Inbreng verslag schriftelijk overleg : Inbreng verslag van een schriftelijk overleg over o.a. de geannoteerde agenda Eurogroep en informele Ecofinraad 22 en 23 mei 2026 (Kamerstuk 21501-07-2188)
2026D23423 INBRENG VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
De vaste commissie voor Financiën heeft op 20 mei 2026 vragen en opmerkingen aan de
Minister van Financiën voorgelegd over de brief van 13 mei 2026 (Kamerstuk 21 501-07, nr. 2188), waarmee de Minister de geannoteerde agenda van de vergaderingen van de Eurogroep
en de Ecofinraad 22 en 23 mei 2026 heeft aangeboden, alsmede over de brieven van 29 april
respectievelijk 18 mei 2026 (Kamerstuk 21 501-07, nr. 2182 resp. 21890), waarin de Minister verslag heeft gedaan van de vergaderingen van de
Eurogroep en de Ecofinraad van 27 maart respectievelijk 4 en 5 mei 2026.
De voorzitter van de commissie,
Chris Jansen
De griffier van de commissie,
Weeber
I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van de stukken voor de Ecofin. Zij
lezen in het verslag van de laatste Ecofin/Eurogroep dat Nederland hierin heeft opgeroepen
tot een analyse van eventuele overwinsten bij energiebedrijven en het verkennen van
juridische mogelijkheden voor het invoeren van een eventuele belasting op overwinsten.
Zij vragen wat hiervan de stand van zaken en het vervolg is.
Tevens lezen deze leden dat meerdere lidstaten, waaronder Nederland, vroegen om voortzetting
van het gesprek over het gebruik van geïmmobiliseerde centrale banktegoeden van Rusland.
Kan de Minister het verloop van deze discussie schetsen en uiteenzetten wat de vervolgstappen
zijn?
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de geannoteerde
agenda voor de Eurogroep en informele Ecofinraad van 22 en 23 mei 2026 en van de overige
stukken. Zij hebben hierover nog enkele vragen.
De leden van de VVD-fractie lezen dat de in de raming de economische groei in Europa
neerwaarts is bijgesteld, voornamelijk door de gevolgen van het conflict in het Midden-Oosten
voor de energieprijzen. De geopolitieke ontwikkelingen hebben ook gevolgen voor de
financiële situatie van Nederlanders. Genoemde leden vragen aandacht voor het versterken
van de Europese concurrentiekracht via minder marktbarrières, geïntegreerde energiemarkten
en een sterkere kapitaalmarktunie. Welke belemmeringen ziet de Minister specifiek
voor deze punten en op welke wijze zouden die weggenomen kunnen worden?
De leden van de VVD-fractie merken op dat we op dit moment geen kapitaalmarktunie
hebben, maar dat de Minister wel bezig is met een kopgroep met andere landen om regelgeving
te standaardiseren. De leden vragen naar de stand van zaken op dit punt. En welke
stappen gaat de Minister concreet zetten na zijn oproep in het Financieel Dagblad
van 18 april 2026 («Minister Heinen wil voor het VK nieuw «toegangskaartje» bij EU
regelen») om het Verenigd Koninkrijk en eventueel Noorwegen en Canada hierbij te betrekken?
De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van de gedachtewisseling over de
woningmarkt in relatie tot concurrentievermogen. Zij benadrukken dat woningmarktbeleid
primair een nationale verantwoordelijkheid is en dat uitbreiding van EU-bevoegdheden
op dit terrein, mede ook omdat Europese regelgeving van administratieve lasten woningbouw
zouden kunnen vertragen, in principe niet aan de orde moet zijn. Hoe ziet de Minister
de rolverdeling van bevoegdheden tussen de Europese Unie en lidstaten op dit terrein?
In hoeverre maakt de Minister zich zorgen over mogelijke extra Europese regelgeving
of administratieve lasten voor de woningmarkt en woningbouw?
De leden van de VVD-fractie lezen daarnaast dat tijdens de informele Ecofinraad zal
worden gesproken over stablecoins. Deze leden zien hierbij risico’s voor de financiële
stabiliteit, in het bijzonder bij zogenoemde multi-issuance stablecoins. Zij zouden
graag zien dat deze risico’s goed in kaart worden gebracht en dat voorstellen voor
strengere waarborgen (waaronder een Europese «kill switch») geanalyseerd en getoetst
moeten worden. Zij vragen de Minister hoe hij deze risico’s momenteel beoordeelt.
Welke mitigerende maatregelen worden in Europees verband verkend?
En hoe kijkt de Minister aan tegen het pleidooi van Duitsland en Italië om multi-issuers
onder centraal Europees toezicht te plaatsen?
Met betrekking tot de steun aan Oekraïne vragen de leden van de VVD-fractie de Minister
hoe het kabinet de post Oekraïnesteun in het nieuwe MFK benadert, aangezien nu al
duidelijk is dat 90 miljard euro niet voldoende lijkt te zijn.
Tot slot willen de leden van de VVD-fractie nog een vraag stellen naar aanleiding
van de berichtgeving over Spanje en het coronaherstelfonds in de Telegraaf van 14 mei
2026 («Miljarden uit EU-coronafonds naar pensioenen ambtenaren: linkse regering Spanje
onder vuur»). Deze berichtgeving roept behoorlijk wat vragen op bij de leden. De leden
van de VVD-fractie maken zich zorgen over de doelmatigheid en transparantie van deze
fondsen en vinden dat EU-geld aantoonbaar moet worden besteed aan de afgesproken doelen,
met stevige controle en verantwoording. Deelt de Minister het standpunt van de leden
van de VVD-fractie dat het onwenselijk is dat EU-geld op deze manier door Spanje is
besteed? En zo ja, is de Minister bereid dit in de EU aan te kaarten? Dit onderwerp
is des te meer relevant omdat de Europese Commissie de systematiek van het uitbetalen
van geld zoals dat gebeurt in het coronaherstelfonds, wil gebruiken voor het nieuwe
MFK.
Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie
De leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van de geannoteerde agenda van de
Eurogroep en informele Ecofinraad op 22 en 23 mei 2026. Naar aanleiding hiervan hebben
de leden van de PVV-fractie nog enkele vragen.
Allereerst willen de leden van de PVV-fractie weten welke financiële gevolgen het
niet volledig voldoen aan de mijlpalen en doelstellingen uit het Herstel- en Veerkrachtplan
met zich mee kan brengen voor de schatkist. Heeft het kabinet hierbij een back-up
plan, voor het geval Nederland uiteindelijk alsnog geen aanspraak kan maken op het
volledige deel uit het Europese coronafonds? Aan welke maatregelen denkt het kabinet
hierbij?
Voorts vragen de leden van de PVV-fractie naar een reactie op het gegeven dat Spanje
ervan beschuldigd wordt tot tien miljard euro aan EU-herstelgelden uit de coronacrisis
te hebben gebruikt om een gat in het pensioenstelsel te dichten. Klopt het dat het
niet in strijd is met de regels om vervroegd verstrekte post-Covid-financiering te
gebruiken om algemene begrotingsbehoeften te dekken?
Is de Minister het eens met de Europese Rekenkamer dat het EU-coronafonds een gebrek
aan transparantie en controlemechanismen vertoont?
Voorts stellen de leden van de PVV-fractie vast dat de EU vanaf 2028 jaarlijks 25
miljard euro moet terugbetalen van de gezamenlijke schuld die tijdens de covidpandemie
is opgebouwd. Hoe «eerlijk» is het dat Nederland hieraan meebetaalt?
Verder vragen de leden van de PVV-fractie naar een reactie op de uitspraak van Christine
Lagarde dat de invoering van de digitale euro «te lang duurt, zoals vermeld in het
Financieel Dagblad van 11 mei 2026 («Lagarde vindt invoering digitale euro te lang
duren»).
Kan de Minister wat betreft de invoering van de digitale euro tevens een update geven
of er voldaan is aan de vijf voorwaarden die het kabinet op 2 februari 2023 in het
verslag van een schriftelijk overleg heeft geformuleerd, namelijk (1) duidelijke voordelen
voor consumenten, bedrijven en brede economie; (2) waarborging van privacy; (3) overeenstemming
met het anti-witwasraamwerk; (4) waarborgen voor de financiële stabiliteit en (5)
een niet-programmeerbare digitale euro?
Zijn dit nog steeds harde voorwaarden voor dit kabinet voor de invoering van de digitale
euro?
Ten slotte vragen de leden van de PVV-fractie naar een reactie op de EU-begrotingswens
van € 2.200 miljard. Waar ligt voor dit kabinet de precieze grens?
Kan de Minister de ontwikkeling en een prognose geven van de EU-begroting (in miljarden)
in de periode vanaf 2010 tot en met 2035 en aangeven hoeveel Nederland daaraan heeft
bijgedragen?
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de stukken ten behoeve van de
aankomende Ecofinraad en hebben daarover nog enkele vragen.
De leden van de CDA-fractie volgen met belangstelling de analyse van voormalig ECB-president
Mario Draghi over de geopolitieke positie van Europa, die hij onder meer heeft uitgedragen
bij de uitreiking van de Charlemagne prijs (zie ook de berichtgeving van BNR van 15 mei
2026: «Voormalig ECB-topman Draghi sombert: «Europa staat er voor het eerst helemaal
alleen voor»).
Draghi stelt dat Europa zich moet voorbereiden op een wereld waarin de Verenigde Staten
niet langer vanzelfsprekend een stabiele partner zijn en waarin strategische afhankelijkheden
opnieuw moeten worden bezien. Tevens stelt hij dat de institutionele inrichting van
de Europese Unie onvoldoende aansluit op de huidige geopolitieke en economische werkelijkheid.
Kan de Minister reflecteren op deze analyse van Draghi?
Deelt het kabinet de opvatting dat een slagvaardiger Europa inmiddels ook een fundamenteel
financieel-economisch vraagstuk is? Op welke wijze krijgt dit onderwerp momenteel
vorm binnen de Ecofinraad en de bredere Europese financiële agenda?
De leden van de CDA-fractie hebben daarnaast enkele vragen naar aanleiding van de
vorige Ecofinraad. Het stilvallen van transport via de Straat van Hormuz zet druk
op energieprijzen en leveringszekerheid. Daarbij werkt de Europese Commissie aan voorstellen
rond elektrificatie, energie-infrastructuur en het emissiehandelssysteem. Wanneer
verwacht het kabinet concrete voorstellen van de Europese Commissie op deze onderdelen?
Welke besluitvormingstrajecten voorziet het kabinet vervolgens en op welke termijn
verwacht het kabinet verdere behandeling binnen de Raad?
Voorts wordt gesproken over mogelijke Europese maatregelen ten aanzien van overwinsten
in de olie- en gassector. Wanneer verwacht het kabinet hierover meer duidelijkheid
vanuit de Europese Commissie? Wat is de inzet van het kabinet ten aanzien van eventuele
Europese maatregelen op dit punt?
De leden van de CDA-fractie lezen voorts dat wordt gewerkt aan verdere coördinatie
van nationale steunmaatregelen. Wanneer verwacht het kabinet het overzicht van nationale
maatregelen vanuit de Europese Commissie? Deelt het kabinet de opvatting dat grote
verschillen tussen lidstaten het gelijke speelveld en de interne markt onder druk
kunnen zetten? Deelt het kabinet daarnaast de zorg dat omvangrijke nationale steunmaatregelen
de houdbaarheid van Europese begrotingen verder onder druk kunnen zetten?
De leden van de CDA-fractie hebben tevens vragen over de Spaar- en Investeringsunie.
Nederland behoort tot de groep van zes lidstaten die heeft aangedrongen op versnelling
van de Spaar- en Investeringsunie, inclusief het pakket voor kapitaalmarktintegratie
en toezichtcentralisatie. Welke concrete stappen verwacht het kabinet de komende maanden
op dit dossier? En wanneer wordt de Kamer hier weer over geïnformeerd? Waar liggen
volgens het kabinet momenteel de belangrijkste politieke en institutionele knelpunten?
Acht het kabinet een Raadsakkoord deze zomer haalbaar?
Tot slot hebben de leden van de CDA-fractie vragen over de aankomende vergadering
en dan specifiek over het punt woningmarkten in relatie tot concurrentievermogen.
Deze leden constateren dat binnen Europese discussies relatief weinig aandacht bestaat
voor het belang van doorstroming op de woningmarkt. Deze leden wijzen erop dat het
stimuleren van verhuizingen onder senioren ook starters en gezinnen meer kansen op
de woningmarkt biedt wat ook van belang is voor onze economie.
Nederland kent in vergelijking met andere Europese landen relatief veel woningvermogen
bij ouderen, gecombineerd met een sterk pensioenstelsel. Tegelijkertijd sturen Europese
kaders sterk op schuldreductie en risicobeperking, bijvoorbeeld in discussies over
aflossingsvrije hypotheken. Volgens deze leden leidt dit in de praktijk tot beperkte
mogelijkheden om overwaarde verantwoord in te zetten ten behoeve van doorstroming.
De leden van de CDA-fractie leden vragen het kabinet daarom te reflecteren op de mogelijkheid
van zogenoemde life-cycle lending binnen bestaande Europese kaders. Deelt het kabinet de opvatting dat financiering
meer rekening zou kunnen houden met levensfase, pensioeninkomen en opgebouwd vermogen?
Ziet het kabinet ruimte voor een breder risicokader waarin naast inkomen ook pensioenvermogen,
woningvermogen en loan-to-value-verhoudingen worden meegewogen? Hoe kijkt het kabinet
aan tegen verdere Europese harmonisatie van verzilverproducten? En is het kabinet
bereid de relatie tussen woningmarkt, doorstroming, arbeidsmobiliteit en macro-economisch
concurrentievermogen actiever te agenderen binnen de Ecofinraad?
Vragen en opmerkingen van de leden van de JA21-fractie
De leden van de JA21-fractie hebben kennisgenomen van de geannoteerde agenda voor
de Eurogroep en informele Ecofinraad van 22 en 23 mei 2026.
De leden van de JA21-fractie maken zich zorgen over de verslechterende macro-economische
situatie in Europa. De groeiverwachtingen zijn opnieuw neerwaarts bijgesteld en de
eurozone groeide in het eerste kwartaal slechts beperkt. Tegelijkertijd lopen inflatieverwachtingen
weer op.
Daarnaast wijzen recente ontwikkelingen in het Midden-Oosten en de aanhoudende spanningen
rond de Straat van Hormuz op het risico van langdurig hogere energieprijzen, verstoringen
in mondiale toeleveringsketens en een scenario van stagflatie.
De leden van de JA21-fractie constateren tevens dat vanuit de ECB wordt aangegeven
dat men nog ruimte ziet om af te wachten met renteverhogingen. Deze leden wijzen erop
dat de ECB in 2021 en 2022 eveneens te laat reageerde op oplopende inflatie.
Hoe beoordeelt het kabinet de risico’s van een langdurige blokkade van de Straat van
Hormuz voor de Europese economie, inflatie en energievoorziening? Hoe kijkt het kabinet
naar de recente signalen vanuit obligatiemarkten, waar oplopende kapitaalmarktrentes
wijzen op zorgen over hardnekkige inflatie, geopolitieke risico’s en oplopende overheidsschulden?
Is de Minister niet bang dat centrale banken opnieuw achter de inflatiecurve dreigen
te raken, terwijl financiële markten daar nu al op reageren met hogere kapitaalmarktrentes?
De leden van de JA21-fractie constateren daarnaast dat Italië opnieuw pleit voor verdere
flexibilisering van het Stabiliteits- en Groeipact vanwege de energiecrisis. Hoe gaat
Nederland concreet oppositie voeren tegen pogingen om energie-uitgaven buiten het
Stabiliteits- en Groeipact te plaatsen? Deelt het kabinet de opvatting dat juist in
tijden van geopolitieke onzekerheid geloofwaardige begrotingsdiscipline essentieel
is om financiële stabiliteit en vertrouwen op financiële markten te behouden?
De leden van de JA21-fractie merken op dat hogere energieprijzen in markteconomieën
vanzelf leiden tot aanpassingen in vraag en aanbod. Juist daarom vragen deze leden
zich af of aanvullende Europese lastenverzwaringen via ETS2 economisch verstandig
zijn in de huidige omstandigheden. Erkent het kabinet dat ETS2 bovenop een geopolitieke
energieschok inflatie verder kan versterken en economische groei kan afremmen? Hoe
beoordeelt het kabinet de koopkrachteffecten van ETS2 voor huishoudens, mkb’ers en
energie-intensieve bedrijven in een scenario van langdurig hoge energieprijzen? Is
het kabinet bereid zich in Europees verband in te zetten voor heroverweging van ETS2
indien de huidige energiecrisis aanhoudt?
De leden van de JA21-fractie blijven kritisch op de digitale euro. Zij constateren
dat private Europese marktpartijen via het European Payments Initiative reeds werken
aan Europese betaalsoevereiniteit zonder publieke Europese betaalinfrastructuur. Hoe
beoordeelt het kabinet de ontwikkeling van private Europese betaalinitiatieven zoals
het European Payments Initiative?
Waarom acht het kabinet de digitale euro nog noodzakelijk naast deze marktontwikkelingen?
Hoe beoordeelt het kabinet de waarschuwingen van Europese banken over de hoge implementatiekosten
van de digitale euro? Klopt het dat banken en betaaldienstverleners fors moeten investeren
in wallets, infrastructuur, compliance en klantenservice voor de digitale euro?
De ECB stelt dat de digitale euro voor basisgebruik gratis moet zijn. Kan het kabinet
aangeven wie uiteindelijk de implementatie- en operationele kosten van de digitale
euro zal dragen? Hoe voorkomt het kabinet dat implementatiekosten uiteindelijk worden
doorberekend aan winkeliers, webshops, rekeninghouders en consumenten? Is het kabinet
bereid zich ervoor in te zetten dat invoering van de digitale euro alleen plaatsvindt
indien sprake is van aantoonbare kostenneutraliteit voor ondernemers en consumenten?
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
C.A. (Chris) Jansen, voorzitter van de vaste commissie voor Financiën -
Mede ondertekenaar
A.H.M. Weeber, griffier
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.