Inbreng verslag schriftelijk overleg : Inbreng verslag van een schriftelijk overleg inzake reactie op verzoek commissie over het rapport 'Je bent maar een kind, je durft gewoon niet'
2026D24636 INBRENG VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
In de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport bestond bij enkele fracties
behoefte een aantal vragen en opmerkingen voor te leggen aan de Minister van Langdurige
Zorg, Jeugd en Sport over de brief d.d. 7 april 2026 inzake Reactie op verzoek commissie
over het rapport «Je bent maar een kind, je durft gewoon niet» (Kamerstuk 31 839, nr. 1147).
De voorzitter van de commissie,
Mohandis
Adjunct-griffier van de commissie,
Sjerp
Inhoudsopgave
I. Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de SP-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de Groep Marcuszower
II. Reactie van de Minister
I. Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van de reactie op het rapport «Je
bent maar een kind je durft gewoon niet» over de klachtenbehandeling in de residentiële
jeugdhulp.
De leden van de D66-fractie hechten groot belang aan een goed werkend klachtrecht
in de jeugdzorg, als belangrijke vorm van rechtsbescherming voor jeugdigen en ouders.
Deze leden stellen vast dat de Minister het belang hiervan onderschrijft en erkent
dat jeugdigen en ouders zich veilig en vrij genoeg moeten voelen om misstanden aan
te kaarten en dat het klachtrecht laagdrempelig en toegankelijk moet zijn.
De leden van de D66-fractie lezen dat de Minister aangeeft dat het gesprek met betrokken
organisaties is gestart en dat de Kamer voor de zomer van 2026 via de reguliere jeugdzorgbrief
wordt geïnformeerd over het vervolg. Deze leden constateren echter dat de reactie
van de Minister niet geheel concreet is over welke aanbevelingen uit het rapport worden
overgenomen en op welke termijn dit gebeurt. Zij vragen de Minister toe te lichten
welke gesprekken tot nu toe hebben plaatsgevonden, wat daaruit is voortgekomen, en
wanneer besluitvorming over de aanbevelingen wordt verwacht.
De leden van de D66-fractie wijzen erop dat zowel het rapport van de Kinderombudsman
als het AEF-onderzoek concrete aanbevelingen voor wetswijzigingen bevatten. Deze leden
vragen de Minister voor elk van de vier door het AEF aanbevolen wetswijzigingen aan
te geven of zij bereid is een wetgevingstraject te starten, en zo nee, waarom niet.
De leden van de D66-fractie lezen dat de Kinderombudsman aanbevelingen doet om het
klachtrecht laagdrempeliger en toegankelijker te maken voor jongeren, onder meer door
hen standaard en begrijpelijk te informeren over de mogelijkheid een klacht in te
dienen en door klachtkanalen aan te laten sluiten op hun behoeften, zoals de mogelijkheid
online en anoniem een klacht in te dienen. Deze leden vragen de Minister welke stappen
worden gezet om deze aanbevelingen te realiseren.
De leden van de D66-fractie lezen dat de Minister verwijst naar Jeugdstem als waarborg
voor ondersteuning van jongeren bij klachttrajecten. Tegelijkertijd signaleert de
Kinderombudsman dat het voor jongeren lang niet altijd duidelijk is wat de rol van
de vertrouwenspersoon is. Deze leden vragen de Minister hoe zij borgt dat jongeren
in residentiële instellingen daadwerkelijk weten wat Jeugdstem voor hen kan betekenen,
en op welke wijze dit wordt getoetst.
De leden van de D66-fractie constateren dat de Kinderombudsman een veilig pedagogisch
klimaat als voorwaarde noemt voor jongeren om klachten in te durven dienen, maar dat
de Minister hier in haar reactie nauwelijks op ingaat. Zij vragen de Minister welke
instrumenten zij heeft om instellingen aan te spreken op hun pedagogisch klimaat en
hoe toezicht hierop door de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd is geborgd.
De leden van de D66-fractie constateren dat er bij het melden van misstanden bij kinderen
en jongeren in de residentiële jeugdhulp nog te vaak gestart wordt met de vraag «is
dit inderdaad gebeurd?», in plaats van «we gaan er van uit dat het gebeurd is, tenzij».
Deze leden achten een wezenlijke cultuurverandering gewenst, zodat we onze kinderen
en jongeren beter kunnen beschermen, waarbij deze leden het «ja, tenzij» principe
gepast achten wanneer er misstanden gemeld zijn in de residentiële jeugdhulp. Hoe
kijkt de Minister hiernaar?
Tot slot constateren de leden van de D66-fractie dat de Minister aangeeft dat zij
voor de uitvoering van de aanbevelingen afhankelijk is van andere partijen. Deze leden
vragen de Minister te verduidelijken hoe zij invulling geeft aan haar stelselverantwoordelijkheid.
Daarnaast vragen de leden van de D66-fractie hoe de Minister uitvoering geeft aan
haar eindverantwoordelijkheid voor de implementatie van de aanbevelingen uit beide
rapporten, en of de Minister bereid is de Kamer te informeren over welke aanbevelingen
wanneer zijn uitgevoerd.
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het rapport
en de kabinetsreactie. Zij hebben hierover nog enkele vragen en opmerkingen.
De Minister geeft aan dat er gesprekken zijn gestart over de aanbevelingen met «betrokken
organisaties» zoals brancheorganisaties in het jeugddomein en de VNG. Kan de Minister
specificeren met welke organisaties zij gaat spreken de komende periode?
In het rapport staat op bladzijde 16 dat jongeren weinig met de klachtprocedure hebben.
Op bladzijde 25 noemt Janna de procedure «heel onpersoonlijk». Jongeren willen bespreken
wat er gebeurd is en wat er aan de hand is met iemand die zij vertrouwen. Het lijkt
nu alsof dit niet mogelijk is, wat is hiervoor de reden?
De leden van VVD-fractie staan voor vertrouwen in de zorg- en hulpverlener. Zij staan
het dichts bij kwetsbare jongeren. Het is belangrijk dat professionals in staat zijn
om hun werk te doen en deze jongeren te helpen. Deelt de Minister de mening dat autonomie
voor en vertrouwen in de professional hierin cruciaal is en zo ja, welke stappen gaat
zij zetten om ervoor te zorgen dat zorg- en hulpverleners hun werk kunnen doen?
Het onderzoek stelt dat klachtenprocedures te ingewikkeld zijn. Op pagina 17 staat
ook dat lange procedures omtrent klachten ook niet aansluiten bij de leefwereld van
jongeren. Dat een klachtprocedure lang duurt is ook een grote drempel om zo'n procedure
te starten. Kan de Minister inzage geven in het proces van een klacht en de afhandeling
daarvan? Welke maatregelen worden er ingezet om klachten snel en zorgvuldig af te
handelen? Wordt er door de Minister nagedacht om de algemene klachtprocedure onder
artikel 4.21 in de Jeugdwet te voorzien van een termijn? Zo nee, waarom niet?
In het rapport op pagina 23 wordt gesteld dat er nog steeds soortgelijke drempels
en belemmeringen spelen als in 2016. Hoe komt het dat het domein niet voldoende in
staat is geweest de aanbevelingen te implementeren?
Een van de aanbevelingen uit het rapport «Eenzaam gesloten» is om de Inspectie Gezondheidszorg
en Jeugd (IGJ) ook te laten spreken met jongeren die langer geleden op een gesloten
afdeling verbleven. De leden van de VVD-fractie vragen wat er is gebeurd met deze
aanbeveling. Met hoeveel jongeren is er sindsdien gesproken? Lukt het de IGJ deze
inzichten te gebruiken in het verbeteren van het toezicht?
In de beantwoording van de schriftelijke vragen van het lid Wendel1 over het bericht dat jongeren in de jeugdzorg niet durven klagen over misstanden
wordt gesteld dat het de taak van de IGJ is om toe te zien of een jeugdhulpaanbieder
beschikt over een klachtenprocedure die voldoet aan de Jeugdwet. Hoe vaak worden er
misstanden geconstateerd? Hoe is dit ontwikkeld in de afgelopen vijf jaar? Is de IGJ
toegerust om dit te handhaven?
Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben kennisgenomen van de kabinetsreactie
op het rapport van de Kinderombudsman «Je bent maar een kind, je durft gewoon niet».
Hier hebben zij nog enkele vragen en opmerkingen over.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zouden allereerst hun waardering willen uitspreken
voor het feit dat het rapport een begrijpelijke samenvatting bevat voor jongeren.
Het is immers van groot belang dat ook jongeren wie dit aangaat voldoende betrokken
worden. Daarom is het extra belangrijk dat het rapport ook een begrijpelijk overzicht
bevat van de adviezen aan jeugdhulporganisaties, zodat jongeren ook weten waar zij
recht op hebben.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat de Kinderombudsman stelt dat een
goede eerstelijnsklachtbehandeling bekend, begrijpelijk en toegankelijk moet zijn.
Zij onderstrepen dit en zouden in het kader daarvan graag willen vragen hoe in de
praktijk ervoor gezorgd wordt dat dit ook echt zo is, met name voor jongeren met een
(verstandelijke) beperking of die niet het Nederlands volledig machtig zijn. Daarnaast
zouden deze leden graag ook aandacht willen vragen voor jongeren die geen formele
klacht durven of kunnen indienen. Welke mogelijkheden zijn er om informele signalen
en ervaringen structureel mee te nemen in het toezicht?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie maken zich zorgen over de (rechts)positie
van jongeren in de residentiële jeugdhulp. Zij willen benadrukken dat juist jongeren
die vaak al meerdere ingrijpende ervaringen hebben doorgemaakt, moeten kunnen rekenen
op een veilige en toegankelijke klachtenprocedure. Kan nader toegelicht worden welke
oorzaken ten grondslag liggen aan het feit dat veel jongeren nog steeds aangeven dat
zij bang zijn voor repercussies als zij een klacht indienen? Op welke concrete wijze
wordt gewerkt aan het bevorderen van de ervaren veiligheid als een jongere een klacht
heeft? Hoe wordt gemonitord of instellingen daadwerkelijk een veilige meld- en klachtcultuur
stimuleren? Worden jongeren zelf hier ook bij betrokken? Daarnaast wijzen genoemde
leden erop dat vaak wordt ervaren dat klachten die wel worden gemeld, vervolgens binnen
dezelfde organisatie behandeld worden/blijven. Welke mogelijkheden ziet de Minister
om ervoor te zorgen dat jongeren klachten laagdrempelig ook buiten de eigen zorgorganisatie
kunnen melden? Waar kunnen jongeren klachten indienen en ligt hierin een mogelijke
rol voor de gemeente?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie onderstrepen het belang van het inzichtelijk
maken van de (interne) klachtbehandeling en hechten in het kader daarvan belang aan
het onderzoek van de Kinderombudsman. Hoeveel interne klachten zijn er sinds 2025
ingediend binnen de residentiële jeugdhulp? Op welke wijze zijn deze klachten afgehandeld?
Hoeveel externe klachten zijn er sinds 2025 ingediend over de residentiële jeugdhulp?
Op welke wijze zijn deze klachten afgehandeld? Welke mogelijkheden heeft de IGJ om
in te grijpen wanneer instellingen onvoldoende een veilige klachtprocedure borgen?
Hoe vaak is hiervan de afgelopen jaren sprake geweest?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat er in het rapport meerdere malen
wordt verwezen naar (de rol van) Jeugdstem. Zij onderstrepen het belang van het werk
wat Jeugdstem verricht. In 2025 heeft Jeugdstem € 186.000 ontvangen om het toegenomen
aantal gezinshuizen te bezoeken. Voor 2026 had Jeugdstem opnieuw een aanvraag gedaan,
maar deze werd afgewezen. Het lid Westerveld had hiertoe ook eerder bij de begrotingsbehandeling
van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 2026 een amendement ingediend om deze middelen
alsnog beschikbaar te stellen. Genoemde leden betreuren dat deze destijds is verworpen
en constateren dat hierdoor de continuering van de bezoeken aan de 140 gezinshuizen
niet mogelijk is zonder korting op de inzet voor de ondersteuning van (pleeg)ouders,
waar al lange wachtlijsten zijn. Klopt het dat er een korting doorgevoerd zal worden
op de inzet voor de ondersteuning van (pleeg)ouders? Zo nee, op welke wijze wordt
toch budget vrijgemaakt voor de bezoeken? Zo ja, op welke concrete wijze zal de Minister
voorkomen dat de wachtlijsten nog verder zullen oplopen, met negatieve gevolgen voor
de adequate en snelle hulpverlening en de veiligheid van kinderen? Is de Minister
bereid om alsnog in overleg te treden met Jeugdstem om te kijken hoe zij hen kunnen
ondersteunen bij het uitvoeren van de bezoeken? Genoemde leden constateren namelijk
dat ook een ander amendement van het lid Westerveld voor extra middelen voor de personeelskosten
van Jeugdstem, helaas verworpen is. Deelt de Minister de mening dat deze personeelstekorten
ook kunnen zorgen voor onveilige situaties? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke concrete
maatregelen zullen genomen worden om deze tekorten tegen te gaan? Deze leden wijzen
er tevens op dat naast de stagnatie van hulpverlening, met onveilige situaties als
gevolg, dit vervolgens ook gepaard gaat met trajecten voor klachtondersteuning. Dergelijke
trajecten zijn enorm complex en tijdrovend.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat er inmiddels een gesprek is gestart
met de betrokken organisaties over de aanbevelingen uit het rapport. Kan de Minister
reflecteren op elk van de aanbevelingen en kunnen aangeven welke concrete maatregelen
er al genomen worden om de uitvoering van deze aanbevelingen te realiseren? Kan tevens
nader worden toegelicht op welke wijze de Minister uitvoering zou kunnen geven aan
elk van deze aanbevelingen? Welke verantwoordelijkheid, taken en rol ziet de Minister
voor zichzelf in het implementeren van de aanbevelingen? Op welke wijze worden jongeren
en ervaringsdeskundigen betrokken bij deze gesprekken en de verdere uitwerking van
verbeteringsmogelijkheden? Hoe wordt voorkomen dat participatie en het nemen van maatregelen
vrijblijvend blijft?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen in het rapport dat er nu al steeds vaker
vrijheidsbeperkende maatregelen worden toegepast in de open setting terwijl daar geen
wettelijke basis aan ten grondslag ligt. Deze leden vinden dit extreem zorgwekkend
en wijzen graag op het feit dat de inzet van dergelijke maatregelen enorm ingrijpend
zijn en traumatiserend kunnen zijn voor jongeren. Tevens wijzen zij op de eerder gestelde
schriftelijke vragen door het lid Westerveld over de inzet van vrijheidsbeperkende
maatregelen en hulpmiddelen (28 januari 2026)2. Kan de Minister een schatting maken van hoe vaak het sinds de af- en ombouw van
de gesloten jeugdhulp is voorgekomen dat er vrijheidsbeperkende maatregelen zijn ingezet
in de open setting terwijl daar geen wettelijke basis aan ten grondslag lag? Welke
oorzaken zijn er voor het steeds vaker inzetten van dergelijke vrijheidsbeperkende
maatregelen binnen de open setting?
Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie
De leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van het rapport van de Kinderombudsman
«Je bent maar een kind, je durft gewoon niet» en de reactie van de Minister daarop.
De leden van de PVV-fractie zijn geschrokken van de constatering dat jongeren in de
residentiële jeugdhulp zich nog altijd onvoldoende veilig voelen om hun stem te laten
horen, hun onvrede te uiten of een klacht in te dienen. Zij constateren dat de Kinderombudsman
tien jaar na het eerdere rapport opnieuw concludeert dat het klachtrecht in de praktijk
nog steeds niet goed genoeg werkt. Deze leden vinden dat ernstig. Juist jongeren die
niet thuis kunnen wonen, afhankelijk zijn van begeleiding en soms te maken krijgen
met vrijheidsbeperking, moeten kunnen rekenen op stevige rechtsbescherming.
De leden van de PVV-fractie constateren dat de Minister in haar reactie erkent dat
klachtrecht een belangrijke vorm van rechtsbescherming is, maar vervolgens vooral
verwijst naar gesprekken met betrokken organisaties en naar een later moment waarop
de Kamer nader wordt geïnformeerd. Deze leden vragen de Minister waarom zij niet nu
al concreet aangeeft welke aanbevelingen van de Kinderombudsman worden overgenomen.
Ook vragen zij de Minister per aanbeveling aan te geven of zij deze overneemt, gedeeltelijk
overneemt of niet overneemt, en daarbij steeds te motiveren waarom.
De leden van de PVV-fractie constateren dat jongeren volgens de Kinderombudsman vaak
niet durven te klagen, omdat zij zich afhankelijk voelen, bang zijn voor gevolgen
of weinig vertrouwen hebben dat er iets met hun verhaal gebeurt. Deze leden vragen
de Minister hoe zij gaat voorkomen dat jongeren formeel wel een klachtrecht hebben,
maar dit in de praktijk niet durven te gebruiken. Ook vragen zij hoe wordt getoetst
of jongeren zich daadwerkelijk veilig en vrij genoeg voelen om onvrede of klachten
te uiten.
De leden van de PVV-fractie constateren dat de Kinderombudsman wijst op het belang
van snelle, begrijpelijke en transparante klachtbehandeling. Jongeren moeten weten
waar zij terechtkunnen, wat er met hun klacht gebeurt en waarom bepaalde afwegingen
worden gemaakt. Deze leden vragen de Minister of zij bereid is minimumnormen vast
te leggen voor klachtprocedures in de residentiële jeugdhulp, waaronder begrijpelijke
informatie voor jongeren, duidelijke termijnen, verplichte terugkoppeling en een kindvriendelijke
procedure. Zo nee, waarom niet?
De leden van de PVV-fractie constateren dat de Kinderombudsman aanbeveelt om klachtkanalen
beter te laten aansluiten bij de leefwereld van jongeren, bijvoorbeeld door online
klachten of feedback mogelijk te maken en jongeren de mogelijkheid te geven anoniem
signalen af te geven. Deze leden vragen de Minister of zij bereid is te bevorderen
dat iedere residentiële jeugdhulpinstelling beschikt over een laagdrempelige, kindvriendelijke
en digitale route voor klachten, meldingen en signalen.
De leden van de PVV-fractie constateren dat jongeren vaak meer behoefte hebben aan
een goed gesprek dan aan een formele klachtenprocedure. Tegelijkertijd wijst de Kinderombudsman
erop dat informele klachtbehandeling het risico kent dat signalen niet worden geregistreerd,
waardoor organisaties onvoldoende leren van patronen. Deze leden vragen de Minister
hoe zij ervoor gaat zorgen dat informele signalen, gesprekken en meldingen niet uit
beeld verdwijnen. Genoemde leden vragen tevens of de Minister bereid is te regelen
dat instellingen periodiek patronen uit formele klachten en informele signalen analyseren
en bespreken met management, jongerenraad en toezichthouder.
De leden van de PVV-fractie constateren dat de Kinderombudsman pleit voor structurele
vormen van inspraak, zoals jongerenraden, mentorgesprekken, groepsgesprekken, anonieme
vragenlijsten en exitgesprekken. De kabinetsreactie vermeldt dat met jeugdigen wordt
gesproken als onderdeel van de kinderrechtentoets, maar gaat niet concreet in op structurele
inspraak binnen instellingen zelf. Deze leden vragen de Minister of zij bereid is
jongerenraden, periodieke gesprekken over veiligheidsbeleving en exitgesprekken als
norm op te nemen voor residentiële jeugdhulp.
De leden van de PVV-fractie constateren dat het rapport verschijnt tegen de achtergrond
van de afbouw van gesloten jeugdhulp en de discussie over vrijheidsbeperkende maatregelen
in open residentiële settings. Deze leden vragen de Minister hoe zij voorkomt dat
jongeren in open settings in de praktijk wel te maken krijgen met vergaande beperkingen,
maar niet met even stevige rechtsbescherming. Zij vragen de Minister welke extra waarborgen
zij noodzakelijk acht voordat vrijheidsbeperkende maatregelen in open residentiële
jeugdhulp wettelijk mogelijk worden gemaakt.
De leden van de PVV-fractie constateren tot slot dat de Minister schrijft dat over
de aanbevelingen het gesprek is gestart en dat de Kamer voor de zomer van 2026 nader
wordt geïnformeerd. Deze leden vragen de Minister of zij in die brief een concreet
verbeterplan zal opnemen, met per aanbeveling een besluit, een tijdpad, verantwoordelijke
partijen, benodigde randvoorwaarden en wijze van toezicht. Ook vragen zij de Minister
toe te zeggen dat deze brief niet opnieuw blijft steken in proces, overleg en voornemens,
maar duidelijk maakt wat jongeren op de groep concreet gaan merken van deze aanbevelingen.
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
De leden van de CDA-fractie maken graag gebruik van de mogelijkheid vragen te stellen
over het rapport van de Kinderombudsman en de brief van de Minister inzake de reactie
op verzoek commissie over het rapport «Je bent maar een kind, je durft gewoon niet».
De leden van de CDA-fractie hechten waarde aan de stem van het kind, waaronder de
stem van kinderen in de jeugdzorg. Het klachtrecht is een belangrijk middel om deze
stemmen daadwerkelijk te horen. Deze leden vinden de bevindingen van de Kinderombudsman
in het rapport «je bent maar een kind, je durft gewoon niet» dan ook zorgelijk. Binnen
het jeugdzorgsysteem zijn jongeren kwetsbaar. Genoemde leden vinden het problematisch
dat het klachtsysteem hieraan bijdraagt, want het klachtrecht moet er juist voor zorgen
dat ze gehoord worden.
Het is goed dat de Minister het gesprek heeft gestart met de betrokken organisaties
over de knelpunten, waarbij bevindingen uit het eerder uitgekomen AEF-rapport «onderzoek
klachtbehandeling bij organisaties in het jeugdzorgdomein» worden besproken. De leden
van de CDA-fractie willen de Minister vragen om niet enkel met betrokken organisaties
in gesprek te gaan, maar ook expliciet te spreken met de jongeren die slachtoffer
zijn van het niet optimaal functionerende klachtsysteem. Kan de Minister dit toezeggen?
De leden van de CDA-fractie zijn blij om te lezen dat de Minister het belang van het
klachtrecht, waarin de stem van het kind en van de ouders gehoord wordt, inziet. De
rol van Jeugdstem hierin is mooi, maar zoals het rapport van de Kinderombudsman aantoont,
is een aanpassing van de klachtprocedure vereist om de stem van kinderen in de jeugdzorg
niet alleen te horen, maar ook te gebruiken om de jeugdzorg zelf te verbeteren. Is
de Minister voornemens de klachtprocedure op onderdelen aan te passen?
Het rapport van de Kinderombudsman bevestigt bevindingen uit het AEF-rapport: klachtprocedures
zijn te ingewikkeld en duren te lang; jongeren en ouders ervaren angst voor negatieve
gevolgen na een klacht; en er heerst een gebrek aan vertrouwen dat de klacht iets
oplevert. Dat laatste zien we ook terug in het gegeven dat klachten nog beperkt worden
gebruikt voor kwaliteitsverbeteringen. Ingediende klachten worden niet behandeld op
een wijze waarin patronen worden herkend, doorbroken en verbeterd. Volgens de leden
van het CDA-fractie moeten klachten juist gebruikt worden om de jeugdzorg te verbeteren.
Dit gebeurt nu onvoldoende. Welke stappen neemt de Minister om erop toe te zien dat
jeugdzorginstanties veranderingen doorvoeren op basis van een patroon bij ingediende
klachten wanneer dat nodig is? Wat is er nodig om structurele en systematische problemen
binnen jeugdzorg eerder aan het licht te krijgen? Verkent de Minister ook mogelijkheden
die buiten het klachtsysteem liggen? Denk bijvoorbeeld aan jongerenraden en het geregeld
voeren van gesprekken met jongeren.
Binnen de jeugdzorg worden klachten vaak informeel behandeld. Deze informele setting
kan laagdrempelig zijn en heeft daarom voordelen. Hoe gaat de Minister voorkomen dat
door een informele behandeling structurele signalen buiten beeld raken? Het is juist
van belang om misstanden in beeld te krijgen en deze op te lossen.
Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie
De leden van de BBB-fractie hebben met grote zorg kennisgenomen van het rapport van
de Kinderombudsman «Je bent maar een kind, je durft gewoon niet». De conclusie dat
jongeren in residentiële jeugdhulp zich nog steeds onvoldoende veilig voelen om zich
uit te spreken, klachtenprocedures onvoldoende toegankelijk zijn en er onvoldoende
wordt geleerd van signalen en klachten, raakt deze leden diep. Het rapport laat zien
dat jongeren zich vaak niet gehoord voelen, bang zijn voor gevolgen als zij zich uitspreken
en soms zelfs het gevoel hebben dat zij eerder als «dossier» dan als kind worden gezien.
Dat is absoluut onacceptabel, de leden van de BBB-fractie benadrukken hier nog maar
eens dat het hier gaat om zeer kwetsbare kinderen, die alle steun en hulp nodig hebben
en verdienen. De overheid mag hen nooit zo in de steek laten.
De conclusie van het rapport van de Kinderombudsman dat de tien regels voor een goed
functionerend klachtrecht uit 2016 nog steeds relevant zijn, maar in de praktijk nog
altijd onvoldoende worden nageleefd, roept bij deze leden grote zorgen op. Tien jaar
later blijken dezelfde problemen nog steeds te bestaan. De conclusie van de Kinderombudsman
dat het klachtrecht «nog steeds niet effectief werkt en niet laagdrempelig genoeg
is» is bijzonder ernstig. Tien jaar lang zijn er onvoldoende stappen gezet om kinderen
te beschermen die door niemand anders kunnen worden beschermd dan door de overheid,
omdat zij niet thuis, maar in een zorginstelling wonen. Dit zijn geen kinderen die
iets fout gedaan hebben, zij wonen niet op die plekken «voor straf», maar omdat ze
hulp nodig hebben. Het kan en mag niet zo zijn dat de overheid steken laat vallen
in de bescherming van kinderen die volledig afhankelijk zijn van diezelfde overheid
voor hun veiligheid.
De leden van de BBB-fractie vinden het schrijnend dat kinderen die volledig afhankelijk
zijn van zorg en bescherming, zich kennelijk niet veilig genoeg voelen om hun stem
te laten horen. Juist deze kinderen moeten erop kunnen vertrouwen dat volwassenen
hen zien, horen en beschermen. De leden zijn van mening dat luisteren naar deze jongeren
verder moet gaan dan alleen formele procedures of protocollen. Sommige signalen worden
niet hard uitgesproken, maar vragen om alertheid, betrokkenheid en oprechte aandacht
van professionals en bestuurders.
De leden van de BBB-fractie vinden het daarom noodzakelijk dat de aanbevelingen van
de Kinderombudsman niet vrijblijvend worden behandeld, maar volledig, concreet en
aantoonbaar worden opgevolgd. Deze leden willen voorkomen dat over tien jaar opnieuw
moet worden geconcludeerd dat dezelfde kwetsbare kinderen nog steeds niet goed gehoord
worden. De leden van de BBB-fractie vragen de Minister daarom om per aanbeveling van
de Kinderombudsman aan te geven:
• of deze aanbeveling volledig wordt overgenomen;
• welke concrete maatregelen genomen gaan worden;
• welke partijen hiervoor verantwoordelijk worden;
• welk tijdpad hiervoor geldt;
• hoe wordt gecontroleerd of de aanbeveling daadwerkelijk in de praktijk werkt;
• en wanneer en op welke wijze de Kamer per aanbeveling geïnformeerd wordt over de daadwerkelijke
implementatie en resultaten.
Voorts vragen de leden van de BBB-fractie hoe de Minister gaat voorkomen dat de aanbevelingen,
net als de aanbevelingen uit 2016, uiteindelijk onvoldoende worden nageleefd in de
praktijk. Welke lessen trekt de Minister uit het feit dat tien jaar later opnieuw
dezelfde fundamentele problemen worden vastgesteld?
De leden van de BBB-fractie lezen dat jongeren vaak niet weten hoe zij een klacht
kunnen indienen, dat procedures ingewikkeld zijn en dat jongeren bang zijn voor repercussies.
Hoe gaat de Minister ervoor zorgen dat iedere jongere in residentiële jeugdhulp standaard,
begrijpelijk en actief wordt geïnformeerd over zijn of haar rechten en mogelijkheden
om klachten of signalen te uiten? Hoe wordt gecontroleerd of die informatie daadwerkelijk
wordt begrepen?
Hoe gaat de Minister borgen dat jongeren klachten ook anoniem kunnen melden, bijvoorbeeld
digitaal of via onafhankelijke derden? De leden van de BBB-fractie lezen immers dat
jongeren grote angst ervaren voor gevolgen wanneer zij zich uitspreken. Acht de Minister
het wenselijk dat iedere instelling verplicht wordt om een laagdrempelig anoniem meldpunt
of digitaal feedbacksysteem beschikbaar te hebben?
Jongeren ervaren klachtenprocedures vaak als formeel, afstandelijk en traag. Welke
maximale behandeltermijnen acht de Minister acceptabel voor klachten van jongeren
in residentiële jeugdhulp? Is de Minister bereid landelijke normen vast te stellen
voor doorlooptijden en terugkoppeling aan jongeren? Kan de Minister aangeven hoe voorkomen
wordt dat jongeren tijdens of na een klachtprocedure negatieve gevolgen ervaren in
de relatie met begeleiding of binnen de instelling? Welke concrete waarborgen bestaan
hiervoor en acht de Minister deze voldoende?
De leden van de BBB-fractie lezen dat jongeren vaak niet goed weten wat de rol van
een vertrouwenspersoon is en dat het contact regelmatig oppervlakkig blijft. Hoe gaat
de Minister ervoor zorgen dat vertrouwenspersonen daadwerkelijk toegankelijk, zichtbaar
en betekenisvol aanwezig zijn voor jongeren? Wordt overwogen om minimumnormen vast
te stellen voor contactmomenten en bereikbaarheid?
De leden van de BBB-fractie vragen daarnaast hoe de Minister ervoor gaat zorgen dat
klachtencommissies meer samenwerken, expertise delen en beter aansluiten op de leefwereld
van jongeren. Acht de Minister landelijke kwaliteitsnormen of centralere ondersteuning
wenselijk?
De leden van de BBB-fractie vinden de passages over het ontbreken van een veilig pedagogisch
klimaat bijzonder zorgwekkend. Jongeren geven aan zich regelmatig niet gezien, niet
gehoord en niet veilig te voelen. Hoe gaat de Minister concreet afdwingen dat instellingen
werken aan een huiselijke, veilige en stabiele leefomgeving waarin jongeren daadwerkelijk
vertrouwen durven opbouwen? Kan de Minister daarbij specifiek ingaan op:
• het hoge personeelsverloop;
• de inzet van onervaren zzp’ers en flexwerkers;
• het gebrek aan continuïteit;
• en de gevolgen hiervan voor de veiligheid en vertrouwensband met jongeren?
Welke concrete maatregelen worden genomen om ervoor te zorgen dat jongeren structureel
worden betrokken bij beslissingen die hen raken? Hoe wordt gecontroleerd dat dit in
de praktijk ook daadwerkelijk gebeurt?
De leden van de BBB-fractie lezen dat jongeren vaak ervaren dat protocollen en regels
belangrijker worden gevonden dan hun welzijn en ontwikkeling. Hoe gaat de Minister
ervoor zorgen dat het belang van het kind daadwerkelijk leidend wordt in de praktijk
van residentiële jeugdhulp? Hoe wordt het stappenplan «Het Beste besluit voor het
kind» verplicht of structureel toegepast binnen instellingen? Wordt hier toezicht
op gehouden?
De leden van de BBB-fractie maken zich daarnaast ernstige zorgen over de beschreven
cultuur waarin klachten soms defensief worden benaderd en signalen worden teruggelegd
bij het gedrag van de jongere zelf. Hoe gaat de Minister ervoor zorgen dat organisaties
daadwerkelijk een lerende cultuur ontwikkelen waarin klachten worden gezien als noodzakelijke
signalen om van te leren, in plaats van als bedreiging? Welke eisen worden gesteld
aan scholing, intervisie en professionele reflectie rondom klachtbehandeling en omgang
met jongeren? Wordt overwogen dit onderdeel te maken van kwaliteitskaders of inspectietoezicht?
Jongeren hebben volgens het rapport behoefte aan structurele gesprekken waarin echt
wordt gevraagd hoe het met hen gaat en hoe zij hun verblijf ervaren. Hoe gaat de Minister
ervoor zorgen dat instellingen standaard werken met structurele feedbackmomenten,
mentorgesprekken en onafhankelijke evaluatiegesprekken? Is de Minister bereid te stimuleren
of verplichten dat instellingen werken met jongerenraden, exitgesprekken en periodieke
anonieme veiligheidsvragenlijsten? Hoe wordt daarbij voorkomen dat deze instrumenten
slechts «afvinklijstjes» worden zonder daadwerkelijke opvolging?
De leden van de BBB-fractie vragen hoe de Minister gaat borgen dat jongeren daadwerkelijk
terugkoppeling krijgen over wat met hun klacht, melding of feedback is gedaan. Jongeren
geven immers aan dat zij nu vaak niets meer horen nadat zij zich hebben uitgesproken.
Kan de Minister daarnaast reflecteren op de conclusie dat geweld, onveiligheid en
gebrek aan passende hulp nog steeds regelmatig voorkomen binnen de residentiële jeugdhulp?
Hoe verhoudt dit zich tot eerdere rapporten, waaronder de aanbevelingen van de Commissie-De
Winter, die volgens de Kinderombudsman nog altijd onverkort gelden?
Tot slot vragen de leden van de BBB-fractie de Minister met klem hoe zij persoonlijk
gaat waarborgen dat deze aanbevelingen niet opnieuw in goede bedoelingen blijven steken,
maar daadwerkelijk voelbaar verschil gaan maken voor kinderen die afhankelijk zijn
van residentiële jeugdhulp. Welke concrete momenten van evaluatie, toetsing en nacontrole
gaat de Minister inbouwen om de Kamer en vooral deze jongeren zekerheid te geven dat
hun stem voortaan wel structureel gehoord wordt?
Vragen en opmerkingen van de leden van de SP-fractie
De leden van de SP-fractie hebben kennisgenomen van de kabinetsreactie op het rapport
van de Kinderombudsman «Je bent maar een kind, je durft gewoon niet». Zij hebben hier
nog enkele vragen en opmerkingen over.
De leden van de SP-fractie vinden het opmerkelijk dat het kabinet slechts een korte
algemene reactie stuurt op het rapport van de Kinderombudsman. Daarbij wijzen zij
er ook op dat de Kinderombudsman 10 jaar geleden al een rapport uitbracht over deze
problemen en het dus gaat om langlopende structurele problemen. Dat verdient volgens
deze leden dan ook een fundamentelere aanpak dan die in deze reactie wordt geschetst.
Is de Minister van plan om in de aangekondigde brief voor de zomer alsnog een uitgebreidere
reactie hierop te sturen, waarbij op alle aanbevelingen van het rapport wordt ingegaan?
Vragen en opmerkingen van de leden van de Groep Markuszower
De leden van Groep Markuszower hebben kennisgenomen van de voorliggende stukken en
wachten de beantwoording van de Minister met belangstelling af en hebben voor nu geen
vragen en/of opmerkingen.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
M. Mohandis, voorzitter van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport -
Mede ondertekenaar
E.M. Sjerp, adjunct-griffier
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.