Verslag (initiatief)wetsvoorstel (nader) : Verslag
36 920 Wijziging van de Wet op de omzetbelasting 1968 in verband met een aanpassing van de bijzondere regelingen voor ondernemers die diensten verrichten voor andere dan ondernemers, of goederen op afstand verkopen, of bepaalde goederen binnenlands leveren (Wet implementatie Richtlijn btw in het digitale tijdperk – enkele btw-registratie)
Nr. 5
VERSLAG
Vastgesteld 13 mei 2026
De vaste commissie voor Financiën, belast met het voorbereidend onderzoek van bovenstaand
wetsvoorstel, heeft de eer als volgt verslag uit te brengen van haar bevindingen.
Onder het voorbehoud dat de regering op de gestelde vragen tijdig en genoegzaam zal
hebben geantwoord, acht de commissie de openbare beraadslaging over dit wetsvoorstel
voldoende voorbereid.
De voorzitter van de vaste commissie voor Financiën, Jansen
De adjunct-griffier van de commissie, Van der Steur
INLEIDING
De leden van de D66-fractie hebben met interesse kennisgenomen van het wetsvoorstel
inzake de implementatie van de Richtlijn btw in het digitale tijdperk. Deze leden
steunen maatregelen die bijdragen aan het verminderen van administratieve lasten voor
ondernemers en het verbeteren van de werking van de interne markt. Zij hebben enkele
vragen.
De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel Wet implementatie
btw in het digitale tijdperk. Deze leden staan positief tegenover dit wetsvoorstel,
omdat het kan bijdragen aan minder administratieve lasten en eenvoudiger grensoverschrijdend
ondernemen voor ondernemers. Wel hechten de leden groot belang aan een uitvoerbare
en tijdige implementatie met voldoende aandacht voor de uitvoeringscapaciteit van
de Belastingdienst. Zij hebben nog meerdere vragen.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben het wetsvoorstel met interesse gelezen.
Zij hebben enkele vragen.
De leden van de CDA-fractie vinden het goed dat btw-verplichtingen binnen de EU voor
ondernemers eenvoudiger worden gemaakt en administratieve lasten worden verlicht.
Zij zijn dan ook voorstander van de verdere uitbreidingen aan het systeem zoals voorgesteld
in deze wet.
I. ALGEMEEN
2. Implementatie van Richtlijn btw in het digitale tijdperk
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen in aanvulling op de opmerkingen van
de Raad van State waarom gekozen is enkele onderhoudswijzigingen in het voorliggende
wetsvoorstel op te nemen, zijnde een implementatiewet, in plaats van in de Fiscale
Verzamelwet 2027. Voorts vragen deze leden wanneer de regering verwacht voorstellen
in te dienen voor de implementatie van de overige onderdelen van de Richtlijn btw
in het digitale tijdperk.
Deze leden vragen de regering om een overzicht te maken van wat na implementatie van
de Richtlijn btw in het digitale tijdperk wel en niet onder de reikwijdte van de Unieregeling
valt. Voorts vragen zij waarom voor de specifieke genoemde uitbreiding gekozen is,
waarom de Unieregeling in eerste instantie niet gebruikt kon worden voor specifieke
leveringen.
3. Hoofdlijnen van het wetsvoorstel
3.1. Uitbreiding van de Unieregeling
De leden van de VVD-fractie lezen dat ter vermindering van administratieve lasten
wordt voorgesteld de reikwijdte van de unieregeling uit te breiden, zodat de meeste
grensoverschrijdende goederenleveringen en dienstverrichtingen aan consumenten onder
de regeling vallen. Deze leden vragen welke grensoverschrijdende leveringen en diensten
expliciet níet onder deze uitgebreide Unieregeling zullen vallen. Kan de regering
hiervan een overzicht geven, inclusief de motivering waarom deze uitzonderingen blijven
bestaan?
Daarnaast vragen deze leden of de regering nog verdere mogelijkheden ziet om de reikwijdte
van de Unieregeling in de toekomst verder te verruimen, teneinde administratieve lasten
voor ondernemers verder te beperken. Welke belemmeringen – bijvoorbeeld van juridische,
uitvoerings- of Europeesrechtelijke aard – staan eventuele verdere uitbreiding momenteel
nog in de weg?
3.2. Uitbreiding van de éénloketregelingen met de overbrengingsregeling
De leden van de VVD-fractie lezen dat de nieuwe overbrengingsregeling wordt ingevoerd
om administratieve lasten te verminderen, terwijl lidstaten «tegelijkertijd in staat
worden gesteld de goederenstromen effectief te blijven volgen». Daarbij vervalt de
belastingheffing bij intracommunautaire verwerving en wordt deze vrijgesteld. Hoe
wordt in de praktijk geborgd dat belastingautoriteiten voldoende zicht houden op goederenstromen
bij toepassing van de overbrengingsregeling en acht de regering het risico op btw-fraude
hiermee afdoende ondervangen?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen de regering toe te lichten hoe de nieuwe
overbrengingsregeling lidstaten in staat stelt goederenstromen effectief te blijven
volgen als intracommunautaire verwerving voortaan vrijgesteld is.
3.3. Verplichtstelling en uitbreiding van de grensoverschrijdende verleggingsregeling
De leden van de VVD-fractie lezen dat de bestaande, thans optionele, grensoverschrijdende
verleggingsregeling verplicht wordt gesteld, waardoor ondernemers zich in meer gevallen
niet hoeven te registreren in andere lidstaten. Tegelijkertijd wordt gesteld dat ondernemers
hierdoor wel verplicht worden een opgaaf intracommunautaire prestaties (ICP) in te
dienen. Hoe verhoudt de verplichtstelling van extra ICP-verplichtingen zich tot het
doel van lastenverlichting, en verwacht de regering dat dit voor met name mkb-ondernemers
per saldo daadwerkelijk eenvoudiger wordt?
De voorgestelde wetswijziging introduceert een aanvullende verleggingsregeling naast
artikel 12, tweede, derde en vijfde lid, Wet OB 1968. Deze nieuwe regeling geldt indien
de leverancier of dienstverlener niet in Nederland is gevestigd, hier geen vaste inrichting
en geen btw-identificatienummer heeft, terwijl de afnemer juist wel een Nederlands btw-identificatienummer
heeft en het geen intracommunautaire levering of reeds onder artikel 12, tweede lid,
vallende dienst betreft. De leden van de VVD-fractie delen het standpunt van de NOB
dat deze systematiek complex en verwarrend is nu er sprake is van overlappende regelingen
en ondernemers mede de Btw-richtlijn moeten raadplegen om hun verplichtingen vast
te stellen. Vanuit het oogpunt van rechtszekerheid en eenvoud meent de NOB dat het
de voorkeur heeft nieuwe regeling op te nemen en samen te voegen met artikel 12, derde
lid, Wet OB 1968 en in artikel 37a rechtstreeks naar deze bepaling te wijzen. In een
nieuw vierde lid kan dan aangegeven worden dat de verleggingsregeling ook geldt indien
de afnemer een btw-ondernemer is die niet voor de btw is geregistreerd in Nederland,
maar daar wel is gevestigd, of als het gaat om een lichaam in de zin van de AWR zonder
btw-registratie. Deelt de regering de mening dat deze splitsing de wetgeving overzichtelijker
en eenvoudiger toepasbaar zou maken?
5. Gevolgen
5.1. Effecten voor bedrijven en burgers
De leden van de VVD-fractie lezen dat het kabinet stelt dat het doel «het verminderen
van de administratieve lasten die voortvloeien uit btw-registraties in meerdere lidstaten»
is en dat de lastenverlichting voor ondernemers wordt geraamd op € 81 miljoen. Tegelijkertijd
worden nieuwe verplichtingen geïntroduceerd zoals aanvullende btw-meldingen en administratieve
eisen binnen de éénloket- en overbrengingsregeling. Kan de regering nader onderbouwen
hoe deze lastenverlichting van € 81 miljoen is berekend en in hoeverre daarin rekening
is gehouden met de extra administratieve verplichtingen die ondernemers krijgen bij
de uitbreiding van de éénloketregelingen?
De leden van de VVD-fractie lezen dat de éénloketregelingen optioneel blijven en dat
ondernemers zelf een afweging kunnen maken of toepassing voor hen gunstig is. Tegelijkertijd
leidt het wetsvoorstel ertoe dat bepaalde regelingen, zoals de verleggingsregeling,
verplicht worden gesteld. In welke concrete situaties verwacht de regering dat ondernemers
er juist níet voor zullen kiezen om de Unieregeling toe te passen, en acht de regering
het risico aanwezig dat ondernemers door de complexiteit van de keuzes alsnog hogere
nalevingskosten krijgen?
De leden van de VVD-fractie lezen dat vooral ondernemers in sectoren zoals energievoorziening
en de bouw baat zullen hebben bij de uitbreiding van de Unieregeling. Tegelijkertijd
wordt de samenloop met regelingen voor kleinere ondernemers, zoals de drempel van
€ 10.000 en de kleineondernemersregeling, aangescherpt. Kan de regering nader toelichten
wat de gevolgen van dit wetsvoorstel zijn voor kleine ondernemers en zzp’ers die grensoverschrijdend
actief zijn en in hoeverre zij voldoende worden ondersteund bij het maken van de juiste
fiscale keuzes? Is of wordt overwogen de drempel van € 10.000 te verhogen? Hoe verhoudt
deze drempel zich met drempels die in andere lidstaten worden gehanteerd?
5.2. Doeltreffendheid en doelmatigheid
De leden van de VVD-fractie lezen dat de maatregelen bijdragen aan een gelijkwaardiger
concurrentiepositie tussen binnenlandse ondernemers en ondernemers uit andere lidstaten.
Tegelijkertijd biedt de richtlijn weinig beleidsruimte voor nationale keuzes. Hoe
beoordeelt de regering de effecten van dit wetsvoorstel op de concurrentiepositie
van Nederlandse ondernemers ten opzichte van ondernemers uit andere lidstaten?
6. Uitvoeringskosten Belastingdienst
De leden van de D66-fractie hebben enkele vragen over de uitvoerbaarheid van het voorstel.
Zij lezen dat de implementatie deels afhankelijk is van het nieuwe OB-pakket van de
Belastingdienst en dat de uitvoeringstoets in 2027 wordt herijkt. Kan de regering
nader toelichten welke risico’s er op dit moment in beeld zijn voor tijdige implementatie?
Is de regering ervan overtuigd dat tijdige implementatie gaat lukken?
De leden van de VVD-fractie lezen dat de Belastingdienst de maatregelen uitvoerbaar
acht, maar dat de implementatie is opgesplitst in twee delen en deels afhankelijk
is van het nieuwe OB-pakket/GenTax. Tevens wordt gesproken over een mogelijke «terugvalmogelijkheid»
indien de planning onder druk komt te staan. Welke risico’s ziet de regering concreet
voor de tijdige implementatie van dit wetsvoorstel bij de Belastingdienst en wat houdt
de genoemde terugvalmogelijkheid precies in voor ondernemers en hun aangifteverplichtingen?
Treedt er verdringing op in het IV-portfolio als van deze terugvalmogelijkheid gebruik
moet worden gemaakt?
Ten aanzien van de uitvoeringstoets hebben de leden van de CDA-fractie enkele vragen.
Deze leden merken op dat de implementatie van de regeling voor btw e-commerce enkele
jaren geleden al grote problemen in de uitvoering opleverde omdat het niet kon worden
geïmplementeerd in de ICT-systemen van de Belastingdienst. Om de implementatiedeadline
te halen, werd daarom een handmatig noodspoor ingesteld waar veel extra fte en kosten
mee gepaard gingen. Deze leden zien nu in deze uitvoeringstoets weer eenzelfde risico.
Het eerste deel wordt uitgevoerd onder het destijds ingestelde noodspoor, terwijl
het tweede deel in een systeem moet worden verwerkt dat er nog niet is en waar de
Belastingdienst dus ook nog geen ervaring mee heeft. Zij vragen of het kabinet uiteen
kan zetten wat de gevolgen voor de uitvoering zijn als blijkt dat planning per 2027
in het OB-Pakket/GenTax niet mogelijk is en hoe een fall-back scenario er dan uit
zou kunnen zien. Ook vragen zij wat daarvan mogelijke personele en budgettaire implicaties
zouden zijn.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
C.A. (Chris) Jansen, voorzitter van de vaste commissie voor Financiën -
Mede ondertekenaar
R.A. van der Steur, adjunct-griffier
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.