Inbreng verslag schriftelijk overleg : Inbreng verslag schriftelijk overleg over de geannoteerde agenda voor de Raad Buitenlandse Zaken Handel van 22 mei 2026 (Kamerstuk 21501-02-3393)
2026D22290 INBRENG VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
Binnen de vaste commissie voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking hebben
enkele fracties de behoefte een aantal vragen en opmerkingen voor te leggen aan de
Minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking over onder andere de
geannoteerde agenda voor de Raad Buitenlandse Zaken Handel van 22 mei 2026.
De voorzitter van de commissie,
Den Hollander
Adjunct-griffier van de commissie,
Prenger
Inhoudsopgave
I. Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
– Inbreng D66-fractie
– Inbreng VVD-fractie
– Inbreng GroenLinks-PvdA-fractie
– Inbreng CDA-fractie
– Inbreng JA21-fractie
– Inbreng BBB-fractie
– Inbreng Denk-fractie
– Inbreng SGP-fractie
– Inbreng CU-fractie
– Inbreng SP-fractie
II. Reactie van de Minister
III. Volledige agenda
I. Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
Inbreng leden van de D66-fractie
De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van de geannoteerde agenda voor de
Raad Buitenlandse Zaken Handel. Deze leden onderstrepen dat een actief Europees handelsbeleid
in deze geopolitieke tijd onmisbaar is voor economische weerbaarheid, diversificatie
van waardeketens en het verdedigen van een op regels gebaseerde internationale orde.
Daarover hebben deze leden de volgende vragen.
WTO
De leden van de D66-fractie delen de teleurstelling over de beperkte uitkomsten van
de 14e Ministeriële Conferentie van de WTO. Juist in een tijd van toenemend protectionisme,
geopolitieke fragmentatie en handelsconflicten is een sterke, moderne en op regels
gebaseerde WTO van groot belang. Deze leden constateren dat er brede steun bestaat
voor hervorming, maar dat gebrek aan consensus opnieuw concrete voortgang heeft geblokkeerd.
Welke concrete voorstellen steunt Nederland om de besluitvorming binnen de WTO te
verbeteren? Is het kabinet bereid binnen de EU te pleiten voor een werkprogramma waarin
expliciet wordt gekeken naar besluitvorming zonder volledige unanimiteit, bijvoorbeeld
ten aanzien van procedurele besluiten of voor het opnemen van plurilaterale akkoorden
binnen de WTO-architectuur? Welke gelijkgezinde landen wil het kabinet hiervoor actief
mobiliseren richting de vervolggesprekken in Genève?
Deze leden vragen daarnaast naar het herstel van een goed functionerend systeem voor
geschillenbeslechting. Welke stappen zet het kabinet om de EU-inzet op herstel van
de Appellate Body te versterken? En welke landen probeert de EU te bewegen tot deelname
aan de MPIA zolang het reguliere beroepsmechanisme niet functioneert?
Straat van Hormuz / Midden-Oosten en handel
De leden van de D66-fractie maken zich blijvende zorgen over de gevolgen van de afsluiting
van de Straat van Hormuz voor internationale waardeketens, energieprijzen en voedselzekerheid.
Zij roepen het kabinet op om binnen de EU te pleiten voor een actieve Europese diplomatieke
inzet gericht op heropening van deze essentiële handelsroute.
Naast de impact op energieprijzen maken deze leden zich grote zorgen over verstoringen
in de toeleveringsketens voor kunstmest. Welke impact voorziet het kabinet op oogsten,
zowel in Europa als daarbuiten? Op welke manier werkt het kabinet in Europees verband
aan het proactief verlichten van deze problematiek? En hoe ondersteunt de EU kwetsbare
landen die door stijgende energie- en kunstmestprijzen onevenredig hard worden geraakt?
Handelsakkoorden en diversificatie
De leden van de D66-fractie zijn verheugd dat het EU-Mercosur-akkoord eindelijk gedeeltelijk
in werking is getreden. Dit akkoord biedt economische kansen aan beide zijden van
de Atlantische Oceaan en draagt bij aan de diversificatie van Europese handelsrelaties,
juist nu de geopolitieke situatie Europa dwingt minder afhankelijk te worden van een
beperkt aantal handelspartners. Deze leden zien in dat licht ook het belang van voortgang
op handelsakkoorden met landen als India en Indonesië.
Deze leden vragen daarnaast specifiek aandacht voor de Indo-Pacific. Zij constateren
dat er veel beweging is in de handelsrelatie met ASEAN-landen, waaronder de Filipijnen,
Maleisië en Thailand. Juist in een regio die onder hoge geopolitieke druk staat, is
het van belang dat de EU haar relaties verdiept met belangrijke partners voor de toekomst,
die net als Europa belang hebben bij vrije handel, weerbare waardeketens en het hooghouden
van de internationale rechtsorde. Deze leden vragen het kabinet daarom hoe het de
voortgang in de onderhandelingen met de Filipijnen, Maleisië en Thailand beoordeelt,
mede naar aanleiding van de voortgangsrapportage handelsakkoorden. Welke kansen ziet
het kabinet om de handelsrelatie met deze landen verder te verdiepen? En hoe zet Nederland
zich ervoor in dat deze akkoorden bijdragen aan economische veiligheid en duurzame
ontwikkeling?
Algemeen Preferentieel Stelsel
De leden van de D66-fractie nemen met instemming kennis van het bereiken van een akkoord
over de herziening van het Algemeen Preferentieel Stelsel. Deze leden vinden het positief
dat gunstige markttoegang nadrukkelijker wordt gekoppeld aan fundamentele arbeidsrechten
en de Overeenkomst van Parijs. Tegelijkertijd vragen zij aandacht voor de uitvoerbaarheid
hiervan voor partnerlanden. Deelt het kabinet de opvatting dat deze voorwaarden alleen
effectief en ontwikkelingsgericht kunnen zijn wanneer landen ook voldoende worden
ondersteund bij de naleving ervan? Hoe zet Nederland zich er binnen de EU voor in
dat landen in het mondiale Zuiden technische assistentie, capaciteitsopbouw en ruimte
voor sociale dialoog krijgen om aan deze duurzaamheidsafspraken te voldoen? Op welke
manier worden vakbonden en maatschappelijke organisaties in begunstigde landen betrokken
bij de monitoring en uitvoering van de duurzaamheidsafspraken onder het APS?
Handelsrelatie EU-Verenigd Koninkrijk
De leden van de D66-fractie zijn verheugd over de positieve beweging in de relatie
tussen de EU en het Verenigd Koninkrijk. Juist in deze geopolitieke tijd is nauwere
samenwerking met het VK van groot economisch en strategisch belang. Deze leden nemen
met bijzondere instemming kennis van de herintreding van het VK in het Erasmus+-programma,
als belangrijke stap in het herstellen van de banden tussen jonge Europeanen en Britten.
Deze leden constateren dat de Britse regering inzet op verdere verdieping van de relatie
met de EU, onder meer via afspraken over voedsel- en landbouwproducten, vermindering
van grensbarrières, samenwerking op emissiehandel en een regeling voor jongerenmobiliteit.
Tegelijkertijd blijven de Britse rode lijnen – geen terugkeer naar de interne markt,
douane-unie of vrij verkeer – vooralsnog overeind.
Hoe beoordeelt het kabinet deze Britse inzet? Deelt het kabinet de opvatting dat Nederland,
als handelsland en nauwe partner van het VK, belang heeft bij het zoveel mogelijk
verlichten van handelsbarrières binnen de politieke ruimte die nu bestaat? Welke concrete
stappen ziet het kabinet om de handelsrelatie met het VK verder te verdiepen, bijvoorbeeld
op het terrein van SPS-afspraken, douanesamenwerking, wederzijdse erkenning, emissiehandel,
energie, beroepskwalificaties en jongerenmobiliteit?
Deze leden vragen hoe Nederland zich binnen de EU opstelt richting een bredere EU-VK-reset.
Is het kabinet bereid te pleiten voor een ambitieuze inzet, waarbij handelsbarrières
worden verminderd, samenwerking op energie en klimaat wordt verdiept en uitwisseling
van studenten, jongeren en professionals verder wordt vergemakkelijkt?
Handelsrelatie EU-Verenigde Staten
De leden van de D66-fractie nemen met teleurstelling kennis van de recente dreigingen
van de Amerikaanse president om tarieven op de Europese auto-industrie te verhogen.
Deze leden constateren dat president Trump de EU een deadline van 4 juli 2026 heeft
gesteld om de afspraken uit de Turnberry-deal uit te voeren, met de dreiging van hogere
tarieven indien de EU dat niet doet. Daarbij is onder meer gesproken over een verhoging
van autotarieven van 15 naar 25 procent.
Deze leden benadrukken dat zij nog altijd zorgen hebben over de mate waarin de Verenigde
Staten zich gebonden achten aan de afspraken die in Turnberry zijn gemaakt. Ook recente
Amerikaanse waarschuwingen dat broodnodig Europees beleid rond technologische soevereiniteit
strijdig zou zijn met handelsafspraken, dragen bij aan deze zorgen.
Hoe reflecteert het kabinet op deze dreigementen en uitspraken vanuit Amerikaanse
zijde? Deelt het kabinet de zorg dat de betrouwbaarheid van de Verenigde Staten als
handelspartner onder druk staat wanneer tariefdreigingen worden ingezet terwijl de
EU bezig is met democratische en wetgevende procedures? Hoe beoordeelt het kabinet
de spanning tussen enerzijds snelle inwerkingtreding van de Turnberry-afspraken en
anderzijds de noodzaak om de EU voldoende te beschermen tegen nieuwe Amerikaanse tariefmaatregelen?
Deze leden achten, ondanks de duidelijke mankementen, snelle inwerkingtreding van
het akkoord van belang om verdere escalatie in de trans-Atlantische handelsrelatie
te voorkomen. Tegelijkertijd vragen zij hoe het kabinet aankijkt tegen aanvullende
waarborgen om de Amerikaanse zijde daadwerkelijk aan de afspraken te binden. Ziet
het kabinet voldoende handvatten in het bestaande akkoord om te reageren op nieuwe
Amerikaanse tarieven? Hoe beoordeelt het kabinet de inzet van het Europees parlement
voor clausules die tariefpreferenties kunnen opschorten wanneer de VS nieuwe tarieven
invoert, en voor een zogenoemde sunrise clause waarbij EU-concessies pas ingaan zodra
de VS haar verplichtingen nakomt?
Handelsrelatie met Israël en illegale nederzettingen
De leden van de D66-fractie nemen met teleurstelling kennis van het uitblijven van
voldoende steun, ook bij besluitvorming met gekwalificeerde meerderheid, voor Europese
maatregelen in de handelsrelatie met Israël in brede zin, en voor een Europees handelsverbod
op producten uit illegale nederzettingen in het bijzonder.
Deze leden constateren dat de Raad Buitenlandse Zaken Handel een logisch moment biedt
om opnieuw te pleiten voor een Europees handelsverbod op producten uit illegale nederzettingen.
Is het kabinet bereid zich tijdens de RBZ Handel actief uit te spreken voor Europese
handelsmaatregelen tegen illegale nederzettingen? Wat is de inzet van het kabinet
om lidstaten die zich hiertegen verzetten alsnog te overtuigen? Hoe benut het kabinet
de mogelijkheden om met gelijkgezinde lidstaten een coalitie te vormen, om zo de invloed
en overtuigingskracht richting terughoudende lidstaten te vergroten?
Deze leden blijven daarnaast aandringen op het voortvarend presenteren van een nationaal
handelsverbod op producten uit illegale nederzettingen, indien Europese besluitvorming
uitblijft.
Russisch lng en economische veiligheid
De leden van de D66-fractie nemen met zorg kennis van berichtgeving dat Nederland
in de eerste drie maanden van dit jaar nog altijd 12 procent van het geïmporteerde
vloeibare gas uit Rusland betrok. Deze leden constateren dat dit moeilijk te rijmen
is met de inzet om Europese afhankelijkheid van Russische energie zo snel mogelijk
af te bouwen en te voorkomen dat Europese betalingen de Russische oorlogskas blijven
spekken.
Hoe beoordeelt het kabinet deze aanhoudende import van Russisch lng? Kan het kabinet
uitsplitsen welk deel hiervan daadwerkelijk voor Nederlands gebruik bestemd is en
welk deel via Rotterdam wordt doorgevoerd naar andere Europese landen? Welke mogelijkheden
ziet het kabinet om de import van Russisch lng sneller af te bouwen dan de Europese
deadline van begin 2027, zonder de leveringszekerheid onevenredig te raken? En is
het kabinet bereid zich in EU-verband te verzetten tegen uitstel van het volledige
verbod op Russisch lng, ook nu de afsluiting van de Straat van Hormuz druk zet op
de wereldwijde lng-markt?
Oeigoerse dwangarbeid
De leden van de D66-fractie blijven grote zorgen houden over producten die mogelijk
met Oeigoerse dwangarbeid tot stand zijn gekomen. Deze leden wijzen op recente berichtgeving
van Nieuwsuur dat de import van goederen uit Xinjiang naar Nederland de afgelopen
jaren is verzesvoudigd en vorig jaar bijna 500 miljoen euro bedroeg, ondanks de ernstige
mensenrechtenschendingen tegen Oeigoeren en andere minderheden in de regio. Ook zou
Nederland een deadline hebben gemist voor de aanwijzing van een toezichthouder onder
de nieuwe Europese regels tegen producten die met dwangarbeid zijn gemaakt.
Kan het kabinet toelichten waarom het de motie-Van Baarle/Bamenga als uitgevoerd beschouwt,
terwijl de handel met Xinjiang toeneemt en de praktische handhaving nog in voorbereiding
lijkt? Welke concrete stappen zet het kabinet om producten die met Oeigoerse dwangarbeid
zijn gemaakt van de Nederlandse en Europese markt te weren? Wanneer wordt de Nederlandse
toezichthouder aangewezen? En is het kabinet bereid ervoor te pleiten dat Xinjiang
expliciet als risicoregio wordt opgenomen in de Europese risicodatabase?
Inbreng leden van de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de geannoteerde
agenda met de inzet voor de Raad Buitenlandse Zaken Handel van 22 mei 2026 en de overige
stukken. In een wereld van toenemende geopolitieke spanningen en instabiliteit benadrukt
volgens deze leden van de VVD-fractie nog maar eens het belang van een actief, strategisch
en realistisch handelsbeleid. Deze leden hebben nog een aantal vragen.
Deze leden benadrukken dat de trans-Atlantische relatie de hoeksteen van onze economische
welvaart vormt. Zij constateren dat er vanuit Washington stevige kritiek bestaat op
de trage Europese uitvoering van het Turnberry-akkoord. Zij geven aan dat hoewel er
vaak kritiek is op Washington, we ook eerlijk moeten zijn dat de Verenigde Staten
wel een punt hebben als het gaat om trage Europese uitvoering van het Turnberry-akkoord.
De Verenigde Staten zijn de grootste buitenlandse investeerder in Nederland, terwijl
Nederland tegelijkertijd behoort tot de grootste investeerders in de Verenigde Staten.
Dat wederzijdse belang vraagt volgens deze leden om nuchterheid, strategisch inzicht
en een pragmatische koers.
De leden van de VVD-fractie steunen daarom de-escalatiestrategie van bondskanselier
Merz. Wat deze leden betreft moet Europa laten zien dat het gemaakte afspraken serieus
neemt in plaats van de confrontatie op te zoeken. Zij vragen het kabinet daarom hoe
er in Europees verband op wordt aangedrongen dat de Europese Unie sneller uitvoering
geeft aan de afspraken uit het Turnberry-akkoord. Welke concrete stappen zet het kabinet
om binnen de Europese Unie meer tempo te maken?
Tegelijkertijd vinden de leden van de VVD-fractie wel dat moet worden voorkomen dat
instrumenten als het Anti-Coercion Instrument lichtvaardig worden ingezet. Wat deze
leden betreft dient dit instrument uitsluitend te worden gebruikt als drukmiddel bij
ernstige geopolitieke chantage of existentiële dreigingen. Diplomatie richting onze
belangrijkste handelspartner moet volgens deze leden altijd maximaal worden benut
voordat verdere economische tegenmaatregelen worden overwogen.
Ten aanzien van de Wereldhandelsorganisatie (WTO) constateren de leden van de VVD-fractie
dat de uitkomsten van de 14e Ministeriële Conferentie in Yaoundé teleurstellend zijn.
Deze leden maken zich in het bijzonder zorgen over het uitblijven van structurele
WTO-hervormingen en het aflopen van het e-commerce moratorium. Wat deze leden betreft
verliest een Wereldhandelsorganisatie die structurele hervormingen blijft uitstellen
haar geloofwaardigheid. Sinds 1998 vormt dit moratorium, dat invoerrechten op digitale
overdrachten zoals software, data en streamingdiensten voorkomt, een fundament onder
de wereldwijde digitale economie. Het wegvallen daarvan creëert volgens deze leden
grote onzekerheid voor bedrijven en dreigt te leiden tot een versnippering van nationale
digitale heffingen. Deze leden vragen daarom hoe het kabinet de risico’s voor de Nederlandse
techsector en digitale handel beoordeelt nu het moratorium onder druk staat. Welke
inzet pleegt Nederland binnen de WTO om alsnog tot verlenging van het moratorium of
alternatieve internationale afspraken te komen?
Daarnaast vragen de leden van de VVD-fractie nadrukkelijk aandacht voor de positie
van China binnen de WTO. Deze leden vinden het niet langer uitlegbaar dat de tweede
economie ter wereld zich nog altijd beroept op de status van ontwikkelingsland. Daardoor
blijft China volgens deze leden ruimte houden voor grootschalige staatssteun, marktverstoring
en oneerlijke concurrentie, zonder de verantwoordelijkheden te dragen die passen bij
zijn economische gewicht.
De leden van de VVD-fractie vragen het kabinet daarom welke concrete stappen Nederland
samen met gelijkgestemde partners zet om de druk op China binnen de WTO op te voeren.
Welke instrumenten of beperkende maatregelen worden overwogen indien China blijft
weigeren zijn status en verplichtingen aan te passen aan de economische realiteit
van vandaag?
De leden van de VVD-fractie benadrukken dat in een wereld waarin de WTO steeds vaker
vastloopt, handelsverdragen belangrijker worden. Deze leden constateren dat het succes
van CETA laat zien dat stabiele en voorspelbare handelsafspraken een krachtig antwoord
vormen op toenemend mercantilisme en economische fragmentatie.
De leden van de VVD-fractie zijn van mening dat de Europese Unie hierin een unieke
positie heeft. De betrouwbaarheid van Europa maakt de Europese Unie aantrekkelijk
voor landen die niet willen kiezen tussen Washington en Beijing. Wat deze leden betreft
moet de Europese Unie daarom veel intensiever samenwerken met landen zoals Japan,
Zuid-Korea, Australië en Canada, niet alleen via afzonderlijke handelsverdragen, maar
ook via een breder strategisch netwerk gericht op economische veiligheid, leveringszekerheid
en kritieke grondstoffen.
De leden van de VVD-fractie vragen het kabinet daarom of hij mogelijkheden ziet voor
een bredere alliantie van gelijkgestemde middelmachten op het gebied van economische
veiligheid, kritieke grondstoffen en de bescherming van vitale maritieme handelsroutes.
Kan het kabinet daarnaast een concreet tijdpad schetsen voor wanneer een formele top
met deze partners zou kunnen plaatsvinden om dergelijke afspraken nader uit te werken
en vast te leggen?
Inbreng leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben kennisgenomen van de agenda voor de
Raad Buitenlandse Zaken Handel van 22 mei 2026 en hebben hier nog enkele vragen en
opmerkingen over.
Deze leden lezen dat de Raad tijdens de lunch zal spreken over de implementatie van
handelsakkoorden. In dat kader hebben de leden van deze fractie enkele vragen over
Investor-State Dispute Settlement (ISDS), het mechanisme in internationale investeringsverdragen
dat buitenlandse investeerders het recht geeft om een staat aan te klagen buiten de
nationale rechtbanken om. Deze leden wijzen erop dat Nederland zelf bijvoorbeeld geconfronteerd
wordt met rechtszaken van ExxonMobil en Shell vanwege de sluiting van het gasveld
in Groningen.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen het kabinet of zij herinneren dat eind
vorige maand in Colombia een historische conferentie plaatsvond, de eerste conferentie
over de transitie weg van fossiele brandstoffen, gezamenlijk georganiseerd door Colombia
en Nederland, en of zij herinneren dat daar op de agenda specifiek werd verwezen naar
ISDS als een obstakel voor een groene transitie. Ook vragen zij het kabinet bekend
te zijn met de vooraf aan de conferentie verstuurde brief door 220 economen en rechtsgeleerden
aan de Colombiaanse president Gustavo Petro, waarin zij oproepen tot maatregelen inzake
ISDS.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen zich af of het kabinet kan uitweiden
over de discussies die zijn gevoerd over ISDS op deze conferentie. De Nederlandse
regering liet bij monde van Minister van Economische Zaken en Klimaat na afloop weten
dat «verschillende partijen en verschillende landen verschillende standpunten» hadden
ingenomen, maar niet welke standpunten. Deze leden vragen welke positie het kabinet
heeft ingenomen in de discussies over ISDS. Deelt het kabinet de mening van de Colombiaanse
Minister Irene Vélez Torres, die zei dat ISDS regeringen al jaren belemmert om doortastender
klimaatmaatregelen te nemen, en die een stappenplan heeft ontwikkeld om uit ISDS te
stappen? Erkent het kabinet, net als zijn Colombiaanse collega, dat ISDS een obstakel
vormt voor de groene transitie? Zo nee, waarom niet? Welke positie gaat Nederland
innemen bij toekomstige verdragen die ter tafel komen als daarin een vorm van ISDS
is opgenomen? Hoeveel bilaterale of multilaterale handels- en investeringsverdragen
waarin Nederland op dit moment partij is, bevatten een vorm van ISDS? Welke daarvan
lopen binnen deze kabinetsperiode af? Welke van de vrijhandelsverdragen of investeringsverdragen
die nu door Europa in onderhandeling zijn (onder andere met Indonesië, India, en Mexico)
bevatten een vorm van ISDS?
Over het handelsverdrag met Indonesië vragen de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
zich af hoe risico’s op ontbossing en landrechten bij de uitvoering van dit verdrag
worden gewaarborgd. Hoe kijkt het kabinet naar het idee om de handelsvolumes van producten
met ontbossingsrisico naar de EU na de invoering bij te houden, om te zien of er daadwerkelijk
sprake is van een stijging? Is het kabinet het ermee eens dat de EU aanzienlijke middelen
en diplomatieke inspanningen moet inzetten om duurzame productie te stimuleren in
partnerlanden zoals Indonesië? En is het kabinet het ermee eens dat het maatschappelijk
middenveld een rol moet krijgen in het houden van toezicht op de wijze waarop het
Palmolieprotocol moet worden uitgevoerd?
Over de conferentie over de hervorming van de WTO, delen de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
de mening van het kabinet dat het teleurstellend is dat er geen consensus is bereikt
over noodzakelijke hervormingen. Deze leden wijzen erop dat een goed functionerende
WTO belangrijk is voor een mondiaal handelssysteem gebaseerd op regels, en dat hervormingen
noodzakelijk zijn om recht te doen aan landen in het mondiale Zuiden. Zij vragen het
kabinet om aan te geven hoe zij denken dat een weg uit deze impasse eruit kan zien.
Tot slot lezen de leden van deze fractie dat het in de Raad zal gaan over de Turnberry-deal
tussen de EU en de VS. Zij vragen het kabinet hoe het staat met de onderhandelingen
tussen de Raad en het Europees parlement, en of de verwachting is dat belangrijke
aanpassingen van het Europees parlement – in het bijzonder een sunset clause; een
sunrise clause voor staal en aluminium; opschortingsclausules bij ernstige schendingen
van mensenrechten en fundamentele democratische beginselen; formele koppeling met
het Anti-Coercion Instrument – in de uiteindelijke overeenkomst zullen komen. Is het
kabinet het eens dat, zelfs als de overeenkomst verbetert, fundamentele zorgen over
de deal – zoals de zwakke onderhandeling vanuit de EU, de zeer onevenwichtige uitkomst,
en zorgen over de juridische basis voor de tarieven en WTO-conformiteit – overeind
blijven en niet worden weggenomen? Hoe ziet het kabinet een overeenkomst waarin Europa
belooft om grote hoeveelheden vloeibaar gas te kopen, als verenigbaar met onze nationale
en internationale verplichtingen om af te stappen van fossiele energie?
Inbreng leden van de CDA-fractie
De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de geannoteerde agenda voor de
Raad Buitenlandse Zaken Handel van 22 mei 2026, de voortgangsrapportage handelsakkoorden,
de brief over de herziening van het Algemeen Preferentieel Stelsel, de brief over
de EU-Canada handelsrelatie, de reactie op de grondstoffenalliantie tussen de VS,
Japan en de EU en de EU-signalering.
De leden van de CDA-fractie beoordelen deze agenda vanuit één centrale overtuiging:
in een wereld waarin handelsroutes worden verstoord, bondgenootschappen verschuiven
en protectionisme toeneemt, moet Europa zijn strategische autonomie op het gebied
van handel, grondstoffen en voedselzekerheid veel actiever vormgeven. Europa is voor
cruciale grondstoffen voor de landbouw, zoals fosfaat en kali, afhankelijk van Rusland,
Belarus en Marokko. Voor plantaardige eiwitten voor veevoer is de EU grotendeels aangewezen
op Brazilië en de VS. De afsluiting van de Straat van Hormuz laat zien hoe kwetsbaar
toeleveringsketens zijn wanneer geopolitieke spanningen oplopen. Het regeerakkoord
onderstreept terecht dat Nederland de banden verder moet aanhalen met gelijkgezinde
landen als Canada, het Verenigd Koninkrijk, Japan en Noorwegen, en dat diversificatie
van kritieke grondstoffen essentieel is. Deze leden vinden dat voedselgrondstoffen
en eiwitstromen in dat rijtje thuishoren. Juist de samenwerking met zogenoemde middenmachten
– landen als Canada, Australië, Brazilië en Marokko, die landbouwgrond, grondstoffen
of verwerkingscapaciteit hebben die Europa nodig heeft – biedt perspectief voor een
weerbare Europese handelspositie. Vanuit dit perspectief stellen deze leden de volgende
vragen.
Wereldhandelsorganisatie (WTO)
De leden van de CDA-fractie delen de teleurstelling over de magere uitkomst van de
14e Ministeriële Conferentie van de WTO in Yaoundé. Juist in een tijd van geopolitieke
spanning, handelsconflicten en groeiend protectionisme is een sterke WTO immers nodig.
Voornoemde leden constateren dat er geen akkoord is gekomen over een WTO-hervorming
en dat er ook geen verlenging is van het e-commerce moratorium (afspraak binnen de
WTO dat landen geen invoerheffingen mogen opleggen op elektronische transmissies).
Kan het kabinet precies aangeven wat de Nederlandse inzet wordt in Genève? Welke concrete
stappen wil Nederland dat de EU zet om alsnog tot resultaat te komen?
De leden van de CDA-fractie vragen ook hoe realistisch het kabinet het acht dat de
WTO via consensus nog tot stevige hervormingen kan komen. Is het kabinet bereid om
binnen de EU te pleiten voor meer samenwerking met gelijkgezinde middenmachten, zoals
Canada, Japan, Australië en het Verenigd Koninkrijk, als hervorming met alle WTO-leden
niet zou lukken?
Ook vragen de leden van de CDA-fractie hoe het kabinet aankijkt tegen plurilaterale
akkoorden binnen of naast de WTO. Kunnen zulke akkoorden een praktische uitweg bieden
als sommige leden hervorming blijven blokkeren? Waar liggen voor Nederland hierbij
de grenzen?
De leden van de CDA-fractie maken zich zorgen over oneerlijke concurrentie door industriële
subsidies, staatsbedrijven en marktverstoring. Kan het kabinet aangeven hoe Nederland
binnen de EU inzet op stevigere WTO-regels voor industriële subsidies? Wordt daarbij
ook expliciet gekeken naar de rol van China?
In dit verband wijzen de leden van de CDA-fractie op de analyse van Anne Applebaum
in Autocracy, Inc., waarin zij beschrijft hoe autocratische regimes – waaronder China,
Rusland en Iran – niet langer op ideologische gronden samenwerken, maar op basis van
wederzijds economisch en politiek belang. Zij zetten industriële subsidies, staatsbedrijven
en kleptocratische financieringsstructuren in om hun machtspositie te versterken,
waarbij zij het internationale handelssysteem naar hun hand zetten. De leden van de
CDA-fractie vragen het kabinet of deze analyse wordt gedeeld en welke consequenties
hij hieruit trekt voor de Nederlandse en Europese handelspolitiek. Is het kabinet
bereid om, in lijn met Applebaums oproep aan democratieën om gezamenlijk op te trekken,
binnen de EU te pleiten voor een coherente strategie die de handelsverstoringen door
autocratische netwerken adresseert, bijvoorbeeld door steviger optreden tegen staatssteun
aan buitenlandse staatsbedrijven, strengere investeringsscreening en het tegengaan
van marktverstoring via gedumpt aanbod?
Ten aanzien van het e-commerce moratorium vragen de leden van de CDA-fractie welke
gevolgen het verlopen van dit moratorium kan hebben voor Nederlandse bedrijven, in
het bijzonder voor mkb-bedrijven en digitale dienstverleners. Welke landen overwegen
volgens het kabinet invoerheffingen op elektronische transmissies? En wat doet de
EU om schade voor Europese bedrijven te voorkomen?
Economische veiligheid: De impact van de situatie in het Midden-Oosten op handel
De leden van de CDA-fractie maken zich grote zorgen over de gevolgen van het conflict
in het Midden-Oosten voor handel, energieprijzen, voedselzekerheid en mondiale stabiliteit.
Deze leden steunen de inzet dat vrije doorvaart moet worden hersteld. Zij vragen het
kabinet welke concrete rol de EU hierbij kan spelen. Gaat het hierbij alleen om diplomatieke
druk, of ook om praktische ondersteuning van internationale of humanitaire initiatieven?
Welke bijdrage is Nederland bereid te leveren als de veiligheidssituatie dat toelaat?
De leden van de CDA-fractie lezen dat Nederland inzet op EU-sancties tegen Iraanse
personen en entiteiten die betrokken zijn bij het belemmeren van vrije doorvaart.
Kan het kabinet aangeven welke sanctie-opties op tafel liggen?
De leden van de CDA-fractie vragen ook naar de gevolgen voor lage-inkomenslanden.
Juist deze landen zijn vaak afhankelijk van import van olie, gas en kunstmest uit
de Golfregio. Wat doet Nederland, bilateraal en via de EU, om te voorkomen dat deze
crisis leidt tot hogere voedselprijzen en nieuwe schuldenproblemen in kwetsbare landen?
Kan het kabinet daarnaast aangeven wat de gevolgen zijn voor Nederlandse sectoren
zoals landbouw, transport, energie-intensieve industrie en chemie? Heeft het kabinet
scenario’s klaarliggen voor het mitigeren van de gevolgen van verdere verstoring van
energie-, kunstmest-, aluminium- of heliummarkten?
Lunch implementatie handelsakkoorden
De leden van de CDA-fractie vragen het kabinet hoe zij de discussie over het versnellen
van procedures voor handelsakkoorden ingaat. Waar ziet het kabinet ruimte voor versnelling?
En waar trekt het kabinet een duidelijke grens?
Deze leden vragen ook hoe de Kamer tijdig betrokken blijft bij nieuwe handelsakkoorden.
Kan de Minister toezeggen dat versnelling niet ten koste gaat van parlementaire controle,
transparantie en een goede beoordeling van gevolgen voor landbouw, milieu, arbeidsrechten
en strategische afhankelijkheden?
Daarnaast vragen de leden van de CDA-fractie hoe het kabinet ervoor zorgt dat bestaande
handelsakkoorden beter worden benut door Nederlandse ondernemers. Veel mkb-bedrijven
kennen de mogelijkheden van handelsakkoorden onvoldoende. Welke concrete stappen zet
het kabinet samen met RVO, ambassades en brancheorganisaties om die benutting te vergroten?
De leden van de CDA-fractie zijn positief over het versterken van handelsrelaties
met gelijkgezinde landen zoals Canada en Mexico. De motie-Kamminga/Boswijk vroeg terecht
aandacht voor verdieping van deze relaties en voor het veiligstellen van toeleveringsketens
voor kritieke grondstoffen. Deze leden constateren dat de handel met Canada sinds
de voorlopige toepassing van CETA sterk is gegroeid. Ook lezen zij dat Canada beschikt
over belangrijke kritieke grondstoffen, zoals lithium, koper en zeldzame aardmetalen.
Kan het kabinet aangeven welke concrete resultaten de samenwerking met Canada inmiddels
oplevert voor Nederlandse bedrijven en voor de leveringszekerheid van kritieke grondstoffen?
De leden van de CDA-fractie vragen of het kabinet bereid is om met Canada een meerjarig
actieplan op te stellen voor kritieke grondstoffen, met aandacht voor mijnbouw, raffinage,
recycling, onderzoek, investeringen en hoge ESG-standaarden.
Ten aanzien van Mexico vragen de leden van de CDA-fractie wanneer ondertekening van
het gemoderniseerde EU-Mexico akkoord wordt verwacht. Welke kansen ziet het kabinet
voor Nederlandse bedrijven? En hoe wordt de Kamer geïnformeerd over de uitvoering?
Algemeen Preferentieel Stelsel
De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de brief over de herziening van
het Algemeen Preferentieel Stelsel (APS). Deze leden steunen het doel om ontwikkelingslanden
betere toegang tot de Europese markt te geven. Handel kan immers bijdragen aan armoedebestrijding,
werkgelegenheid en economische ontwikkeling.
Tegelijk lezen de leden van de CDA-fractie dat het APS ook voorwaarden stelt op het
gebied van mensenrechten, arbeidsrechten, goed bestuur, milieu en klimaat. Kan het
kabinet aangeven hoe de EU deze voorwaarden in de praktijk gaat controleren? Welke
capaciteit is daarvoor beschikbaar?
Daarnaast vragen deze leden hoe de nieuwe koppeling met terugkeersamenwerking in de
praktijk gaat werken. Het kabinet geeft zelf aan dat besluitvorming over visummaatregelen
vaak traag verloopt. Is het kabinet bereid om binnen de EU te pleiten voor een helder
escalatiemechanisme, waarbij handelsvoordelen onder het APS automatisch worden opgeschort
wanneer een partnerland structureel niet meewerkt aan terugkeer? En hoe voorkomt het
kabinet dat de koppeling met migratie ertoe leidt dat juist de armste landen, waar
de noden het grootst zijn, als eerste hun handelspreferenties verliezen?
Inbreng leden van de JA21-fractie
De leden van de fractie van JA21 hebben kennisgenomen van de geannoteerde agenda voor
de Raad Buitenlandse Zaken Handel van 22 mei 2026. Zij hebben enkele vragen en opmerkingen.
De leden van de fractie van JA21 maken zich zorgen over de ratificatie en uitvoering
van de Turnberry deal die spoedig dient te worden afgerond. Deze leden zijn van mening dat een pragmatische
houding die zorgt voor voorspelbaarheid voor bedrijven nu van het grootste belang
is. Daarom vragen zij het kabinet in de Raad te pleiten voor een zo snel mogelijke
verwerking van de Turnberry deal. Deelt het kabinet dit standpunt van deze leden? Kan zij toezeggen zich hiervoor
hard te maken in de Raad? Welke discussiepunten maken het nu dat de triloog nog niet
heeft kunnen worden afgerond?
De leden van de fractie van JA21 zijn van mening dat escalatoire handelsreacties vanuit
de Europese Unie zeer terughoudend moeten worden ingezet. Deze leden wijzen erop dat
extra Europese tegenheffingen uiteindelijk ook Europese bedrijven, producenten en
consumenten raken, zeker voor een open economie als Nederland. Zij vragen het kabinet
daarom expliciet of het zich in EU-verband verzet tegen een automatische logica van
dreigingen tot vergeldingsmaatregelen richting de Verenigde Staten. Deelt het kabinet
de opvatting dat het economisch onverstandig is om als reactie op Amerikaanse handelsbarrières
zelf opnieuw barrières op te werpen die de Europese economie verder belasten?
De leden van de fractie van JA21 zijn van mening dat de Europese reactie op drukzettende
Amerikaanse importheffingen handelsdiversificatie moet zijn in plaats van escalatie.
Die handelsdiversificatie wordt mede aangemoedigd door de Kamer bij monde van de motie
Hoogeveen c.s.1 Hoe vervult het kabinet deze aanjagersrol in de Raad? De Minister was onlangs in
Egypte; is daar ook gesproken over verdieping van het Deep and Comprehensive Free Trade Agreement met het land? Kan het kabinet tevens toelichten wanneer gesprekken zullen beginnen
met de Gulf Cooperation Council over een handelsakkoord?
De leden van de fractie van JA21 vragen daarnaast specifiek aandacht voor China. Deze
leden erkennen dat de handelsrelatie met China complex is en dat er terechte zorgen
bestaan over economische veiligheid, staatssteun, marktverstoringen en strategische
afhankelijkheden. Tegelijkertijd constateren deze leden dat China een van de belangrijkste
handelspartners van de Europese Unie blijft en dat duidelijke en afdwingbare handelsafspraken
juist kunnen bijdragen aan meer wederkerigheid, voorspelbaarheid en het verminderen
van handelsirritaties.
Deze leden wijzen erop dat het Comprehensive Agreement on Investment (CAI), waarover in 2020 in principe overeenstemming werd bereikt, mede bedoeld was
om Europese bedrijven betere markttoegang te geven, regels af te spreken over staatsbedrijven
en gedwongen technologieoverdracht tegen te gaan. De ratificatie van het akkoord werd
in 2021 politiek bevroren. De leden van de fractie van JA21 vragen het kabinet daarom
of het bereid is in de Raad te verkennen of onderdelen van het CAI of vergelijkbare
afspraken over markttoegang, investeringsbescherming en wederkerigheid opnieuw bespreekbaar
kunnen worden gemaakt. Zo nee, waarom niet? Hoe voorkomt het kabinet dat het Europese
China-beleid doorslaat van noodzakelijke de-risking naar economisch schadelijke ontkoppeling?
De leden van de fractie van JA21 constateren dat binnen de Europese Unie in toenemende
mate wordt gesproken over zogenoemde «local content»-eisen en «Made in Europe»-criteria
binnen industrie- en aanbestedingsbeleid. Deze leden begrijpen de wens om strategische
afhankelijkheden te verminderen, maar waarschuwen tegelijkertijd voor een ontwikkeling
richting impliciet protectionisme en verstoring van internationale waardeketens. Deze
leden vragen het kabinet daarom hoe het aankijkt tegen dergelijke lokale inhoudseisen.
Deelt het kabinet de opvatting dat het opleggen van vergaande Europese local content-verplichtingen
uiteindelijk kan leiden tot hogere kosten, minder concurrentie, verstoring van mondiale
productieketens en tegenmaatregelen van handelspartners? Hoe voorkomt het kabinet
dat de Europese Unie, in reactie op protectionistische tendensen elders in de wereld,
zelf vergelijkbare handelsverstorende instrumenten gaat inzetten? Is het kabinet bereid
zich in de Raad uit te spreken tegen de trend richting local content-eisen en te blijven
pleiten voor open markten, wederkerigheid en diversificatie van handelspartners?
De leden van de fractie van JA21 constateren voorts dat de Europese Unie steeds meer
inzet op handelsakkoorden met duurzaamheidshoofdstukken, keteneisen en aanvullende
regelgeving. Deze leden onderschrijven het belang van eerlijke handel en basisnormen,
maar vragen tegelijkertijd aandacht voor het risico dat Europese regeldruk en complexe
compliance-eisen de praktische markttoegang voor handelspartners bemoeilijken. Hoe
weegt het kabinet dit risico mee in de onderhandelingen over nieuwe handelsakkoorden?
Deelt het kabinet de opvatting dat de EU moet waken voor een situatie waarin handelsakkoorden
op papier markttoegang vergroten, maar aanvullende regelgeving die toegang in de praktijk
juist complexer maakt?
De leden van de fractie van JA21 hebben kennisgenomen van de antwoorden van het kabinet
op het schriftelijk overleg over de Raad Buitenlandse Zaken van 11 mei 2026. Deze
leden vragen het kabinet nader in te gaan op de positie van het Koninkrijk ten opzichte
van Venezuela. Het kabinet stelt dat «het bereid is een constructieve rol te spelen
om de situatie te verbeteren waardoor in de toekomst mogelijk ook de randvoorwaarden
ontstaan voor verantwoorde economische kansen.» Aan welke constructieve rol wordt
hier specifiek gedacht? Hoe worden de landen Aruba en Curaçao, mede in het licht van
hun reeds uitgesproken ambities, binnen het buitenlandbeleid in de optimale positie
gebracht om nieuwe economische kansen met Venezuela te kunnen grijpen?
Tenslotte willen de leden van de fractie van JA21 een verzoek doen betreffende de
gevolgen van een mogelijke opschorting van het handelsdeel van het associatieakkoord
met Israël. Tijdens het plenaire debat over de situatie in het Midden-Oosten van 16 april
jongstleden heeft de Minister van Buitenlandse Zaken aangegeven dat er weinig zicht
is op de mogelijke gevolgen voor het Nederlandse bedrijfsleven en toeleveringsketens.
Hij gaf daarbij aan wel bereid te zijn te kijken of daar meer informatie over verstrekt
zou kunnen worden. Zou het kabinet bereid zijn per brief de Kamer hierover te informeren
met daarover beschikbare informatie? En wat is de laatste stand van zaken omtrent
die voornemen in Europees verband?
Inbreng leden van de BBB-fractie
De leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van de geannoteerde agenda voor de
Raad Buitenlandse Zaken Handel van 22 mei 2026 en hebben hierover nog enkele vragen.
Impact Midden-Oosten op handel, energieprijzen en kunstmest
De leden van de BBB-fractie lezen dat de Raad zal spreken over de impact van het conflict
in het Midden-Oosten op handel en internationale waardeketens. Deze leden lezen ook
dat prijseffecten kunnen optreden op onder meer gas-, aluminium- en kunstmestmarkten.
Kan het kabinet aangeven welke Nederlandse sectoren op dit moment het meest kwetsbaar
zijn voor deze prijsstijgingen en verstoringen, specifiek in de landbouw, visserij,
transportsector, maakindustrie en energie-intensieve industrie?
De leden van de BBB-fractie constateren dat de Europese Commissie tijdelijk ruimere
staatssteunregels toestaat via het Middle East Crisis Temporary State Aid Framework.
Kan het kabinet of zij voornemens is gebruik te maken van deze verruimde staatssteunruimte,
bijvoorbeeld voor bedrijven die hard worden geraakt door hogere kosten voor energie,
brandstof en kunstmest? Zo ja, voor welke sectoren, onder welke voorwaarden en op
welke termijn? Zo nee, waarom niet?
Deze leden vragen hoe het kabinet voorkomt dat Nederlandse bedrijven op achterstand
komen te staan wanneer andere lidstaten wel gebruikmaken van deze ruimere staatssteunruimte.
Is het kabinet bereid in kaart te brengen welke lidstaten gebruik maken van deze mogelijkheden
en welke gevolgen dit heeft voor het Europese gelijke speelveld?
De leden van de BBB-fractie vragen daarnaast hoe het kabinet deze kwestie in Europees
verband aan de orde stelt. Deelt het kabinet de zorg dat verschillen in nationale
steunmaatregelen kunnen leiden tot concurrentieverstoring binnen de interne markt,
juist voor sectoren die al onder zware druk staan?
Voedselzekerheid en handelsmissie Egypte
De leden van de BBB-fractie constateren dat begin mei een economische tuinbouwmissie
naar Egypte heeft plaatsgevonden. Deze leden hebben begrepen dat samenwerking op het
gebied van land- en tuinbouw, water, zaaizaad, pootgoed, glastuinbouw, precisielandbouw
en voedselzekerheid daarbij belangrijke thema’s waren. Kan het kabinet aangeven welke
concrete resultaten deze missie heeft opgeleverd?
Kan het kabinet daarbij ingaan op de vraag welke kansen deze missie concreet biedt
voor Nederlandse boeren, tuinders, veredelaars, watertechnologiebedrijven, kennisinstellingen
en het mkb? Hoe wordt ervoor gezorgd dat deze missie niet blijft steken in gesprekken
en netwerkbijeenkomsten, maar leidt tot concrete handelskansen en projecten?
De leden van de BBB-fractie vragen ook hoe de samenwerking met Egypte op het terrein
van voedselzekerheid past binnen de bredere handelsagenda van het kabinet. Ziet het
kabinet voedselzekerheid als een vast en herkenbaar onderdeel van het Nederlandse
handelsbeleid, juist omdat Nederland op dit gebied veel kennis en praktijkervaring
te bieden heeft?
Handelsakkoorden en kansen voor Nederlandse ondernemers
De leden van de BBB-fractie lezen dat tijdens de lunch zal worden gesproken over de
implementatie van handelsakkoorden en het versnellen van procedures. Deze leden onderschrijven
dat handelsakkoorden alleen waarde hebben wanneer ondernemers ze ook echt kunnen gebruiken.
Kan het kabinet aangeven hoe zij ervoor zorgt dat vooral mkb’ers, regionale bedrijven
en ondernemers in de agrofoodsector beter worden geïnformeerd over concrete kansen
uit nieuwe en bestaande handelsakkoorden?
Kan het kabinet aangeven of bij de implementatie van handelsakkoorden standaard wordt
gekeken naar de gevolgen voor Nederlandse boeren, tuinders, familiebedrijven en mkb’ers?
Zo ja, hoe wordt die beoordeling gemaakt? Zo nee, is het kabinet bereid dit voortaan
explicieter mee te nemen?
WTO en weerbaarheid van de Nederlandse economie
De leden van de BBB-fractie lezen dat de uitkomsten van MC14 beperkt waren en dat
er geen afspraken zijn gemaakt over WTO-hervormingen en het voortzetten van het e-commerce
moratorium. Kan het kabinet aangeven wat het uitblijven van deze afspraken concreet
betekent voor Nederlandse ondernemers?
De leden van de BBB-fractie vragen hoe het kabinet zich in Europees verband inzet
voor een handelsbeleid dat open handel combineert met bescherming van vitale Nederlandse
belangen. Deze leden vinden dat Nederland handelsland is en moet blijven, maar dat
dit niet naïef mag zijn. Kan het kabinet aangeven hoe zij in de Raad inzet op minder
strategische afhankelijkheden, betrouwbare handelsroutes en eerlijke concurrentievoorwaarden
voor Nederlandse bedrijven?
Inbreng leden van de Denk-fractie
De leden van de DENK-fractie hebben kennisgenomen van de geannoteerde agenda van de
Raad Buitenlandse Zaken Handel van 22 mei 2026 en hebben naar aanleiding daarvan nog
enkele vragen en opmerkingen.
In de brief gaat de Minister in op de uitvoering van een motie over het voorkomen
dat producten die gefabriceerd zijn met Oeigoerse dwangarbeid op de Nederlandse markt
komen. De leden van de DENK-fractie maken zich in dit kader ernstige zorgen over de
voortgaande groei van de handelsrelatie met Xinjiang (Oost-Turkestan), terwijl er
sprake is van structurele en grootschalige mensenrechtenschendingen tegen de Oeigoerse
bevolking, waaronder de inzet van dwangarbeid. Deze leden vragen het kabinet hoe zij
deze ontwikkeling beoordeelt in het licht van de recente bevindingen van Nieuwsuur,
waaruit blijkt dat de handel tussen Nederland en Xinjiang (Oost-Turkestan) de afgelopen
jaren aanzienlijk is toegenomen en in 2024 bijna een half miljard euro bedroeg.
Voorts vragen de leden van de DENK-fractie welke concrete stappen Nederland sinds
de aanneming van de Europese anti-dwangarbeidverordening heeft gezet om producten
die vervaardigd zijn met dwangarbeid uit de Nederlandse en Europese markt te weren.
In dat kader vragen deze leden tevens of het klopt dat Nederland nog altijd geen nationale
toezichthouder heeft aangewezen voor de uitvoering en handhaving van deze verordening.
Indien dat het geval is, vernemen deze leden graag waarom dit nog niet is gebeurd,
op welke termijn alsnog een toezichthouder zal worden aangewezen en welke gevolgen
het uitblijven hiervan heeft voor de handhaving op producten die mogelijk met Oeigoerse
dwangarbeid zijn vervaardigd. Welke andere stappen zet de regering nationaal ter voorbereiding
op de verordening, wensen de leden ook te vragen.
Daarnaast vragen de leden van de DENK-fractie of het kabinet bereid is zich in Europees
verband in te zetten voor een verzwaarde bewijslast voor producten afkomstig uit Xinjiang
(Oost-Turkestan), vergelijkbaar met de Amerikaanse Uyghur Forced Labor Prevention
Act, waarbij bij producten uit deze regio standaard wordt vermoed dat zij met dwangarbeid
zijn vervaardigd tenzij het tegendeel wordt bewezen. Indien het kabinet hiertoe niet
bereid is, verzoeken deze leden uiteen te zetten waarom niet. Voorts vragen de leden
het kabinet uiteen te zetten wat sinds aanneming van de motie Van Baarle (36 600-V-53) door de regering specifiek is gedaan op het gebied van het weren van producten
die mogelijk met Oeigoerse dwangarbeid tot stand zijn gekomen. Tot slot wensen de
leden van de DENK-fractie te vragen hoe het kabinet concreet zich tot de Europese
Commissie wendt om de implementatie van de antidwangarbeidverordening zo streng mogelijk
te maken op het gebied van Oeigoerse dwangarbeid. Welke mogelijkheden biedt de verordening
hiertoe, wensen de leden te vragen. Is het kabinet bijvoorbeeld bereid om aan de Europese
Commissie te vragen om geheel Xinjiang (Oost-Turkestan) tot risicogebied aan te wijzen,
vragen deze leden.
De leden van de DENK-fractie vragen verder of mensenrechtenschendingen tegen de Oeigoeren
expliciet onderdeel zullen zijn van de gesprekken tijdens de aankomende handelsmissie
naar China. Tevens vragen deze leden of het kabinet bereid is tijdens deze handelsmissie
nadrukkelijk aandacht te vragen voor de situatie van de Oeigoeren en de inzet van
dwangarbeid in Xinjiang (Oost-Turkestan). Indien het kabinet daartoe niet bereid is,
vernemen deze leden graag waarom dit het geval is.
Op de agenda staat ook het Midden-Oosten, merken de leden van de DENJK-fractie op.
Daarom vragen deze leden of het kabinet tijdens de komende Raad bereid is zich in
te zetten voor opschorting van het handelsdeel van het EU-associatieakkoord met Israël,
conform meerdere aangenomen oproepen uit de Kamer. Indien het kabinet daartoe niet
bereid is, verzoeken deze leden dit nader toe te lichten. Tevens vragen deze leden
hoe effectief de Minister het huidige Europese beleid acht ten aanzien van de etikettering
van producten afkomstig uit illegale Israëlische nederzettingen. Daarbij vernemen
deze leden graag hoeveel controles de afgelopen jaren hebben plaatsgevonden op de
correcte etikettering van dergelijke producten, hoeveel overtredingen daarbij zijn
vastgesteld en welke sancties of maatregelen worden opgelegd wanneer producten uit
illegale nederzettingen onjuist zijn geëtiketteerd of ten onrechte profiteren van
handelsvoordelen.
Ten slotte vragen de leden van de DENK-fractie in het kader van overige onderwerpen
welke concrete stappen het kabinet naar aanleiding van de aanneming van de motie van
het lid Van Baarle c.s. (36180–209) zal zetten om de Europese Commissie te verzoeken
om de rol van de Verenigde Arabische Emiraten (VAE) in de oorlog in Sudan bespreekbaar
te maken en hierin Europese medestanders te vinden. Deze leden wensen te vragen of
het kabinet dit de aankomende Raad zal doen. In dit kader vragen deze leden ook of
de rol van de VAE in de oorlog in Sudan momenteel wordt betrokken bij handelsafwegingen,
diplomatieke contacten of onderhandelingen met de VAE. Indien dit niet het geval is,
verzoeken deze leden de regering uiteen te zetten waarom dit niet het geval is.
Inbreng leden van de SGP-fractie
De leden van de SGP-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de geannoteerde
agenda van de Raad Buitenlandse Zaken Handel van 22 mei 2026.
De leden van de SGP-fractie hebben nog een aantal vragen over versoepeling van staatssteunregels,
de handelsrelatie met Israël en de (herziening van de) APS-verordening.
Economische veiligheid
De leden van de SGP-fractie onderschrijven het belang dat het kabinet hecht aan de
opening van de Straat van Hormuz, die illegaal geblokkeerd wordt door de Islamitische
Republiek Iran. Primair moet de druk op het ayatollahregime daartoe verder worden
opgevoerd. Het kabinet geeft aan dat de leveringszekerheid vooralsnog niet in gevaar
komt. Toch kunnen er bedrijven zijn waarvan de aanvoerketens zodanig onder druk raken
dat zij door de oorlog in het Midden-Oosten in de problemen komen. De Europese Commissie
staat tijdelijk toe dat lidstaten tot het einde van het jaar extra staatssteun verlenen.
Zo kunnen lidstaten tot 70% van de extra kosten voor energie en kunstmest compenseren.
Is het kabinet voornemens van deze mogelijkheid gebruik te maken? Zo nee, hoe waarborgt
het kabinet een gelijk speelveld wanneer andere lidstaten wél gebruikmaken van deze
versoepeling van de staatssteunregels?
Handel met Israël
De leden van de SGP-fractie constateren dat de lidstaten in de Raad van de Europese
Unie een politiek akkoord hebben bereikt over een nieuw sanctiepakket tegen kolonisten.
Over de inhoud van deze sancties is nog weinig bekend. De leden van de SGP-fractie
kunnen zich voorstellen dat deze sancties door Israël niet los worden gezien van pleidooien
vanuit verschillende lidstaten voor opschorting van het handelsdeel van de associatieovereenkomst
tussen de EU en Israël. Kan het kabinet inzichtelijk maken welke gevolgen de voorgenomen
sancties en een eventuele opschorting van het handelsdeel van de associatieovereenkomst
kunnen hebben voor de handelsrelatie met Nederland? Kan het kabinet daarnaast aangeven
in hoeverre rekening wordt gehouden met mogelijke Israëlische tegenmaatregelen en
de Kamer hierover te informeren zodra hierover meer duidelijkheid is?
APS
Met interesse hebben de leden van de SGP-fractie de brief gelezen over de herziening
van de verordening over het Algemeen Preferentieel Stelsel (APS). De SGP steunt tariefpreferenties
voor ontwikkelingslanden, omdat dit één van de meest effectieve vormen van beleidscoherentie
is. Vrijhandel vormt een cruciale voorwaarde voor marktontwikkeling en industrialisatie,
waardoor minst ontwikkelde landen en lage-inkomenslanden beter in staat zijn armoede
terug te dringen en een goed functionerende samenleving op te bouwen. Bij ernstige
marktverstoringen door import van bepaalde (landbouw)producten uit lagere middeninkomenslanden
moet de EU, zoals het kabinet terecht aangeeft, vrijwaringsmaatregelen kunnen nemen.
Kan het kabinet recente voorbeelden geven dat de Europese Commissie hiertoe moest
overgaan?
Ernstige en systematische schendingen van bepaalde internationale verdragen kunnen
aanleiding zijn om tariefpreferenties gedeeltelijk of geheel in te trekken. Het kabinet
noemt in dit verband Wit-Rusland (2007) en Cambodja (2020). Kunnen de leden van de
SGP-fractie uit de geannoteerde agenda opmaken dat dit de enige voorbeelden zijn,
of is dit instrument vaker toegepast? Wat deze leden betreft blijft intrekking van
preferenties gelden als een ultimum remedium, dat niet lichtvaardig moet worden ingezet
wanneer de waarden van de EU en bijvoorbeeld Afrikaanse handelspartners uiteenlopen.
Inbreng leden van de ChristenUnie-fractie
De leden van de ChristenUnie-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de geannoteerde
agenda. Deze leden hebben een aantal vragen.
CSDDD/ IMVO
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen hoe het kabinet kijkt naar de implementatie
van de Wet zorgplicht kinderarbeid (WZK), nu de definitieve CSDDD na afzwakking niet
toereikend is om aan de verplichtingen zoals gesteld in de WZK te voldoen. Is het
kabinet voornemens de WZK te implementeren? Zo nee, waarom niet? Als het kabinet niet
van plan is de WZK te implementeren, hoe wordt geborgd dat Nederland de verplichtingen
om kinderarbeid tegen te gaan, die middels de WZK reeds in een aangenomen wet waren
vervat, straks niet worden verzwakt?
De leden van de ChristenUnie-fractie zien dat er in andere EU-lidstaten al wetten
bestaan die zorgen voor de bescherming van mensenrechten, zoals de Lieferkettengesetz
in Duitsland en de devoir de vigilance in Frankrijk. Op welke manieren zorgen deze
lidstaten ervoor dat de implementatie van de CSDDD in nationale wetgeving er niet
voor zorgt dat de bescherming van mensenrechten, milieu of klimaat wordt afgezwakt?
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen ook naar de uitvoering van de aangenomen
motie-Ceder/Hirsch (Kamerstuk 21501–02, nr. 3144) over een concreet doel en plan zodat meer bedrijven de OESO-richtlijnen onderschrijven.
Wanneer kunnen deze leden dit plan verwachten?
Handelsakkoord tussen EU en Indonesië
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen of het kabinet kan schetsen hoe de huidige
mensenrechtensituatie is in West-Papua. Welk beeld schetsen gerenommeerde NGO’s over
deze situatie? Deze leden vragen op welke wijze de EU de situatie in West-Papua concreet
heeft aangekaart, zowel binnen als buiten de onderhandelingen over het handelsakkoord?
Tevens vragen de leden welke stappen het kabinet zet om de situatie van de Papua’s
te verbeteren, alvorens het handelsakkoord wordt getekend.
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen het kabinet of Nederland, vanuit de historische
verantwoordelijkheid die ons land heeft, kartrekker wil zijn in het pleiten om het
akkoord niet te sluiten, tenzij de mensenrechtensituatie van de Papua’s aanzienlijk
verbetert en met Indonesië afspraken over verbeteringen wordt gemaakt. Zo nee, waarom
niet?
Handelsakkoord tussen EU en de VAE
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen het kabinet of zij kan schetsen wat de
betrokkenheid is van de Verenigde Arabische Emiraten (VAE) ten aanzien van de situatie
in Sudan en welk beeld gerenommeerde NGO’s schetsen over die betrokkenheid? Deze leden
vragen dan ook in hoeverre er met de VAE bij de onderhandelingen over het akkoord
wordt gesproken over de situatie in Sudan. Is het kabinet het met deze leden eens
dat er geen handelsakkoord met de VAE kan worden gesloten zolang de humanitaire ramp
in Sudan voortduurt? Welke stappen zouden er volgens het kabinet moeten worden gezet
voordat een handelsakkoord zou kunnen worden gesloten?
Inbreng leden van de SP-fractie
De leden van de SP-fractie zien grootschalige conflicten in de wereld die buiten de
afspraken van het internationaal recht blijven plaatsvinden. Ook Nederland moet zich
inzetten bij betrokken de (handels)partners om tot vrede te komen. Daarom hierover
een aantal vragen.
Eén van de verdragen die onze eigen wapenexportcriteria afbreekt, is het Verdrag van
Aken. Kan het kabinet aangeven wat de stand van zaken is met betrekking tot toetreding
tot dit verdrag? Hoe is hierbij gewogen dat hoewel op papier wapenexportcriteria hetzelfde
zijn, er signalen zijn dat deze in de praktijk door bijvoorbeeld Frankrijk anders
worden toegepast?
Binnen de Europese Commissie ligt er een plan om regels voor de wapenexportvergunningen
te versimpelen door met Algemene overdrachtsvergunningen te gaan werken. Lidstaten
verliezen zo zicht op de uiteindelijke bestemming van wapens, Nederland verliest haar
eigen exportcontroletoets, rapportageverplichtingen beperkt en uitzonderingen voor
wapentransfers zonder vergunningen worden uitgebreid.
Kunt u op deze punten inzicht geven wat dit voor Nederlandse wapenexport en toepassing
van criteria betekent? Welke inbreng heeft Nederland hierop in Europa geleverd? Wat
is de invloed van lobby van wapenfabrikanten geweest op de totstandkoming van dit
plan en is het kabinet bereid hier inzicht in te geven of hier meer informatie over
te verkrijgen?
Verschillende Europese landen hebben zich al negatief opgesteld tegen dit plan, die
de Commissie allerlei gedelegeerde bevoegdheden geeft. Gaat het kabinet zich hierbij
aansluiten en niet instemmen met het huidige voorstel?
Is het kabinet het eens met de stelling dat het versimpelen van het wapenexportbeleid
op geen enkele manier de huidige Europese exportcriteria mag ondermijnen?
En hoe ziet verdere besluitvorming eruit, wanneer wordt de Kamer over de uitkomst
van de onderhandelingen geïnformeerd en wanneer besluit het kabinet hierover?
De Verenigde Arabische Emiraten spelen een belangrijke rol in de wapenstromen richting
Soedan. Het kabinet heeft aangegeven dat zij voldoende doet om wapenexport te controleren
en dat zij geen aanwijzingen ziet dat via de VAE een omleiding heeft plaatsgevonden
naar Soedan onder Nederlandse vergunningen voor de uitvoer van militaire goederen.
Het artikel van Follow the Money liet zien dat dit in Yemen wel is gebeurd, ondanks
waarschuwingen vanuit het ministerie. Waar baseert het kabinet het uitsluiten van
het omleidingsrisico op?
Welke stappen zijn er gezet na de illegale acties van de VAE in Yemen om dit risico
uit te sluiten?
Het kabinet geeft aan de VAE een belangrijke partner te vinden en solidair te zijn
als het gaat om de veiligheidsbehoeftes van de VAE door de oorlog in Iran. Hoe kan
worden uitgesloten dat deze veiligheidsbehoeftes niet gebruikt worden om wapens door
te sluizen naar Soedan?
Hoe staat het daarnaast met het handelsakkoord tussen de VAE en Europa en hoe wordt
daar juist dit punt, van het steunen van strijdende partijen in Soedan, op tafel gelegd
tijdens de onderhandelingen over het handelsakkoord? Zoals het Clingendael-rapport
aangeeft, geeft een goed bondgenootschap juist reden om sterke kritiek te leveren.
Vandaag werd bekend dat Nederland 110 miljoen euro levert aan technologie aan Israël.
De leden van de SP-fractie snappen niet hoe na drie jaar aan genocide en Europese
regels die regelen geen spionagesoftware te exporteren naar landen waar mensenrechten
onder druk staan, Nederland hier lak aan heeft en handel voor laat gaan op moraal.
Is het kabinet het met deze leden eens dat niet uitgesloten kan worden dat technologie
wordt ingezet voor mensenrechtenschendingen? Is het kabinet met deze leden van mening
dat een handelsdeal met Israel haaks staat op de noodzaak druk uit te oefenen op de
Israëlische regering om mensenrechtenschendingen in de Westelijke Jordaanoever en
genocide in Gaza te stoppen?
Is het kabinet bereid openheid van zaken te geven over de contracten die zijn aangegaan,
zoals andere lidstaten wel hebben gedaan, en direct te stoppen met onderhandelingen
voor nieuwe aanbestedingen die deze Europese regels overtreden?
Hoe kan het exportbeleid naar Israël zijn aangescherpt, zoals het ministerie aangeeft,
terwijl er nog steeds niet uit te sluiten is dat deze dual-use-technologie ook kan
worden ingezet voor militaire doeleinden? Dan is het toch noodzakelijk om deze technologie
niét te exporteren?
Kan het kabinet verantwoorden waarom deze licenties toch afgegeven zijn terwijl het
wist dat er risico bestond op schending van mensenrechten en burgerslachtoffers?
Vorige week bracht de Minister een bezoek aan de grensovergang aan Rafah. Tot welke
conclusies is de Minister gekomen met betrekking tot het beleid dat nu gevoerd wordt
in Nederland en Europa als het gaat om druk op Israël? Welke «klemmende oproep» heeft
deze Minister gedaan aan zijn Israëlische collega en wat was daarop het antwoord?
Welke boodschap neemt de Minister mee naar zijn Europese collega’s?
Tenslotte heeft het kabinet aangegeven 5 miljoen euro toe te zeggen aan het VN-fonds
voor de wederopbouw van Gaza. Is het duidelijk waar dit geld naartoe gaat?
Wordt dit geld nu al uitgegeven of pas als het vredesplan van Trump wordt uitgevoerd?
Indien dat laatste, betekent dat dat Trump uiteindelijk over deze gelden gaat beschikken
en deze mogelijk gaat uitgeven aan zijn «Riviera van het Midden-Oosten»?
Daarnaast lezen de leden van de SP-fractie dat Unicef heeft gepubliceerd dat elke
week er een kind gedood wordt op de Westelijke Jordaanoever, dat 93% van deze doden
gepleegd zijn door Israëlische strijdkrachten en dat maart 2026 de maand was met de
meeste Palestijnse gewonden door kolonistenaanvallen in 20 jaar. Het kabinet deelt
de mening van de SP-fractie dat de nederzettingen op de Westelijke Jordaanoever illegaal
zijn. Wat gaat het kabinet doen om dit geweld in te temmen en uiteindelijk volledig
te mitigeren?
Welke stappen worden er nu in Europees verband gezet door het aannemen van de kolonistensancties
en welke mogelijke escalatie-ladder houdt het kabinet rekening mee als het geweld
aanhoudt?
Tenslotte willen de leden van de SP-fractie nog kort stilstaan bij de aangenomen motie
over de Blocking Statute, Kamerstuk 21501-02-3371. Kan het kabinet aangeven of, en
zo ja op welke wijze, het instellen van het EU Blocking Statute recent is besproken
bij de vergaderingen van de EU? Zo ja, wat was de Nederlandse inbreng hierbij en was
deze in lijn met de aangenomen motie?
Heeft Nederland in EU-verband, inclusief bij de Europese Commissie, gepleit voor en
aangedrongen op het instellen van het EU Blocking Statute? Zo nee, waarom niet? Zo
ja, hoe dan? Bent u bereid om als kabinet zich publiekelijk uit te spreken voor het
activeren van het EU Blocking Statue, zoals ook Spanje en Slovenië hebben gedaan?
II. Reactie van de Minister
IV. Volledige agenda
21 501-02-3393 – Brief regering d.d. 04-05-2026 Geannoteerde agenda voor de Raad Buitenlandse Zaken
Handel van 22 mei 2026.
21 501-02-3369 – Brief regering d.d. 03-04-2026 Verslag van de Raad Buitenlandse Zaken Handel van
26 en 29 maart 2026 en de 14e Ministeriële Conferentie van de Wereldhandelsorganisatie
van 26 tot en met 29 maart 2026.
32 852-400 – Brief regering d.d. 18-03-2026 Reactie op de grondstoffenalliantie tussen VS, Japan
en de EU.
31 985-108 – Brief regering d.d. 07-05-2026 EU-Canada handelsrelatie.
22 112-4321 – Brief regering d.d. 24-04-2026 – Herziening Algemeen Preferentieel Stelsel.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
R. den Hollander, voorzitter van de vaste commissie voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking -
Mede ondertekenaar
M. Prenger, adjunct-griffier
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.