1st Class
142
€ 44.124
2nd Class
1
€ 1.154
Totaal
143
€ 45.278
Vraag
Deze leden vragen welke inzet er vanuit de organisatie gepleegd wordt op leefstijl
van de Kamerbewoners. Met onder andere de onregelmatige werktijden en veelal zitgebonden
werkomgeving is de Kamer immers niet in alle opzichten een gezonde werkomgeving.
Deze leden vragen of er signalen bekend zijn van medewerkers die veelvuldig dienst
draaien in de plenaire zaal over de verlichtingstechniek in de plenaire zaal in relatie
tot een natuurlijke dag-en-nachtcyclus.
Antwoord
Veiligheid, gezondheid en welzijn (psychosociale arbeidsbelasting) staan hoog op de
agenda van de Tweede Kamerorganisatie. Er is een vastgesteld arbeidsomstandighedenbeleid.
Zo bestaan bijvoorbeeld voor veiligheid (o.a. sociale veiligheid en bedrijfshulpverlening
(BHV)), voor preventie, verzuim, en re-integratie (verzuimbeleid) en voor welzijn
(beleid ongewenste omgangsvormen) aparte beleidsstukken. Onder meer het Arbojaarplan
en programmaplan Sociale Veiligheid beschrijven activiteiten ter invulling hiervan
evenals het actieplan van de Risico Inventarisatie en Evaluatie (RI&E).
Preventiemedewerkers werken met collega’s uit de Tweede Kamerorganisatie die een taak
uitoefenen in de uitvoering van het arbeidsomstandighedenbeleid zoals de Ondernemingsraad,
BHV, stafdienst HR en het zorgteam van Bedrijfszorg. Er zijn onder meer diverse toolboxen
beschikbaar, er worden werkplekonderzoeken uitgevoerd, ter bevordering van de vitaliteit
worden geregeld lunchwandelingen en pilateslessen georganiseerd en kunnen medewerkers
meedoen aan activiteiten in de week van de vitaliteit. Ook worden er geregeld maatregelen
genomen op basis van meldingen/aanbevelingen uit de RI&E op het gebied van gezondheid
en welzijn. Team Bedrijfszorg, bestaande uit onder meer een bedrijfsarts, een bedrijfsmaatschappelijk
werker en een Arbodeskundige, adviseert werknemers en de Tweede Kamerorganisatie als
werkgever over gezondheid, veiligheid en welzijn op het werk.
Bij de preventiemedewerkers zijn geen vragen of signalen bekend van medewerkers over
de verlichtingstechniek in de plenaire zaal in relatie tot een natuurlijke dag- en
nachtcyclus noch in relatie tot andere onderwerpen.
Vraag
Gastvrijheid is voor de leden van de BBB-fractie een kernwaarde. De Kamer moet een
toegankelijke plek zijn voor iedere Nederlander. In dat licht vragen deze leden aandacht
voor een ogenschijnlijk klein, maar betekenisvol punt: het verstrekken van een muntje
voor koffie aan bezoekers. Dit was in het verleden gebruikelijk, maar is inmiddels
afgeschaft. Kan het Presidium toelichten waarom hiervoor is gekozen? Is het Presidium
bereid te bezien of dit soort laagdrempelige vormen van gastvrijheid heringevoerd
kunnen worden? Juist dit soort gebaren maken dat mensen zich welkom voelen in hun
eigen parlement.
Antwoord
Voorheen werd op dinsdagmiddag het zogenaamde petitiemuntje uitgedeeld bij de overhandiging
van petities in de Statenpassage. Met dit muntje kon men in het Statenlokaal koffie
of thee krijgen. Het Presidium is het met de vragensteller eens dat dit een klein
gebaar van gastvrijheid is. De kosten hiervan zijn ook beperkt aangezien het bij petitieoverhandigingen
op de dinsdag om een relatief klein aantal bezoekers gaat, namelijk gemiddeld 50 personen.
Het Presidium heeft het Restaurantbedrijf daarom gevraagd om voorbereidende maatregelen
te treffen om het petitiemuntje na het zomerreces weer in te voeren.
Vraag
De leden van de SGP-fractie vragen hoe het Presidium reflecteert op de grote verschillen
die bestaan in de termijnen van de beantwoording van schriftelijke vragen door de
verschillende ministeries.
In hoeverre wordt gerichte actie ingezet om bijvoorbeeld een top vijf van wanpresteerders
tot verbetering te bewegen? Deze leden wijzen erop dat er departementen zijn die zowel
een zeer laag percentage kennen van vragen die binnen de gestelde termijn zijn beantwoord
als een hoog percentage antwoorden die meer dan een maand buiten de gestelde termijn
worden aangeleverd. Welke rol wil het Presidium vervullen om verbetering aan te jagen
en hoe kan de ervaring van departementen die het juist heel goed doen hierbij van
nut zijn?
Antwoord
Het Presidium merkt op dat elke maandag een lijst wordt gepubliceerd van schriftelijke
vragen die buiten de daarvoor geldende termijn nog niet beantwoord zijn. Ook worden
alle betrokken departementen daarover ambtelijk wekelijks gerappelleerd. In de publicatie
Staat van de Kamer wordt jaarlijks cijfermatig, per ministerie, in kaart gebracht
op welk moment schriftelijke vragen zijn beantwoord.
In alle kennis- en voortgangsgesprekken die de Voorzitter voert met bewindspersonen
staat dit onderwerp ook op de agenda. De Voorzitter is voornemens, zoals ook in 2025
dreigde te gebeuren, extra mondelinge vragenuren te organiseren zodat niet op tijd
beantwoorde schriftelijk vragen daar aan bod kunnen komen. Om te voorkomen dat bewindspersonen
zich daarnaar gaan richten, in plaats voor structureel aandacht voor tijdige beantwoording,
is het voornemen daar geen vaste momenten voor in te richten maar slechts kort tevoren
mededeling van te doen. Een en ander laat onverlet dat leden nu al de mogelijkheid
hebben en houden om niet tijdig beantwoorde schriftelijke vragen aan te melden voor
het reguliere mondelinge vragenuur.
Vraag
Deze leden hebben gezien dat de Kamer fysiek te ontoegankelijk is voor mensen in een
rolstoel. Voor het huis van de democratie was het beschamend dat bij een debat over
het gehandicaptenbeleid er geen ruimte was voor bezoekers in een rolstoel het debat
fysiek bij te kunnen wonen.
Zij vragen het Presidium de aangenomen motie van het lid Bikker (Kamerstuk 36 800 XVI, nr. 183) met spoed op te pakken en verbeteringen aan te brengen. Zij vragen het Presidium
naar de stand van zaken en de planning voor uitvoering van deze motie.
Antwoord
Het Presidium onderschrijft het belang van voldoende plekken voor mensen met een rolstoel
in de commissiezalen, zeker bij debatten die over hen gaan, waarbij zij directe betrokkenheid
hebben. Op dit moment is er in de grote commissiezalen plek voor twee rolstoelen.
Formeel gezien wordt hiermee voldaan aan de ITS-normen.3 Bij de meeste debatten is dit aantal toereikend, maar bij een debat dat veel mensen
uit de doelgroep willen bijwonen volstaat dit niet.
Op de huidige locatie is de ruimte om meer integraal toegankelijke plekken in de commissiezalen
te realiseren beperkt. Als van tevoren bekend is dat een groter aantal bezoekers met
een rolstoel een debat zou willen bijwonen, kunnen wel specifieke aanpassingen worden
gedaan. Het Presidium heeft de Facilitaire Dienst verzocht om, in afstemming met de
Stafdienst Communicatie en de Dienst Beveiliging, in ieder geval de volgende opties
in kaart te brengen:
• de perstafel in de grotere commissiezalen tijdelijk laten verwijderen;
• een meer afgeschermde meeluisterruimte in de Statenpassage creëren;
• een belendende commissiezaal inrichten als meeluisterruimte;
• de Max van der Stoelzaal voor de gelegenheid inrichten als commissiezaal.
Het Presidium heeft daarbij verzocht om per optie inzicht te geven in het aantal plaatsen
dat daarmee wordt gecreëerd voor bezoekers met een rolstoel, de praktische uitvoerbaarheid,
de daarvoor benodigde inzet van personeel en financiële middelen en de consequenties
voor de beveiliging. Zodra dit overzicht beschikbaar is, zal het Presidium een keuze
maken om uitvoering te geven aan de gewenste verbeteringen.
Vraag
Deze leden merken op dat de Tweede Kamer in het verleden deelnemer was van de Nationale
Prokkelstagedag, een stage voor één dag voor iemand met een beperking bij een bedrijf
of organisatie. Veel andere vergelijkbare organisaties, zoals de Eerste Kamer en veel
ministeries, doen hier jaarlijks aan mee. De Tweede Kamer doet nu al een aantal jaar
niet mee en ook dit jaar niet.
Deze leden vragen het Presidium toe te lichten waarom zij hieraan niet deelneemt en
of zij dit besluit wil heroverwegen en alsnog wil deelnemen aan de nationale Prokkelstagedag
op 4 juni aanstaande.
Antwoord
De Tweede Kamer heeft inderdaad vele jaren met veel plezier meegewerkt aan de Prokkelstagedag.
Op een gegeven moment is ervoor gekozen om niet meer deel te nemen, omdat het steeds
moeilijker werd om een en ander rond te krijgen. Met name voor de fracties bleek het
moeilijk om deel te nemen. Met het oog daarop is het accent toen verlegd naar de begeleiding
van mensen met een arbeidsbeperking binnen de ambtelijke organisatie zelf.
Gelet op de korte termijn gaat het niet meer lukken om mee te werken aan de Prokkelstage
op 4 juni aanstaande. Het Presidium laat nagaan of het mogelijk is om in 2027 weer
deel te nemen. Dat zal dan vooral gericht zijn op een stage bij de afdelingen binnen
de ambtelijke organisatie. Gepeild zal worden of ook de fracties kans zien om hieraan
mee te doen.
Indieners
-
Indiener
A. Kisteman, voorzitter van de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken -
Medeindiener
G.C. Honsbeek, griffier