Verslag (initiatief)wetsvoorstel (nader) : Verslag
36 922 Wijziging van de Wet studiefinanciering 2000 in verband met de verstrekking van een aanvullende tegemoetkoming aan studenten die onder het studievoorschotstelsel hebben gestudeerd
Nr. 5
VERSLAG
Vastgesteld 20 mei 2026
De vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, belast met het voorbereidend
onderzoek van dit voorstel van wet, heeft de eer als volgt verslag uit te brengen.
Onder het voorbehoud dat de hierin gestelde vragen en gemaakte opmerkingen voldoende
zullen zijn beantwoord, acht de commissie de openbare behandeling van het voorstel
van wet genoegzaam voorbereid.
INHOUDSOPGAVE
I.
Algemeen
2
1.
Hoofdlijnen van het voorstel
4
1.1.
Probleembeschrijving en doelstellingen
5
1.1.1.
De tegemoetkoming
5
1.1.2.
Een aanvullende tegemoetkoming
6
1.2.
Inhoud wetsvoorstel
6
1.2.1.
Doelgroep en voorwaarden tegemoetkoming
6
1.2.2.
Doelgroep en voorwaarden aanvullende tegemoetkoming
7
1.2.3.
Uitbreiding doelgroep
7
1.2.4.
Toekenning aanvullende tegemoetkoming volgt toekenning tegemoetkoming
7
1.2.5.
Beschikbaar bedrag voor de aanvullende tegemoetkoming
8
2.
Verhouding tot hoger recht en nationale regelgeving
8
2.1.
Verhouding tot hoger recht
8
2.1.1.
Grondslag en waarborgen verwerking bijzondere persoonsgegevens
8
3.
Gevolgen voor (oud-)studenten
8
3.1.
Financiële gevolgen
8
3.2.
Doenvermogen
8
3.2.1.
Ambtshalve toekennen
8
3.3.
Regeldruk
9
3.3.1.
Op aanvraag toekennen
9
4.
Advies en consultatie
9
4.1.
Internetconsultatie
9
4.2.
Adviescollege toetsing regeldruk
9
5.
Inwerkingtreding en communicatie
10
5.1.
Communicatie
10
II.
Artikelsgewijs
10
Onderdeel A
10
Onderdeel B
10
I. Algemeen
De leden van de D66-fractie staan zeer positief tegenover de wijziging van de Wet
studiefinanciering. Deze leden zijn van mening dat de overheid oog moet hebben voor
studenten die gedurende de jaren van het leenstelsel geen aanspraak konden maken op
een basisbeurs, maar wel hogere schulden hebben opgebouwd. Daarnaast waarderen de
leden van de D66-fractie het voornemen om studenten die door bijzondere omstandigheden
geen diploma hebben kunnen halen of langer hebben gedaan over het behalen van een
diploma, alsnog in aanmerking te laten komen voor de tegemoetkoming.
De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van de wijziging van de Wet studiefinanciering
2000 in verband met de verstrekking van een aanvullende tegemoetkoming aan studenten
die onder het studievoorschotstelsel hebben gestudeerd. Deze leden onderschrijven
dat de periode van het leenstelsel en de terugkeer naar het systeem van de basisbeurs
een uitzonderlijke periode vormde in het stelsel van studiefinanciering. Zij kunnen
begrijpen dat de regering wenst een gebaar te maken naar oud-studenten met deze nieuwe,
aanvullende tegemoetkoming. Tegelijkertijd hebben deze leden nog enkele vragen over
onderhavig wetsvoorstel.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van
het wetsvoorstel, waarin, kort gezegd, een tegemoetkoming wordt geregeld voor studenten
die onder het leenstelsel hebben gestudeerd. Deze leden steunen het voornemen om deze
studenten een hogere tegemoetkoming toe te kennen, in aanvulling op de in de Wet herinvoering
basisbeurs hoger onderwijs toegekende tegemoetkoming. Ook delen zij de mening dat
groepen studenten die eerder buiten de tegemoetkoming vielen, alsnog een tegemoetkoming
toe te kennen. Deze leden vragen zich af of hiermee alle groepen studenten in beeld
zijn. Daarnaast vragen deze leden om een overzicht van de hoogte van de studieschulden
van de generatie studenten van vóór 2015, van de generatie studenten tussen 2015–2023
en van de generatie studenten van na 2023, en de (met inbegrip van de in dit wetsvoorstel
geregelde tegemoetkoming) totale ontvangen tegemoetkoming. Ook zien deze leden graag
in dit overzicht een onderverdeling naar studenten die hun opleiding al dan niet met
een diploma hebben afgesloten, dan wel langer dan voorgeschreven over hun opleiding
hebben gedaan.
De leden van de CDA-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de wijziging van
de Wet studiefinanciering 2000 in verband met de verstrekking van een aanvullende
tegemoetkoming aan studenten die onder het studievoorschotstelsel hebben gestudeerd,
en hebben naar aanleiding daarvan nog een aantal verduidelijkende vragen.
De leden van de JA21-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel en nog enkele
vragen. Het is niet aannemelijk dat de 900.000 leden van de «pechgeneratie» allemaal
in een financieel moeilijke situatie zijn beland door de afschaffing van de basisbeurs,
heeft de regering overwogen om te onderzoeken of maatwerktrajecten de voorkeur verdienen
boven deze tweede generieke tegemoetkoming zodat de focus kan liggen op studenten
die disproportioneel zijn benadeeld door het leenstelsel?
Kan de regering toelichten waarom de eerste onverplichte betaling «te laag» zou zijn
en waarom de twee betalingen bij elkaar opgeteld wel passend zouden zijn? Kan de regering
een overzicht geven van de hoogte van de studieschulden van de generatie studenten
van voor 2015, van de studenten tussen 2015–2023 en van de studenten na 2023? Kan
de regering inzichtelijk maken bij welke gelegenheden eerder is besloten tot een onverplichte
tegemoetkoming door de overheid en welke overwegingen hierbij een rol hebben gespeeld?
Het wetsvoorstel breidt het aantal studenten met deze tweede tegemoetkoming uit met
nieuwe categorieën, studenten die tijdens het leenstelsel geen studiefinanciering
hebben ontvangen en die door bijzondere omstandigheden geen diploma hebben gehaald,
dan wel langer hebben gedaan over het behalen van hun diploma, kan de regering uitleggen
hoe DUO in deze gevallen vaststelt of sprake is van bijzondere omstandigheden? Heeft
DUO de regering laten weten of de controles die nodig zijn door de uitbreiding met
nieuwe groepen studenten die in aanmerking komen voor een tegemoetkoming uitvoerbaar
zijn en is het voor studenten doenlijk om met terugwerkende kracht aan te tonen dat
zij door bijzondere omstandigheden zijn benadeeld?
Hoe zal de regering reageren wanneer blijkt dat de uitkering van de tweede tegemoetkoming
niet wordt begrepen door (een deel van) de begunstigde studenten die vervolgens zullen
aandringen op een derde ronde van tegemoetkomingen?
De leden van de BBB-fractie hebben de wijziging van de Wet studiefinanciering 2000
in verband met de verstrekking van een aanvullende tegemoetkoming aan studenten die
onder het studievoorschotstelsel hebben gestudeerd gelezen en deze leden hebben daarover
nog enkele vragen.
De leden van de DENK-fractie hebben met grote belangstelling kennisgenomen van het
wetsvoorstel om een aanvullende tegemoetkoming te verstrekken aan studenten die onder
het studievoorschotstelsel hebben gestudeerd. Deze leden constateren dat de «pechgeneratie»
jarenlang in onzekerheid en met een onevenredig hoge schuldenlast heeft moeten studeren.
Voor deze leden is studeren een fundamenteel recht en geen privilege dat afhankelijk
mag zijn van de bereidheid om diepe schulden aan te gaan, zeker niet voor studenten
uit sociaaleconomisch kwetsbare milieus die vaak minder financieel vangnet van huis
hebben. Hoewel de leden van de DENK-fractie de erkenning van de regering verwelkomen
dat de eerdere tegemoetkoming van de Wet herinvoering basisbeurs hoger onderwijs (hierna:
de tegemoetkoming) «te laag» was, vragen zij zich af of dit nieuwe voorstel werkelijk
recht doet aan de financiële en mentale schade die is aangericht.
De leden van de SGP-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel en hebben hierover
nog enkele vragen.
De leden van de Partij voor de Dieren-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel.
Deze leden zien het wetsvoorstel als een stap in de goede richting om (oud-)studenten
die onder het leenstelsel aantoonbaar hogere schulden hebben opgebouwd te compenseren.
Tegelijkertijd constateren de leden van de Partij voor de Dieren-fractie dat de hoogte
van de tegemoetkoming in schril contrast staat met de hogere schulden die (oud-)studenten
onder het leenstelsel hebben moet aangaan. Deze leden zijn dan ook van mening dat
de tegemoetkoming niet genoeg is en dat de regering gezien de ernstige fouten uit
het verleden moet werken aan draagvlak bij studentenvertegenwoordigers. Deze leden
hebben over het wetsvoorstel nog een aantal vragen en opmerkingen.
De leden van de ChristenUnie-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van onderhavig
wetsvoorstel. Deze leden waren en zijn altijd voorstander geweest van een hogere tegemoetkoming
voor studenten die ten tijde van het leenstelsel hebben gestudeerd dan die tot nu
toe is uitgekeerd en verwelkomen daarom het wetsvoorstel voor een aanvullende tegemoetkoming.
Zij hebben een aantal vragen.
De leden van de ChristenUnie-fractie lezen in het antwoord van de regering op het
advies van de Raad van State dat de regering ervoor heeft gekozen om af te wijken
van het uitgangspunt dat een onverplichte tegemoetkoming «eenmalig» dient te zijn
om de reden dat de regering van mening is dat de eerder ingevoerde tegemoetkoming
te laag is. Kan de regering inhoudelijk onderbouwen waarom de aanvullende tegemoetkoming,
geregeld in dit wetsvoorstel, wél toereikend zou zijn?
De leden van de ChristenUnie-fractie maakten zich ten tijde van het leenstelsel niet
alleen zorgen over de effecten van het leenstelsel, maar ook over de toenemende druk
in den brede waar jongeren mee te maken hadden. Deze leden wijzen in dit verband bijvoorbeeld
op het advies van het SER1 Jongerenplatform «Hoge verwachtingen» uit 2019, waarin onder meer wordt gewezen op
de effecten van de stapeling van beleid.2 De basisbeurs is opnieuw ingevoerd, maar de hoge druk waar jonge mensen mee te maken
hebben is er nog steeds, zo zien deze leden. Zij vragen in dat kader hoe de regering
nu, zeven jaar later, de positie van de zogenoemde «leenstelselgeneratie» taxeert,
bijvoorbeeld op de woningmarkt. Zij vragen ook in hoeverre de aanbevelingen van toen
zijn opgevolgd en in hoeverre er verbetering is opgetreden in de situatie van jongeren
sinds de genoemde analyse uit 2019. Zij vragen daarnaast of de regering de noodzaak
ziet voor een nieuw advies over de positie van jongeren en de druk waar ze mee te
maken hebben, als vervolg op het advies van het SER Jongerenplatform uit 2019. Zo
ja, is de regering bereid een adviesorgaan als de SER voor te vragen? Zo nee, waarom
niet?
1. Hoofdlijnen van het voorstel
De leden van de VVD-fractie constateren dat het wetsvoorstel voorziet in een tweede,
aanvullende tegemoetkoming bovenop de eerder ingevoerde regeling. Deze leden zien
dat de regering deze aanvullende tegemoetkoming motiveert met de stelling dat de eerdere
tegemoetkoming onvoldoende zou zijn. Zij vragen de regering om deze motivering nader
te onderbouwen. Kan de regering nader toelichten op basis van welke criteria is vastgesteld
dat de eerdere tegemoetkoming onvoldoende was, zo vragen zij. Zij vragen de regering
te bevestigen dat het oorspronkelijke bedrag destijds als passend is beoordeeld en
waarom daar nu anders naar gekeken wordt.
De leden van de VVD-fractie vragen de regering nader in te gaan op het advies van
de Raad van State dat stelt dat voor een onverplichte tegemoetkoming zwaarwegende
redenen noodzakelijk zijn en dat deze in de toelichting ontbreken. Deze leden vragen
zich af welke zwaarwegende redenen de regering hier ziet.
De leden van de VVD-fractie hechten bijzonder aan een betrouwbare overheid die consistent
is in haar beleid. Deze leden delen de zorgen van de Raad van State over het ondermijnen
van het karakter een eenmalig gebaar door herhaalde tegemoetkomingen en dat dit verwachtingen
kan scheppen van verdere compensatie. Zij vragen de regering daarom toe te lichten
of zij deze aanvullende tegemoetkoming wel als definitieve compensatie ziet en waarom.
De leden van de SGP-fractie vragen of de regering kan toelichten waarom het niet mogelijk
is om in plaats van twee afzonderlijke geregelde tegemoetkomingen te komen tot een
enkele tegemoetkoming, waarvan het eerste deel in veel gevallen reeds uitbetaald is,
aangezien de doelgroepen van beide regelingen samenvallen.
1.1. Probleembeschrijving en doelstellingen
De leden van de BBB-fractie vinden het belangrijk dat de oneerlijke situatie die is
ontstaan door het weg laten vallen van de basisbeurs nu deels hersteld wordt. Hoewel
de Raad van State aangeeft dat er geen juridische verplichting is tot tegemoetkoming,
zien deze leden wel een enorme morele verplichting. Kan de regering een overzicht
geven van de hoogte van de studieschulden van de generatie studenten van voor 2015,
van de studenten tussen 2015–2023 en van de studenten na 2023?
1.1.1. De tegemoetkoming
De leden van de CDA-fractie lezen dat studenten door het wegvallen van de basisbeurs
gemiddeld gezien een hogere studieschuld hebben opgebouwd. Deze leden vragen de regering
of zij een overzicht kan geven van de hoogte van de studieschulden van de generatie
studenten van voor 2015, van de studenten tussen 2015–2023 en van na 2023. Zij vragen
de regering ook of er gegevens bekend zijn van jongvolwassenen die de keuze hebben
gemaakt niet te gaan studeren door het wegvallen van de basisbeurs en zo ja, of de
regering deze cijfers kan delen.
De leden van de Partij voor de Dieren-fractie zijn het eens met het standpunt van
de regering dat het wrang is voor studenten die onder het leenstelsel gestudeerd hebben
dat zij geen gebruik hebben kunnen maken van een basisbeurs, in tegenstelling tot
voorgaande en komende generaties. Deze leden lezen dat de regering de eerdere tegemoetkoming
te laag vindt en een aanvullende tegemoetkoming van € 44,50 per maand op basis van
een politieke afweging «passend» vindt, dit als «definitief» beschouwt en hiermee
«een punt achter deze maatschappelijke kwestie» zet. Zij vragen zich af op basis van
welke redenatie de regering vaststelt dat de eerdere tegemoetkoming te laag was en
eveneens op basis waarvan de regering de conclusie trekt dat het nu beschikbaar gestelde
budget van € 1,4 miljard, wat leidt tot een bedrag van € 44,50 per (oud-)student per
maand, wél passend is. Deze leden vragen zich af of de regering over de hoogte van
het bedrag met studentenorganisaties gesproken heeft. Is de regering zich bewust van
het feit dat de LSVb3 het genoemde bedrag als te laag beschouwt en meerdere reacties op de internetconsultatie
dezelfde boodschap geven?4
Hoe kijkt de regering naar het eerdere onderzoek van het CPB5 waaruit blijkt dat de studieschuld van de eerste groep hbo-studenten die onder het
leenstelsel vielen gemiddeld € 7.800 hoger is dan van de groep die een jaar voor het
leenstelsel begon en dat dit verschil voor wo-studenten zelfs € 10.000 is?6 Hoe vergelijkt de regering dit bedrag met de aanvullende tegemoetkoming van € 2.136,00
per vier jaar studie die dit wetsvoorstel regelt?
Ook vragen de leden van de Partij voor de Dieren-fractie zich af op basis waarvan
de regering het gepast acht om zelf «een punt achter deze maatschappelijke kwestie»
te zetten. Is het niet aan de (oud-)studenten zélf om te beoordelen of zij vinden
dat er met dit wetsvoorstel een punt wordt gezet achter de kwestie? Hoe beoordeelt
de regering in dat licht het advies van de Raad van State dat waarschuwt dat de regering
niet motiveert waarom de eerdere tegemoetkoming «te laag» zou zijn en waarom de twee
tegemoetkomingen bij elkaar opgeteld wel «passend» zouden zijn, het daardoor «niet
duidelijk is of het voorstel bijdraagt aan een behoefte aan erkenning» en tot slot
het risico schetst dat hierdoor «de maatschappelijke kwestie niet wordt afgesloten»?
Hoe beoordeelt de regering in dat licht het standpunt van de LSVb, dat het genoemde
bedrag «volledig ontoereikend» beschouwt en «een druppel op een gloeiende plaat» noemt?
Op welke manier heeft de regering de input van studentenvertegenwoordigers meegenomen?
Is de regering het met deze leden eens dat het belangrijk is dat er draagvlak is onder
studentenvertegenwoordigers voor het voorstel, gezien de ernstige fout die de overheid
heeft gemaakt door ooit het leenstel in te voeren?
1.1.2. Een aanvullende tegemoetkoming
De leden van de CDA-fractie lezen dat de hoogte van de tegemoetkoming te laag wordt
geacht en vragen de regering toe te lichten hoe zij tot deze conclusie is gekomen.
Deze leden lezen dat de aanvullende tegemoetkoming € 44,50 per maand bedraagt die
een student onder het leensteelstel heeft gestudeerd en verzoeken de regering om de
onderbouwing van dat bedrag toe te lichten.
De leden van de DENK-fractie merken op dat de regering stelt dat de situatie voor
studenten onder het leenstelsel wrang is, omdat zij als uitzondering geen gebruik
konden maken van een basisbeurs. Kan de regering nader motiveren waarom zij nu pas
tot de conclusie komt dat de eerdere tegemoetkoming onvoldoende was? Op welke wijze
is bij het bepalen van deze aanvullende tegemoetkoming rekening gehouden met de gestegen
inflatie en de torenhoge rente op de studieschulden, die voor veel oud-studenten een
zware last vormen?
De leden van de SGP-fractie constateren dat de regering zich veel moeite getroost
om duidelijk te maken dat nu echt het laatste bedrijf van het tegemoetkomingstoneel
in deze maatschappelijke kwestie is begonnen. Deze leden zijn met de regering van
mening dat op geen enkele wijze sprake kan zijn van een verplichting tot vergoeding
door de overheid of een recht op vergoeding door de student. Tegelijk wijzen zij erop
dat door elke nieuwe tegemoetkoming juist nieuwe verwachting kan worden gevoed dat
er toch nog wel iets meer mogelijk is in de toekomst. Zij vragen hoe de regering kan
onderbouwen dat nu werkelijk een punt achter de tegemoetkomingen gezet wordt. In hoeverre
is met deze uitspraken sprake van zelfbinding richting volgende regeringen?
1.2. Inhoud wetsvoorstel
1.2.1. Doelgroep en voorwaarden tegemoetkoming
De leden van de CDA-fractie lezen dat EER-studenten die recht hadden op volledige
studiefinanciering ook in aanmerking komen voor de tegemoetkoming. Deze leden vragen
de regering of zij zicht heeft op de omvang van deze groep en potentiële financiële
implicaties en of zij deze inzichten kan delen.
1.2.2. Doelgroep en voorwaarden aanvullende tegemoetkoming
De leden van de SGP-fractie vragen waarom de regering er opnieuw voor kiest om de
tegemoetkoming te richten op alle studenten, ook die uit gezinnen met zeer hoge inkomens.
Deze leden constateren dat uit onderzoeken bleek dat met name de middeninkomens het
zwaar te verduren hadden door het leenstelsel. Waarom is de nieuwe tegemoetkoming
niet benut om meer maatwerk toe te passen en vooral die groepen te bedienen die het
het meest nodig hebben?
De leden van de SGP-fractie vragen of het klopt dat de studenten die een aanvullende
beurs hebben gekregen, mogelijk zelfs een volledige, ook opnieuw in aanmerking komen
voor een volledige tegemoetkoming. Deze leden vragen hoe dit te verdedigen zou zijn
vanuit het perspectief van de verdelende rechtvaardigheid. Zij vragen de regering
ook inzichtelijk te maken wat het verschil in bedragen is tussen studenten die gedurende
vier jaar maximale aanvullende beurs als gift hebben ontvangen en studenten die geen
aanvullende beurs hebben gekregen.
1.2.3. Uitbreiding doelgroep
De leden van de CDA-fractie lezen dat de regering voornemens is de groepen (oud-)studenten
die in aanmerking komen voor zowel de tegemoetkoming als de aanvullende tegemoetkoming
uit te breiden. Deze leden vragen de regering of de tegemoetkoming van deze aanvullende
groep (oud-)studenten past binnen het budget van € 1,0 miljard gezien het feit dat
bij de vaststelling van dit budget er met deze groep (oud-)studenten geen rekening
is gehouden.
In het wetsvoorstel wordt geregeld dat specifieke groepen studenten die tijdens het
leenstelsel geen studiefinanciering hebben ontvangen en die door bijzondere omstandigheden
geen diploma hebben gehaald, dan wel langer hebben gedaan over het behalen van hun
diploma, ook in aanmerking komen voor de tegemoetkoming en de aanvullende tegemoetkoming.
Kan de regering nader toelichten hoe DUO in die gevallen vaststelt of sprake is van
deze bijzondere omstandigheden? Acht DUO het goed uitvoerbaar om deze vaststelling
te doen en acht de regering het doenlijk voor (oud-)studenten om nog de bijzondere
omstandigheden ten tijde van de studie aan te kunnen tonen, zo vragen de leden van
de BBB-fractie.
De leden van de DENK-fractie verwelkomen de uitbreiding van de doelgroep naar (oud-)
studenten die door bijzondere omstandigheden geen diploma hebben gehaald of daar langer
over hebben gedaan. Echter, deze leden vragen de regering hoe DUO in de praktijk gaat
vaststellen of er sprake is van deze bijzondere omstandigheden, zeker wanneer deze
jaren geleden hebben plaatsgevonden. Acht de regering het voor (oud-)studenten doenlijk
om na een lange periode nog met bewijsstukken te komen over hun toenmalige situatie?
Hoe wordt voorkomen dat juist de meest kwetsbare studenten, die wellicht de administratieve
weg minder goed weten te vinden, hierdoor buiten de boot vallen?
1.2.4. Toekenning aanvullende tegemoetkoming volgt toekenning tegemoetkoming
De leden van de CDA-fractie lezen dat de groep (oud-)studenten die geen studiefinanciering
hebben aangevraagd maar wel onder de uitbreiding van de doelgroep vallen, een aanvraag
bij DUO kunnen indienen voor tegemoetkoming. Deze leden lezen dat deze (oud-)studenten
een aanvraag moeten doen omdat zij niet bekend zijn bij DUO. Deze leden vragen de
regering of de omvang van deze groep wél bekend is en zo ja, of deze cijfers gedeeld
kunnen worden.
De leden van de CDA-fractie lezen dat de studenten die een aanvraag moeten indienen
voor de tegemoetkoming dit vanaf april 2027 kunnen doen. Deze leden vragen de regering
of zij kan aangeven tot wanneer de mogelijkheid tot het indienen van een aanvraag
tot tegemoetkoming blijft openstaan.
1.2.5. Beschikbaar bedrag voor de aanvullende tegemoetkoming
De leden van de DENK-fractie constateren dat het beschikbare budget van € 1,4 miljard
leidend is geweest voor de hoogte van de tegemoetkoming van € 44,50 per maand. Is
de regering het met deze leden eens dat dit getuigt van een budgetgestuurde benadering
in plaats van een benadering die gebaseerd is op de werkelijke behoefte aan compensatie
van de geleden schade? Kan de regering toelichten waarom er niet voor is gekozen om
de tegemoetkoming te baseren op een reële berekening van de gemiddelde extra schuld
per student?
2. Verhouding tot hoger recht en nationale regelgeving
2.1. Verhouding tot hoger recht
2.1.1. Grondslag en waarborgen verwerking bijzondere persoonsgegevens
De leden van de DENK-fractie maken zich zorgen over de privacy van (oud-)studenten
aangezien de regering voorstelt om gegevens over gezondheid tot tien jaar na het besluit
te bewaren. Waarom is een dergelijke lange bewaartermijn noodzakelijk voor een eenmalig
gebaar? Kan de regering garanderen dat deze gegevens over gezondheid, die verwerkt
worden op basis van de AVG7 uitsluitend toegankelijk zijn voor geautoriseerde personen bij DUO8 en niet voor andere doeleinden worden gebruikt?
3. Gevolgen voor (oud-)studenten
3.1. Financiële gevolgen
De leden van de DENK-fractie wijzen erop dat voor veel studenten de studieschuld een
grote belemmering vormt op de woningmarkt. Kan de regering aangeven of zij heeft onderzocht
wat het effect van deze aanvullende tegemoetkoming is op de leencapaciteit van oud-studenten
voor een hypotheek? Acht de regering het billijk dat studenten die door de overheid
in een schuldenpositie zijn gedwongen, nu geconfronteerd worden met stijgende rentes
die de waarde van deze tegemoetkoming in feite direct weer verdampen?
3.2. Doenvermogen
3.2.1. Ambtshalve toekennen
De leden van de DENK-fractie steunen het principe van ambtshalve toekenning om de
regeldruk te beperken. Echter, deze leden vragen de regering of met de voorgestelde
uitbreiding van de regeling iedereen in beeld komt die tot de zogenoemde pechgeneratie
behoort en in aanmerking zou moeten kunnen komen voor compensatie. Wordt met deze
uitbreiding de volledige groep leenstelselstudenten bereikt? En zijn er specifieke
groepen waarvoor ambtshalve toekenning in de praktijk lastig uitvoerbaar is? Zo ja,
om welke groepen gaat het en welke aanvullende maatregelen worden voor hen overwogen?
3.3. Regeldruk
3.3.1. Op aanvraag toekennen
De leden van de D66-fractie zijn blij om te horen dat met dit wetsvoorstel ook studenten
die door bijzondere omstandigheden, zoals arbeidsongeschiktheid, een functiebeperkingen
of een chronische ziekte, geen diploma hebben kunnen behalen, alsnog in aanmerking
komen voor de tegemoetkoming. Deze leden achten het terecht dat deze groep niet langer
tussen wal en schip valt. De leden van de D66-fractie begrijpen dat voor het toekennen
van deze tegemoetkoming bewijs nodig is van bijzondere omstandigheden, maar vragen
de regering hoe zij ervoor zorgt dat de aanvraagprocedure voor deze groepen daadwerkelijk
toegankelijk en uitvoerbaar blijft. Welke stappen worden gezet om te zorgen dat rechthebbenden
niet onnodig afhaken bij de aanvraag van de tegemoetkoming?
4. Advies en consultatie
De leden van de CDA-fractie lezen in het advies van de Raad van State dat door deze
nieuwe onverplichte tegemoetkoming het eerdere gebaar aan zijn betekenis kan ontnemen
en dat het risico bestaat dat zowel die eerdere als de aanvullende onverplichte betaling
zullen worden opgevat als compensatie waarover blijvend onderhandeld kan worden in
plaats van een betekenisvol gebaar waarmee een maatschappelijke kwestie wordt afgesloten.
Deze leden vragen de regering toe te lichten hoe zij dit weegt en hoe zij borgt dat
dit daadwerkelijk het sluitstuk van een maatschappelijke kwestie betreft.
De leden van de CDA-fractie vragen de regering hoe zij uitwerking geeft aan afweging 10
van het afwegingskader voor onverplicht handelen van de overheid bij klemmende situaties
van de Raad van State om de erkenningsmaatregelen te monitoren en evalueren.9 Deze leden vragen in dat licht de regering ook toe te lichten hoe de financiële situatie
van specifiek deze groep oud-studenten wordt gemonitord.
4.1. Internetconsultatie
De leden van de DENK-fractie merken op dat uit de internetconsultatie bleek dat veel
respondenten de tegemoetkoming te laag vinden in relatie tot de rente en de huizenmarkt.
Waarom heeft de regering besloten om naar aanleiding van deze signalen het wetsvoorstel
niet aan te passen?
4.2. Adviescollege toetsing regeldruk
De leden van de DENK-fractie vragen de regering of het Adviescollege toetsing regeldruk
specifiek heeft gekeken naar de bewijslast voor studenten die aanspraak maken op de
regeling vanwege bijzondere omstandigheden. Acht de regering de administratieve lasten
voor deze groep proportioneel?
5. Inwerkingtreding en communicatie
5.1. Communicatie
De leden van de D66-fractie begrijpen dat DUO breed zal communiceren over de tegemoetkomingen
en specifieke aandacht heeft voor (oud-)studenten die niet bij DUO bekend zijn. Deze
leden vragen de regering nader toe te lichten op welke wijze deze moeilijk bereikbare
groep concreet wordt benaderd. Welke gerichte communicatiekanalen en samenwerkingspartners
worden ingezet om rechthebbenden te bereiken die mogelijk niet meer actief in contact
staan met DUO? Tevens vragen deze leden hoe wordt gemonitord of de communicatiecampagne
voldoende effectief is en hoe wordt voorkomen dat rechthebbenden de tegemoetkoming
mislopen doordat zij niet op de hoogte zijn van de aanvraagmogelijkheid.
De leden van de DENK-fractie maken zich zorgen over de brede en algemene communicatie
richting de studenten over de tegemoetkoming. Hoe zal de regering waarborgen dat alle
studenten goed zullen worden bereikt? En hoe gaat de regering om met studenten die
geen gebruik zullen maken van deze regeling? Wat voor mogelijke maatregelen zou de
overheid in dit geval kunnen nemen? Is er een mogelijkheid om deze studenten proactief
te benaderen?
II. Artikelsgewijs
Onderdeel A
De leden van de DENK-fractie vragen om een nadere toelichting op het voorgestelde
artikel 11.7, eerste lid, waarin de bewaartermijn van tien jaar wordt vastgelegd.
Kan de regering uitleggen hoe deze termijn zich verhoudt tot het beginsel van minimale
gegevenswerking?
Onderdeel B
De leden van de DENK-fractie constateren dat in het gewijzigde artikel 12.30, vijfde
lid, het bedrag van € 44,50 wordt ingevoerd. Kan de regering bevestigen dat dit bedrag
jaarlijks zal worden geïndexeerd conform artikel 11.1, eerste lid, van de Wet studiefinanciering
2000 (WSF 2000) zodat de koopkracht van de tegemoetkoming voor toekomstige rechthebbenden
behouden blijft?
De voorzitter van de commissie, Koorevaar
Adjunct-griffier van de commissie, Easton
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
J.C. Koorevaar, voorzitter van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap -
Mede ondertekenaar
A.E.W. Easton, adjunct-griffier
Stemmingsuitslagen
Aangenomen met handopsteken
| Fracties | Zetels | Voor/Tegen |
|---|---|---|
| D66 | 26 | Voor |
| VVD | 22 | Voor |
| PRO | 20 | Voor |
| PVV | 19 | Voor |
| CDA | 18 | Voor |
| JA21 | 9 | Tegen |
| FVD | 7 | Voor |
| Groep Markuszower | 7 | Tegen |
| BBB | 3 | Voor |
| ChristenUnie | 3 | Voor |
| DENK | 3 | Voor |
| PvdD | 3 | Voor |
| SGP | 3 | Tegen |
| SP | 3 | Voor |
| 50PLUS | 2 | Voor |
| Keijzer | 1 | Voor |
| Volt | 1 | Voor |
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.