Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van de leden Diederik van Dijk, Wiersma en Bikker over de mediarichtlijn van Fiom over abortus
Vragen van de leden Diederik van Dijk (SGP), Wiersma (BBB) en Bikker (ChristenUnie) aan de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport over de mediarichtlijn van Fiom over abortus (ingezonden 15 april 2026).
Antwoord van Minister Hermans (Volksgezondheid, Welzijn en Sport) (ontvangen 21 mei
2026)Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2025–2026, nr. 1820
Vraag 1
Heeft u kennisgenomen van de nieuwe Fiom-mediarichtlijn en bijhorende adviezen over
taalgebruik over abortus?1
Antwoord 1
Ja.
Vraag 2
Is het Ministerie van VWS van plan om deze mediarichtlijn en taaladviezen van Fiom
ook te gaan gebruiken?
Antwoord 2
De mediarichtlijn is volgens Fiom bedoeld voor journalisten, redacties en andere mediaprofessionals
die berichten over abortus. Het Ministerie van VWS is daarmee geen «doelgroep» van
deze richtlijn. Dat neemt niet weg dat sommige suggesties die Fiom in de mediarichtlijn
doet, ook voor het Ministerie van VWS behulpzaam kunnen zijn. Immers, stigma en (voor-)oordelen
komen helaas nog altijd voor bij een onbedoelde zwangerschap. Het kabinet wil daarom
in beleid, doelen en woordkeuze werken aan de-stigmatisering.2
Vraag 3
Kunt u bevestigen dat deze mediarichtlijn en taaltips tot stand zijn gekomen met subsidie
van het Ministerie van VWS? Zo ja, aan welke voorwaarden moet deze communicatie voldoen
qua objectiviteit en neutraliteit?
Antwoord 3
Fiom ontvangt een instellingssubsidie van het Ministerie van VWS. Hiermee ontwikkelt
Fiom naar eigen inzicht kennis over, onder andere, ongewenste zwangerschap en abortus.
Deze mediarichtlijn kwam mede op basis van de uitkomsten van onderzoek3 naar de berichtgeving over abortus in Nederlandse kranten tot stand. Dit past in
de activiteiten die Fiom onderneemt om een breed publiek van informatie over onbedoelde
en/of ongewenste zwangerschap en alle keuzeopties te voorzien.
Fiom tracht met de adviezen stigma over (in dit geval) abortus te verminderen en een
realistischer beeld van een onbedoelde en/of ongewenste zwangerschap uit te dragen.
Daarmee sluit deze activiteit aan bij de doelen binnen de Aanpak onbedoelde en/of
ongewenste zwangerschap.
In de subsidievoorwaarden zijn geen specifieke eisen opgenomen over de wijze waarop
Fiom mag communiceren. Uiteraard geldt in algemene zin wel dat het
Ministerie van VWS het belangrijk vindt dat informatie voor iedereen toegankelijk,
kloppend, begrijpelijk en goed vindbaar is. Het Ministerie van VWS verwacht daarnaast
dat een expertisecentrum als Fiom er voor iedereen is, welke (levensbeschouwelijke)
visie op abortus iemand ook heeft.
Vraag 4
Deelt u de opvatting dat het document van Fiom niet neutraal en feitelijk is, zoals
het pretendeert te zijn?
Antwoord 4
De informatie en de gegeven adviezen zijn mede gebaseerd op het in antwoord op vraag
drie genoemde wetenschappelijk onderzoek dat in samenwerking met de Universiteit van
Amsterdam werd gedaan. De missie en visie van Fiom zijn ook van invloed geweest op
de richtlijn. Fiom heeft de vrijheid om ten aanzien van hun activiteiten, zoals het
publiceren van dit document voor journalisten, eigen afwegingen en keuzes te maken,
passend bij de missie en visie van Fiom. Dat Fiom daarbij een voorkeur toont voor
bepaalde terminologie laat onverlet dat er zeer uiteenlopende (normatieve) visies
op zwangerschap en abortus mogelijk zijn.
Vraag 5
Erkent u dat het vermijden van bepaalde woorden kan bijdragen aan het verdoezelen
van de morele zwaarte van abortus?
Antwoord 5
Het doel van Fiom met deze mediarichtlijn is het bevorderen van feitelijke en niet-stigmatiserende
berichtgeving over abortus. In algemene zin geldt dat taal invloed heeft op hoe mensen
naar een onderwerp als abortus kijken. Dat geldt zowel voor taal die de ingreep bagatelliseert,
als voor taal die de ingreep zwaarbeladen maakt. Naar de mening van het kabinet is
hier dan ook geen sprake van «verdoezelen».
Vraag 6
Acht u het wenselijk dat door de overheid gefinancierde organisaties taal voorschrijven
die bepaalde morele perspectieven op het ongeboren leven uitsluit en afkeurt?
Antwoord 6
Het kabinet begrijpt dat de keuze voor de term «richtlijn» de suggestie kan wekken
dat er sprake is van een standaard waarvan niet afgeweken mag worden. In het document
biedt Fiom praktische tips voor journalisten, redacties en andere mediaprofessionals,
zodat zij op een respectvolle manier kunnen berichten over abortus. Journalisten zijn
uiteraard niet verplicht om deze adviezen te volgen en gaan over hun eigen onderwerpen,
insteek en woordkeuze.
Vraag 7
Wat vindt u ervan dat volgens Fiom niet gesproken mag worden over «pro-life», maar
enkel over «anti-abortus»? Is dit volgens u een neutraal en feitelijk advies?
Antwoord 7
Fiom licht in het document toe dat de term «pro-life» de suggestie kan wekken dat
voorstanders van keuzevrijheid tégen het leven zouden zijn. Dat is een redenering
die het kabinet kan volgen. Tegelijkertijd begrijpt het kabinet de kritiek en gevoeligheid
ten aanzien van dit media-advies van mensen en organisaties die zichzelf als «pro-life»
beschouwen. Er is ten aanzien van het onderwerp abortus sprake van verschillende waarden,
die er allemaal mogen zijn.
Zoals aangegeven in antwoord op vraag zes, geeft Fiom een advies bedoeld voor journalisten,
redacties en andere mediaprofessionals die berichten over abortus. Fiom heeft de vrijheid
om daarbij eigen afwegingen en keuzes te maken en journalisten gaan over hun eigen
onderwerpen, insteek en woordkeuze.
Vraag 8
Erkent u dat «pro-life» een internationaal zeer gangbare zelfbenaming is?
Antwoord 8
Ja, dit erkent het kabinet. Dat laat onverlet dat Fiom hiervoor een alternatieve term
kan aanbieden.
Vraag 9
Hoe waarborgt u dat er ruimte blijft voor verschillende levensbeschouwelijke visies
in het maatschappelijk debat?
Antwoord 9
De vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging zijn
grondwettelijk vastgelegd. Het is belangrijk dat er in het maatschappelijk debat ruimte
is voor verschillende levensbeschouwelijke visies. Er is, naar de mening van het kabinet,
in het maatschappelijk debat in Nederland ruimschoots aandacht voor uiteenlopende
meningen over abortus. Fiom heeft adviezen gegeven over mogelijk taalgebruik door
mediaprofessionals die willen bijdragen aan dit debat.
Vraag 10
Wat vindt u ervan dat Fiom adviseert om geen gebruik te maken van de termen «baby»,
«ongeboren kind», «ongeboren leven» en «meisjes of jongetjes»? Is dit volgens u een
neutraal en feitelijk advies?
Antwoord 10
De mediarichtlijn van Fiom verbiedt niets, maar geeft advies aan media die berichten
over abortus. Fiom adviseert om in de context van berichtgeving over abortus bij voorkeur
medische terminologie te gebruiken – zoals «de vrucht» of «de zwangerschap» – omdat
dit aansluit bij de medische werkelijkheid en een waardeoordeel voorkomt. Het kabinet
begrijpt deze toelichting van Fiom. Tegelijkertijd mogen en kunnen woorden zoals «baby»,
«meisje» of «jongetje» uiteraard worden gebruikt om een zwangerschap te omschrijven.
Vraag 11
Zo ja, kunt u uitleggen waarom een ongeboren kind geen «baby», «meisje» of «jongetje»
mag worden genoemd, terwijl deze in brede maatschappelijke kring zeer gangbaar zijn?
Antwoord 11
Dit is een terechte constatering. De term «ongeboren leven» staat in de Wet afbreking
zwangerschap (Wafz). In de wet is een balans getroffen tussen de beschermwaardigheid
van ongeboren leven en keuzevrijheid van de vrouw. Het is begrijpelijk en gangbaar
dat deze term wordt gebruikt. Dit geldt ook voor het Ministerie van VWS.
Vraag 12
Hoe verhoudt het advies om geen gebruik te maken van de term «ongeboren leven» zich
tot het feit dat de term «ongeboren leven» twee keer letterlijk wordt genoemd in de
Wet afbreking zwangerschap (artikel 5, tweede lid, onderdeel b en artikel 6a, derde
lid, onderdeel b)?
Antwoord 12
Fiom wijst hier op het feit dat de vrouw die voor een zwangerschapsafbreking kiest,
door het gebruik van het woord «plegen» (veelal onbedoeld) als dader of misdadiger
wordt aangemerkt. Dat is zeer onwenselijk, want het kan gevoelens van schaamte en
verdriet voor vrouwen vergroten. Bovendien klopt het niet: een vrouw die een zwangerschapsafbreking
ondergaat is niet strafbaar en ook een arts die de zwangerschapsafbreking verricht
op grond van de Wafz is dat niet. Vrouwen die een zwangerschapsafbreking ondergaan
en artsen die een zwangerschapsafbreking uitvoeren zijn dus geen daders of misdadigers.
Daarmee is het gebruik van het woord «plegen» niet passend.
Vanzelfsprekend erkent het kabinet dat het Wetboek van Strafrecht voorschrijft dat
een abortus in Nederland enkel is toegestaan vanwege de uitzondering die de Wet afbreking
zwangerschap daarop biedt.
Vraag 13
Wat vindt u ervan dat Fiom adviseert om niet te spreken over «abortus plegen» omdat
dit suggereert dat abortus een misdaad is? Erkent u dat abortus in het Wetboek van
Strafrecht staat en in Nederland enkel is toegestaan vanwege de uitzondering die de
Wet afbreking zwangerschap daarop biedt?
Antwoord 13
Fiom stelt dat het post-abortus syndroom een niet-wetenschappelijke term is. Dit is
gebaseerd op het onderzoek Abortus en Psychische gezondheid.4 In dit onderzoek wordt het volgende aangegeven: «Een bestaande […] visie is dat abortus
een traumatische ervaring is, die uniek is in de zin dat het leven van een ongeboren
vrucht wordt beëindigd, en hiermee ook de moederlijke hechting aan het ongeboren kind
geschonden wordt en dat abortus tot een betaald type posttraumatische stressstoornis
kan leiden, te weten het Post-Abortus Syndroom (PAS). Deze diagnose is echter niet
erkend en ook niet opgenomen in diagnostische handboeken zoals de DSM-IV, DSM-5 of
de ICD-10. In internationaal onderzoek wordt de term dan ook inmiddels niet meer gebezigd.»
Ondertekenaars
S.T.M. Hermans, minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.