Verslag (initiatief)wetsvoorstel (nader) : Verslag
36 916 Wijziging van de Tabaks- en rookwarenwet in verband met een verkoopverbod voor tabaksproducten en aanverwante producten in andere verkooppunten dan speciaalzaken
Nr. 5
VERSLAG
Vastgesteld 21 mei 2026
De vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport, belast met het voorbereidend
onderzoek van voorliggend wetsvoorstel, heeft de eer als volgt verslag uit te brengen
van haar bevindingen.
Onder het voorbehoud dat de in het verslag opgenomen vragen en opmerkingen afdoende
door de regering worden beantwoord, acht de commissie de openbare behandeling van
het wetsvoorstel voldoende voorbereid.
INHOUDSOPGAVE
I
Algemeen deel
1
1.
Aanleiding
3
2.
Hoofdlijnen
4
3.
Verhouding tot hoger recht
10
4.
Gevolgen voor de uitvoering en handhaving
11
5.
Gevolgen voor regeldruk
13
6.
Internetconsultatie
13
7.
Inwerkingtreding
14
8.
Overig
15
II
Artikelsgewijze toelichting
15
I ALGEMEEN DEEL
De leden van de D66-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de Wijziging van de Tabaks- en rookwarenwet
in verband met een verkoopverbod voor tabaksproducten en aanverwante producten in
andere verkooppunten dan speciaalzaken. Het toewerken naar een rookvrije generatie
is van ontzettend groot belang voor de volksgezondheid. De leden van de D66-fractie
zijn daarom ook blij dat deze wetswijziging met een combinatie van maatregelen verschillende
manieren combineert om deze ambitie te realiseren. Deze leden hebben nog enkele vragen.
De leden van de VVD-fractie hebben met interesse kennisgenomen van het wetsvoorstel en hebben hierover nog enkele
vragen en opmerkingen.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben kennisgenomen van de Wijziging van de Tabaks- en rookwarenwet in verband met
een verkoopverbod voor tabaksproducten en aanverwante producten in andere verkooppunten
dan speciaalzaken. Genoemde leden onderschrijven het doel van de wet, namelijk het
aantal rokers laten doen afnemen. Genoemde leden zijn overtuigd dat deze wet hieraan
bijdraagt. Wel hebben ze hier nog enkele vragen en opmerkingen over.
De leden van de PVV-fractie lezen dat het wetsvoorstel beoogt het aantal verkooppunten
verder terug te dringen en de verkoop uiteindelijk te concentreren in speciaalzaken.
Deze leden vragen de regering nader te onderbouwen waarom zij ervan uitgaat dat het
verder afsluiten van legale, controleerbare en zichtbare verkoopkanalen daadwerkelijk
leidt tot minder gebruik, indien tegelijkertijd het risico bestaat dat de vraag verschuift
naar illegale, minder zichtbare en slechter handhaafbare kanalen. Genoemde leden vragen
de regering concreet uiteen te zetten waarom het beoogde doel niet juist wordt ondergraven
door verplaatsing van de markt naar online, grensoverschrijdende en ondergrondse verkoopkanalen.
De leden van de PVV-fractie vragen voorts of de regering erkent dat het verminderen
van legale verkooppunten op zichzelf nog geen garantie biedt voor minder beschikbaarheid,
indien de feitelijke verkrijgbaarheid via illegale routes in stand blijft of zelfs
toeneemt. Zij vragen de regering hoe wordt voorkomen dat op papier verkooppunten verdwijnen,
maar in de praktijk het toezicht juist verslechtert.
De leden van de CDA-fractie hebben met interesse kennisgenomen van het wetsvoorstel. Zij delen met de regering
het doel van een rookvrije generatie in 2040, en het belang van het versneld terugdringen
van het aantal verkooppunten van tabaksproducten om hieraan een bijdrage te leveren.
Deze leden vragen of de regering kan aangeven in hoeverre het doel van een Rookvrije
Generatie in 2040 wordt gehaald met het huidige maatregelenpakket. En zo nee, dan
vragen deze leden wat er volgens de regering aan extra concrete maatregelen nodig
is om dit doel wel te bereiken.
De leden van de FVD-fractie hebben kennisgenomen van de Wijziging van de Tabaks- en rookwarenwet in verband met
een verkoopverbod voor tabaksproducten en aanverwante producten in andere verkooppunten
dan speciaalzaken.
De leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel en onderschrijven het belang van het voorkomen
dat jongeren beginnen met roken of vapen. Tegelijkertijd vragen deze leden aandacht
voor de uitvoerbaarheid van het wetsvoorstel, de handhaafbaarheid en de gevolgen voor
ondernemers die jarenlang hebben geïnvesteerd op basis van eerder vastgestelde beleidskeuzes.
De leden van de SGP-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel. Zij steunen het stapsgewijs
beperken van de verkoop van tabaksproducten. Reeds in 1999 steunden de leden van de
SGP-fractie een amendement om de verkoop van tabaksproducten te beperken tot speciaalzaken.1 Zij hebben op dit moment enkele vragen over het voorstel.
De leden van de SP-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel. Zij steunen het doel om de verkoop van
tabaksproducten en aanverwante producten te beperken tot speciaalzaken. Wel hebben
zij nog enkele vragen en opmerkingen.
De leden van de Groep Markuszower hebben kennisgenomen van de Wijziging van de Tabaks- en rookwarenwet in verband met
een verkoopverbod voor tabaksproducten en aanverwante producten in andere verkooppunten
dan speciaalzaken en hebben daarover nog enkele vragen en opmerkingen.
Het lid Keijzer heeft kennisgenomen van de wijziging van de Tabaks- en rookwarenwet in verband met
een verkoopverbod voor tabaksproducten en aanverwante producten in andere verkooppunten
dan speciaalzaken. Het lid heeft nog enkele vragen aan de regering.
1. AANLEIDING
De leden van de VVD-fractie lezen dat het aantal rokers in 2024 afgenomen is tot 18,3 procent. Zij zijn blij
te lezen dat dit aantal afneemt. Kan de regering deze daling per leeftijdscohort uitsplitsen,
zodat gericht beleid mogelijk is per leeftijdscohort?
Hiernaast lezen zij dat het aantal verkooppunten van tabak- en rookwaren vanaf bijna
16.000 in 2020 is afgenomen tot 4.400 in 2024. Dit komt met name doordat een aantal
verkooppunten verboden zijn. Kan de regering aangeven in welke mate deze verboden
worden nageleefd? Is dit nalevingspercentage voor zover bekend veranderd in de afgelopen
jaren? Welke sancties zijn er sinds 2020 opgelegd vanuit de Nederlandse Voedsel- en
Warenautoriteit (NVWA)? Dezelfde vragen hebben deze leden over de controle van de
leeftijdsgrens.
De leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van de doelstelling om het aantal verkooppunten van tabaksproducten
en aanverwante producten verder terug te dringen. Deze leden vragen de regering in
hoeverre bij de voorbereiding van dit wetsvoorstel is onderzocht of beperking van
legale verkooppunten daadwerkelijk leidt tot minder gebruik, of vooral tot verschuiving
van verkoop naar niet-reguliere kanalen. Zij vragen de regering daarbij concreet onderscheid
te maken tussen minder zichtbaarheid, minder legale verkoop en daadwerkelijk minder
consumptie.
De leden van de CDA-fractie lezen dat door SEO Economisch Onderzoek is ingeschat dat het aantal verkooppunten
na 2032 zal dalen tot 1.300 tot 1.600 verkooppunten als gevolg van dit wetsvoorstel.
Echter, dit is gebaseerd op onderzoek uit 2021. Deze leden vragen of de regering kan
aangeven wat op dit moment de ontwikkeling van het aantal verkooppunten is, en wat
op dit moment de verwachting is ten aanzien van het aantal verkooppunten vanaf 2030,
en ten aanzien van het aantal verkooppunten vanaf 2032. Deze leden vragen ook of de
regering bij deze cijfers een onderscheid wil maken tussen «reguliere» verkooppunten
zoals tankstations en gemakszaken en speciaalzaken. Deze leden vragen verder hoe de
regering kijkt naar het risico dat er juist veel extra speciaalzaken bij zullen komen
omdat de markt daarop inspringt. Ook vragen deze leden of de regering kan aangeven
hoeveel tabaksspeciaalzaken er in de buurt van scholen bij zijn gekomen of naar verwachting
zullen komen.
De leden van de BBB-fractie lezen dat de regering toewerkt naar een rookvrije generatie en daarvoor onder andere
inzet op het verminderen van het aantal verkooppunten van tabaksproducten en aanverwante
producten.
Deze leden vragen de regering in hoeverre bij het vaststellen van dit beleid voldoende
rekening is gehouden met de praktische uitvoerbaarheid in de dagelijkse praktijk van
gemakszaken en andere verkooppunten, waar tabaksverkoop in veel gevallen een substantieel
deel van de omzet vormt.
De leden van de SGP-fractie lezen dat het verbod op de verkoop van tabaksproducten en aanverwante producten in
supermarkten en horeca-inrichtingen in 2024 heeft geleid tot ongeveer 800 nieuwe tabaks-
en gemakszaken. Is de verwachting dat de stapsgewijze verdere beperking van verkooppunten
van tabaksproducten opnieuw zal leiden tot nieuwe tabaksspeciaalzaken? Zo ja, zijn
er juridische mogelijkheden om dit te voorkomen?
2. HOOFDLIJNEN
De leden van de D66-fractie achten het van groot belang dat jongeren kunnen opgroeien in een rook- en tabaksvrije
omgeving. De maatschappelijke steun voor het verminderen van het aantal verkooppunten
voor tabaksproducten en aanverwante producten is groot. Onderzoek van het Trimbos-instituut
heeft laten zien dat er een verband is tussen de dichtheid van het aantal verkooppunten
in de buurt van scholen, en het aantal rokende jongeren; het verhoogt voornamelijk
de kans om te beginnen met roken. Daartoe vragen de leden van de D66-fractie of een
verbod op verkooppunten voor tabaksproducten en aanverwante producten in de buurt
van scholen verkend is, en wat de reden is dat deze nog niet in de huidige wetswijziging
is opgenomen.
Het advies van de afdeling advisering van de Raad van State (hierna: Raad van State)
stelt dat de definitie die wordt gegeven in het wetsvoorstel over een speciaalzaak
onbedoeld tegenstrijdig is. De leden van de VVD-fractie zien dit ook. Wat is de regering voornemens aan te passen in de definitie om deze
tegenstrijdigheid weg te nemen?
De leden van de VVD-fractie lezen dat huis-aan-huis-verkoop en verkoop op festivals
verboden wordt. Dit juichen deze leden toe. Kan de regering aangeven hoe dit gehandhaafd
gaat worden? Hierbij graag een reflectie op de verkoop die plaatsvindt online, bijvoorbeeld
via sociale media zoals Snapchat.
De leden van de VVD-fractie lezen dat het nalevingspercentage van de leeftijdscontrole
bij tankstations rond de vijftig procent ligt. Hiervan schrikken genoemde leden. Kan
de regering aangeven op welke manier ze denken het naleveringspercentage te verhogen?
Kan de regering aangeven hoe zij hierop wil handhaven, bijvoorbeeld door brede inzet
van testkopers? Kan de regering aangeven hoeveel boetes er zijn uitgeschreven voor
het niet naleven van de leeftijdscontrole? Heeft de regering overzicht hoe het nalevingspercentage
verdeeld is over Nederland? Kan de regering een overzicht hiervan geven?
Hiernaast zijn genoemde leden benieuwd hoe hoog dit nalevingspercentage is bij andere
verkooppunten. Kan de regering aangeven welke cijfers hierover bekend zijn? Is zij
bereid om hier specifiek beleid op te voeren? Zo ja, hoe? Zo nee, waarom niet?
Als gevolg van het verbod op verkoop van rookwaren in supermarkt en horeca zijn er
veel nieuwe verkooppunten bijgekomen, zo lezen de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie. Wat is de verklaring voor het feit dat de SEO Economisch Onderzoek verwacht dat
er geen verkooppunten bijkomen naar aanleiding van deze wetswijziging? Acht de regering
het niet logisch dat er nieuwe verkooppunten bijkomen? Wat gaat regering doen om dit
tegen te gaan?
In België heeft onder andere Philip Morris een rechtszaak aangespannen tegen het verbod
op de verkoop van sigaretten in supermarkten. Deze rechtszaak is gewonnen, waardoor
het verkoopverbod moet worden teruggedraaid. Hoe kijkt de regering tegen deze rechtszaak
in België aan? Hoe groot acht de regering de kans op een soortgelijke rechtszaak in
Nederland en ook dat die slaagt?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie maken zich grote zorgen over de inmenging
en het steunen van de tabaksindustrie in het opzetten van tabaksspeciaalzaken. Acht
de regering dit ook onwenselijk? Waarom is dit niet verboden? In hoeverre is het mogelijk
om de inmenging van de tabaksindustrie in het opzetten van speciaalzaken te verbieden?
Welke juridische stappen zijn dan nodig? Kan dit worden geregeld in de tabaks- en
rookwarenwet?
Als gevolg van dit wetsvoorstel neemt het aantal rokers af. Echter niet genoeg om
de doelen van het preventieakkoord te halen. Welke extra maatregelen worden er nog
meer genomen en kan per maatregel worden uitgeschreven wat de impact is op het aantal
rokers? Is dit pakket aan maatregelen voldoende?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat een vervroeging van het tijdspad
juridisch ingewikkeld is. Kan dit nader worden toegelicht? Wat zijn de precieze consequenties
van de uitvoering van de motie-Danielle Janssen c.s.2?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat er veel haken en ogen zitten aan
een vergunningsstelsel voor speciaalzaken. Op pagina 4 van de memorie van toelichting
lezen genoemde leden dat jongeren veel worden blootgesteld aan verkooppunten, namelijk
gemiddeld één keer per dag. Tevens staat hier beschreven dat een hoge dichtheid aan
speciaalzaken bijdraagt aan het aantal rokende kinderen. Om dit tegen te gaan en het
doel van nul rokende kinderen in 2040 te bereiken, zijn genoemde leden voorstander
van een afstandscriterium vanaf scholen. In de Kamer(verzamel)brief van 18 december
over rook-, vape- en alcoholbeleid wordt gesteld dat «een afstandscriterium in de
buurt van scholen en andere plaatsen waar jongeren vaak komen, kan onderdeel zijn
van een vergunningstelsel, maar kan ook als beperkende voorwaarde in de Tabaks- en
rookwarenwet worden opgenomen. Een dergelijk afstandscriterium is nu niet voorzien.
Ook voor een afstandscriterium is een overgangstermijn c.q. compensatieregeling nodig.»
Waarom is er niet voor gekozen om een afstandscriterium in te voeren? Deelt de regering
de mening dat dit belangrijk is voor beschermen van onze kinderen? Kan worden toegelicht
hoe de wet gewijzigd dient te worden om dit wel in te voeren?
Genoemde leden lezen dat «tegelijkertijd wordt ingeschat dat het aantal van minimaal
60 varianten een drempel vormt voor zaken, bijvoorbeeld kapperszaken of bloemenwinkels,
om in de periode van 2030 tot 2032 te besluiten tabaksproducten en aanverwante producten
te gaan verkopen.» Betekent dit dat het juridisch wel toegestaan is om tot 2032 tabak
te verkopen in bijvoorbeeld kapperszaken? Zou dit dat onder de categorie gemakszaken
kunnen vallen? Een kapperszaak valt toch niet binnen deze definitie? Waarom wordt
deze weg niet juridisch afgeknepen? Op welke wijze zou dat kunnen?
Wat is het onderscheid tussen de geregistreerde uitgezonderde speciaalzaken en andere
speciaalzaken, zoals beschreven op pagina 11 van de memorie van toelichting? Waarom
geldt er een uitzondering voor deze speciaalzaken?
Hoe groot wordt de kans geacht dat er rechtszaken worden aangespannen door gemakszaken
en tankstations voor compensatie van de gedorven toekomstige inkomsten? En wat is
de haalbaarheid van zulke rechtszaken?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat «Anders dan in het nieuw voorgestelde
artikel 7, zal dit niet worden overgenomen in het voorgestelde artikel 7a, omdat het
niet waarschijnlijk wordt geacht dat dit nodig is voor de handhaving.» Wat is het
nadeel van het verbod op het aanwezig hebben van deze producten, zoals de NVWA verzoekt?
Kan worden toegelicht hoe deze wetswijziging zich verhoudt tot wetgeving in onze buurlanden?
Worden daar gelijke maatregelen genomen? Gaat de regering zich inzetten om soortgelijke
wetgeving in onze buurlanden te bevorderen?
In de Kamerbrief van 13 april3 geeft de Minister aan onderzoek te doen naar het verbod op filters. De leden van
GroenLinks-PvdA vragen de regering hoe het met dat onderzoek staat en wat er aan de
Tabaks- en rookwarenwet aangepast dient te worden om dit te regelen.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie ontvangen signalen uit gemeenten dat zij een
gebrek aan instrumentarium hebben om de opkomst van nieuwe verkooppunten tegen te
gaan. Hoe kijkt de regering hier tegenaan? Kan de regering toelichten welke mogelijke
instrumenten gemeenten kunnen krijgen om hier tegen op te treden?
De leden van de PVV-fractie vragen de regering of zij erkent dat juist legale verkooppunten locaties zijn waar
toezicht, leeftijdscontrole en handhaving ten minste nog mogelijk zijn, terwijl bij
verschuiving naar illegale kanalen iedere vorm van regulier toezicht grotendeels wegvalt.
Zij vragen waarom de regering er dan voor kiest het gecontroleerde kanaal verder te
verkleinen, zolang het ongecontroleerde kanaal moeilijk beheersbaar blijkt.
De leden van de PVV-fractie lezen dat elektronische dampwaar eerder uit een groot
deel van de legale verkoopkanalen verdwijnt dan tabaksproducten. Deze leden vragen
de regering nogmaals uiteen te zetten waarom niet aannemelijk zou zijn dat een deel
van de gebruikers hierdoor overstapt op de op dat moment nog breder verkrijgbare tabaksproducten.
De leden van de PVV-fractie lezen dat de Raad van State expliciet aandacht vraagt
voor de gevolgen van de gefaseerde invoering, omdat de afnemende beschikbaarheid van
dampwaar het voor gebruikers aantrekkelijk kan maken over te stappen op beter verkrijgbare
tabaksproducten. Deze leden vragen de regering waarom zij desalniettemin vasthoudt
aan een volgorde die het risico in zich draagt dat niet minder, maar juist meer traditionele
tabaksconsumptie ontstaat. Zij vragen hoe overtuigend de regering haar eigen weerlegging
van dit risico acht, nu de Raad van State dit punt nadrukkelijk heeft opgeworpen.
De leden van de PVV-fractie constateren dat dit wetsvoorstel ertoe leidt dat bestaande
legale verkooppunten hun verkoop moeten staken, terwijl tegelijkertijd wordt erkend
dat dit aanzienlijke economische gevolgen kan hebben. Deze leden vragen de regering
waarom zij het aanvaardbaar acht dat ondernemers die jarenlang binnen het wettelijk
kader opereerden, omzet verliezen, hun bedrijfsmodel zien verslechteren of zelfs geconfronteerd
kunnen worden met faillissement, terwijl allerminst vaststaat dat de vraag naar deze
producten daadwerkelijk in gelijke mate afneemt.
De leden van de PVV-fractie vragen de regering ook waarom zij meent dat het wegsnijden
van legale tankstationverkoop een effectieve maatregel is, indien de onderliggende
vraag naar tabaksproducten blijft bestaan. Zij vragen of het niet waarschijnlijker
is dat een deel van die vraag zich verplaatst naar minder controleerbare circuits,
waarbij leeftijdsgrenzen, producteisen en belastinginning juist verder uit beeld raken.
De leden van de PVV-fractie lezen dat tankstations in 2019 verantwoordelijk waren
voor ongeveer een kwart van de tabaksverkoopomzet en dat volgens SEO Economisch Onderzoek
rookwaren voor tankstations zestien procent van de totale omzet uitmaken. Tevens lezen
deze leden dat een deel van deze ondernemingen in de huidige vorm niet zal overleven,
failliet zal gaan of zal moeten omschakelen. Deze leden vragen de regering hoe zij
deze ingrijpende economische gevolgen voor ondernemers weegt, temeer nu het wetsvoorstel
niet uitsluit dat verkoop zich eenvoudig verplaatst naar illegale of niet-reguliere
kanalen.
De leden van de PVV-fractie vragen de regering nader te onderbouwen waarom concentratie
van verkoop in speciaalzaken volgens haar voldoende waarborg biedt dat het gebruik
daadwerkelijk afneemt. Zij vragen of de regering kan uitsluiten dat consumenten, naarmate
het aantal legale verkooppunten verder afneemt, vaker zullen uitwijken naar grensverkoop,
onderlinge verkoop, verkoop via social media, berichtenservices of andere informele
circuits.
De leden van de PVV-fractie vragen de regering voorts of zij bereid is periodiek en
expliciet te rapporteren over substitutie-effecten naar illegale verkoop, grensverkoop,
verkoop via sociale media en onderlinge wederverkoop, alsmede over de economische
schade voor legale ondernemers. Deze leden achten dat noodzakelijk om te kunnen beoordelen
of dit wetsvoorstel in de praktijk werkelijk leidt tot minder gebruik, of slechts
tot minder legale en meer illegale verkoop.
De leden van de CDA-fractie constateren dat de motie-Daniëlle Jansen c.s.4 om het aantal verkooppunten sneller terug te dringen niet wordt uitgevoerd vanwege
de juridische houdbaarheid. Deze leden hebben hierover wel enkele vragen. Deze leden
vragen of de regering wil ingaan op de effecten, zowel maatschappelijk als juridisch
en uitvoeringstechnisch, als het tijdpad voor zowel gemakszaken en speciaalzaken met
een jaar naar voren wordt gehaald, dus vanaf 2029 alleen nog in gemakszaken en speciaalzaken,
en vanaf 2031 alleen nog in speciaalzaken. Deze leden stellen dezelfde vraag als alleen
het tijdpad voor speciaalzaken een jaar naar voren wordt gehaald, dus vanaf 2030 in
gemakszaken en speciaalzaken, en vanaf 2031 alleen nog in speciaalzaken. Deze leden
vragen of de regering deelt dat voor dit laatste tijdpad als extra argument geldt
dat het in lijn is met het in 2020 aangekondigde beleid om vanaf 2030 verdere beperkingen
in te voeren, en daarmee meer in lijn is met het uitgangspunt van voorspelbaarheid.
De leden van de CDA-fractie zijn voorstander van het invoeren van een afstandscriterium
voor verkooppunten, omdat dit aansluit bij de doelstelling dat kinderen en jongeren
niet gaan roken. In reactie op de aangenomen motie-Krul/Bikker5, gaf de regering in 2024 dit over te willen laten aan een volgend kabinet. Deze leden
vragen daarom of de regering deelt dat een wettelijk afstandscriterium, bijvoorbeeld
ten opzichte van onderwijsinstellingen, kan helpen om het aantal verkooppunten in
de directe omgeving van kinderen en jongeren terug te dringen. En zo ja, dan vragen
deze leden of de regering heeft overwogen om in dit wetsvoorstel een afstandscriterium
voor verkooppunten tot onderwijsinstellingen op te nemen.
De leden van de FVD-fractie vragen of de regering kan toelichten hoe dit wetsvoorstel zich verhoudt tot het doel
van effectieve preventie, indien toezicht en naleving juist moeilijker worden. Hoe
kan de regering dit wetsvoorstel verdedigen als de primaire toezichthouder aangeeft
dat het voorstel geen verbetering brengt in de bestrijding van illegale handel? Op
basis van welke concrete gegevens verwacht de regering dat het aantal rokers afneemt,
als tegelijkertijd een verschuiving naar illegale kanalen wordt voorzien? Kan de regering
kwantificeren wat het verwachte aandeel van niet-reguliere verkoopkanalen zal zijn
na invoering van het verbod?
De leden van de BBB-fractie vragen waarop de veronderstelling is gebaseerd dat er tegen 2032 voldoende speciaalzaken
zullen zijn om aan de vraag te voldoen. Kan de regering inzicht geven in de huidige
stand van zaken en de ontwikkeling van het aantal speciaalzaken ten opzichte van eerdere
ramingen? Hoe wordt voorkomen dat door verdere beperking van legale verkooppunten
een verschuiving ontstaat naar illegale handel en grensoverschrijdende aankoop? Hoe
beoordeelt de regering het risico dat minder fysieke verkooppunten leiden tot een
toename van verkoop via niet-gereguleerde kanalen zoals sociale media en onderlinge
handel?
De leden van de BBB-fractie lezen dat de NVWA een verkenning zal uitvoeren naar de
aard en omvang van deze niet-reguliere verkoopkanalen. Wanneer worden de resultaten
hiervan verwacht en hoe worden deze betrokken bij de verdere uitvoering van het beleid?
De leden van de SP-fractie lezen dat dat de verkoop van tabaksproducten en aanverwante producten ook mogelijk
blijft voor ongeveer 300 «uitgezonderde speciaalzaken» «die zich geregistreerd hebben op grond van artikel 5.9, tweede
lid, van het besluit». Over welke groep gaat het hier precies en wat is de reden dat
zij worden uitgezonderd van het verkoopverbod?
De leden van de Groep Markuszower delen de mening dat jongeren moeten kunnen opgroeien in een rook- en tabaksvrije
omgeving.
Bij het invoeren van een verkoopverbod zal een deel van de tankstations in de huidige
vorm overleven, een deel zal failliet gaan en een deel zal verdergaan als onbemand
tankstation. Zijn de financiële gevolgen van deze wetswijziging voor de gemakszaken
in kaart gebracht? Zo nee, waarom niet?
De leden van de Groep Markuszower lezen dat de overheid zich ten doel heeft gesteld
om zowel het roken als het vapen terug te dringen en dat met deze wetswijziging tevens
wordt ingezet op het beperken van de beschikbaarheid van elektronische dampwaar door
het terugdringen van verkooppunten tot speciaalzaken. Is de regering ervan op de hoogte
dat ondanks het verbod op vapes met smaakjes nog steeds veel jongeren smaakjesvapes
gebruiken en dat ruim veertig procent van de jongeren vapes, maar ook tabak, koopt
via Snapchat? Wat doet de regering op dit punt?
De leden van de Groep Markuszower zouden graag willen weten of, en zo ja, welke gevolgen
de gerechtelijke uitspraak in België met betrekking tot het verkoopverbod van sigaretten
in supermarkten zou kunnen hebben voor Nederlandse supermarkten.
Tot slot zouden de leden van de Groep Markuszower willen weten of alle Algemene Maatregelen
van Bestuur (AMvB’s) middels een voorhangprocedure worden voorgelegd aan de Kamer.
En zo ja, in welke vorm?
Het lid Keijzer onderschrijft het belang van het terugdringen van roken en het beschermen van de
volksgezondheid, maar hecht er tegelijkertijd aan dat beleid uitvoerbaar, proportioneel
en rechtvaardig is voor de gemeenschap en de markt. In dat licht constateert het lid
Keijzer dat in de memorie van toelichting uitgebreid wordt ingegaan op gezondheidseffecten
en vermindering van verkooppunten, maar dat de risico’s van een groeiende illegale
markt en substitutie naar grensoverschrijdende aankopen beperkt worden besproken.
Zo is het volgens de Douane moeilijk om te voorspellen wat er mogelijk gaat gebeuren
met de illegale handel terwijl de douane in haar laatste telling in 2024 al een sterke
stijging ten opzichte van 2023 zag6. Kan de regering feitelijk uiteenzetten welke actuele inzichten zij heeft over de
omvang en ontwikkeling van illegale handel en aankopen over de grens als gevolg van
stapeling van maatregelen en hoe deze effecten zijn meegewogen bij dit wetsvoorstel?
Verder wijst het lid van de fractie Keijzer erop dat uit berichtgeving7 blijkt dat verdere accijnsverhogingen op tabak de schatkist nauwelijks nog opbrengsten
opleveren, mede door grenseffecten en illegale handel. Deelt de regering de analyse
dat hiermee een kantelpunt is bereikt waarbij extra maatregelen niet langer leiden
tot extra publieke middelen, maar wel tot verlies van controle en handhaafbaarheid?
En zo niet, kan zij dit weerleggen met actuele cijfers of ramingen die ten grondslag
liggen aan dit wetsvoorstel?
Ook vraagt het lid van de fractie Keijzer de regering welke concrete instrumenten
de regering heeft om maatwerk toe te passen voor ondernemers en winkelstraten buiten
kernwinkelgebieden in grote steden, maar ook in dorpen en regio’s, waar gemakszaken
en kleine winkels een belangrijke maatschappelijke functie vervullen. Welke mogelijkheden
ziet de regering binnen deze regelgeving of via lagere regelgeving om differentiatie
naar regio of type winkelstraat toe te passen? Welke mogelijkheden heeft zij en zijn
deze overwogen bij dit wetsvoorstel?
Daarnaast merkt het lid Keijzer op dat in de memorie van toelichting wordt gesteld
dat het verdwijnen van gemakszaken als gevolg van het wetsvoorstel beperkt zal blijven,
terwijl tegelijkertijd wordt erkend dat in met name kleine kernen voorzieningen en
sociale functies onder druk kunnen komen te staan of verdwijnen. De regering stelt
dat deze effecten worden gemitigeerd door te werken met een ruime overgangstermijn,
zodat ondernemers zich kunnen aanpassen. Het lid vraagt de regering in hoeverre hiermee
recht wordt gedaan aan de economische en maatschappelijke realiteit van kleine ondernemers
en lokale winkelstructuren, met name buiten kernwinkelgebieden en in regio’s waar
alternatieven beperkt zijn. In dat licht rijst de vraag hoe de regering de balans
weegt tussen het terugdringen van rookprevalentie en het behoud van leefbaarheid en
economische functies in kernen en buurten. Kan de regering nader toelichten hoe zij
dit spanningsveld beoordeelt en welke feitelijke criteria zij hanteert om te bepalen
wanneer maatschappelijke en economische schade in regio’s en buurten onevenredig wordt
geacht?
Ook benadrukt het lid Keijzer dat roken in Nederland al zeer onaantrekkelijk is gemaakt
door een samenstel van maatregelen, waaronder hoge prijzen, neutrale verpakkingen,
uitstalverboden en rookverboden. Is de regering het met het lid eens dat hier mogelijk
de grens van de maakbaarheid in zicht komt, waarbij extra restricties vooral leiden
tot ontwijkgedrag in plaats van gezondheidswinst? Hoe weegt de regering dit risico
bij de verdere afbouw van verkooppunten?
Verder onderstreept het lid Keijzer dat dit beleid ook recht moet doen aan kleine
ondernemers die niet eenvoudig kunnen omschakelen en aan regio’s die kwetsbaar zijn
voor leegstand en verlies van voorzieningen. Kan de regering concreet aangeven welke
vormen van ondersteuning, compensatie of overgangsmaatregelen zij beschikbaar acht
voor deze groepen, en in hoeverre deze juridisch en budgettair haalbaar zijn binnen
het kader van dit wetsvoorstel?
Tot slot vraagt het lid Keijzer hoe de regering het bredere politieke sentiment duidt
dat verdere accijnsverhogingen en verkoopbeperkingen weliswaar worden gepresenteerd
als opbrengstverhogend en gezondheidsbevorderend, maar in de praktijk leiden tot minder
accijnsinkomsten en meer aankopen buiten het zicht van de overheid. Is de regering
bereid om deze spanning expliciet te betrekken bij de verdere behandeling van dit
wetsvoorstel en bij eventuele aanpassingen via amendementen die gericht zijn op maatwerk
en proportionaliteit?
3. VERHOUDING TOT HOGER RECHT
De leden van de VVD-fractie zien het verder inperken van verkooppunten als een goede manier jonge mensen te beschermen
tegen het starten met roken. Deze bepaling heeft echter geen betrekking op beperkingen
aan de wijze van in de handel brengen, dan wel de plaats waar tabaksproducten en aanverwante
producten in de handel mogen worden gebracht. Hoe gaat het verkoopverbod zich verhouden
tot de vrijheid van vestiging van ondernemers? En op welke wijze gaat de regering
dit goed uitleggen in de toelichting op de wet?
De leden van de PVV-fractie lezen dat het wetsvoorstel de vrijheid van vestiging en het eigendomsrecht raakt.
Deze leden vragen de regering preciezer uiteen te zetten waarom deze inperking volgens
haar evenredig is, nu legale ondernemers zwaar worden geraakt, terwijl het doel van
het wetsvoorstel mede afhankelijk blijkt van de veronderstelling dat illegale substitutie
beperkt blijft. Zij vragen waarop de regering die veronderstelling baseert, nu uit
de stukken juist volgt dat de risico’s op verschuiving naar niet-reguliere kanalen
serieus zijn.
De leden van de PVV-fractie vragen de regering in te gaan op de betekenis van de recente
rechterlijke uitspraak in België over het verkoopverbod van sigaretten in supermarkten.
Zij vragen de regering toe te lichten of deze uitspraak gevolgen heeft of kan hebben
voor de beoordeling van de proportionaliteit, noodzakelijkheid en juridische houdbaarheid
van het voorliggende Nederlandse wetsvoorstel.
De leden van de PVV-fractie vragen de regering uitgebreider toe te lichten hoe het
wetsvoorstel zich verhoudt tot de vrijheid van vestiging en het vrije verkeer binnen
de Europese Unie. Deze leden vragen de regering daarbij specifiek in te gaan op de
vraag waarom het afsluiten van legale verkooppunten, met aanzienlijke economische
gevolgen voor ondernemers, noodzakelijk en proportioneel wordt geacht zolang niet
vaststaat dat de vraag niet verschuift naar illegale, grensoverschrijdende of andere
niet-reguliere kanalen.
De leden van de PVV-fractie vragen de regering nader uiteen te zetten hoe de aantasting
van bestaande bedrijfsmodellen, omzetverwachtingen en investeringen van ondernemers
wordt gewogen in het licht van het recht op eigendom. Deze leden vragen of de regering
erkent dat ondernemers die jarenlang legaal binnen het bestaande wettelijke kader
hebben geopereerd, door dit wetsvoorstel onevenredig hard kunnen worden geraakt, zeker
wanneer het beoogde gezondheidsdoel in de praktijk onvoldoende aantoonbaar wordt bereikt.
De leden van de CDA-fractie lezen dat uit jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM)
blijkt dat bij de voorzienbaarheid van een maatregel als uitgangspunt geldt dat een
ondernemer altijd rekening moet houden met een risico op wijziging van regelgeving.
Deze leden vragen of bijvoorbeeld het aanpassen van het tijdpad als gevolg van de
parlementaire behandeling van het wetsvoorstel ook onder het risico op wijziging van
regelgeving valt.
De leden van de BBB-fractie lezen dat de Landsadvocaat heeft gewezen op mogelijke juridische complicaties bij
vervroeging van het tijdpad, onder andere in relatie tot eigendomsrecht en mogelijke
compensatieverplichtingen. Deze leden vragen de regering nader toe te lichten hoe
het wetsvoorstel zich verhoudt tot het eigendomsrecht en in hoeverre ondernemers daadwerkelijk
op overheidsbeleid hebben mogen vertrouwen bij investeringen en langjarige contracten.
Daarnaast vragen deze leden of de regering kan toelichten welke juridische risico’s
bestaan indien het beleid in de toekomst alsnog wordt aangepast, bijvoorbeeld in tempo
of fasering.
4. GEVOLGEN VOOR DE UITVOERING EN HANDHAVING
De regels zijn volgens de leden van de VVD-fractie duidelijk; enkel de eventuele gevolgen (verschuiving naar illegale handel en/of verkoop
van onder de toonbank) kunnen gevolgen hebben voor de benodigde capaciteit bij de
NVWA en de partners met wie zij samenwerkt. Welk effect verwacht de regering dat dit
wetsvoorstel zal hebben op de illegale handel van tabak- en rookwaren? Hoe zorgen
we voor voldoende capaciteit om de bepalingen uit dit wetsvoorstel te handhaven?
De leden van de PVV-fractie vragen de regering nader te onderbouwen hoe zij de economische gevolgen voor ondernemers
weegt. Deze leden vragen daarbij specifiek in te gaan op ondernemers die afhankelijk
zijn van tabaksverkoop als substantieel onderdeel van hun omzet, waaronder tankstations
en gemakszaken. Zij vragen welke onderbouwing de regering heeft voor de aanname dat
deze ondernemers zich tijdig en realistisch kunnen aanpassen aan het verdwijnen van
deze inkomstenbron.
De leden van de PVV-fractie vragen de regering of zij erkent dat het verminderen van
legale verkooppunten niet alleen gevolgen heeft voor de beschikbaarheid van tabaksproducten,
maar ook voor de levensvatbaarheid van bestaande ondernemingen. Zij vragen hoe de
regering het risico weegt dat ondernemers omzet verliezen of hun onderneming moeten
beëindigen, terwijl de vraag naar tabaksproducten mogelijk deels blijft bestaan en
zich verplaatst naar kanalen zonder regulier toezicht.
De leden van de PVV-fractie lezen met zorg dat de handhaving van niet-reguliere kanalen
complex is en dat verschuivingen in de handel bepalend kunnen zijn voor de toekomstige
inzet van capaciteit. Deze leden vragen de regering waarom zij doorgaat met een wetsvoorstel
waarvan de effectiviteit in belangrijke mate afhankelijk is van handhaving, terwijl
die handhaving volgens de stukken nog nader moet worden uitgewerkt en toekomstige
capaciteit pas later beter kan worden ingeschat. Zij vragen de regering te erkennen
dat hier eerst een legaal kanaal wordt afgeknepen, terwijl het zicht op het illegale
alternatief nog onvoldoende is.
Aanvullend vragen deze leden hoe reëel de regering het acht dat, naarmate legale en
controleerbare verkoopkanalen verder worden beperkt, de vraag zich juist verplaatst
naar illegale en minder zichtbare kanalen. Zij vragen de regering concreet aan te
geven op basis van welke gegevens of aannames zij verwacht dat deze verschuiving beperkt
blijft.
De leden van de PVV-fractie vragen voorts hoe reëel de regering het acht dat consumenten
die hun tabaksproducten of aanverwante producten niet langer eenvoudig via legale
verkooppunten kunnen verkrijgen, bij illegale of informele aanschaf juist grotere
hoeveelheden per keer zullen inkopen. Zij vragen of de regering het risico aanwezig
acht dat hierdoor thuis grotere voorraden ontstaan, waardoor de drempel om vaker of
meer te roken in de praktijk juist lager wordt.
De leden van de PVV-fractie vragen de regering expliciet in te gaan op de mogelijkheid
dat dit wetsvoorstel averechts uitwerkt, indien beperking van legale verkrijgbaarheid
in de praktijk leidt tot meer illegale aanschaf, minder toezicht, grotere thuisvoorraden
en daardoor mogelijk juist een bestendiging of zelfs toename van gebruik. Zij vragen
op grond waarvan de regering meent dat dit risico voldoende is ondervangen.
Deze leden vragen de regering daarnaast hoeveel fte uiteindelijk structureel nodig
wordt geacht voor toezicht en opsporing, hoeveel daarvan nu daadwerkelijk beschikbaar
is en op welke wijze wordt voorkomen dat het verbod in de praktijk vooral een papieren
werkelijkheid wordt. Deze leden vragen de regering concreet te maken hoe vaak, hoe
gericht en met welke prioriteit zal worden gecontroleerd op onder-de-toonbank-verkoop,
verkoop via sociale media, berichtenservices en andere informele circuits.
De leden van de PVV-fractie vragen voorts waarom de regering meent dat het doel van
het wetsvoorstel wordt bereikt, terwijl zij zelf aangeeft dat ontwikkelingen richting
2032 nog bepalend zullen zijn voor de vraag hoe de NVWA te werk zal gaan en wat dit
betekent voor de inzet van capaciteit. Zij vragen de regering of dat niet juist een
erkenning is dat de regering nu al vergaande economische beperkingen oplegt, zonder
dat de uitvoerbaarheid en effectiviteit in de praktijk voldoende vaststaan.
De leden van de PVV-fractie lezen dat de Raad van State wijst op het risico dat de
verkoop via niet-reguliere kanalen toeneemt, dat de NVWA concludeert dat illegale
handel lastig is aan te pakken en dat het wetsvoorstel daarin geen verbetering brengt.
De Raad van State merkt bovendien op dat de toelichting geen voldoende inzicht gaf
in de mate waarin de verkoopverboden handhaafbaar zijn en dat ook de samenhang met
Douane en Belastingdienst onvoldoende was uitgewerkt. Deze leden vragen de regering
waarom zij van mening is dat met deze fundamentele waarschuwingen voldoende is gedaan.
Zij vragen de regering concreet uiteen te zetten waarom een wetsvoorstel dat legale
kanalen sluit, maar illegale kanalen niet afdoende kan beheersen, niet het risico
in zich draagt dat juist het tegenovergestelde van het beoogde doel wordt bereikt.
In het licht van de waarschuwing van de Raad van State over toenemende verkoop via
niet-reguliere kanalen vragen deze leden de regering of zij bereid is te erkennen
dat een verschuiving naar illegale verkoop, gecombineerd met grotere particuliere
voorraden, het reële risico meebrengt dat dit wetsvoorstel niet ontmoedigend maar
juist averechts uitpakt. Zij vragen hoe de regering dat uitsluit.
De leden van de PVV-fractie vragen de regering hoe wordt geborgd dat handhaving en
bestuurlijke boetes zich niet eenzijdig richten op zichtbare, legale ondernemers die
nog controleerbaar zijn, terwijl illegale aanbieders via sociale media, berichtenservices,
onderlinge verkoop of onder-de-toonbank-verkoop moeilijker vindbaar blijven. Zij vragen
hoe de regering voorkomt dat de handhavingsdruk vooral terechtkomt bij partijen die
al binnen het gereguleerde stelsel opereerden.
De leden van de CDA-fractie lezen dat van de 1.600 gemakszaken naar schatting 150 tot 250 niet aan de definitie
van speciaalzaak zullen voldoen. Deze leden vragen of de regering wil toelichten waar
dit door komt. Ook vragen deze leden waar deze schatting op is gebaseerd.
De leden van de FVD-fractie vragen welke concrete aanvullende handhavingscapaciteit beschikbaar wordt gesteld
aan de NVWA, de Douane en de Belastingdienst, gezien de constatering dat huidige handhaving
mogelijk al ontoereikend is. Waarom ontbreekt in de toelichting een integrale handhavingsstrategie
waarin de rol van andere toezichthouders (zoals Douane en Belastingdienst) expliciet
wordt uitgewerkt?
De leden van de BBB-fractie vrezen dat de huidige uitbreiding van capaciteit bij de NVWA onvoldoende is om de
verschuiving naar illegale handel daadwerkelijk effectief te kunnen bestrijden. Kan
de regering hierop reflecteren?
De leden van de BBB-fractie vragen voorts hoe de samenwerking tussen NVWA, Douane
en politie in de praktijk wordt vormgegeven om online verkoop via sociale media en
berichtenapps tegen te gaan.
Daarnaast vragen deze leden hoe wordt geborgd dat handhavingscapaciteit niet versnipperd
raakt, maar juist effectief wordt ingezet op de grootste risico’s, zoals online verkoop,
sociale media en grenshandel.
De leden van de SGP-fractie vragen om een inschatting van het risico dat rokers in grensregio’s tabaksproducten
in buurlanden gaan aanschaffen. Hoe heeft de regering dit meegewogen?
De leden van de SGP-fractie hebben begrip voor de overwegingen van de regering om
vast te houden aan het voorgestelde tijdspad.
De leden van de SGP-fractie vragen aandacht voor het toezicht- en handhavingsaspect.
De NVWA concludeert dat de illegale handel lastig is aan te pakken en dat het wetsvoorstel
daar geen verbetering in brengt. Kan de regering aangeven hoe de handhavingscapciteit
van de NVWA versterkt kan worden evenals bijvoorbeeld samenwerking met de Douane?
De leden van de SGP-fractie vragen ook aandacht voor de handhaving van het verbod
op online verkoop van tabaksproducten, bijvoorbeeld via websites, sociale media of
dealers. Is de verwachting dat deze illegale vormen van verkoop zullen toenemen met
de nu voorgestelde verkoopverboden? Wanneer kan de NVWA hierover meer duidelijkheid
bieden? Zet de regering extra in op handhaving van het online verkoopverbod?
De leden van de SP-fractie lezen dat er een kans bestaat dat bepaalde dienstverlening, zoals pakketpunten en
gelddiensten verdwijnen uit kleine kernen. Welke stappen zet de regering concreet
om dit te voorkomen en hoe wordt in de gaten gehouden in hoeverre dit effect optreedt?
De leden van de SP-fractie benadrukken het belang van goede handhaving voor de effectiviteit
van dit wetsvoorstel. Immers blijkt in de praktijk dat bijvoorbeeld het eerder ingevoerde
smaakjesverbod voor vapes en de verkoop van vapes op afstand grootschalig overtreden
worden, waardoor het probleem blijft bestaan. Hoe is de regering van plan een herhaling
hiervan bij dit wetsvoorstel te voorkomen?
De leden van de SP-fractie vragen daarnaast in hoeverre de vier fte aan extra handhavingscapaciteit
die de NVWA vraagt voldoende is om dit wetsvoorstel goed te kunnen handhaven. Waarom
wordt de gevraagde uitbreiding van de capaciteit niet direct toegezegd aan de NVWA,
maar enkel «meegenomen» in de lopende prioriteringsrondes?
5. GEVOLGEN VOOR REGELDRUK
De leden van de PVV-fractie vragen de regering waarom de economische gevolgen voor ondernemers niet zwaarder
worden meegewogen in de beoordeling van de gevolgen van het wetsvoorstel. Deze leden
begrijpen dat financiële gevolgen niet steeds onder de technische definitie van regeldrukkosten
vallen, maar vragen de regering of zij erkent dat het voor ondernemers in de praktijk
weinig verschil maakt of lasten formeel als regeldruk worden aangemerkt of feitelijk
voortvloeien uit het wegvallen van een wettelijke verkoopmogelijkheid.
6. INTERNETCONSULTATIE
De leden van de D66-fractie lezen dat er wordt gewerkt aan een wetsvoorstel waarbij de bestuurlijke boetes voor
overtredingen van het bij of krachten de wet bepaalde worden verhoogd en de bevoegdheden
van de NVWA worden uitgebreid, en dat de NVWA gaat samenwerken met andere toezichthouders
zoals de Douane en de politie om zo illegale handel beter te kunnen bestrijden. Daartoe
vragen de leden van de D66-fractie wanneer dit wetsvoorstel verwacht wordt.
De leden van de D66-fractie achten het van groot belang dat ter ook op Europees niveau
maatregelen worden getroffen om grensoverschrijdende effecten tegen te gaan. Deze
leden lezen dat hierover contact is met de Europese Commissie. Daartoe vragen de leden
van de D66-fractie over welke maatregelen wordt gesproken met de Europese Commissie,
en op welke termijn verwacht wordt dat deze maatregelen in zullen gaan.
De leden van de VVD-fractie zijn van mening dat de Nederlandse volksgezondheid baat heeft bij een vermindering
van het aantal rokers. Zij zijn eveneens van mening dat efficiënt en effectief stoppen-met-roken
beleid daarmee noodzakelijk is. Uit de internetconsultatie blijkt dat een klein aantal
respondenten het belangrijk vindt om (ook) op Europees niveau maatregelen te treffen.
Als we dat niet doen dan creëren we een ongelijk speelveld en kopen consumenten nog
steeds rookwaren, alleen dan over de grens. De regering zegt daarover contact te hebben
met de Europese Commissie. Wat is de status van dit contact?
Genoemde leden vragen of de regering de toegevoegde waarde ziet van meer Europese
samenwerking op dit dossier. Kan de regering aangeven welke concrete acties zij ondernemen
om Europese samenwerking te bevorderen? Deze samenwerking zou kunnen aansluiten bij
het door de Europese Commissie op 29 september 2025 aangekondigde Europees actieplan
voor hart- en vaatgezondheid. Lopen er momenteel andere plannen bij de Europese Unie
die kunnen bijdragen aan een Europese preventieaanpak?
De leden van de VVD-fractie maken zich al langere tijd zorgen over het verslechtende
ondernemingsklimaat in Nederland. Het uitwijken van Nederlanders naar Duitsland of
België voor «goedkopere» tabaks- en nicotineproducten raakt het Nederlandse MKB –
van tankstations tot tabaksspeciaalzaken. Kan de regering hierop reflecteren? Kan
de regering inzicht geven in welk percentage nu in het buitenland wordt gekocht?
De leden van de PVV-fractie vragen de regering in hoeverre de zorgen uit de internetconsultatie over economische
schade, uitvoerbaarheid, handhaving en verschuiving naar illegale kanalen daadwerkelijk
hebben geleid tot aanpassing van het wetsvoorstel. Zij vragen de regering concreet
aan te geven welke kritiekpunten van ondernemers en andere betrokkenen zijn overgenomen.
Welke niet, en waarom?
De leden van de CDA-fractie maken van de gelegenheid gebruik om de regering te vragen uiteen te zetten hoe de
regering zich in Europees verband inzet voor het terugdringen van roken en vapen.
Deze leden vragen of de regering hierin in ieder geval de concrete inzet ten aanzien
van de herziening van de Tabaksaccijnsrichtlijn en de aanpassing van de Tabaksproductenrichtlijn
wil meenemen, en ook hoe de regering er bij andere lidstaten en buurlanden op aandringt
verdere maatregelen te nemen.
De leden van de BBB-fractie lezen dat er 67 reacties zijn ontvangen op de internetconsultatie, afkomstig van
zowel gezondheidsorganisaties als ondernemers, brancheorganisaties en particulieren.
Hoe zijn deze verschillende en uiteenlopende belangen in de praktijk gewogen bij de
totstandkoming van het wetsvoorstel?
De leden van de BBB-fractie constateren dat gezondheidsorganisaties vooral pleiten
voor snellere en verdergaande maatregelen, terwijl ondernemers juist wijzen op economische
schade, mogelijke faillissementen en gevolgen voor de leefbaarheid in dorpen en wijken.
Kan de regering toelichten hoe deze signalen zijn meegewogen in de uiteindelijke beleidskeuzes?
7. INWERKINGTREDING
De leden van de PVV-fractie vragen de regering waarom is gekozen voor de voorgestelde fasering en of daarbij
voldoende rekening is gehouden met het risico dat elektronische dampwaar eerder uit
legale verkoopkanalen verdwijnt dan tabaksproducten, waardoor gebruikers mogelijk
overstappen op beter verkrijgbare tabaksproducten.
De leden van de PVV-fractie constateren dat in het wetsvoorstel geen evaluatiebepaling
is opgenomen, terwijl het wetsvoorstel ingrijpende gevolgen heeft voor ondernemers,
de marktordening en de handhaving. Deze leden vragen de regering waarom niet is gekozen
voor een expliciete evaluatiebepaling. Zij vragen of de regering het niet noodzakelijk
acht om wettelijk vast te leggen dat wordt geëvalueerd of het wetsvoorstel daadwerkelijk
leidt tot minder gebruik, dan wel vooral tot verschuiving naar illegale verkoop, grensverkoop,
verkoop via sociale media en onderlinge wederverkoop. Ook vragen zij of de regering
alsnog bereid is een evaluatiebepaling op te nemen.
De leden van de BBB-fractie vragen of de regering kan toelichten in hoeverre de gekozen gefaseerde invoering
tot 2032 voldoende flexibiliteit biedt om in te spelen op onvoorziene effecten, zoals
groei van illegale handel of tekorten aan legale verkooppunten. Is de regering bereid
om tussentijds bij te sturen indien monitoring laat zien dat de effecten afwijken
van de verwachtingen?
De leden van de BBB-fractie hebben voorts nog enkele vragen over de evaluatie van
bestaande maatregelen en de invoering van nieuwe maatregelen inzake het tabaksbeleid.
Waarop baseert de regering de aanname dat een verdere reductie van verkooppunten effectief
zal zijn, aangezien er (nog) geen deugdelijke evaluatie ligt van eerdere maatregelen
zoals het uitstalverbod en het verkoopverbod in supermarkten? Kan het regering aantonen
dat de daling van de rookprevalentie door specifiek deze maatregelen wordt versneld,
aangezien de prevalentie al decennialang in een vrijwel gelijk tempo daalt zonder
duidelijke trendbreuk na recente zware ingrepen? In hoeverre leunt het beleid op feitelijke
effectmetingen achteraf in plaats van op theoretische modellen en aannames die geen
oorzakelijk verband kunnen vaststellen? Hoe denkt de regering het «uithollen» van
nationaal beleid door de illegale markt te voorkomen, nu blijkt dat al meer dan zestig procent
van de geconsumeerde tabak niet uit Nederlandse winkels komt (blijkt uit onderzoek
van het RIVM)? Is de regering bereid de prioriteit te verschuiven van verdere verkoopbeperkingen
naar de bestrijding van illegale handel, aangezien de druk van de illegale markt aanzienlijk
toeneemt? Hoe gaat de regering voorkomen dat er zogenoemde «white spots» ontstaan
(gebieden zonder gecontroleerde verkoop), waardoor de aantrekkingskracht van illegale
aanbieders toeneemt en het toezicht op de leeftijdscheck verdwijnt?
8. OVERIG
Onderzoekers van het RIVM pleiten al langer voor een neutraal uiterlijk bij elektronische
sigaretten; niet alleen voor de verpakking, maar ook voor de vape zelf. Onderzoek
heeft laten zien dat de kleur invloed heeft op de manier waarop mensen een e-sigaretsmaak
ervaren en de mate van aantrekkelijkheid, nog los van de gebruikte smaakstoffen. Voor
tabaksproducten gelden de regels voor een verplicht neutraal uiterlijk al wel. Daartoe
vragen de leden van de D66-fractie of deze mogelijkheid voor elektronische sigaretten ook overwogen is. Wat is de reden
dat deze aanpassing niet is opgenomen in de voorgenomen wetswijziging?
II ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING
De leden van de PVV-fractie lezen dat verschillende onderdelen nader bij of krachtens AMvB worden uitgewerkt.
Deze leden vragen de regering welke AMvB’s nog volgen, op welke onderdelen deze betrekking
hebben en of deze via een voorhangprocedure aan de Kamer worden voorgelegd. Indien
dat niet voor alle AMvB’s het geval is, vragen deze leden waarom niet, gelet op de
ingrijpende gevolgen van dit wetsvoorstel voor ondernemers en consumenten.
De leden van de CDA-fractie lezen dat de regering aangeeft dat met een mogelijke sluiting van een gemakszaak
als gevolg van het verkoopverbod ook een pakketpunt in een buurt of kleine kern kan
verdwijnen. Deze leden vragen of de regering ook nader wil ingaan op de situatie dat
een tabaksspeciaalzaak ook een pakketpunt is. Zij vragen of het klopt dat het vanaf
2032 niet meer is toegestaan dat een tabaksspeciaalzaak ook een pakketpunt heeft.
En zo ja, dan vragen deze leden wat de regering ervan vindt dat op dit moment veel
speciaalzaken wel ook een pakketpunt hebben. Deze leden vragen of de regering deelt
dat dit onwenselijk is, omdat op deze manier alsnog veel mensen en ook jongeren in
aanraking komen met tabaksproducten. Deze leden vragen of de regering bereid is om
ervoor te zorgen dat tabaksspeciaalzaken niet alleen vanaf 2032, maar zo snel mogelijk
geen pakketpunt meer kunnen hebben.
De leden van de CDA-fractie hebben nog enkele vragen over de definitie van een gemakszaak.
Deze leden vragen of zij goed begrijpen dat een gemakszaak minimaal zestig verschillende
producten moet verkopen om aangemerkt te worden als gemakszaak. Deze leden vragen
wat dit betekent voor winkels die bijvoorbeeld vijftig verschillende producten verkopen.
Moeten zij extra producten gaan verkopen, zodat zij vanaf 2030 nog tabaksproducten
mogen verkopen, zo vragen deze leden.
Artikel I, onderdeel B
De leden van de CDA-fractie constateren dat er op dit moment een reclame- en uitstalverbod geldt voor tabaksproducten,
maar dat dit verbod niet volledig geldt voor tabaksspeciaalzaken. Ten eerste omdat
daar nog reclame gemaakt mag worden mits dit niet van buitenaf zichtbaar is, en ten
tweede omdat producten in speciaalzaken niet achter gesloten deurtjes hoeven te staan.
Deze leden vragen of dit klopt en zo ja, of de regering bereid is om het reclameverbod,
inclusief uitstalverbod, volledig uit te breiden naar speciaalzaken. De leden van
de CDA-fractie wijzen er namelijk op dat, wanneer rokers vanaf 2032 hun aankopen uitsluitend
nog in speciaalzaken kunnen doen, zij naar verwachting vaker en intensiever worden
geconfronteerd met reclame en zichtbare uitstallingen van rookwaren dan in de huidige
situatie, waarin aankopen ook plaatsvinden in verkooppunten waar deze verboden wel
gelden. Deze leden achten dit een onwenselijk neveneffect van het beleid. Deze leden
wijzen erop dat deze uitzonderingspositie voor speciaalzaken door de tabaksindustrie
wordt benut om in deze verkooppunten sterk in te zetten op de verkoop van nieuwe rookwaren
die als wezenlijk anders dan de traditionele sigaret worden gepresenteerd, zoals IQOS,
wat blijkt uit recent onderzoek van Pointer. Deze leden vragen hoe de regering hiernaar
kijkt. De leden van de CDA-fractie lezen in dat kader in de toelichting dat het na
2032 niet langer nodig is om het uitstalverbod als hoofdregel te hanteren, en vragen
of de regering dit kan onderbouwen.
Artikel I, onderdeel C
De leden van de CDA-fractie constateren dat het wetsvoorstel een uitzondering maakt voor de verkoop van tabaksproducten
in coffeeshops, omdat in hennep en/of hasjiesj vaak vermengd met tabak wordt verkocht.
Deze leden vragen of het klopt dat hiermee ook producten als sigaretten in coffeeshops
verkocht mogen blijven worden, ook na 2032. En zo ja, dan vragen deze leden of de
regering hiervoor alternatieven overwogen heeft, bijvoorbeeld om wel de verkoop van
bepaalde tabaksproducten in coffeeshops te verbieden, of om coffeeshops wel onder
het verbod te brengen met een uitzondering voor tabak die vermengd is met hennep en/of
hasjiesj. Deze leden vragen of de regering deelt dat het vreemd is om een uitzondering
voor coffeeshops te behouden, als alles erop gericht is om tabaksproducten alleen
nog in speciaalzaken te verkopen. Ook vragen deze leden of het klopt dat voor de producten
die de regering noemt ook tabaksvervangers zonder nicotine gebruikt kunnen worden
en zo ja, waarom deze uitzondering dan nodig is. Bovendien geldt dat in coffeeshops
met rookruimtes al een verbod op het roken van tabak, en dus ook voor het roken van
joints met tabak erin. Deze coffeeshops gebruiken dus tabaksvervangers voor voorgedraaide
joints, zonder nicotine, voor consumptie ter plekke. Deze leden vragen of de regering
deelt dat deze uitzondering hiermee des te vreemder en ook niet nodig is.
De voorzitter van de commissie, Mohandis
Adjunct-griffier van de commissie, Heller
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
M. Mohandis, voorzitter van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport -
Mede ondertekenaar
M. Heller, adjunct-griffier
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.